[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-landlord-tenant-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":122},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},88,"landlord-tenant-nl","Landlord and Tenant","NL","2026-07-08T16:55:44.370Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2026-03-31T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,38,41,45,48,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122306","Burgerlijk Wetboek","art. 7:267 lid 3",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122307","art. 7:268 lid 2",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122308","art. 7:267",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122309","art. 7:268 lid 1",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"122310","art. 7:268",{"provisionId":39,"code":23,"article":40,"count":25},"122311","art. 7:267 lid 1",{"provisionId":42,"code":43,"article":44,"count":25},"122701","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 224 lid 1",{"provisionId":46,"code":43,"article":47,"count":25},"122702","art. 224 lid 2",{"provisionId":49,"code":43,"article":50,"count":25},"122703","art. 353 lid 1",{"provisionId":52,"code":43,"article":53,"count":25},"122704","art. 353 lid 2",[55,66,75,83,90,98,106,114],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":65},"503","ECLI:NL:RBAMS:2026:6701","ecli-nl-rbams-2026-6701","","vonnis\n\nRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer: 11957110 CV EXPL 25-15517\n\nvonnis van: 3 juli 2026\n\nfno.: 454\n\nvonnis van de kantonrechter\n\nI n z a k e\n\n [eiser] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neiser,\n\nnader te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. A.E. Smink (DAS),\n\nt e g e n\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde sub 1.,\n\nnader te noemen: [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde sub 2.,\n\nnader te noemen: [gedaagde 2] ,\n\ngedaagden gezamenlijk te noemen: [gedaagden] ,\n\ngemachtigde: mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 22 oktober 2025, met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord van [gedaagden] met bijlagen;\n\nhet instructievonnis van 19 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;\n\nde dagbepaling mondelinge behandeling.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor [gedaagden] is dhr. [naam] (bestuurder van de Stichting MOY) verschenen met de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mr. Smink heeft een pleitnota voorgedragen en partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is daarvoor een datum bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\n [gedaagde 2] is eigenaar van het pand aan de [adres] .\n\nIn het pand worden twee onzelfstandige woonruimtes en vier zelfstandige\n\nWoonruimtes verhuurd.2.2.. De [bedrijf] was beheerder van het onroerend goed van [gedaagde 2] was (middellijk) bestuurder van de Stichting, totdat hij het bestuur van de Stichting heeft overgedragen aan zijn zoon, die zich op 16 september 2024 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) heeft ingeschreven als bestuurder van de Stichting.2.3.. Tussen de Stichting als verhuurder en [eiser] als huurder is op 21 augustus 2023 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot onzelfstandige woonruimte [adres] . De overeengekomen huurprijs is € 1.375,00 per maand, exclusief € 150,00 aan voorschot voor de door de Stichting te verzorgen levering voor gas, water en elektra en € 75,00 aan servicekosten. [eiser] heeft op 30 november 2023 de huurcommissie verzocht om uitspraak te doen over de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs.\n\n2.4.. De huurcommissie heeft op 19 februari 2024 uitspraak gedaan en geoordeeld dat een huurprijs van € 448,52 per maand met ingang van 21 augustus 2023 redelijk is. Verder is de huurprijs tijdelijk verlaagd tot € 179,41 per maand wegens ernstige gebreken.2.5.. De Stichting is bij dagvaarding van 25 april 2024 een procedure (met kenmerk CV EXPL 24-5715) gestart tegen [eiser] en heeft daarin vernietiging van de uitspraak van de Huurcommissie gevorderd. In reconventie heeft [eiser] terugbetaling van de onverschuldigd betaalde huur over de periode 21 augustus 2023 tot en met juni 2024 ter hoogte van € 12.389,51 gevorderd, alsmede € 1.195,59 per maand vanaf juli 2024, vermeerderd met rente.2.6.. \n [eiser] heeft tot en met juli 2024 de overeengekomen huur van € 1.375,00 betaald Vanaf 1 augustus 2024 heeft hij maandelijks € 179,41 aan huur betaald aan de Stichting.2.7.. Op 1 oktober 2024 heeft [gedaagde 1] als bestuurder van de Stichting aan de KvK opgave gedaan van de ontbinding van de Stichting. De ontbinding is op 10 oktober 2024 geregistreerd in de KvK “omdat er geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 01-10-2024.”2.8.. Op 4 november 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de door de Stichting gestarte procedure met kenmerk CV EXPL 24-5715. Op 3 december 2024 heeft de kantonrechter te Amsterdam vonnis gewezen en is de vordering van de Stichting in conventie afgewezen en de vordering van [eiser] in reconventie tot betaling van € 12.389,51 aan onverschuldigd betaalde huur over de periode 21 augustus 2023 tot en met juni 2024 toegewezen. Voorts is de Stichting veroordeeld tot betaling van de teveel betaalde huur van € 1.195,59 vanaf 1 juli 2024 en betaling van de proceskosten van in totaal € 879,50.2.9.. Bij e-mail van 27 maart 2025 heeft [gedaagde 1] als reactie op een verzonden sommatie van de gemachtigde van [eiser] bericht dat de Stichting is geliquideerd en dat de Stichting Refam Vastgoedbeheer & Huurgelden de nieuwe verhuurder van [eiser] is.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] heeft in de dagvaarding veroordeling van [gedaagden] gevorderd tot betaling van € 13.310,03, vermeerderd met rente vanaf datum verzuim en betaling van de incassokosten van € 1.089,80. Voorts vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] als formeel bestuurder en [gedaagde 2] als feitelijk, respectievelijk indirect formeel bestuurder persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] . Ter zitting heeft [eiser] de vordering verminderd tot het bedrag € 12.054,16 (€ 13.310,03 -\u002F- € 1.255,87, te weten 7 maanden huur ad € 179,41 over de periode november 2024 tot en met mei 2025).\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vordering kort gezegd ten grondslag dat hij de vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde huur, die door de kantonrechter bij vonnis van 3 december 2025 tegen de Stichting is toegewezen, kan verhalen op [gedaagden] omdat [gedaagde 1] als bestuurder en [gedaagde 2] als feitelijk\u002Findirect bestuurder van de Stichting zijn verhaalsmogelijkheden op onrechtmatige wijze hebben gefrustreerd. Volgens [eiser] bestaat de onrechtmatige daad uit het ten onrechte plegen van een turboliquidatie. De Stichting is geliquideerd terwijl er nog baten aanwezig waren. Het heeft er volgens [eiser] alle schijn van dat [gedaagde 2] door middel van ingewikkelde constructies met rechtspersonen een rookgordijn probeert op te werpen om zo zijn betalingsverplichtingen te ontlopen, aldus [eiser] .\n\n3.3.. \n [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Tussen partijen is in geschil of – zoals [eiser] stelt, maar [gedaagden] hebben betwist – [gedaagden] misbruik maken van identiteitsverschil tussen hen in persoon en verschillende rechtspersonen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van misbruik van identiteitsverschil is het door de Hoge Raad op 13 oktober 2000 gewezen Rainbow-arrest richtinggevend (ECLI:NL:HR:2000:AA7480). De in dit arrest verwoorde maatstaf is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2285).\n\n4.2.. De Hoge Raad heeft in het Rainbow-arrest vooropgesteld dat door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet hoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal volgens de Hoge Raad in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, maar ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst, rechtens moet worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. Van een dergelijk misbruik van identiteitsverschil kan ook sprake zijn indien iemand een goed waarvan hij alle voordelen geniet met gebruikmaking van dat identiteitsverschil buiten zijn vermogen brengt of houdt zonder daarmee een zelfstandig belang van de betrokken rechtspersoon of -personen te dienen, maar uitsluitend met het oogmerk dat goed aan verhaal van zijn crediteuren te onttrekken (vgl. Hoge Raad 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6445, Stichting Waaldijk\u002FAerts q.q.).\n\n4.3.. Vaststaat dat [gedaagde 2] , dan wel zijn persoonlijke holding, eigenaar is van het pand, dat [gedaagde 2] (middellijk) bestuurder was van de Stichting en dat de Stichting de woning aan [eiser] heeft verhuurd. [gedaagden] voert wel aan dat de Stichting het verhuurrecht heeft, maar dit strookt niet met zijn stelling dat de Stichting geen activa heeft en daarom is geliquideerd. [gedaagde 1] heeft daarbij verwezen naar de door hem overgelegde brief van 5 oktober 2023 van de Belastingdienst (productie 1 bij de conclusie van antwoord) waarin is vermeld: “Uit uw antwoorden blijkt dat de stichting of vereniging niet meer actief is. Er is dan ook geen sprake van belastingplicht”. In 2023 was [gedaagde 2] zelf bestuurder van de Stichting. Uit deze brief wordt dan ook afgeleid dat [gedaagde 2] in 2023 niet aan de belastingdienst heeft medegedeeld dat de Stichting verhuurder is van zijn pand. [gedaagden] voert nog aan dat [gedaagde 2] de Stichting in 2002 heeft opgericht om zijn zakelijke belangen op afstand te zetten, maar gesteld noch gebleken is dat hij het verhuurrecht van het pand ook daadwerkelijk aan de Stichting heeft overgedragen. Vanaf 1 maart 2013 was het doel van de Stichting volgens het register van de Kamer van Koophandel weliswaar het exploiteren van onroerend goed, maar ook daaruit blijkt niet dat de Stichting dit op eigen naam heeft gedaan. Nu de Stichting gedurende de huurovereenkomst met [eiser] (en ook overigens met de andere huurders van het pand) is geliquideerd bij gebrek aan baten, kan dan ook niet anders worden geconcludeerd dan dat de Stichting enkel op last van [gedaagde 2] als verhuurder is opgetreden.\n\n4.4.. Door hierover niet duidelijk te communiceren en sterker, door de Stichting zich te laten voordoen als verhuurder op eigen naam en titel, heeft [gedaagde 2] misbruik gemaakt van het entiteitsverschil. [gedaagde 2] had in ieder geval bij de procedure bij de Huurcommissie duidelijk moeten maken dat niet de Stichting, maar hij de daadwerkelijke verhuurder was. Nu hij dit niet heeft gedaan, zich met terugwerkende kracht heeft laten uitschrijven als bestuurder, zijn zoon heeft laten inschrijven en vervolgens de Stichting heeft (laten) ontbinden, terwijl hij zelf al die tijd het verhuurrecht heeft gehouden en vervolgens een andere stichting (Stichting REFAM Vastgoedbeheer & Huurgelden) naar voren heeft geschoven als verhuurder, heeft [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld omdat zijn handelen kennelijk het doel had om verhaal van [eiser] op de Stichting onmogelijk te maken.\n\n4.5.. \n [gedaagde 1] was formeel bestuurder met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 en hij heeft de liquidatie daadwerkelijk uitgevoerd. Hoewel de liquidatie niet in strijd met de wet hoeft te zijn als de Stichting daadwerkelijk geen baten had (waar het op lijkt), maar dan had de Stichting zich niet ook jegens [eiser] moeten voordoen als daadwerkelijk verhuurder, wat zij wel tegelijkertijd deed in de procedure over de huurprijs. Het vonnis van 3 december 2024 is uitgesproken na de liquidatie zodat het doel van de turboliquidatie niet anders kan worden opgevat om er voor te zorgen dat [eiser] misleid werd en geen verhaal meer kon halen op de Stichting. De beslissing van de Huurcommissie was vanaf 19 februari 2024 bekend en vanaf dat moment wist [gedaagde 1] dan ook dat [eiser] een vordering tegen de Stichting had uit hoofde van onverschuldigde betaling. Het doen eindigen van de ondernemingsactiviteiten van de Stichting en het doen voortzetten van dezelfde activiteiten door Stichting Refam Vastgoedbeheer & Huurgelden, zonder daarbij de daadwerkelijke verhuurder, te weten [gedaagde 2] , kenbaar te maken, had ook geen ander oogmerk dan [eiser] te benadelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er van uit wordt gegaan dat [gedaagde 1] gelet op de familieband, op de hoogte was van de werkelijke constructie. Een dergelijke op benadeling van een schuldeiser gerichte handelwijze van [gedaagde 1] is, net als die van zijn vader, onrechtmatig.\n\n4.6.. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat gelet op de aard en ernst van de normschending en alle omstandigheden van het geval dat ter zake van de benadeling van [eiser] aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij zijn dan ook beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] daardoor leidt. De gevorderde verklaringen voor recht worden daarom toegewezen. Voor wat betreft de servicekosten geldt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als feitelijk en formeel bestuurders ook voor terugbetaling van deze kosten aansprakelijk kunnen worden gehouden omdat hiervoor is geoordeeld dat sprake is van een ernstig persoonlijk verwijt omdat zij een rookgordijn hebben gecreëerd. De hoofdsom (inclusief servicekosten) is dan ook toewijsbaar. De gevorderde rente is gegrond op de wet en zal vanaf datum dagvaarding worden toegewezen.\n\n4.7.. \n [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden.\n\n4.8.. \n\n [gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Deze kosten zijn als volgt opgebouwd:\n\ndagvaardingskosten € 147,47 griffierecht € 732,00\n\nsalaris gemachtigde € 864,00 (2 punten x € 432,00)\n\nnakosten € 144,00 te vermeerderen met de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing\n\n ------------------ +\n\n € 1.887,47 in totaal\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. verklaart voor recht dat [gedaagden] persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] ;\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan [eiser] € 12.054,16 aan hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2025 tot aan dag van voldoening alsmede € 1.098,80 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.887,47 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na datum van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6701","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:33.787Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":64,"updatedAt":74},"1872","ECLI:NL:RBAMS:2026:6408","ecli-nl-rbams-2026-6408","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12010097 \\ CV EXPL 25-17175\n\nVonnis van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verhuurster],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij in conventie,\n\ngedaagde partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: [verhuurster] ,\n\ngemachtigde: mr. J. Kouvarnta,\n\ntegen\n\n [huurder],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: [huurder] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Wervenbos (DAS)\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties,\n\n- de conclusie van antwoord met producties,\n\n- het tussenvonnis van 13 maart 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de dagbepaling mondelinge behandeling.\n\nVoorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [huurder] nog nadere producties in het geding gebracht. [verhuurster] heeft een conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie met nadere producties ingediend.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verhuurster] en [huurder] zijn verschenen met hun gemachtigden. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Beide gemachtigden hebben het woord gevoerd, onder meer aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.\n\n1.3.. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verhuurster] is eigenaresse van de woning aan het [adres] (hierna: de woning). Haar hypotheeklasten voor deze woning zijn thans € 641,42 bruto per maand.\n\n2.2.. \n [verhuurster] verhuurt deze woning sinds september 2016 aan [huurder] . [verhuurster] is op dat moment ingetrokken bij haar toenmalige echtgenoot. Omdat partijen het nooit eens zijn geworden over de huurcondities is de huurovereenkomst niet op schrift gesteld.\n\n2.3.. De huidige huurprijs voor de woning bedraagt € 1.177,00 per maand.\n\n2.4.. \n\nBij e-mailbericht van 4 maart 2023 heeft [huurder] [verhuurster] als volgt geïnformeerd: “(…) In het onderstaande verzoek herhaalde ik de reden waarom ik niet graag reparatieverzoeken aan jou stuur. Deze reden had ik telefonisch ook al met je gedeeld. De reden is omdat je vaker beloofd dingen op te lossen maar vervolgens niks (…) doet. (Zoals ‘het dossier’ lekkage en schimmelvorming van de badkamer en keuken dat inmiddels ruim 4,5 jaar duurt en waarvan de herstelwerkzaamheden nog steeds niet af zijn). (…). Ik informeer je alvast dat het uitblijven van een schriftelijke inhoudelijke reactie via email (…) en\u002Fof concrete oplossingen zal leiden tot de noodzaak om jou als verhuurder formeel in gebreke te stellen. Tevens kan een deel van de maandelijkse huur, ingaande bij de huur van de maand april 2023, tijdelijk worden ingehouden omdat verhuurder niet aan haar onderhoudsverplichtingen voldoet. (…).”\n\nOp 3 april 2023 en 30 mei 2023 heeft [huurder] opnieuw e-mailberichten naar [verhuurster] gestuurd waarin hij refereert aan gebreken in de woning.\n\n2.5.. Met ingang van 1 mei 2023 heeft [huurder] 20% van de huur ingehouden wegens door hem ervaren vocht- en schimmelgebreken in de woning.\n\n2.6.. Op 16 januari 2025 heeft [verhuurster] [huurder] bericht dat zij de huurovereenkomst wenste te beëindigen, omdat zij vanwege een naderende echtscheiding zelf de woning weer wilde betrekken. [huurder] heeft [verhuurster] op 15 mei 2025 bericht dat hij daaraan niet wil meewerken.\n\n2.7.. Op 9 september 2025 heeft [verhuurster] de huurovereenkomst met [huurder] opgezegd tegen 1 april 2026 op grond van dringend eigen gebruik. Op 10 september 2025 is de echtscheiding tussen [verhuurster] en haar toenmalige echtgenoot uitgesproken. Bij brief van 4 november 2025 heeft [huurder] [verhuurster] bericht dat hij niet instemt met de opzegging van de huurovereenkomst.\n\n2.8.. \n\nPer brief van 26 februari 2026 heeft de gemeente Amsterdam aan de beheerder van de VvE (die de gezamenlijke belangen van alle appartementen in het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt, behartigt) bericht dat melding is gemaakt van vocht- en schimmelproblemen in de woning en dat daarom een inspectie in de woning is uitgevoerd. Als bijlage bij de brief is een voorzieningenlijst meegezonden waarin onder meer het volgende staat vermeld:\n\n“(…)\n\nHet aanwezige vocht in de woning condenseert op het plafond van de badkamer, gang en woonkamer met schimmelvorming tot gevolg. Zwarte schimmel is giftig en is daardoor een gevaar voor de gezondheid van personen. De schimmel moet worden verwijderd en het ontstaan van schimmel moet worden voorkomen, (art. 3.5 Bbl).\n\n(…)\n\nDe ventilatievoorziening in de badkamer heeft onvoldoende capaciteit (de gemeten waarde is 0,0 liter per seconde). Daardoor ontstaat een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Er moet een ventilatievoorziening met een afvoercapaciteit van ten minste 14 liter per seconde worden aangebracht, waarbij de afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten plaatsvindt. Dit kan gerealiseerd worden met een mechanische ventilatie, dan wel een oplossing hieraan gelijkwaardig.\n\n(…).”\n\nVerder staat daarin, voor zover hier van belang, ook vermeld dat in de kleine slaapkamer en op de kozijnen van de grote slaapkamer schimmel is geconstateerd. In de brief is de beheerder verzocht\u002Fgesommeerd om tot herstel van de geconstateerde gebreken over te gaan.\n\n2.5.. \n [huurder] heeft een inkomen van ruim € 6.000,00 netto per maand uit vast dienstverband. Daarnaast verricht hij af en toe tegen betaling werkzaamheden als zzp-er. [huurder] heeft een nieuwbouwwoning in [plaats 1] gekocht. Deze woning wordt naar verwachting medio 2027 opgeleverd.\n\n2.6.. \n [verhuurster] heeft een WW-uitkering van € 2.694,38 die binnenkort tot een einde komt. Als zij op dat moment nog geen baan heeft, zal zij daarna een beroep moeten doen op een bijstandsuitkering als zij daarvoor in aanmerking komt. Zij heeft een stacaravan gehuurd in [plaats 2] waarin zij tot en met mei tegen gereduceerde kosten mag verblijven.\n\n3. De vorderingen en het verweer in conventie\n\n3.1.. \n [verhuurster] vordert in conventie - samengevat - dat de kantonrechter de huurovereenkomst met betrekking tot de woning ontbindt en dat [huurder] wordt veroordeeld tot ontruiming daarvan. Verder vordert zij dat [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van € 9.386,70 aan achterstallige huurpenningen en een maandelijkse gebruiksvergoeding gelijk aan de laatstelijk verschuldigde huur vanaf het moment van ontbinding tot de daadwerkelijke ontruiming, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en de proceskosten.\n\n3.2.. \n [verhuurster] legt aan haar vordering kort gezegd ten grondslag dat zij de woning vanwege haar echtscheiding en financiële situatie dringend nodig heeft voor eigen bewoning (artikel 7:274 lid 1 sub c BW) en dat haar belangen bij beëindiging van de huurovereenkomst zwaarder wegen dan de belangen van [huurder] bij voortduring daarvan. [verhuurster] heeft nauwelijks inschrijfverleden voor een sociale huurwoning en onvoldoende inkomen voor een huurwoning in de vrije sector. Bovendien heeft zij een hond die zij onderdak moet geven. [huurder] beschikt over voldoende inkomen voor een woning in de vrije sector en uit overgelegde advertenties blijkt dat voor hem passende woonruimte elders te verkrijgen is. Vanaf 30 april 2023 betaalt [huurder] niet de volledige huurprijs waardoor een achterstand is ontstaan.\n\n3.3.. \n [huurder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Volgens [huurder] heeft [verhuurster] de door haar gestelde dringendheid onvoldoende onderbouwd. De door haar gestelde omstandigheden zijn algemeen van aard en onvoldoende toegespitst op een actuele en concrete noodzaak tot bewoning van de woning. Het tijdverloop tussen de echtscheiding en de gevraagde huurbeëindiging per 1 april 2026 onderstrepen dat. Verder ontbreken controleerbare inkomens- en vermogensgegevens van [verhuurster] en is niet aannemelijk gemaakt dat zelfbewoning van de woning de enige reële oplossing is voor haar omstandigheden. Er is onvoldoende toegelicht welke woonalternatieven [verhuurster] voor zichtzelf heeft onderzocht. Als al sprake zou zijn van een dringende situatie, dient een belangenafweging in het voordeel van [huurder] uit te vallen gelet op i) de langdurige\u002Fernstige gebreken die zijn huurgenot aantasten, ii) het concrete vooruitzicht op zijn verhuizing in 2027 en iii) de forse impact van een tussentijdse verhuizing. Door de lange looptijd van de huurovereenkomst is sprake van sociale inbedding in het flatgebouw en [huurder] is gebonden aan de omgeving vanwege zijn arbeidslocatie en medische behandelingen die hij ondergaat. [verhuurster] heeft verder niet aangetoond dat - gelet op de financiële en medische situatie van [huurder] - passende vervangende woonruimte voor [huurder] voor handen is. Van een huurachterstand is geen sprake. Sinds mei 2023 heeft [huurder] 20% op de huur ingehouden vanwege aanwezige vocht- en schimmelgebreken, waarvan hij [verhuurster] vanaf 2017 mededeling heeft gedaan. Verder zijn in 2024 en 2025 gebreken ontstaan aan keukenapparatuur en lekkages bij kozijnen en deuren. Omdat na melding hiervan herstel uitbleef, heeft [huurder] enkele noodzakelijke reparaties zelf uit laten voeren en de kosten begin 2025 met de huur verrekend.\n\n3.4.. \n\nVoor het geval de beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming worden toegewezen, maakt [huurder] in reconventie aanspraak op een forfaitaire verhuiskostenvergoeding van € 7.673,00. Verder vordert [huurder] , onvoorwaardelijk en na wijziging van eis, dat\n\ni) voor recht wordt verklaard dat de huurprijs met 20% mag worden verminderd vanaf 30 april 2023 tot het moment dat herstel van desbetreffende gebreken in de woning heeft plaatsgevonden, dan wel dat [verhuurster] wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens gederfd woongenot ter hoogte van de totaal toegepaste huurkorting van € 8.003,60, te vermeerderen met wettelijke rente;\n\nii) [verhuurster] wordt veroordeeld tot herstel van deze gebreken, zijnde lekkage-, vocht- en schimmelklachten en de daardoor ontstane gevolgschade, op straffe van verbeurte van een dwangsom en\n\niii) [verhuurster] wordt veroordeeld in de proceskosten.\n\n3.5.. \n [verhuurster] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in reconventie.\n\n3.6.. Op de stelling van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.\n\n4. De beoordeling in conventie en reconventie\n\n4.1.. Gelet op de samenhang worden de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk behandeld.\n\n4.2.. Beantwoord moet worden of [verhuurster] een geslaagd beroep kan doen op dringend eigen gebruik in de zin van artikel 7:274 lid 1 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van dat artikel kan de kantonrechter een vordering tot beëindiging van een huurovereenkomst - zoals de vordering van [verhuurster] wordt begrepen - toewijzen als de verhuurder aannemelijk maakt dat hij de woning zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik dat van hem niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd. De kantonrechter moet daarbij de belangen van partijen tegen elkaar afwegen. Verder moet blijken dat de huurder andere passende woonruimte kan krijgen.\n\nEr is sprake van dringend eigen gebruik\n\n4.3.. \n [verhuurster] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van dringend eigen gebruik, omdat zij zelf weer in de woning wil gaan wonen. Niet in geschil is dat de echtscheiding tussen [verhuurster] en haar ex-echtgenoot in november 2025 is uitgesproken en dat zij daardoor de door hen tot dat moment bewoonde woning moest verlaten omdat deze eigendom is van haar ex-echtgenoot. Zij heeft geen andere woonruimte ter beschikking, zodat zij vanaf het moment van de echtscheiding geen vaste verblijfplaats heeft. Zij heeft verbleven bij vrienden en verblijft op dit moment tijdelijk in een vakantiewoning in [plaats 2] . [huurder] heeft onvoldoende aangevoerd om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De dringendheid van het eigen gebruik van de woning door [verhuurster] staat daarmee voldoende vast. Dat [verhuurster] een opzegtermijn van zes maanden heeft gehanteerd doet daar niet af.\n\nDe belangen van [verhuurster] wegen zwaarder dan de belangen van [huurder]\n\n4.4.. Gelet op de duur van de huurovereenkomst ligt voor de hand dat [huurder] een band met de buurt heeft opgebouwd. Ook is duidelijk dat [huurder] een belang heeft om in de woning te kunnen wonen totdat zijn nieuwbouwwoning gereed is, zodat hij niet twee keer hoeft te verhuizen. Dit belang is echter niet van zodanig gewicht dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Tegenover het belang van [huurder] staat immers het belang van [verhuurster] om zo snel mogelijk in haar eigen woning te kunnen wonen. De nieuwbouwwoning van [huurder] wordt naar verwachting pas medio 2027 opgeleverd, zodat [verhuurster] gedurende die tijd elders zou moeten verblijven. Daarbij is van belang dat [verhuurster] voldoende onderbouwd heeft toegelicht dat zij thans leeft van een WW-uitkering waardoor zij financieel beperkt wordt om een andere passende woning te huren. De lasten daarvan zijn beduidend hoger dan de lasten van haar hypotheek. [huurder] heeft, gelet op zijn aanzienlijke inkomen, ruimere mogelijkheden voor het huren van een andere woning. Het door [huurder] aangevoerde argument dat dit hem dubbele woonlasten bezorgt (huur en hypotheekrente) gaat niet op. Dat is immers nu ook zo. [huurder] heeft verder gesteld dat hij vanwege zijn medische situatie (en behandelingen die hij moet ondergaan) en zijn werk gebonden is aan de locatie van de huurwoning. Deze stelling is echter in het geheel niet onderbouwd en valt niet te begrijpen tegen de achtergrond van het feit dat de door hem gekochte nieuwbouwwoning in [plaats 1] ligt. Aan die stelling wordt dan ook als ongemotiveerd voorbij gegaan. Evenmin valt in te zien waarom de aanwezigheid van gebreken in de woning het belang van [huurder] om daar te blijven wonen, onderstrepen. Het tegenovergestelde zou evengoed bepleit kunnen worden.\n\n4.5.. Samenvattend wegen de belangen van [verhuurster] bij dringend eigen gebruik van de woning zwaarder dan de belangen van [huurder] bij behoud van de woning. Van [verhuurster] kan in de gegeven omstandigheden niet worden gevergd dat de huurovereenkomst nog langer wordt voortgezet.\n\n [huurder] kan passende woonruimte verkrijgen\n\n4.6.. \n [verhuurster] heeft een overzicht van een aantal beschikbare huurwoningen in [locatie] overgelegd. Anders dan [huurder] heeft aangevoerd, valt niet in te zien waarom daaruit niet kan worden afgeleid dat passende woonruimte voor [huurder] beschikbaar is. Een concreet aanbod van een vervangende woning is niet vereist. [verhuurster] heeft dan ook - mede gelet op het inkomen van [huurder] en het feit dat hij alleenstaand is - aan haar stelplicht op dit punt voldaan. [huurder] heeft verder niet concreet betwist dat deze huurwoningen passend voor hem zouden kunnen zijn. Daarbij is van belang dat passende woonruimte niet gelijk hoeft te zijn aan de woning die [huurder] nu huurt. Ook woningen die bijvoorbeeld qua omvang of locatie een ander woongenot bieden dan de woning kunnen passend zijn. Gelet op het inkomen van [huurder] , geldt dit ook voor gelijkwaardige woningen met een hogere huurprijs. Hierbij speelt ook een rol dat vanwege (de medio 2027 verwachte oplevering van) de door [huurder] gekochte nieuwbouwwoning vervangende woonruimte slechts voor een beperkte duur noodzakelijk is, zodat aan de passendheid daarvan minder hoge eisen hoeven te worden gesteld. In dit verband weegt verder in het nadeel van [huurder] mee dat niet is gebleken dat hij zelf heeft geprobeerd om een andere woning te vinden, hij geen gebruik heeft gemaakt van het aanbod van [verhuurster] om van het netwerk van haar voormalige werkgever (een bedrijf dat bemiddelt bij de totstandkoming van huurovereenkomsten voor woonruimte) gebruik te maken voor het vinden van een andere huurwoning en hij de door een vriendin van [verhuurster] aan [huurder] aangeboden huurwoning heeft geweigerd. Aan het vereiste van andere passende woonruimte is in dit geval dan ook voldaan.\n\nEinde huurovereenkomst en ontruiming\n\n4.7.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep op dringend eigen gebruik slaagt. De vorderingen om een datum vast te stellen waarop de huurovereenkomst eindigt en de woning moet worden ontruimd, zullen daarom worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld. Nu geen sprake is van ontbinding van de huurovereenkomst en de opgezegde huurovereenkomst van rechtswege van kracht blijft, kort gezegd totdat de rechter daarover onherroepelijk heeft beslist, wordt de vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding afgewezen. [huurder] is op grond van de huurovereenkomst de huurprijs verschuldigd zolang hij het gehuurde niet heeft ontruimd.\n\nGebreken in de woning\u002Fhuurprijsvermindering\u002Fherstel\n\n4.8.. Het begrip gebrek als bedoeld in artikel 7:204 BW is voor woonruimte uitgewerkt in artikel 7:241 BW. Dat artikel verwijst naar het Besluit Gebreken (bijlage bij het Besluit huurprijzen woonruimte), door de huurcommissie uitgewerkt in het Beleidsboek Gebreken. Op grond van artikel 7:207 lid 1 BW kan een huurder in geval van vermindering van huurgenot door een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen.\n\n4.9.. Ter onderbouwing van de door hem gestelde gebreken heeft [huurder] verwezen naar de e-mailberichten van 4 maart 2023, 3 april 2023 en 30 mei 2023 (zie 2.4 hiervoor). Uit die e-mailberichten valt slechts op te maken dat [huurder] (voldoende concreet) heeft geklaagd over vocht- en schimmelproblematiek in de badkamer en de keuken. Andere gebreken aan de woning worden in die e-mailberichten niet, althans niet voldoende, toegelicht. [huurder] noemt daarin weliswaar nog de reparatie van een deur en microwave\u002Foven, maar niet wat daarmee mis is. Mogelijk heeft hij andere gebreken wel toegelicht in eerdere e-mailcorrespondentie met [verhuurster] waarnaar wordt verwezen, maar die is niet in het geding gebracht. Bij gebreke daarvan kan niet worden vastgesteld of (en zo ja wanneer) [huurder] deze door hem gestelde gebreken voldoende onder de aandacht heeft gebracht van [verhuurster] , zoals is vereist om aanspraak te kunnen maken op huurvermindering.\n\n4.10.. Dat daadwerkelijk sprake is (geweest) van (vochtproblematiek en) schimmelvorming in de keuken, is evenwel onvoldoende onderbouwd. De aanwezigheid daarvan staat niet vermeld in het door de gemeente opgestelde rapport van de inspectie van de woning van 18 februari 2026. Voor zover [huurder] dit heeft willen onderbouwen met de door hem in het geding gebrachte foto’s, geldt dat op die foto’s niet valt te zien welke ruimte de keuken is.\n\n4.11.. In het rapport van de gemeente staat wel vermeld dat sprake is van schimmelvorming op het plafond van de badkamer. Volgens de gemeente heeft de ventilatievoorziening in de badkamer onvoldoende capaciteit en moet er mechanische ventilatie worden aangelegd. Ventilatiegebreken worden op grond van het beleidsboek gebreken van de huurcommissie pas als een ernstig gebrek worden aangemerkt als i) sprake is van onvoldoende mogelijkheid tot ventilatie waardoor ernstige stank- en vochtoverlast ontstaat of ii) vrijwel constant vocht- of schimmelvorming aanwezig is, veroorzaakt door condensatie van waterdamp als gevolg van onvoldoende ventilatiemogelijkheden of onvoldoende thermische kwaliteit van de constructiedelen in de badkamer, en als de vocht- en schimmelvorming aanwezig is over een oppervlakte van 0,25 m2 of meer (categorie C sub 1 en CNb3 van het gebrekenboek). [huurder] heeft niet gesteld dat sprake is van stankoverlast. Evenmin blijkt uit de door hem in het geding gebrachte foto’s (van januari 2026) of het rapport van de gemeente dat in de badkamer sprake is van vochtoverlast en\u002Fof schimmelvorming over een oppervlakte van 0,25 m2, laat staan dat dit het geval was over de gehele periode vanaf 1 mei 2023. In tegendeel, uit de e-mailberichten van [huurder] blijkt dat tussentijds maatregelen zijn getroffen om de schimmel te verhelpen en dat deze tijdelijk geholpen hebben. [huurder] heeft dus onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat in de keuken en badkamer sprake is (geweest) van een schimmelgebrek dat vermindering van het huurgenot oplevert die een huurprijsvermindering rechtvaardigt. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.\n\n4.12.. Op grond van het voorgaande worden de door [huurder] gevorderde verklaring voor recht dat de huurprijs wegens gebreken mocht worden verminderd, en de vorderingen tot vergoeding van schade en herstel van gebreken afgewezen. [huurder] moet de door hem ingehouden huur alsnog aan [verhuurster] betalen. [huurder] heeft onvoldoende weersproken aangevoerd dat dit - na verrekening van een aantal achterstallige reparaties in de woning waarvan [verhuurster] niet heeft betwist dat deze voor haar rekening behoren te komen - een bedrag betreft van € 8.003,60, zodat dit bedrag wordt toegewezen. Ook de daarover onbetwist gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen.\n\nVerhuis- en inrichtingskosten\n\n4.13.. \n [huurder] maakt op grond van artikel 7:275 lid 1 BW aanspraak op een bijdrage aan de verhuis- en inrichtingskosten. In dit geval geldt het in lid 4 van dat artikel genoemde minimumbedrag niet. [huurder] heeft zelf geen aanknopingspunten genoemd voor de door hem te maken kosten in geval van een verhuizing naar een andere woning. Omdat [huurder] een woning heeft gekocht die naar verwachting medio 2027 wordt opgeleverd, zal hooguit sprake zijn van een verhuizing naar een andere tijdelijke woning voor korte duur en is niet aannemelijk dat [huurder] daarvoor inrichtingskosten zal moeten maken. Wel is het redelijk dat [verhuurster] [huurder] in dat geval een tegemoetkoming betaalt voor deze (extra) verhuizing. Nu [huurder] niets heeft gesteld over de te maken kosten voor een dergelijke verhuizing, worden deze in redelijkheid begroot op € 2.000,00. Het enkele feit dat [verhuurster] over beperkte financiële middelen beschikt, maakt niet dat de tegemoetkoming niet kan worden toegewezen. De vergoeding van deze kosten is pas toewijsbaar als [huurder] de woning daadwerkelijk verlaat naar een tijdelijke woning vooruitlopend op de verhuizing naar zijn koopwoning. Gelet op de hoogte van het bedrag ziet de kantonrechter geen aanleiding om gebruik te maken van de in art. 7:275 lid 2 BW gegeven mogelijkheid om [verhuurster] een termijn te gunnen waarbinnen zij de opzegging kan intrekken.\n\nOverige vorderingen en proceskosten\n\n4.14.. \n [verhuurster] heeft een machtiging gevorderd om de ontruiming zo nodig met behulp van de deurwaarder en de sterke arm zelf te kunnen bewerkstelligen. Deze vordering wordt afgewezen. De wet schrijft namelijk al voor dat de gedwongen ontruiming gebeurt door een deurwaarder. Als [huurder] de woning niet tijdig zelf verlaat, dan zal [verhuurster] na betekening van dit vonnis op grond van de wet (artikelen 555 en verder, in samenhang met artikel 444 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) de deurwaarder in moeten schakelen om [huurder] te dwingen de woning te verlaten.\n\n4.15.. Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van eisers worden in conventie begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding € 145,45\n\n- griffierecht € 257,00\n\n- salaris gemachtigde € 678,00 (2 punten × € 339,00)\n\n- nakosten € 72,00(plus de kosten van betekening zoals in de beslissing vermeld)\n\nTotaal € 1.152,45\n\nIn reconventie zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld, zodat de proceskosten worden gecompenseerd.\n\nDe beslissing wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard\n\n4.15.. De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad wordt, behoudens voor zover het om de proceskosten en de achterstallige huur gaat, afgewezen. In artikel 7:272 lid 1 BW is ten aanzien van huur van woonruimte bepaald dat een opgezegde huurovereenkomst in een geval als dit van rechtswege van kracht blijft, totdat de rechter kort gezegd daarover onherroepelijk heeft beslist. Daar kan slechts bij zeer bijzondere omstandigheden van worden afgeweken. Dergelijke zeer bijzondere omstandigheden zijn niet gebleken.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n5.1.. stelt vast dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het [adres] eindigt op 30 september 2026,\n\n5.2.. veroordeelt [huurder] om de woning aan het [adres] te ontruimen per 30 september 2026, met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurster] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurster] ,\n\n5.3.. veroordeelt [huurder] tot betaling van € 8.003,60 aan achterstallige huur, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid van iedere afzonderlijke huurtermijn tot de dag van betaling,\n\n5.4.. veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.152,45, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,\n\n5.5.. verklaart de beslissingen onder 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin reconventie\n\n5.6.. stelt het bedrag dat [verhuurster] aan [huurder] moet betalen als tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten vast op € 2.000,00,\n\n5.7.. compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\nin conventie en reconventie\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n42146","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6408","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:43.046Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":80,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":82},"1075","ECLI:NL:RBAMS:2026:6716","ecli-nl-rbams-2026-6716","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11971975 \\ CV EXPL 25-16096\n\nVonnis van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats 1],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\ngemachtigde: mr. E.L.B. Hundscheidt,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 19 maart 2026, - de akte van [eiser], tevens houdende een voorwaardelijke vermeerdering van eis, met een productie,\n\n- de rolmededeling van 30 april 2026.\n\n1.2.. De akte die [eiser] naar aanleiding van het tussenvonnis heeft genomen is aan [gedaagde] toegestuurd. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, maar heeft dat niet gedaan.\n\n1.3.. \n [eiser] heeft naar aanleiding van de rolmededeling geen akte genomen.\n\n1.4.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Bij voornoemd tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de oneerlijkheid en de gevolgen van het buiten toepassing laten van het in het tussenvonnis geciteerde boetebeding dat in de huurovereenkomst is opgenomen en aan de onderhavige vordering ten grondslag ligt.\n\n2.2.. \n [eiser] heeft laten weten, kort gezegd, dat [gedaagde] bij brief van 23 april 2024 in kennis is gesteld dat de huurovereenkomst tegen 23 juli 2025 zou worden beëindigd en de huurwoning zou moeten worden verlaten. [gedaagde] heeft dan ook ruim de tijd gekregen om een andere huurwoning te zoeken. [gedaagde] weigert de woning te verlaten en betaalt met ingang van 1 december 2025 ook geen gebruiksvergoeding meer voor de woning. Op dit moment bestaat er een huurachterstand van € 10.520,-, die maandelijks moet worden verhoogd met € 2.104,-. Door de houding van [gedaagde] kan [eiser] de woning niet verkopen en ook de overbruggingshypotheek niet aflossen. Ook ondervindt [eiser] bijkomende schade, waaronder een belastingaanslag van € 7.169,- voor het jaar 2024. Naar verwachting zal [eiser] dat bedrag aan belasting ook over het jaar 2025 moeten betalen. [eiser] verzoekt om toewijzing van de gevorderde schadevergoeding van € 50.000,- in verband met het onrechtmatig handelen door [gedaagde], waardoor [eiser] onevenredig financieel wordt getroffen. Mocht het beding toch oneerlijk zijn, dan verzoekt [eiser] om toewijzing van de huurachterstand, tot en met 1 april 2026 begroot op € 10.520,- alsmede ontbinding van de huurovereenkomst en toestemming voor ontruiming van de woning, aldus – steeds – [eiser].\n\n2.3.. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten.\n\n2.4.. Gelet op het hiervoor weergegeven beoordelingskader, zijn de door [eiser] genoemde omstandigheden die zijn ontstaan na het sluiten van de huurovereenkomst, hoe vervelend deze ook voor haar zijn, niet van belang bij de oneerlijkheidstoets. Deze toets vindt immers plaats op het moment van sluiting van de overeenkomst. In dat verband heeft de kantonrechter in overweging 2.5 van het tussenvonnis al geoordeeld dat het boetebeding, zeker in combinatie met de verplichting om ook alle aanvullende schade te vergoeden, kan leiden tot een onevenredig hoge schadevergoeding. Het (onrechtmatig) handelen van [gedaagde] is daarbij niet relevant. Nu partijen niets hebben aangevoerd dat moet leiden tot een ander oordeel dan verwoord in het tussenvonnis, blijft overeind dat het boetebeding oneerlijk is en daarom buiten toepassing moet blijven. De gevorderde boete van € 50.000,- wordt dan ook afgewezen.\n\n2.5.. In haar akte verzoekt [eiser] in dat geval om toewijzing van de inmiddels ontstane huurachterstand. Dit is een wijziging van eis. Ondanks dat [eiser] naar aanleiding van de rolmededeling niet heeft laten weten waarom zij de huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zowel in de onderhavige procedure bij voorwaardelijke eisvermeerdering vordert alsook gelijktijdig in een afzonderlijke procedure, heeft de kantonrechter geconstateerd dat [eiser] in de afzonderlijke procedure naar aanleiding van de rolmededeling die in die zaak is uitgegaan een verzoek tot doorhaling van de procedure heeft gedaan. De andere zaak is daarmee afgedaan, zodat de voorwaardelijke eiswijziging in deze procedure zal worden toegelaten, waarbij van belang is dat [gedaagde] in de onderhavige procedure is verschenen en tegen de eiswijziging geen bezwaren kenbaar heeft gemaakt.\n\n2.6.. De (gewijzigde) eis van [eiser] is niet weersproken en kan worden toegewezen zoals hierna vermeld.\n\n2.7.. De ontruimingstermijn wordt naar vast beleid vastgesteld op 14 dagen na betekening van het vonnis.\n\n2.8.. Gelet op wat [eiser] heeft gesteld in haar akte, gaat de kantonrechter er vanuit dat zij de huur tot ontbinding vordert en een gebruiksvergoeding gelijk aan de laatst geldende huur tot aan de ontruiming. De gebruiksvergoeding na ontbinding wordt toegewezen tot en met de dag van de ontruiming. Dat wil zeggen naar rato, waarbij niet een gedeelte van de maand voor een gehele maand wordt gerekend.\n\n2.9.. \n [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij aangemerkt en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Nu een gedeelte van de vordering is afgewezen wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten corresponderend bij het toegewezen gedeelte van de vordering. Het meer verschuldigde blijft voor rekening van [eiser]. Met inachtneming daarvan worden de proceskosten van [eiser] begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n120,78\n\n- griffierecht\n\n€\n\n257,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n432,00\n\n(1 punt × € 432,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n72,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n881,78\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres],\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] de woning gelegen aan de [adres] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, met al het zijne en de zijnen te ontruimen en te verlaten en door overgave van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen,\n\n3.3.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 10.520,00 aan huurachterstand, berekend tot 1 mei 2026,\n\n3.4.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 2.104,00 per maand vanaf 1 mei 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt,\n\n3.5.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 881,78, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,\n\n3.6.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n991","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6716","2026-07-13T00:29:02.791Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":87,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":64,"updatedAt":89},"1702","ECLI:NL:RBAMS:2026:6621","ecli-nl-rbams-2026-6621","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11747444 \\ CV EXPL 25-8261\n\nVonnis van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSLOTERDAM VASTGOED B.V.,\n\ngevestigd te Woerden,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: Sloterdam,\n\ngemachtigde: mr. M.J. Drijftholt,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats],\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\ngemachtigde: mr. E.B. Doganer.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het vonnis in incident van 16 oktober 2025, met de daarin genoemde stukken,\n\n- de akte uitlaten van [gedaagde],\n\n- het tussenvonnis van 8 januari 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald,\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie tevens wijziging van eis in conventie met aanvullende producties,\n\n- de e-mail van 16 mei 2026 van [gedaagde] met aanvullende producties,\n\n- de e-mail van 19 mei 2026 van Sloterdam met aanvullende producties,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Op de mondelinge behandeling is Sloterdam verschenen vertegenwoordigd door mr. D.H. Denecke (waarnemer van de gemachtigde). [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. A. Sarioglu (waarnemer van de gemachtigde) en vergezeld door zijn partner. Partijen hebben hun standpunt, mede aan de hand van de door de gemachtigde voorgedragen en overgelegde spreekaantekeningen, verder toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Sloterdam heeft sinds 2016 aan [gedaagde] de woning verhuurd aan de [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde).\n\n2.2.. Op 24 januari 2025 trof de beheerder van het gehuurde niet [gedaagde], maar [naam] (hierna: [naam]) aan in de woning.\n\n2.3.. In een e-mail op 29 januari 2025 heeft Sloterdam aan [gedaagde] meegedeeld dat het haar is gebleken dat [gedaagde] in de VS en Spanje woont\u002Fverblijft en dat hij het gehuurde heeft onderverhuurd dan wel in gebruik heeft gegeven aan een derde, terwijl dat niet is toegestaan. Sloterdam heeft [gedaagde] gesommeerd de huurovereenkomst op te zeggen en de woning te ontruimen.\n\n2.4.. Bij e-mail van 4 februari 2025 heeft [gedaagde] de huurovereenkomst opgezegd per 1 maart 2025. Daarna is een datum voor oplevering bepaald.\n\n2.5.. Op de opleverdatum waren zowel [gedaagde] als [naam] in de aanwezig. Zij hebben toen aan Sloterdam meegedeeld dat [naam] de woning niet zou verlaten. Op dit moment verblijft [naam] nog steeds in de woning.\n\n3. Het geschil\n\nIn conventie\n\n3.1.. Sloterdam vordert – samengevat en na wijziging van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 67.674,51 aan verbeurde boetes en winstafdrachten, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n [gedaagde] te veroordelen tot een boete van € 41,08 per dag vanaf 17 mei 2025 tot aan de dag dat [gedaagde] volledige inlichtingen heeft verstrekt met betrekking tot de ingebruikgeving,\n\n [gedaagde] te veroordelen tot een boete van € 41,08 per dag vanaf 17 mei 2025 tot aan de ontruiming van het gehuurde,\n\nte verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de geleden en te lijden schade van Sloterdam die het gevolg is van het door [gedaagde] in gebruik geven van het gehuurde aan een derde,\n\n [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten,\n\n [gedaagde] te veroordelen in de werkelijke proceskosten.\n\n3.2.. Sloterdam legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (ROZ), versie 30 juli 2003 (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing. [gedaagde] heeft in strijd met artikel 1.3 van die bepalingen het gehuurde in gebruik gegeven aan een derde. Ook werkt hij niet mee aan het onderzoek van Sloterdam naar de ingebruikgeving hetgeen op grond van artikel 1.5 verplicht is. Verder heeft hij in strijd met artikel 2.3 het gehuurde op 1 maart 2025 niet ontruimd en vrij van gebruik opgeleverd aan Sloterdam. Als gevolg hiervan heeft [gedaagde] op grond van artikel 1.4 en 20.6 diverse boetes verbeurd en is hij bovendien gehouden de genereerde inkomsten af te dragen. Ook is [gedaagde], gelet op het voorgaande, aansprakelijk voor de schade die Sloterdam lijdt. Tot slot maakt Sloterdam aanspraak op de buitengerechtelijke incassokosten en de werkelijke proceskosten.\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Sloterdam in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nIn reconventie\n\n3.4.. \n [gedaagde] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de algemene bepalingen niet op de tussen partijen gesloten huurovereenkomst van toepassing zijn, en voorwaardelijk – voor zover deze vordering wordt afgewezen:\n\nprimair: te verklaren voor recht dat de algemene bepalingen waar Sloterdam in de huurovereenkomst naar verwijst nietig, althans vernietigbaar zijn,\n\nsubsidiair: te verklaren voor recht dat de bepalingen 1.3, 1.4, 1.5, 2.3 en 20.6 onredelijk bezwarend zijn en daarom nietig, althans vernietigbaar zijn,\n\nmeer subsidiair: de boete te matigen tot nihil,\n\nmet veroordeling van Sloterdam in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.5.. Sloterdam voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4. De beoordeling\n\nIn conventie\n\nAmbtshalve toetsing4.1.. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93\u002F13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. Sloterdam mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).\n\n4.2.. Sloterdam beroept zich op hetgeen is bepaald in de artikelen 1.3, 1.4 en 20.6 van de algemene bepalingen.\n\n4.3.. \n\nIn artikel 1.4 is opgenomen:\n\n“Ingeval huurder handelt in strijd met het bepaalde in 1.3 (verbod op onderhuur dan wel ingebruikgeving aan een derde, toevoeging ktr.) verbeurt hij aan verhuurder per kalenderdag dat de overtreding voortduurt een direct opeisbare boete, gelijk aan driemaal de op dat moment voor huurder geldende huurprijs per dag met een minimum van € 45,- per dag, onverminderd het recht van verhuurder om nakoming dan wel ontbinding wegens wanprestatie, alsmede schadevergoeding te vorderen voor zover de schade de boete overstijgt. Verder dient huurder alle daardoor verkregen inkomsten aan verhuurder af te dragen.”\n\n4.4.. \n\nEn in artikel 20.6 staat het volgende:\n\n“Huurder is aan verhuurder een direct opeisbare boete van € 25,- per kalenderdag verschuldigd voor elke verplichting uit deze overeenkomst met de bijbehorende algemene bepalingen die hij niet nakomt of overtreedt, onverminderd zijn verplichting om alsnog aan die verplichting te voldoen en onverminderd verhuurders overige rechten op schadevergoeding of anderszins. Genoemd bedrag is gebaseerd op het prijspeil 1 januari 2003 en wordt met ingang van 1 januari 2004 jaarlijks geïndexeerd.”\n\n4.5.. Sloterdam heeft onvoldoende onderbouwd dat over deze bedingen is onderhandeld. Weliswaar heeft zij ter zitting aangevoerd dat het meesturen van de voorwaarden reeds een daad van onderhandeling is, maar zij kon desgevraagd niet beantwoorden of partijen ook over de individuele boetebepalingen hebben onderhandeld. Bij die stand van zaken is de kantonrechter van oordeel dat niet is gebleken dat over de bedingen is onderhandeld. Dat betekent dat de kantonrechter ambtshalve moet toetsen of deze bedingen eerlijk zijn.\n\n4.6.. Alvorens dat te doen heeft de kantonrechter Sloterdam tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Sloterdam heeft daarop betoogd dat de bedingen eerlijk zijn. Artikel 1.4 is volgens Sloterdam voldoende gelimiteerd aangezien huurder zelf een einde kan maken aan de tekortkoming. Ook vindt er volgens Sloterdam geen cumulatie plaats van beide bedingen, omdat artikel 1.4 ziet op een bijzondere gedraging en op grond van het lex specialis principe het beding van 20.6 dan toepassing mist. Tot slot heeft Sloterdam aangevoerd dat zij zich niet tegelijkertijd op beide bedingen beroept ten aanzien van dezelfde overtreding.\n\n4.7.. De kantonrechter volgt Sloterdam daarin niet en is van oordeel dat de bedingen zoals die in de artikel 1.4 en 20.6 van de algemene bepalingen zijn neergelegd buiten toepassing moeten worden gelaten. Dat wordt hierna als volgt toegelicht.\n\n4.8.. Gelet op het Radlinger arrest (Hof van Justitie van 21 april 2016, ECLI:EU:C:2016:283) moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen in een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Met andere woorden: de boetes moeten gezamenlijk beoordeeld worden. Een dergelijke beoordeling is gerechtvaardigd aangezien die bedingen in hun geheel toepasselijk zijn, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft. Dat betekent dat niet relevant is dat Sloterdam zich niet tegelijkertijd op beide bedingen beroept, maar dat het erom gaat of Sloterdam zich tegelijkertijd op de bedingen kanberoepen.\n\n4.9.. Sloterdam heeft naar voren gebracht dat zij zich niet tegelijkertijd op beide bedingen kan beroepen en dat dus geen cumulatie plaatsvindt, omdat op grond van het lex specialis principe het algemene boetebeding in artikel 20.6 toepassing mist in het geval van onderhuur of ingebruikgeving. Dat ziet de kantonrechter anders. Omdat niet over de bedingen onderhandeld is, prevaleert de taalkundige uitleg. Dat geldt te meer omdat het voor een consument, uit beschermingsoogpunt, direct duidelijk moet zijn welk boetebeding wanneer van toepassing is. Uit de tekst van de algemene boetebepaling volgt dat die geldt bij iedere tekortkoming. Er is immers niet toegevoegd “voor zover geen boete is gesteld op een specifieke tekortkoming”. Dat artikel 1.4 als lex specialis moet worden gezien van artikel 20.6, in welk geval het algemene boetebeding van 20.6 niet van toepassing zou zijn, volgt dan ook niet zonder meer uit de tekst. Daarbij betrekt de kantonrechter ook nadrukkelijk in de overweging dat het doel van consumentenbescherming en richtlijn 93\u002F13 is om oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten tegen te gaan. Bij gebruikmaking van de bewoordingen zoals die in de genoemde bepalingen zijn opgenomen, valt niet uit te sluiten dat Sloterdam in of vooral ook buiten gerechte aanspraak kan maken op de boete uit de algemene boetebepaling én de specifieke boetebepaling. Voor zover Sloterdam daadwerkelijk artikel 1.4 als lex specialis heeft beoogd ten opzichte van het algemene boetebeding zoals opgenomen in artikel 20.6, had zij dit dan ook nadrukkelijk in de algemene voorwaarden moeten vermelden (bijvoorbeeld op de hiervoor genoemde wijze). Omdat zij dat niet heeft gedaan, is de kantonrechter van oordeel dat de algemene bepaling van artikel 20.6, naast het boetebeding in artikel 1.4, van toepassing is in geval van onderhuur of ingebruikgeving en dat Sloterdam zich dus op beide bepalingen zou kunnen beroepen.\n\n4.10.. Ook het verweer dat de boete van artikel 1.4 voldoende gelimiteerd is omdat de huurder zelf een einde kan maken aan de overtreding passeert de kantonrechter. Nog daargelaten dat situaties denkbaar zijn waarin de huurder niet op de hoogte is van een overtreding – in welk geval de boete oneindig doorloopt – zou die redenering in de kern betekenen dat een boetebeding in beginsel niet meer gelimiteerd hoeft te zijn; de betrokkene kan – wanneer hij daarvan wel op de hoogte is – in de meeste gevallen immers zelf een einde maken aan de tekortkoming. Daarbij komt dat het voorgaande ertoe zou leiden dat een huurder een boete van in totaal € 70,00 (te weten € 45,00 plus € 25,00) per dag verbeurt ingeval van onderhuur\u002Fingebruikgeving aan een derde, zonder dat deze boete is gemaximeerd. Daarnaast is in artikel 1.4 ook opgenomen dat deze boete geldt onverminderd het recht van verhuurder om ontbinding van de huurovereenkomst en afdracht van winst te vorderen. Ook wordt daarin de mogelijkheid gegeven om aanvullende schadevergoeding te vorderen voor zover die schade de boete overstijgt, waarmee het afwijkt van het wettelijke stelsel zoals neergelegd in artikel 6:92 lid 2 BW waarin is bepaald dat hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is, in plaats treedt van de schadevergoeding op grond van de wet. Dat betekent dat in geval van onderhuur of ingebruikgeving een huurder, naast het verlies van zijn woning, winstafdracht en aanvullende schadevergoeding, ook nog een ongelimiteerde boete boven het hoofd zou hangen. Naar het oordeel van de kantonechter wordt hierdoor het evenwicht tussen partijen aanzienlijk verstoord en komt een huurder daardoor in een zeer ongelijkwaardige positie terecht. Dat Sloterdam als verhuurder een groot belang heeft om onderhuur of ingebruikgeving doeltreffend tegen te gaan is evident, maar dat maakt nog niet dat een ongelimiteerde boete (laat staan in combinatie met de overige inhoud van artikel 1.4) het evenwicht niet zou verstoren en daarmee eerlijk wordt. Dat in dít geval de huurder reeds was verhuisd maakt dat niet anders.\n\n4.11.. De kantonrechter komt dan ook tot het slotsom dat de door Sloterdam gehanteerde bedingen zoals neergelegd in de artikelen 1.4 en 20.6 van de algemene voorwaarden, in onderlinge samenhang bezien, oneerlijk zijn. Dat betekent dat beide bedingen buiten toepassing worden gelaten. Dat geldt ten aanzien van artikel 1.4 niet alleen ten aanzien van het daarin neergelegde boetebeding, maar ook ten aanzien van het bepaalde in artikel 1.4 dat huurder alle verkregen inkomsten aan verhuurder moet afdragen en het onverminderde recht op aanvullende schadevergoeding, omdat (mede gelet op het voorgaande) deze afspraken niet los kunnen worden gezien van het overige dat in artikel 1.4 is bepaald.\n\nDe vordering4.12.. Omdat door Sloterdam gevorderde boetes gegrond zijn op oneerlijke bedingen die door de kantonrechter buiten toepassing worden gelaten, zijn de vorderingen die zien op de betaling van boetes niet toewijsbaar.\n\n4.13.. Dat geldt ook ten aanzien van de vordering tot afdracht van gemaakte winst, omdat die vordering eveneens is gebaseerd op het oneerlijk bevonden beding in artikel 1.4 van de algemene voorwaarden. Sloterdam kan op grond van de uitspraak van het Europees Hof van 27 januari 2021 (de Dexia-arresten) ook geen aanspraak maken op winstafdracht op grond van artikel 6:104 BW. Terugvallen daarop zou immers het afschrikwekkende karakter van de richtlijn ernstig verminderen. In dat geval zou voor de professionele gebruiker de noodzakelijke prikkel ontbreken om oneerlijke bedingen uit overeenkomsten met consumenten te verwijderen. Daarom bestaat voor toewijzing van de gevorderde winst geen grondslag en zal deze vordering worden afgewezen\n\n4.14.. De vordering tot verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor schade van Sloterdam is evenmin toewijsbaar. Zoals hiervoor overwogen biedt artikel 1.4, in afwijking van het wettelijk stelsel zoals neergelegd artikel 6:92 lid 2 BW, aan de verhuurder de mogelijkheid om aanvullende schadevergoeding te vorderen voor zover die schade de boete overstijgt. Daaruit volgt dat deze bepaling er mede op gericht is om schade te vergoeden. Nu artikel 1.4 in zijn geheel oneerlijk is bevonden, kan Sloterdam ook voor vergoeding van schade niet terugvallen op het wettelijke systeem. Bij die stand van zaken heeft Sloterdam geen belang bij de door haar gevorderde verklaring voor recht en zal deze vordering eveneens worden afgewezen.\n\n4.15.. Gelet op het voorgaande wordt ook de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.\n\n4.16.. Sloterdam is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n1.732,00\n\n(2 punten × € 866,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.876,00\n\nIn reconventie4.17.. Gelet op de uitkomst in conventie, heeft [gedaagde] onvoldoende belang bij toewijzing van zijn vorderingen in reconventie, zodat deze worden afgewezen.\n\n4.18.. \n [gedaagde] wordt in de proceskosten in reconventie veroordeeld, aan de zijde van Sloterdam begroot op nihil.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nIn conventie\n\n5.1.. wijst de vorderingen van Sloterdam af,\n\n5.2.. veroordeelt Sloterdam in de proceskosten van € 1.876,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Sloterdam niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.\n\n5.3.. veroordeelt Sloterdam in de wettelijke rente over de proceskosten, te voldoen vanaf de 15e dag na betekening van het vonnis.\n\nIn reconventie\n\n5.4.. wijst de vorderingen van [gedaagde] af,\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Sloterdam tot op heden begroot op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n58984","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6621","2026-07-13T00:29:34.348Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":64,"updatedAt":97},"644","ECLI:NL:RBAMS:2026:6466","ecli-nl-rbams-2026-6466","2026-06-23T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer: 11767194 CV EXPL 25-8864\n\nvonnis van: 23 juni 2026\n\nfno.: 58865\n\nvonnis van de kantonrechter\n\nI n z a k e\n\n [eiser]\n\nwonende te [woonplaats]\n\nEiser in conventie, verweerder in reconventie\n\nnader te noemen: [eiser]\n\ngemachtigde: mr. Y. Sasson\n\nt e g e n\n\nde stichting Stichting Stadgenoot\n\ngevestigd te Amsterdam\n\ngedaagde in conventie, eiseres in reconventie\n\nnader te noemen: verhuurder\n\ngemachtigde: mr. drs. S.J.M. Verhoeven.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 20 juni 2025, met producties;\n\nde conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie;\n\nhet instructievonnis van 9 september 2025, met dagbepaling mondelinge behandeling;\n\nde mondelinge behandeling op 19 december 2025;\n\nde dagbepaling van de voortzetting van de mondelinge behandeling;\n\nde akte aanvullende producties 1 en 2 van verhuurder;\n\nde akte aanvullende producties 9 en 10 van [eiser] .\n\n1.2.. Op 20 mei 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. [eiser] verscheen in persoon, vergezeld van vier toehoorders en bijgestaan door de gemachtigde. Namens verhuurder verscheen [eiser] , bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, verhuurder deed dat mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Van hetgeen is besproken ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\nAls gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:\n\n2.1.. \n [de moeder] , wijlen moeder van [eiser] (hierna: de moeder), huurde van de (rechtsvoorganger van) verhuurder de woning aan het [adres] (hierna: de woning). De woning werd sinds 1 augustus 1982 gehuurd door de moeder. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 86,55 m² en bestaat uit vier kamers.\n\n2.2.. \n [eiser] , thans 41 jaar oud, is op het adres van de woning geboren en heeft daar tot op heden altijd gewoond. In de verklaring van de huisarts van 7 februari 2025 is onder meer vermeld dat [eiser] bekend is met een lichte psychomotore retardatie en een lichte diplegia spastica, dat hij mantelzorger was voor moeder, dat hij boodschappen deed, het huishouden en dat hij kookte. Ook staat daarin dat [eiser] gebaat is bij een rustige en voorspelbare omgeving, moeite heeft met veranderingen, dat hij voor zichzelf kan zorgen en gebaat is te mogen blijven in de woning.\n\n2.3.. Eind november 2024 hebben de moeder en [eiser] bij verhuurder een gezamenlijk verzoek ingediend om [eiser] op grond van artikel 7:267 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als medehuurder van de woning aan te merken; dit verzoek is op 3 januari 2025 per e-mail herhaald.\n\n2.4.. Naar aanleiding van het verzoek hebben, begin februari 2025 en op 13 februari 2025, gesprekken plaatsgevonden tussen [eiser] en (een medewerker van) verhuurder. Bij e-mail van 18 februari 2025 heeft verhuurder [eiser] bericht het verzoek af te wijzen, omdat naar haar oordeel niet was voldaan aan de criteria van artikel 7:267 lid 3 BW.\n\n2.5.. De moeder is op [overlijdensdatum] 2025 overleden. Voorafgaand aan haar overlijden verbleef zij in een verzorgingstehuis.\n\n2.6.. Bij brief van 26 maart 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] verhuurder verzocht het verzoek tot medehuurderschap te heroverwegen.\n\n2.7.. Bij brief van 3 april 2025 heeft verhuurder geantwoord dat medehuurderschap na het overlijden van de moeder niet meer aan de orde is, dat moet worden uitgegaan van de situatie van artikel 7:268 lid 2 BW, en dat [eiser] niet in aanmerking komt voor de daarvoor benodigde huisvestingsvergunning omdat de woning gelet op haar omvang niet passend is voor een eenpersoonshuishouden. Verhuurder heeft zich daarbij steeds bereid verklaart een passende woning aan te bieden.\n\n2.8.. \n [eiser] woont nog steeds in de woning.\n\n3. De vorderingen en het verweer\n\nin conventie\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat:\n\nI. [eiser] medehuurder zal zijn van de woning, met ingang van de datum van het vonnis, althans met ingang van een door de rechter te bepalen tijdstip;\n\nII. verhuurder veroordeeld wordt tot het verlenen van medewerking aan het aanvragen en verkrijgen van een huisvestingsvergunning ten behoeve van [eiser] voor het bewonen van de woning;\n\nIII. verhuurder veroordeeld wordt tot betaling van de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan zijn vordering – kort gezegd – ten grondslag dat hij ten tijde van het gezamenlijk met de moeder gedane verzoek voldeed aan alle vereisten voor medehuurderschap van artikel 7:267 lid 3 BW. Omdat dat verzoek reeds vóór het overlijden van de moeder is ingediend, is en blijft artikel 7:267 BW van toepassing en staat het overlijden niet aan toewijzing in de weg. Het niet beschikken over een huisvestingsvergunning is geen afwijzingsgrond onder artikel 7:267 lid 3 BW; een medehuurder wordt bij overlijden van de hoofdhuurder van rechtswege huurder (artikel 7:268 lid 1 BW), aldus [eiser] .\n\n3.3.. Verhuurder voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] , althans tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proces- en nakosten.\n\nin voorwaardelijke reconventie\n\n3.4.. In reconventie vordert verhuurder, onder de voorwaarde dat [eiser] in conventie in het ongelijk wordt gesteld, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat [eiser] – kort gezegd – wordt veroordeeld de woning te ontruimen, en wel één maand nadat verhuurder aan [eiser] een passende sociale huurwoning in [woonplaats] te huur heeft aangeboden. Verhuurder verzoekt daarbij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad gemotiveerd uit te spreken en tot slot [eiser] in de proces- en nakosten te veroordelen. Verhuurder legt aan de vordering ten grondslag dat de huurovereenkomst door het overlijden van de moeder is geëindigd op grond van artikel 7:268 BW en dat [eiser] de woning sindsdien zonder recht of titel gebruikt.\n\n3.5.. \n [eiser] heeft op zijn beurt daartegen verweer gevoerd. Op de standpunten van partijen over en weer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie\n\n4.1.. \n [eiser] vordert op de voet van artikel 7:267 BW dat hij medehuurder van de woning wordt. Verhuurder stelt zich primair op het standpunt dat deze weg na het overlijden van de moeder niet meer openstaat en dat [eiser] daarom niet-ontvankelijk is. De kantonrechter ziet zich dus eerst gesteld voor de vraag of [eiser] , na het overlijden van de hoofdhuurder en vóórdat enige gerechtelijke procedure aanhangig was, nog een vordering tot medehuurderschap kan instellen. Die voorvraag is beslissend; pas als zij bevestigend wordt beantwoord, komt de kantonrechter toe aan de criteria van artikel 7:267 lid 3 BW.\n\nJuridisch kader\n\n4.2.. Een vordering tot medehuurderschap op grond van artikel 7:267 lid 1 BW kan worden ingesteld door de huurder én de beoogd medehuurder gezamenlijk, nadat zij de verhuurder eerst schriftelijk om instemming hebben verzocht en de verhuurder daarmee niet binnen drie maanden heeft ingestemd. De gezamenlijkheid van huurder en beoogd medehuurder is een voorwaarde voor het instellen van de vordering.\n\n4.3.. Voor de situatie ná het overlijden van de huurder kent de wet een andere regeling. De medehuurder zet de huur dan van rechtswege als huurder voort (artikel 7:268 lid 1 BW). Wie geen medehuurder is maar wel in het gehuurde zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, zet de huur gedurende zes maanden na het overlijden voort en daarna alleen indien hij binnen die termijn een vordering tot voortzetting heeft ingesteld (artikel 7:268 lid 2 BW). Tot de afwijzingsgronden van die voortzettingsvordering behoort dat de samenwoner niet beschikt over een vereiste huisvestingsvergunning (artikel 7:268 lid 3, aanhef en onder c, BW). Dat vergunningsvereiste geldt bij medehuurderschap op grond van artikel 7:267 BW niet.\n\nDe 7:267-route was na het overlijden niet meer begaanbaar\n\n4.4.. Vast staat dat de moeder, de huurder, op [overlijdensdatum] 2025 is overleden en dat de dagvaarding ruim vier maanden later, op 20 juni 2025, is uitgebracht. Op dat moment was er geen huurder meer die met [eiser] gezamenlijk een vordering kon instellen. [eiser] beroept zich op de uitspraken van de Hoge Raad van 10 oktober 1980 ( [naam 1] ) ECLI:NL:PHR:1980:AC1632, en 18 februari 1994 ( [naam 2] \u002F [naam 3] ) ECLI:NL:HR:1994:ZC1281. Het eerste arrest gaat niet over de hier voorliggende vraag. Het tweede arrest betreft wél over de hier voorliggende vraag, maar betreft een andere situatie.\n\n4.5.. In [naam 2] \u002F [naam 3] hadden de huurster en de beoogd medehuurder vóór het overlijden van de huurster gezamenlijk een gerechtelijke procedure tot medehuurderschap ingesteld; de huurster overleed pas daarna, hangende die procedure. De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek ontvankelijk was omdat de huurder op de datum van indiening van het verzoek nog in leven was, en dat het medehuurderschap kon worden toegewezen met ingang van een datum vóór het overlijden, zodat de beoogd medehuurder de huur na het overlijden als huurder voortzette (thans artikel 7:268 lid 1 BW).\n\n4.6.. Bepalend in die zaak was dus of de huurder nog in leven was toen de gerechtelijke procedure werd ingesteld. In de nu aan de orde zijnde zaak is dat niet het geval. De moeder is op [overlijdensdatum] 2025 overleden en de dagvaarding is pas op 20 juni 2025 uitgebracht. Artikel 7:267 lid 1 BW benoemt expliciet dat “huurder en die andere persoon […] gezamenlijk” de rechter kunnen verzoeken om die persoon medehuurder te laten zijn. Anders dan in [naam 2] \u002F [naam 3] was vóór het overlijden geen gezamenlijke vordering tot medehuurderschap ingesteld. Het aan verhuurder gerichte verzoek van eind 2024 maakt dat niet anders: dat verzoek is slechts de voorwaarde om de gezamenlijke vordering bij de rechter te mogen instellen (artikel 7:267 lid 1 BW) en niet de vordering zelf. [eiser] kon na het overlijden langs de weg van artikel 7:267 BW dus geen medehuurder meer worden. Voor zijn positie als achterblijver kent de wet, zoals hiervoor al is overwogen, nadrukkelijk een eigen regeling (artikel 7:268 BW).De vordering tot vaststelling van het medehuurderschap kan dus uitsluitend samen met de huurder worden ingesteld. Daarvan is hier geen sprake. Dit betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek.4.7.. Ten aanzien van de vordering om medewerking te verlenen aan het verkrijgen van een huisvestingsvergunning heeft [eiser] geen belang. De verkrijging van een huisvestingsvergunning kan relevant zijn in het kader van de voortzetting van de huur in zin van artikel 7:268 BW. Door [eiser] is echter uitdrukkelijk naar voren gebracht dat deze procedure niet moet worden gezien als een vordering op grond van artikel 7:268 BW. Daarbij is de vervaltermijn van zes maanden na het overlijden van de huurder voor het instellen van een dergelijke vordering al geruime tijd verstreken. Deze vordering wordt dus afgewezen.\n\n4.8.. \n [eiser] wordt als de in conventie in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van verhuurder worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde € 434,00 (2 x liquidatietarief á € 217,00)\n\n- nakosten € 72,00 (plus de kosten van betekening\n\n zoals vermeld in de beslissing)\n\n -----------\n\n totaal € 506,00\n\nin reconventie\n\n4.9.. Verhuurder heeft haar vordering tot ontruiming ingesteld onder de voorwaarde dat [eiser] in conventie in het ongelijk wordt gesteld. Gelet op de uitkomst van de procedure in conventie komt de kantonrechter toe aan de reconventionele vordering.\n\n4.10.. Door het overlijden van de moeder op [overlijdensdatum] 2025 is de huurovereenkomst geëindigd. [eiser] is geen medehuurder en verblijft in de woning zonder recht of titel.\n\n4.11.. De gevorderde ontruiming is dus toewijsbaar. Verhuurder heeft die vordering zelf verbonden aan de voorwaarde dat [eiser] de woning pas hoeft te ontruimen één maand nadat zij hem een passende sociale huurwoning in [woonplaats] te huur heeft aangeboden die hij na ondertekening van de huurovereenkomst direct in gebruik kan nemen. Hiermee bedoelt de verhuurder, zo volgt uit de dagvaarding, dat het moet gaat om een woning die in [woonplaats] ligt, ongeacht in welk stadsdeel dit ligt. De rechter zal de ontruiming in die vorm toewijzen.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.12.. Verhuurder heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en verzocht dat gemotiveerd te doen. [eiser] heeft zich daartegen verzet en aandacht gevraagd voor zijn medische situatie. De kantonrechter overweegt dat hier geen sprake is van een opgezegde huurovereenkomst, waarbij het wettelijke uitgangspunt is dat de huurovereenkomst van kracht blijft totdat hierover onherroepelijk is beslist door de rechter. [eiser] bevindt zich zonder recht of titel in de woning. Verhuurder heeft er, gezien haar wettelijke taak tot eerlijke verdeling van sociale huurwoningen, een zwaarwegend belang bij dat deze ruime sociale huurwoning beschikbaar komt voor een gezin. Daar komt bij dat [eiser] bij een ontruiming niet dakloos hoeft te worden, er wordt hem immers een alternatieve woning aangeboden. Het vonnis wordt daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n4.13.. Ook in reconventie wordt [eiser] in het ongelijk gesteld. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden in reconventie vastgesteld op nihil.\n\nBESLISSING\n\nDe kantonrechter:\n\nin conventie\n\nI. verklaart [eiser] niet ontvankelijk in vordering I;\n\nII. wijst vordering II af;\n\nIII. veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van verhuurder tot en met vandaag vaststelt op € 506,00, voor zover van toepassing, inclusief btw en te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij ook de wettelijke\u002FBtag kosten van betekening betalen;\n\nin reconventie\n\nIV. veroordeelt [eiser] om de woning aan het [adres] , met medeneming van de zijnen en het zijne, te ontruimen en overeenkomstig de huurovereenkomst aan verhuurder op te leveren met inlevering van de sleutels, en wel één maand nadat verhuurder [eiser] een passende sociale huurwoning in [woonplaats] (betreffende alle stadsdelen) te huur heeft aangeboden;\n\nV. veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten welke aan de zijde van verhuurder worden begroot op nihil;\n\nin conventie en reconventie\n\nVI. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\nVII. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 in tegenwoordigheid de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6466","2026-07-13T00:28:40.822Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":64,"updatedAt":105},"1630","ECLI:NL:RBAMS:2026:6615","ecli-nl-rbams-2026-6615","2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12239532 \\ KK EXPL 26-324\n\nVonnis in kort geding van 11 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats 1],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\ngemachtigde: mr. R. Plieger,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\ngemachtigde: mr. J.F. Kersten.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 26 mei 2026 met producties,\n\n- de e-mail van 3 juni 2026 van de gemachtigde van [gedaagde] met producties, - de mondelinge behandeling van 4 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en de gemachtigde van [gedaagde] heeft spreekaantekeningen voorgelezen en overgelegd.2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser], 85 jaar oud, is eigenaresse van de woning aan de [adres] te [plaats]. Tot voor kort verbleef zij in deze woning als zij voor haar werk in [plaats] was. Inmiddels is [eiser] gestopt met werken en zij wenst de woning te verkopen.\n\n2.2.. \n [gedaagde] is drie jaar geleden dakloos geworden en mocht van [eiser] sindsdien in de woning verblijven.\n\n2.3.. Op 14 juli 2025 heeft [eiser] [gedaagde] schriftelijk verzocht de woning binnen vijf dagen te verlaten.\n\n2.4.. Partijen hebben op 30 augustus 2025 een gebruikersovereenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] nog tijdelijk in de woning mocht verblijven. In de overeenkomst staat dat [eiser] het verblijf op elk moment kan beëindigen zonder opgave van redenen.\n\n2.5.. Op 15 december 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] verzocht de woning op 31 december 2025 te verlaten.\n\n2.6.. \n [gedaagde] verblijft thans nog in de woning.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – de ontruiming van de woning aan de [adres] te [plaats], op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.\n\n3.2.. \n [eiser] legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft en dat [eiser] belang heeft bij ontruiming van de woning.\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] wil de woning wel verlaten, maar hij heeft nog geen alternatief gevonden. Hij heeft gezondheidsklachten en kan niet zonder meer verhuizen. Aan [gedaagde] is ook geen redelijke termijn verleend om de woning te ontruimen. [gedaagde] betwist dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Ter zitting heeft [gedaagde] nog verklaard per 1 augustus 2026 de woning te kunnen verlaten.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.\n\n4.2.. Het spoedeisend belang van [eiser] vloeit voort uit de aard van de vordering, te weten het beëindigen van een onrechtmatige situatie; naar de mening van [eiser] verblijft [gedaagde] zonder recht of titel in de woning.\n\n4.3.. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] een tijdelijk gebruiksrecht had om in de woning te verblijven en dat [eiser] dat recht bij brief van 15 december 2025 heeft opgezegd. Dat betekent dat [gedaagde] inderdaad zonder recht of titel in de woning verblijft en dat hij de woning moet verlaten.\n\n4.4.. Het verweer dat de in de opzeggingsbrief genoemde ontruimingstermijn onredelijk kort zou zijn, kan [gedaagde] niet meer baten. De opzegging dateert inmiddels van bijna een half jaar geleden, terwijl [gedaagde] nog steeds in de woning verblijft. [gedaagde] heeft met andere woorden al een half jaar de tijd gehad om andere woonruimte te vinden.\n\n4.5.. Dit betekent dat de kantonrechter de vordering tot ontruiming van de woning zal toewijzen en de ontruimingstermijn vaststelt op 14 dagen.4.6.. Gelet op het feit dat [eiser] met de toewijzing van de veroordeling tot ontruiming reeds een titel heeft om zelf, via de weg van de reële executie, tot gedwongen ontruiming over te gaan, dient zij te onderbouwen op grond waarvan een extra prikkel om tot ontruiming over te gaan in de vorm van een op te leggen dwangsom nodig is. Dit geldt te meer omdat voorkomen dient te worden dat [eiser] door het uitstellen van de gedwongen ontruiming de dwangsom kan laten oplopen. Nu een dergelijke onderbouwing ontbreekt, wordt de vordering tot het opleggen van een dwangsom bij gebrek aan belang afgewezen.\n\n4.7.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n0,00\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n72,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n742,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [adres] te [plaats] binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en ter beschikking van [eiser] te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 742,00, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.\n\n58984","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6615","2026-07-13T00:29:30.519Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":64,"updatedAt":113},"1251","ECLI:NL:RBAMS:2026:6619","ecli-nl-rbams-2026-6619","2026-06-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer: 12017878 EA VERZ 25-1479\n\nbeschikking van: 5 juni 2026\n\nfunc.: 454\n\nbeschikking van de kantonrechter\n\nI n z a k e\n\n [verzoeker] (h.o.d.n. [handelsnaam verzoeker] )\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 1]\n\nverzoeker\n\nnader te noemen: [verzoeker]\n\ngemachtigde: mr. D.J.B. Bosscher\n\nt e g e n\n\nde besloten vennootschap [verweerster] B.V.\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 2]\n\nverweerster\n\nnader te noemen: [verweerster]\n\ngemachtigde: mr. H.J. Hagemans\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift van 3 december 2025, met producties,\n\nhet verweerschrift van 15 mei 2026, met een tegenverzoek en producties,\n\nde akte van 12 mei 2026 aan de zijde van [verzoeker] houdende overlegging aanvullende producties en tevens verzoek om bewijsverrichtingen ex artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv),\n\nde akte van 18 mei 2026 houdende overlegging van aanvullende producties aan de zijde van [verzoeker]\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025. [verzoeker] is verschenen met zijn gemachtigde. Namens [verweerster] was de heer [naam 1] (directeur) aanwezig bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd.\n\nDe procedure met zaaknummer 12017878 EA25-1477 ( [naam 2] – [verweerster] ) is voorafgaand aan onderhavige procedure ter zitting behandeld. De beschikking is bepaald op heden.2. De feiten\n\n2.1.. \n\n [verweerster] is sinds december 2023 eigenaar en verhuurder van het bedrijventerrein [nummer] te ( [postcode] ) [vestigingsplaats 1] (hierna het bedrijventerrein). Het bedrijventerrein bestaat uit meerdere opslagruimtes\u002Funits. [verzoeker] huurt sinds 2017\n\n unit [unit] op het bedrijventerrein.\n\n2.2.. \n [verweerster] heeft bij brief van 16 september 2024 de huurovereenkomst met [verzoeker] opgezegd per 31 december 2024. De ontruiming van de unit is aangezegd tegen 1 januari 2025.\n\n2.3.. \n [verzoeker] heeft (gezamenlijk met vijf andere huurders van [verweerster] ) op 26 februari 2025 een voorwaardelijk verzoekschrift ingediend voor verlenging van de ontruimingstermijn op grond van artikel 7:230a lid 1van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n2.4.. In een tussenbeschikking van 15 juli 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] een 290-bedrijfsruimte huurt. De kantonrechter heeft verder beslist dat de termijn waarbinnen ontruiming van de door [verzoeker] gehuurde unit moet plaatsvinden verlengd tot 1 januari 2026. [verzoeker] heeft op 15 oktober 2025 hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld.\n\n3. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair: de termijn van ontruimingsbescherming ex artikel 7:230a BW te verlengen met één jaar.\n\nsubsidiair: te bepalen dat [verweerster] niet tot ontruiming mag overgaan totdat:\n\n(a) het Gerechtshof definitief heeft beslist over de kwalificatie van het gehuurde, en\n\n(b) de bouwvergunning aan [verweerster] is verleend, en\n\n(c) objectief vaststaat dat de bouw van fase 2 daadwerkelijk aanvangt;\n\n(d) een redelijke tijd krijgt voor aanvang van de ontruiming.\n\n- [verweerster] te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. \n\n [verzoeker] stelt dat zijn belangen door een ontruiming ernstiger worden geschaad dan de belangen van [verweerster] bij voortzetting van het gebruik zoals bedoeld in artikel 7:230a lid 4 BW. Volgens [verzoeker] is hij voor zijn bedrijfsvoering volledig gebonden aan de locatie die technisch hoogwaardig is ingericht. Verder zal een verhuizing aanzienlijke kosten meebrengen, terwijl [verzoeker] vlak voor zijn pensioen zit. Hij kan een dergelijke investering niet terugverdienen. Ook zal een verhuizing vanwege zijn medische toestand een zware belasting zijn en wordt ook het belang van zijn werknemer geschaad.\n\nTen aanzien van de belangen van [verweerster] stelt [verzoeker] - kort gezegd - dat [verweerster] haar belangen stelselmatig te groot presenteert en dat een start van de geplande herontwikkeling niet realistisch is. Er is geen sprake van voorverkoop en [verweerster] beschikt niet over de financiering voor de sloop en bouw. [verzoeker] heeft op 15 oktober 2025 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter van 15 juli 2025. In dat hoger beroep staat de kwalificatievraag centraal. . Die procedure moet worden afgewacht, omdat anders het beroep illusoir zou zijn. Als het Gerechtshof immers beslist dat de ruimte een 7:290-bedrijfsruimte is, dan had de opzegging geen rechtsgevolg en heeft [verzoeker] recht op voorzetting van de huurovereenkomst. Het verlies van de unit op dit moment is onomkeerbaar, aldus steeds [verzoeker] .\n\n3.4.. \n [verweerster] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. [verweerster] betwist de gestelde belangen aan de zijde van [verzoeker] en zij betwist dat de gestelde belangen van [verzoeker] door een ontruiming ernstiger worden geschaad dan de belangen van [verweerster] bij voortzetting van het gebruik. [verweerster] voert aan dat zij beschikt over een omgevingsvergunning voor het realiseren van een nieuwbouwproject op het terrein en dat zij met dit project kan starten. [verweerster] doet een tegenverzoek waarin zij, uitvoerbaar bij voorraad, a) verzoekt het tijdstip van de ontruiming vast te stellen op 11 juni 2026 en b) de gebruiksvergoeding gedurende de periode van verlenging vast te stellen op de laatstelijk geldende huurprijs.\n\n3.5.. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVerzoek om bewijsverrichtingen\n\n4.1.. In haar akte van 12 mei 2026 heeft [verzoeker] verzocht op grond van artikel 22 Rv [verweerster] te bevelen om de in de akte nader omschreven bescheiden over te leggen, dhr. [naam 1] als getuige te horen en een descente te gelasten. Dit verzoek zal worden afgewezen wegens gebrek aan belang. De stelling van [verzoeker] dat [verweerster] in een andere procedure tegen huurder [bedrijf] B.V. (12188659 EA VERZ 26-455) haar stellingen niet concreet genoeg zou hebben onderbouwd en in die procedure zou hebben gelogen, is daartoe onvoldoende. [verzoeker] vermoedt dat er niet gesloopt gaat worden, omdat er geen financiering zou zijn voor het project. Dit enkele vermoeden is echter onvoldoende om te concluderen dat [verzoeker] een belang heeft bij de over te leggen bescheiden dan wel het horen van [naam 1] als getuige. [verzoeker] heeft geen enkel concreet aanknopingspunt naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat zijn vermoeden juist zou zijn. Voorts ziet de kantonrechter niet in dat de verzochte gegevens nodig zijn voor een te nemen beslissing in deze procedure. Verder heeft [verzoeker] onvoldoende duidelijk gemaakt met welk belang een descente moet worden gelast. Er zijn immers duidelijke foto’s in het geding gebracht en daaruit kan de kantonrechter voldoende de situatie ter plaatse inschatten.\n\nTermijn van indiening\n\n4.2.. Het verzoekschrift is ontvangen op 3 december 2025, terwijl de ontruimingstermijn verstrijkt op 1 januari 2026. [verzoeker] heeft haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn dus binnen de daarvoor geldende termijn ingesteld.\n\nBelangenafweging\n\n4.2.. In de beschikking van 15 juli 2026 (EA VERZ 25-209) heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] een 290-bedrijfsruimte huurt, zodat [verzoeker] ontvankelijk is zijn verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn. De kantonrechter heeft het verzoek tot verlening met één jaar toegewezen. In de beschikking heeft de kantonrechter uiteengezet op grond waarvan de belangen van [verzoeker] op dat moment groter waren dan het belang van [verweerster] . De kantonrechter heeft daarbij meegewogen dat [verzoeker] zijn onderneming al sinds 2010 exploiteert in de loods, ten tijde van de beschikkingsdatum over drie jaar de AOW-leeftijd bereikt, de te verwachten hoge verhuiskosten voor [verzoeker] en dat [verweerster] heeft verklaard dat de loods naar verwachting in juli 2026 gesloopt zal worden.\n\n4.3.. Thans ligt de vraag voor of het tweede verzoek tot verlenging wederom in het voordeel van [verzoeker] moet uitvallen. De kantonrechter is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Uit de door [verweerster] overgelegde stukken en de toelichting ter zitting blijkt duidelijk dat – anders dan [verzoeker] stelt – de door [verweerster] voorgenomen herontwikkeling zich niet meer in de voorbereidingsfase bevindt, maar in de uitvoeringsfase. Op dit moment staat immers voldoende concreet vast wanneer de herontwikkeling van het project van start zal gaan. Ter zitting heeft [naam 1] verklaard dat op zeer korte termijn, namelijk per 1 juli 2026, kan worden begonnen met de sloop van de units, mits de door [verzoeker] gehuurde unit en de andere door [naam 2] gehuurde unit worden ontruimd. Na de sloop kan volgens [naam 1] in september\u002Foktober 2026 worden begonnen met de bouw van de nieuwe bedrijfsunits. [naam 1] heeft ter zitting toegelicht dat er haast is vanwege de aanleg van de nutsaansluitingen. Er is namelijk beperkte beschikbaarheid van netbeheerder Liander en per 1 juli 2026 gaat de nieuwe wetgeving over de netcongestie in. De aansluiting van Liander staat ingepland in het tweede kwartaal van 2027 en de nutsaansluitingen kunnen pas worden aangelegd als de bouw klaar is, aldus [naam 1] . Uit de door haar overgelegde producties volg dat [verweerster] beschikt over een concreet bouwplan en een bruikbare omgevingsvergunning. Ook heeft zij aannemelijk gemaakt dat op korte termijn zal worden gestart met de verkoop van de te realiseren bedrijfsunits. Voorts volgt daaruit dat zij op 1 maart 2026 een aanvraag heeft gedaan bij Liander. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerster] met deze stukken en haar verklaring ter zitting haar financieel belang bij een spoedige start van de sloop- en bouwwerkzaamheden voldoende heeft onderbouwd.\n\n4.4.. \n [verzoeker] stelt dat het niet realistisch is dat [verweerster] op korte termijn met het project zal kunnen starten. Er wordt volgens [verzoeker] een verkeerde voorstelling van zaken gegeven. [verweerster] beschikt niet over financiering en zou pas met de bouw kunnen starten als 30% van de nieuw te bouwen units verkocht zijn. Zonder voorverkoop heeft volgens [verzoeker] geen bankfinanciering plaatsgevonden en kan dus niet worden begonnen met de sloop en bouw. De kantonrechter volgt [verzoeker] echter niet in zijn stelling. De omstandigheid dat het gebruikelijk is dat bij herontwikkelingsprojecten pas met de bouw wordt begonnen wanneer 30% is verkocht, staat er niet aan in de weg dat de situatie in het onderhavige project anders ligt. [verweerster] loopt daardoor weliswaar meer risico, maar zij heeft aangevoerd dit risico te zullen nemen. Het is ook aan [verweerster] om te bepalen of zij dit risico wil nemen. [verweerster] heeft bovendien voldoende toegelicht dat het ontbreken van duidelijkheid over de datum van ontruiming door [verzoeker] haar belet bij het verder uitvoeren van de ontwikkeling, zoals het inplannen van werkzaamheden en het verkopen van nieuw te realiseren units.\n\n4.5.. Ook aan de stellingen van [verzoeker] met betrekking tot Liander gaat de kantonrechter voorbij. [verweerster] heeft voldoende onderbouwd dat zij een aanvraag bij Liander heeft gedaan. [verzoeker] heeft verder niet betwist dat deze aansluiting wordt aangelegd nadat de sloop en bouw zijn afgerond en dat deze aansluiting op de planning staat in het tweede kwartaal van 2027. Dit betekent dat [verweerster] zo spoedig mogelijk moet aanvangen met de sloop en de bouw van de nieuwe units om deze termijn te halen.\n\n4.6.. \n [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij groot belang heeft bij verlenging van de huurovereenkomst. In de unit zijn verschillende specifieke apparaten voor houtbewerking geïnstalleerd. Hiervoor is ook de meterkast aangepast. Een verhuizing leidt tot hoge kosten, door [verzoeker] begroot op € 45.000,000, en vergt geruime tijd waarbij de onderneming stilstaat. [verzoeker] kan de financiële gevolgen van die stilstand niet dragen, aangezien hij in december 2028 met pensioen gaat. Verhuiskosten zijn vóór die datum niet meer terug te verdienen. Een gedwongen verhuizing leidt dan ook tot onomkeerbare bedrijfsschade. Verder vindt het leeuwendeel van [verzoeker] opdrachten in de zomerperiode plaats, waardoor een ontruiming in deze periode grote financiële gevolgen heeft.\n\n4.7.. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat een verhuizing kort voor het pensioen van [verzoeker] nadelige gevolgen voor hem kan hebben, acht de kantonrechter de belangen van [verweerster] bij voortzetting van de herontwikkeling van het bedrijventerrein thans zwaarder wegen. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat – zoals [verweerster] terecht stelt – [verzoeker] er niet van uit kon en mocht gaan dat hij, na de opzegging in september 2024, als huurder nog voor langere tijd van de bedrijfsruimte gebruik zou kunnen blijven maken. [verzoeker] heeft de tijd gehad zich op een ontruiming voor te bereiden en zijn bedrijfsvoering daarop aan te passen. Inmiddels zijn er immers 2,5 jaar verstreken na de opzegging. Bovendien zullen ook na een tweede (en eventueel derde verlenging) verhuiskosten zijn. Overigens heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd dat die verhuiskosten in totaal € 45.000,00 zouden bedragen. De offerte die hij heeft ingebracht is immers door hem zelf opgesteld, maar onderliggende stukken ter onderbouwing ontbreken. Verder zou het voor [verzoeker] duidelijk moeten zijn dat hij überhaupt niet tot zijn pensioen in het gehuurde zou kunnen blijven, aangezien op grond van artikel 7:230a BW de termijn tot uiterlijk 1 januari 2028 zou kunnen worden verlengd.\n\n4.8.. Voort is het volgende van belang. Een huurder die een (tweede) verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn doet, zal ten minste en voldoende gemotiveerd moeten stellen dat hij zich heeft ingespannen om vervangende ruimte te vinden. [verzoeker] heeft ter zitting aangeven dat het lastig is een nieuwe ruimte te vinden met dezelfde grootte en huurprijs. [verweerster] heeft verwezen naar aanbod van bedrijfsunits op Funda en heeft twaalf beschikbare alternatieve units aangedragen. [verzoeker] heeft aangevoerd dat de aangedragen alternatieven te duur zijn en niet geschikt voor zijn bedrijfsvoering. Vergelijkbare ruimtes in regio kosten meer dan € 2.500,00 per maand tegenover de huidige huurprijs van € 1.300,00 per maand. Het ontbreekt hem dus aan reële alternatieven. [verweerster] heeft erop gewezen dat een groot aantal bedrijfsruimtes te huur staat en vindt dat [verzoeker] voldoende tijd heeft gehad om een alternatieve ruimte te vinden. De kantonrechter is het daarmee eens. [verzoeker] heeft niet onderbouwd op welke wijze hij naar alternatieve ruimtes heeft gezocht en welke hulp hij daar bij heeft ingeschakeld. Van een huurder mag verwacht worden dat hij zich voldoende inspant om zelf alternatieve bedrijfsruimte te vinden. [verzoeker] heeft enkel gesteld dat hij op Funda heeft gekeken, maar die enkele stelling is onvoldoende. Hij heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij serieuze pogingen heeft gedaan om via een bedrijfsmakelaar aan een nieuwe locatie te komen. Bovendien wijst de kantonrechter [verzoeker] erop dat alternatieve bedrijfsruimte niet pas geschikt wordt geacht als die qua huurprijs, ligging en grootte gelijksoortig is aan de unit die [verzoeker] op dit moment huurt. Tot slot zijn de gestelde medische beperkingen en de belangen van de werknemer van [verzoeker] onvoldoende om tot de conclusie te komen dat een verhuizing feitelijk onmogelijk zou zijn.\n\n4.9.. Alles afwegende acht de kantonrechter het belang van [verweerster] om de herontwikkeling van het bedrijventerrein te kunnen voortzetten zwaarder wegen dan het belang van [verzoeker] om in het gehuurde te blijven.\n\n4.10.. Het subsidiaire verzoek komt neer op het uitspreken van een voorwaardelijke veroordeling tot ontruiming. Daarvoor bestaat geen grondslag gelet op artikel 7:230a lid 7 BW: “bij afwijzing van het verzoek stelt de rechter het tijdstip van ontruiming vast”. De omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot het achterwege blijven van een ontruiming (al dan niet voor een bepaald moment) kunnen worden meegewogen bij de beoordeling van het verzoek, maar dit heeft niet geleid tot toewijzing. Als het verzoek wordt afgewezen, zoals in dit geval, dan is geen ruimte voor het uitspreken van een voorwaardelijke ontruiming en moet het tijdstip van ontruiming worden vastgesteld. Hetzelfde geldt voor het verzoek om te bepalen dat geen ontruiming mag plaatsvinden zolang het Gerechtshof de kwalificatieprocedure niet heeft beantwoord.\n\nTegenverzoek\n\n4.2.. \n [verweerster] heeft verzocht om de ontruimingsdatum vast te stellen op 11 juni 2026, omdat op of rond 11 juni 2026 de andere huurder [bedrijf] het gehuurde dient te verlaten. De kantonrechter acht ontruiming op 11 juni 2026 te snel. Gelet op de omstandigheid dat [verzoeker] de tijd moet hebben de unit leeg te halen, zal de kantonrechter de ontruimingsdatum vaststellen op 31 juli 2026.\n\nGebruiksvergoeding\n\n4.3.. \n [verweerster] heeft tot de ontruimingsdatum recht op betaling van een gebruiksvergoeding. De kantonrechter zal deze gebruiksvergoeding vaststellen op de laatstelijk geldende huurprijs, zoals door [verweerster] verzocht. [verzoeker] heeft daartegen geen verweer gevoerd.\n\nProceskosten4.4.. \n [verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [verweerster] betalen. De proceskosten van [verweerster] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n576,00\n\n(2 punten × € 288,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n72,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n648,00\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad4.5.. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [verweerster] heeft daarom verzocht en [verzoeker] heeft daartegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. Een eindbeschikking kan op grond van artikel 288 Rv uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. wijst de verzoeken van [verzoeker] af,\n\n5.2.. stelt het tijdstip van ontruiming van unit [unit] aan het [adres] [nummer] te [vestigingsplaats 1] vast op 31 juli 2026;\n\n5.3.. stelt de gebruiksvergoeding vast op de laatstelijk geldende maandelijkse huurprijs en bepaalt dat [verzoeker] deze maandelijks verschuldigd is tot het moment van ontruiming,\n\n5.4.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 648,00, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking,\n\n5.5.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders verzochte en gevorderde af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. H.D. Coumou, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6619","2026-07-13T00:29:12.207Z",{"id":115,"ecli":116,"slug":117,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":118,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":119,"sourceTimestamp":120,"parsedAt":64,"updatedAt":121},"873","ECLI:NL:GHAMS:2026:915","ecli-nl-ghams-2026-915","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht, team I\n\nzaaknummer : 200.359.732\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Amsterdam : 11479623 \\ CV EXPL 25-306\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2026\n\ninzake\n\nEUROJETS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nappellante in de hoofdzaak,\n\nverweerster in het incident,\n\nadvocaat: mr. M. Bekker te Arnhem,\n\ntegen\n\nAUMAVICO V.O.F.,\n\ngevestigd te Nijmegen,\n\ngeïntimeerde in de hoofdzaak,\n\neiseres in het incident,\n\nadvocaat: mr. W.J. de Vries te Utrecht.\n\n1. Het geding in hoger beroep\n\nPartijen worden hierna Eurojets en Aumavico genoemd.\n\nEurojets is bij dagvaarding van 3 september 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2025 dat onder bovenvermeld zaaknummer is gewezen tussen Aumavico als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en Eurojets als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven van Eurojets;\n\n- memorie van antwoord, tevens incidentele conclusie strekkende tot zekerheidstelling voor de proceskosten en schadevergoeding, met producties, van Aumavico;\n\n- conclusie van antwoord in het incident van Eurojets.\n\nTen slotte is arrest in het incident gevraagd.\n\nAumavico heeft incidenteel gevorderd dat het hof Eurojets zal bevelen om binnen twee weken na dit arrest in het incident zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan Eurojets kan worden veroordeeld voor een bedrag van in totaal € 35.035, 27, bestaande uit € 29.138,27 aan in eerste aanleg toegewezen proceskosten en schadevergoeding, € 2.255,- aan griffierecht in hoger beroep en € 3.642,- aan advocaatkosten in hoger beroep, door betaling van dit bedrag op de derdengeldrekening van de advocaat van Aumavico, uitvoerbaar bij voorraad.\n\nEurojets heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van Aumavico in de kosten van het incident, met rente.\n\n2. Beoordeling\n\nin het incident\n\n2.1.. Aumavico vordert zekerheidstelling voor de proceskosten en schadevergoeding tot betaling waarvan Eurojets kan worden veroordeeld op grond van – naar analogie – artikel 224 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Volgens haar is redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding in Nederland niet mogelijk zal zijn.\n\n2.2.. Naar het oordeel van het hof komt de incidentele vordering van Aumavico niet voor toewijzing in aanmerking. Daarvoor is het volgende redengevend.\n\n2.3.. Op grond van artikel 224 lid 1 Rv dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen van toepassing is. Deze bepaling is op grond van artikel 353 lid 1 Rv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat – zo volgt uit het tweede lid van dat artikel – in hoger beroep van de oorspronkelijke gedaagde geen zekerheid kan worden gevorderd.\n\n2.4.. Met haar beroep ‘naar analogie’ op artikel 224 lid 1 Rv neemt Aumavico terecht tot uitgangspunt dat Eurojets niet op grond van deze bepaling tot zekerheidstelling kan worden verplicht. Als in Amsterdam gevestigde vennootschap, heeft Eurojets immers woonplaats in Nederland. Bovendien was Eurojets in eerste aanleg gedaagde in conventie, zodat ingevolge het bepaalde in artikel 353 lid 2 Rv in hoger beroep van haar, ook als zij wel een in het buitenland gevestigde vennootschap was geweest, geen zekerheid had kunnen worden gevorderd voor zover het hoger beroep betrekking heeft op de oorspronkelijke conventie. Een rechtsgrond voor de incidentele vordering is er dus niet. In elk geval kunnen de door Aumavico aangedragen argumenten dat Eurojets het bestreden vonnis nog niet is nagekomen, het verhaal van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden vonnis frustreert en ook geen vervangende zekerheid heeft gesteld, dat het hof Eurojets ambtshalve zou kunnen veroordelen in de volledige proceskosten omdat zij misbruik maakt van haar bevoegdheid om in hoger beroep te gaan door de wijze waarop zij procedeert en dat de advocaat van Eurojets aan de advocaat van Aumavico heeft meegedeeld dat Eurojets een lege vennootschap is die geen verhaal biedt, wat daarvan verder ook zij, niet tot de conclusie leiden dat de incidentele vordering toewijsbaar is.\n\n2.5.. Dit betekent dat de incidentele vordering tot zekerheidstelling zal worden afgewezen.\n\n2.6.. Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.\n\nin de hoofdzaak\n\n2.7.. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor beraad partijen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n3. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin het incident:\n\nwijst de vordering af;\n\nhoudt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;\n\nin de hoofdzaak:\n\nverwijst de zaak naar de rol van 14 april 2026 voor beraad partijen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, I.A. van der Burg en A.L. Bervoets en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:915","2026-04-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.290Z",20]