[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-insurance-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":39,"total":16,"page":25,"limit":101},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},70,"insurance-law-nl","Insurance Law","NL","2026-07-08T16:54:31.274Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2025-01-28T00:00:00.000Z","2026-06-23T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122822","Burgerlijk Wetboek","art. 7:952",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123015","art. 6:170",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"121832","art. 6:248 lid 1",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"121833","art. 6:119",{"provisionId":36,"code":37,"article":38,"count":25},"121834","Zorgverzekeringswet","",[40,49,58,67,76,85,94],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":44,"summary":38,"language":7,"source":45,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":47,"updatedAt":48},"2004","ECLI:NL:GHAMS:2026:1670","ecli-nl-ghams-2026-1670","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht,\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.349.867\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank : C\u002F15\u002F333568 \u002F HA ZA 22-668\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. PODOCENTRUM ALKMAAR B.V.,\n\n gevestigd te Alkmaar,\n\n2. [appellant 1],\n\n handelend onder de naam PODOLOGIC,\n\n gevestigd te Ommen,\n\n3. [appellant 2]en\n\n [appellant 3],\n\n vennoten van SHOE-FIT V.O.F.,\n\n gevestigd te Tegelen,\n\n4. [appellant 4],\n\n handelend onder de naam PODOZORG NIEUWPOORT,\n\n gevestigd te Nieuwpoort,\n\n5. STICHTING VOOR VOET- EN HOUDING BEROEPEN,\n\n handelend onder de naam STICHTING LANDELIJK OVERKOEPELEND ORGAAN\n\n VOOR PODOLOGIE,\n\n gevestigd te Utrecht,\n\nappellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. T.A.M. van den Ende te Utrecht,\n\ntegen\n\n1. VGZ U.A.,\n\n2. VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\n3. IZA ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\n4. N.V. ZORGVERZEKERAAR UMC,\n\n5. N.V. UNIVÉ ZORG,\n\n allen gevestigd te Arnhem,\n\ngeïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. M.E. Jannink te Amsterdam.\n\nPartijen worden hierna LOOP e.a. en VGZ e.a. genoemd.\n\nAppellanten 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep worden gezamenlijk ook aangeduid als de aangesloten zorgaanbieders.\n\nAppellante 5 in principaal hoger beroep wordt afzonderlijk aangeduid als Stichting LOOP.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe bij Stichting LOOP aangesloten zorgaanbieders verlenen voetzorg. Zij verstrekken onder meer steunzolen aan hun cliënten. Deze verstrekkingen vallen niet onder de verplichte basiszorgverzekering. VGZ e.a. zijn zorgverzekeraars. De procedure gaat om de vraag of VGZ e.a. verplicht zijn de kosten van de steunzolen aan hun verzekerden te vergoeden als deze een aanvullende zorgverzekering hebben en de steunzolen worden verstrekt door registerpodologen of podoposturaal therapeuten, die geen podotherapeut zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit niet zo is, en het hof is het daarmee eens.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\nLOOP e.a. zijn bij dagvaarding van 3 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 9 oktober 2024 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen VGZ e.a. als eisers in conventie, verweerders in reconventie en LOOP e.a. als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven tevens akte wijziging van eis, met producties;\n\n- memorie van antwoord in principaal hoger beroep\u002Fmemorie van grieven in incidenteel hoger beroep tevens akte wijziging eis, met producties;\n\n- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens akte bezwaar wijziging eis.\n\nOp 13 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. VGZ e.a. hebben nog een productie in het geding gebracht.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.1.. \n\nVGZ e.a. zijn zorgverzekeraars. Stichting Loop is een brancheorganisatie. Zij behartigt de belangen van zorgaanbieders op het gebied van podologie. Zorgaanbieders die bij Stichting Loop zijn aangesloten zijn onder andere registerpodologen en podoposturaal therapeuten. Een registerpodoloog is gespecialiseerd in het onderzoeken en behandelen van klachten die ontstaan in de stand van de voeten. Een podoposturaal therapeut maakt gebruik van reflexwerking onder de voeten om stands- en houdingsverandering hoger in het lichaam teweeg te brengen. Naast registerpodologen en podoposturaal therapeuten verlenen ook podotherapeuten voetzorg. Podotherapeuten zijn niet bij Stichting LOOP aangesloten.\n\nDe appellanten 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep zijn zorgaanbieders die zijn aangesloten bij Stichting LOOP.\n\n3.2.. Zowel podotherapeuten als registerpodologen en podoposturaal therapeuten kunnen steunzolen leveren. Tot 2015 bestond tussen Stichting LOOP en VGZ e.a. een overeenkomst op grond waarvan Stichting LOOP de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen bij VGZ e.a. declareerde. VGZ e.a. vergoedden deze kosten als de desbetreffende aanvullende zorgverzekering in een vergoeding voor de kosten van steunzolen voorzag. Vanaf 2015 moesten de aangesloten zorgaanbieders zelf de kosten bij VGZ e.a. declareren. Sindsdien is er tussen Stichting LOOP e.a. en VGZ e.a. gecorrespondeerd over het wel of niet blijven vergoeden van de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen.\n\n3.3.. \n\nVGZ e.a. hebben in 2020 besloten het vergoeden van de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen te beëindigen met ingang van 2021.\n\nBij vonnis van 10 november 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland in kort geding onder meer VGZ e.a. geboden ‘het op 18 juni 2020 genomen besluit om de door\n\nregisterpodologen en podoposturaal therapeuten te leveren steun- en\u002Fof therapiezolen vanaf\n\n1 januari 2021 niet langer vanuit de aanvullende verzekering te vergoeden, zoals zij dat op\n\ndit moment nog wel doen, met onmiddellijke ingang ongedaan te maken’ en VGZ e.a. veroordeeld ‘om het afleveren van steun- en therapiezolen door registerpodologen en\n\npodoposturaal therapeuten aan haar verzekerden met een aanvullende verzekering\n\ngedurende het jaar 2021 te blijven vergoeden overeenkomstig de wijze van vergoeding in\n\n2020’ en ‘op hun website(s) binnen vijf werkdagen na heden bekend te maken dat de vergoeding van door registerpodologen en podoposturaal therapeuten te leveren steun- en therapiezolen in 2021 gehandhaafd blijft’.\n\n3.4.. VGZ e.a. hebben Stichting LOOP op 16 augustus 2021 bericht dat zij met ingang van 1 januari 2022 de kosten van door registerpodologen en podoposturaal therapeuten afgeleverde steunzolen niet langer vanuit de aanvullende zorgverzekering zouden vergoeden. Bij vonnis van 27 september 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland in kort geding VGZ e.a. verboden om aan dit besluit uitvoering te geven.\n\n3.5.. Bij arrest van 15 februari 2022 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het kortgedingvonnis van 10 november 2020 bekrachtigd wat betreft de in 3.3 vermelde beslissingen.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. VGZ e.a. hebben bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat het VGZ e.a. jegens gedaagden vrijstaat om in haar polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten, met veroordeling van LOOP e.a. in de proceskosten.\n\n4.2.. LOOP e.a. hebben in reconventie gevorderd om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat VGZ e.a. jegens LOOP e.a. onrechtmatig handelen:\n\n- door de vergoeding voor het leveren van steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen; en\n\n- door de vergoeding van de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de aanvullende verzekeringen, dan wel door de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet vanuit de aanvullende verzekeringen te vergoeden,\n\nmet veroordeling van VGZ e.a. in de proceskosten.\n\n4.3.. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie voor recht verklaard dat het VGZ e.a. vrijstaat om in hun polisvoorwaarden van aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen uit te sluiten. De vorderingen van LOOP e.a. in reconventie zijn afgewezen. LOOP e.a. zijn in conventie en reconventie veroordeeld in de proceskosten.\n\n5. Vorderingen in hoger beroep\n\n5.1.. LOOP e.a. vorderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, de vorderingen van VGZ e.a. alsnog zal afwijzen en, met wijziging van hun oorspronkelijke (reconventionele) eis, te verklaren voor recht:\n\n- dat VGZ e.a. onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door de vergoeding voor het leveren van steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen; en\n\n- dat VGZ e.a. onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door de vergoeding van de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de aanvullende verzekeringen, dan wel door deze voetzorg niet vanuit de aanvullende verzekeringen te vergoeden; en\n\n- dat VGZ e.a. gehouden zijn de vergoeding van de steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten onverminderd voort te zetten conform de door haar gemaakte afspraak,\n\nmet veroordeling, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van VGZ e.a. in de proceskosten.\n\n5.2.. Volgens VGZ e.a. moet het hof de vorderingen van LOOP e.a. afwijzen en het vonnis bekrachtigen.\n\n5.3.. VGZ e.a. vorderen daarnaast in incidenteel hoger beroep, met wijziging van hun oorspronkelijke eis, dat het hof voor recht zal verklaren dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrijstaat om:\n\n- in hun polisvoorwaarden van aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten;\n\n- de coulancevergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen dan wel podoposturaal therapeuten te beëindigen,\n\nmet veroordeling, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van LOOP e.a. in de proceskosten.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. Deze procedure gaat over het vergoeden van de kosten voor voetzorg, in het bijzonder de kosten voor steunzolen, aan verzekerden van VGZ e.a. Het afleveren van steunzolen is geen verzekerde prestatie onder de verplichte zorgverzekering (de basisverzekering). De aanvullende zorgverzekeringen die VGZ e.a. aanbieden, voorzien in veel gevallen wel in een vergoeding. Aan een dergelijke vergoeding zijn voorwaarden verbonden die zijn opgenomen in de polisvoorwaarden van deze aanvullende verzekeringen.\n\n6.2.. In de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen van VGZ e.a. is als voorwaarde voor het vergoeden van de kosten van steunzolen opgenomen dat de steunzolen moeten zijn afgeleverd door een podotherapeut of een orthopedische schoenmakerij (SEMH-OSB) of werkplaats (SEMH-OIM). De polisvoorwaarden van sommige aanvullende zorgverzekeringen stonden daarnaast vergoeding toe van steunzolen die werden afgeleverd door podoposturaal therapeuten.6.3.. Tussen VGZ e.a. en Stichting LOOP heeft gedurende een aantal jaren tot 2015 een overeenkomst bestaan op grond waarvan podoposturaal therapeuten en registerpodologen die bij Stichting LOOP waren aangesloten, voetzorg onder de basisverzekering mochten leveren en tevens onder de aanvullende zorgverzekeringen steunzolen mochten afleveren, voor zover die verzekeringen toelieten dat steunzolen ook werden afgeleverd door podoposturaal therapeuten. Vanaf 2015 vergoeden VGZ e.a. onder de basisverzekering geen voetzorg meer die wordt verleend door podoposturaal therapeuten en registerpodologen. In overleg met Stichting LOOP zijn VGZ e.a. vanaf 2015 nog wel – buiten de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen om – de kosten blijven vergoeden van steunzolen die werden afgeleverd door bij Stichting LOOP aangesloten registerpodologen, voor zover het ging om aanvullende zorgverzekeringen die wél voorzagen in een vergoeding van door podoposturaal therapeuten afgeleverde steunzolen.\n\n6.4.. VGZ e.a. hebben de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen met ingang van 2020 aangepast, waardoor de aanspraak op vergoeding verviel voor de kosten van steunzolen die podoposturaal therapeuten afleverden. Na overleg met Stichting LOOP hebben VGZ e.a. besloten de praktijk van het vergoeden van kosten van steunzolen van podoposturaal therapeuten en registerpodologen in 2020 nog voort te zetten. Vervolgens is deze vergoeding blijven bestaan op grond van de in kort geding gegeven uitspraken.\n\nUitgangspunt\n\n6.5.. Een aanvullende zorgverzekering is een schadeverzekering. Het hof stelt voorop dat aan VGZ e.a. als zorgverzekeraars de vrijheid toekomt om de aanvullende zorgverzekeringen naar eigen inzichten vorm te geven. Dit is een wezenlijk verschil met de basisverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet, die moet voldoen aan hetgeen daarover bij of krachtens de Zorgverzekeringswet is geregeld, en waarvan de verzekerde prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te boven mogen gaan. Het uitgangspunt is dan ook dat VGZ e.a. in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor kosten van steunzolen mogen beperken tot steunzolen die worden afgeleverd door podotherapeuten en orthopedische schoenmakerijen of werkplaatsen.\n\nSchakeljurisprudentie (onrechtmatig handelen)\n\n6.6.. \n\nLOOP e.a. bepleiten een beperking van de vrijheid die VGZ e.a. op dit punt toekomt.\n\nZij doen daarvoor onder meer een beroep op de zogenoemde schakeljurisprudentie.\n\nDe grieven 4 en 5 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep hebben hierop betrekking.\n\nDe schakeljurisprudentie houdt het volgende in:\n\n‘Wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractsverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden, die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, staat het hem niet onder alle omstandigheden vrij de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben. Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen dit meebrengen, zal de rechter de terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.’ In dit ‘beoordelingskader is bepalend of de aangesproken partij haar verklaringen en gedragingen ter zake van de overeenkomst waarbij zij partij is, mede diende te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde, en is dus niet mede vereist dat de aangesproken partij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is en waarmee de belangen van die derde verbonden zijn’ (HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1355, rov. 3.3.2 en 3.3.3, HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069, rov: 3.4).\n\n6.7.. In de kern komt het betoog van LOOP e.a. erop neer dat zij er een belang bij hebben dat VGZ e.a. de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen aan hun aanvullend verzekerden blijven vergoeden en dat VGZ e.a. hun keuzes bij het vaststellen van de voorwaarden voor het vergoeden van deze kosten mede moeten laten bepalen door dit belang. Volgens LOOP e.a. maakt het daarbij niet uit of VGZ e.a. al dan niet jegens hun verzekerden tekortschieten in het nakomen van verplichtingen op grond van de aanvullende zorgverzekering als de vergoedingen voor door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen van dekking worden uitgesloten. LOOP e.a. zien het overigens ook als een belang van de aanvullend verzekerden om vergoeding te blijven ontvangen voor dergelijke steunzolen.\n\n6.8.. Het hof is van oordeel dat het behoorlijk uitvoeren van de overeenkomsten tussen VGZ e.a. en hun aanvullend verzekerden niet in het gedrang komt als VGZ e.a. de kosten van steunzolen van podoposturaal therapeuten en registerpodologen niet meer vergoeden. Het staat namelijk niet ter discussie dat VGZ e.a. de polisvoorwaarden in de relatie met hun verzekerden (jaarlijks) hebben mogen aanpassen en dat dit plaatsvindt met instemming van de verzekerden. Deze verzekerden kunnen hun aanvullende verzekering opzeggen en overstappen naar een andere verzekeraar die andere voorwaarden hanteert, indien de aanpassing hun instemming niet heeft. Er is bovendien geen of onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de aanvullend verzekerden in de praktijk worden belemmerd om steunzolen te verkrijgen in het geval de vergoeding daarvan volgens de voorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen van VGZ e.a. is beperkt tot steunzolen die worden afgeleverd door podotherapeuten.\n\n6.9.. De vraag is dus of VGZ e.a., ondanks het behoorlijk uitvoeren van de overeenkomsten met betrekking tot de aanvullende zorgverzekeringen, verplicht zijn om in het belang van LOOP e.a. de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen te vergoeden. De aard en strekking van de aanvullende zorgverzekering dwingen daar niet toe. Het gaat als gezegd immers om een schadeverzekering die VGZ e.a. als verzekeraars juist de vrijheid geeft om zelf de voorwaarden te bepalen voor het verstrekken van vergoedingen. Deze vrijheid brengt mee dat VGZ e.a. mogen bepalen welke zorgaanbieders de zorg mogen verlenen die voor vergoeding in aanmerking komt. VGZ e.a. mogen daarbij hun eigen afwegingen maken, zoals in dit geval over de kosten van de zorg (wat betreft de steunzolen) zoals die blijken uit hun administratie, de kwalificaties die de zorgverleners hebben (opleiding, BIG-registratie) en de verbinding tussen basiszorg en aanvullende zorg voor hun verzekerden (stepped care-beginsel). Het gaat er niet om of LOOP e.a. het eens zijn met deze afwegingen en evenmin of er andere of betere afwegingen mogelijk zijn. Het gaat erom dat VGZ e.a. deze afwegingen mogen maken en dat de gemaakte afwegingen niet kennelijk onredelijk zijn of op andere wijze de vrijheid te buiten gaan die VGZ e.a. in dit verband hebben. Het onderscheid dat VGZ e.a. maken tussen de zorg die podotherapeuten verlenen en die podoposturaal therapeuten en registerpodologen verlenen, is dan ook geen verboden onderscheid.\n\n6.10.. Voor de aangesloten zorgaanbieders kan dit meebrengen dat zij cliënten verliezen of minder cliënten aantrekken, en dat is VGZ e.a. bekend, maar dit is eigen aan het systeem van schadeverzekeringen en de daarin besloten contractsvrijheid, die dus ook geldt voor de aanvullende zorgverzekering. Dit mogelijk financieel nadeel verschaft geen aanspraak jegens VGZ e.a. op vergoeding. Het zou ook bezwaarlijk voor VGZ e.a. zijn om het maken van keuzes ten aanzien van de voorwaarden voor vergoeding mede te moeten laten bepalen door financiële aanspraken van zorgaanbieders, omdat het honoreren van de aanspraak van de één kan leiden tot nadeel van de aanspraak van de ander en\u002Fof ten koste kan gaan van het beperken van zorgkosten in het algemeen. De aangesloten zorgaanbieders hebben geen andere positie dan de positie van andere aanbieders van diensten waarvan de kosten niet vallen onder een schadeverzekering die een verzekerde heeft afgesloten.\n\n6.11.. VGZ e.a. hebben vanaf 2015 bij verschillende gelegenheden te kennen gegeven dat zij het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen willen beëindigen. Aan de omstandigheid dat in overleg de vergoeding enkele jaren is blijven bestaan, hebben LOOP e.a. niet het vertrouwen kunnen en mogen ontlenen dat VGZ e.a. de vergoeding niet meer zouden beëindigen. Daarbij komt dat de aangesloten zorgaanbieders inmiddels enkele jaren de tijd hebben gekregen, ook door de uitspraken in kort geding, om hun bedrijfsvoering aan te passen en zich in te dekken tegen het verlies van de vergoeding. Het is gebleken dat zij dit ook hebben gedaan, met name door zich bij te scholen tot podotherapeut of door een of meer podotherapeuten bij hun praktijk te betrekken.\n\n6.12.. \n\nAlle omstandigheden in aanmerking genomen komt het hof tot de conclusie dat VGZ e.a. niet onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen niet meer te vergoeden. Het hof tekent hierbij aan dat VGZ e.a. hebben verklaard dat dit zal gelden vanaf\n\n1 januari 2027, zoals VGZ e.a. hebben aangekondigd in een brief van 8 april 2026 (productie 30 in hoger beroep), en dat verstrekte vergoedingen niet zullen worden teruggevorderd.\n\n6.13.. Uit het voorgaande volgt dat de grieven 4 en 5 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet slagen.\n\nOvereenkomst\n\n6.14.. LOOP e.a. hebben niet alleen aangevoerd dat VGZ e.a. onrechtmatig handelen als zij de vergoeding beëindigen, maar ook dat er een overeenkomst met LOOP e.a. is die VGZ e.a. verplicht om de kosten van de door LOOP e.a. af te leveren steunzolen te blijven vergoeden. Het wel of niet bestaan van deze overeenkomst is onderwerp van de grieven 1 en 2 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep.\n\n6.15.. \n\nLOOP e.a. stellen in hun memorie van grieven (nr. 5.4) dat VGZ e.a. bij e-mail van\n\n22 november 2015 de afspraak (kennelijk: met LOOP e.a.) hebben gemaakt om de kosten te blijven vergoeden van de steunzolen die door podoposturaal therapeuten en registerpodologen zijn afgeleverd. Volgens LOOP e.a. is deze afspraak bij e-mail van 11 maart 2019 bevestigd. LOOP e.a. voeren aan dat hiermee een nieuwe overeenkomst is gesloten (memorie van grieven nr. 5.5) en dat VGZ e.a. op grond daarvan de kosten zijn blijven vergoeden, en niet op grond van de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen.\n\n6.16.. De e-mails waar LOOP e.a. naar verwijzen, moeten worden gelezen in de context waarin deze zijn verzonden. Vanaf 2015 is het vergoeden van voetzorg onder de basisverzekering door podoposturaal therapeuten en registerpodologen vervallen, terwijl de kosten van door dezen afgeleverde steunzolen onder verschillende aanvullende zorgverzekeringen nog wel werden vergoed. Uit de e-mail van 22 november 2015 van een zorginkoper van Coöperatie VGZ U.A. valt niet méér op te maken dan dat de tekst op bepaalde websites zou worden aangepast. Een overeenkomst over het vergoeden van steunzolen of het bevestigen van een dergelijke overeenkomst, valt in de e-mail niet te lezen. LOOP e.a. hebben ook geen bijkomende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij de e-mail wel op die wijze hebben begrepen en mochten begrijpen.\n\n6.17.. \n\nDe e-mail van 11 maart 2019 is van een medewerker van de afdeling Controles en Correcties Klantdeclaraties. In de e-mail wordt meegedeeld dat de afspraak uit 2015 blijft gehandhaafd en dat dit wil zeggen – in het kort – dat als een verzekerde op grond van een aanvullende zorgverzekering recht heeft op het vergoeden van de kosten van steunzolen, deze steunzolen ook mogen zijn afgeleverd door registerpodologen.\n\nLOOP e.a. hebben hieruit mogen opmaken dat deze handelwijze in 2019 zou blijven bestaan. Er zijn echter geen of onvoldoende feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat zij redelijkerwijs erop hebben mogen vertrouwen dat aan deze e-mail of handelwijze een overeenkomst ten grondslag lag die inhield dat ook na 2019 aanspraak op de vergoeding kon worden gemaakt. Een dergelijke overeenkomst is ook in kort geding niet voorshands aangenomen (zie rov. 4.3 van het vonnis van 10 november 2020 van de voorzieningenrechter en rov. 3.3 van het arrest van 15 februari 2022 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden).\n\n6.18.. De gang van zaken vanaf 2015 maakt verder duidelijk dat het vergoeden van de kosten van door LOOP e.a. afgeleverde steunzolen niet berust op een gewoonte. Het vergoeden is voortdurend onderwerp geweest van gemaakte keuzes en rechterlijke uitspraken. Er is te weinig gesteld of gebleken om aan te nemen dat in de kring van zorgverzekeraars en zorgaanbieders, of tussen partijen, met betrekking tot deze vergoeding een gedragslijn is aan te wijzen die zo algemeen en voortdurend wordt gevolgd, dat men binnen die kring wordt geacht haar na te leven. Het hof wijst er verder nog op dat volgens art. 6:248 lid 1 BW een gewoonte mede de rechtsgevolgen van een gesloten overeenkomst kan bepalen, maar niet een overeenkomst doet ontstaan.\n\n6.19.. \n\nHet hof merkt ten slotte op dat zelfs als sprake zou zijn geweest van een overeenkomst om de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen te vergoeden, en deze overeenkomst van onbepaalde duur zou zijn, er te weinig is gesteld om te oordelen dat VGZ e.a. een dergelijke overeenkomst niet op enig moment mochten of mogen beëindigen. Evenzeer is te weinig gesteld voor het oordeel dat het beëindigen van de vergoeding – en dus van een dergelijke overeenkomst als die bestaat – per\n\n1 januari 2027, zoals VGZ e.a. nu beogen en de wijze waarop dat is gedaan, in strijd is met enige verplichting van VGZ e.a., of naar maatstaven van redelijk en billijkheid onaanvaardbaar is.\n\n6.20.. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben LOOP e.a. hun stellingen in die zin nog aangepast of uitgewerkt dat zij stellen dat de overeenkomst tussen de aangeslotenen en VGZ e.a. een betaalovereenkomst is en dat de enige wijziging in 2015 was dat de kosten niet meer via Stichting LOOP werden gedeclareerd, maar rechtstreeks door de aangesloten zorgaanbieders. Het hof kan in het midden laten of deze aanpassing toelaatbaar is in het licht van de twee-conclusieregel. Ook als het juist is wat LOOP e.a. hier stellen, kan dit niet eraan afdoen dat VGZ e.a. het vergoeden en de gestelde overeenkomst mogen beëindigen.\n\n6.21.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de grieven 1 en 2 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep geen doel treffen.\n\nHet verstrekken van informatie aan verzekerden\n\n6.22.. Met grief 3 in principaal hoger beroep betogen LOOP e.a. dat VGZ e.a. een schimmig beleid voeren ten aanzien van het vergoeden van de kosten van steunzolen en daarover hun verzekerden onjuiste, onvolledige en\u002Fof misleidende informatie verschaffen. Volgens LOOP e.a. levert dit een wanprestatie op van VGZ e.a. jegens hun aanvullend verzekerden en lopen de aangesloten zorgaanbieders hierdoor omzet mis.\n\n6.23.. VGZ e.a. hebben al jaren geleden een einde willen maken aan de praktijk dat de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen werden vergoed, hoewel de vergoeding niet was voorzien in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen. Het blijven vergoeden van deze kosten heeft aanvankelijk plaatsgevonden in overleg met LOOP e.a. en is sinds 2021 het gevolg van uitspraken in kort geding. Er is dus in elk geval al jarenlang geen sprake van een beleid van VGZ e.a. met betrekking tot deze vergoeding, maar van een door de rechter opgelegde verplichting. Met de onderhavige bodemprocedure willen VGZ e.a. hieraan juist een einde maken. Het verwijt dat LOOP e.a. hierover aan VGZ e.a. maken, is onterecht.\n\n6.24.. Dat VGZ e.a. aan hun aanvullend verzekerden onjuiste of misleidende informatie verschaffen over de nu nog bestaande vergoeding voor de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen, valt uit de stellingen van LOOP e.a. niet op te maken. De vermelding op de website(s) van VGZ e.a. waarnaar LOOP e.a. verwijzen (memorie van grieven nr. 5.21) is niet kennelijk onjuist of misleidend. Of de informatie onvolledig is in die zin dat VGZ e.a. podoposturaal therapeuten en registerpodologen niet op dezelfde wijze vindbaar maken als podotherapeuten, en of dit een tekortkoming jegens de aanvullend verzekerden is, hoeft het hof in deze procedure niet te beoordelen. Er is geen vordering ingesteld die daarop betrekking heeft.\n\n6.25.. De conclusie is dat ook grief 3 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet kan leiden tot het vernietigen van het bestreden vonnis.\n\nTegenvorderingen LOOP e.a.\n\n6.26.. LOOP e.a. hebben in eerste aanleg tegenvorderingen ingesteld en die in hoger beroep gewijzigd en aangevuld. Grief 6 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep heeft hierop betrekking.\n\n6.27.. \n\nDe tegenvorderingen van LOOP e.a. hebben tot grondslag dat VGZ e.a. verplicht zijn om de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen te blijven vergoeden, door deze vergoeding op te nemen in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen of door het handhaven van de bestaande praktijk. Het hof heeft vastgesteld dat VGZ e.a. deze verplichting niet hebben.\n\nDe tegenvorderingen zijn daarom niet toewijsbaar. Dit brengt mee dat ook grief 6 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet slaagt.\n\nHet incidenteel hoger beroep\n\n6.28.. De rechtbank heeft de vorderingen van VGZ e.a. alleen toegewezen voor zover deze betrekking hebben op registerpodologen. De rechtbank heeft hiervoor als reden gegeven dat de aangesloten zorgaanbieders registerpodologen zijn en niet ook podoposturaal therapeuten. VGZ e.a. komen hiertegen op in hun grief in incidenteel hoger beroep. Zij wijzen op appellanten in principaal hoger beroep die (ook) podoposturaal therapeuten zijn of podoposturaal therapeut(en) in dienst hebben. LOOP e.a. hebben dit niet tegengesproken, zodat het hof hiervan uitgaat. De vorderingen van VGZ e.a. zijn dus ook toewijsbaar voor zover deze betrekking hebben op podoposturaal therapeuten.\n\n6.29.. De conclusie is dat de grief van VGZ e.a. in incidenteel hoger beroep slaagt.\n\nHet wijzigen en aanvullen van de oorspronkelijke eis van VGZ e.a.\n\n6.30.. VGZ e.a. hebben in hoger beroep hun oorspronkelijke eis aangevuld door het vorderen van een tweede verklaring voor recht. Zij beogen hiermee zekerheid te verkrijgen dat zij het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen mogen beëindigen, kort gezegd, ongeacht op welke grondslag deze vergoeding tot nog toe werd verstrekt.\n\n6.31.. LOOP e.a. maken bezwaar tegen het aanvullen van de eis. Zij stellen dat de aanvulling de omvang van het geschil volledig wijzigt en dat dit hun verdediging hindert, terwijl de aangevulde eis al in eerste aanleg had kunnen worden ingesteld. Zij menen dat de aanvulling in strijd is met de goede procesorde.\n\n6.32.. Voorop staat dat partijen, ook VGZ e.a., vrij zijn om in hoger beroep hun eis te wijzigen en aan te vullen. Inherent aan deze vrijheid is dat het niet uitmaakt dat in eerste aanleg geen oordeel is gegeven over de gewijzigde en aangevulde eis. Dat is dan ook op zichzelf geen reden om de gewijzigde of aangevulde eis buiten beschouwing te laten.\n\n6.33.. Het hof ziet verder niet in dat de aangevulde eis de omvang van het geschil wijzigt. Het geschil gaat erover, en LOOP e.a. hebben dit redelijkerwijs niet anders kunnen opvatten, dat VGZ e.a. het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen willen beëindigen. Het zijn LOOP e.a. zelf geweest die hun verweer mede erop hebben gebaseerd dat tussen partijen een overeenkomst zou bestaan die daaraan in de weg staat. In hoger beroep hebben zij dat uitdrukkelijk tot onderwerp van hun grieven 1 en 2 gemaakt, en daaraan vorderingen verbonden waarmee zij hun oorspronkelijke eis in reconventie hebben uitgebreid. Het staat VGZ e.a. vrij om mede met het oog daarop hun oorspronkelijke eis aan te vullen en te verduidelijken.\n\n6.34.. Het valt verder evenmin in te zien op welke wijze LOOP e.a. door het aanvullen van de eis in hun verdediging zijn benadeeld. Zij hebben niet (voldoende) duidelijk gemaakt dat zij niet in staat zijn geweest om over het vergoeden en de grondslagen daarvan aan te voeren wat zij nodig achtten. Ook voor het overige is niets of te weinig aangedragen om te oordelen dat het aanvullen van de eis in strijd is met de goede procesorde.\n\n6.35.. De conclusie is dat het bezwaar van LOOP e.a. tegen het wijzigen en aanvullen van de oorspronkelijke eis van VGZ e.a. ongegrond is.\n\n6.36.. Uit hetgeen het hof heeft overwogen bij het bespreken van de grieven van LOOP e.a. in principaal hoger beroep, volgt dat ook de verklaring voor recht die VGZ e.a. voor het eerst in hoger beroep vorderen, moet worden gegeven. Het hof zal daarbij in het midden laten of het gaat om een vergoeding die uit coulance is gegeven, omdat dit niet relevant is voor de uitspraak in deze zaak.\n\nSlot\n\n6.37.. \n\nWat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan niet leiden tot een andere uitkomst van deze procedure. Er zijn dus ook geen feiten gesteld die moeten worden bewezen.\n\nDit brengt mee dat het bewijsaanbod van LOOP e.a. wordt gepasseerd.\n\n6.38.. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover de verklaring voor recht in het dictum onder 5.1 geen betrekking heeft op podoposturaal therapeuten en de vorderingen van VGZ e.a. in zoverre in 5.6 zijn afgewezen. Voor de duidelijkheid zal het hof deze verklaring voor recht in haar geheel opnemen in het dictum van dit arrest. Verder zal het hof de tweede verklaring voor recht geven die VGZ e.a. in hoger beroep hebben gevorderd. De gewijzigde eis van LOOP e.a. zal het hof afwijzen.\n\nProceskosten\n\n6.39.. LOOP e.a. zijn in hoger beroep in het ongelijk gesteld en moeten om die reden de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep dragen. De proceskosten in principaal hoger beroep van VGZ e.a. stelt het hof als volgt vast:\n\n- griffierecht € 798,00\n\n- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II, 2 punten)\n\nTotaal € 3.378,00\n\n6.40.. De proceskosten in incidenteel hoger beroep stelt het hof vast op € 645,00 (tarief II, 0,5 punt), omdat geen werkzaamheden in incidenteel hoger beroep zijn verricht die een hogere vergoeding rechtvaardigen.\n\n6.41.. De rechtbank heeft in eerste aanleg LOOP e.a. niet hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, omdat VGZ e.a. niet duidelijk hadden gemaakt waarop zij de hoofdelijkheid baseren (rov. 4.20). Ook in hoger beroep hebben VGZ e.a. dit niet gedaan. Het hof zal om die reden geen hoofdelijke proceskostenveroordeling uitspreken.\n\n6.42.. \n\nOver de proceskosten is de wettelijke rente verschuldigd als bedoeld in art. 6:119 BW, en niet de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW, zoals VGZ e.a. vorderen.\n\nEr is immers geen sprake van een verbintenis tot betaling van een geldsom die voortvloeit uit een handelsovereenkomst.\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin principaal en incidenteel hoger beroep\n\n7.1.. bekrachtigt het bestreden vonnis, behalve voor zover de verklaring voor recht in het dictum onder 5.1 van dat vonnis geen betrekking heeft op podoposturaal therapeuten en de vorderingen van VGZ e.a. in zoverre in 5.6 zijn afgewezen;\n\n7.2.. vernietigt in zoverre het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:\n\n7.3.. verklaart voor recht dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrij staat om in de polisvoorwaarden van hun aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen die zijn afgeleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten;\n\n7.4.. verklaart voor recht dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrij staat om de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen die zijn afgeleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten te beëindigen;\n\n7.5.. veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, LOOP e.a. in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 4.023,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;\n\n7.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, J.W. Hoekzema en M. Spanjaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1670","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:49.552Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":53,"fullText":54,"summary":38,"language":7,"source":45,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":47,"updatedAt":57},"1824","ECLI:NL:RBAMS:2026:6590","ecli-nl-rbams-2026-6590","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12005894 \\ CV EXPL 25-17014\n\nVonnis van 19 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,\n\nbeide wonende te [woonplaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\ngemachtigde: mr. B.J. den Hartog,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\ngedaagde partij,\n\ngemachtigde: mr. H.W. Omvlee.\n\nPartijen worden hierna [eisers] , of afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] , en [gedaagde] genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 10 april 2026 en de daarin vermelde stukken,\n\n- de akte van 29 april 2026 met aanvullende producties van [eisers] ,\n\n- de antwoordakte van 5 juni 2026 van [gedaagde] .\n\n1.2.. Ten slotte wordt vandaag vonnis gewezen.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Het geschil tussen partijen gaat over de uitkering van € 5.189,66 die [gedaagde] heeft ontvangen als begunstigde van de uitvaartverzekering van wijlen de heer [erflater] , haar toenmalig partner. [eisers] zijn de dochters van [erflater] en vorderen dit verzekeringsgeld omdat zij stellen voor de uitvaart betaald te hebben. [eisers] vorderen betaling van € 5.189,66, vermeerderd met rente en kosten, op grond van ongerechtvaardigde verrijking.\n\n2.2.. In het tussenvonnis van 10 april 2026 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde] verrijkt is, omdat zij als begunstigde van de uitvaartverzekering een bedrag van € 5.189,66 heeft ontvangen, zonder te hebben betaald voor de uitvaart van [erflater] . Indien zou komen vast te staan dat [eisers] de uitvaart hebben betaald, zijn [eisers] verarmd. De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat [gedaagde] verrijkt is ten koste van degene die de uitvaart betaald heeft, waarvoor geen redelijke grond bestaat. [gedaagde] heeft betwist dat [eisers] voor de uitvaart hebben betaald. De kantonrechter heeft [eisers] vervolgens in de gelegenheid gesteld om te onderbouwen dat en hoeveel zij voor de uitvaart hebben betaald.\n\n2.3.. In hun akte van 29 april 2026 hebben [eisers] enkele producties overgelegd ter onderbouwing van hun verarming. Ten eerste hebben ze de factuur van uitvaartverzorger Monuta overgelegd. Deze factuur van 1 juni 2023 bedraagt € 9.811,79 en staat op naam van [eiser 2] . Ten tweede hebben [eisers] bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] in totaal € 4.500,- aan Monuta heeft overgemaakt ter betaling van de factuur. Ten derde blijkt uit bankafschriften dat [eiser 2] € 960,- heeft betaald aan gerechtsdeurwaarders. Van dit bedrag bestaat € 825,- uit 11 betalingen van € 75,- die vanaf 28 april 2025 maandelijks via iDeal aan [internetsite] worden betaald. Tot slot hebben [eisers] e-mailcorrespondentie met Monuta overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] op 18 december 2023 een aanmaning heeft ontvangen. Daarin staat ook dat als [eiser 2] niet tijdig betaalt, de vordering uit handen zal worden gegeven aan een incassobureau. In januari 2024 is [eiser 2] met Monuta een betalingsregeling voor de duur van minstens een halfjaar overeengekomen. Op 16 september 2024 heeft Monuta aan [eiser 2] gemaild dat er nog een bedrag van € 5.351,79 openstaat en dat ze in principe alleen betalingsregelingen van zes maanden na de factuurdatum aangaan.\n\n2.4.. In haar antwoordakte heeft [gedaagde] betwist dat het bedrag dat [eiser 2] aan de deurwaarder heeft betaald dient ter voldoening van de vordering van Monuta.\n\n2.5.. De kantonrechter constateert om te beginnen dat alleen [eiser 2] een betalingsverplichting met Monuta is aangegaan, gelet op de factuur en bankafschriften. Haar zus [eiser 1] staat in deze documenten niet genoemd dus komt niet vast te staan dat zij aan de uitvaartkosten heeft bijgedragen. De vordering ten aanzien van haar zal daarom worden afgewezen.\n\n2.6.. De kantonrechter overweegt verder dat de omvang van schadevergoedingsverbintenis wordt gemaximeerd door de omvang van de verrijking. Dit betekent dat de schadevergoedingsverbintenis maximaal € 5.189,66 kan bedragen. De kantonrechter oordeelt dat de verarming van [eiser 2] van deze omvang is komen vast te staan. Op grond van de overgelegde factuur staat vast dat [eiser 2] een bedrag van € 9.811,79 aan Monuta verschuldigd is. Op de zitting heeft [eiser 2] verklaard dat zij dit bedrag in termijnen aan het afbetalen is en dit volgt ook uit de door haar overgelegde stukken. Uit de bankafschriften volgt dat zij € 4.500,- rechtstreeks aan Monuta heeft betaald. Zij stelt dat de resterende vordering van Monuta is overgedragen aan de deurwaarder waaraan zij € 75,- per maand betaalt. De kantonrechter ziet geen reden om te twijfelen aan het feit dat de bedragen van € 75,- ook op de voldoening van de factuur van Monuta zien, gelet op de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen Monuta en [eisers] (r.o. 2.3) en de factuur waaruit volgt dat [eiser 2] een bedrag van € 9.811,70 aan Monuta verschuldigd is. Dit betekent dat [gedaagde] ten aanzien van de uitkering van € 5.189,66 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiser 2] . De vordering zal ten aanzien van [eiser 2] worden toegewezen.\n\n2.7.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser 2] betalen. Het salaris gemachtigde wordt voor de akte niet met 0,5 punt verhoogd, omdat [eiser 2] de facturen en betalingen ook al bij dagvaarding of bij de mondelinge behandeling had kunnen overleggen. De proceskosten van [eiser 2] worden vastgesteld op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n146,14\n\n- griffierecht\n\n€\n\n257,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,-)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.267,14\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 5.189,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 mei 2023, tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser 2] van € 1.267,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.3.. verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, kantonrechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6590","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.584Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":62,"fullText":63,"summary":38,"language":7,"source":45,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":47,"updatedAt":66},"1044","ECLI:NL:RBAMS:2026:6705","ecli-nl-rbams-2026-6705","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12061285 \\ CV EXPL 26-792\n\nVonnis van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] (Objection Service),\n\ntegen\n\n1. [gedaagde] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats],\n\nhierna te noemen: [gedaagde], 2. EURO INSURANCES DAC,\n\ngevestigd te Hoofddorp,\n\nhierna te noemen: Euro Insurances,\n\ngedaagde partijen,\n\ngemachtigde: mr. H.A.C. Trimbach.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen van 31 december 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord,\n\n- de aanvullende stukken van [eiser] van 16 januari 2026,\n\n- het tussenvonnis van 10 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 12 mei 2026. [eiser] en haar gemachtigde waren hierbij niet aanwezig, hoewel zij daartoe wel waren opgeroepen. De gemachtigde van [gedaagde] en Euro Insurances was aanwezig. Hij heeft zijn standpunt nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] is de eigenaar van de personenauto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Op 16 januari 2025 is deze auto bij het achteruitrijden aangereden door een voertuig waarvan het kenteken op naam van [gedaagde] staat en die verzekerd is bij Euro Insurances.2.2.. \n [eiser] heeft [gedaagde] schriftelijk aansprakelijk gesteld voor de schade aan haar auto.\n\n2.3.. Door een schade-expert is de schade aan de auto vastgesteld. In het rapport worden de herstelkosten begroot op € 3.025,00, de dagwaarde van de auto op € 2.500,00 en de restwaarde op € 500,00. De schade-uitkering is op basis daarvan vastgesteld op € 2.000,00. Euro Insurances heeft dit bedrag uitgekeerd aan [eiser] .\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] en Euro Insurances tot betaling van:\n\n€ 498,00 voor een DAB+-systeem en camera,\n\n€ 5,10 aan RDW-onderzoekskosten,\n\n€ 554,00 aan kosten voor rechtsbijstand,\n\n€ 306,50 aan deurwaarderskosten.\n\n3.2.. Verder vordert [eiser] de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen en veroordeling van gedaagde partijen in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. \n [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Bij het bepalen van de dagwaarde van de auto is ten onrechte geen rekening gehouden met DAB+-apparatuur die kort voor het ongeval in de auto was geïnstalleerd. De apparatuur heeft geleid tot een waardevermeerdering van de auto. Het systeem was duurzaam met het voertuig verbonden en was uitsluitend geschikt voor dit specifieke model. [eiser] wil deze kosten dan ook vergoed zien, aangezien zij op grond van artikel 6:97 BW zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht als waarin zij zich zou hebben bevonden als het ongeval niet had plaatsgevonden. De overige kosten heeft [eiser] noodzakelijkerwijs moeten maken omdat een inhoudelijke reactie van [gedaagde] en Euro Insurance uitbleef. Volgens [eiser] is [gedaagde] op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk voor de schade. Deze schade is namelijk veroorzaakt door een ondergeschikte van [gedaagde]. Daarnaast heeft [eiser] zich op grond van artikel 6 WAM rechtstreeks gewend tot Euro Insurances als verzekeraar van het voertuig van de wederpartij.\n\n3.4.. \n [gedaagde] en Euro Insurances voeren verweer. [gedaagde] betwist dat sprake is van werkgeversaansprakelijkheid. De auto is middels een leaseovereenkomst ter beschikking gesteld aan de afnemer. Verder betwist Euro Insurances primair dat de apparatuur in de auto aanwezig was. Subsidiair stelt zij zich dat als de apparatuur in de auto geïnstalleerd was, deze niet duurzaam met het voertuig was verbonden. Verder stelt Euro Insurances zich op het standpunt dat de schade-expert de accessoires, en dus daarmee ook de DAB+-apparatuur, heeft meegenomen in het schaderapport. Bovendien heeft Euro Insurance uitgelegd dat voor zover de apparatuur niet zou zijn meegenomen in het schaderapport, de dagwaarde van de auto met de waarde van de apparatuur zou worden verhoogd. Als gevolg hiervan zou de wrakwaarde met hetzelfde bedrag worden verhoogd. Dit zou betekenen dat het netto uit te keren schadebedrag in dat geval hetzelfde is. De auto de auto en de DAB+-apparatuur zijn bovendien nog steeds in gebruik bij [eiser] . [eiser] heeft dan ook geen schade geleden, aldus steeds Euro Insurances.\n\n3.5.. \n\nOp de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVorderingen ten aanzien van [gedaagde]4.1.. heeft gemotiveerd betwist dat er een arbeidsrechtelijke relatie bestaat tussen haar en de bestuurder van de auto die [eiser] heeft aangereden. [eiser] heeft dit standpunt van [gedaagde] verder niet meer weersproken. Evenmin heeft zij (met stukken) onderbouwd dat de bestuurder van de auto werknemer van [gedaagde] is. Gelet hierop oordeelt de kantonrechter dat een grondslag voor de vorderingen ten aanzien van [gedaagde] ontbreekt. Deze worden dan ook ten aanzien van [gedaagde] afgewezen.\n\nVorderingen ten aanzien van Euro Insurance4.2.. Vervolgens is de vraag of Euro Insurances de kosten voor de DAB+-apparatuur, die volgens [eiser] kort voor het ongeval in de auto geïnstalleerd was, en de door [eiser] gevorderde bijkomende kosten moet vergoeden. Hierover oordeelt de kantonrechter als volgt.\n\n4.3.. Euro Insurances betwist dat de DAB+-apparatuur in de auto aanwezig was. De beoordeling van de vraag of dit het geval was, kan echter in het midden blijven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Euro Insurances immers gemotiveerd aangevoerd dat de DAB+-apparatuur – anders dan [eiser] heeft gesteld – eenvoudig gedemonteerd kan worden en dus herbruikbaar is. Nu [eiser] niet ter zitting aanwezig was, heeft zij dit standpunt van Euro Insurance niet weersproken. Evenmin heeft zij (met stukken) onderbouwd dat deze apparatuur duurzaam met de auto was verbonden. Gelet hierop is de kantonrechter met Euro Insurances dan ook van oordeel dat [eiser] ten aanzien van de DAB+-apparatuur geen schade lijdt.\n\n4.4.. Daar komt bij dat Euro Insurances onweersproken heeft gesteld dat als de waarde van de DAB+-apparatuur door de schade-expert in zijn rapport was meegenomen, dit had geleid tot zowel een hogere dagwaarde als een hogere de restwaarde van de auto, waardoor de hoogte van de schade-uitkering op hetzelfde bedrag was berekend als nu is gebeurd.\n\n4.5.. Gelet op het voorgaande heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat zij met betrekking tot de DAB+-apparatuur schade heeft geleden of dat zij anderszins benadeeld is. Deze vordering ten aanzien van Euro Insurance wordt daarom afgewezen.\n\n4.6.. De door [eiser] gevorderde kosten voor RDW-kentekenonderzoek worden toegewezen. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat zij deze kosten heeft moeten maken om de gegevens van de verzekeraar te achterhalen en deze kosten komen de kantonrechter niet onredelijk voor. De gevorderde wettelijke rente hierover is toewijsbaar als hierna te melden, omdat Euro Insurances deze kosten niet op tijd heeft betaald.\n\n4.7.. De overige door [eiser] gevorderde kosten worden afgewezen. Nog daargelaten dat de gevorderde deurwaarderskosten niet overeenkomen met de factuur die zij ter onderbouwing heeft overgelegd, worden deze geacht onderdeel uit te maken van een proceskostenveroordeling. Voor zover [eiser] met het vorderen van de kosten voor rechtsbijstand een veroordeling in de werkelijke proceskosten heeft willen vorderen, wordt deze vordering eveneens afgewezen. Een dergelijke vordering is immers alleen toewijsbaar in buitengewone omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van procesrecht. Van dergelijke omstandigheden is niet gesteld of gebleken. De enkele stelling dat [eiser] zich genoodzaakt zag gedaagde partijen te dagvaarden omdat een inhoudelijke afhandeling uitbleef, is hiervoor onvoldoende.\n\nProceskosten4.8.. \n [eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] en Euro Insurances worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n434,00\n\n(2 punten × € 217,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n108,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n542,50\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen ten aanzien van [gedaagde] af,\n\n5.2.. veroordeelt Euro Insurances om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5,10, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 31 december 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D.C. Vink.\n\n57327","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6705","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:00.977Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":72,"summary":38,"language":7,"source":45,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":47,"updatedAt":75},"930","ECLI:NL:GHAMS:2026:1058","ecli-nl-ghams-2026-1058","2026-04-21T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.350.925\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank Noord-Holland : C\u002F15\u002F351442\u002F HA ZA 24-209\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\ngevestigd te [plaats 2] , België,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. D.E. Thiescheffer te Amsterdam,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nwonend in [plaats 1] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven.\n\nPartijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [geïntimeerde] heeft een ongeval veroorzaakt als bestuurder van een huurauto. De huurauto is WAM-verzekerd bij [appellant] . [appellant] heeft de schade van het slachtoffer vergoed. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het gedrag van [geïntimeerde] dat leidde tot het ongeval als roekeloos in de zin van de polisvoorwaarden en artikel 7:952 BW heeft te gelden. Volgens [appellant] kan zij op grond van artikel 15 lid 1 WAM de schadevergoeding die zij aan het slachtoffer heeft betaald, verhalen op [geïntimeerde] . De rechtbank heeft de daarop gerichte vorderingen van [appellant] afgewezen. Centraal staat de vraag hoe het criterium ‘roekeloosheid’ in de zin van artikel 7:952 BW moet worden ingevuld. Het hof komt tot de conclusie dat de schade niet is veroorzaakt door roekeloosheid van [geïntimeerde] en bekrachtigt het bestreden vonnis.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n [appellant] is bij dagvaarding van 15 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 16 oktober 2024 van de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Alkmaar), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als oorspronkelijk eiseres, gedaagde in het verzet en [geïntimeerde] als oorspronkelijk gedaagde, eiser in het verzet.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven, met één productie;\n\n- memorie van antwoord.\n\nOp 12 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht. De advocaat van [appellant] heeft dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\n3.1.. Het hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. Op 10 september 2019 omstreeks 02.18 uur heeft bij de kruising Stadhouderskade en Leidseplein te Amsterdam een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een fietser en een personenauto die werd bestuurd door [geïntimeerde] . De fietser heeft daarbij ernstig letsel opgelopen.\n\n3.3.. De auto waarin [geïntimeerde] reed, had hij kort voor het ongeval gehuurd van de eigenaar, [bedrijf 1] . De auto was door [bedrijf 1] in het kader van de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen (hierna: WAM) verzekerd bij [appellant] . De PM 16 polisvoorwaarden (de Algemene Voorwaarden bij de [appellant] Auto- en Motorverzekering, hierna: de polisvoorwaarden) maken onderdeel uit van de tussen [bedrijf 1] en [appellant] gesloten verzekeringsovereenkomst.\n\n3.4.. In opdracht van [appellant] heeft [bedrijf 2] een toedrachtonderzoek uitgevoerd. Daarnaast heeft de politie Amsterdam uitgebreid onderzoek gedaan naar (de toedracht van) het ongeval. Vastgesteld is dat [geïntimeerde] aan het accelereren was toen hij het kruispunt naderde. Hij reed door rood licht en heeft pas geremd toen hij de fietser raakte. Bij het ongeval reed [geïntimeerde] met een snelheid van tussen de 61 en 68 kilometer per uur, terwijl maximaal 50 kilometer per uur was toegestaan.\n\n3.5.. \n [geïntimeerde] is strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld wegens overtreding van art. 6 Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank heeft geoordeeld dat het aan de schuld van [geïntimeerde] is te wijten dat het ongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank kwalificeert het verkeersgedrag van [geïntimeerde] als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam (Rb. Amsterdam, 23 juni 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:3176).\n\n3.6.. In artikel 7 van de polisvoorwaarden is bepaald dat [appellant] schade die met opzet is veroorzaakt of het gevolg is van roekeloosheid niet betaalt. Het artikel luidt als volgt:\n\nWanneer betalen we niet?\n\nIn de voorwaarden bij uw verzekering staat wanneer we wel en niet betalen. Daarnaast betalen we nooit in de volgende situaties:\n\n(…)\n\nSchade door opzet of door roekeloosheid\n\nWe betalen niet als u de schade met opzet heeft veroorzaakt of roekeloos bent geweest.\n\n3.7.. De fietser heeft een schademelding gedaan bij [appellant] . [appellant] heeft als verzekeraar op grond van de WAM de afwikkeling van de (letsel)schade ter hand genomen en diverse (deel)betalingen aan de fietser verricht.\n\n3.8.. \n [appellant] heeft [geïntimeerde] bericht dat zij van mening is dat [geïntimeerde] roekeloos heeft gereden en dat [geïntimeerde] de schade die het gevolg is van het ongeval en door [appellant] is en zal worden vergoed, aan [appellant] moet terugbetalen. [geïntimeerde] heeft dit van de hand gewezen.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. Bij de rechtbank heeft [appellant] samengevat gevorderd:\n\neen verklaring voor recht dat [geïntimeerde] bij het veroorzaken van het ongeval roekeloos heeft gehandeld en gehouden is alle schadevergoeding die [appellant] als gevolg van het ongeval dient te betalen, aan [appellant] dient te vergoeden;\n\nveroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 85.822,34 met rente;\n\nveroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.\n\n4.2.. Bij vonnis van 5 januari 2022 zijn bij verstek alle vorderingen van [appellant] toegewezen.\n\n4.3.. \n [geïntimeerde] is tegen dat vonnis in verzet gekomen. In de verzetprocedure heeft de rechtbank in het bestreden vonnis geoordeeld dat [appellant] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat [geïntimeerde] roekeloos heeft gehandeld in de zin van de polisvoorwaarden en\u002Fof artikel 7:952 BW, zodat het beroep van [appellant] op de uitsluitingsclausule vanwege opzet of roekeloosheid faalt. De rechtbank heeft het verstekvonnis vernietigd, alle vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.\n\n5. Vordering in hoger beroep\n\n5.1.. \n [appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – haar vorderingen toe te wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.\n\n5.2.. \n [geïntimeerde] verzoekt het hof het bestreden vonnis te bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de proceskosten.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. \n [appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Deze grieven stellen gezamenlijk aan de orde dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een beroep op de ‘tenzij-bepaling’ van artikel 15 lid 1 WAM en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.\n\n6.2.. \n [appellant] voert in hoger beroep kort gezegd het volgende aan. Het ongeval is veroorzaakt door roekeloos rijgedrag van [geïntimeerde] . In de polisvoorwaarden is schade die veroorzaakt is door roekeloosheid van dekking uitgesloten. [appellant] kan de door haar onder de WAM aan de fietser vergoede schade op [geïntimeerde] verhalen op grond van art. 15 lid 1 WAM omdat is voldaan aan de voorwaarden van de zogeheten ‘tenzij-bepaling’. [geïntimeerde] mocht niet te goeder trouw aannemen dat aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van roekeloos handelen door een verzekering zou worden gedekt. Voor de uitleg van het begrip roekeloosheid moet aansluiting worden gezocht bij artikel 7:952 BW en de daaraan in de jurisprudentie gegeven invulling, te weten een in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld.\n\n6.3.. Het hof overweegt als volgt. Artikel 15 lid 1 WAM bepaalt het volgende:\n\nDe verzekeraar die ingevolge deze wet de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten verzekering was gedekt, heeft voor het bedrag der schadevergoeding verhaal op de aansprakelijke persoon. Het bepaalde in de vorige zin geldt niet ten aanzien van de aansprakelijke persoon, die niet is de verzekeringnemer, tenzij hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.\n\n6.4.. Artikel 7 van de polisvoorwaarden bepaalt onder meer dat schade die het gevolg is van roekeloosheid van dekking is uitgesloten. Omdat [geïntimeerde] niet de verzekeringnemer onder de polis is, geldt dat [appellant] alleen de schade op [geïntimeerde] kan verhalen als deze niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt (de zogeheten tenzij-bepaling). Dit is het geval indien [geïntimeerde] wist dat zijn aansprakelijkheid niet door een verzekering werd gedekt of als hij dat in de gegeven omstandigheden behoorde te weten (HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1164). Hiervoor is in deze zaak allereerst bepalend of de schade is ontstaan door roekeloosheid van [geïntimeerde] . Het is aan [appellant] de feiten en omstandigheden te stellen en (bij voldoende gemotiveerde betwisting) te bewijzen die aan het beroep op de tenzij-bepaling ten grondslag worden gelegd.\n\n6.5.. Het hof is met partijen van oordeel dat voor de uitleg van het begrip roekeloosheid van artikel 7 van de polisvoorwaarden aangesloten dient te worden bij dat begrip in art. 7:952 BW en de daaraan in de jurisprudentie gegeven invulling. Dit artikel bepaalt dat de verzekeraar geen schade aan de verzekerde vergoedt die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt.\n\n6.6.. Onder roekeloosheid in de zin van art. 7:952 BW wordt een in laakbaarheid aan opzet grenzende vorm van schuld verstaan, ook wel aangeduid als grove schuld (HR 12 maart 1954, ECLI:NL:HR:1954:9, MvA, Kamerstukken I 2004\u002F05, 19 529, B, p. 19). Daarvan is ook sprake in geval van zogeheten onbewuste roekeloosheid. Onder onbewuste roekeloosheid wordt de situatie verstaan waarin de dader zich niet bewust is van de aanmerkelijke kans op schade die zijn handeling kan meebrengen, maar hij zich daarvan wel bewust had behoren te zijn (MvA, Kamerstukken I 2004\u002F05, 19 529, E, p. 13). De invulling van het begrip roekeloosheid wordt ingekleurd door het rechtsgebied waar het wordt gehanteerd. In dit geval gaat het om aansprakelijkheid onder de WAM. De WAM is erop gericht om aansprakelijkheid te dekken waartoe een motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven. Dat is veelal aan de orde in het geval een bestuurder van een motorrijtuig een (verkeers)fout heeft gemaakt. Verzekerden onder de WAM mogen er daarom in beginsel van uitgaan dat aansprakelijkheid voor verkeersfouten is gedekt onder de (verplichte) WAM-verzekering. Hoewel verwijtbaar handelen in strijd met verkeersregels in het algemeen de kans op schade in het leven roept of vergroot, kan dergelijk gedrag niet zonder meer als roekeloos worden aangemerkt.\n\n6.7.. Voor de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] roekeloosheid kan worden verweten, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. [appellant] heeft in het bijzonder gewezen op de volgende omstandigheden waaruit volgens haar blijkt dat het ongeval het gevolg is van roekeloosheid van [geïntimeerde] :\n\n- [geïntimeerde] reed in het donker met een gemiddelde snelheid van 61 tot 68 km\u002Fu op een van de drukste en gevaarlijkste verkeerslocaties van Amsterdam, gelegen in een uitgaansgebied, waar een maximumsnelheid van 50 km\u002Fu geldt en waarvan bekend is dat in het gebied ook na middernacht nog voetgangers en fietsers aanwezig zijn die mogelijk onder invloed van alcohol verkeren.\n\n- In plaats van af te remmen, nam zijn snelheid in de laatste 35 meter vóór de kruising toe tot tussen de 66 en 78 km\u002Fu;\n\n- [geïntimeerde] negeerde de aan beide zijden van de weg rood uitstralende verkeerslichten, terwijl deze op dat moment al meer dan 32 seconden op rood stonden;\n\n- De Stadhouderskade is vanaf de Overtoom een recht stuk rijbaan in de richting van de stoplichten en [geïntimeerde] heeft ongeveer vijf tot zes seconden ongehinderd en goed zicht gehad op de verkeerslichten;\n\n- [geïntimeerde] passeerde een voertuig op de linkerrijstrook dat wél voor rood licht stilstond;\n\n- [geïntimeerde] remde niet af voor een fietser die op dat moment door groen licht de kruising overstak;\n\n- [geïntimeerde] was als regelmatig bezoeker van het nabijgelegen Holland Casino bekend met de omgeving;\n\n- De betreffende kruising richting het Leidseplein is een kruising waarop fietsers, voetgangers en vaak onoplettende toeristen de Stadhouderskade kruisen;\n\n- De betreffende kruising is gelegen in een uitgaansgebied waar het doorgaans ook in de nacht druk is.\n\nVolgens [appellant] kwalificeert dit handelen als roekeloos omdat [geïntimeerde] met zijn rijgedrag bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij in aanrijding zou komen met een kruisende verkeersdeelnemer. Daarmee is [geïntimeerde] rijgedrag ten minste naar objectieve maatstaven als roekeloos aan te merken. Hierbij komt ook betekenis toe aan het strafvonnis waarin bewezen is verklaard dat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam verkeersgedrag waardoor een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden. [appellant] voegt daaraan nog toe dat zij zich gesterkt voelt in haar overtuiging dat [geïntimeerde] handelswijze als roekeloos kan worden aangemerkt, omdat haar uit medische informatie duidelijk is geworden dat [geïntimeerde] sinds zijn jeugd al een bril nodig heeft maar desondanks zonder bril aan het verkeer deelnam. [appellant] betoogt verder dat indien zou worden geoordeeld dat [geïntimeerde] niet bewust door rood is gereden, evengoed geldt dat hij roekeloos geweest. Een dergelijke grove onachtzaamheid valt [geïntimeerde] evenzeer te verwijten als wanneer hij bewust door het rode licht zou zijn gereden, aldus [appellant] .\n\n6.8.. Het hof overweegt als volgt. Om aan te nemen dat het verkeersgedrag van [geïntimeerde] roekeloos is geweest, is vereist dat [geïntimeerde] zich, in elk geval in zekere mate, bewust was van zijn handelen. Of [geïntimeerde] zich bewust was van de aanmerkelijke kans op schade mag in dat geval naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Voldoende daarvoor is dat [geïntimeerde] zich van de aanmerkelijke kans op schade bewust had behoren te zijn.\n\n6.9.. \n [geïntimeerde] betwist dat hij goed bekend was met de plaats van het ongeval en dat de verkeerssituatie in de (doordeweekse) nacht waarin het ongeval plaatsvond druk was. Naar het oordeel van het hof kan dit evenwel in het midden blijven nu de overige door [appellant] aangevoerde omstandigheden door [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd zijn betwist. Uit die omstandigheden valt af te leiden dat [geïntimeerde] ernstige verkeersfouten heeft gemaakt, die hem ook kunnen worden verweten. Deze fouten maken echter niet dat [geïntimeerde] in de hiervoor bedoelde zin roekeloos heeft gehandeld. [geïntimeerde] betwist dat hij zich bewust was van de gedragingen die hebben geleid tot het ongeval. Hij heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval mentaal afwezig was en dat hij de kruising met de rode verkeerslichten niet heeft opgemerkt. Uit zijn verklaringen ter zitting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, volgt dat hij langs een gebouw reed met een bord ‘Booking.com’. Hij herinnert zich dat hij dacht: Oh zit dat hier ook? Kennelijk is [geïntimeerde] daarna afgeleid geraakt, want het volgende moment dat hij zich bewust herinnert is het moment van de klap. Deze verklaring komt het hof niet onaannemelijk voor. [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die erop wijzen dat [geïntimeerde] zich wel bewust was van zijn handelen toen hij het kruispunt naderde. De omstandigheid dat [geïntimeerde] bij het naderen van het kruispunt accelereerde geeft eerder steun aan de verklaring van [geïntimeerde] dat hij tijdelijk mentaal afwezig was. Voor iemand die zich bewust is van zijn handelen is het onlogisch om bij het naderen van een kruispunt te versnellen in plaats van te remmen of eenzelfde snelheid aan te houden. Hoezeer het [geïntimeerde] ook kan worden verweten dat hij niet de vereiste oplettendheid heeft betracht tijdens het rijden, is dat niet voldoende voor roekeloosheid in de zin van artikel 7:952 BW. De – door [geïntimeerde] betwiste – omstandigheid dat uit zijn medische informatie volgt dat hij sinds zijn jeugd een bril nodig heeft, leidt niet tot een ander oordeel. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat hij sinds zijn jeugd een pterygium heeft, waaraan hij in 2018 is geopereerd. Hij heeft nooit een bril gedragen. Na de operatie is hem in december 2019 geadviseerd om een bril te gaan dragen met een sterkte van +2 en -0,75. Uit die medische informatie volgt niet dat bij [geïntimeerde] een dusdanige oogafwijking is vastgesteld, dat het rijden zonder bril ten tijde van het ongeval als roekeloos kan worden aangemerkt. Ook de omstandigheid dat [geïntimeerde] voor zijn rijgedrag strafrechtelijk is veroordeeld leidt niet tot een ander oordeel. Het strafvonnis gaat ervan uit dat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) verwijtbaar verkeersgedrag. Het strafvonnis bevat echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [geïntimeerde] zich bewust was van zijn handelen.\n\n6.10.. \n [appellant] heeft op verschillende plaatsen in de memorie van grieven gesteld dat [geïntimeerde] het ongeval opzettelijk heeft veroorzaakt, zonder dit feitelijk te onderbouwen. De conclusie van het hof dat [geïntimeerde] niet bewust heeft gehandeld, brengt met zich dat [geïntimeerde] ook geen verwijt van opzet treft.\n\n6.11.. Het hof komt tot de conclusie dat het handelen van [geïntimeerde] dat heeft geleid tot het ongeval niet als opzettelijk of als roekeloos kan worden aangemerkt. Er is daarom geen grond op basis waarvan [geïntimeerde] niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid niet door de verzekering was gedekt. Het beroep van [appellant] op art. 15 lid 1 WAM faalt.\n\n6.12.. Het hoger beroep heeft geen succes. Dit leidt tot de slotsom dat het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:\n\n- griffierecht € 362\n\n- salaris advocaat € 4.704(tarief IV, 2 punten)\n\nTotaal € 5.066\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. bekrachtigt het bestreden vonnis;\n\n7.2.. veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 5.066;\n\n7.3.. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. J. van der Kraan, J.F. Aalders en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1058","2026-04-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.253Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":80,"fullText":81,"summary":38,"language":7,"source":45,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":47,"updatedAt":84},"939","ECLI:NL:RBAMS:2026:3209","ecli-nl-rbams-2026-3209","2026-03-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F779334 \u002F HA RK 25-417\n\nBeschikking van 26 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\nadvocaat: mr. S. Boer,\n\ntegen\n\n1. HDI GLOBAL SE,\n\ngevestigd te Hannover (Duitsland), 2. DEKRA CLAIMS,\n\ngevestigd te Capelle aan den IJssel,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: HDI en Dekra en gezamenlijk HDI c.s.\n\nadvocaat: mr. T. Havekes.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift deelgeschil, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 26 november 2025,\n\n- de tussenbeschikking van 23 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 6 februari 2026,\n\n- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 februari 2023 en de daarin vermelde (proces)stukken.\n\nVan hetgeen verder naar voren is gebracht zijn aantekeningen door de griffier gemaakt. Deze zittingsaantekeningen zijn in het procesdossier gevoegd.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 1 oktober 2010 is [verzoekster] (toentertijd acht jaar oud) een zeer ernstig verkeersongeval overkomen. De auto waarin [verzoekster] zich met nog drie kinderen en één volwassene bevond, is van achteren aangereden door een vrachtwagen. Hierdoor is de auto onder de oplegger van een vrachtwagen voor hen geduwd en tussen die twee vrachtauto’s volledig in elkaar gedrukt. Van de vijf inzittenden heeft [verzoekster] dit ongeval als enige overleefd. Zij heeft bij dit ongeval zeer ernstig letsel opgelopen. Zij is direct na het ongeval naar het Radboud UMC afgevoerd, waar onder meer schedel- en aangezichtsfracturen, een hersenkneuzing, een kneuzing aan de rechterlong en een sterk verminderd gezichtsvermogen van het rechteroog is vastgesteld. In de jaren na het ongeval is [verzoekster] intensief en langdurig behandeld voor het letsel.\n\n2.2.. De aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval is erkend door HDI in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar van het ongeval veroorzakende motorrijtuig. Dekra treedt in deze zaak op als Nederlandse vertegenwoordiger van HDI.\n\n2.3.. Inmiddels zijn er diverse medische expertises uitgevoerd waaruit blijkt dat [verzoekster] als gevolg van dit ongeluk blijvende gezondheidsklachten heeft overgehouden, waaronder traumatisch schedel\u002Fhersenletsel, cognitieve klachten en visusklachten. De definitieve omvang van de schade is tot op heden - ruim vijftien jaar na het ongeval - nog niet vastgesteld.\n\n2.4.. Ondanks haar gezondheidsklachten heeft [verzoekster] in 2022 een MBO-(dans)opleiding bij [dansacademie] weten af te ronden. Zij heeft daarna geen betalend werk kunnen verrichten. In 2026 heeft zij een re-integratieprogramma voor jongeren met niet-aangeboren hersenletsel van The Class afgerond.\n\n2.5.. HDI heeft tot op heden een bedrag van € 206.000 aan voorschotten onder algemene titel en € 50.000 als voorschot op het uit te keren smartengeld aan [verzoekster] voldaan.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) HDI te veroordelen tot betaling van een aanvullend voorschot van € 83.295,73 en te veroordelen tot betaling van de kosten van het deelgeschil, te begroten op € 5.965,30, te vermeerderen met het griffierecht.\n\n3.2.. HDI concludeert tot afwijzing van de verzoeken.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.1.. HDI is gevestigd in Hannover, Duitsland. De zaak heeft daarmee een internationaal aspect. Voordat de rechtbank inhoudelijk op het geschil zal ingaan, zal daarom allereerst ambtshalve worden ingegaan worden op de bevoegdheid en het toepasselijk recht.\n\n4.2.. Op grond van artikel 26 van de Brussel I-bis Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 komt bevoegdheid toe aan de rechter van een lidstaat wanneer de verweerder verschijnt zonder de bevoegdheid te betwisten. Nu HDI in deze deelgeschilprocedure is verschenen en de bevoegdheid van de rechtbank niet heeft betwist, is de rechtbank Amsterdam bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.\n\n4.3.. Dit deelgeschil heeft daarnaast betrekking op een verkeersongeval, daardoor is het Haags Verkeersongevallenverdrag 1971 van toepassing. Op grond van artikel 3 van dit verdrag wordt het recht toegepast van het land waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Nu het ongeval zich in Nederland heeft voorgedaan, is Nederlands recht van toepassing.\n\nInleiding\n\n4.4.. \n [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv, dat het mogelijk maakt om een uitspraak te vragen over een onderdeel van wat partijen verdeeld houdt in een zaak waarin sprake is van schade door dood of letsel (een deelgeschil) en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.\n\n4.5.. In dit geval verschillen partijen – kort samengevat – van mening over de bevoorschottting van [verzoekster] ’s schade vanwege het ongeluk dat haar is overkomen. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzochte inhoudelijk zal beoordelen.\n\nVerzoek ten aanzien van Dekra niet-ontvankelijk\n\n4.6.. Voor zover het verzoek is gericht tegen Dekra, overweegt de rechtbank dat het verzoek strekt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding jegens [verzoekster] . Een dergelijke verplichting kan rusten op de aansprakelijke partij en op grond van artikel 7:954 van het Burgerlijk Wetboek (BW) rechtstreeks op diens aansprakelijkheidsverzekeraar: in dit geval HDI. Dekra is geen van beide, maar treedt slechts op als vertegenwoordiger van de verzekeraar. Nu geen rechtsgrond bestaat voor een aanspraak jegens Dekra en een rechtens te respecteren belang ontbreekt, zal [verzoekster] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek voor zover dit tegen Dekra is gericht.\n\nAanvullend voorschot in deelgeschil procedure\n\n4.7.. Bij de beoordeling van de vraag of HDI een nader voorschot op de schadevergoeding moet betalen, is van belang dat de aard van de deelgeschilprocedure maakt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit betekent dat op basis van de stukken die nu in het dossier zitten, vastgesteld moet kunnen worden dat [verzoekster] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de voorschotten die HDI heeft betaald (in aanzienlijke mate) overstijgt. In dit verband wordt het volgende overwogen.\n\n4.8.. \n [verzoekster] heeft aan haar verzoek om HDI te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 83.295,73, verschillende schadeposten ten grondslag gelegd, namelijk:\n\nI. schade wegens studievertraging en verlies van verdienvermogen over de periode van 1 september 2022 tot 1 januari 2026;\n\nII. zorgschade tot 13 december 2025;\n\nIII. immateriële schade (smartengeld);\n\nIV. overige schade (vervoerskosten en opname vakantiedagen ouders).\n\n4.9.. Daarbij heeft zij de volgende schadestaat gevoegd:4.10.. De rechtbank stelt voorop dat het causale verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten en beperkingen van [verzoekster] tussen partijen niet ter discussie staat. Ook het door haar opgelopen letsel als zodanig is niet in geschil. De rechtbank kan daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de schade.\n\n4.11.. De rechtbank zal de door [verzoekster] genoemde schadeposten achtereenvolgens beoordelen en vervolgens bezien of en in hoeverre de optelsom van die schadeposten de door HDI reeds betaalde voorschotten in aanzienlijke mate overstijgt. Daarbij zal de rechtbank, in het licht van de aard van de deelgeschilprocedure, zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud vaststellen wat de (minimale, zie hieronder) schade van [verzoekster] tot op heden is, onder aftrek van het reeds door HDI betaalde voorschot van € 256.000.4.12.. Schadeposten die zijn aangeduid met “conform schadestaat d.d. 13 september 2022” op de schadestaat weergegeven onder 4.7 blijven buiten beschouwing van die beoordeling, nu deze al eerder tussen partijen zijn vastgesteld. De rechtbank zal bij de begroting per specifieke post uitgaan van het bedrag dat op dit moment minimaalals schadevergoeding kan worden toegewezen. Eventuele toekomstige nadere onderzoeken (bijvoorbeeld door de arbeidsdeskundige) kunnen aanleiding geven tot een hogere schadevergoeding.\n\nSchade als gevolg van verlies van verdienvermogen\n\nPeriode 1 september 2022 tot 14 december 2023:\n\n4.13.. \n [verzoekster] gaat, blijkens haar schadestaat, voor de periode 1 september 2022 tot 14 december 2023, uit van een verlies van verdienvermogen van € 37.978,32. HDI heeft zich over deze specifieke periode niet inhoudelijk uitgelaten. Zij stelt zich met betrekking tot deze schadepost hoofdzakelijk op het standpunt dat het onderzoek van de arbeidskundige dient te worden afgewacht.\n\n4.14.. In de hypothetische situatie zonder het ongeval stelt [verzoekster] dat zij als danser of choreograaf aan de slag zou zijn gegaan en daarmee € 2.776 bruto of € 2.461,33 netto per maand zou hebben verdiend. Over de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 (15,5 maanden) zou zij daarmee een bedrag van € 37.978,32 netto hebben verdiend.\n\n4.15.. In het kader van de bevoorschotting heeft HDI het startsalaris van een MBO-afgestudeerde volgens de Rekenmatrix opleiding & inkomen, als opgenomen in De Rekenhulp, als uitgangspunt voorgedragen. Zo stelt HDI dat een MBO bruto startsalaris op jaarbasis in 2024 € 35.398 bedraagt. HDI heeft echter nagelaten toe te lichten van van welke bedragen zij op basis van genoemd uitgangspunt voor de jaren 2022 en 2023 uitgaat.\n\n4.16.. Vast staat dat [verzoekster] in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 geen enkel inkomen of voorschot heeft ontvangen, terwijl zij op 1 september 2022 was afgestudeerd en beschikte over een MBO-diploma. In die zin verschilt de situatie van 2024 dus niet met die van (het laatste kwartaal van) 2022 en 2023.\n\n4.17.. De rechtbank ziet daarom voldoende aanleiding om vast te stellen dat [verzoekster] ook in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 in elk geval een MBO startsalaris zou hebben verdiend. Gelet op hetgeen partijen daarover over en weer hebben gesteld en het door HDI opgeven bruto startsalaris over 2024 gecorrigeerd met inflatie, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat [verzoekster] in 2022 een salaris van circa € 31.000 bruto zou hebben verdiend en in 2023 een salaris circa € 33.000 bruto.\n\n4.18.. De (minimale) schadeberekening voor de desbetreffende periode is dan volgt:\n\n2022:\n\nHet bruto jaarsalaris is € 31.000, wat netto (volgens de door [verzoekster] in haar berekeningen gebruikte rekenmodule berekenhet.nl) € 25.930 is. Aangezien [verzoekster] slechts vier maanden gewerkt zou hebben, wordt dit bedrag naar maanden omgerekend en zou zij netto in die vier maanden € 8.643,33 hebben ontvangen.\n\n2023:\n\nHet bruto jaarsalaris is € 33.000, wat netto (ongeveer) € 28.164 is. Aangezien het gaat om de periode tot 14 december 2023, wordt ook dit bedrag omgezet naar het salaris voor de duur van de betreffende periode, te weten 11,5 maanden. In 11,5 maanden zou zij € 26.990,50 hebben verdiend.\n\n4.19.. Het voorgaande brengt met zich dat, afgaand op de stellingen van partijen, ervan uit moet worden gegaan dat [verzoekster] in de periode van 1 september 2022 tot 14 december 2023 in elk geval een bedrag van € 8.646,67 + € 26.954 = € 35.633,83 zou hebben verdiend.\n\n4.20.. De minimale inkomensschade die op basis van het voorgaande kan worden vastgesteld, betreft het verschil tussen het feitelijke inkomen en het hypothetische inkomen dat [verzoekster] zonder ongeval zou hebben verkregen. Netto schade (verlies van verdienvermogen): € 35.633,83 (hypothetisch) - € 0 (feitelijk) = € 35.633,83. Dit bedrag zal dan ook worden betrokken in de uiteindelijke optelsom.\n\n4.21.. Gezien het feit dat het the Class pas in 2026 is afgerond, wordt dit traject buiten beschouwing gelaten in deze schadeberekening die ziet op verlies van verdienvermogen in de periode 2022 – 2026.\n\n4.22.. De rechtbank merkt tenslotte nogmaals op dat het hier gaat om een minimale, terughoudende benadering die zoveel mogelijk zonder voorbehoud is vastgesteld. Niet is uitgesloten dat [verzoekster] , gelet op haar opleiding en persoonlijke omstandigheden, in de hypothetische situatie een hoger inkomen had kunnen verwerven. Met gebruikelijke loonontwikkeling, carrière-groei of andere inkomensverhogende factoren is in deze berekening geen rekening gehouden. Een arbeidsdeskundige zou tot een hogere hypothetische verdiencapaciteit kunnen komen en daarmee vaststellen dat de schade wegens verlies van verdienvermogen over deze periode hoger is dan in deze beschikking wordt aangenomen.\n\nPeriode 14 december 2023 tot 1 januari 2026:\n\n4.23.. \n [verzoekster] begroot haar schade wegens verlies van verdienvermogen in de periode van 14 december 2023 tot 1 januari 2026 op € 25.765,00.\n\n4.24.. Vast staat dat [verzoekster] in de periode van 14 december 2023 tot 1 januari 2026 geen inkomen uit arbeid heeft ontvangen. In deze periode ontving zij een Wajong-uitkering. Zij ontving in die periode (24,58 maanden) ongeveer € 34.734,49 (netto) aan uitkering.\n\n4.25.. In de hypothetische situatie zonder het ongeval zou [verzoekster] , aansluitend op hetgeen eerder is overwogen, ten minste een MBO-startsalaris hebben verdiend. De rechtbank neemt daarbij als ondergrens de bedragen uit de rekenmatrix van De Rekenhulp voor de jaren 2024 en 2025, zoals voorgesteld door HDI. Dit betreft een bruto jaarinkomen van € 35.398 (netto circa € 30.404) voor 2024 en € 37.734 (netto circa € 32.191) voor 2025.\n\n4.26.. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank het door [verzoekster] begrote bedrag van € 25.765,00 niet onredelijk of te hoog voor, nu dit bedrag lager is dan haar volgens de voorgaande berekening zou toekomen. De rechtbank acht dit bedrag daarom voldoende aannemelijk en zal deze schadepost betrekken in de optelsom.\n\n4.27.. Ook voor deze periode geldt dat is uitgegaan van een minimale en terughoudende benadering. Gebruikelijke loonontwikkeling of een hogere verdiencapaciteit is hierbij niet meegenomen en kan in een later stadium door een deskundige alsnog worden vastgesteld.\n\nZorgschade\n\n4.28.. \n [verzoekster] stelt dat zij als gevolg van het ongeval afhankelijk is geweest van mantelzorg en begeleiding door haar ouders. Zij begroot de schade wegens verleende mantelzorg over de periode van 13 september 2022 tot 13 december 2025 op € 30.420,00. Ter onderbouwing van deze begroting verwijst zij naar een advies van arbeidsdeskundige Van den Hoek van 29 maart 2023, waarin de extra inzet van haar ouders wordt gekwantificeerd op gemiddeld 12 uur per week:\n\n4.29.. \n [verzoekster] berekent deze schade door uit te gaan van 12 uur mantelzorg per week tegen een uurtarief van € 15. Dit leidt volgens haar tot een jaarlijkse schade van € 9.360 (12 uur × € 15 × 52 weken). Over de genoemde periode van circa 3,25 jaar resulteert dit in een totaalbedrag van € 30.420,00.4.30.. HDI heeft aangevoerd dat toekenning van een voorschot op deze schadepost prematuur is en dat het definitieve onderzoek door een arbeidsdeskundige en\u002Fof zorgschadedeskundige dient te worden afgewacht, om op die manier [verzoekster] ’s zorgbehoefte goed in kaart te brengen.4.31.. De rechtbank volgt HDI hierin niet. Voor vergoeding komen in aanmerking de redelijke kosten van verzorging die anders door professionele hulpverleners zou zijn verricht. [verzoekster] heeft in de aanloop naar de zitting een e-mail van 6 februari 2026 van de arbeidsdeskundige Van den Hoek aan de belangenbehartiger van [verzoekster] overgelegd, waarin wordt bevestigd dat de omvang van de onder 4.25 onderbouwde en benodigde mantelzorg in de betreffende periode in ieder geval niet is afgenomen. Daarmee heeft [verzoekster] voldoende aannemelijk gemaakt dat gedurende de periode van 13 september 2022 tot 13 december 2025 structureel mantelzorg door haar ouders is verleend en benodigd was.4.32.. Wel heeft [verzoekster] onvoldoende onderbouwd waarom voor de berekening een uurtarief van € 15 moet worden gehanteerd. In de eerdere schadestaat werd uitgegaan van een uurtarief van € 10 voor de mantelzorguren. Bij gebreke van een nadere onderbouwing op dit moment zal de rechtbank daarom bij de begroting van deze schadepsot in het kader van de bevoorschotting uitgaan van dit lagere tarief. Dit bedrag kan worden beschouwd als een ondergrens; na nader onderzoek kan een hoger tarief gerechtvaardigd blijken.4.33.. Uitgaande van 12 uur mantelzorg per week tegen een uurtarief van € 10 bedraagt de jaarlijkse schade € 6.240 (12 uur × € 10 × 52 weken). Over de periode van 3,25 jaar komt de schade wegens mantelzorg en begeleiding daarmee uit op € 20.280,00.\n\n4.34.. HDI heeft nog aangevoerd dat [verzoekster] in het verleden geen persoonsgebonden budget (PGB) heeft aangevraagd en dat zij dit in het kader van haar schadebeperkingsplicht wel had moeten doen. De rechtbank is van oordeel dat dit [verzoekster] niet kan worden tegengeworpen. HDI heeft niet onderbouwd dat zij destijds zonder meer in aanmerking zou zijn gekomen voor een PGB of dat een dergelijke voorziening de behoefte aan mantelzorg volledig zou hebben weggenomen. Bovendien heeft de verzochte schadevergoeding betrekking op daadwerkelijk verleende zorg, waarvan voldoende aannemelijk is dat deze noodzakelijk was. Ter zitting is besproken dat partijen voor de toekomst zullen onderzoeken in hoeverre sociale voorzieningen (waaronder een PGB en passende huisvesting) beschikbaar zijn en in hoeverre deze van invloed kunnen zijn op de zorgbehoefte en de omvang van de schade. Dat onderzoek is nog gaande. Dit laat onverlet dat voor de hier beoordeelde periode voldoende aannemelijk is dat [verzoekster] afhankelijk was van de aan haar verleende mantelzorg. De toekomstige zorgbehoefte en de eventuele rol van voorzieningen kunnen in een later stadium nader worden vastgesteld.\n\nSmartengeld\n\n4.35.. Ten aanzien van het verzochte voorschot op de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat een benadeelde heeft geleden als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is (artikel 6:106 BW). Bij de begroting daarvan dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Ter bepaling van de omvang van het smartengeld bij hersenletsel wordt aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal.\n\n4.36.. \n [verzoekster] verzoekt een aanvullend voorschot van € 50.000 aan smartengeld, naast het reeds door HDI betaalde bedrag van € 50.000. HDI stelt dat dit reeds uitgekeerde bedrag voor nu toereikend is.\n\n4.37.. Tussen partijen is niet in geschil dat het smartengeld op basis van artikel 6:106 BW moet worden begroot aan de hand van de Rotterdamse Schaal. Wel bestaat verschil van inzicht over de ernst van het hersenletsel van [verzoekster] en de daarbij passende categorie van de Rotterdamse Schaal.\n\n4.38.. \n\nVolgens [verzoekster] valt haar letsel mogelijk onder de categorie ernstig hersenletsel(bandbreedte € 150.000 - € 195.000), maar in ieder geval onder de hoogste categorie vanmiddelzwaar hersenletsel subcategorie I(bandbreedte € 105.000 - € 150.000), waarbij sprake is van “Middelzware tot ernstige cognitieve beperkingen. De benadeelde is niet volledig afhankelijk van anderen, maar heeft wel continue zorg nodig. Beperkingen kunnen een persoonlijkheidsverandering, aantasting van zicht, spraak en zintuigen omvatten. Daarnaast kan sprake zijn van (een aanzienlijk risico op) epilepsie”. HDI gaat echter uit van hoogstensmiddelzwaar hersenletsel subcategorie II(bandbreedte € 62.000 - € 105.000), waarbij sprake is van “Matige tot lichte cognitieve beperkingen. De benadeelde heeft geen continue zorg nodig. Er is enige zelfstandigheid, maar het vermogen om arbeid te verrichten is sterk afgenomen of weggevallen, en er is enig risico op epilepsie”.\n\nDe rechtbank stelt vast dat definitieve rapportages over de zorgbehoefte en het verlies van verdienvermogen nog worden opgesteld en dat deze naar verwachting op korte termijn beschikbaar zullen zijn. Tot een definitieve indeling in een categorie kan daarom op dit moment nog niet worden overgegaan. Naast hersenletsel heeft [verzoekster] door het ongeval echter ook nog als letsel dat zij het zicht aan één oog heeft verloren.\n\n4.39.. Voor de vraag in hoeverre er ruimte is voor nadere bevoorschotting zal de rechtbank aan de hand van de Rotterdamse Schaal beoordelen voor hoeveel smartengeld [verzoekster] op dit moment minimaalin aanmerking zal komen. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat [verzoekster] , zelfs indien wordt uitgegaan van een indeling in de categoriemiddelzwaar hersenletsel subcategorie II, dus de lagere categorie waarvan HDI uitgaat, ook dan in aanmerking zal komen voor een bedrag dat de € 50.000 (het thans uitgekeerde voorschot op deze schade) ruimschoots zal overstijgen. Hiertoe is het volgende redengevend.\n\n4.40.. Als wordt uitgegaan van deze laagste (sub)categorie dienen volgens de Rotterdamse Schaal diverse concreet benoemde factoren in aanmerking te worden genomen bij het bepalen van de omvang van het smartengeld. Vele van de genoemde factoren spelen in [verzoekster] ’s geval een rol. Voor [verzoekster] is (in schade verhogende zin) in elk geval relevant de jonge leeftijd waarop het ongeval plaatsvond ( [verzoekster] was pas acht jaar), de ernst van het initiële letsel (waaronder een coma, een hersenoperatie, langdurige ziekenhuisopname en revalidatie) en het feit dat [verzoekster] meerdere vervolgoperaties heeft moeten ondergaan en hierdoor ook een schooljaar heeft gemist. Daarnaast is bij [verzoekster] evident sprake van blijvende klachten, waaronder hoofdpijn, concentratie- en vermoeidheidsproblemen, gevoelsstoornissen aan het hoofd, littekens en beperkingen in energieverwerking. Ook zijn er aanwijzingen voor psychische gevolgen en dat eén en ander een ingrijpende weerslag op het sociaal functioneren van [verzoekster] heeft gehad aslook op haar tijdsbesteding en de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of het volgen van een opleiding. Zo staat vast dat [verzoekster] de door haar beoogde loopbaan als danseres niet zal kunnen uitoefenen. Gelet op al deze factoren en omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat het uiteindelijke bedrag aan smartengeld – als al zou blijken dat het hersenletsel van [verzoekster] zich daadwerkelijk in deze lagere subcategorie laat indelen (wat nog uit de te verwachten rapportages moet blijken) – in ieder geval aan de bovenkant van de bandbreedte voor deze subcategorie II moet aansluiten.\n\n4.41.. Daar komt bij dat vast staat dat [verzoekster] als gevolg van het ongeval het zicht aan één oog heeft verloren, hetgeen conform de Rotterdamse Schaal valt in categorie 3.1 Aantasting gezichtsvermogen, sub e ‘volledig verlies van het zicht in één oog’, met een bandbreedte van € 34.000 tot € 37.000 voor het smartengeld. Dit letsel vormt een zelfstandig relevante factor bij de begroting van immateriële schade, die op dit moment nog niet is meegenomen in de schadebegroting. Inmiddels hebben het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK), het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel Hoven (LOVCH) en het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) aanbevelingen vastgesteld die een aanvulling vormen op de Rotterdamse schaal. De aanbevelingen worden per 1 januari 2026 gehanteerd door de Rechtspraak. Aanbeveling 5 is voor deze zaak relevant, nu daarin is opgenomen dat bij letsels die onafhankelijk van elkaar voorkomen (meervoudig letsel) wordt aanbevolen uit te gaan van het zwaarste letsel: dat weegt volledig mee; het in ernst tweede letsel weegt voor 50% mee. De aldus gevonden bedragen dienen te worden opgeteld. Het “derde” of volgende letsel weegt niet op dezelfde manier mee, maar kan als factor worden betrokken bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat, als partijen bij hun schadebegrotingen ook uitgaan van deze aanbevelingen, waar de rechtbank voor nu vanuit gaat, het oogletsel bij de begroting van het smartengeld voor 50% zal moeten worden betrokken en moet worden opgeteld bij het voor het hersenletsel te begroten bedrag.\n\n4.42.. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het door [verzoekster] gestelde totaalbedrag van € 100.000 (bepaald) niet onredelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om een voorschot in het kader van een deelgeschil en dat de definitieve omvang van het smartengeld in een bodemprocedure kan worden vastgesteld. De rechtbank acht zoals hiervoor overwogen voldoende aannemelijk dat het uiteindelijke smartengeld ruimschoots hoger zal zijn dan het reeds betaalde bedrag, zodat het verzochte aanvullende voorschot van € 50.000 niet bovenmatig voorkomt en kan worden betrokken in de uiteindelijke optelsom van de schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nVervoerskosten\n\n4.43.. \n [verzoekster] verzoekt daarnaast een voorschot voor gemaakte reiskosten. Zij begroot deze op € 197,34 over de periode van 13 september 2022 tot 17 oktober 2023 en op € 5.000,00 voor de periode van 17 oktober 2023 tot 1 november 2025. Volgens [verzoekster] zien deze kosten op de gereden kilometers in verband met bezoeken aan haar belangenbehartiger, medische behandelaars, expertises en The Class.4.44.. \n [verzoekster] heeft deze kosten echter onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd. Zo ontbreekt inzicht in het totaal aantal gereden kilometers, de frequentie van de betreffende bezoeken en de wijze waarop de verzochte bedragen zijn berekend. Zonder nadere toelichting of onderliggende stukken kan de rechtbank niet beoordelen of en in hoeverre deze kosten redelijk en daadwerkelijk zijn gemaakt. Het verzochte voorschot voor vervoerskosten zal dus niet worden betrokken bij de optelsom van schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nOpgenomen kosten vakantiedagen en overige kosten\n\n4.45.. Daarnaast verzoekt [verzoekster] een bedrag van € 1.350 ter zake van de opname van vakantiedagen door haar ouders over de periode van 14 september 2022 tot 17 oktober 2023. Deze post is echter onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd. Zo ontbreekt inzicht in het aantal opgenomen dagen, de noodzaak daarvan en de wijze waarop het verzochte bedrag is berekend. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat sprake is van vergoedbare schade. Ook dit bedrag zal dus niet worden betrokken bij de optelsom.\n\nMedische kosten\n\n4.46.. De kosten van het eigen risico over de jaren 2022 en 2023 komen voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hier om bedragen van € 338,02 respectievelijk € 385. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd met overgelegde zorgnota’s en staan in causaal verband met het ongeval. Bovendien heeft HDI deze kosten niet betwist. De rechtbank zal deze posten daarom betrekken in de optelsom van schadeposten ter bepaling van het voorschot.\n\nTotaal toe te wijzen voorschot\n\n4.47.. Volgens de schadestaat van 13 september 2022 bedraagt de schade tot die datum € 186.862,05. Deze schade is tussen partijen niet in geschil en bestaat uit de volgende posten:\n\nSchadepost\n\nBedrag\n\nZaakschade\n\n€ 2.582,84\n\nDagvergoeding ziekenhuis e.d.\n\n€ 2.171,00\n\nMedische kosten\n\n€ 360,38\n\nTelefoonkosten\n\n€ 325,07\n\nVerblijfskosten ouders\n\n€ 500,00\n\nVervoerskosten\n\n€ 8.107,41\n\nMantelzorg en begeleiding\n\n€ 91.251,63\n\nOpname vakantiedagen ouders\n\n€ 2.900,00\n\nVerlies van arbeidsvermogen\n\n€ 18.923,72\n\nStudievertraging\n\n€ 5.490,00\n\nOverige schade\n\n€ 4.250,00\n\nImmateriële schade (voorschot)\n\n€ 50.000,00\n\nTotaal\n\n€ 186.862,05\n\n4.48.. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat [verzoekster] na 13 september 2022 nog minstensde volgende schade heeft geleden:\n\nSchadepost\n\nBedrag\n\nVerlies van verdienvermogen (1 sept. 2022 – 14 dec. 2023)\n\n€ 35.633,83\n\nVerlies van verdienvermogen (14 dec. 2023 – 1 jan. 2026)\n\n€ 25.765,00\n\nZorgschade\n\n€ 20.280,00\n\nAanvullend smartengeld\n\n€ 50.000,00\n\nMedische kosten (ER 2022 en ER 2023)\n\n€ 723,02\n\nTotaal\n\n€ 132.401,85\n\n4.49.. De totale schade van [verzoekster] tot en met 2025 bedraagt daarmee minimaal € 319.263,90.4.50.. Op dit bedrag strekt in mindering het reeds door HDI betaalde voorschot van € 256.000,00. Het nog openstaande bedrag aan schade komt daarmee uit op € 63.263,90. Hiermee is voldoende aannemelijk dat de schade van [verzoekster] de door HDI betaalde voorschotten in aanzienlijke mate overstijgt, zoals vereist voor toewijzing van een aanvullend voorschot in deze deelgeschilprocedure. De rechtbank zal daarom een aanvullend voorschot van € 63.263,90 toewijzen.\n\nKosten deelgeschil\n\n4.51.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.52.. \n [verzoekster] heeft verzocht HDI te veroordelen in de kosten van het deelgeschil. [verzoekster] heeft deze kosten begroot op een bedrag van € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met griffierecht. Dit bedrag bestaat uit 17 uur tegen een tarief van € 290 (exclusief btw).\n\n4.53.. HDI heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het aantal uren. Met betrekking tot het uurtarief heeft HDI aangevoerd dat het uurtarief van € 290,00 te hoog is en dat een bedrag van € 245,00 per uur volstaat voor een kwestie als deze.\n\n4.54.. De rechtbank acht het aantal uren gelet op de gemiddelde complexiteit en de omvang van het dossier redelijk. Dat geldt evenzeer voor de hoogte van het uurtarief, gelet op de ervaring en specialisatie van mr. Boer. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 17 uren × € 290,00 exclusief btw, dus op € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 90,00. HDI. zal tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. verklaart [verzoekster] niet ontvankelijk in haar verzoek tot betaling van een voorschot jegens Dekra,\n\n5.2.. bepaalt dat HDI aan [verzoekster] bij voorschot voor haar schade binnen twee weken na heden een bedrag van € 63.263,90 uitkeert;\n\n5.3.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.965,30 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 90,00 en veroordeelt HDI tot betaling daarvan aan [verzoekster] ,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3209","2026-03-31T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.835Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":89,"fullText":90,"summary":38,"language":7,"source":45,"sourceUrl":91,"sourceTimestamp":92,"parsedAt":47,"updatedAt":93},"938","ECLI:NL:RBAMS:2026:2728","ecli-nl-rbams-2026-2728","2026-03-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11741262 \\ CV EXPL 25-8123\n\nVonnis van 19 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nVAARDIGE ADVOCATEN B.V.,\n\ngevestigd te Haarlem,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Vaardige Advocaten,\n\ngemachtigde: mr. K.G.O. Afriyieh,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde [naam gemachtigde] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis in het vrijwaringsincident van 11 september 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald, met de daarin vermelde stukken;\n\n- de brief van 9 oktober 2025 van de zijde van [gedaagde] waarin zij te kennen geeft dat de vrijwaringszaak is ingetrokken;\n\n- productie 6 van de zijde van Vaardige Advocaten;\n\n- producties 1 tot en met 3 van de zijde van [gedaagde] .\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft op 9 februari 2026 plaatsgevonden. Namens Vaardige Advocaten is de gemachtigde verschenen. [gedaagde] is eveneens met haar gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. [naam gemachtigde] heeft spreekaantekeningen en stukken overgelegd die aan het dossier zijn toegevoegd. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] had in 2024 een huurgeschil waarvoor zij juridische bijstand zocht. Zij is voor rechtsbijstand verzekerd bij ARAG. ARAG heeft vervolgens op verzoek zich tot Vaardige Advocaten gewend.\n\n2.2.. Mr. K. Afriyieh (hierna: Afriyieh) van Vaardige Advocaten heeft op 25 oktober 2024 een e-mail gestuurd aan ARAG waarbij [gedaagde] in de CC is meegenomen. In deze e-mail staat, voor zover relevant, het volgende:\n\n“(…)\n\n Omwille van de tijd stel ik het volgende voor.\n\n het uurtarief i d€250 te vermeerderen met btw;\n\n € 5.000 te vermeerderen met btw als fixed price voor uw verzekerde;\n\n als er meer dan 35 uur nodig blijkt te zijn, dan ben ik genoodzaakt dat in rekening te brengen tegen een verlaagd uurtarief van € 198 te vermeerderen met btw;\n\n dit betekent dat uw verzekerde zelf dan de extra uren, meer dan 35, op basis van het verlaagde uurtarief moet voldoen, dit geldt onverkort voor mogelijke proceskostenveroordeling, mocht de vordering van de wederpartij wel worden toegewezen;\n\n(…)”\n\n2.3.. Bij e-mail van 29 oktober 2024 heeft ARAG aan mr. Afriyieh te kennen gegeven dat het uurtarief van € 302,50 inclusief btw akkoord is, maar dat zij niet akkoord gaat met de fixed fee van € 5.000,- omdat het limiet van verzekerde niet toereikend is. ARAG stelt voor de facturen van Vaardige Advocaten maandelijks achteraf te vergoeden op basis van de redelijke en gebruikelijke kosten van de facturen en urenspecificaties.\n\n2.4.. Op 30 oktober 2024 hebben partijen een overeenkomst van opdracht gesloten. Hierin staat, voor zover relevant, het volgende:\n\n“(…)\n\nMet ARAG heb ik afspraken gemaakt over mijn honorarium, zodat in deze zaak in principe niet aan u zal worden gefactureerd, zie de mails van 30 oktober 2024, waarbij u in de CC bent meegenomen, tenzij kosten niet verzekerd zijn of uw budget niet toereikend zijn.(…) Het is echter afhankelijk van de toepasselijke polisvoorwaarden van uw verzekering welke kosten ARAG Rechtsbijstand vergoedt en welke voor uw eigen rekening en risico komen. U bent derhalve zelf aansprakelijk voor kosten die niet onder de dekking vallen dan wel de kosten die het kostenlimiet van uw dekking overschrijden.(…)”\n\n2.5.. ARAG heeft op 11 december 2024 aan Vaardige Advocaten, met [gedaagde] in de CC, een e-mail gestuurd. In deze e-mail staat dat na betaling van de laatste factuur de resterende limiet € 1.523,- all-in is.\n\n2.6.. Bij brief van 17 maart 2025 heeft Vaardige Advocaten aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 2.904,-. ARAG heeft een deel van deze factuur betaald. Het resterende bedrag van € 1.381,- heeft [gedaagde] niet betaald.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Vaardige Advocaten vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. voor recht verklaart dat [gedaagde] is tekortgekomen in het nakomen van de overeenkomst;\n\nII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.381,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nIII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.\n\n3.2.. Vaardige Advocaten stelt zich op het standpunt dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht is gesloten en dat Vaardige Advocaten de werkzaamheden conform deze overeenkomst heeft verricht. Verder hebben partijen afgesproken dat mocht het budget van ARAG worden overschreden, het resterende bedrag voor rekening van [gedaagde] komt. Gelet hierop is [gedaagde] gehouden het openstaande (restant)bedrag te betalen, aldus steeds Vaardige Advocaten.\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert verweer. Volgens haar is zij niet door Vaardige Advocaten geïnformeerd dat het budget van ARAG op enig moment ontoereikend was. Als gevolg hiervan heeft [gedaagde] niet de mogelijkheid gekregen Vaardige Advocaten te onttrekken op het moment dat kosten niet voor haar rekening zouden komen. Bovendien is haar toegezegd dat Vaardige Advocaten niet aan haar zou declareren. Tot slot heeft [gedaagde] vraagtekens gesteld bij het bedrag dat wordt gedeclareerd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing\n\n4.1.. De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93\u002F13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).\n\n4.2.. De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een beding dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Ambtshalve toetsing van die bedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk (transparant) zijn geformuleerd.\n\n4.3.. Vaardige Advocaten stelt zich op het standpunt dat in de e-mail van 25 oktober 2024 een duidelijke inschatting wordt gemaakt van de te verwachten kosten voor de juridische bijstand en dat [gedaagde] wist dat zij het bedrag dat niet door ARAG zou worden vergoed, zelf zou moeten betalen. De kantonrechter volgt Vaardige Advocaten echter niet in haar standpunt en overweegt daartoe het volgende.\n\n4.4.. Los van de omstandigheid dat er onduidelijkheid bestaat omdat in de overeenkomst wordt verwezen naar andere e-mails (namelijk e-mails van 30 oktober 2024) dan de e-mail van 25 oktober 2024 waarop Vaardige Advocaten zich baseert, is deze e-mail van 25 oktober 2024 op zichzelf niet duidelijk over wat [gedaagde] zelf voor de juridische bijstand door Vaardige Advocaten zou moeten betalen. Hoewel Vaardige Advocaten voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst geen exact totaalbedrag hoeft te geven, dient zij wel een inschatting te geven van het aantal uren of bedrag dat zij verwacht in rekening te brengen. Anders dan Vaardige Advocaten stelt, volgt uit deze e-mail niet ondubbelzinnig dat daarin een schatting wordt gemaakt dat het aantal uren 35 uur zal bedragen. Dit urenaantal wordt weliswaar in de e-mail genoemd, maar daaraan wordt toegevoegd dat als meer dan 35 uur nodig blijkt te zijn, [gedaagde] is gehouden deze extra uren te voldoen. Van deze extra uren heeft Vaardige Advocaten geen inschatting gegeven. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat bij [gedaagde] veel meer uren in rekening worden gebracht dan zij kon verwachten. Gelet hierop heeft [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst er geen rekening mee kunnen houden dat zij het bedrag zoals gevorderd zelf zou moeten betalen. Dit betekent dat het prijsbeding onvoldoende transparant is en daarom op eerlijkheid moet worden getoetst.\n\n4.5.. De omstandigheid dat een prijsbeding niet transparant is, betekent niet direct dat het beding ook oneerlijk is. Het is echter wel een (belangrijk) element binnen die toets. Het gaat om de vraag of het beding, in strijd met de goede trouwe, het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren.\n\n4.6.. Door geen inschatting te maken van het aantal uur dat bij [gedaagde] in rekening zou (kunnen) worden gebracht, heeft Vaardige Advocaten geen inzicht gegeven in de financiële verplichting die [gedaagde] aanging. Bovendien is [gedaagde] hierdoor de mogelijkheid onthouden hierop enige controle uit te voeren. [gedaagde] zal als gemiddelde consument zelf weinig idee hebben van de werkzaamheden die moeten worden verricht ter uitvoering van de opdracht en hoeveel tijd daarmee normaliter gemoeid zou zijn. Vaardige Advocaten heeft daar als handelaar en professional juist wel zicht op en had die uitleg en het aantal uren dat zij waarschijnlijk bezig was aan [gedaagde] moeten verstrekken. Verder verplicht Vaardige Advocaten zich door vooraf een inschatting te geven rekening en verantwoording aan [gedaagde] af te leggen. Zonder deze inschatting creëert Vaardige Advocaten in wezen de mogelijkheid onbeperkt uren te declareren en kosten in rekening te brengen. De hoogte van het gehanteerde uurtarief en het aantal uren dat uiteindelijk is gedeclareerd, speelt bij de beoordeling of het beding eerlijk is, geen rol. Evenmin is voor de beoordeling relevant dat – zoals Vaardige Advocaten heeft gesteld – ARAG op een gegeven moment aan [gedaagde] een e-mail heeft gestuurd (zie hiervoor onder 2.5.) hoeveel haar budget nog was. Het gaat immers om wat partijen hebben afgesproken bij het aangaan van de overeenkomst. Het voorgaande leidt ertoe dat het beding oneerlijk wordt bevonden.\n\n4.7.. Gelet op artikel 6 lid 1 van de richtlijn betekent het voorgaande dat [gedaagde] niet aan het kostenbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of [gedaagde] hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in haar belangen wordt geschaad. In dat geval zou de kantonrechter de overeenkomst moeten aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).\n\n4.8.. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Een eventuele vordering van Vaardige Advocaten die is gebaseerd op een andere grond dan de overeenkomst, zoals bijvoorbeeld ongerechtvaardigde verrijking, is immers niet redelijk omdat Vaardige Advocaten gebruik maakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft [gedaagde] die waarde voordat zij de overeenkomst aanging, niet juist kunnen inschatten. Bovendien kan niet worden aanvaard dat een partij economisch voordeelt haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor nadelen die door dergelijk gedrag wordt veroorzaakt ECLI:EU:C:2023:478, punt 81). Tot slot zou de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer Vaardige Advocaten alsnog een vergoeding voor haar diensten zou kunnen krijgen, terwijl zij in haar overeenkomst een oneerlijk prijsbeding hanteert.\n\n4.9.. Dit betekent dat een eventueel in de toekomst te stellen vordering door Vaardige Advocaten op een andere grond dan de overeenkomst niet zal slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt [gedaagde] dan ook niet in een zodanige onzekere situatie dat dit uiterst nadelig voor haar is. Aanvulling van de overeenkomst is dan ook niet nodig.\n\n4.10.. Nu de overeenkomst komt te vervallen, is er voor [gedaagde] geen betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Gelet hierop zal de vordering worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.11.. Vaardige Advocaten is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Nu de gemachtigde van [gedaagde] geen professioneel gemachtigde is, worden alleen verletkosten toegewezen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- verletkosten\n\n€\n\n50,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n21,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n71,50\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van Vaardige Advocaten af,\n\n5.2.. veroordeelt Vaardige Advocaten in de proceskosten van € 71,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Vaardige Advocaten niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.\n\n598","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2728","2026-03-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.770Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":98,"summary":38,"language":7,"source":45,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":47,"updatedAt":100},"1528","ECLI:NL:GHAMS:2025:180","ecli-nl-ghams-2025-180","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nzaaknummer : 200.349.867\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank : C\u002F15\u002F333568\u002F HA ZA 22-668\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 januari 2025\n\ninzake\n\nPODOCENTRUM ALKMAAR B.V.,\n\ngevestigd te Alkmaar,\n\n [appellant 1]\n\ngevestigd te [plaats 1] ,\n\n [appellant 2] ,\n\nals vennoot van de vennootschap onder firma [vof] V.O.F.\n\ngevestigd te [plaats 1] ,\n\n [appellant 3] ,\n\nals vennoot van de vennootschap onder firma [vof] V.O.F.\n\ngevestigd te [plaats 1] ,\n\n [appellant 4]\n\ngevestigd te [plaats 2] ,\n\nStichting voor VOET- en Houding Beroepen h.o.d.n. Stichting Landelijk Overkoepelend Orgaan voor Podologie\n\nGevestigd te Utrecht,\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. T.A.M. van den Ende te Utrecht,\n\ntegen\n\nVGZ U.A.,\n\ngevestigd te Arnhem,\n\nVGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\ngevestigd te Arnhem,\n\nIZA ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\ngevestigd te Arnhem,\n\nN.V. ZORGVERZEKERAAR UMC.,\n\ngevestigd te Arnhem,\n\nN.V. UNIVÉ ZORG.,\n\ngevestigd te Arnhem,\n\ngeïntimeerden,\n\nadvocaat: mr. M.E. Jannink te Amsterdam.\n\n1. Het geding in hoger beroep\n\nAppellanten hebben bij exploot geïntimeerden aangezegd in hoger beroep te komen van een of meer tussen partijen in de onderhavige zaak gewezen vonnissen, met dagvaarding van geïntimeerden voor dit hof.\n\nDe zaak is op de rol ingeschreven en geïntimeerden zijn bij advocaat verschenen.\n\n2. Beoordeling\n\nHet hof ziet aanleiding om een mondelinge behandeling na aanbrengen te gelasten. Het doel is het beproeven van een minnelijke regeling en\u002Fof het bespreken van het verdere verloop van het hoger beroep, mede aan de hand van door partijen en hun advocaten te geven inlichtingen, waarbij onder meer mediation, bewijsvoering en\u002Fof rapportage door deskundigen aan de orde kunnen komen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\nMeer informatie over de mondelinge behandeling na aanbrengen en wat van partijen en hun advocaten verwacht wordt is digitaal beschikbaar via de link die te vinden is bij artikel 4.1 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven.\n\n3. Beslissing\n\nHet hof:\n\nbepaalt dat partijen in persoon respectievelijk, voor zover partijen rechtspersoon zijn, vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en die bevoegd is (door schriftelijke machtiging of anderszins) tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het tot raadsheercommissaris benoemde lid van het hof, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een nader te bepalen tijdstip, tot het hiervoor onder 2 omschreven doel;\n\nbepaalt dat partijen binnen 2 weken gemotiveerd kunnen laten weten af te willen zien van een mondelinge behandeling na aanbrengen, bijvoorbeeld omdat schikkingsbereidheid ontbreekt, waarna de raadsheercommissaris zal beslissen of de mondelinge behandeling doorgang vindt;\n\nbepaalt dat partijen binnen 2 weken na heden op de rol van 11 februari 2025:\n\n- Appellanten – een kopie van het volledig procesdossier (de stukken van de eerste aanleg met inbegrip van de producties en appeldagvaarding) in tweevoud zal indienen.\n\n- Partijen – hun verhinderdagen en die van hun advocaten voor de eerstkomende 4 maanden kunnen opgeven, waarna het hof de dag en het tijdstip van de mondelinge behandeling zal vaststellen, in welk geval behoudens klemmende redenen of overmacht geen uitstel van de mondelinge behandeling meer zal worden verleend.\n\nbepaalt dat de datum van de mondelinge behandeling na aanbrengen in het roljournaal vermeld zal worden;\n\nbepaalt dat partijen uiterlijk 2 weken vóór de dag van de mondelinge behandeling de stukken waarop zij voor het overige een beroep zouden willen doen, in kopie over zullen leggen door toezending aan het hof (roladministratie – team handel) en de wederpartij;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, A.R. Sturhoofd en L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:180","2026-07-13T00:29:25.489Z",20]