[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-judicial-impartiality-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":40,"total":16,"page":25,"limit":123},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},148,"judicial-impartiality-nl","Judicial Impartiality","NL","2026-07-08T16:59:10.511Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},10,{"min":18,"max":19},"2026-05-19T00:00:00.000Z","2026-07-01T00:00:00.000Z",[21,26,29,33,36],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121790","Wetboek van Strafvordering","art. 512",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"121791","",{"provisionId":30,"code":31,"article":32,"count":25},"122995","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 16",{"provisionId":34,"code":23,"article":35,"count":25},"123628","art. 513 lid 5",{"provisionId":37,"code":38,"article":39,"count":25},"123630","Algemene wet bestuursrecht","art. 8:18",[41,51,60,68,76,84,92,100,108,115],{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":28,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":28,"language":7,"source":46,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":49,"updatedAt":50},"1324","ECLI:NL:RBAMS:2026:6794","ecli-nl-rbams-2026-6794","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer: C\u002F13\u002F790018\n\nrekestnummer HA\u002FRK 26\u002F242\n\nUitspraak: 1 juli 2026\n\nBeslissing op het op 22 juni 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [verzoeker],verzoeker,\n\nwelk verzoek strekt tot wraking van mr. A.M. Loots, politierechter in deze rechtbank (hierna: de rechter).\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De rechtbank heeft kennisgenomen van het wrakingsverzoek opgenomen in het proces-verbaal van 19 juni 2026.\n\n1.2.. De rechter heeft niet in de wraking berust.\n\n2. De feiten en het verzoek\n\n2.1.. Verzoeker is verdachte in de strafzaken met parketnummers 13\u002F234304-25 en 13\u002F001490-25. Op 19 juni 2026 heeft de rechter beide zaken op zitting behandeld.\n\n2.2.. Uit het proces-verbaal blijkt onder meer het volgende. Verzoeker heeft op een eerdere zitting verzocht om meerdere personen als getuige te horen. De rechter heeft dat verzoek gedeeltelijk toegewezen en beslist dat een drietal van deze personen zal worden gehoord als getuige en dat de zaak daarvoor wordt verwezen naar de rechter-commissaris. Verzoeker wil echter dat de getuigen op een openbare zitting worden gehoord. De rechter legt uit dat het gebruikelijk is om getuigenverhoren bij de rechter-commissaris te laten plaatsvinden vanwege de efficiëntie van het strafproces en de beschikbare tijd voor een politierechterzitting. Verder heeft de rechter medegedeeld dat het verzoek om de overige door verzoeker verzochte getuigen te horen wordt afgewezen omdat deze verzoeken onvoldoende zijn onderbouwd. Daarop heeft verzoeker het onderhavige wrakingsverzoek gedaan en het volgende aangevoerd:\n\n“U ontneemt mij mijn rechten. U motiveert uw uitspraak niet. U zegt ten onrechte 60\n\nminuten, terwijl in uw eigen reglementen staat dat een zaak ook 210 minuten kan zijn. Het is geen eerlijk proces. Misschien ga ik de raadkamer en de rechters daarna ook wraken. De openbaarheid is mijn belang.”\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter niet onpartijdig is dan wel een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.3.2.. Het verwijt van verzoeker betreft een rechterlijke beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). 3.3. Het verzoek tot wraking is dus kennelijk ongegrond en zal worden afgewezen. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.\n\nBESLISSING:\n\nDe wrakingskamer:\n\n- wijst het verzoek tot wraking af;\n\n- bepaalt dat de zaken met parketnummers 13\u002F234304-25 en 13\u002F001490-25 worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevonden.\n\nAldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, en N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze beslissing staat geen voorziening open.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6794","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:16.037Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":28,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":56,"summary":28,"language":7,"source":46,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":49,"updatedAt":59},"1330","ECLI:NL:RBAMS:2026:6779","ecli-nl-rbams-2026-6779","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nWrakingskamer\n\nBeslissing van 25 juni 2026 op het onder rekestnummer C\u002F13\u002F790017 HA RK 26\u002F241 ingeschreven verzoek tot verschoning ingediend door:\n\nmr. V. Zuiderbaan, rechter bij de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter.\n\n1. Verloop van de procedure\n\nBij de afdeling privaatrecht van de Rechtbank te Amsterdam zijn twee zaken aanhangig met het kenmerk C\u002F13\u002F786217 en C\u002F13\u002F786187 die zijn toegewezen aan de rechter. Partijen in beide zaken zijn [naam 1] en [naam 2], bijgestaan door respectievelijk mr. V.W.J.M. Kuit en mr. F. Brouwer.\n\n2. Het verzoek\n\nAan het verzoek is ten grondslag gelegd dat het de rechter bij de voorbereiding van de behandeling is gebleken dat een procespartij of procesdeelnemer deel uitmaakt van de persoonlijke of zakelijke kennissenkring van de rechter.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Op grond van het bepaalde in artikel 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een verschoningsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 36 Rv waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. De behandeling van een verschoningsverzoek behoeft niet ter terechtzitting plaats te vinden. De rechtbank zal daarom zonder mondelinge behandeling een beslissing nemen op het verzoek.\n\n3.2.. Verschoning is een middel ter verzekering van (het vertrouwen in) de rechterlijke onpartijdigheid.\n\n3.3.. De rechtbank oordeelt dat de geobjectiveerde vrees kan ontstaan dat de rechter de zaak niet onpartijdig kan behandelen, gelet op hetgeen de rechter aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd en voorts mede gelet op aanbeveling 2 van de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak (de rechter behandelt geen zaak waarbij iemand uit zijn familiekring als procespartij is betrokken). Gelet daarop wordt het verzoek toegewezen.\n\nDe rechtbank:\n\n wijst het verzoek tot verschoning toe en bepaalt dat de behandeling van de zaken met kenmerk C\u002F13\u002F786217 en C\u002F13\u002F786187 worden voortgezet voor een andere rechter;\n\n beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing wordt toegezonden aan:\n\n de gemachtigden van partijen; en\n\n de rechter.\n\n Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mr. P.B. Martens en mr. I.M. Bilderbeek, leden, op 25 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6779","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:16.278Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":28,"courtId":5,"decisionDate":64,"fullText":65,"summary":28,"language":7,"source":46,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":49,"updatedAt":67},"1331","ECLI:NL:RBAMS:2026:6778","ecli-nl-rbams-2026-6778","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer: C\u002F13\u002F789763\n\nrekestnummer HA\u002FRK 26\u002F235\n\nUitspraak: 22 juni 2026\n\nBeslissing op het op 19 juni 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [verzoeker],verzoeker,\n\nwelk verzoek strekt tot wraking van de behandelend rechter(s) in de zaak met zaaknummer AMS 25\u002F7305.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De rechtbank heeft kennisgenomen van het schriftelijk wrakingsverzoek met bijlagen van 17 juni 2026.\n\n1.2.. De behandelend rechter van de zaak AMS 25\u002F7305 betreft mr. K.S. Man (de rechter). De rechter heeft niet in de wraking berust.\n\n2. De feiten en het verzoek\n\n2.1.. Verzoeker is als eiser bij de rechtbank, afdeling Publiekrecht (team bestuursrecht) betrokken in een procedure met zaaknummer AMS 25\u002F7305. Het betreft een zaak over waterschapslasten en verweerder in die zaak is het Algemeen Bestuur van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. De mondelinge behandeling van de zaak staat gepland bij de rechter op 22 juni 2026 om 14:50 uur.\n\n2.2.. Verzoeker heeft de rechter verzocht om de zaak op de stukken af te doen. De griffier heeft verzoeker op 16 juni 2026 namens de rechter het volgende laten weten:\n\nDe rechtbank heeft uw verzoek om de zaak alleen op de stukken af te doen gezien. In principe wordt bij de behandeling van een zaak een zitting gepland (artikel 8:56 van de Awb). Het is aan de bestuursrechter om te beoordelen of geen onderzoek ter zitting nodig is. In dit geval is er geen aanleiding om de zaak buiten zitting af te doen. Er is overigens geen verschijningsplicht. U zou eventueel iemand kunnen machtigen om namens u naar de rechtbank te gaan.\n\n2.3.. Verzoeker heeft daarop onderhavig wrakingsverzoek ingediend. Hij voert aan dat de rechter met het afwijzen van zijn verzoek om de zaak buiten zitting en op de stukken af te doen blijk geeft van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid, vooringenomenheid en ernstig gebrek aan rechterlijke onbevangenheid. Verzoeker heeft immers onderbouwd dat hij vanwege medische redenen op geen enkele wijze kan deelnemen aan een zitting. Er is sprake van discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte. Dat verzoeker iemand kan machtigen is geen verplichting en is voor hem (mede om financiële redenen) ook geen optie. De rechter wil ten onrechte een onderzoek ter zitting laten plaatsvinden, terwijl hij weet dat verzoeker niet kan verschijnen. Dit bevestigt de objectieve vrees voor vooringenomenheid en tast de rechterlijke onpartijdigheid in de kern aan.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Op grond van het bepaalde in 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter niet onpartijdig is dan wel een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.3.2.. Het verwijt van verzoeker betreft een rechterlijke beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). 3.3. Het verzoek tot wraking is dus kennelijk ongegrond en zal worden afgewezen. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven (waar verzoeker overigens in zijn wrakingsverzoek ook om heeft verzocht).\n\nBESLISSING:\n\nDe wrakingskamer:\n\n- wijst het verzoek tot wraking af;\n\n- bepaalt dat de zaak met zaaknummer AMS 25\u002F7305 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond.\n\nAldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, en N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6778","2026-07-13T00:29:16.316Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":28,"courtId":5,"decisionDate":72,"fullText":73,"summary":28,"language":7,"source":46,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":49,"updatedAt":75},"1336","ECLI:NL:RBAMS:2026:6731","ecli-nl-rbams-2026-6731","2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nWrakingskamer\n\nBeslissing van 16 juni 2026 op het op 29 en 30 april 2026 ingekomen en onder rekestnummer C\u002F13\u002F787131 HA RK 26-158 ingeschreven verzoek van:\n\n [verzoeker],\n\nverzoeker,\n\nwonende te [woonplaats] , Frankrijk\n\nwelk verzoek strekt tot wraking van mr. H.J. Fehmers, rechter-commissaris te Amsterdam, hierna: de rechter.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:\n\n de e-mail van verzoeker van 29 april 2026 waarin hij de rechter wraakt;\n\n de brief van verzoeker van 30 april 2026 met daarin de gronden voor het wrakingsverzoek;\n\n de brief van verzoeker van 29 mei 2026 met daarin opgenomen een aanvullende grond voor wraking;\n\n de e-mail van de rechter van 8 juni 2026 met daarin een reactie op het wrakingsverzoek en op de aanvullende grond voor wraking;\n\n de e-mail van verzoeker van 10 juni 2026 waarin hij reageert op de reactie van de rechter.\n\n1.2.. De rechter heeft niet in de wraking berust.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Verzoeker is verdachte in een strafzaak met parketnummer [nummer] .\n\n2.2.. Bij beslissing van 4 maart 2026 heeft de rechter de vordering van de officier van justitie om in die strafzaak twee getuigen te horen toegewezen.\n\n2.3.. Bij e-mail van 20 maart 2026 heeft de griffier van de rechter aan verzoeker geschreven: “In aanvulling op mijn mail van 19 maart 2026 laat ik u namens de rechter-commissaris weten dat de officier van justitie het verhoor van de twee getuigen heeft gevorderd en dat de rechter-commissaris die vordering heeft toegewezen. De officier heeft mij desgevraagd bericht dat zich namens u geen advocaat heeft gesteld. Het staat u uiteraard vrij om alsnog een advocaat in de arm te nemen en hem \u002F haar te vragen bij de getuigenverhoren aanwezig te zijn. Houdt u er bij de keuze van een advocaat wel rekening mee dat de verhoren al zijn gepland en dat hij dan tijd heeft. Als verdachte heeft u zelf geen toegang tot het verhoor.”2.4.. Op 1 april 2026 heeft de rechter de getuigen gehoord.\n\n2.5.. Op 13 april 2026 heeft verzoeker een eerste wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter.\n\n2.6.. Bij beslissing van 21 april 2026 is dit eerdere wrakingverzoek afgewezen (zaaknummer C\u002F13\u002F786376 \u002F HA RK 26-129). De wrakingskamer heeft hiertoe – kort gezegd – overwogen dat de beslissing om getuigen te horen een rechterlijke beslissing is die gezien het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018geen grond voor wraking kan vormen. De wijze waarop de rechter de regie voert (de rechter zou te lijdelijk zijn geweest tijdens het getuigenverhoor) staat in beginsel niet ter beoordeling aan de wrakingskamer, aldus de beslissing van 21 april 2026.\n\n2.7.. De reactie van de rechter op het eerste wrakingsverzoek is niet gelijktijdig met de beslissing van 21 april 2026 op dat wrakingsverzoek aan verzoeker verzonden. Die reactie is op 29 april 2026 alsnog aan verzoeker toegezonden. De bijlage bij de reactie van de rechter is op 30 april 2026 aan verzoeker toegezonden.\n\n2.8.. Op 20 mei 2026 heeft een van de getuigen verzocht om een proces-verbaal dat is opgemaakt van zijn verhoor. Dit verzoek is afgewezen.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Verzoeker ziet in de beslissing van de wrakingskamer op zijn eerste wrakingsverzoek aanleiding om de rechter opnieuw te wraken. Uit de reactie van de rechter op het eerdere wrakingsverzoek – die verzoeker pas ontving na ontvangst van die beslissing – blijkt dat de rechter de wrakingskamer op het verkeerde been heeft gezet door in zijn reactie te stellen dat verzoeker was geïnformeerd over het getuigenverhoor. In die reactie staat immers “Verzoeker is geïnformeerd over het verhoor van de getuigen, dat hij het eerder van de getuigen had vernomen doet daar niet aan af.”Dit is onjuist omdat verzoeker noch door de rechter noch door het OM is geïnformeerd over het getuigenverhoor. Door verzoeker hierover niet te informeren heeft de rechter de rechten waarover verzoeker als verdachte beschikt op een uiterst kwalijke manier verkwanseld. Nu de rechter op dit punt de wrakingskamer heeft voorgelogen, is het vertrouwen in de rechter geschonden dat hij de zaak nog op een onpartijdige manier kan behandelen.3.2.. Voorts heeft de rechter de wrakingskamer onjuist voorgelicht door in zijn reactie op het eerste wrakingsverzoek te stellen: “Aan verdachten wordt alleen op verzoek en onder (zeer) bijzondere omstandigheden toegang verleend tot een getuigenverhoor. Van het een noch het ander is in dit geval sprake.”Verzoeker is echter niet eens in de gelegenheid gesteld een dergelijk verzoek te doen. Hij kreeg van de rechter alleen te horen dat hij als verdachte geen toegang heeft tot het verhoor. De rechter heeft zich op die wijze gedragen als een verlengstuk van het OM. Dit getuigt van een bevooroordeelde houding.\n\n3.3.. Verzoeker voert verder aan dat de wrakingskamer in de beslissing op het eerste wrakingsverzoek voorbij is gegaan aan vrijwel alle gronden die verzoeker had aangevoerd. De wrakingskamer heeft er een potje van gemaakt en heeft zich er op een gemakzuchtige manier van afgemaakt, door het verzoek niet op een zitting te behandelen en vervolgens ongegrond te verklaren. Dat het verzoek niet op zitting is behandeld is in strijd met het elementaire beginsel van hoor en wederhoor. Dit had de rechter moeten onderkennen; hij dient immers te allen tijde de procedurele integriteit te bewaken. Dat hij dit heeft nagelaten, vormt eveneens een grond voor wraking.\n\n3.4.. In het wrakingsverzoek van 30 april 2026 heeft verzoeker ten slotte aangevoerd dat de omstandigheid dat de rechter niet in het eerste wrakingsverzoek heeft berust aantoont dat de rechter er zozeer op gebrand is door te gaan op de ingeslagen weg dat geen sprake meer is van een onpartijdige behandeling van de zaak.\n\n3.5.. In zijn brief van 29 mei 2026 heeft verzoeker een aanvullende wrakingsgrond opgenomen. Een van de getuigen heeft op 20 mei 2026 bij de rechter een kopie opgevraagd van het proces-verbaal dat is opgemaakt van zijn verhoor. Dit heeft de rechter geweigerd. Een rechter die gewraakt is mag echter geen beslissingen nemen zolang de behandeling van het wrakingsverzoek niet is afgerond.\n\n4. 4. De reactie van de rechter\n\nIn een e-mail van de rechter van 8 juni 2026 aan de wrakingskamer staat het volgende: “Op 1 april 2026 is in deze zaak de heer [naam] als getuige gehoord. Enige tijd later, vermoedelijk op 6 mei 2026, heeft de getuige telefonisch contact opgenomen met de griffie van het kabinet RC en heeft hij gevraagd om een afschrift van het proces-verbaal van zijn verhoor. Het is standaard beleid dat getuigen geen afschrift krijgen van hun eigen verklaring. Hierop worden geen uitzonderingen gemaakt. Het strafdossier is vertrouwelijk en getuigen hebben geen recht op inzage. De griffiemedewerker die de heer [naam] te woord stond heeft hem dan ook meegedeeld dat hij geen afschrift kon krijgen. Dat is geen rechterlijke beslissing maar een reactie op een administratief verzoek. Wij worden daar niet over geconsulteerd en dat is ook niet gebeurd in dit geval. Wel heeft de griffier mij achteraf verteld dat zij het een onaangenaam gesprek vond.\n\nDe heer [naam] nam geen genoegen met de afwijzing en schreef dezelfde dag nog een mail naar het e-mailadres dat in de oproep voor het getuigenverhoor stond vermeld ([e-mailadres]). Deze mail is ontvangen door een andere griffiemedewerker. Zij heeft mij gevraagd of ze daar nog op moest reageren, mede gelet op het eerdere gesprek en andere correspondentie die zij van de heer [naam] voorbij had zien komen. Ik heb haar verzocht de mail te beantwoorden en de getuige te melden dat wij geen afschriften van pv’s aan getuigen verstrekken omdat deze deel uitmaken van het procesdossier, dat vertrouwelijk is. De griffiemedewerker heeft dit vervolgens gedaan. Zie de mailwisseling in de bijlage.\n\nMijn bemoeienis is dus geweest dat ik de griffier heb gevraagd een mail te beantwoorden (wat een vaste werkwijze is) en daarin mee te delen, zoals eerder al op eigen titel door de griffier was gedaan, dat een getuige geen afschrift van het pv krijgt (wat ook een vaste werkwijze is). Van enige rechterlijke afweging of beslissing is dus geen sprake geweest. Ik berust dan ook niet in de wraking.”\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De wrakingskamer overweegt allereerst dat de reactie van de rechter op het eerste wrakingsverzoek abusievelijk niet gelijktijdig met de beslissing van 21 april 2026 op dat wrakingsverzoek is verzonden. De reactie was wel uitgebreid overgenomen in de beslissing van 21 april 2026 en is enkele dagen later, namelijk op 29 april 2026, alsnog toegezonden. De bijlage bij die reactie van de rechter is op 30 april 2026 toegezonden. Voor zover verzoeker hierover klaagt, heeft dit geen betrekking op de rechter.\n\n5.2.. Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Als uitgangspunt bij de beoordeling van een wrakingsverzoek geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.\n\n5.3.. Geoordeeld wordt dat de rechter de wrakingskamer in zijn reactie op het eerste wrakingsverzoek niet onjuist heeft voorgelicht. De daartoe als eerste aangevoerde stelling, dat verzoeker niet is geïnformeerd over het getuigenverhoor, is feitelijk onjuist, reeds gelet op de inhoud van de hiervoor onder 2.3 weergegeven e-mail van de griffier van de rechter. Hieruit volgt namelijk dat verzoeker ervan op de hoogte was dat het getuigenverhoor gehouden zou worden5.4.. De mededeling dat aan verdachten alleen op verzoek en onder zeer bijzondere omstandigheden toegang wordt verleend tot het getuigenverhoor, is evenmin feitelijk onjuist. Verder is er geen regel die voorschrijft dat een rechter aan partijen eigener beweging zou moeten laten weten dat zij onder zeer bijzondere omstandigheden kunnen worden toegelaten tot een verhoor en hen zou moeten uitnodigen daartoe een verzoek te doen. Verzoeker is door de griffier van de rechter verwezen naar een advocaat en dat volstaat.\n\n5.5.. Dat verzoeker kritiek heeft op de wijze waarop de wrakingskamer tot de beslissing van 21 april 2026 is gekomen, kan geen grond voor wraking vormen. Tegen een beslissing van de wrakingskamer staat geen hoger beroep open en het is niet aan de wrakingskamer om tot herbeoordeling over te gaan van een van haar eerdere beslissingen. Het is bovendien niet aan de gewraakte rechter om toe te zien op de wijze waarop de wrakingskamer tot een beslissing komt.\n\n5.6.. De omstandigheid dat de rechter niet heeft berust in het eerste wrakingsverzoek is geen omstandigheid waaruit de objectieve schijn van partijdigheid zou kunnen blijken.\n\n5.7.. Over de aanvullende wrakingsgrond die is opgenomen in de brief van 29 mei 2026 (en die is gebaseerd op feiten en omstandigheden die verzoeker zijn gebleken na indiening van het onderhavige wrakingsverzoek) overweegt de wrakingskamer het volgende. In artikel 513 lid 5 Sv staat onder meer: “De rechter wiens wraking is verzocht, onthoudt zich van het verder behandelen van de zaak, waaronder begrepen het nemen van beslissingen, tenzij dit geen uitstel duldt”. In dit geval was sprake van de administratieve afhandeling van een verzoek om afschrift van een proces-verbaal, hetgeen niet kwalificeert als het “verder behandelen van de zaak”. De rechter is aldus niet doorgegaan met het behandelen van de zaak nadat tegen hem een wrakingsverzoek was ingediend. De inhoud van de e-mail van 10 juni 2026 van verzoeker, gericht aan de wrakingskamer, maakt dit oordeel niet anders.\n\n5.8.. \n\nOp grond van het bovenstaande is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.\n\n BESLISSING\n\nDe Wrakingskamer:\n\n wijst het verzoek tot wraking af.\n\n Aldus gegeven door mrs. M.V. Ulrici, voorzitter en W.M. de Vries en A.R.P.J. Davids, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.\n\nECLI:NL:HR:2018:1413","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6731","2026-07-13T00:29:16.531Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":28,"courtId":5,"decisionDate":80,"fullText":81,"summary":28,"language":7,"source":46,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":49,"updatedAt":83},"1333","ECLI:NL:RBAMS:2026:6777","ecli-nl-rbams-2026-6777","2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBeslissing van 11 juni 2026 op het op 3 juni 2026 gedane en onder zaaknummer\n\nC\u002F13\u002F789103 HA\u002FRK 26\u002F213 ingeschreven verzoek van:\n\n [verzoeker],wonende te [woonplaats],\n\nverzoeker, gemachtigde: mr. J.N.A. Dijkman,\n\nwelk verzoek strekt tot wraking van mr. B. Brokkaar, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.1. 1. De procedure\n\nDe wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:\n\nhet proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juni 2026 waarin is opgenomen dat verzoeker de rechter wraakt;\n\nde aantekeningen van de griffier van die mondelinge behandeling.\n\nDe rechter heeft de Wrakingskamer bericht dat zij niet berust in de wraking.\n\n2. De feiten\n\nVerzoeker is de verwerende partij in een zaak die bij de rechter in behandeling is (zaaknummer \u002F rekestnummer 12112489 \u002F EA VERZ 26-220). Google Netherlands B.V. is in die zaak de verzoekende partij.\n\nIn deze procedure heeft op 3 juni 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden.\n\nVan die mondelinge behandeling is een (verkort) proces-verbaal opgemaakt. Hierin staat onder meer: De kantonrechter wijst, gehoord partijen, het verzoek van de gemachtigde van [verzoeker] tot aanhouding van de zaak af. De gemachtigde deelt daarop mee dat hij de kantonrechter dan moet wraken. Na een korte schorsing vraagt de kantonrechter of het klopt dat de wrakingsgrond is: “U wilt de behandeling van deze zaak niet aanhouden in afwachting van de beslissing van uw collega kantonrechter op het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, welke beslissing is bepaald op 23 juni 2026”. De gemachtigde verklaart\n\nzich daarmee akkoord.\n\n3. Het verzoek en de gronden daarvan\n\nHet wrakingsverzoek is gebaseerd op de grond dat de rechter de zaak niet wil aanhouden.4. 4. De gronden van de beslissing\n\n4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn.4.2. Het verzoek tot wraking is gegrond op de beslissing van de rechter om de zaak niet aan te houden. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Het onderhavige verzoek bevat geen feiten of omstandigheden waaruit (de objectief gerechtvaardigde vrees van) vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker zou kunnen blijken. 4.3 Het verzoek tot wraking is dus kennelijk ongegrond en zal worden afgewezen. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.\n\nBESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\nwijst het verzoek tot wraking af;\n\nbepaalt dat de procedure met zaaknummer \u002F rekestnummer 12112489 \u002F EA VERZ 26-220 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.\n\nAldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, en P.B. Martens en I.M. Bilderbeek, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2026.\n\n Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6777","2026-07-13T00:29:16.402Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":28,"courtId":5,"decisionDate":88,"fullText":89,"summary":28,"language":7,"source":46,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":49,"updatedAt":91},"277","ECLI:NL:RBAMS:2026:6802","ecli-nl-rbams-2026-6802","2026-06-09T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nWrakingskamer\n\nBeslissing van 8 juni 2026 op het onder rekestnummer C\u002F13\u002F789030 HA RK 26\u002F210 ingeschreven verzoek tot verschoning ingediend door:\n\nmr. G.J.M. Kruizinga, rechter bij de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter.\n\n1. De procedure\n\nBij de afdeling strafrecht van de Rechtbank te Amsterdam is een zaak aanhangig met parketnummer 13-073791-26 die is toegewezen aan de rechter.\n\n2. Het verzoek\n\nAan het verzoek is ten grondslag gelegd dat het de rechter bij de voorbereiding van de behandeling is gebleken dat hij de verdachte in deze zaak ( [naam] , bijgestaan door mr. C.E.D. Koning) in het verleden als advocaat heeft bijgestaan.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Op grond van het bepaalde in artikel 518 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) dient in een verschoningsprocedure te worden beslist of er sprake is van de in artikel 512 Sv genoemde feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit voormelde bepaling valt af te leiden dat de behandeling van een verschoningsverzoek, anders dan de behandeling van een wrakingsverzoek, niet ter terechtzitting behoeft plaats te vinden. De rechtbank zal daarom zonder mondelinge behandeling een beslissing nemen op het verzoek.\n\n3.2.. Verschoning is een middel ter verzekering van (het vertrouwen in) de rechterlijke onpartijdigheid.\n\n3.3.. De rechtbank oordeelt dat de geobjectiveerde vrees kan ontstaan dat de rechter de zaak niet onpartijdig kan behandelen nu hij de verdachte eerder als advocaat heeft bijgestaan. Gelet daarop wordt het verzoek toegewezen.\n\nDe rechtbank:\n\n wijst het verzoek tot verschoning toe en bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer 13-073791-26 wordt voortgezet voor een andere rechter;\n\n beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing wordt toegezonden aan:\n\n de gemachtigden van partijen; en\n\n de rechter.\n\n Aldus gegeven door mr. P.B. Martens, voorzitter, mr. N.C.H. Blankevoort en mr. W.M. de Vries, leden, op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6802","2026-07-13T00:28:22.173Z",{"id":93,"ecli":94,"slug":95,"caseNumber":28,"courtId":5,"decisionDate":96,"fullText":97,"summary":28,"language":7,"source":46,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":49,"updatedAt":99},"1334","ECLI:NL:RBAMS:2026:6771","ecli-nl-rbams-2026-6771","2026-05-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nWrakingskamer\n\nBeslissing op het op 27 mei 2026 ingekomen en onder rekestnummer C\u002F13\u002F788480 HA RK 26-195 ingeschreven verzoek van:\n\n [verzoekster]\n\nverzoekster,\n\ngemachtigde mr. J. Du Bois,\n\nwelk verzoek strekt tot wraking van mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.\n\n1. Verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:\n\n het wrakingsverzoek ingekomen op 27 mei 2026, alsmede het eerder in deze zaak tegen mr. Blankevoort ingediende wrakingsverzoek.\n\n1.2.. De rechter heeft niet in de wraking berust.\n\n2. De feiten en het verzoek\n\n2.1.. Verzoekster is verwerende partij in een procedure die bij de rechter in behandeling is (zaaknummer 788174 KG ZA 26-420). De mondelinge behandeling van deze zaak was aanvankelijk gepland bij mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, op 27 mei 2026 om 13.30 uur. Na ontvangst van een tegen hem gericht wrakingsverzoek heeft mr. Blankevoort berust in dat verzoek. Korte tijd nadat het bericht van berusting aan de gemachtigde was verzonden, is de zaak toegewezen aan de rechter en is namens de rechter bericht dat de zaak behandeld zou worden op 27 mei 2026 om 14.30 uur. Verzoekster heeft om uitstel verzocht, maar de rechter heeft beslist dat de behandeling om 14.30 uur zou doorgaan. Dit is om 13.51 uur namens de rechter aan de gemachtigde meegedeeld. Na afloop van deze mondelinge behandeling heeft verzoekster het wrakingsverzoek tegen de rechter ingediend. In dit verzoek wordt tevens verwezen naar het verzoek dat tegen mr. Blankevoort was ingediend.\n\n2.2.. Verzoekster heeft onder meer aangevoerd dat, nadat het bericht van berusting van mr. Blankevoort was ontvangen, nog geen melding werd gemaakt van een nieuwe datum of tijd waarop het kort geding zou plaatsvinden. Luttele minuten later volgde het telefonische bericht dat de rechter voornemens was het kort geding om 14.30 uur te behandelen. Verzoekster acht deze gang van zaken in strijd met de goede procesorde en verzoekster wordt daardoor ernstig in haar belangen en of verdediging geschaad. Zowel verzoekster als de gemachtigde hadden hier geen rekening mee gehouden. Bovendien blijkt uit het (aanvankelijk tegen mr. Blankevoort ingediende) verzoek onomstotelijk dat de gemachtigde een zitting had elders in het land. Verzoekster heeft vervolgens verwezen naar de wrakingsgronden zoals verwoord in het tegen mr. Blankevoort ingediende verzoek tot wraking. Het is onduidelijk wanneer de rechter is benaderd, maar wrakingsgrond (uit het verzoek gericht tegen mr. Blankevoort) dat over de spoedeisendheid al een standpunt was ingenomen, geldt nog steeds. De griffiemedewerker heeft namens de rechter om 13.51 uur meegedeeld dat de behandeling door de rechter zou doorgaan en dat verzoekster dan maar zelf naar de zitting moest komen, ondanks de verhindering van de gemachtigde. Dit is in strijd met de goede procesorde en tevens is het volstrekt onduidelijk welke informatie mr. Blankevoort aan de rechter heeft verstrekt, op grond waarvan kennelijk binnen 40 minuten na de berusting door de rechter is beslist dat de mondelinge behandeling noodzakelijk werd geacht. De rechter heeft zonder hoor en wederhoor daartoe de beslissing genomen.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.\n\n3.2.. \n\nAls uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn\n\naanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.\n\n3.3.. In zijn arrest van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.\n\n3.4.. Het bezwaar van verzoekster betreft de beslissing van de rechter om de behandeling van de zaak niet aan te houden. Een rechterlijke beslissing kan echter geen grond voor wraking opleveren zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest.\n\n3.5.. Voor het overige bevat het verzoek geen enkele grond waaruit de vooringenomenheid of de schijn daarvan van de rechter valt af te leiden. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.\n\n3.6.. Omdat verzoekster het middel tot wraking, lichtvaardig, want zonder redelijke grond heeft ingezet en kennelijk alleen met het oog op uitstel van de zitting, is sprake van misbruik van recht. Bepaald zal daarom worden dat verdere verzoeken tot wraking in de zaak niet in behandeling worden genomen.\n\n4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.\n\nBESLISSING\n\nDe Wrakingskamer:\n\n wijst het verzoek tot wraking af;\n\n bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.\n\nAldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, K.A. Brunner en I.M. Bilderbeek, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6771","2026-07-13T00:29:16.443Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":28,"courtId":5,"decisionDate":104,"fullText":105,"summary":28,"language":7,"source":46,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":49,"updatedAt":107},"1033","ECLI:NL:GHAMS:2026:1353","ecli-nl-ghams-2026-1353","2026-05-20T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nzaaknummer : 200.367.287\n\nzaaknummer hoofdzaak : 200.218.242\u002F01 OK en 200.218.242\u002F02 OK\n\nBeslissing van de wrakingskamer van 20 mei 2026\n\nop het wrakingsverzoek ingediend door\n\nde vennootschap naar het recht van Luxemburg\n\nConservatrix Groep S.a.r.l.,\n\ngevestigd te Luxemburg,\n\nhierna: CG,\n\nbijgestaan mr. W.A. Westenbroek en mr. H.M.W. Hompesch,\n\nadvocaten te Amsterdam,\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De hoofdzaak betreft een verzoekschriftprocedure op grond van artikel 3:159ab Wet Financieel Toezicht (oud), waarin CG bij verzoekschrift, ingediend op 26 juni 2017, een verzoek heeft gedaan tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling in verband met de verkoop van de door CG gehouden aandelen in Nederlandsche Algemeene Maatschappij van Levensverzekering ‘Conservatrix’ N.V. (hierna: Conservatrix) voor € 1,-,\n\n1.2.. CG heeft bij op 9 april 2026 ingekomen schriftelijk stuk (hierna: het klaagschrift) vergezeld van 20 bijlagen en een inventarislijst de wraking verzocht van de raadsheren mr. A.W.H. Vink en mr. J.M. de Jongh (hierna gezamenlijk: de raadsheren), leden van de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam (hierna: de OK).\n\n1.3.. De raadsheren hebben op 20 april 2026 ieder schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.\n\n1.4.. Het wrakingsverzoek is op 29 april 2026 door de wrakingskamer behandeld. Op de zitting waren aanwezig dhr. [naam 3] namens CG, bijgestaan door mr. W.A. Westenbroek en mr. H.M.W. Hompesch, en de raadsheren. Belangstellenden van de wederpartij in de hoofdzaak waren aanwezig.\n\n1.5.. Mr. Westenbroek heeft aan de hand van spreekaantekeningen - met daaraan gehecht een nog niet overgelegde productie - het woord gevoerd. Ook de raadsheren hebben het woord gevoerd.\n\n2. Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover\n\n2.1.. De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit het klaagschrift en de toelichting in de spreekaantekeningen. Samengevat legt CG aan haar verzoek ten aanzien van mr. De Jongh ten grondslag:\n\n1. dat hij zich op sociale media (LinkedIn) suggestief heeft uitgelaten over een zaak waarin CG is betrokken en waarover hij eerder zelf heeft geoordeeld en ook nog dient te oordelen. Dat heeft hij gedaan daags voor een afwijzende beslissing van een combinatie van de OK waarin hij zitting heeft, op een verzoek van CG in verband met een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2026 in een procedure tussen CG en De Nederlandsche Bank (hierna: DNB), waarin is vastgesteld dat DNB bedrog heeft gepleegd, welke beschikking naar de mening van CG van belang is in deze zaak;\n\n2) dat CG op 2 april 2026 is gebleken dat mr. De Jongh een broer heeft die partner is van het advocatenkantoor A&O Shearman LLP (hierna A&O), het kantoor dat de Staat bijstaat in de hoofdzaak en ook DNB bijstond in de hiervoor al genoemde rechtbankprocedure in 2017.\n\nAan haar verzoek ten aanzien van mr. Vink legt CG – samengevat - ten grondslag dat, nu er gegronde vrees bestaat om te twijfelen aan de onpartijdigheid en objectiviteit van mr. De Jongh , dit ook raakt aan de onpartijdigheid en objectiviteit van de voorzitter, nu deze ten aanzien van de betrokken wrakingsgronden reeds standpunten heeft ingenomen in reacties in zijn hoedanigheid als voorzitter ten aanzien van de bezwaren tegen mr. De Jongh . Hierbij moet mede in aanmerking worden genomen dat de afwijzende beslissing van de OK op het verzoek van CG, is genomen onder het voorzitterschap van mr. Vink nadat mr. De Jongh zijn bericht op LinkedIn plaatste en de voorzitter dat bericht dus kennelijk evenmin ontoelaatbaar acht, gelet op de reacties namens mr. Vink en mr. De Jongh van 2 april 2026. CG neemt verder aan dat binnen de OK al langer bekend was dat de broer van mr. De Jongh als partner was verbonden aan A&O en dat hierover onder voorzitterschap van mr. Vink binnen de combinatie zoals te doen gebruikelijk overleg is gepleegd zonder dat dit tot een wijziging van de combinatie heeft geleid. De enkele reële mogelijkheid dat hierdoor beslissingen van de OK als rechtsprekend orgaan in het verleden (mogelijk onbedoeld en onbewust) mede zouden kunnen zijn beïnvloed door mogelijke (onbedoelde en onbewuste) vooringenomenheid van mr. De Jongh , rechtvaardigt ook de objectieve vrees van partijdigheid ten aanzien van de voorzitter.\n\n2.2.. \n\nDe raadsheren hebben in hun schriftelijke reacties meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berusten.\n\nSamengevat voert mr. De Jongh het volgende aan naar aanleiding van de wrakingsgronden:\n\n- Doordat de rechterlijke controle op de uitspraken van de OK doorgaans beperkt is, zijn andere vormen van feedback essentieel voor het goed functioneren van de OK. De OK gaat daarom actief op zoek naar terugkoppeling uit de rechtspraktijk. De reactie van mr. De Jongh op een LinkedIn-bericht over CG moet tegen die achtergrond worden bezien: de rechtbank had het herroepingsverzoek weliswaar niet-ontvankelijk verklaard maar een stevig oordeel gegeven over de handelwijze van DNB. De OK had eerder een herroepingsbeschikking gegeven die onder de streep op hetzelfde neerkwam maar op inhoud verschilde. Mr. De Jongh heeft de rechtspraktijk hierop willen wijzen en uitgenodigd tot inhoudelijke kritiek op rechtbank én OK. Dat CG hierin een subtekst leest die rechtstreeks ingaat tegen zijn bedoeling en tegen zijn bewoordingen – “oordeel zelf” – kan niet afdoen aan zijn objectieve onpartijdigheid. Mr. De Jong nam niet deel aan het publieke debat, hij nodigde slechts uit tot debat;\n\n- De betrokkenheid van mr. De Jongh bij CG is tot nu toe beperkt gebleven tot de beschikkingen van 20 december 2024 en 4 juni 2025. Bij de herroepingszaak had hij geen betrokkenheid. Hij was evenmin betrokken bij de e-mail van 18 februari 2026, waarin mr. Vink in zijn hoedanigheid van voorzitter van de OK afwijzend besliste op een verzoek van CG om een nadere standpuntwisseling toe te staan naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank van 5 februari 2026;\n\n- Op 2 april 2026 heeft de secretaris van de OK op verzoek van mr. De Jongh partijen erover geïnformeerd dat zijn broer partner is bij A&O. Daarin wordt toegelicht waarom mr. De Jongh meent de zaak met de vereiste subjectieve en objectieve onpartijdigheid te kunnen behandelen. De specialismen van mr. De Jongh en zijn broer overlappen niet. De broer van mr. De Jongh is gespecialiseerd in projectfinanciering. Er is geen enkel raakvlak met CG en mr. De Jongh heeft geen aanleiding te veronderstellen dat zijn broer daar op enige wijze bij betrokken is (geweest). Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 bericht mr. De Jongh partijen voorafgaand aan iedere zitting waarin A&O optreedt dat zijn broer partner is bij dit kantoor. Pas met de klachtbrief van CG van 13 maart 2026 raakte mr. De Jongh ermee bekend dat hij weer zou moeten oordelen in de zaak CG. In afwachting van de reactie van de president van het hof en van mr. Vink heeft hij zich opnieuw de vraag gesteld of hij zichzelf in staat achtte de zaak met de vereiste subjectieve en objectieve onpartijdigheid te beoordelen. De uitkomst van zijn overwegingen is op 2 april 2026 met partijen gedeeld.\n\nMr. Vink heeft in zijn reactie vermeld:\n\n- dat hij door middel van de e-mail van de secretaris van de OK van 2 april 2026, waarin is meegedeeld dat hetgeen in de klachtbrief van 13 maart 2026 uiteengezet is geen aanleiding geeft tot het nemen van enige nadere procedurele beslissing, niet een standpunt heeft ingenomen over een wrakingsgrond maar een feitelijke mededeling heeft gedaan aan CG over de aan de klachtbrief te verbinden procedurele gevolgen;\n\n- dat de mededeling in de e-mail van 18 februari 2026, waarin aan CG is bericht dat de OK geen aanleiding ziet partijen gelegenheid te geven zich nader uit te laten, een volstrekt normale procedurele beslissing is, die als zodanig geen grond voor wraking kan opleveren;\n\n- dat het bericht van mr. De Jongh op LinkedIn volstrekt neutraal is geformuleerd en ter zake dienend is en dat dit niet een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat hij (of mr. De Jongh ) jegens een van partijen in deze zaak vooringenomen zou zijn;\n\n- dat het feit dat mr. Vink ervan op de hoogte is dat een broer van mr. De Jongh werkzaam is bij A&O, niet betekent dat mr. Vink jegens een van partijen in de hoofdzaak een vooringenomenheid zou koesteren dan wel dat de kennelijk bij CG dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.\n\n3. De beoordeling\n\nJuridisch kader\n\n3.1.. Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren van de OK.\n\n3.2.. \n\nEen rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer\n\nvooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat\n\neen rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke\n\nonpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke\n\nomstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing\n\nopleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn\n\nvan partijdigheid.\n\nAanvullende wrakingsgronden\n\n3.3.. \n\nTijdens de mondelinge behandeling heeft CG nog de volgende gronden aan het verzoek toegevoegd.\n\nTen aanzien van mr. Vink :\n\n- dat hij in zijn hoedanigheid van voorzitter van de OK alleen en zelfstandig heeft beslist op het verzoek van 9 februari 2026, terwijl hij ten aanzien van dat verzoek niet meer onbevangen was omdat hij als voorzitter een combinatie had geleid die de beschikking van 31 juli 2025 had gewezen. Dit staat haaks op Aanbeveling 16 van de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de Rechtspraak 2014. Het verzoek had daarom minst genomen door de meervoudige kamer moeten worden behandeld, zoals ook volgt uit artikel 16 Rv;\n\n- dat de e-mail van 9 maart 2026, waarin is medegedeeld dat de ongewijzigde samenstelling van de OK bij de beslissing van 18 februari 2026 betrokken was geweest, in dat opzicht misleidend is.\n\nTen aanzien van mr. De Jongh :\n\n- dat de hiervoor bedoelde omstandigheden ook de gestelde vrees voor vooringenomenheid van mr. De Jongh raken, omdat de beslissing van mr. Vink formeel een beslissing van de combinatie is waarvan mr. De Jong deel uitmaakt.\n\n3.4.. \n\nDe wrakingskamer stelt voorop dat het hier om nieuw aangevoerde omstandigheden gaat, die niet (onmiskenbaar) deel uitmaken van de in het wrakingsverzoek van 9 april 2026 aangevoerde wrakingsgronden. Om die reden kunnen deze omstandigheden niet bij de beoordeling van het wrakingsverzoek worden betrokken. Artikel 37, derde lid, Rv vereist immers dat alle wrakingsgronden tegelijk worden voorgedragen. Het doel van dit voorschrift is dat onnodige vertraging wordt voorkomen. Nieuwe omstandigheden worden alleen in de beoordeling betrokken als deze pas na indiening van het wrakingsverzoek bekend zijn geworden. Dat de beslissing op het verzoek van 9 februari 2026 (mede) is genomen door mr. Vink die ook bij de beschikking van 31 juli 2025 was betrokken, was CG reeds voor indiening van het wrakingsverzoek bekend.\n\nVoor zover CG stelt dat de beslissing niet (gemandateerd) door mr. Vink namens de combinatie van de OK die de zaak behandelt genomen had kunnen worden, geldt bovendien dat dit een processuele beslissing betreft die – behoudens buitengewone omstandigheden die niet zijn voorgedragen - geen grond voor wraking oplevert.\n\nBeoordeling in deze zaak\n\nMr. De Jongh3.5.. De eerste wrakingsgrond houdt - zoals hiervoor uiteengezet - in dat mr. De Jongh zich op sociale media (LinkedIn) suggestief heeft uitgelaten over een nog lopende zaak bij de OK, waarin CG is betrokken en waarover mr. De Jongh eerder zelf heeft geoordeeld en ook nog dient te oordelen, terwijl vlak daarna een combinatie van de OK waarin mr. De Jongh zitting heeft, afwijzend heeft beslist op het verzoek van CG om zich te mogen uitlaten over de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2026, welke beschikking naar de mening van CG van belang is voor de beoordeling van de zaak.\n\n3.6.. Voor een goede beoordeling van deze wrakingsgrond is het nodig de context, waarbinnen de “gewraakte” mededeling door mr. De Jongh is gedaan, in ogenschouw te nemen. Daarbij zijn de volgende feiten van belang:\n\nOp verzoek van DNB heeft de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 15 mei 2017 - kort gezegd - bepaald dat alle aandelen in Conservatrix worden overgedragen aan Trier tegen betaling van € 1,-. Het door CG ingestelde cassatieberoep tegen deze beschikking is door de Hoge Raad verworpen bij beschikking van 17 mei 2019.\n\nIn een daarop volgende procedure bij de OK (met zaaknummer 200.218.242\u002F01) op grond van artikel 3:159ab Wet Financieel Toezicht (oud) heeft CG de OK verzocht een aanvullende schadeloosstelling vast te stellen omdat volgens haar de waarde van de aandelen in Conservatrix op 15 mei 2017 aanzienlijk hoger was dan de door Trier betaalde prijs van € 1,- (hierna ook: de schadeloosstellingsprocedure).\n\nBij beschikking van 24 augustus 2021 heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure overwogen dat zij een deskundigenonderzoek zal gelasten ter beantwoording van de vraag naar de waarde van de aandelen in Conservatrix per 15 mei 2017. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de te benoemen deskundigen en de aan deze deskundigen te stellen vragen.\n\nBij beschikking van 20 december 2024 heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure deskundigen benoemd en hen verzocht een plan van aanpak en een begroting op te stellen. Mr. De Jongh maakte deel uit van de combinatie die deze beschikking heeft gegeven.\n\nOp 14 mei 2025 heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure aan (onder andere) CG een e-mailbericht van 12 mei 2025 doorgestuurd, waaruit volgde dat één van de deskundigen diende te worden vervangen en waarin een nieuwe deskundige werd voorgesteld.\n\nBij brief van 20 mei 2025 in de schadeloosstellingsprocedure heeft CG bezwaar gemaakt tegen benoeming van de nieuwe deskundige.\n\nDaarnaast heeft CG bij verzoekschrift van diezelfde datum de OK verzocht de beschikkingen van de OK van 24 augustus 2021 en 20 december 2024 te herroepen, althans terug te komen op een aantal bindende eindbeslissingen in die beschikkingen en het deskundigenonderzoek met directe ingang aan te houden. Tevens is verzocht de Staat te bevelen een aantal stukken aan CG over te leggen.\n\nCG heeft op 20 mei 2025 tevens bij de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift ingediend strekkende tot herroeping van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2017 en daarbij overlegging van dezelfde stukken ex. artikel 195 Rv verzocht.\n\nBij beschikking van 4 juni 2025 (in de zaak met zaaknummer 200.218.242\u002F01) heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure de bezwaren tegen de deskundige afgewezen, het voorschot op de kosten van het onderzoek door deskundigen bepaald en bepaald dat de Staat en CG ieder voor de helft het voorschot zullen dragen. Het verzoek van CG om aanhouding heeft de OK afgewezen. Daartoe heeft de OK overwogen dat de procedure bij de OK in de kern alleen de vraag betreft of de Staat aan CG een aanvullende schadeloosstelling dient te betalen en dat de OK in het kader van deze procedure vooralsnog heeft uit te gaan van de juistheid van de beschikking van de rechtbank van 15 mei 2017. Mr. De Jongh maakte deel uit van de combinatie die deze beschikking heeft gegeven.\n\nBij beschikking van 31 juli 2025 (met zaaknummers 200.218.242\u002F01 en 200.218.242\u002F02) heeft de OK het verzoek tot herroeping van CG afgewezen. Daarbij heeft de OK (onder andere) overwogen dat niet aannemelijk is dat de rechtbank Amsterdam tot een andere beslissing zou zijn gekomen als daarbij was meegewogen dat de door Trier op grond van het overdrachtsplan te verschaffen kapitaalversterking van Conservatrix om tot een solvabiliteitsratio van 135% te komen (deels) bestond uit de met CBL gesloten Herverzekering. Ook de overige verzoeken van CG zijn afgewezen, waaronder verzoeken om terug te komen op (bindende eind)beslissingen in de beschikkingen van 24 augustus 2021, 20 december 2024 of 4 juni 2025.\n\nCG heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure begin september 2025 meegedeeld niet tot betaling van het voorschot over te gaan. Daarop heeft de OK bij e-mail van 8 september 2025 aan partijen meegedeeld dat zij over het verdere verloop (in de zaak met zaaknummer 200.218.242\u002F01) bij beschikking zal beslissen. De uitspraak is vervolgens een aantal malen aangehouden.\n\nBij beschikking van 5 februari 2026 heeft de rechtbank Amsterdam CG niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om herroeping. Daarbij heeft de rechtbank echter, buiten de dragende overwegingen die leiden tot niet-ontvankelijkverklaring, geoordeeld dat inderdaad sprake is van “bedrog in het geding gepleegd” als bedoeld in artikel 382 onder a Rv, kort gezegd omdat de herverzekering (naast kapitaalstorting) als onderdeel van het bereiken van de benodigde solvabiliteit door Conservatrix door DNB buiten de procedure is gehouden. Daardoor heeft geen volwaardig debat kunnen plaatsvinden over de vraag of minder vergaande maatregelen (alternatieven) mogelijk waren geweest om Conservatrix te ‘redden’. DNB heeft bij beroepschrift van 18 februari 2026 hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.\n\nDe beschikking van 5 februari 2026 heeft geleid tot Kamervragen.\n\nIn het Financieel Dagblad van 6 februari 2026 is een artikel opgenomen met de titel ‘DNB pleegde bedrog bij onteigening Conservatrix, oordeelt rechter’.\n\nOp of omstreeks 7 februari 2026 heeft prof. [naam 4] (hierna: [naam 4] ) op zijn LinkedIn pagina (onder andere) de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2026 besproken onder de kop ´Evident onredelijk en bedrog’met als onderkop: ‘Het is niet de maand van de toezichthouders, wel die van onze rechtspraak’, met daaronder een verwijzing naar het artikel daarover in het Financieel Dagblad. Het bericht bevat onder meer de melding“Nog opvallender is het oordeel van de rechter […] dat DNB bedrog heeft gepleegd in de procedure rondom Conservatrix”.\n\nOp of omstreeks 7 of 8 februari 2026 heeft mr. De Jongh onder deze post op LinkedIn het volgende geschreven: “De Ondernemingskamer wees eerder een herroepingsverzoek in Conservatrix af. Oordeel zelf:”.De daarop volgende link in het bericht verwijst naar de hiervoor genoemde beschikking van de OK van 31 juli 2025 (met zaaknummers 200.218.242\u002F01 en 200.218.242\u002F02).\n\nOp 9 februari 2026 heeft CG de beschikking van de rechtbank Amsterdam aan de OK toegezonden. Daarbij heeft CG verzocht zich in de schadeloosstellingsprocedure te mogen uitlaten over deze nieuwe ontwikkeling alvorens de OK (eind)uitspraak zou doen.\n\nDe secretaris van de OK heeft CG bij e-mail van 18 februari 2026 namens de OK meegedeeld dat de OK geen aanleiding zag om partijen in de bij de OK lopende procedure in de gelegenheid te stellen zich (bij akte of regiezitting) uit te laten over de voortzetting van de procedure.\n\nDe (eind)uitspraak in de schadeloosstellingsprocedure (in de zaak met zaaknummer 200.218.242\u002F01) is daarna wederom aangehouden, laatstelijk tot 14 mei 2026.\n\n3.7.. Wat betreft de uitlating van mr. De Jongh op LinkedIn, stelt de wrakingskamer voorop dat, zoals hiervoor onder 3.6 uiteengezet, de OK in haar beschikking van 31 juli 2025 heeft geoordeeld dat het herroepingsverzoek van CG om meerdere redenen geen kans van slagen heeft, terwijl de rechtbank Amsterdam ruim een half jaar later in haar beschikking van 5 februari 2026 heeft geoordeeld dat de beslissing van de rechtbank op het oorspronkelijke verzoek in 2017 berust op bedrog door DNB in het geding gepleegd en dat de door CG aangevoerde herroepingsgrond door de rechtbank dan ook in beginsel voor juist wordt gehouden. Van deze laatste beschikking heeft DNB hoger beroep ingesteld, aanhangig bij dit gerechtshof. Verder heeft deze laatste beschikking geleid tot (onder andere) Kamervragen, het genoemde artikel in het Financieel Dagblad en een korte bespreking van deze beschikking door [naam 4] op zijn LinkedIn pagina.\n\n3.8.. \n\nDe wrakingskamer stelt vast dat mr. De Jongh zich, met zijn post op de LinkedIn pagina van [naam 4] begin februari 2026, met de hiervoor aangehaalde uitlating “De Ondernemingskamer wees eerder een herroepingsverzoek in Conservatrix af. […]” met een link naar de beschikking van de OK van 31 juli 2025, heeft gemengd in het publieke debat over een zaak, waarin nog door een zittingscombinatie van de OK waarvan mr. De Jongh deel uitmaakt, (verder) beslist moet worden. Het betreft dan de schadeloosstellingsprocedure, waarin Conservatrix partij is.\n\nDe wrakingskamer constateert dat ten tijde van de uitlating de termijn voor het instellen van hoger beroep van de beschikking van de rechtbank van 5 februari 2026 nog liep en dat de beschikking van de OK van 31 juli 2025 nog bij de Hoge Raad voorligt.\n\nDe wrakingskamer stelt daarnaast vast dat de procedures die hebben geleid tot de uitspraken van (laatstelijk) 4 juni 2025 enerzijds en 31 juli 2025 anderzijds met elkaar verweven zijn. In de beschikking van 31 juli 2025 (die niet door een combinatie is gewezen, waarin mr. De Jongh zitting had) zijn beslissingen aan de orde die direct doorwerken in de schadeloosstellingsprocedure, in welke zaak als gezegd mr. De Jongh wel deel uitmaakt(e) van de combinatie. Bovendien betrof de (mede namens mr. De Jongh genomen) beslissing van de OK op 18 februari 2026 – dus daags na de post door mr. De Jongh op LinkedIn – de afwijzing van het verzoek van CG om het debat in de schadeloosstellingsprocedure te heropenen vanwege - kort gezegd - het in de uitspraak van de rechtbank van 5 februari 2026 geconstateerde bedrog.\n\n3.9.. \n\nCG wijst terecht erop dat deze gang van zaken niet in overeenstemming is met de NVvR-rechterscode 2026, waarin onder 2.3 (onder andere) wordt bepaald dat rechters zich niet in het openbaar uitlaten over hun eigen zaken of over zaken van collega’s. Uitzonderingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld in het kader van onderwijs of voorlichting, maar ook dan is de rechter zich bewust van de noodzaak terughoudend te zijn.\n\nTerughoudendheid in deze zin is (ook) vanuit wrakingsperspectief geboden, omdat een uitlating in het openbaar het gevaar in zich draagt dat zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.\n\n3.10.. \n\nMr. De Jongh voert aan dat hij met zijn opmerking: “De Ondernemingskamer wees eerder een herroepingsverzoek in Conservatrix af. Oordeel zelf”,slechts de rechtspraktijk heeft willen wijzen op het verschil tussen de uitspraken van de OK en de rechtbank en heeft uitgenodigd tot inhoudelijke kritiek op rechtbank én OK. Volgens mr. De Jongh nam hij dus niet deel aan het debat, maar nodigde hij slechts uit tot debat.\n\nCG heeft daarentegen het standpunt ingenomen dat de post een reactie vormde op het hierboven vermelde bericht van [naam 4] en het artikel in het FD. De suggestie is daarmee volgens CG gewekt dat mr. De Jongh met zijn post en de opmerking “Oordeel zelf” bedoelde tegengas te geven tegen de daarin besproken beschikking van de rechtbank.\n\nDe wrakingskamer overweegt dat mr. De Jongh een link heeft gepost naar een uitspraak van de OK, terwijl hij zelf deel uitmaakt van de OK. Ook al maakte mr. De Jongh zelf niet deel uit van de combinatie die deze uitspraak deed, is de wrakingskamer van oordeel dat met de uitnodiging van mr. De Jong , met name gelet op de sterke verwevenheid van deze uitspraak met de schadeloosstellingsprocedure waarbij hij wel betrokken is, objectief de schijn kan zijn gewekt dat hij die uitspraak onderschrijft. Daarbij acht de wrakingskamer van belang dat het bericht van [naam 4] aan de orde stelde dat toezichthouders in korte tijd twee keer (ernstig) op de vingers zijn getikt. De wijze waarop mr. De Jongh zijn bericht heeft geformuleerd, waarbij het gaat om het gebruik van de woorden “Oordeel zelf” na de opmerking dat de OK eerder een herroepingsverzoek “in Conservatrix” afwees, kan in deze context objectief gezien als tegenwicht worden opgevat en kan daarmee als niet neutraal worden geïnterpreteerd.\n\n3.11.. Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden komt de wrakingskamer tot de vaststelling dat de vrees objectief gerechtvaardigd is dat mr. De Jongh ten aanzien van de hoofdzaak (de schadeloosstelingsprocedure) vooringenomen is. De wrakingskamer benadrukt dat hiermee niet is uitgesproken dat mr. De Jongh daadwerkelijk (subjectief) partijdig is, maar dat onder de beschreven omstandigheden voor de externe waarnemer objectief beschouwd de schijn van partijdigheid kan zijn gewekt. Het verzoek tot wraking zal daarom worden toegewezen.\n\n3.12.. De tweede wrakingsgrond betreffende mr. De Jongh met betrekking tot het feit dat zijn broer als partner bij het advocatenkantoor A&O werkzaam is, kan daarmee buiten bespreking blijven.\n\nMr. Vink\n\n3.13.. De wrakingsgrond ten aanzien van mr. Vink houdt in - zoals hiervoor onder 2.1 uiteengezet - dat, nu er gegronde vrees bestaat om te twijfelen aan de onpartijdigheid en objectiviteit van mr. De Jongh , dit ook raakt aan de onpartijdigheid en objectiviteit van mr. Vink . Mr. Vink heeft namelijk in zijn hoedanigheid van voorzitter van de combinatie omtrent de ten aanzien van mr. De Jongh naar voren gebrachte wrakingsgronden reeds standpunten ingenomen, zoals allereerst blijkt uit zijn reactie aan CG van 2 april 2026 op de klachtbrief van CG van 13 maart 2026 aan het gerechtsbestuur van het hof. Daarnaast blijkt zulks uit de e-mail van eveneens 2 april 2026, waarin namens mr. De Jongh wordt ingegaan op zijn bericht op LinkedIn en op het feit dat zijn broer als partner bij A&O werkzaam is. CG leidt uit deze berichten af dat mr. Vink het door mr. De Jongh op LinkedIn geplaatste bericht kennelijk evenmin ontoelaatbaar acht. Ook heeft het feit dat de broer van mr. De Jongh bij A&O werkzaam is, niet ertoe geleid dat mr. Vink tot een wijziging van de combinatie is overgegaan.\n\n3.14.. Om met dat laatste te beginnen: het is niet aan mr. Vink in zijn hoedanigheid van voorzitter van de OK dan wel van de combinatie die over een zaak oordeelt, om te bepalen of leden van die combinatie zich wel of niet zouden moeten verschonen. Het is aan de individuele raadsheren zelf om te bepalen of zij vrij staan een zaak te behandelen en aldus deel uit te (blijven) maken van de combinatie die op de zaak zit.\n\n3.15.. Wat betreft de e-mail van 2 april 2026, waarin de secretaris van de OK ingaat op de uitlatingen van mr. De Jongh op LinkedIn, stelt de wrakingkamer voorop dat deze e-mail namens mr. De Jongh is geschreven. De bedoelde passage luidt: “ Mr. De Jongh meent overigens dat het feit dat hij op LinkedIn heeft verwezen naar een herroepingsbeschikking van de Ondernemingskamer evenmin afbreuk doet aan zijn rechterlijke onpartijdigheid. Dat bericht behelsde immers niet meer dan een neutrale verwijzing naar een uitspraak in een op zichzelf staande procedure waarbij hij niet betrokken was. Mr. De Jongh geeft regelmatig voorlichting over rechtspraak van de Ondernemingskamer, onder meer in vakpublicaties, cursussen, hoorcolleges, op congressen en op social media. Dat is hier niet anders.”Uit niets blijkt dat deze e-mail van de hand van mr. Vink is geweest dan wel dat daarin het standpunt van mr. Vink wordt weergegeven.\n\n3.16.. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat bedoelde e-mail geen zwaarwegende reden vormt om aan te nemen dat mr. Vink vooringenomenheid koestert ten aanzien van CG of haar standpunten in de hoofdzaak, laat staan van een objectief gerechtvaardigde vrees van CG voor vooringenomenheid van mr. Vink . Bijkomende feiten en omstandigheden die een dergelijke vrees wel kunnen rechtvaardigen, zijn niet gebleken. Dat mr. Vink in het kader van zijn verweer in de wrakingsprocedure heeft aangegeven dat hij geen moeite heeft met het LinkedIn bericht van mr. De Jongh is niet zo’n bijkomende omstandigheid.\n\n3.17.. Een en ander leidt tot de volgende beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe wrakingskamer:\n\n- wijst het verzoek tot wraking van mr. J.M. de Jongh toe;\n\n- wijst het verzoek tot wraking van mr. A.W.H. Vink af;\n\n- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt gezonden aan CG, de raadsheren en de Staat.\n\nDeze beslissing is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. A.R. Sturhoofd en mr. J.F. Aalders, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1353","2026-07-13T00:29:00.338Z",{"id":109,"ecli":110,"slug":111,"caseNumber":28,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":112,"summary":28,"language":7,"source":46,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":49,"updatedAt":114},"1335","ECLI:NL:RBAMS:2026:6753","ecli-nl-rbams-2026-6753","RECHTBANK AMSTERDAMWrakingskamer\n\nBeslissing op het onder rekestnummer C\u002F13\u002F787977 HA RK 26-180 ingeschreven verzoek van:\n\nmr. C.C.J. Maas - van Es, strafrechter bij de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter.\n\n1. Verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij de afdeling Publiekrecht, team strafrecht van de rechtbank te Amsterdam is onder parketnummer [nummer] een zaak aanhangig tegen [naam] als veroordeelde, bijgestaan door mr. T.H.L. Kneepkens. als raadsman.\n\n2. Het verzoek\n\n2.1.. Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat een procesdeelnemer onderdeel uitmaakt van de persoonlijke kenniskring van de rechter, nu de raadsman van de veroordeelde een buurman is van de rechter.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Op grond van het bepaalde in artikel in artikel 518 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) dient in een verschoningsprocedure te worden beslist of er sprake is van de in artikel 512 Sv genoemde feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit voormelde bepaling valt af te leiden dat de behandeling van een verschoningsverzoek, anders dan de behandeling van een wrakingsverzoek, niet ter terechtzitting behoeft plaats te vinden. De rechtbank zal daarom zonder mondelinge behandeling een beslissing nemen op het verzoek.\n\n3.2.. Verschoning is een middel ter verzekering van (het vertrouwen in) de rechterlijke onpartijdigheid.\n\n3.3.. Gelet op hetgeen de rechter heeft aangevoerd, te weten dat de raadsman van de veroordeelde een buurman is van de rechter en de rechter dient te oordelen over advocaatkosten op basis van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering, is de Wrakingskamer van oordeel dat sprake is van zodanige omstandigheden dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.\n\n4. Op grond van het vorenstaande wordt beslist als volgt.\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het verzoek tot verschoning toe;\n\n- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 518, tweede lid Sv wordt toegezonden aan:\n\nde raadsman van verdachte, mr. T.H.L. Kneepkens;\n\nde rechter;\n\nde officier van justitie mr. P. van Laere.\n\nAldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, M.V. Ulrici en I.A. Bilderbeek, leden, op 19 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6753","2026-07-13T00:29:16.483Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":28,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":119,"summary":28,"language":7,"source":46,"sourceUrl":120,"sourceTimestamp":121,"parsedAt":49,"updatedAt":122},"1337","ECLI:NL:RBAMS:2026:5032","ecli-nl-rbams-2026-5032","RECHTBANK AMSTERDAMWrakingskamer\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F786380 \u002F HA RK 26-130\n\nProces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de wrakingskamer van 19 mei 2026 op het verzoek van:\n\n [naam 1], verzoekster,\n\ngemachtigde [naam 2],\n\nwelk verzoek strekt tot wraking van mr. A.D. Belcheva, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter. De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.\n\nTegenwoordig zijn:\n\nmr. S.P. Pompe, voorzitter,\n\nmrs. N.C.H. Blankevoort en J.H.J. Evers, rechters en\n\nmr. K.P.M. Smeets, griffier.\n\n Verzoekster heeft, via haar gemachtigde, op 10 april 2026 een wrakingsverzoek ingediend. Het verzoek ziet op de wijze waarop de rechter de zaak van verzoekster (met kenmerk AMS 25 \u002F4754 WIA) op de zitting van 8 april 2026 heeft behandeld. Op 26 april 2026 heeft de gemachtigde van verzoekster het verzoek (‘de grieven’) schriftelijk aangevuld. De rechter heeft in een schriftelijke reactie laten weten niet in de wraking te berusten en daarbij een toelichting gegeven op het verloop van de zitting.\n\nHet verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026. Nadat verzoekster en de rechter hun standpunt hebben toegelicht en vragen van de wrakingskamer hebben beantwoord, is de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de wrakingskamer bij monde van de voorzitter mondeling uitspraak gedaan.\n\nDe beoordeling van het verzoek\n\nVerzoekster heeft in 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 14 september 2023 is die aanvraag geweigerd. Het bezwaar van verzoekster tegen dit besluit is door het UWV (hierna: verweerder) niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 5 juni 2025 heeft verzoekster om heroverweging van de beslissing van 14 september 2023 verzocht. Bij besluit van 8 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard.\n\nOp 8 april 2026 heeft de rechter het beroep van verzoekster tegen het besluit van verweerder van 8 juli 2025 behandeld. Dit besluit heeft verweerder tijdens de beroepsfase ingetrokken. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat het bezwaar van verzoekster bij nader inzien wordt aangemerkt als een herzieningsverzoek van het besluit van 8 juli 2025.\n\nVerzoekster heeft haar beroep echter gehandhaafd, omdat de intrekking volgens haar niet wegneemt dat het oorspronkelijke besluit rechtsgevolgen heeft gehad, nu zij genoodzaakt was beroep in te stellen en daarvoor kosten te maken.\n\nDe rechter heeft toegelicht dat zij, omdat het bestreden besluit inmiddels was ingetrokken, moest beoordelen of er procesbelang bij verzoekster bestond en ook of voldaan was aan de vereisten voor een proceskostenvergoeding. Zij heeft toegelicht dat zij geen redenen zag om al tijdens de zitting een oordeel te geven over de vraag of verweerder misbruik van recht heeft gemaakt of het recht op een eerlijk proces heeft geschonden door hangende het beroep het bestreden besluit in te trekken, het verzoek van verzoekster te kwalificeren als herzieningsverzoek en dat in een primaire procedure te beoordelen, zodat verzoekster geen (bezwaar) instantie miste. Het stond partijen vrij om desgewenst daarop te reageren.\n\nIn zijn arrest van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.\n\nHet bezwaar van verzoekster betreft allereerst de omstandigheid dat de rechter niet heeft willen vaststellen dat sprake was van misbruik van recht, doordat verweerder de bestreden beslissing, hangende de beroepsprocedure heeft ingetrokken. De rechter had haar rechterlijke discretie moeten gebruiken en de belangen van verzoekster moeten meewegen. De open normen van het bestuursrecht bieden daar ook ruimte voor, aldus verzoekster.\n\nEen rechterlijke beslissing kan echter geen grond voor wraking opleveren zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest. Dat geldt des te meer voor het nog niet beslissen of opschorten van een oordeel.\n\nVoorts verwijt verzoekster de rechter dat zij verweerder te veel ruimte heeft geboden en dat zij te lijdelijk is geweest. Ook besteedde de rechter volgens verzoekster verhoudingsgewijs veel tijd aan het vaststellen van de proceskostenvergoeding en stelde zij veel vragen over de werkzaamheden van de gemachtigde.\n\nDe rechter voert de regie bij een mondelinge behandeling. De wijze waarop een rechter die regie voert staat in beginsel niet ter beoordeling aan de wrakingskamer. De rechter heeft ook toegelicht dat zij nog geen oordeel heeft gegeven over het herzieningsverzoek en evenmin over de zaak van verzoekster. De rechter was verder gehouden om te onderzoeken of de gemachtigde van verzoekster als een professionele derde in aanmerking kwam voor een proceskostenvergoeding. Andere feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waaruit de objectieve schijn van partijdigheid zou kunnen blijken, zijn gesteld noch gebleken.\n\nHet wrakingsverzoek is daarom ongegrond en wordt afgewezen.\n\nBESLISSING:\n\nwijst het verzoek af.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026 door:\n\nmrs. S.P. Pompe, voorzitter,\n\nN.C.H. Blankevoort en J.H.J. Evers, leden,\n\nin aanwezigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,\n\nschriftelijk vastgesteld op 22 mei 2026, en ondertekend door de voorzitter en griffier.\n\nTegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 8:18 Awb, zesde lid, geen voorziening open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5032","2026-05-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:16.577Z",20]