[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-theft-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":67,"limit":68},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},107,"theft-nl","Theft","NL","2026-07-08T16:56:56.553Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2023-08-24T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[],[22,32,41,50,59],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"568","ECLI:NL:RBAMS:2026:6929","ecli-nl-rbams-2026-6929","","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeam Strafrecht\n\nParketnummers: 13\u002F297922-25 (zaak A) en 13\u002F262825-25 (zaak B)\n\nParketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13\u002F038698-23, 13\u002F221373-24 en\n\n15\u002F208785-24\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres\n\n [adres 1],\n\nthans gedetineerd te: [detentieadres],\n\nhierna: verdachte.\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. T.H.L. Kneepkens en mr. R.L.M. Meulman, naar voren hebben gebracht.\n\nDe rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat door en namens de benadeelde partij [benadeelde partij] en zijn advocaat, mr. R.G. van der Laan, naar voren is gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – na een wijziging in zaak A op de zitting van 20 februari 2026 – kort weergegeven - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\nzaak A\n\ndiefstal van gouden kettingen van [benadeelde partij] met geweld en bedreiging met geweld in vereniging met een discriminatoir oogmerk op 14 oktober 2025 in Amsterdam\n\nzaak B\n\ndiefstal van geld en sieraden uit een woning door middel van braak op 30 juli 2025 in Amsterdam\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe tenlastelegging is opgenomen in bijlage Ibij dit vonnis.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. Standpunt van het openbaar ministerie\n\nDe officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de in zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan, met uitzondering van het tonen van een vuurwapen in zaak A. Daarvoor heeft zij partieel vrijspraak gevorderd. Volgens de officier van justitie kan worden bewezen dat het tenlastegelegde in zaak A bovendien is gevolgd door gedragingen die haat en discriminatie tot uitdrukking brachten.\n\n3.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte in zaak A partieel moet worden vrijgesproken van het tonen van een vuurwapen. Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat verdachte in zaak A moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde discriminatie als strafverzwarende omstandigheid, nu verdachte ontkent dat hij ‘kanker koelie” heeft gezegd. Niet is gebleken dat hij zich heeft laten leiden door de afkomst, huidskleur, nationaliteit, godsdienst of enig ander persoonskenmerk van aangever. Voor zaak B heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3. Oordeel van de rechtbank\n\nPartiële vrijspraak (Zaak A)\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde in zaak A en zaak B is bewezen, met uitzondering van het tonen van een vuurwapen in zaak A. De verklaring van aangever vindt op dit punt geen steun in enig ander bewijsmiddel. Voor dit onderdeel van de tenlastelegging bevat het dossier onvoldoende bewijs, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.\n\nDiscriminatie (zaak A)\n\nArtikel 44bis Wetboek van strafrecht (Sr) bepaalt dat indien een strafbaar feit wordt gepleegd met een discriminatoir oogmerk (de a-variant) dan wel dat deze wordt voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door discriminerende uitlatingen of gedragingen (de b-variant), er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid.\n\nDe rechtbank zal verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde onderdeel ‘dat het feit wordt begaan met een discriminatoir oogmerk’, nu de uitlatingen van verdachte, hoe verwerpelijk ook, in deze situatie niet zijn geëigend om te spreken van een discriminatoir oogmerk zoals bedoeld in art. 44bis. De rechtbank zal verdachte wel veroordelen voor de zogenaamde ‘b-variant’ en de rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\nVerdachte heeft beseft dat hij – door ‘kanker koelie’ te zeggen – noodzakelijkerwijs haat tegen en discriminatie van een groep mensen – te weten Hindoestanen – tot uitdrukking heeft gebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat het woord ‘koelie’ – in dit geval kracht bijgezet door daar ‘kanker’ aan toe te voegen – een beledigende en denigrerende term is die voor Hindoestanen zeer kwetsend is. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij weet wat het woord ‘koelie’ betekent en wat de strekking daarvan is. De rechtbank acht dan ook bewezen dat door het gebruik van deze term sprake is van een gedraging die haat tegen en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras tot uitdrukking bracht. Dat uit het dossier niet volgt dat verdachte de straatroof heeft gepleegd met het oogmerk om te discrimineren, maakt immers gelet op de b-variant van artikel 44b Sr voor de strafverzwarende werking niet uit.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage IIvervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat:\n\nzaak A\n\nhij op 14 oktober 2025 te Amsterdam, omstreeks 02:00, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, gouden kettingen, die aan [benadeelde partij] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- één of meerdere malen aan de kettingen van die [benadeelde partij], terwijl voornoemde goederen zich om de nek van [benadeelde partij] bevonden, te trekken en\n\n- die [benadeelde partij] te vegen en\u002Fof op de grond te gooien en\n\n- die [benadeelde partij] te slaan tegen het lichaam\n\nterwijl dit strafbare feit werd gevolgd door een gedraging die haat tegen en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, tot uitdrukking bracht;\n\nzaak B\n\nhij op 30 juli 2025 te Amsterdam, in een woning, te weten de [adres 2], alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en contant geld, die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n7. Motivering van de straf en maatregelen\n\n7.1. De eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Zij heeft verzocht daarbij als bijzondere voorwaarden op te leggen een contactverbod met de medeverdachte en aangever in zaak A.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht een lagere gevangenisstraf op te leggen dan de eis en aan te sluiten bij de straf die aan de medeverdachte is opgelegd (140 dagen jeugddetentie waarvan 30 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 120 uren).\n\n7.3. Oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nErnst van de feiten\n\nIn zaak A heeft verdachte zich ‘s nachts in het centrum van Amsterdam schuldig gemaakt aan het medeplegen van een straatroof. Hij is daarbij zeer berekenend te werk gegaan. Verdachte had het slachtoffer even daarvoor in een restaurant gezien, en nadat zijn vriend contact met het slachtoffer maakte, gezien dat hij twee gouden kettingen droeg. Deze wilde verdachte kennelijk kostte wat kost hebben. Hij heeft hulp ingeschakeld, is het slachtoffer gaan volgen en heeft vervolgens samen met de medeverdachte met geweld de kettingen van de nek van het slachtoffer getrokken waarbij verdachte het slachtoffer heeft gediscrimineerd. Verdachte heeft verklaard dat het niet goed met hem ging, dat hij lachgas gebruikte en geld nodig had, en de volgende dag heeft hij ten minste één van de kettingen verkocht aan een juwelier, die het goud heeft omgesmolten. De kettingen, die voor het slachtoffer van grote emotionele waarde zijn, zijn daarmee voor altijd weg. Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit. Uit de slachtofferverklaring is gebleken dat de straatroof diepe indruk op het slachtoffer heeft gemaakt en dat hij nog altijd de vervelende gevolgen daarvan ondervindt. Daarnaast leiden dit soort straatroven in het algemeen tot onrust en angst in de maatschappij.\n\nIn zaak B heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan een woninginbraak, waarbij de deur en het slot zijn beschadigd en contant geld en een grote hoeveelheid sieraden is buitgemaakt. Door zijn handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de eigendom en persoonlijke leefomgeving van anderen. Een woningbraak kan nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woning als bij de buurtbewoners. Verdachte heeft geen enkele rekening gehouden met deze gevolgen en ook bij het plegen van dit feit alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nUit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 januari 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Hierdoor is sprake van recidive. Bovendien liep verdachte tijdens het plegen van de onderhavige feiten in drie proeftijden en hingen hem forse voorwaardelijke gevangenisstraffen boven het hoofd van 4 maanden, 6 weken en 159 dagen. Het is zeer zorgelijk dat zelfs drie voorwaardelijke straffen verdachte er niet van hebben kunnen weerhouden gewelds- en vermogensdelicten te plegen.\n\nVerder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten waaronder de rapporten van 26 mei 2026 en 3 februari 2026. Hierin wordt onder meer gerapporteerd dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Verdachte kent een uitgebreid reclasseringsverleden en staat sinds mei 2023 onder toezicht van de reclassering. Vanuit de reclassering is hij sterk ingebed in hulpverlening. Er is bewindvoering opgestart en hij heeft een zelfstandige woning bij [zorginstelling] gekregen. Vanuit de gemeente wordt hij begeleid om bestendige dagbesteding te vinden. Na de recidive in 2024 heeft hij een behandeling bij Inforsa succesvol afgerond. Kortom, op vrijwel alle leefgebieden is (forensische) hulpverlening betrokken geweest. Desondanks heeft dit hem er niet van weerhouden opnieuw te recidiveren en lijkt het zich wenden tot delictgedrag een keus. De reclassering ziet geen mogelijkheden meer om met interventies en toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert dan ook oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden, opheffing van de voorwaardelijke kaders en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen.\n\nTot slot stelt de reclassering dat de bekennende houding ten aanzien van de feiten de criminogene houding van verdachte niet verandert. Hij lijkt zichzelf onverminderd als slachtoffer van de situatie te zien en zegt dat zijn daadwerkelijke persoonlijkheid afwijkt van de persoon die uit zijn strafblad en daden naar voren komt. Hiermee toont hij wat betreft de reclassering weinig daderbewustzijn. [reclasseringsmedewerker], reclasseringswerker, is ter zitting als deskundige gehoord en heeft verklaard dat hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard niet tot een ander advies leidt.\n\nDe straf\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die strafrechters in Nederland hanteren en die voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging bij veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden als vertrekpunt vermelden. Voor woninginbraak geldt bij veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden als vertrekpunt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd en de persoon van verdachte uitsluitend strafverzwarende omstandigheden zijn gelegen. Gelet op het advies van de reclassering ziet de rechtbank bovendien geen aanleiding om een gedeelte van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Om die reden zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan is geëist en aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee jaar.\n\n8. Beslag\n\nOnder verdachte zijn vier flessen lachgas en een telefoon in beslaggenomen.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de flessen lachgas moeten worden onttrokken aan het verkeer en dat de telefoon aan verdachte kan worden teruggegeven.\n\nDe flessen lachgas die aan verdachte toebehoren dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf in zaak A en verdachte heeft verklaard dat hij dit strafbare feit heeft gepleegd omdat hij geld nodig had voor lachgas, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.\n\nDe rechtbank zal bepalen dat de telefoon aan verdachte moet worden teruggegeven.\n\n9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel in zaak A\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een vergoeding van materiële schade van primair € 29.535,99 (vervangingswaarde van de twee gouden kettingen), subsidiair € 14.366,- (intrinsieke goudwaarde) en meer subsidiair € 5.433,- (beleenwaarde). Aan vergoeding van immateriële schade vordert hij een bedrag van € 7.500,-.\n\n9.1. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair gevorderde bedrag aan materiële en immateriële schade geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n9.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft voor de materiële schade bepleit dat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Voor de immateriële schade heeft de verdediging, onder verwijzing naar jurisprudentie en het vonnis van de medeverdachte, bepleit dat het bedrag moet worden gematigd tot € 2.500,-.\n\n9.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.\n\nMateriële schade\n\nHet primair gevorderde bedrag aan vergoeding van materiële schade betreft de vervangingswaarde van de twee gouden kettingen. De benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat de totale kosten voor het opnieuw vervaardigen van de twee kettingen € 29.535,99 bedraagt. Deze begroting is gebaseerd op 22 karaat goud, een totaalgewicht van 136,4 gram, de actuele consumentenprijs van goud, een maakloon van 16,67 % en commerciële opslagen inclusief lokale BTW. De rechtbank is van oordeel dat de vervangingswaarde door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist en daarmee vaststaat.\n\nDe rechtbank is voorts van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd dat verdachte twee met de hand gemaakte gouden koningskettingen heeft weggenomen, die de benadeelde partij van zijn moeder heeft geërfd en dus van grote emotionele waarde zijn. Van ten minste één ketting is bekend dat een juwelier het goud heeft omgesmolten. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het redelijk en billijk is om de geleden en te vergoeden materiële schade te begroten aan de hand van de vervangingswaarde. De rechtbank zal daarom het gevorderde bedrag van € 29.535,99 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nImmateriële schade\n\nOp grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en hierdoor in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen, waarvoor de behandeling minimaal een jaar zal duren. Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, deel B Geestelijk letsel, 14.2 PTSS, onder d. Zij stelt de vergoeding naar billijkheid vast op € 5.000,-, zodat dit bedrag – vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2025– zal worden toegewezen. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.\n\nHoofdelijkheid\n\nVerdachte wordt hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de schade omdat verdachte het feit samen met anderen\u002Feen ander heeft gepleegd.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nIn het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.\n\n10. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen\n\nDe officier van justitie vordert tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen die zijn opgelegd in de zaken met parketnummers 13\u002F038698-23, 13\u002F221373-24 en 15\u002F208785-24. De vorderingen zijn op 15 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.\n\nDe zaak met parketnummer 13\u002F038698-23 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 5 april 2023 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bij vonnis van de politierechter Noord-Holland van 9 juli 2024 is de proeftijd met één jaar verlengd. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2024 zijn van de opgelegde 6 maanden 60 dagen tenuitvoer gelegd, zodat thans 4 maanden resteren.\n\nDe zaak met parketnummer 13\u002F221373-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 25 oktober 2024 van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 159 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe zaak met parketnummer 15\u002F208785-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 9 juli 2024 van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nIn voornoemde vonnissen is bepaald dat het deel van de straf dat voorwaardelijk is opgelegd niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wist dat hij in deze zaken tot de betreffende voorwaardelijke straffen is veroordeeld.\n\nGebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijden aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke strafdelen te bevelen.\n\n11. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 44bis, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n12. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nzaak A\n\ndiefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl deze diefstal gevolgd werd door een gedraging die haat en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras tot uitdrukking bracht.\n\nzaak B\n\ndiefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvan 2 (twee) jaar.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nVerklaart onttrokken aan het verkeer:\n\n4 STK Verdovende Middelen (goednummer G6732982).\n\nGelast de teruggave aan [verdachte] van:\n\n1 STK Telefoontoestel (goednummer G6732971)\n\nWijst de vorderingvan de benadeelde partij [benadeelde partij]gedeeltelijk toetot een bedrag van € 34.535,99 (vierendertigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 oktober 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVoormeld bedrag bestaat voor € 29.535,99 (negenentwintigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent) uit materiële schade en voor € 5.000,- (vijfduizend euro) uit immateriële schade.\n\nVeroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij], aan de Staat€ 34.535,99 (vierendertigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 173 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte en\u002Fof een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van het restant van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 5 april 2023 (parketnummer 13\u002F038698-23) namelijk 4 (vier) maanden gevangenisstraf.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 25 oktober 2024 (parketnummer 13\u002F221373-24) namelijk 159 (honderdnegenenvijftig) dagen gevangenisstraf.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 9 juli 2024 (parketnummer 15\u002F208785-24) , namelijk 6 (zes) weken gevangenisstraf.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M.C. Danel, voorzitter,\n\nmrs. E.G. Fels en G. Oldekamp rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.\n\n […]","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6929","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:37.130Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":30,"updatedAt":40},"1050","ECLI:NL:RBAMS:2026:6866","ecli-nl-rbams-2026-6866","2026-07-03T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummers: 13-325519-25 (zaak A), 13-336791-25 (zaak B) en 13-340138-25 (zaak C)\n\n(ter terechtzitting gevoegd)\n\nDatum uitspraak: 3 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [de verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1994,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:\n\n [BRP-adres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd op de terechtzitting van 13 maart 2026. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\nmr. C. Nij Bijvank, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Schouten, naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\nzaak A\n\nbelaging van [slachtoffer 1] in de periode van 17 november 2025 tot en met 29 november 2025 in Amsterdam;\n\nzaak B\n\ndiefstal van winkelgoederen bij de Albert Heijn op 9 december 2025 in Amsterdam;\n\nzaak C\n\nvernieling van een vlinderstruik van [slachtoffer 2] op 12 december 2025 in Hilversum.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. \n\nHet standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten\n\nlaste gelegde feiten.\n\n3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde belaging heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, omdat er geen sprake is van belaging in de zin van artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van de ten laste gelegde diefstal en vernieling heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nZaak A\n\nDe rechtbank stelt – voor zover hier relevant – voorop dat van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht sprake is als een verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander. Stelselmatig betekent met een bepaalde intensiteit, duur en\u002Fof frequentie (Kamerstukken II 1997\u002F98, 25768, p. 17). Van belang zijn daarnaast de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1557, NJ 2025\u002F302). Niet is vereist dat de belaging ononderbroken of gedurende de gehele periode plaatsvindt en evenmin dat iedere gedraging op zichzelf wederrechtelijk is. Het komt aan op het totaalbeeld dat uit de verschillende gedragingen naar voren komt.\n\nDe rechtbank stelt op basis van de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] vast dat verdachte zich vanaf november 2025 jaloers en bezitterig tegen aangeefster, die zijn programmabegeleider was bij het COA, is gaan gedragen. Zo heeft hij tegen collega’s van [slachtoffer 1] en tegen medebewoners gezegd dat [slachtoffer 1] en hij zouden gaan trouwen. Ook werd verdachte boos en jaloers als [slachtoffer 1] met mannelijke medebewoners praatte. [slachtoffer 1] heeft verdachte meermaals gezegd dat hij hiermee moest stoppen en dat hun contact enkel werk-gerelateerd was. Bij zo’n gesprek op 20 november 2025 was ook getuige [getuige 1] aanwezig die zag dat verdachte in reactie hierop een flauwe glimlach vertoonde en hoorde dat hij zei dat hij een toekomst met haar wilde. Dat [slachtoffer 1] geen relatie met hem wilde leek niet tot hem door te dringen.\n\nVerdachte bleef zich ondanks verzoeken van aangeefster te stoppen met zijn gedrag op dezelfde wijze richting [slachtoffer 1] gedragen. Op 21 november 2025 is verdachte overgeplaatst naar een COA-locatie in [plaats 1] en heeft hij een locatieverbod gekregen voor de ‘[naam COA-locatie]’, de COA-locatie in [plaats 2] , alwaar aangeefster werkzaam is. Verdachte is op 24, 25, 28 en 29 november 2025, ondanks het locatieverbod, bij [naam COA-locatie] langs geweest. Op 28 november 2025 is door de politie een stopgesprek met verdachte gevoerd. Wat betreft de invloed van verdachtes gedrag op het persoonlijk leven van aangeefster heeft de politie geverbaliseerd dat [slachtoffer 1] tijdens de aangifte zeer geëmotioneerd was en huilde, en dat zij vertelde dat ze bang was als ze in de omgeving van haar werk was dat verdachte ineens weer voor haar zou staan.\n\nUit de gedragingen van verdachte komt naar voren dat hij op indringende en intensieve wijze heeft geprobeerd met [slachtoffer 1] in contact te komen. Het moet voor verdachte duidelijk zijn geweest dat aangeefster geen contact met hem wilde hebben. Dit heeft [slachtoffer 1] meermalen uitdrukkelijk tegen verdachte gezegd. Bovendien is hij op 21 november 2025 overgeplaatst naar [plaats 1] en is hem daarbij verboden zich in de omgeving van [naam COA-locatie] te begeven. Zelfs het stopgesprek wat de politie op 28 november 2025 met verdachte heeft gevoerd heeft hem niet weerhouden de volgende dag wederom [naam COA-locatie] te bezoeken. Volgens de rechtbank toont dit aan dat verdachte welbewust contact is blijven zoeken met aangeefster, ook nadat hem duidelijk moet zijn geworden dat zij dit niet wilde.\n\nDe rechtbank gelooft de verklaring van verdachte niet dat juist aangeefster avances naar hem maakte en dat hij naar [naam COA-locatie] kwam omdat hij een afspraak zou hebben bij de IND,nu deze verklaringen op geen enkele wijze door het dossier worden ondersteund. Ten aanzien van de eerste bewering geldt bovendien dat verdachte dit pas op de zitting voor het eerst heeft gemeld en de rechtbank deze mededeling in het licht van de verklaringen van aangeefster en haar collega’s ook niet geloofwaardig acht. De rechtbank gaat aan de verklaringen van verdachte voorbij en gaat uit van de juistheid van de aangifte en getuigenverklaringen\n\nGelet op de voorgaande handelingen, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een opzettelijke, wederrechtelijke, stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Hierbij heeft [slachtoffer 1] moeten dulden dat verdachte telkens weer contact met haar heeft geprobeerd op te nemen en heeft hij geen acht geslagen op haar mededelingen dat zij dit heel vervelend vond. Het gedrag van verdachte was des te indringender nu dit gebeurde op haar werkvloer en richting cliënten van aangeefster, waardoor zij zich daar niet meer vrijelijk kon bewegen. Het relatief korte tijdsbestek staat volgens vaste jurisprudentie niet in de weg aan een bewezenverklaring van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.\n\nDe rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt.\n\nPartiële vrijspraak derde gedachtestreepje\n\nDe rechtbank is het met de raadsvrouw eens dat uit het dossier niet volgt dat verdachte Whatsapp-berichten naar [slachtoffer 1] heeft gestuurd of telefonisch contact met haar heeft opgenomen. Van dit onderdeel wordt verdachte vrijgesproken.\n\nZaak B en zaak C\n\nDe rechtbank acht op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige\n\ninhoud van het dossier bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van winkelgoederen bij de Albert Heijn-filiaal aan [plaats 3] (zaak B) en van het vernielen van de vlinderstruik van [slachtoffer 2] in [plaats 1] (zaak C).\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte:\n\nzaak A\n\nin de periode van 17 november 2025 tot en met 29 november 2025 te Amsterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door\n\n- tegen collega's van die [slachtoffer 1] en medebewoners van het COA te zeggen dat hij, verdachte, en [slachtoffer 1] gaan trouwen en\n\n- boos en jaloers te worden op medebewoners als zij met die [slachtoffer 1] praten en\n\n- meermalen, te weten op 24 en 25 en28 en 29 november 2025, naar de werkplek van die [slachtoffer 1] toe te komen,\n\nmet het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te dulden;\n\nzaak B\n\nop 9 december 2025 te Amsterdam goederen die aan het winkelbedrijf Albert Heijn gevestigd aan de [plaats 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nzaak C\n\nop 12 december 2025 te Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk een vlinderstruik die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft vernield.\n\n5. Het bewijs\n\nDe rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de\n\nfeiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Die bewijsmiddelen zijn\n\nopgenomen in bijlage IIbij dit vonnis.\n\nTen aanzien van het in zaak B en zaak C bewezenverklaarde volstaat de rechtbank met een\n\nopsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek\n\nvan Strafvordering, omdat verdachte dit bewezen feit heeft bekend, hij nadien niet anders\n\nheeft verklaard en zijn raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit.\n\n6. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n7. De strafbaarheid van verdachte\n\n7.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de belaging verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard, en ten aanzien van de diefstal sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Voor de vernieling is verdachte volgens de officier van justitie volledig ontoerekeningsvatbaar en dient hij daarvoor te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n7.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is ten aanzien van de door hem gepleegde feiten. Verdachte is\n\ndaarom niet strafbaar en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n7.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op\n\nde Pro Justitia-rapportage van 3 april 2026, opgemaakt door deskundige [GZ-psycholoog] ,\n\nGZ-psycholoog.\n\nDe rapporteur heeft vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een stoornis in gebruik van cannabis, in vroege remissie in een gereguleerde omgeving én een psychotische stoornis door cannabis. Verdachte is cannabis gaan gebruiken vanaf april 2025, waarbij het gebruik is toegenomen tot een dagelijks patroon vanaf november 2025. Toen ontstonden duidelijke\n\ngedragsveranderingen, met een geleidelijke toename van impulsiviteit, verwardheid, gebrekkige zelfcontrole en afnemende realiteitstoetsing (resulterend in waangedachten). Verdachte heeft nooit eerder psychotische klachten gehad en na gedwongen abstinentie van cannabis in detentie is hij snel hersteld, hetgeen de diagnose onderschrijft, aldus de rapporteur.\n\nDe rapporteur heeft geconcludeerd dat bij verdachte ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van deze stoornissen. Hij koppelt de ten laste gelegde belaging van november 2025 aan het startpunt van de psychotische episode, waarbij waangedachten, maar ook nog enige beheersing van zijn gedrag en de gevolgen daarvan bestonden. De rapporteur adviseert dit feit (al dan niet sterk) verminderd aan verdachte toe te rekenen. De realiteitstoetsing en de zelfbeheersing schoten ten tijde van de winkeldiefstal in december 2025 ernstig tekort, en voor dit feit wordt geadviseerd tot een sterk verminderde toerekenbaarheid. De vernieling van een vlinderstruik een paar dagen later werd volgens rapporteur volledig ingegeven door waangedachten waar betrokkene geen weerstand aan kon bieden. De rapporteur adviseert dan ook dit feit niet aan verdachte toe te rekenen.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van de rapporteur over dat bij verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was van een stoornis in gebruik van cannabis, in vroege remissie in een gereguleerde omgeving en een psychotische stoornis die is ontstaan door cannabis. Anders dan de rapporteur adviseert, is de rechtbank van oordeel dat deze stoornissen niet leiden tot ontoerekenbaarheid van verdachte.\n\nVolgens de Hoge Raadkan de rechter op grond van artikel 39 Sr beslissen dat het tenlastegelegde niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit. Gedragingen van de verdachte die aan het optreden van de in artikel 39 Sr bedoelde stoornis zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het oordeel dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend in de zin van deze bepaling, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn als het optreden van de stoornis aan de verdachte zelf te wijten is geweest omdat hij verdovende middelen heeft gebruikt.\n\nVerdachte heeft er zelf voor gekozen cannabis te gaan gebruiken. Hij is door het gebruik van cannabis verwijtbaar komen te verkeren in een psychotische toestand. Hij kon weten dat het gebruik van dat roesverwekkende middel effect heeft op de psychische toestand en dat dit middel zijn functioneren kon beïnvloeden. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid is dat het psychisch functioneren na gebruik van dergelijke middelen van persoon tot persoon verschilt. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk moet worden gehouden voor zijn daden en de gevolgen daarvan.\n\nEr is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n8. Motivering van de straffen en maatregelen\n\n8.1.. \n\nDe eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de door haar bewezen\n\ngeachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur die door verdachte in verzekering en is voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten 92 dagen.\n\n8.2.. \n\nHet strafmaatverweer van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over een op te leggen straf.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nAard en ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten die stuk voor stuk overlast en gevoelens van angst hebben teweeggebracht bij de directbetrokkenen. [slachtoffer 1] heeft zich door de bewezen belaging zowel op haar werk als in haar privéomgeving zeer onveilig gevoeld. Zij moest continu op haar hoede zijn doordat verdachte geen blijk gaf het locatieverbod of het stopgesprek serieus te nemen. Hij heeft daarmee zijn eigen wil opgedrongen aan [slachtoffer 1] , wat de rechtbank hem aanrekent. Ook de diefstal heeft overlast veroorzaakt, in het bijzonder voor het aanwezige winkelpersoneel. Ten slotte heeft verdachte een vlinderstuik vernield. Uit het dossier blijkt dat verdachte daarbij een regelrechte ravage heeft veroorzaakt. De omwonenden hebben door het onvoorspelbare gedrag van verdachte onrust en ongemak ervaren.\n\nDe persoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 7 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Ook is verdachte na de bewezen verklaarde feiten niet nogmaals in beeld gekomen bij justitie.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende, acht de rechtbank met de officier van justitie een gevangenisstraf passend gelijk aan de duur die door verdachte in verzekering en is voorlopige hechtenis is doorgebracht. Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank daarbij tot een gevangenisstraf voor de duur van negentig dagen.\n\n9. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 285b, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nzaak A\n\nbelaging;\n\nzaak B\n\ndiefstal;\n\nzaak C\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [de verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvan90 (negentig) dagen.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nHeft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,\n\nmrs. B.C. Langendoen en C.C.J. Maas-van Es, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2026.\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n5. [… 2]\n\n [… 2]\n\n7. [… 2]\n\n .\n\nHR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295\n\nVgl. HR 9 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC0902 en HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6866","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:01.260Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":30,"updatedAt":49},"1565","ECLI:NL:RBAMS:2026:6632","ecli-nl-rbams-2026-6632","2026-06-02T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeam Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F149909-23\n\nDatum uitspraak: 2 juni 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende op het adres [adres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 mei 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. J.J. Veldheer, en M.C.E.A. Kloosterman, en de heer [naam] , namens de benadeelde partij [naam stichting 1] , naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\ndiefstal van 118 dozen (medische) nietjes van [naam stichting 1] (hierna: [naam stichting 1]) in de periode van 1 juli 2022 tot en met 17 januari 2023 in Amsterdam;\n\ndiefstal van 1500 tot 2000 dozen (medische) nietjes van [naam stichting 2] (hierna: [naam stichting 2]) in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 januari 2023 in Heerlen en\u002Fof Sittard-Geleen;\n\nopzet\u002Fschuldheling van 26 dozen (medische) nietjes in de periode van 20 september 2022 tot en met 10 januari 2023 in Heerlen en\u002Fof Sittard-Geleen en\u002Fof Achterveld.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\n3. Waardering van het bewijs3.1.. Het standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nTen aanzien van feit 3 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij de dozen medische nietjes heeft gestolen en daardoor niet ook kan worden veroordeeld wegens heling van deze nietjes.\n\nDe officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat het ten laste gelegde onder 1 en 2 kan worden bewezen.\n\nVerdachte moet van de onder 2 ten laste gelegde aantallen van 1500 – 2000 dozen partieel worden vrijgesproken, omdat deze hoeveelheid onvoldoende uit het procesdossier blijkt.\n\n3.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte voor het onder feit 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat hij de dozen medische nietjes heeft gestolen en daardoor niet ook kan worden aangemerkt als heler.\n\nTen aanzien van feit 1 en feit 2 verzoekt de verdediging verdachte partieel vrij te spreken ten aanzien van de ten laste gelegde aantallen van respectievelijk 118 dozen en 1500 – 2000 dozen, omdat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld hoeveel weggenomen dozen oorspronkelijk aan het [naam stichting 1] , danwel het [naam stichting 2] , toebehoorden.\n\n3.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage IIvan dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.\n\nTen aanzien van feit 1 en feit 2\n\nOp grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, binnen de ten laste gelegde periode, een hoeveelheid dozen met medische nietjes die toebehoorden aan het [naam stichting 1] en het [naam stichting 2] heeft gestolen. Verdachte heeft verklaard dat hij de dozen heeft weggenomen uit verschillende ziekenhuizen, met de bedoeling om die te verkopen. De rechtbank kan echter niet vaststellen hoeveel weggenomen dozen oorspronkelijk toebehoorden aan het [naam stichting 1] en het [naam stichting 2] . De door [leverancier] aan het ziekenhuis geleverde dozen met medische nietjes hebben weliswaar LOT-nummers, maar deze LOT-nummers zijn niet uniek per doos. Daardoor is het mogelijk dat dozen met dezelfde LOT-nummers aan verschillende ziekenhuizen zijn geleverd. Er is dan ook niet vast te stellen welke doos bij welk ziekenhuis vandaan komt. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken ten aanzien van de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde aantallen dozen.\n\nTen aanzien van feit 3\n\nVerdachte heeft in de ten laste gelegde periode 26 dozen medische nietjes verworven, voorhanden gehad en overgedragen door deze dozen uit verschillende ziekenhuizen weg te nemen en te leveren aan zijn broer. Tijdens de verwerving en het voorhanden krijgen van de dozen wist verdachte dat deze uit misdrijf afkomstig waren. Het ten laste gelegde kan dan ook worden bewezen.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte\n\nTen aanzien van feit 1:in de periode van 1 juli 2022 tot en met 17 januari 2023 te Amsterdam dozen medische nietjes behorende bij [het merk laparoscopisch instrument] , die aan [naam stichting 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nTen aanzien van feit 2:in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 januari 2023 te Heerlen dozen medische nietjes behorende bij [het merk laparoscopisch instrument] die aan [naam stichting 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nTen aanzien van feit 3:\n\nin de periode van 20 september 2022 tot en met 10 januari 2023 te Heerlen en Achterveld gemeente Leusden, 26 dozen medische nietjes behorende bij [het merk laparoscopisch instrument] heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nTen aanzien van feit 3\n\nDe rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van dozen medische nietjes (feiten 1 en 2). Het is vaste rechtspraak dat de omstandigheid dat iemand een helingshandeling als genoemd in de artikelen 416 of 417bis van het Wetboek van Strafrecht verricht ten aanzien van een voorwerp dat hij zelf als pleger door misdrijf heeft verkregen aan de kwalificatie heling in de weg staat. Dat betekent dat het bewezenverklaarde onder 3 niet gekwalificeerd kan worden als heling en derhalve geen strafbaar feit oplevert, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nDe overige bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1 en 2 is niet aannemelijk geworden.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n7. Motivering van de straffen en maatregelen7.1.. De eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.\n\n7.2.. Het strafmaatverweer van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en acht te slaan op de inhoud van het reclasseringsrapport. Daarnaast verzoekt de verdediging om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\n7.3.1.. \n\nErnst van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van medische nietjes. Verdachte heeft door zijn handelen ernstig en schaamteloos misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de ziekenhuizen en haar medewerkers in hem stelden. Hij heeft toegang gehad tot de operatiekamers van meerdere ziekenhuizen. Hij heeft daar op verschillende momenten voorraadlades opengetrokken en dozen met (kostbare) medische nietjes gepakt en mee naar zijn kantoor aan huis genomen. Door grote hoeveelheden dozen te ontvreemden heeft verdachte bewust tekorten bij de ziekenhuizen veroorzaakt. Vervolgens heeft hij geprobeerd om de door hem gestolen dozen, via de onderneming van zijn broer, aan de ziekenhuizen terug te verkopen. Dat is ook gelukt, op het moment dat bij het [naam stichting 2] een tekort aan nietjes was ontstaan en er snel moest worden geleverd. Gedurende dit hele proces is verdachte enkel gedreven door zijn verlangen naar financieel gewin. Verdachte heeft hierbij geen rekening gehouden met het belang van de patiënten en de voortgang van medische ingrepen, die afhankelijk is van de beschikbare voorraden. Daarbij komt dat Nederland al kampt met hoge zorgkosten en dat door het handelen van verdachte deze kosten alleen maar toenemen.\n\n7.3.2.. \n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 27 maart 2025. Hieruit blijkt dat verdachte zelf hulp van De Waag heeft ingeschakeld en een behandeling heeft gevolgd voor onder andere het verwerken van zijn trauma’s en zijn delictgedrag. De reclassering adviseert negatief ten aanzien van het opleggen van een gevangenisstraf, omdat hij als eigenaar een belangrijke rol heeft in zijn bedrijf.\n\n7.3.3.. \n\nHet benadelingsbedrag\n\nAllereerst staat vast dat verdachte via [naam bedrijfsrecherche] 118 dozen aan het [naam stichting 1] heeft gegeven. Daarnaast heeft verdachte een levering gedaan van 4 dozen aan het [naam stichting 1] en 26 dozen aan het [naam stichting 2] . Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij nog een paar dozen thuis had staan die hij heeft weggegooid. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat het dus om minimaal 150 dozen gaat, die verdachte heeft weggenomen. Op basis van de door het [naam stichting 1] ter terechtzitting gegeven toelichting dat het [naam stichting 1] voor een doos medische nietjes € 2.164,- betaalde, het gegeven dat de onderneming van de broer van verdachte dozen aan het [naam stichting 2] heeft verkocht voor € 1.300,- per stuk en de omstandigheid dat verdachte heeft verklaard dat hij een lager bedrag dan [leverancier] wilde rekenen, gaat de rechtbank uit van een kostprijs van € 2.164,- per doos medische nietjes. Het totale benadelingsbedrag komt, uitgaande van 150 gestolen dozen, dan neer op minimaal\n\n€ 324.600,-.\n\n7.3.4.. \n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de landelijke Oriëntatiepunten voor Strafoplegging die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken. Gezien de aard van het bewezenverklaarde, zoals overwogen onder rubriek 7.3.1, en het feit dat verdachte door zijn handelen de gemeenschap heeft benadeeld sluit de rechtbank aan bij de oriëntatiepunten voor fraude. Het oriëntatiepunt voor fraude met een benadelingsbedrag tussen € 250.000,- en € 500.000,- is, bij een first offender, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden. Dit neemt de rechtbank in overweging bij de keuze tot het al dan niet opleggen van een vrijheidsbenemende straf.\n\nDe rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 11 februari 2026, waaruit is gebleken dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Daarnaast weegt de rechtbank bij het bepalen van de straf mee dat de bewezenverklaarde feiten dateren uit 2022 en 2023 en dus al wat langer geleden zijn. Daarbij komt ook dat verdachte uit zichzelf bij [naam bedrijfsrecherche] heeft verklaard dat hij niet alleen bij het [naam stichting 1] heeft gestolen, maar ook bij het [naam stichting 2] . Hierdoor is de diefstal bij het [naam stichting 2] aan het licht gekomen.\n\nDaarnaast acht de rechtbank het in het onderhavige geval belangrijk dat de door verdachte veroorzaakte schade - waarover meer bij de bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen - zoveel mogelijk door hem hersteld wordt. Doordat de maatschappij door het handelen van verdachte financieel is benadeeld, is de maatschappij er meer bij gebaat als verdachte bijdraagt aan het herstel. Verdachte moet daartoe met zijn huidige financiële positie ook toe in staat worden geacht, maar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dat mogelijk doorkruisen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank ziet wel aanleiding om af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Om de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen zal de rechtbank een langere voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan is geëist.\n\nAlles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren opleggen, te vervangen door 120 dagen hechtenis. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Aan de proeftijd worden de algemene voorwaarden verbonden.\n\n8. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel8.1.. Benadeelde partij [naam stichting 1]\n\nDe benadeelde partij [naam stichting 1] vordert € 261.447,37 aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit is inclusief een vergoeding voor de kosten die het [naam stichting 1] aan [naam bedrijfsrecherche] heeft moeten betalen, ter hoogte van € 31.998,71.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering kan worden toegewezen.\n\nDe hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De verdediging heeft primair een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van het [naam stichting 1] in de vordering, omdat het uittreksel van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) ontbreekt, waardoor niet kan worden vastgesteld of de heer [naam] op correcte wijze is gemachtigd. Subsidiair stelt de verdediging dat het [naam stichting 1] in de vordering niet-ontvankelijk is, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en meer subsidiair een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de gehele vordering moet worden afgewezen, danwel niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het schadebedrag met betrekking tot de weggenomen nietjes en de kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] onvoldoende zijn onderbouwd. De verdediging stelt daarbij dat de (terug)gegeven nietjes alsnog gebruikt kunnen worden waardoor het [naam stichting 1] ten aanzien van de weggenomen nietjes geen schade heeft.\n\nTen aanzien van het primaire standpunt van de verdediging overweegt de rechtbank dat voldoende duidelijk is dat de heer [naam] gemachtigd is om de vordering namens het [naam stichting 1] in te dienen. De schriftelijke vordering benadeelde partij bevat als bijlage een door de voorzitter van de Raad van Bestuur ondertekende machtiging. De omstandigheid dat een uittreksel van de KvK bij de huidige stukken ontbreekt – terwijl het [naam stichting 1] dit uittreksel kennelijk wel aan het Openbaar Ministerie had doen toekomen – maakt niet dat de rechtbank redenen heeft om aan deze machtiging te twijfelen. [naam stichting 1] kan dan ook in haar vordering worden ontvangen.\n\nDe rechtbank overweegt ten aan aanzien van de bruikbaarheid van de (terug)gegeven dozen dat deze, gelet op de uitleg van het [naam stichting 1] (ter terechtzitting) en [leverancier] (schriftelijk), niet meer voor operaties gebruikt kunnen worden. De rechtbank acht dit ook aannemelijk.\n\nVast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank kan de exacte hoeveelheid bij het [naam stichting 1] weggenomen dozen niet vaststellen. Zij zal daarom bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek.\n\nZoals eerder overwogen gaat de rechtbank uit van een totaal benadelingsbedrag (van alle ziekenhuizen) van € 324.600,-. Verdachte heeft verklaard dat hij dozen bij drie verschillende ziekenhuizen heeft weggenomen, namelijk het [naam stichting 1] , het [naam stichting 2] en het [naam ziekenhuis] , en dat hij het grootste deel van de dozen heeft weggenomen bij het [naam stichting 1] . Op basis van de verklaring van verdachte gaat de rechtbank er schattenderwijs van uit dat verdachte 60% van de dozen bij het [naam stichting 1] heeft weggenomen. Op basis hiervan wijst de rechtbank, ten aanzien van de gevorderde materiele schade met betrekking tot de gestolen (medische) nietjes, een bedrag toe ter hoogte van € 194.760,- (90 stuks vermenigvuldig met de kostprijs van € 2.164,- per doos).\n\nDe rechtbank overweegt ten aanzien van de kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] het volgende. De aanleiding voor het inschakelen van het recherchebureau was de constatering dat er veel nietjes verdwenen zonder dat daar een verklaring voor was. De kosten van [naam bedrijfsrecherche] zijn dan ook gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd met facturen. De kosten staan in redelijke verhouding tot de omvang van de bewezenverklaring en het dossier. De rechtbank wijst, ten aanzien van de gevorderde materiele schade met betrekking tot de kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] , het gehele gevorderde bedrag toe. De rechtbank gaat ervanuit dat die kosten ook zijn betaald door [naam stichting 1] , zoals zij ter zitting heeft verklaard.\n\nDe rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 226.758,71, te vermeerderden met de wettelijke rente over de kosten voor de vervanging van de weggenomen nietjes (€ 194.760) vanaf 12 januari 2023, de dag waarop de laatste diefstal heeft plaatsgevonden. De rente over de kosten voor [naam bedrijfsrecherche] (€ 31.998,71) worden toegewezen vanaf de datum van het opstellen van de vordering (20 juli 2023), omdat niet duidelijk is dat die kosten eerder verschuldigd zijn geworden.\n\nDe benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nVoorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, die tot op heden begroot worden op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.\n\n8.2.. Benadeelde partij Stichting [naam stichting 2]\n\nDe benadeelde partij [naam stichting 2] ( [naam stichting 2] ) vordert € 437.000,- aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit is inclusief een bedrag van € 25.000,- voor de kosten van [naam bedrijfsrecherche] en\n\n€ 12.000,- aan personeelskosten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de kosten van de [naam bedrijfsrecherche] en de personeelskosten kunnen worden toegewezen. Het vaststellen van de schade van de diefstal zelf levert een onevenredige belasting van het strafproces op, waardoor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.\n\nDe hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De verdediging heeft primair een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en subsidiair gesteld dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair stelt de verdediging dat de gehele vordering moet worden afgewezen, danwel niet ontvankelijk worden verklaard, omdat het schadebedrag, de kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] en de personeelskosten onvoldoende zijn onderbouwd.\n\nDe rechtbank overweegt het volgende. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank kan de exacte hoeveelheid bij het [naam stichting 2] weggenomen dozen niet vaststellen. Zij zal daarom bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek.\n\nZoals overwogen in rubriek 7.3.3 gaat de rechtbank uit van een totaal benadelingsbedrag van € 324.600,-. De rechtbank heeft hiervoor overwogen op basis van welke omstandigheden zij heeft geschat dat 60% van de dozen bij [naam stichting 1] zijn weggenomen. Op dezelfde wijze schat de rechtbank dat 20% van de door verdachte weggenomen dozen is van het [naam stichting 2] afkomstig is. Op basis hiervan wijst de rechtbank, ten aanzien van de gevorderde materiele schade met betrekking tot de gestolen (medische) nietjes, een bedrag toe ter hoogte van € 64.920,- (30 stuks vermenigvuldigd met de kostprijs van € 2.164,- per doos).\n\nTen aanzien van de gevorderde kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] en de personeelskosten stelt de rechtbank vast dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. Ter terechtzitting is gemotiveerd verweer gevoerd en de vordering is op zitting niet (nader) toegelicht. Ten aanzien van de vordering die betrekking heeft op de kosten van [naam bedrijfsrecherche] overweegt de rechtbank nog het volgende. Het is onduidelijk welke kosten [naam bedrijfsrecherche] nog heeft moeten maken en voor welk bedrag, omdat verdachte eerder al had verklaard dat hij doosjes bij [naam stichting 2] had weggenomen en uit de rapportage van [naam bedrijfsrecherche] blijkt dat voor het onderzoek geheel is uitgegaan van de gegevens die reeds bekend waren door het voor het [naam stichting 1] gedane onderzoek.\n\nDe rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 64.920,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023, de dag waarop verdachte door recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] met de bevindingen is geconfronteerd en hij heeft bekend bij [naam stichting 2] te hebben gestolen. Het is voor de rechtbank niet duidelijk geworden wanneer de schade (eerder) is ontstaan.\n\nDe benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nVoorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.\n\n8.3.. De schadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van beide vorderingen af moet worden gezien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, omdat het [naam stichting 1] en het [naam stichting 2] in staat moeten worden geacht de geleden schade zelf te incasseren.\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot beide vorderingen moet worden opgelegd.\n\nDe rechtbank overweegt in dit kader dat een ziekenhuis niet te vergelijken is met een commercieel bedrijf. Ziekenhuizen worden gefinancierd met publieke middelen en door burgers betaalde verzekeringspremies en vervullen een belangrijke maatschappelijke functie. Er is dan ook een publiek belang dat de kosten voor het innen van deze schuld laag blijven en dat de ziekenhuizen de schade vergoed krijgen. Tegen die achtergrond wijst de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van beide vorderingen toe.\n\nDe rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam stichting 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte onder 2 is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 226.758,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 283 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nDe rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam stichting 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte onder 2 is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 64.920,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 82 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\n9. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 310 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nTen aanzien van feit 1 en feit 2:\n\ntelkens: diefstal, meermalen gepleegd;\n\nVerklaart het bewezen verklaarde ten aanzien van feit 3 niet strafbaar en ontslaatde verdachte ten aanzien van dat feitvan alle rechtsvervolging.\n\nVeroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van120 (honderdtwintig) dagen.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.\n\nBepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.\n\nStelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jarenvast.\n\nDe tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.\n\nBenadeelde partij [naam stichting 1]\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij [naam stichting 1] toe tot een bedrag van € 226.758,71 (tweehonderdzesentwintigduizend zevenhonderdachtenvijftig euro en eenenzeventig eurocent), aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 194.760 vanaf 12 januari 2023 en over € 31.998,71 vanaf 20 juli 2023, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVeroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam stichting 1] voornoemd.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam stichting 1] aan de Staat € 226.758,71 (tweehonderdzesentwintigduizend zevenhonderdachtenvijftig euro en eenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 194.760 vanaf 12 januari 2023 en over € 31.998,71 vanaf 20 juli 2023, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 283 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nBenadeelde partij Stichting [naam stichting 2]\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij Stichting [naam stichting 2] toe tot een bedrag van € 64.920,- (vierenzestigduizend negenhonderdtwintig euro), aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVeroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Stichting [naam stichting 2] voornoemd.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van Stichting [naam stichting 2] aan de Staat € 64.920,- (vierenzestigduizend negenhonderdtwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 82 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M. Nieuwenhuijs, voorzitter,\n\nmrs. B. Vogel en G.J.M. Kruizinga, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.\n\n [...]\n\n [...][...]\n\n [...][...]\n\n [...][...]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6632","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.395Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":55,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":30,"updatedAt":58},"1615","ECLI:NL:RBAMS:2026:6524","ecli-nl-rbams-2026-6524","2026-02-26T00:00:00.000Z","vonnis\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummers: 13\u002F192882-25 (A), 13\u002F112519-25 (B), 13\u002F122304-25 (C),\n\n13\u002F187951-25 (D), 13\u002F191282-25 (E) en 13\u002F204470-25 (F) (ter terechtzitting gevoegd)\n\nDatum uitspraak: 26 februari 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens op het adres [adres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.W.M. van der Linde, en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is na wijziging op de zitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\nZaak A\n\nOpzettelijk aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 25 juni 2025 te Amsterdam.\n\nZaak B\n\nBelediging op of omstreeks 26 februari 2025 te Amsterdam van [persoon 1] .\n\nZaak C\n\nMedeplegen van een auto-inbraak op of omstreeks 2 februari 2025 te Amsterdam.\n\nZaak D\n\n1. Veelvuldig zonder noodzaak 112 bellen op of omstreeks 19 juni 2025 te Amsterdam.\n\n2. Opzettelijk aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 19 juni 2025 te Amsterdam.\n\nZaak E\n\n1. Aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 24 juni 2025 te Amsterdam.\n\n2. Belediging van een ambtenaar in functie op of omstreeks 24 juni 2025 te Amsterdam.\n\nZaak F\n\nMedeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 4 juli 2025 te Amsterdam.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n3. Voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.\n\n4. Waardering van het bewijs\n\n4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.\n\n4.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van verdachte heeft de volgende verweren gevoerd.\n\n Met betrekking tot de aangetroffen cilinders staat niet vast dat deze lachgas bevatten. De raadsman heeft in dit verband gewezen op een vonnis van de rechtbank Limburg, ECLI:NL:RBLIM:2025:6672, waarin de rechtbank heeft vastgesteld dat onderzoek aan de chemische samenstelling niet heeft plaatsgevonden en dat evenmin sprake was van bijkomende omstandigheden die als voldoende redengevend voor het bewijs konden worden beoordeeld. Daarnaast is de hoeveelheid lachgas niet te bewijzen omdat niet blijkt dat de gebruikte weegschaal was geijkt.\n\nTen aanzien van zaak B twijfelt de raadsman aan de betrokkenheid van verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd verdachte meteen te hebben herkend, maar dat was pas na vergelijking met een beschikbare politiefoto. Hij heeft niet zonder voorkennis de camerabeelden bekeken. Uit de verklaring van verdachte blijkt onvoldoende dat het om dit incident gaat.\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit voor zaak C. De aangever spreekt over 2 en 3 januari 2025, niet over februari. Daarnaast heeft de raadsman twijfels over de zich in het dossier bevindende herkenningen. De stills zijn daar te onduidelijk voor. Verbalisant [verbalisant 3] relateert niet specifiek waaraan hij cliënt herkent en het blijkt ook niet wanneer hij hem voor het laatst heeft gezien. De door verbalisant [verbalisant 2] genoemde specifieke kenmerken zijn op de stills niet te onderscheiden. De bewegende beelden hadden aan het dossier kunnen worden toegevoegd. Het staat ook niet vast dat de aangever met [verdachte] verdachte bedoelt. Het blijkt niet dat NN5, die als verdachte zou zijn herkend, uitvoeringshandelingen heeft verricht. Hij heeft alleen iets aangepakt en gepraat met NN2, dat is onvoldoende om een gezamenlijke uitvoering aan te nemen.\n\nMet betrekking tot zaak F heeft verdachte betwist dat de cilinders van hem waren. De verklaringen van aangever [persoon 2] zijn onduidelijk. Verdachte zat samen met [persoon 3] in de auto. Zij had een cilinder tussen haar benen staan. Als verdachte dus al op de hoogte was van de aanwezigheid van het lachgas, dan had hij er geen beschikkingsmacht over.\n\n4.3. Oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1.. Zaken A, D (feit 2), E (feit 1) en F – (Opzettelijk) aanwezig hebben van lachgas\n\nDe rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 19, 24 en 25 juni 2025 en op 4 juli 2025 (opzettelijk) de tenlastegelegde hoeveelheid lachgas aanwezig heeft gehad.\n\nDe rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat in al deze zaken genoegzaam is komen vast te staan dat de inhoud van de cilinders lachgas betrof. Er heeft weliswaar geen onderzoek aan de chemische samenstelling plaatsgevonden, maar in de zaken A, D, E en F zagen verbalisanten dat op de cilinders “FASTGAS” stond met codes. Het is verbalisanten ambtshalve bekend dat zulke cilinders lachgas bevatten. Daarbij komt dat verdachte zowel in zaak A als zaak E heeft verklaard dat hij verslaafd is aan lachgas en hij heeft niet verklaard dat er iets anders in de bij hem aangetroffen flessen zat. In het dossier zitten geen andere aanwijzingen dat er iets anders in de cilinders zou zitten. Verder is het gewicht van het lachgas in de aangetroffen cilinders naar het oordeel van de rechtbank afdoende komen vast te staan. Het gebruik van een digitale weegschaal is in dit geval voldoende en niet is ook gesteld of gebleken waarom ijking in dit geval noodzakelijk is.\n\nMet betrekking tot zaak F overweegt de rechtbank dat uit de inhoud van het dossier blijkt dat het lachgas dat in de auto is aangetroffen van hem was. Aangeefster [persoon 2] heeft verklaard dat verdachte eerder die avond met lachgascilinders bij haar thuis kwam en aanvullend dat hij alle lachgas had meegenomen de auto in. [persoon 3] heeft verklaard dat verdachte het lachgas in de auto heeft gegooid en dat ze daarna zijn weggereden.\n\n4.3.2.. Zaak B – Belediging [persoon 1]\n\nDe rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 2 februari 2025 de vuilniswagenchauffeur [persoon 1] heeft beledigd. Verdachte is tijdens de belediging gefilmd met een telefoon en verbalisant heeft hem op dat filmpje herkend. De verbalisant relateert ook waaraan hij verdachte herkent. De rechtbank merkt in dit verband op dat verbalisanten geoefend zijn in herkenningen. Verbalisant [verbalisant 1] herkende verdachte vanuit zijn werkzaamheden in het cellencomplex De rechtbank acht deze herkenning betrouwbaar.\n\n4.3.3. -. Zaak C\n\nDe rechtbank acht het aan verdachte tenlastegelegde medeplegen aan diefstal met braak bewezen.\n\nDe rechtbank ziet de datum 2 januari 2025 in de aangifte als een kennelijke verschrijving. Ten eerste wordt deze in de aangifte gevolgd door ‘3 februari 2025’ en in de omschrijving in de kop van het proces-verbaal staat het wel juist.\n\nTen aanzien van het verweer van de raadsman over de herkenning van verdachte overweegt de rechtbank het volgende. De stills in het dossier zijn weliswaar niet heel duidelijk, maar verbalisanten hebben verdachte herkend op bewegende beelden die volgens die verbalisanten wel duidelijk zijn. De verbalisanten relateren ook waaraan zij verdachte herkennen. Zoals hiervoor al opgemerkt, zijn verbalisanten geoefend in herkenningen. De rechtbank acht die herkenningen betrouwbaar. De vraag of de aangever met ‘ [verdachte] ’ verdachte bedoelt kan daarom in het midden blijven.\n\nAnders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de handelingen, zoals uitgevoerd door verdachte, als medeplegen zijn aan te merken. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verschillende verdachten. Medeverdachte NN2 keek op enig moment in het voertuig met een zaklamp terwijl de anderen verspreid van elkaar stonden en de omgeving in de gaten hielden. Verdachte keek naar NN2. Vervolgens liep NN2 naar verdachte en overlegden zij met elkaar terwijl ze meerdere malen naar de auto keken. Daarna pakte NN2 een voorwerp en gooide dat richting het raam van de auto. Verdachte staat dan op de hoek en keek naar NN2. NN2 pakte daarna een doos uit de auto en gaf die aan verdachte. Verdachte plaatste deze achter zich en nam een volgende doos aan. Verdachte heeft, door het overleggen en het aanpakken en wegzetten van dozen ook een significante bijdrage aan de diefstal geleverd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.\n\n5. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:\n\nten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde:\n\nop 25 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 660 gram distikstofmonoxide (lachgas);\n\nten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde:\n\nop 26 februari 2025 te Amsterdam opzettelijk [persoon 1] , in het openbaar, mondeling heeft beledigd door die [persoon 1] de woorden toe te voegen: “Kankeraap” en “Ik neuk je moeder”, althans woorden van gelijke beledigende aard en\u002Fof strekking;\n\nten aanzien van het in zaak C ten laste gelegde:\n\nop of omstreeks 2 februari 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen sloffen sigaretten, een fles parfum en een zonnebril die aan [persoon 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om ze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;\n\nten aanzien van het in zaak D onder 1 ten laste gelegde:\n\nop 19 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was, gebruik heeft gemaakt van een alarmnummer voor publieke diensten, door veelvuldig het alarmnummer 112 te bellen;\n\nten aanzien van het in zaak D onder 2 ten laste gelegde:\n\nop 19 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 2.200 gram distikstofmonoxide (lachgas);\n\nten aanzien van het in zaak E onder 1 ten laste gelegde:\n\nop 24 juni 2025 te Amsterdam aanwezig heeft gehad 5.100 gram distikstofmonoxide (lachgas);\n\nten aanzien van het in zaak E onder 2 ten laste gelegde:\n\nop 24 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk [persoon 6] in het openbaar mondeling heeft beledigd door die [persoon 6] uit te maken voor “Je kankermoeder! Je doet nu wel stoer nu ik handboeien om heb. Ik neuk je kankerhard! Je kankermoeder.”, terwijl deze belediging werd aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;\n\nten aanzien van het in zaak F ten laste gelegde:\n\nop 4 juli 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 5.100 gram distikstofmonoxide (lachgas).\n\n6. Strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n7. Strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n8. Motivering van de straffen en maatregelen\n\n8.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.\n\n8.2.. \n\nStandpunt\u002Fstrafmaatverweer van de verdediging\n\nDe verdediging heeft gepleit voor een straf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest.\n\n8.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich gedurende een halfjaar schuldig gemaakt aan veel strafbare feiten. Het gaat om hinderlijke feiten die overlast en schade veroorzaken en zorgen voor een gevoel van onveiligheid op straat. Zo heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen inbreken in een auto van een winkeleigenaar om vervolgens in ieder geval vier dozen met sigaretten uit de auto te stelen. Verdachte heeft hiermee geen respect getoond voor andermans eigendommen en enkel gedacht aan zijn eigen gewin. Verdachte heeft zich verder ook schuldig gemaakt aan belediging van de politieambtenaar die hem heeft aangehouden. Politieambtenaren verrichten in onze samenleving een belangrijke publieke taak die gerespecteerd dient te worden. Door zo te handelen tegen politieambtenaren tijdens het uitoefenen van hun werkzaamheden heeft verdachte getoond geen respect te hebben voor het openbaar gezag. De rechtbank rekent dat verdachte aan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van een vuilniswagenchauffeur tijdens het verrichten van zijn werkzaamheden. Door beledigingen te uiten in het openbaar, is deze persoon aangetast in zijn eer en goede naam. Verdachte heeft daarnaast misbruik gemaakt van een noodnummer. Het bellen naar een alarmnummer zonder dat daartoe een noodzaak bestaat, geeft overlast en maakt het voor anderen, die wel dringend hulp nodig hebben, wellicht onmogelijk op tijd in contact te treden met hulpdiensten. Dat kan mensenlevens in gevaar brengen.\n\nTot slot heeft verdachte zich binnen een periode van twee weken vier keer schuldig gemaakt aan het bezit van lachgas voor eigen gebruik. Het gebruik van lachgas draagt bij aan het in stand houden van (drugs)criminaliteit en kan levensgevaarlijke situaties opleveren als de gebruiker onder invloed van het lachgas deelneemt aan het verkeer.\n\nPersoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 7 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten (bezit van softdrugs en belediging van een politieagent). Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van diverse rapportages van de reclassering, waaronder het advies van 26 augustus 2025 en het advies van 26 januari 2026. Hieruit blijkt, zakelijk weergegeven, het volgende.\n\n Verdachte is sinds zijn twintigste verslaafd aan het gebruik van lachgas. De door verdachte gepleegde strafbare feiten zijn hieraan gerelateerd.. Verdachte is bekend met problemen op meerdere leefgebieden. Hij heeft in het verleden hulp gehad, onder andere in het kader van de Top 600, waarbij hij ook begeleid heeft gewoond. Verdachte heeft nu geen huisvesting. Hij zou hier graag hulp bij willen. Verdachte heeft ook geen werk en nagenoeg geen werkervaring. Hij ervaart zelf dat verveling bijdraagt aan het lachgasgebruik en daardoor mede aan het plegen van de strafbare feiten. Sinds verdachte uit detentie is heeft de reclassering geen contact meer met verdachte kunnen krijgen. De reclassering acht het uitvoeren van toezicht niet haalbaar. Het risico op recidive en onttrekken aan het toezicht wordt als hoog ingeschat. De reclassering adviseert bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.\n\nDe op te leggen straf\n\nBij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank de LOVS oriëntatiepunten als uitgangspunt. Alles bij elkaar zal de rechtbank voor de bewezen geachte feiten een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden opleggen, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Gelet op het advies van de reclassering verbindt de rechtbank geen bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke deel van de straf. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft verdachte een stok achter de deur om te voorkomen dat hij nogmaals de fout ingaat.\n\nDe rechtbank legt daarmee voor de bewezenverklaarde misdrijven in totaal een hogere straf op dan geëist door de officier van justitie, omdat het in zaak E onder 1 bewezenverklaarde (zonder opzet aanwezig hebben van lachgas) een overtreding is en daarvoor een aparte straf moet worden opgelegd. De rechtbank ziet gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de gelijktijdige veroordeling voor de overige feiten, aanleiding om aan verdachte ter zake het in zaak E onder 1 bewezenverklaarde geen afzonderlijke straf of maatregel op te leggen.\n\n9. Beslag\n\nOnder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:\n\n- 7 STK Gasfles (goednummer G6674451)\n\n- 1 STK Verdovende Middelen (goednummer G6671759)\n\n- 5 FLS Verdovende Middelen (goednummer G6674149)\n\n- 1 STK Wapen (goednummer G6632395)\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nNu met betrekking tot deze voorwerpen, met uitzondering van het wapen, het in zaak A, zaak D onder 2 en zaak E onder 1 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.\n\nHet in beslaggenomen wapen is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit in zaak C. Ook dit voorwerp is van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Het kan echter niet dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke feiten en komt daarom niet in aanmerking voor onttrekking aan het verkeer. De rechtbank zal daarom bevelen dat dit voorwerp wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende, zodat de officier van justitie voor vernietiging zorg kan dragen.\n\n10. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij [persoon 5] vordert € 5.480,-- aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,-- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n10.1.. Oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nVast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak C bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.\n\nZowel de officier van justitie als de raadsman van verdachte hebben zich op het standpunt gesteld dat de schadeposten voor de bril, € 395,--, en het parfum, € 315,--, niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu deze niet zijn onderbouwd. Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat de BTW die voor de sigaretten is gerekend, € 663,01, eveneens niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat de benadeelde partij dit als ondernemer terug zal ontvangen. De officier van justitie heeft zich met betrekking tot deze post gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe raadsman heeft voorts gesteld dat onduidelijk is of de verzekeringsmaatschappij alleen de schade aan de auto heeft vergoed of ook andere schade. De officier van justitie heeft erop gewezen dat de brief van OHRA slechts spreekt over autoschade.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de betwisting de vordering tot vergoeding van de bril, het parfum en het bedrag aan BTW onvoldoende is onderbouwd.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de aan de vordering gehechte brief van OHRA genoegzaam dat deze verzekeraar alleen de schade aan de auto heeft vergoed.\n\nDe rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 4.106,99, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (3 februari 2025).\n\nDe benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nIn het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor de betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.\n\nImmateriële schade\n\nMet betrekking tot de immateriële schade heeft de officier van justitie gesteld dat de vordering dient te worden gematigd tot € 1.000,--. De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot immateriële schadevergoeding in het geheel niet kan worden toegewezen nu de benadeelde partij niet aanwezig was bij de autokraak. Er is geen sprake van aantasting in de persoon.\n\nOp grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als diegene als gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en\u002Fof op andere wijze in de persoon is aangetast. Daarvan kan onder meer sprake zijn bij psychisch letsel. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde de gestelde, met name psychische, schade niet met concrete stukken heeft onderbouwd. Voorts ligt het bij een autokraak, waar de benadeelde zelf niet bij aanwezig was, niet voor de hand, zonder een onderbouwing, aantasting in de persoon aan te nemen. De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen omdat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet in aanmerking komt voor deze vergoeding.\n\nDe benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.\n\n11. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f (oud), 47, 57, 142, 266, 267 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\n12. Beslissing\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nten aanzien van het in zaak A en zaak D onder 2 ten laste gelegde:\n\ntelkens opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde:\n\neenvoudige belediging;\n\nten aanzien van het in zaak C ten laste gelegde:\n\ndiefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;\n\nten aanzien van het in zaak D onder 1 ten laste gelegde:\n\nopzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten;\n\nten aanzien van het in zaak E onder 1 ten laste gelegde:\n\nhandelen in strijd met een in artikel 3 van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nten aanzien van het in zaak E onder 2 ten laste gelegde:\n\neenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;\n\nten aanzien van het in zaak F ten laste gelegde:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.\n\nTan aanzien van zaak A, zaak B, zaak C, zaak D onder 1 en 2, zaak E onder 2 en zaak F\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nBepaalt dat een gedeelte, groot 2 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.\n\nStelt daarbij een proeftijdvan2 jarenvast.\n\nDe tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.\n\nTen aanzien van zaak E onder 1\n\nSchuldig verklaring zonder oplegging van straf.\n\nVerklaart onttrokken aan het verkeer:\n\n- 7 STK Gasfles (goednummer G6674451);\n\n- 1 STK Verdovende Middelen (goednummer G6671759);\n\n- 5 FLS Verdovende Middelen (goednummer G6674149);\n\nGelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:\n\n- 1 STK Wapen (goednummer G6632395)\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 5] toe tot een bedrag van € 4.106,99 (vierduizend, honderd en zes euro en negenennegentig eurocent)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVeroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 5] voornoemd.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in het materiële deel van zijn vordering is.\n\nWijst het immateriële deel van de vordering af.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 5] aan de Staat € 4.106,99 (vierduizend, honderd en zes euro en negenennegentig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van41 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M. Smayel, voorzitter,\n\nmrs. J.M. van Hall en B.J. Blok, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2026.\n\n [...]\n\n [...]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6524","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.744Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":63,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":30,"updatedAt":66},"1320","ECLI:NL:RBAMS:2023:5260","ecli-nl-rbams-2023-5260","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13.132823.23\n\nDatum uitspraak: 24 augustus 2023\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1994,\n\nwonende op het adres [adres] (niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen),\n\nthans gedetineerd te: [plaats detentie]\n\n1. Het onderzoek op de zitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 10 augustus 2023. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.R.F. van Raab van Canstein, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.I. L’Ghdas, naar voren hebben gebracht.\n\n2. Beschuldiging\n\nAan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\n1. een diefstal in vereniging vergezeld van geweld, waarbij van [aangever] een telefoon (Apple iPhone 11 Pro) is weggenomen;\n\n2. een poging tot diefstal in vereniging vergezeld van geweld, waarbij is gepoogd van [aangever] een horloge (merk Tudor) weg te nemen.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.\n\n3. Voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.\n\n4. Waardering van het bewijs\n\n4.1.. Het standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich aan beide ten laste gelegde feiten schuldig heeft gemaakt.\n\n4.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van beide ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Het dossier bevat onvoldoende bewijs op basis waarvan de rol van verdachte als (mede)pleger kan worden aangetoond, gelet ook op de verklaring van verdachte dat hij niets met de diefstal te maken heeft en de situatie alleen wilde de-escaleren. Hij is weggerend voor de politie, omdat hij geen legale verblijfstatus heeft. Dat kan dus niet als belastend worden aangemerkt.\n\nMocht de rechtbank vinden dat het dossier voldoende bewijs bevat om verdachte als (mede)pleger aan te merken, heeft de raadsman subsidiair aangevoerd dat ten aanzien van de diefstal van de telefoon (feit 1) niet is gebleken dat het toegepaste geweld zag op het voorbereiden of vergemakkelijken daarvan, waardoor het in dit verband vereiste oogmerk ontbreekt. Verdachte moet dus in ieder geval van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.\n\n4.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1.. Feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nAangever, [aangever] , wordt op 28 mei 2023 kort na 04:45 uur door drie mannen benaderd. Nadat deze mannen aan aangever vragen of hij weet waar de tram is, loopt een van de mannen het trappetje op waarop aangever zit. Aangever staat op en wordt dan bij zijn linkerarm ter hoogte van zijn elleboog vastgepakt. Nadat aangever zich weet los te rukken en wegrent, krijgt hij een trap van achteren waardoor hij op de grond terecht komt. Eenmaal op de grond voelt aangever dat de drie mannen naar zijn horloge grijpen. Aangever houdt zijn horloge stevig vast en wordt ondertussen door de mannen tegen zijn benen getrapt. Tijdens de worsteling valt de telefoon van aangever uit zijn broekzak. Zodra een fietser ter plaatse komt rennen de drie mannen weg. De telefoon van aangever blijkt dan te zijn verdwenen.\n\nNadat de drie mannen zijn weggerend komt de politie ter plaatse. Aangever vertelt hen wat er is gebeurd en laat weten dat een van de mannen een opvallend rood trainingspak droeg. De vriendin van aangever, [vriendin van aangever] , traceert de telefoon van aangever via een app op haar iPhone. De laatst bekende locatie van de telefoon van aangever, is de [straat] ter hoogte van perceel [nummer] . Verbalisant [verbalisant] treft drie personen aan die naast elkaar op hun rug in de bosjes liggen. Wanneer verbalisant [verbalisant] de drie personen toeroept dat zij zijn aangehouden, slaan zij op de vlucht. Er volgt een achtervolging. Eén van de personen die in de bosjes lag wordt uiteindelijk aangehouden. Deze persoon draagt een rood traingingspak en blijkt verdachte te zijn.\n\n4.3.2.. Verdachte is medepleger\n\nDe rechtbank vindt op basis van de bovenstaande feiten en omstandigheden bewezen dat de drie mannen nauw en bewust hebben samengewerkt bij het wegnemen van de telefoon van aangever (feit 1) en ook in hun poging om het horloge van aangever weg te nemen (feit 2). Verdachte is één van die drie mannen. De afzonderlijke rollen zijn niet precies vast te stellen, maar dat is voor de bewezenverklaring van medeplegen ook niet nodig. Dat verdachte niets met de ten laste gelegde feiten te maken heeft en enkel de situatie wilde de-escaleren, vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Deze verklaring wordt weersproken door de verklaring van aangever en ook door de verklaring van getuige [getuige] . Uit beide verklaringen volgt dat aangever door drie mannen te grazen werd genomen. Daarnaast is verdachte samen met de twee medeverdachten gevlucht en later door de politie aangetroffen, terwijl hij naast deze medeverdachten in de bosjes lag. Ook hieruit blijkt het gezamenlijk handelen van de drie mannen. Dat verdachte vluchtte voor de politie omdat hij geen verblijfstatus heeft, vindt de rechtbank in het licht van het voorgaande evenmin geloofwaardig.\n\n4.3.3.. Wel geweld bij poging diefstal horloge, maar niet bij diefstal telefoon\n\nOp grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden vindt de rechtbank bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten met geweld hebben geprobeerd het horloge van aangever weg te nemen (feit 2). Dat het geweld ook was gericht op het wegnemen van de telefoon van aangever (feit 1), kan echter niet worden bewezen. De toepassing van het geweld door de verdachten richtte zich vanaf het begin op het voorbereiden en het vergemakkelijken van het wegnemen van het horloge van aangever. De telefoon van aangever is tijdens de worsteling uit zijn broek gevallen en is daarmee als een bijkomstig gevolg van het toegepaste geweld in het bezit van verdachte en zijn mededaders gekomen. Het oogmerk om geweld toe te passen in relatie tot de diefstal van de telefoon kan niet worden bewezen. Verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.\n\n4.3.4.. Conclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage 2 bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal van een telefoon in vereniging gepleegd (feit 1) en aan een poging tot diefstal van een horloge in vereniging gepleegd en vergezeld van geweld (feit 2).\n\n5. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte\n\nten aanzien van feit 1:\n\nop 28 mei 2023 te Amsterdam omstreeks 4:55, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met anderen, een mobiele telefoon (te weten een Apple iPhone 11 Pro) die aan [aangever] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nop 28 mei 2023 te Amsterdam omstreeks 4:55, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een horloge (te weten van het merk Tudor) dat aan [aangever] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld tegen voornoemde [aangever] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken\n\n- die [aangever] met kracht bij de linker arm heeft vastgepakt en - die [aangever] met kracht tegen de rug heeft getrapt, ten gevolge waarvan die [aangever] ten val kwam en - (vervolgens) terwijl die [aangever] op de grond lag, met kracht aan het voornoemde horloge aan de arm van die [aangever] heeft getrokken en - met kracht het horloge van de arm van die [aangever] heeft af\u002Flosgetrokken en - die [aangever] meermaals tegen zijn benen heeft getrapt,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\n6. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n7. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n8. Motivering van de straf\n\n8.1.. De eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezen verklaarde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek van voorarrest. De officier van justitie gaat daarbij uit van een eendaadse samenloop.\n\nDe officier van justitie is verder van mening dat het gebruik van een vuurwapen door de politie bij de aanhouding van verdachte een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert, maar dat verdachte hiervan geen nadeel heeft ondervonden. Om die reden dient dit volgens haar niet te leiden tot strafvermindering.\n\n8.2.. Het standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, mocht de rechtbank beide ten laste gelegde feiten bewezen verklaren, sprake is van eendaadse samenloop.\n\nDe raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Uit het dossier blijkt dat een van de verbalisanten betrokken bij de aanhouding van verdachte zijn vuurwapen uit zijn holster heeft gehaald en daarmee op verdachte heeft gericht. Dit vuurwapengebruik is in strijd met artikel 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, omdat er geen sprake is van een verdenking van een strafbaar feit dat ernstig genoeg is om het trekken van een vuurwapen te rechtvaardigen. Het nadeel dat verdachte heeft ondervonden bestaat uit een schending van zijn lichamelijke integriteit, te meer nu verdachte recent het slachtoffer is geweest van een schietincident. De raadsman vindt dat er naar aanleiding van het vormverzuim strafvermindering moet volgen.\n\nBij het bepalen van de straf moet ook rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal in vereniging en aan een poging tot diefstal in vereniging vergezeld van geweld. Verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke integriteit als het eigendomsrecht van het slachtoffer, [aangever] . Naast dat dit soort feiten schokkend zijn voor de samenleving in het algemeen , leert de ervaring dat slachtoffers van dit soort misdrijven nog langdurig nadelige gevolgen kunnen ondervinden van wat hen is overkomen. In deze zaak speelt daarbij ook dat het slachtoffer als gevolg van het geweld dat tegen hem is gebruikt zijn pols heeft gebroken. Het slachtoffer zal hierdoor nog vaak ongewild herinnerd zijn aan wat hem op 28 mei 2023 is overkomen. De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk.\n\nDe rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de twee bewezen verklaarde feiten dusdanig samenhangend zijn en zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspeelden, dat er moet worden gesproken van eendaadse samenloop. De diefstal in vereniging van de telefoon (feit 1) maakte onderdeel uit van de poging tot diefstal in vereniging vergezeld van geweld (feit 2). De rechtbank neemt daarom dit laatste bewezen verklaarde feit als vertrekpunt voor de op te leggen straf.\n\nBij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor strafoplegging, die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken (LOVS). De rechtbank houdt rekening met het uittreksel uit de Justitiële Documentatie dat aan het dossier is toegevoegd en waaruit blijkt dat verdachte zich eerder aan vermogensdelicten schuldig heeft gemaakt. Het oriëntatiepunt voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging is, in geval van recidive, een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. In het nadeel van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat het slachtoffer een botbreuk aan de beroving heeft overgehouden en dat verdachte de feiten samen met anderen heeft begaan. De rechtbank komt tot een lagere straf dan vermeld in de oriëntatiepunten vanwege het hierna te bespreken vormverzuim.\n\nDe rechtbank is met de raadsman en officier van justitie van oordeel dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Uit het dossier blijkt dat een van de verbalisanten tijdens de achtervolging die uiteindelijk tot de aanhouding van verdachte heeft geleid, zijn vuurwapen heeft getrokken en dit vuurwapen kort op de benen van verdachte heeft gericht. De rechtbank is van oordeel dat het doel dat de verbalisant tijdens het trekken van zijn vuurwapen nastreefde, namelijk het tot stilstand brengen en aanhouden van een verdachte waarvan niet is gebleken dat hij tijdens zijn vlucht over verzetsmiddelen beschikte, het gebruik van een vuurwapen niet rechtvaardigt en dat dit doel op een andere wijze had kunnen worden bereikt. Daarmee heeft de verbalisant artikel 7 van de Politiewet geschonden.\n\nAnders dan de officier van justitie, is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat verdachte nadeel heeft ondervonden als gevolg van het vormverzuim zoals hierboven omschreven. De raadsman heeft op de zitting betoogd dat verdachte recent het slachtoffer is geweest van een schietincident. De rechtbank neemt zonder meer aan dat een dergelijk incident traumatisch is en dat het opnieuw worden geconfronteerd met een vuurwapen onder deze omstandigheden gevoelens van angst en psychisch leed heeft veroorzaakt. Om dit nadeel te compenseren zal de rechtbank overgaan tot strafvermindering.\n\nAlles overwegend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\n9. Beslag\n\nNaar aanleiding van de bewezen verklaarde feiten is het volgende voorwerp in beslag genomen:\n\n1 STK Pet (G6346924)\n\nDit goed is aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane feiten. Nu niet is gebleken aan wie dit goed toebehoort, zal het worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 55, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n11. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op, ten aanzien van feiten 1 en 2:\n\neendaadse samenloop van diefstal door twee of meer verenigde personen en poging tot diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nGelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan: 1 STK Pet (G6346924).\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,\n\nmrs. E.G.M.M. van Gessel en L. Leerkes, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mrs. J.M. Esschendal en R.R. Eijsten, griffiers,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 augustus 2023.\n\n [(...)]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:5260","2023-08-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.849Z",1,20]