[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-local-taxes-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":56,"limit":57},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},152,"local-taxes-nl","Local Taxes","NL","2026-07-08T17:00:05.844Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-02-06T00:00:00.000Z","2026-06-18T00:00:00.000Z",[],[22,32,41,49],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1727","ECLI:NL:GHAMS:2026:1642","ecli-nl-ghams-2026-1642","","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerk 25\u002F738\n\n18 juni 2026\n\nuitspraak van de veertiende enkelvoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [X], wonende te [Z], belanghebbende,\n\n(gemachtigde: WOZ Consultants B.V., vertegenwoordigd door A. Oosters)\n\nalsmede op het incidenteel hoger beroep van\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente], de heffingsambtenaar,\n\ntegen de uitspraak van 17 januari 2025 in de zaak met kenmerk AMS 24\u002F1637 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de onroerende zaak [A-straat] 6 te [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 825.000.\n\n1.2.. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde gehandhaafd.\n\n1.3.. \n\nOp het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank als volgt beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):\n\n“De rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot een bedrag van € 729.000,-;\n\n- bepaalt dat de voor de woning opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting overeenkomstig wordt verminderd;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de uitspraak op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.813,76 aan proceskosten aan eiser.”\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend:\n\neen verweerschrift door de heffingsambtenaar;\n\neen incidenteel hoger beroep door de heffingsambtenaar;\n\neen geschrift omvattende het verweer op het incidenteel hoger beroep en een nadere toelichting door belanghebbende;\n\neen nader stuk door belanghebbende (8 mei 2025).\n\n1.5.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.\n\n2. Geschil in hoger beroep\n\nIn hoger beroep is in geschil de hoogte van de voor de beroepsfase toegekende proceskostenvergoeding. In incidenteel hoger beroep is in geschil of de rechtbank af had moeten zien van ongegrondverklaring van het beroep, omdat partijen het reeds voor de zitting overeenstemming hadden bereikt over de WOZ-waarde (€ 729.000) en enkel nog de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase (de toepassing van artikel 30a Wet WOZ) in geschil was.\n\n3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen\n\n“4. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.\n\n5. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 624,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. In geschil is de vraag of de proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ moet worden vermenigvuldigd met 0,25.\n\n6. Eiser voert aan dat artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing moet worden gelaten omdat dit artikel volgens eiser bij de Hoge Raad geen stand zal houden. Eiser wijst op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2024, waarin het Hof het gelijkluidende artikel 13a, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) buiten toepassing heeft gelaten.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat per 1 januari 2024 artikel 30a van de Wet WOZ van kracht is. In het eerste en tweede lid heeft de wetgever bepaald dat de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd dienen te worden met de daar bepaalde factor. Gelet op het feit dat de uitspraak op bezwaar dateert van 1 februari 2024 is dit artikel van toepassing op de berekening van de proceskosten in beroep. De rechtbank ziet geen aanleiding om vooruit te lopen op toekomstige onzekere gebeurtenissen waarbij dit artikel mogelijk buiten toepassing zal worden gelaten. De rechtbank heeft gezien dat Advocaat-Generaal P.J. Wattel de Hoge Raad heeft geadviseerd om artikel 30a van de Wet WOZ in stand te laten.\n\n8. Dit betekent dat eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding van € 1.813,76\n\n(1 punt à € 624,- voor het indienen van het bezwaar, 1 punt à € 624,- voor het bijwonen van de hoorzitting, € 128,26 voor het taxatierapport, 1 punt à € 875,- x 0,25 voor het indienen van beroep en 1 punt à € 875,- x 0,25 voor het verschijnen ter zitting). Van dit bedrag heeft de heffingsambtenaar al een bedrag van € 1.646,01 aan eiser vergoed. Daarnaast dient de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.”\n\n4. Beoordeling van het principale en het incidentele hoger beroep\n\n4.1.. Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de rechtbank op de door haar berekende proceskostenvergoeding ten onrechte de in artikel 30a, lid 2 Wet WOZ genoemde factor 0,25 heeft toegepast, omdat zijn gemachtigde WOZ-Consultants B.V. (vertegenwoordigd door onder anderen A. Oosters, hierna: “WOZ-Consultants”) aan te merken is als “bijzonder geval” als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Het Hof overweegt ter zake als volgt.\n\n4.2.. In voornoemde rechtsoverweging heeft de Hoge Raad vastgesteld dat de wetgever met de beperking van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ (en de bpm) het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Of het bedrijfsmodel van een gemachtigde aan deze drie cumulatieve voorwaarden voldoet dient te worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend (zie arrest Hoge Raad 26 september 2025, 24\u002F03394bis, ECLI:NL:HR:2025:1382, rechtsoverweging 2.3.3).\n\n4.3.. In zijn uitspraak van 20 januari 2026, nr. 24\u002F3390, ECLI:NL:GHAMS:2026:127, heeft het Hof geoordeeld dat het bedrijfsmodel van WOZ-Consultants vanaf 1 januari 2024 niet (meer) zodanig is ingericht dat sprake is van rechtsbijstandsverlening op basis van no cure no pay. In rechtsoverweging 5.10 en 5.11 van genoemde uitspraak heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat dit oordeel zich uitstrekt tot alle lopende procedures, voor zover het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend in het jaar 2024.\n\n4.4.. Het rechtsmiddel van beroep is door belanghebbende aangewend op 13 maart 2024. Omdat het bedrijfsmodel van WOZ-Consultants op dat moment niet zodanig was ingericht dat sprake was van rechtsbijstandsverlening op basis van no cure no pay, mist de factor van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ toepassing, zodat de grief van belanghebbende slaagt.\n\n4.5.. De heffingsambtenaar heeft ter zitting in hoger beroep de juistheid van de onder 4.3 genoemde uitspraak van het Hof betwist. Hij heeft daarbij verwezen naar het reeds genoemde arrest Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1382, rechtsoverweging 2.3.3. Daarin is gepreciseerd dat, aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van (het kantoor van) diens gemachtigde “kennelijk niet” alle hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, buiten redelijke twijfelmoet komen vast te staan dat een of meer van deze kenmerken ontbreken. Hieruit volgt dat enkel een oordeel over het bedrijfsmodel van de gemachtigde kan worden geveld indien deze alle overeenkomsten, alle facturen en alle betaalbewijzen overlegt. Het Hof volgt de heffingsambtenaar hierin niet, nu niet wordt verlangd dat onomstotelijk, buiten alle twijfel, komt vast te staan dat genoemde kenmerken ontbreken, maar dat volstaat dat dit buitenredelijketwijfel komt vast te staan.\n\n4.6.. Gelet op het vorenoverwogene is de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van (2 punten x € 875 x 1 x 0,25 =) € 437,50 te laag. Ook de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase dient opnieuw te worden vastgesteld, omdat de rechtbank – zoals belanghebbende met juistheid heeft betoogd – is uitgegaan van de puntwaarde van het jaar 2024 in plaats van het jaar 2025. Het Hof stelt de vergoeding voor de bezwaarfase vast op 2 punten (bezwaarschrift + hoorgesprek) x € 666 x 1 = € 1.332 + € 128,26 = € 1.460,26. De vergoeding voor de beroepsfase wordt vastgesteld op 2 punten (beroepschrift + zitting) x € 934 x 1 = € 1.868. De vergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase bedraagt derhalve in totaal € 3.328,26.\n\nIncidenteel hoger beroep4.7.. Het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar is gebaseerd op de onjuiste vooronderstelling dat belanghebbende zijn beroep zou hebben ingetrokken. De brief van de gemachtigde aan de rechtbank van 18 november 2024 kan in redelijkheid niet worden aangemerkt als een intrekking van het beroep. De rechtbank heeft dan ook terecht uitspraak gedaan. Het incidenteel hoger beroep faalt derhalve.\n\nKostenvergoeding hoger beroep en incidenteel hoger beroep4.8.. Het onderwerpelijke hoger beroep is ingesteld op 6 februari 2025. Zoals vermeld in rechtsoverweging 5.11 van de onder 4.3 genoemde uitspraak van het Hof, dient in procedures waarin WOZ-Consultants na 31 december 2024 namens een belanghebbende hoger beroep bij het Hof heeft ingesteld, opnieuw te worden bewezen dat de gemachtigde aangemerkt kan worden als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. Ter voldoening aan deze op hem rustende bewijslast heeft belanghebbende een groot aantal overeenkomsten en facturen overgelegd, betreffende het jaar 2025. Uit de overgelegde bewijsstukken volgt naar ’s Hofs oordeel buiten redelijke twijfel dat WOZ-Consultants ook in het jaar 2025 een bedrijfsmodel hanteerde dat niet kan worden aangemerkt als rechtsbijstandsverlening op basis van no cure no pay.\n\n4.9.. Belanghebbende heeft recht op een (proces)kostenvergoeding voor beroep en incidenteel hoger beroep naar het tarief volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Die vergoeding bedraagt 3 punten (hogerberoepschrift, reactie op incidenteel hoger beroep, zitting Hof) x 0,5 (gewicht van de zaak) x € 934 = € 1.401. Gelet op het overwogene onder 4.6 bedraagt de vergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep in totaal € 3.328,26 + € 1.401 = € 4.729,26.\n\n4.10.. \n\nMet betrekking tot volgende beslissingen over de omvang van de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in elke andere door de WOZ- Consultants, als professionele rechtsbijstandverlener in het jaar 2025 bij de rechtbank of het Hof aanhangig gemaakte procedure over de WOZ en OZB, wordt het volgende overwogen.\n\nNa de vaststelling in deze zaak dat het geval van belanghebbende is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, zal het Hof met het oog op praktische toepassing en uitvoerbaarheid van dat arrest bij het afdoen van elke volgende procedure waarin de gemachtigde namens een belanghebbende in het jaar 2025 beroep bij de rechtbank of hoger beroep bij het Hof heeft ingesteld en die belanghebbende voor het Hof stelt dat zijn geval is aan te merken als zo een bijzonder geval, ervan uitgaan dat de gemachtigde niet werkt op basis van no cure no pay.\n\n4.11.. In procedures waarin WOZ-Consultants na 31 december 2025 namens een belanghebbende hoger beroep bij het Hof heeft ingesteld, zal de belanghebbende die voor het Hof stelt dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, dit moeten bewijzen.\n\nSlotsom4.12.. De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is en het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, maar enkel voor zover het de beslissing inzake de proceskostenvergoeding betreft.\n\n5. Beslissing\n\nHet Hof:\n\n- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar enkel voor zover het de beslissing inzake de proceskosten betreft;\n\n- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ter zake van het bezwaar, beroep en het hoger beroep, vastgesteld op € € 4.729,26 (zie 4.9);\n\n- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht in hoger beroep ad € 143 te vergoeden.\n\nDe uitspraak is gedaan door mr. B.A. van Brummelen, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 18 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nbij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nhet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1642","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:36.040Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":30,"updatedAt":40},"781","ECLI:NL:GHAMS:2026:1782","ecli-nl-ghams-2026-1782","2026-04-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerk 25\u002F1409\n\n16 april 2026\n\nuitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [X], wonende te [Z], belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van 10 april 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24\u002F7665 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [plaats], de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende een aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting ongegrond verklaard.\n\n1.2.. In het daartegen ingestelde hoger beroep heeft belanghebbende een hogerberoepschrift ingediend en de heffingsambtenaar een verweerschrift.\n\n1.3.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Met een scanauto is geconstateerd dat de auto van belanghebbende op 26 september 2024 om 13:14 uur stond geparkeerd langs de [straat] in [plaats], terwijl de op die plaats en op dat moment verschuldigde parkeerbelasting ter zake van dat parkeren niet was voldaan. Daarom heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd, welke aanslag hij bij uitspraak op bezwaar heeft gehandhaafd.\n\n2.2.. Op de [straat] gelden stopverboden. Parkeren is nochtans (in elk geval) toegestaan in diverse verharde parkeervakken, al dan niet gelegen op een parkeerterrein, en op een strook langs de rijbaan bij de golfbaan. Op die laatste strook, waarvan de bovenlaag uit zand met wat grind, split of schelpen bestaat, stond de auto van belanghebbende geparkeerd.\n\n2.3.. In de stukken van het geding bevinden zich diverse foto’s van de [straat] en de directe omgeving, met daarop zichtbaar allerlei bebording over betaald parkeren en diverse parkeermeters. Onmiddellijk aan de strook waar de auto van belanghebbende geparkeerd stond, staat geen betaaldparkerenbord of een parkeermeter, maar wel enige meters verderop bij het direct naastgelegen, verharde parkeerterrein. Aan het begin van de [straat] hing in september 2024 verder een geel bord waarop met zwarte letters was vermeld:\n\n“Let op! Per 1 juli 2023\n\nverkeerssituatie gewijzigd\n\nVanaf 1 juli enkel\n\nbetaald-\u002Fvergunning\n\nparkeren”\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\nIn geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\n4.1.. De rechtbank heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Zij heeft overwogen dat zoveel borden over betaald parkeren en parkeermeters staan in de omgeving van de plek waar de auto van belanghebbende stond geparkeerd, dat duidelijk is dat (ook) daar betaald parkeren geldt, net als in de rest van [plaats], en dat de modderigheid van de bewuste parkeerplek daaraan niet afdoet.\n\n4.2.. In hoger beroep betoogt belanghebbende dat de rechtbank is voorbijgegaan aan de door hem naar voren gebrachte argumenten. Die argumenten komen erop neer dat voor de strook langs de rijbaan waar zijn auto stond geparkeerd het betaald parkeren niet duidelijk kenbaar is gemaakt. De situatie ter plaatse wijst volgens belanghebbende zelfs erop dat op die strook het betaald parkeren juist niet geldt. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing mede naar de “(verkeers)psychologische begrippen perceptie, schema’s en inattentional blindness”.\n\n4.3.. Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat, door de aanwezigheid van vele borden en parkeermeters, te zien op de foto’s in de stukken, voldoende kenbaar is dat ten tijde van het parkeren op de gehele [straat] betaald parkeren gold, zoals in de Verordening Parkeerbelastingen 2024 van Gemeente [plaats] is bepaald. Belanghebbende is langs die borden en meters gereden naar de plek waar hij zijn auto heeft geparkeerd en kon, nog steeds gezien de foto’s in de stukken, bij het uitstappen in zijn directe nabijheid een parkeermeter zien. De bewuste parkeerplek was bovendien duidelijk openbaar terrein, behorende bij de weg, terwijl nergens een uitzondering op het alom in de omgeving (i.e.de plaats [plaats]) geldende betaald parkeren kenbaar is gemaakt. Het ontbreken van bestrating met belijning op de bewuste strook, het ontbreken van een bord of parkeermeter specifiek bij die strook, en de ligging naast een golfclub, wijzen in redelijkheid evenmin op een dergelijke uitzondering.\n\n4.4.. Het Hof heeft ook kennisgenomen van de verkeerspsychologische inzichten waarnaar belanghebbende heeft verwezen, maar die inzichten hebben niet tot een ander oordeel geleid. Indien belanghebbende inderdaad oprecht heeft gedwaald over het betaald parkeren, zoals hij stelt, ligt het veeleer in de rede dat die dwaling het gevolg is van een hem persoonlijk aangaande inattentional blindnessof onoplettendheid. Een perceptie en\u002Fof schematische indeling van de situatie ter plaatse in die zin dat het in de omgeving geldende en kenbaar gemaakte betaald parkeren specifiek op de bewuste strook niet zou gelden, en dat de parkeermeter enige meters verderop er slechts zou staan voor de met klinkers verharde en door belijning gemarkeerde parkeerplaatsen, is naar het oordeel van het Hof in elk geval niet objectief gerechtvaardigd. De situatie ter plaatse had belanghebbende minimaal aanleiding moeten geven het geldende parkeerregime nader te onderzoeken. De gestelde dwaling kan daarom niet afdoen aan de verschuldigdheid van de parkeerbelasting en de kosten van de naheffingsaanslag.\n\n4.5.. Ten slotte moge het zo zijn dat in diverse door belanghebbende aangehaalde uitspraken van andere rechters andere oordelen zijn geveld over de kenbaarheid van betaald parkeren dan wel van parkeerverboden, maar dat zijn casuïstische oordelen over andere plaatsen. Voor deze zaak zijn die uitspraken zonder betekenis.\n\n4.6.. De slotsom is daarom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.\n\n5. Kosten\n\nVoor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1782","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.749Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":30,"updatedAt":48},"779","ECLI:NL:GHAMS:2026:1771","ecli-nl-ghams-2026-1771","2026-03-03T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerk 25\u002F1339\n\n3 maart 2026\n\nuitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [X], wonende te [Z], belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van 17 april 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24\u002F2959 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de onroerende zaak [A-straat] 5 te [Z] (de woning) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 695.000.\n\n1.2.. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.\n\n1.3.. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend:\n\neen aanvulling van de gronden van het hoger beroep door belanghebbende met een aantal bijlagen;\n\neen verweerschrift door de heffingsambtenaar;\n\neen nader stuk van 1 oktober 2025 door belanghebbende, en\n\neen nader stuk van 20 oktober 2025 door belanghebbende.\n\n1.5.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:\n\n“1. Eiser is huurder van de woning. Het betreft een hoekwoning met bouwjaar 1921. De woning is voorzien van drie dakkapellen en een berging.\n\n2. De eigenaar van de woning is [Stichting] te [Z].”2.2.. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling daarop vult het Hof de feiten als volgt aan.\n\n2.3.. De huurwoning is een zogenoemde vrije sector woning (geliberaliseerde woonruimte).\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\nIn hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. In geschil is in het bijzonder of belanghebbende een procesbelang heeft zoals hij stelt en de heffingsambtenaar weerspreekt.\n\n4. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft het volgende overwogen:\n\n“4. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt geldt dat eenieder aan wie een WOZ-beschikking is bekendgemaakt, bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft (zie het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:467). Bij arrest van 8 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:238) is hierop een uitzondering gemaakt. Indien uit de vaststaande feiten volgt dat een gebruiker van een woning door een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde niet in een gunstiger positie kan komen, is geen sprake van een procesbelang. In die gevallen dient, in afwijking van het hiervoor genoemde uitgangspunt, te worden aangenomen dat een rechtsmiddel (bezwaar, beroep of hoger beroep) niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener daarbij geen belang heeft, in die zin dat het aanwenden van dat rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht (zie Hoge Raad 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238). Die situatie doet zich voor indien (i) er geen sprake is van een niet-geliberaliseerde woonruimte en (ii) de indiener als huurder van de woning evenmin anderszins een direct financieel gevolg ondervindt bij een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde. De rechtbank overweegt verder dat het aan degene is die bezwaar maakt of (hoger) beroep instelt om aannemelijk te maken dat hij procesbelang heeft.\n\n5. Een huurder kan dus onder omstandigheden een procesbelang hebben als het gaat om een sociale huurwoning. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij in de vrije sector huurt, waardoor het voorgaande niet van toepassing is.\n\n6. De rechtbank stelt verder vast dat de WOZ-waarde niet gebruikt is als heffingsmaatstaf voor de afvalstoffenheffing, die op hetzelfde biljet is vermeld als de WOZ-beschikking. Uit het biljet volgt dat de afvalstoffenheffing uit een vast bedrag bestaat. De hoogte van de aanslag is dus niet afhankelijk van de WOZ-waarde.\n\n7. Eiser heeft gesteld dat hij voornemens is de woning van de eigenaar te kopen. Eiser heeft aangevoerd dat de WOZ-waarde een van de uitgangspunten is bij het onderhandelen van de koopsom zodat hij belang heeft bij een zo laag mogelijke WOZ-waarde. Eiser heeft verder gesteld dat de WOZ-waarde van belang is voor een eventuele hypotheek en voor financiële en andersoortige processen. Eiser is verder van mening dat de juistheid van de WOZ-waarde ook van groot maatschappelijk belang is.\n\n8. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser vanwege zijn wens ergens in de toekomst de woning te kopen, belang heeft bij de WOZ-waarde van de woning voor 2023, vastgesteld naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Van de overige punten van eiser kan niet worden gezegd dat deze direct financiële gevolgen als bedoeld in voornoemd arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:238) met zich kunnen meebrengen. Eiser heeft daarom geen belang bij een beoordeling van de WOZ-waarde per genoemde waardepeildatum.\n\n9. Gelet op het voorgaande had verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het bestreden besluit bevat dus een verkeerde beslissing. De rechtbank overweegt dat vernietiging van de gedane uitspraak wegens een (vermeende) misslag in de beslissing slechts aangewezen is indien de belangen van de belanghebbende daarmee kunnen worden gediend. Dat zal in het algemeen niet het geval zijn indien het bestuursorgaan naar het oordeel van de rechtbank niet ongegrond, maar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. In het geval van eiser zouden zowel ongegrondverklaring als niet-ontvankelijkverklaring in de weg staan aan de door hem verlangde verlaging van de WOZ-waarde. Met de vernietiging van het besluit zou in het onderhavige geval dus geen enkel belang gediend worden. De rechtbank zal daarom de uitspraak op bezwaar niet vernietigen maar de uitspraak op bezwaar in stand laten (vlg. de arresten van de Hoge Raad van 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238, rechtsoverweging 4.1.5 en 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033, rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3).\n\n10. Kortom, de rechtbank is tot de conclusie gekomen dat verweerder het bezwaar van eiser wegens het ontbreken van een procesbelang niet-ontvankelijk had moeten verklaren, maar omdat de rechtbank de uitspraak op bezwaar desondanks in stand laat, zal de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaren.\n\n11. Bij deze uitkomst ziet de rechtbank geen aanleiding de verhuurder in de gelegenheid te stellen om deel te nemen aan het geding op de voet van 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\nSlotsom\n\n12. Het beroep is ongegrond.”\n\n5. Beoordeling van het geschil\n\n5.1.. Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissingen van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissingen berusten tot de zijne. Mede naar aanleiding van hetgeen belanghebbende in hoger beroep naar voren heeft gebracht, overweegt het Hof in aanvulling daarop als volgt.\n\n5.2.. Belanghebbende is de huurder van de woning waarop de WOZ-beschikking ziet. De met de WOZ-waarde samenhangende belastingen zijn opgelegd aan de eigenaar\u002Fverhuurder van de woning. Belanghebbende heeft in zoverre geen procesbelang.\n\n5.3.. Vorenstaande neemt niet weg dat ook een huurder in voorkomende gevallen een belang kan hebben bij een lagere WOZ-waarde, bijvoorbeeld als de woning een sociale huurwoning is, waarbij de WOZ-waarde van invloed is op de huurprijs. Het is evenwel aan de huurder om de nodige feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken.\n\n5.4.. Daarin is belanghebbende niet geslaagd. In het onderwerpelijke geval is sprake van een zogenoemde ‘vrije sector’ huurwoning en heeft belanghebbende geen aan de huurprijs gerelateerd belang bij de WOZ-waarde gesteld. Dat zijn ‘hele buurt’, zoals belanghebbende betoogt, baat heeft bij een verlaging van de WOZ-waarde van de woning (via het uitstralingseffect) vormt evenmin een procesbelang in voornoemde zin. Het oordeel van de rechtbank is daarom juist.\n\n5.5.. Belanghebbende heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat zijn belang bij een lagere WOZ-waarde is gelegen bij de mogelijkheid dat de eigenaar van de woning, [Stichting], hem in de toekomst de woning ten verkoop aanbiedt, in welk geval deze Stichting de verkoopprijs zal relateren aan de WOZ-waarde.\n\n5.6.. Daargelaten of een dergelijk niet-fiscaal gevolg een procesbelang in voornoemde zin kan opleveren, acht het Hof deze stelling over mogelijke toekomstige gebeurtenissen, die belanghebbende niet in eigen hand heeft, te onbepaald om de conclusie te kunnen dragen dat belanghebbende belang heeft bij de onderwerpelijke procedure over de WOZ-waarde van zijn huurwoning voor het onderwerpelijke jaar (vgl. Hof Amsterdam 1 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3553, r.o. 5.7).\n\n5.7.. Door het ontbreken van een procesbelang komt het Hof aan een inhoudelijke behandeling van de overige door belanghebbende aangevoerde grieven niet toe.\n\nSlotsom5.8.. De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.\n\n6. Kosten\n\nVoor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.\n\n7. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nbij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nhet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1771","2026-07-13T00:28:47.662Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":30,"updatedAt":55},"778","ECLI:NL:GHAMS:2026:1768","ecli-nl-ghams-2026-1768","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerk 25\u002F771\n\n3 februari 2026\n\nuitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [X], wonende te [Z], belanghebbende,\n\n(gemachtigden: G. Gieben en J.F.J.M. van Abbe)\n\ntegen de uitspraak van 7 februari 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24\u002F1164 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de onroerende zaak [A-straat] 8 te [Z] (de woning) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 339.000.\n\n1.2.. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.\n\n1.3.. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend:\n\neen aanvulling van de gronden van het hoger beroep door belanghebbende;\n\neen verweerschrift door de heffingsambtenaar, en\n\nnadere stukken van 29 december 2025 en van 8 januari 2026 door belanghebbende.\n\n1.5.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n\nDe rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld, waarbij belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiseres’:\n\n“1. Eiseres is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een hoekwoning, gebouwd in 1960. De gebruiksoppervlakte van de woning is 97 m². De woning is voorzien van een vrijstaande berging. De oppervlakte van het perceel is 185 m².”\n\n2.2.. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt daaraan het volgende toe.\n\n2.3.. Ter zitting van het Hof heeft de heffingsambtenaar een pleitnota voorgedragen waarin onder meer het volgende is verklaard:\n\n“Samengevat zijn de erfdienstbaarheden dat de voor- en zijtuin alleen als siertuin gebruikt mogen worden en geen uitzicht mogen beperken vanuit de aangrenzende woonerven, dat de daken\u002Ffunderingen mogen oversteken, en de kleuren van het huis instant gehouden moeten worden (deze bepalingen zijn over en weer).\n\nMet betrekking tot het voetpad geldt dat langs de zuidelijke grens (…) een meter voetpad is en op de grens tussen perceel IV en V (dit is nr 8) ook een meter voetpad is (dus een halve meter op de grens van nr 8).\n\nDit zijn echter normale erfdienstbaarheden. (…)\n\nDe rij-referentieobjecten aan [A-straat] 1, [B-straat] 14 en [C-straat] 23 hebben een vergelijkbaar pad achter de woningen, dit zijn namelijk gewone beperkingen.”\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\nIn hoger beroep is in geschil of de WOZ-waarde van de woning te hoog is vastgesteld.\n\n4. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft onder andere het volgende overwogen (daarbij wordt de heffingsambtenaar aangeduid als ‘verweerder’):\n\n“(…)\n\n6. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever \"de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding\".\n\n7. Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.\n\n8. Om te beoordelen of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld, moet de rechtbank de volgende vragen beantwoorden.\n\n1. Zijn de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning van eiseres?\n\n2. Zo ja, heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning?\n\nZijn de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar?\n\n9. Verweerder heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde een matrix overgelegd. In de matrix is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. De vergelijkingsobjecten hoeven niet identiek te zijn aan de woning, mits voldoende rekening is gehouden met de verschillen.\n\n10. De rechtbank acht de vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar met de woning van eiseres. De vergelijkingsobjecten zijn niet te ver van de waardepeildatum verkocht en wat type, bouwjaar en ligging betreft goed vergelijkbaar met de woning. De verschillen zijn niet zo groot dat de vergelijkingsobjecten niet bruikbaar zijn. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten zijn daarom een goed uitgangspunt bij het bepalen van de waarde van de woning.\n\nHeeft verweerder voldoende rekening gehouden met de verschillen?\n\n11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het verweerschrift en de matrix inzichtelijk en aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten.\n\n12. Verweerder heeft de gerealiseerde verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten geanalyseerd en daarbij rekening gehouden met het tijdsverloop tussen de transactiedata en de waardepeildatum, met de verschillen in grootte, ligging, kwaliteit en staat van onderhoud en met het al dan niet aanwezig zijn van bijgebouwen. Het op deze wijze analyseren van de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten heeft geresulteerd in een prijs per eenheid per vierkante meter gebruiksoppervlakte van € 2.582, € 2.632, € 2.465 en € 2.492. Het op gelijke wijze analyseren van de waarde van de woning heeft geleid tot een waarde per vierkante meter gebruiksoppervlakte van € 2.562. De rechtbank is van oordeel dat de waarde per vierkante meter gebruiksoppervlakte van de woning niet in een onjuiste verhouding staat tot de geanalyseerde prijzen per vierkante meter gebruiksoppervlakte van de vergelijkingsobjecten. De prijs per vierkante meter gebruiksoppervlak van de woning ligt in lijn met de gemiddelde prijs per vierkante meter woonoppervlak van de vergelijkingsobjecten. Eiseres heeft gelet op hetgeen zij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat een lagere waarde per vierkante meter voor de woning gerechtvaardigd is. Bij het voorgaande neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat het waarderen van onroerende zaken geen exacte wetenschap is en dat niet is vereist dat de WOZ-waarde van de woning wiskundig wordt bewezen door verweerder.\n\n13. Anders dan eiseres stelt heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de gedateerde keuken en badkamer. Omdat de woning en de vergelijkingsobjecten uit een vergelijkbare bouwperiode stammen kan er in beginsel van worden uitgegaan dat de bouwkwaliteit, het onderhoud en de voorzieningen vergelijkbaar zijn. In de matrix heeft verweerder de factoren ‘kwaliteit’ en ‘onderhoud’ van zowel de woning als de vergelijkingsobjecten [B-straat] 14 en 19 als ‘3’ (gemiddeld) gekwalificeerd. Bij de vergelijkingsobjecten [C-straat] 23 en [A-straat] 1 zijn deze factoren, gelet op de gemoderniseerde voorzieningen, met een ‘4’ gekwalificeerd. De rechtbank oordeelt dan ook dat uit de matrix blijkt dat verweerder kenbaar en voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen in de staat van kwaliteit en onderhoud tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Dat de voorzieningen van de woning met een ‘2’ gekwalificeerd dienen te worden, zoals eiseres ter zitting heeft gesteld, wordt door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de overgelegde foto’s van de keuken (er is geen foto van de badkamer overgelegd) in beroep niet kan worden geconcludeerd dat de keuken in de woning in een slechtere staat verkeert of ouder is dan de keukens van vergelijkingsobjecten uit dezelfde bouwperiode. De beroepsgrond slaagt niet. De keuken en badkamer zijn weliswaar wat ouder maar nog functioneel en bruikbaar. Bij het voorgaande neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat het waarderen van onroerende zaken geen exacte wetenschap is en dat niet is vereist dat de WOZ-waarde van de woning wiskundig wordt bewezen door verweerder.\n\n14. Ten aanzien van het door eiseres drie dagen voor de zitting aangedragen vergelijkingsobject [A-straat] 12 in [Z] stelt de rechtbank allereerst vast dat dit nieuwe object zeer kort voor de zitting bekend is gemaakt aan de rechtbank en aan verweerder. De rechtbank stelt vervolgens vast dat dit object snel, binnen 17 dagen, is verkocht voor een hogere prijs dan de vraagprijs. Verweerder heeft ter zitting gesteld niet voldoende tijd te hebben gehad om dit nieuwe object met zijn taxateur te bespreken. Ook heeft verweerder de iWOZ-kaart niet kunnen bekijken. Onduidelijk blijft bijvoorbeeld of er sprake is van een familieaankoop.\n\n14. De rechtbank heeft vastgesteld dat de nadere stukken met dagtekening 6 januari 2025 eerst op 20 januari jl. zijn ontvangen en daarna in de portal zijn geplaatste. Eerst vanaf dat tijdstip heeft verweerder over die informatie kunnen beschikken. Eiseres heeft het verschil in dagtekening en de kennelijke verzending niet opgehelderd. De rechtbank constateert een schending van het voorschrift van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft verweerder ambtshalve ter zitting in de gelegenheid gesteld om nog een schriftelijke correspondentie te starten. Verweerder heeft dat afgewezen nu hij van mening is dat de aangedragen vergelijkingsobjecten de eindwaarde van de woning op een deugdelijke wijze onderbouwen. De rechtbank respecteert dat standpunt.\n\n15. De rechtbank overweegt dat het verweerder, in het licht van de op hem rustende plicht om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, vrij staat om een eigen keuze aan vergelijkingsobjecten te gebruiken. Dat hoeft niet de best denkbare keuze te zijn, maar de gehanteerde vergelijkingsobjecten moeten wel voldoende representatief zijn. Verweerder is dan ook in beginsel niet gehouden de door eiseres genoemde woning alsnog te betrekken in zijn vergelijking. Daarbij volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat gelet op de lage transactieprijs die significant afwijkt van de andere marktgegevens, waarvan vaststaat dat deze zijn gerealiseerd op de in artikel 17 van de Wet WOZ voorgeschreven wijze van koop en verkoop tussen onafhankelijke partijen. Eiseres op wie naar het oordeel van de rechtbank op dit onderdeel de bewijslast rust nu zij dit object ter onderbouwing van haar standpunt heeft aangedragen, is daarin niet geslaagd. Zij heeft niet dan wel onvoldoende aangedragen om aannemelijk te maken dat dit object, hoewel gelegen in dezelfde straat als de woning, ter onderbouwing kan dienen. De rechtbank kan derhalve niet vaststellen of het object goed vergelijkbaar is en mede in de afweging en oordeelsvorming moet worden betrokken. De gevolgen komen voor rekening van eiseres.\n\n16. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Hetgeen eiseres verder of overigens heeft aangevoerd brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.”\n\n5. Beoordeling van het geschil\n\n5.1.. In hoger beroep bepleit belanghebbende een waarde van € 271.000. Zij verwijst daartoe naar de verkoop van [A-straat] 12 te [Z]. Deze verkoop had zij in eerste aanleg ook reeds ingebracht, maar naar het oordeel van de rechtbank had zij onvoldoende aangedragen om aannemelijk te maken dat dit object ter onderbouwing van de waarde kan dienen (zie overweging 15 van de rechtbankuitspraak). Zij heeft in hoger beroep nadere informatie over de verkoop verstrekt en meent daarmee de bruikbaarheid van dit object aannemelijk te hebben gemaakt. Zij stelt dat dit object het best vergelijkbaar is met de woning. Het verschil in perceelgrootte tussen dit object (140 m2) en de woning (185 m2, zie 2.1) valt grotendeels weg tegen de erfdienstbaarheden die op de woning rusten. Ook het verschil in woningtype ([A-straat] 12 is een tussenwoning) is gelet op deze erfdienstbaarheden niet van belang, aldus belanghebbende. Daarbij heeft het vergelijkingsobject een modernere keuken en badkamer dan de woning. De heffingsambtenaar heeft in hoger beroep een nieuwe waardematrix ingebracht waarin ook [A-straat] 12 is opgenomen, maar belanghebbende meent dat de daarin opgenomen geïndexeerde verkoopprijs van dat object (€ 321.000) onjuist is. Zij acht een geïndexeerde waarde van € 290.000 zuiverder.\n\n5.2.. Het Hof overweegt als volgt. In rechtsoverwegingen 6 en 7 heeft de rechtbank het toetsingskader juist weergegeven; ook het Hof zal hiervan uitgaan. Aan de op hem rustende bewijslast heeft de heffingsambtenaar onder andere invulling gegeven met de inbreng van een vergelijking (in een matrix) met een vijftal vergelijkingsobjecten verkocht rond de waardepeildatum. Drie daarvan zijn, evenals de woning, hoekwoning. Dit zijn [B-straat] 14 en 19 en [A-straat] 1, alle te [Z]. Met de heffingsambtenaar acht het Hof deze drie objecten goed met de woning vergelijkbaar. De heffingsambtenaar heeft in zijn vergelijking wel rekening gehouden met verschillen in de primaire objectkenmerken en kwaliteit, onderhoud en voorzieningen, maar niet met de op de woning rustende erfdienstbaarheden. Hij heeft verklaard dat deze erfdienstbaarheden geen invloed op de waardering hebben, aangezien het gebruikelijke erfdienstbaarheden zijn die bovendien tussen de buurwoningen over en weer gelden en voor de vergelijkingsobjecten [B-straat] 14 en [A-straat] 1 vergelijkbare rechten van overpad gelden (zie 2.3). Het Hof volgt de heffingsambtenaar daarin en is van oordeel dat door de vergelijking met objecten die wat dit betreft gelijkwaardig zijn met de erfdienstbaarheden voldoende rekening is gehouden. Ook overigens heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof voldoende rekening gehouden met de verschillen tussen de woning en deze drie vergelijkingsobjecten.\n\n5.3.. De door de heffingsambtenaar afgeleide prijs per vierkante meter woonoppervlakte van de twee vergelijkingsobjecten aan de [B-straat] zijn hoger dan die welke hij voor de woning heeft gehanteerd (zie overweging 13 van de rechtbankuitspraak). Dat geldt niet voor het object [A-straat] 1 (kavel 196 m2, woonoppervlakte 104 m2). Daarvoor heeft de heffingsambtenaar een iets lagere prijs per vierkante meter woonoppervlakte afgeleid van € 2.492 (gecorrigeerd voor de betere kwaliteit, onderhoud en voorzieningen van dat object). Gelet op de verkoopprijs van dit object van € 550.123 (per 31 augustus 2022) acht het Hof deze afgeleide prijs per vierkante meter eerder te laag dan te hoog. Ook het gemiddelde van deze drie door de heffingsambtenaar afgeleide prijzen per vierkante meter is hoger dan die welke hij voor de woning heeft gehanteerd.\n\n5.4.. Naast de drie hoekwoningen heeft de heffingsambtenaar de objecten [C-straat] 23 en [A-straat] 12, beide te [Z], in zijn matrix betrokken. Deze woningen zijn van een ander type (rijwoningen) dan de woning. Nu voldoende marktgegevens van betere vergelijkbare hoekwoningen beschikbaar zijn, acht het Hof de marktgegevens van deze minder goed vergelijkbare rijwoningen voor de beoordeling van de WOZ-waarde van minder gewicht.\n\n5.5.. Het voorgaande brengt het Hof tot het oordeel dat de heffingsambtenaar met zijn vergelijking met de drie in 5.3 genoemde objecten, aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem beschikte waarde niet te hoog is. Ook gewogen tegen de marktgegevens van de twee rijwoningen (zie 5.4) en tegen hetgeen belanghebbende daarover en overigens naar voren heeft gebracht, acht het Hof de heffingsambtenaar in de op hem rustende bewijslast geslaagd.\n\nSlotsom5.6.. De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.\n\n6. Kosten\n\nVoor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.\n\n7. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nbij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nhet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1768","2026-07-13T00:28:47.624Z",1,20]