[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-asylum-and-migration-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":71,"limit":72},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},89,"asylum-and-migration-nl","Asylum and Migration","NL","2026-07-08T16:55:59.400Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},6,{"min":18,"max":19},"2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,47,54,63],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"684","ECLI:NL:RBDHA:2026:18454","ecli-nl-rbdha-2026-18454","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F10743\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] , v-nummer: [nummer] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. K. Logtenberg),\n\nen\n\nhet bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa)\n\n(gemachtigde: A. van Beurden).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beëindiging van de opvang van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om een besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De voorzieningenrechter oordeelt allereerst dat zij bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen. Daarna oordeelt de voorzieningenrechter dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. In de brief van 30 juni 2026 heeft COa verzoeker laten weten dat zijn opvang zal eindigen per 7 juli 2026. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. COa heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft op dat verweerschrift gereageerd.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat ging er aan deze zaak vooraf?\n\n3. Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend. De minister van Asiel en Migratie (minister) heeft die aanvraag afgewezen en aan verzoeker een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft op 29 juni 2026 uitspraak gedaan op het daartegen door verzoeker ingestelde beroep.De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, maar het besluit voor zover dat zag op het afwijzen van de asielaanvraag in stand gelaten. De rechtbank heeft het besluit voor zover dat zag op het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod vernietigd. Gebleken is namelijk dat verzoeker een asielstatus heeft in Griekenland. De minister mocht verzoeker geen terugkeerbesluit opleggen voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling, of verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie daarop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken, aldus de rechtbank.\n\nIs de voorzieningenrechter bevoegd?\n\n3. COa voert aan dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen, omdat de brief van 30 juni 2026 geen besluit is zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Uit de uitspraak van de rechtbank van 29 juni 2026 volgt namelijk dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand is gebleven. Uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva) volgt in dat geval dat het recht op opvang van rechtswege is geëindigd. De brief van 30 juni 2026 heeft om die reden geen eigen rechtsgevolg en moet daarom niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De brief van 30 juni 2026 was daarom niet appellabel, aldus COa.\n\n3.1.. \n\nArtikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 luidt als volgt:\n\n1 De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:\n\nc.de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn;\n\n3.2.. \n\nArtikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva luidt als volgt:\n\n1 Het recht op opvang eindigt in de volgende gevallen:\n\nb. indien het een asielzoeker betreft die rechtmatig verwijderbaar is vanwege het niet inwilligen van de asielaanvraag die recht geeft op opvang: op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden;\n\n3.3.. Het recht op opvang eindigt dus op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden. De voorzieningenrechter moet daarom eerst de vraag beantwoorden wanneer een vreemdeling ‘rechtmatig verwijderbaar’ is. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat zij zich gelet op het spoedeisende karakter van deze zaak moet beperken tot een beperkt juridisch onderzoek.\n\n3.3.1.. De voorzieningenrechter stelt vast dat noch de Rva noch de Vw 2000 uitleg geeft over de term ‘rechtmatig verwijderbaar’. Ook in andere nationale wetgeving vindt de voorzieningenrechter geen nadere duiding van die term. Dat betekent dat de voorzieningenrechter die term zelf uit moet leggen. Dat doet zij zoveel mogelijk richtlijnconform.De voorzieningenrechter zoekt bij de uitleg van de term ‘rechtmatig verwijderbaar’ dan ook aansluiting bij de Terugkeerrichtlijn, omdat die richtlijn bij uitstek gaat over de normen en procedures voor de terugkeer van derdelanders die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. In artikel 3, aanhef en onder punt 5, van de Terugkeerrichtlijn staat opgenomen dat ‘verwijdering’ betekent “de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting, d.w.z. de fysieke verwijdering uit de lidstaat”. Uit artikel 3, aanhef en onder punt 4 blijkt dat die terugkeerverplichting wordt vastgelegd in een terugkeerbesluit. Dat zou betekenen dat een vreemdeling pas verwijderbaar is op het moment dat hij een terugkeerverplichting heeft. Die heeft verzoeker niet, omdat het aan hem opgelegde terugkeerbesluit door de rechtbank in haar uitspraak van 29 juni 2026 is vernietigd. Dat de wetgever ervoor heeft gekozen om het recht op opvang pas te laten eindigen op het moment dat een vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is en niet, bijvoorbeeld, het moment dat de afwijzing van de asielaanvraag in rechte vast is komen te staan, ziet de voorzieningenrechter ook als een aanwijzing dat met de toevoeging ‘rechtmatig verwijderbaar’ de vreemdeling pas verwijderbaar is op het moment dat hij een terugkeerverplichting heeft. Daar komt bij dat de wetgever in eerdere (niet meer geldende) regelgeving de term ‘rechtmatig verwijderbaar’ nog wel uitlegde, maar er voor heeft gekozen dat nu niet langer te doen, zodat meer voor de hand ligt dat die term moet worden uitgelegd aan de hand van internationale richtlijnen en verdragen.\n\n3.4.. De voorzieningenrechter acht van belang dat ook niet is gebleken dat verzoeker op andere gronden moet worden aangemerkt als ‘rechtmatig verwijderbaar’, bijvoorbeeld doordat op nationaalrechtelijke gronden aan hem een bevel tot terugkeer of verwijdering is opgelegd. COa heeft dat ook niet nader onderbouwd, maar heeft slechts gesteld dat de minister (de voorzieningenrechter neemt aan: tegenover COa) meerdere keren heeft bevestigd dat verzoeker ‘verwijderbaar’ is. COa heeft ook slechts gesteld dat verzoeker als gevolg van het afwijzen van zijn asielaanvraag ‘verwijderbaar’ is geworden, maar heeft die stelling niet nader onderbouwd.\n\n3.5.. Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verzoekers recht op opvang niet van rechtswege is geëindigd op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva. Omdat verzoeker geen terugkeerverplichting heeft door het vernietigen van het aan hem opgelegde terugkeerbesluit, is hij niet als ‘rechtmatig verwijderbaar’ aan te merken op grond daarvan. Niet is gebleken dat verzoeker op andere gronden ‘rechtmatig verwijderbaar’ is. Dat betekent dat de brief van COa van 30 juni 2026 wel degelijk zelfstandig rechtsgevolgen voor verzoeker in het leven roept en dus moet worden aangemerkt als een besluit in zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter acht zich dus bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.\n\nHeeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?\n\n4. De voorzieningenrechter is vervolgens van oordeel dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. COa heeft zich namelijk in haar brief van 30 juni 2026 op het standpunt gesteld dat verzoekers recht op opvang eindigt, omdat hij een wettelijke vertrektermijn had die zou zijn verlopen. De voorzieningenrechter ziet niet op grond waarvan COa concludeert dat verzoeker een wettelijke vertrektermijn had die zou zijn verstreken, nu het terugkeerbesluit waarin aan hem een vertrektermijn werd opgelegd, is vernietigd. COa heeft dat in het besluit van 30 juni 2026 ook niet nader onderbouwd, terwijl het verlopen van die vertrektermijn blijkens het besluit wel de reden is dat de opvang wordt beëindigd. Verzoeker heeft daar in zijn gronden van bezwaar argumenten tegen gericht.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter is zich bewust van de belangen die COa heeft bij het beschikbaar maken en houden van opvangplekken. Een feit van algemene bekendheid is namelijk dat er een nijpend tekort is aan opvangplekken. COa heeft daar in haar reactie ook op gewezen. Toch acht de voorzieningenrechter dat belang niet doorslaggevend. Uit overweging 6 van de uitspraak van de rechtbank van 29 juni 2026 volgt namelijk dat de minister nog nadere stappen moet zetten. De rechtbank heeft de minister namelijk opgedragen om bij de Griekse autoriteiten na te vragen of de beoordeling van de asielaanvraag in Nederland maakt dat Griekenland de aan verzoeker verleende asielstatus intrekt, en daarna te beoordelen wat dit betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit en inreisverbod. De rechtbank heeft ook overwogen dat als de minister een nieuw terugkeerbesluit oplegt, hij daarbij ook een actuele beoordeling van het risico op refoulement moet maken. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom verzoeker die door de minister te nemen stappen en mogelijke besluitvorming, net als zoveel andere vreemdelingen, niet in de opvang zou mogen afwachten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 30 juni 2026 is geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.\n\n5.1.. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. COa moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- schorst het besluit van 30 juni 2026 tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;\n\n- veroordeelt COa tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\nde griffier is verhinderd\n\nom te ondertekenen\n\nde voorzieningenrechter is verhinderd\n\nom te ondertekenen\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Zaaknummer NL26.7194, (nog) niet gepubliceerd.\n\n Vergelijk HvJ EG 13 november 1990, C-106\u002F89, ECLI:EU:C:1990:395 (Marleasing).\n\n Zie bijvoorbeeld artikel 1, tweede lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18454","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:43.128Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"689","ECLI:NL:RBDHA:2026:18457","ecli-nl-rbdha-2026-18457","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.11567\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. D.A.M. Friezer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de problemen van eiser met de Alkhaldi-stam vanwege zijn vriendschap met [persoon A] terecht ongeloofwaardig geacht. Ook heeft de minister terecht de seksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedag] 1991, heeft de Jordaanse nationaliteit, behoort tot de Palestijnse bevolkingsgroep en tot de Alzoubi-stam. Hij is vrienden geworden met een meisje, [persoon A] genaamd, uit een andere stam, de Alkhaldi-stam. Eiser is samen met haar betrapt door de neef van het meisje. Daarna kreeg eiser problemen. Er is toen een aanval op zijn huis gepleegd. Vervolgens is eiser vogelvrij verklaard door de Alkhaldi-stam. Zijn eigen stam heeft hiermee ingestemd. Ook is eiser biseksueel, waardoor hij problemen heeft gekregen in Jordanië.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. problemen met de Alkhaldi-stam vanwege eerwraak;\n\n3. de seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen.\n\n4.1.. \n\nDe minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De problemen met de Alkhaldi-stam vanwege eerwraak heeft eiser niet onderbouwd met objectieve documenten en dit asielmotief acht de minister niet geloofwaardig: de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Tenslotte werpt de minister aan eiser tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede reden heeft.Ten aanzien van het asielmotief seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen is de minister van oordeel dat eiser dit asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en is dit asielmotief niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook hier werpt de minister eiser tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede reden heeft. De minister heeft daarom alleen gekeken of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval.\n\nNiet is gebleken dat eiser een vluchteling is en dat hij uit Jordanië komt is op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen.\n\nHeeft de minister het juiste toetsingskader toegepast?\n\n5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de Werkinstructie (WI) 2024\u002F6. De minister had, gelet op de datum van de asielaanvraag, gebruik moeten maken van de WI 2014\u002F10. Bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser is gehandeld in strijd met de WI 2014\u002F10, omdat daaruit blijkt dat het relaas van een asielzoeker voor waar moet worden aangenomen wanneer de asielzoeker alle vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord. Hiervoor geldt dat het relaas op hoofdlijnen consistent en niet-onaannemelijk moet zijn en in lijn moet zijn met wat algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst. Dit is bij eiser het geval, wat de minister heeft miskend.\n\n5.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht beoordeeld aan de hand van WI 2024\u002F6. Dat beleid is met onmiddellijke ingang van toepassing. Uitgangspunt in het bestuursrecht is namelijk dat een besluit wordt genomen op basis van het op dat moment geldende recht, zelfs al zou een betrokkene door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komen.Hierbij verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats.\n\nHeeft de minister de documenten die eiser heeft overgelegd voldoende betrokken bij de besluitvorming?\n\n6. Eiser betoogt dat de minister de door hem ingebrachte documenten onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van zijn gestelde problemen met de Alkhaldi-stam vanwege eerwraak. Eiser heeft een originele verklaring van zijn moeder overgelegd, welke verklaring zijn moeder bij de plaatselijke Sheikh heeft afgelegd. De minister heeft ten onrechte overwogen dat deze verklaring geen objectief verifieerbaar document is. Deze verklaring is te vergelijken met een aangifte bij de politie of een verklaring bij de notaris. Om die reden heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom dit document niet inhoudelijk is betrokken bij de besluitvorming. De minister heeft dit document ten onrechte niet in onderlinge samenhang beoordeeld met de verklaring van eiser over zijn asielrelaas. Hetzelfde geldt voor het door eiser ingebracht videofragment waarop de beschieting van de auto te zien is. Ook hierbij is door de minister onvoldoende gemotiveerd waarom dit niet inhoudelijk betrokken is bij de besluitvorming en dit videofragment had in onderlinge samenhang met het asielrelaas moeten worden beoordeeld. In beroep heeft eiser aanvullende documenten overgelegd: de verklaringen van zijn buren over de vogelvrijverklaring en de bedreigingen van eiser.\n\n6.1.. De rechtbank stelt voorop dat dit asielmotief ziet op de problemen die eiser heeft ondervonden met de Alkhaldi-stam. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser dat asielmotief niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten. De door eiser overgelegde verklaring van zijn moeder is niet objectief verifieerbaar, omdat het om de moeder van eiser gaat en het dus geen objectief persoon betreft. Dat laatste geldt volgens de minister ook voor de verklaringen van de buren, zodat ook deze verklaringen geen objectief verifieerbare documenten betreffen. Het videofragment dat eiser heeft overgelegd waarop de beschieting te zien is, is ook niet objectief verifieerbaar. De minister heeft terecht gesteld dat het enkele feit dat op dit fragment een auto te zien is waarvan de zijruiten zijn verbrijzeld, onvoldoende is om aannemelijk te maken dat eiser het slachtoffer is geweest van een aanval of om zijn problemen met de Alkhaldi-stam geloofwaardig te achten. Ten aanzien van de verklaring van moeder van eiser en het videofragment heeft de minister op zitting gesteld dat deze documenten, die niet kunnen dienen als onderbouwing van het asielmotief, wel zijn meegenomen in de beoordeling. Ten aanzien van de verklaringen van de buren, die in beroep zijn overgelegd, heeft de minister zich op zitting nog op het standpunt gesteld dat deze de beoordeling van het asielrelaas niet anders maken. De rechtbank begrijpt het standpunt van de minister op zitting aldus dat hij de door eiser overgelegde documenten, hoewel hij deze niet voldoende achtte ter onderbouwing van het asielmotief in het kader van stap 2a van WI 2024\u002F6, wel heeft betrokken bij de beoordeling of aanleiding bestaat eiser het voordeel van de twijfel te geven als bedoeld in stap 2b van die werkinstructie. Gelet hierop volgt de rechtbank eiser niet in zijn niet nader onderbouwde betoog dat de minister de documenten niet in samenhang met zijn verklaringen over het asielrelaas heeft beoordeeld.\n\n6.2.. Nu dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd heeft de minister daarom beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval: de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft daar geen goede verklaring voor.\n\nHeeft de minister de problemen met de Alkhaldi-stam ongeloofwaardig mogen achten?\n\n7. Eiser betoogt dat de minister de problemen met de Alkhaldi-stam ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank bespreekt hierna de beroepsgronden die zijn gericht tegen het standpunt van de minister dat het relaas van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormt. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser geen gronden heeft gericht tegen de tegenwerping dat het onlogisch is dat hij na vijf jaar vriendschap problemen kreeg met [persoon A]. Voorts zal de rechtbank ingaan op de vraag of eiser zijn asielaanvraag zo spoedig mogelijk heeft ingediend.\n\nProblemen met de Alkhaldi-stam vanwege [persoon A] zijn vaag, onvoldoende gedetailleerd en onlogisch7.1.. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat de problemen van eiser met de Alkhaldi-stam vanwege [persoon A] vaag, onvoldoende gedetailleerd en onlogisch zijn. Eiser heeft in de zienswijze alsnog de naam van de neef en van het café waar de betrapping plaatsvond genoemd. Hij wijst erop dat de gebeurtenissen twee jaar eerder hebben plaatsgevonden, waardoor eiser zich de namen niet kon herinneren. De minister heeft ten onrechte niet doorgevraagd, bijvoorbeeld over zijn bekendheid met het café en de frequentie van zijn bezoeken daaraan. Eiser kwam niet vaker in dit café en het risico dat hij daar gezien kon worden was te verwaarlozen, aangezien Amman een stad is met meer dan vier miljoen inwoners. Eiser heeft duidelijk verklaard dat het enkele feit dat hij samen met [persoon A] uit een café kwam lopen aanleiding was van de problemen met de Alkhaldi-stam. In de Jordaanse cultuur van eiser is het niet toegestaan dat een man alleen met een vrouw erop uitgaat. Nadat eiser en [persoon A] betrapt waren, hebben zij elkaar niet meer gezien. Eiser betoogt verder dat de minister zijn verklaring dat het leek alsof hij en [persoon A] seks hadden te letterlijk neemt. Dit heeft eiser enkel verklaard om duidelijk te maken dat het ongebruikelijk is om in het openbaar met een vrouw af te spreken. Eiser kent de namen van de familieleden van de Alkhaldi-stam niet. Hem kan dan ook niet worden verweten dat hij de namen niet kent van de personen die hem (telefonisch) hebben bedreigd. In veel gevallen waar mensen worden bedreigd is enkel bekend vanuit welke hoek de bedreigingen komt, niet wie de bedreigers precies zijn. Dit is bij eiser ook het geval aangezien duidelijk is dat de bedreigingen afkomstig zijn uit de Alkhaldi-stam.\n\n7.2.. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen en afzien van het gebruik van de bewoordingen ‘niet ten onrechte’.\n\n7.3.. Het voorgaand in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over de problemen met de Alkhaldi-stam vanwege [persoon A] vaag, onvoldoende gedetailleerd en onlogisch zijn. Eiser stelt dat de neef van [persoon A] hen betrapt heeft bij een café in Amman, maar kan niet gedetailleerd over deze neef verklaren nu hij zijn naam niet kan noemen. Ook kan eiser de naam van het betreffende café niet noemen. De minister stelt terecht dat dat wel van eiser verwacht had mogen worden, nu dit de kern van het asielrelaas van eiser is. Het enkele feit dat het bezoek in 2019 plaatsvond maakt dit niet anders. Ten aanzien van de omstandigheid dat eiser in de zienswijze alsnog de naam van zowel de neef als van het café noemt, heeft de minister terecht gesteld dat eiser hierover tijdens gehoor gedetailleerd had dienen te verklaren en niet pas in de zienswijze. De minister heeft verder terecht gesteld dat eiser niet nader heeft onderbouwd hoe het enkel samen met [persoon A] verlaten van het café is uitgelegd als een aanwijzing dat hij en [persoon A] seks met elkaar hebben gehad dan wel dat deze omstandigheid voor problemen heeft gezorgd. De eigen verklaringen van eiser bieden daarvoor geen steun, nu daaruit niet volgt dat reeds het enkele samen verlaten van het café tot problemen met de Alkhaldi-stam heeft geleid. De enkele stelling van eiser dat het in de Jordaanse cultuur niet is toegestaan dat eiser alleen op pad gaat met een vrouw is hiervoor namelijk onvoldoende. Dit is verder ook niet onderbouwd. Voorts heeft de minister terecht gesteld dat eiser onvoldoende gedetailleerd heeft verklaard over de persoon door wie hij is bedreigd, nu eiser wel heeft verklaard veel telefoontjes te hebben gehad maar niet heeft kunnen aangeven van wie deze afkomstig waren. Ook stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het onlogisch is dat eiser niet de precieze naam van de vader van [persoon A] kan benoemen, terwijl hij zo intensief met zijn dochter is omgegaan, of van de andere Sheiks waar hij voor stelt te vrezen.\n\nWisselende verklaringen over wanneer eiser vogelvrij is verklaard7.4.. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij vogelvrij is verklaard. Aan het eind van het gehoor begon de hoormedewerker opnieuw over het vogelvrij verklaren van eiser. Eiser heeft toen een ander jaartal, 2018, genoemd dan eerder in het gehoor toen het hierover ging. In de rest van het nader gehoor heeft eiser consistent verklaard dat hij in 2019 vogelvrij is verklaard. Het kan eiser niet worden verweten dat hij tijdens een ruim zes uur durend gehoor, vol met spanningen, een fout maakt. Eiser kon zich niet meer herinneren wat er gebeurde. Na dag twee van het gehoor heeft eiser een hartinfarct gekregen, waaruit blijkt dat zijn fysieke situatie tijdens dag twee van het gehoor niet goed was. Tijdens het gehoor heeft eiser niet aangegeven dat de spanning te groot was, omdat het gehoor dan zou worden uitgesteld en hij weer lang moest wachten.\n\n7.5.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij vogelvrij is verklaard. In het nader gehoor geeft eiser aan dat hij in 2019 vogelvrij is verklaard. Verderop in het nader gehoor verklaart eiser dat hij in 2018 vogelvrij is verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij in 2019, samen met [persoon A], is betrapt door haar neef. Het is dan ook niet logisch dat eiser in 2018 vogelvrij is verklaard. Uit de verklaringen van eiser blijkt namelijk dat hij vogelvrij is verklaard omdat hij de eer van de familie van [persoon A] heeft geschonden door met haar samen te zijn. Dit is niet gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het slecht voorstelbaar is dat eiser eerst vogelvrij is verklaard en daarna problemen heeft ervaren met de familie van [persoon A]. Het nader gehoor is de plek waar eiser zijn asielrelaas naar voren dient te brengen. Het enkele feit dat het nader gehoor zes uur duurde maakt niet dat eiser niet volledig hoefde te zijn. Aan eiser is meermaals gevraagd of het nog ging en ook zijn er pauzes gehouden. Het had dan ook op de weg van eiser gelegen om aan te geven dat hij gespannen was en even een pauze nodig had.\n\nDe summiere en tegenstrijdige verklaringen van eiser over [persoon A]7.6.. Eiser betoogt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij zijn relatie met [persoon A] niet persoonlijk heeft gemaakt. Het was een geheime relatie tussen studiegenoten en dit moest geheim worden gehouden voor anderen. Zij spraken vooral telefonisch met elkaar, waarin de frequentie van het contact was aangepast aan de omstandigheden. Onder de omstandigheden waar eiser en [persoon A] zich in bevonden is het bespreken van de namen van familieleden niet een primaire bezigheid. Het is zeer de vraag of er meer te zeggen is over de relatie tussen eiser en [persoon A]. Het was een relatie waaraan maar beperkt vorm kon worden gegeven omdat er anders problemen zouden ontstaan. In de aanvullende gronden van 20 februari 2026 voert eiser aan dat de band met [persoon A] vriendschappelijk was, maar dat zij incidenteel betrokken raakte bij een trio. Dit betekent echter niet dat eiser een seksuele relatie onderhield met [persoon A]. Bovendien is eiser niet uitgenodigd om uitgebreider over zijn relatie met [persoon A] te verklaren, waardoor de summiere verklaringen niet aan hem kunnen worden tegengeworpen.\n\n7.7.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser summier en tegenstrijdig heeft verklaard over zijn relatie met [persoon A]. Eiser stelt vijf jaar te hebben afgesproken en telefonisch contact te hebben gehad met [persoon A], zodat van hem verwacht kon worden dat hij meer persoonlijk over haar en de relatie met haar kon verklaren, terwijl eiser is blijven steken in algemeenheden. Voorts heeft eiser tegenstrijdig verklaard doordat hij heeft verklaard dat hij af en toe een trio met [persoon A] heeft gehad, maar anderzijds heeft eiser aangegeven dat zijn band met [persoon A] puur vriendschappelijk was. Zoals eerder overwogen is het nader gehoor de plek om het asielrelaas naar voren te brengen. Eiser heeft de voldoende gelegenheid gehad om over de relatie met [persoon A] te verklaren, zodat zijn standpunt dat hij niet is uitgenodigd om uitgebreider over [persoon A] te verklaren niet opgaat.\n\nAsielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en geen goede reden daarvoor7.8.. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte heeft afgedaan als kennelijk ongegrond, omdat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk zou hebben ingediend. Eiser is met een toeristenvisum Nederland binnengekomen, met als doel om hier asiel aan te vragen. Dat heeft hij op Schiphol gemeld, daar zijn zijn vingerafdrukken genomen en is er een foto gemaakt. Toen eiser aankwam in Ter Apel bleek er geen plek voor hem te zijn. Eiser wijst hierbij op de onveilige situatie die destijds aan de hand was in Ter Apel, waar asielzoekers veelvuldig buiten moesten slapen en waar sprake was van veel criminaliteit. Eiser besloot daarom door te reizen naar Duitsland en uiteindelijk naar Denemarken. Dit kan hem niet worden verweten, aangezien hij in zijn eigen levensonderhoud wilde voorzien toen bleek dat Nederland hem niet kon opvangen. Eiser heeft in Denemarken een aantal maanden in de gevangenis gezeten, waardoor hij pas in april 2022 asiel kon aanvragen.\n\n7.9.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn asielaanvraag niet zo snel mogelijk heeft ingediend. Dat eiser niet bekend was met de asielprocedure in Nederland en dat hij niet beschikte over middelen van bestaan is geen verschoonbare reden voor het laat indienen van zijn asielaanvraag. Van iemand die stelt dat een vrees te hebben in zijn land van herkomst mag worden verwacht dat hij zo snel mogelijk de bescherming zoekt die hij nodig heeft.\n\nTussenconclusie7.9.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser met de Alkhaldi-stam ongeloofwaardig zijn.\n\nHeeft de minister de problemen van eiser over zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig mogen achten?\n\n8. Omdat dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft eiser in dat kader het volgende tegengeworpen: eiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over het moment dat hij zich realiseerde dat hij zowel op mannen als vrouwen valt, eiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie daarvan, eiser maakt niet inzichtelijk wat de band met [persoon B] voor hem betekent, eiser verklaart oppervlakkig over zijn gevoelens in Nederland, eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Jordanië problemen heeft ondervonden vanwege zijn biseksuele gevoelens en eiser heeft oppervlakkig verklaard over zijn gevoelens in Nederland. De minister is voorts van oordeel dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft.\n\n8.1.. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn problemen over zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig zijn. Eiser stelt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij niet uitgebreider heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie hiervan. Eiser is hier tijdens het gehoor ook niet op gewezen. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd op summiere antwoorden en niet heeft uitgelegd waarom van hem verwacht moet worden dat hij meer inzicht zou geven. Volgens eiser heeft de minister geen rekening gehouden met zijn referentiekader in de zin dat hij niet gewend is hierover te spreken en schaamte ervaart. Eiser loopt gevaar in Jordanië wanneer zijn seksuele gerichtheid daar bekend wordt. In het nader gehoor heeft eiser uitgebreid verklaard en antwoord gegeven op alle vragen. Hierbij heeft hij verteld over meerdere seksuele ervaringen. Ondanks zijn referentiekader heeft eiser het nodige verklaard over het bewustwordingsproces van zijn biseksuele gevoelens. Eiser betoogt voorts dat hij ten aanzien van zijn band met [persoon B] de vragen hierover adequaat heeft beantwoord. Eiser heeft in beroep screenshots overgelegd van de whatsappcontacten met [persoon B]. Eiser betoogt verder dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij oppervlakkig heeft verklaard over de manier waarop hij in Nederland met zijn seksuele gerichtheid omgaat. De seksuele gerichtheid was voor eiser niet de reden om in Nederland asiel aan te vragen. Omdat eiser zijn biseksualiteit inmiddels verder heeft ontplooid, kan van hem niet worden gevraagd dat hij dit nog langer onderdrukt bij terugkeer naar Jordanië. Ter zake de problemen die hij in Jordanië heeft ondervonden vanwege zijn biseksuele gevoelens stelt eiser dat hij uitvoerig over de arrestatie door de moraalpolitie heeft verklaard en dat niet valt in te zien hij eiser zou moeten welke over welke informatie de moraalpolitie direct voorafgaande de arrestatie beschikte.\n\n8.2.. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep gronden heeft gericht tegen alle tegenwerpingen die ten grondslag liggen aan het standpunt van de minister dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank bespreekt deze hierna.\n\nReferentiekader8.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Bij de beoordeling van dit asielmotief heeft de minister namelijk gebruik gemaakt van de WI 2019\u002F17) waarbij is gekeken hoe eiser zich bewust werd van zijn biseksuele gerichtheid en hoe hij daarmee is omgegaan en naar zijn relaties. Dit alles is afgezet tegen zijn culturele context, waarin biseksualiteit niet wordt geaccepteerd.\n\nEiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over het moment dat hij zich realiseerde dat hij zowel op mannen als vrouwen valt8.4.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser oppervlakkig en summier heeft verklaard over het moment dat hij zich realiseerde dat hij zowel op mannen als vrouwen valt. Eiser heeft hierover enkel gesteld dat hij wel degelijk het nodige heeft verklaard, maar de minister stelt terecht dat eiser oppervlakkig heeft verklaard en niet inzichtelijk heeft gemaakt aan de hand van concrete voorbeelden waarom eiser zich ongemakkelijk voelde en waarom eiser angst voelde. Ook de verklaring van eiser hoe het voor hem was om tot de realisatie te komen dat hij biseksueel is, is oppervlakkig en algemeen van aard. Eiser heeft hierover alleen verklaard dat hij zich blij en meer open voelde. Ook na het meerdere keren doorvragen door de hoormedewerker blijft eiser summier en oppervlakkig. Ondanks dat eiser dus uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over de ontdekking van zijn biseksuele gevoelens en de manier waarop hij daarmee is omgegaan en dit beleefd heeft, blijft eiser steken in algemene en oppervlakkige opmerkingen.\n\nEiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over de seksuele gerichtheid en de acceptatie hiervan8.5.. De minister heeft zich voorts terecht het standpunt gesteld dat eiser summier heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie daarvan. Eiser heeft verklaard dat de realisatie rond zijn 18e verjaardag heeft plaatsgevonden en dat de acceptatie van zijn seksuele gerichtheid plaatsvond rond 21- of 22-jarige leeftijd. Terecht stelt de minister dat eiser hiermee niet concreet heeft gemaakt hoe het moment van realisatie naar acceptatie is verlopen. Ondanks dat eiser dus uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over de ontdekking van zijn biseksuele gevoelens en de manier waarop hij daarmee is omgegaan en dit beleefd heeft, blijft eiser steken in algemene en oppervlakkige opmerkingen. De minister stelt daarbij ook terecht dat juist in een land als Jordanië waar een stigma heerst op het lhbti-gemeenschap van eiser verwacht mag worden dat hij persoonlijker kan verklaren over hoe deze ontdekking en acceptatie voor hem is geweest.\n\nEiser maakt niet inzichtelijk wat de band met [persoon B] voor hem betekent8.6.. De minister stelt zich verder naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de band met [persoon B] voor hem betekent. Ook hierin blijkt eiser steken in algemeenheden en maakt hij niet concreet wat de band met [persoon B] persoonlijk voor hem betekent. Nu eiser heeft verklaard dat hij in het verleden met niemand over zijn seksuele gerichtheid kon spreken en [persoon B] de eerste persoon in Nederland was met wie hij dit wel heeft gedaan, mocht de minister van eiser verwachten dat hij zou kunnen vertellen hoe dit voor hem was en wat de band met [persoon B] voor hem betekende.\n\nEiser heeft oppervlakkig verklaard over zijn gevoelens in Nederland8.7.. Met betrekking tot de verklaringen van eiser over hoe hij in Nederland met zijn seksuele gerichtheid omgaat, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser in algemeenheden blijft hangen. Eiser heeft niet concreet kunnen maken waarom hij in Nederland een mooi gevoel krijgt bij het openbaar kunnen uiten van zijn seksualiteit. Eiser heeft geen persoonlijke antwoorden kunnen geven waarbij hij inzicht heeft gegeven in zijn gedachten.\n\nEiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen in Jordanië heeft ondervonden vanwege zijn biseksuele gevoelens8.8.. Eiser heeft gesteld dat de moraalpolitie hem heeft gearresteerd vanwege zijn biseksuele gerichtheid. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom de politie bij hem binnenkwam. Eiser verklaart hierover immers dat hij denkt dat het door een anonieme tip kwam zodat zijn stelling dat hij problemen heeft ervaren vanwege zijn biseksuele gerichtheid op vermoedens rust. Bovendien weet eiser niet zeker of hij is aangehouden vanwege zijn seksuele gerichtheid. Nu eiser heeft verklaard geen andere problemen wegens zijn biseksuele gerichtheid te hebben meegemaakt, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen heeft ervaren in Jordanië vanwege zijn biseksuele gerichtheid.\n\nTussenconclusie8.9.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn problemen door zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie hiervan, een niet samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Uit overweging 7.9 volgt dat de minister zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en hiervoor geen goede reden heeft. De minister heeft dit asielmotief dan ook terecht ongeloofwaardig geacht.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).\n\n Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.\n\n Rb Den Haag, zp Arnhem 11 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3804.\n\n Rb Den Haag, zp Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.\n\n HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.\n\n Rb. Den Haag (zp. Arnhem), 23 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17061, onder 7.1.1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18457","2026-07-13T00:28:43.340Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":46},"693","ECLI:NL:RBDHA:2026:18464","ecli-nl-rbdha-2026-18464","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.14032\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. D.A.M. Friezer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij het juiste beoordelingskader heeft toegepast en dat wel rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Voorts heeft de minister de problemen van eiser met Al Shabaab terecht ongeloofwaardig geacht.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2. De minister heeft hierop een verweerschrift ingediend.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedag] 1994, heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de Reer Hamar-clan. Eiser is meermaals telefonisch bedreigd door Al Shabaab vanwege zijn werkzaamheden in een elektronicawinkel. Al Shabaab is op een later moment naar het werk van eiser gekomen en zij hebben de eigenaar van de winkel toen doodgeschoten. Eiser was op dat moment in het magazijn achterin de winkel. Hij heeft zich stilgehouden en heeft kunnen ontsnappen. Hierna is eiser ondergedoken bij twee kennissen. Daarna is hij naar een bekende van een van de kennissen gegaan. Deze laatste persoon heeft eiser geholpen bij het verlaten van Somalië. Ook de vader en de toenmalige vrouw van eiser zijn benaderd door Al Shabaab. Dit was reden voor de ex-vrouw van eiser om van hem te scheiden. De vader van eiser is gegijzeld door Al Shabaab en eiser heeft sindsdien niets van hem vernomen. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser te worden gedood door Al Shabaab.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. problemen met Al Shabaab;\n\n3. discriminatie vanwege afkomst uit een minderheidsstam.\n\n4.1.. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Het tweede asielmotief, de problemen met Al Shabaab, heeft eiser niet onderbouwd met objectieve documenten en dit asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig: de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister heeft eiser in dat kader het volgende tegengeworpen: heeft wisselend verklaard over wanneer hij telefonisch is bedreigd door Al Shabaab, eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom Al Shabaab zes tot zeven maanden heeft gewacht voordat ze actie hebben ondernomen, eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe Al Shabaab achter zijn telefoonnummer is gekomen, eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij weer is gaan werken na de bedreigingen, eiser heeft tegenstrijdig verklaard over hoeveel aanvallers er waren en eiser baseert de ontvoering van zijn vader op vermoedens. Het derde asielmotief, de discriminatie vanwege afkomst uit een minderheidsstam, is geloofwaardig geacht. De minister heeft gekeken of eiser op grond van geloofwaardig geachte asielmotieven in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\nHeeft de minister het juiste toetsingskader toegepast?\n\n5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de Werkinstructie (WI) 2024\u002F6. De minister had, gelet op de datum van de asielaanvraag, gebruik moeten maken van WI 2014\u002F10. De minister kan niet tijdens een lopende asielprocedure een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling toepassen. Dat is in het geval van eiser wel gebeurd.\n\n5.1.. De minister stelt zich op het standpunt dat het juiste beoordelingskader is toegepast. Nergens is vastgelegd dat asielaanvragen moeten worden beoordeeld aan de hand van de werkinstructies die van kracht waren ten tijde van de asielaanvraag. Hierbij verwijst de minister naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg.In het bestuursrecht wordt een besluit genomen op basis van het op dat moment geldende beleid. Dit is anders wanneer sprake is van overgangsrecht of als dat uit (andere) wetgeving volgt. Dat is echter bij het beslissen op asielaanvragen niet het geval.\n\n5.2.. De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht beoordeeld aan de hand van WI 2024\u002F6. Dat beleid is met onmiddellijke ingang van toepassing. Uitgangspunt in het bestuursrecht is namelijk dat een besluit wordt genomen op basis van het op dat moment geldende recht, zelfs al zou een betrokkene door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komen.Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats.\n\nHeeft de minister rekening gehouden met het referentiekader van eiser?\n\n6. Eiser betoogt dat de minister bij de beoordeling van de verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Uit het nader gehoor blijkt dat eiser een vraag niet begrijpt. Dat zijn aanwijzingen dat het referentiekader een rol speelt en kenbaar betrokken had moeten worden. Het opleidingsniveau van eiser had dan ook meegenomen moeten worden in het referentiekader.\n\n6.1.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat in het bestreden besluit wel degelijk een referentiekader is opgenomen. Nergens uit het dossier is gebleken dat het feit dat eiser geen opleiding heeft invloed heeft gehad op de manier waarop hij kan verklaren of op zijn asielrelaas. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat niet valt in te zien hoe het betrekken van het opleidingsniveau van eiser tot een andere uitkomst van de geloofwaardigheidsbeoordeling kan leiden. Dit is door eiser ook niet onderbouwd.\n\nHeeft de minister de problemen van eiser met Al Shabaab ongeloofwaardig mogen achten?\n\n7. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over de problemen met Al Shabaab niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiser niet een samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank zal hieronder de gronden van eiser die zijn gericht tegen de tegenwerpingen van de minister in het kader van dat standpunt bespreken.\n\nWisselende verklaringen over de telefonische bedreigingen door Al Shabaab7.1.. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij wisselend heeft verklaard over de telefonische bedreigingen door Al Shabaab. Eiser heeft aangevoerd dat de tolk eiser niet goed heeft begrepen en de datum van de eerste telefonische bedreiging niet juist heeft vertaald. Ook de verklaring van eiser dat de bedreiging plaatsvond in de maand maart heeft de tolk niet juist vermeld. De minister gaat voorbij aan wat is aangevoerd in de correcties en aanvullingen. Eiser heeft hierin de data die hij in het nader gehoor heeft genoemd gecorrigeerd. De minister concludeert in het bestreden besluit ten onrechte dat sprake is van een dusdanig groot verschil in de verklaringen van eiser dat dit in het nadeel van eiser weegt. Bovendien is eiser tijdens het gehoor niet geconfronteerd met de tegenstrijdigheden, waardoor dit niet aan eiser kan worden tegengeworpen.\n\n7.2.. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. Dit in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser wisselend heeft verklaard over de telefonische bedreigingen door Al Shabaab. Eiser noemt verschillende data in het gehoor. In de correcties en aanvullingen heeft eiser verklaard dat het om andere data ging. Hierdoor zijn de verklaringen van eiser wisselend. Tijdens het gehoor is aan eiser gevraagd of de data juist waren. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het feit dat de data weer wisselden in de correcties en aanvullingen afbreuk doet aan de consistentie van het betoog van eiser. Daarnaast heeft eiser vier data genoemd, maar kan hij niet noemen in welke maand dit was. Eiser schatte bij benadering in dat dit in maart moet zijn geweest. De minister stelt terecht dat van eiser verwacht mag worden dat hij de maand kan noemen, omdat hij ook de dagen van het incident weet te benoemen. Dat eiser dit niet heeft kunnen doen betekent dat hij niet inzichtelijk heeft kunnen maken wanneer hij telefonisch is bedreigd. In het verweerschrift stelt de minister zich op het standpunt dat de correcties en aanvullingen wel zijn betrokken. Dit heeft echter alleen maar onduidelijkheid veroorzaakt, omdat er nog een extra datum is genoemd. Dat de tolk het één en ander niet juist heeft vertaald, heeft eiser verder niet onderbouwd, zodat de minister eiser op dit punt niet hoeft te volgen. Ook volgt de minister eiser terecht niet in zijn betoog dat hij tijdens het gehoor niet is geconfronteerd met de tegenstrijdigheden en dat dit wel had gemoeten. De hoormedewerker is niet verplicht om elke tegenstrijdigheid of wisselende verklaring voor te houden. In het verweerschrift stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser in de correcties en aanvullingen en in de zienswijze voldoende mogelijkheid heeft gehad om op de tegenwerpingen te reageren.\n\nNiet inzichtelijk waarom Al Shabaab zes tot zeven maanden heeft gewacht voordat ze actie hebben ondernomen7.3.. Eiser voert aan dat hij maximaal anderhalf jaar werkte, waarbij hij pas in de laatste maanden zelf problemen heeft gekregen met Al Shabaab. De eigenaar van de elektronicawinkel waar hij werkte had die problemen echter al zes of zeven maanden daarvoor gekregen. Eiser betoogt dat het aannemelijk is dat de winkel in het vizier van Al Shabaab kwam omdat de eigenaar zijn belasting niet betaalde, waardoor ze uiteindelijk bij eiser terecht zijn gekomen. Het is logisch dat Al Shabaab uiteindelijk ook eiser ging lastig vallen, omdat er werd samengewerkt met de overheid. Hier heeft eiser uitgebreid over verklaard in het nader gehoor. Het is om die reden niet bijzonder dat de bedreigingen aan het adres van eiser pas op een later moment zijn begonnen. Hierbij is van belang dat Al Shabaab geen standaard patroon volgt. De enkele verwijzing van de minister naar de gewelddadige aard van Al Shabaab maakt niet dat daaruit volgt dat eiser eerder had moeten worden lastig gevallen. De minister stelt ten onrechte dat hij gedurende de anderhalf jaar dat hij in de winkel werkte niet heeft gedacht aan vluchten. Eiser heeft pas in de laatste maand dat hij daar werkzaam was problemen gekregen, waardoor er geen reden was om eerder te vluchten. Eiser wist ook niet van de bedreigingen die de eigenaar ontving totdat hij sprak over zijn eigen telefonische bedreigingen.\n\n7.4.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij zes tot zeven maanden, zoals hij zelf in eerste instantie heeft verklaard volgens de minister, heeft kunnen werken in de winkel zonder dat hij problemen had met Al Shabaab. Het feit dat de eigenaar van de winkel geen belasting betaalde staat los van de door eiser gestelde problemen. Eiser heeft namelijk verklaard dat Al Shabaab hem in het vizier had vanwege het samenwerken met de overheid. Hieruit is niet op te maken hoe de belastingstatus van de eigenaar van de winkel hier invloed op had. De minister stelt zich hierover terecht op het standpunt dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt hoe de problemen van de eigenaar van de winkel zijn verschoven naar eiser. Wat eiser hierover in de zienswijze heeft betoogd is terecht als speculatief aangemerkt. Eiser heeft daarmee niet inzichtelijk gemaakt waarom Al Shabaab zo lang heeft gewacht met het belemmeren van de werkzaamheden: het is bevreemdend dat het ruim anderhalf jaar, over welke periode eiser in de zienswijze heeft verklaard, heeft geduurd voordat Al Shabaab achter eiser is aangekomen. Volgens de verklaringen van eiser was hij namelijk als werknemer veelvuldig aanwezig en beschikbaar om door Al Shabaab om wat voor reden dan ook lastig te worden gevallen. Dat dit vervolgens anderhalf jaar niet is gebeurd is bevreemdend gelet op de agressieve en gevaarlijke aard van deze organisatie. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het bevreemdend is dat eiser gedurende deze lange periode nooit heeft besloten om te vluchten.\n\nNiet inzichtelijk hoe Al Shabaab achter het telefoonnummer van eiser is gekomen7.5.. Eiser betoogt dat niet van hem kan worden verwacht dat hij kan achterhalen hoe Al Shabaab aan zijn telefoonnummer is gekomen, zodat de tegenwerping die de minister hem in dit kader maakt ten onrechte is. Het is aannemelijk dat Al Shabaab spionnen heeft bij telecomproviders. Dit wordt door de minister niet weerlegd. Ook is het gezien de invloed die Al Shabaab heeft in Mogadishu voorstelbaar dat zij het nummer van eiser hebben achterhaald. Dat dit een gebruikelijke werkwijze is blijkt ook uit het ambtsbericht van maart 2020 en uit een door eiser overgelegde brief van Vluchtelingenwerk van 6 augustus 2024. Eiser verwijst tenslotte naar informatie van Noorse Landinfo van 17 oktober 2022, waaruit blijkt dat de chantage door Al Shabaab om mensen te rekruteren vaak plaatsvindt door herhaalde telefoontjes, bedreigingen en soms zelfs door het vermoorden van mensen in de omgeving van de betreffende persoon.\n\n7.6.. \n\nDe minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe Al Shabaab achter zijn telefoonnummer is gekomen. De hoormedewerker heeft eiser tijdens het nader gehoor gevraagd hoe Al Shabaab specifiek achter het telefoonnummer van eiser is gekomen. Eiser heeft hierop verklaard dat het mogelijk is dat Al Shabaab spionnen heeft bij de telecomprovider. Dit antwoord is speculatief en niet voldoende om inzichtelijk hoe Al Shabaab aan het nummer van eiser is gekomen. Het had op de weg van eiser gelegen om dit aannemelijk te maken. De minister stelt zich voorts terecht op het standpunt dat eiser miskent dat de door hem aangehaalde landeninformatie ziet op rekrutering door Al Shabaab, wat in het geval van eiser niet van toepassing is, nu het gaat om bedreigingen. Uit de informatie blijkt, anders dan eiser betoogt, niet dat Al Shabaab spionnen bij de telefoonproviders heeft werken en op die manier aan telefoonnummers weet te komen.\n\nNiet inzichtelijk gemaakt dat eiser weer is gaan werken nadat hij is bedreigd7.7.. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij is blijven werken nadat hij was bedreigd. Eiser kon zijn inkomen niet missen, mede omdat zijn gezin en zijn ouder financieel afhankelijk zijn van hem. Na de aanval op de winkel is eiser niet meer teruggegaan naar de winkel. De risico’s waren toen te groot geworden. De telefonische dreigementen zijn bovendien niet te vergelijken met de daadwerkelijke aanval op de winkel. De minister kan niet in de plaats van eiser beoordelen op welke wijze eiser deze afweging heeft gemaakt. Het is onduidelijk in welk kader de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser ondanks dat hij de kostwinner was wel het land heeft kunnen ontvluchten.\n\n7.8.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij weer is gaan werken na de telefonische bedreigingen. Uit het betoog van eiser komt naar voren dat de gestelde bedreigingen zeer ernstig waren en dat eiser zelfs met de dood is bedreigd. De enkele verklaring van eiser dat hij zijn familie moest onderhouden weegt hier dan ook niet tegen op. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij na de bedreigingen met de dood is blijven werken en hiermee welbewust heeft gekozen voor het risico dat hij vermoord zou kunnen worden door Al Shabaab en dan zijn gezin en ouders helemaal niet meer financieel zou kunnen bijstaan.\n\nDe ontvoering van de vader van eiser is gebaseerd op vermoedens7.9.. Eiser betoogt dat zijn vader al meerdere keren was lastiggevallen en bedreigd door Al Shabaab, omdat de vader van eiser hem moest uitleveren aan Al Shabaab. Dat de vader van eiser daarna is ontvoerd is daarom een logisch gevolg van de eerdere bedreigingen. Bovendien had de vader van eiser zelf geen problemen met Al Shabaab. Dat de ontvoerders niet hebben verteld waarom ze de vader van eiser hebben ontvoerd maakt dit niet anders, omdat er na de ontvoering geen enkel contact meer is geweest. Ook het enkele feit dat Al Shabaab een jaar heeft gewacht met het ontvoeren van de vader van eiser maakt dit niet anders, omdat de vader van eiser daarvoor al meermaals is bedreigd. De minister heeft niet onderbouwd dat dit tijdsverloop niet aannemelijk is. De verklaringen van eiser omtrent de ontvoering van zijn vader komen bovendien overeen met objectieve landeninformatie, wat door de minister niet gemotiveerd is weerlegd.\n\n7.10.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader is ontvoerd door Al Shabaab. Eiser heeft op geen enkele wijze aangetoond dat de daders van de ontvoering verbonden waren aan Al Shabaab. Het is enkel een vermoeden van eiser dat zijn vader is ontvoerd door Al Shabaab door de problemen die eiser met hen heeft. De ontvoerders hebben niet verteld waarom zij de vader van eiser hebben ontvoerd. Ook hebben zij niet kenbaar gemaakt wie ze zijn. Bovendien heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt waarom, mocht Al Shabaab de dader zijn, ze een jaar hebben gewacht voordat ze de vader van eiser ontvoerden. Tot slot stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het asielrelaas altijd wordt beoordeeld tegen de achtergrond van het land van herkomst en met medeneming van actuele landeninformatie.\n\nDe tegenwerpingen die de minister heeft laten vervallen7.11.. Eiser betoogt dat de minister in het besluit twee tegenwerpingen heeft laten vallen, namelijk dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de aanleiding van de bedreigingen en over het aantal overvallers. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat het vervallen van deze punten niet opweegt tegen de andere punten uit bestreden besluit. Hierbij wordt namelijk niet aangegeven waarom dit het geval is en hoe zwaar de overige punten dan wegen.\n\n7.12.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het vervallen van deze twee punten niet opweegt tegen de overige punten in het voornemen. In totaal waren er zeven tegenwerpingen waarvan er nu nog vijf overblijven die zien op de kern van het asielrelaas van eiser. De minister stelt terecht dat niet valt in te zien dat dit nader gemotiveerd had moeten worden, omdat uit het handhaven van het overige deel van de besluitvorming volgt dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Daaruit volgt ook dat de overige tegenwerpingen dus voldoende zwaar waren om de afwijzing te dragen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats.\n\nConclusie over de geloofwaardigheidsbeoordeling7.13.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser de problemen met Al Shabaab niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft dit asielmotief dan ook ongeloofwaardig mogen achten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).\n\n Rb Den Haag, zp Middelburg 15 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18978.\n\n Rb Den Haag, zp Arnhem 11 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3804.\n\n Rb Den Haag, zp Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.\n\n HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18464","2026-07-13T00:28:43.546Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":51,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":53},"694","ECLI:NL:RBDHA:2026:18469","ecli-nl-rbdha-2026-18469","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20364\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. E. Derksen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nHeeft de minister de asielaanvraag van eiseres aan zich getrokken door de machtiging op grond van artikel 34 van de Dublinverordening te laten ondertekenen door eiseres?\n\n5. Eiseres betoogt dat de minister de asielaanvraag van eiser inhoudelijk moet behandelen omdat eiseres een machtiging op grond van artikel 34 van de Dublinverordening heeft ondertekend. Hierin is expliciet vermeld dat Nederland als verantwoordelijke lidstaat wordt aangemerkt en dat de machtiging strekt tot het opvragen van informatie met het oog op de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Dit duidt niet op een beoordeling in het kader van de Dublinverordening. Eiseres betwist niet dat een dergelijke machtiging kan worden gebruikt om informatie op te vragen bij een andere lidstaat, maar de machtiging die eiseres heeft ondertekend heeft een andere strekking. Eiseres beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Na ondertekening van de machtiging is het gehoor beëindigd, zonder dat is verteld dat alsnog een claimverzoek bij Frankrijk zou worden gedaan. Onder deze omstandigheden heeft de minister het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk door Nederland in behandeling werd genomen. Dit is niet kenbaar in de besluitvorming betrokken.\n\n5.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de minister is aangevangen met de inhoudelijke beoordeling van haar asielaanvraag doordat eiseres de hiervoor bedoelde machtiging heeft ondertekend. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(Afdeling) volgt dat niet snel wordt aangenomen dat Nederland is aangevangen met de inhoudelijke behandeling van een asielverzoek, zolang de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek nog niet is afgerond. Ook volgt uit deze rechtsspraak dat de toestemmingsverklaring is bedoeld om informatie op te kunnen vragen bij andere lidstaten, zodat kan worden vastgesteld welk land verantwoordelijk is. Het enkele feit dat het nader gehoor van eiseres na ondertekening van de machtiging is beëindigd, maakt dit niet anders. Ook is het vertrouwensbeginsel niet geschonden. Anders dan eiseres betoogt is geen sprake geweest van een toezegging zoals de minister terecht stelt. De door eiseres ondertekende toestemmingsverklaring is een stap in een standaardprocedure die enkel ziet op het uitwisselen van informatie tussen lidstaten in het kader van de Dublinverordening. Uit deze handeling kan niet worden afgeleid dat Nederland de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk zal behandelen. Bovendien heeft de minister geen uitlatingen gedaan waaruit een dergelijke toezegging blijkt.\n\nHeeft de minister ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel getoetst ten opzichte van Kroatië?\n\n6. Eiseres betoogt dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel toetst ten opzichte van Kroatië. Eiseres voert aan dat dit onbegrijpelijk is, aangezien de minister in hetzelfde besluit stelt dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is. Dit betreft geen kennelijke verschrijving, aangezien de beoordeling of kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel een essentieel onderdeel is van de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit. Door te toetsen aan Kroatië in plaats van aan Frankrijk heeft de minister nagelaten om te beoordelen of een overdracht aan Frankrijk in lijn is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daardoor ontbreekt een dragende motivering voor het besluit. Dit gebrek kan niet worden gepasseerd met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat niet kan worden vastgesteld dat eiseres hierdoor niet in haar belangen is geschaad. Ook kan het gebrek niet in beroep worden hersteld, omdat het gaat om een essentiële inhoudelijke beoordeling.\n\n6.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op de zitting heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat dit een kennelijke verschrijving is. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om een gebrek aan te nemen. Uit het bestreden besluit blijkt evident dat de minister het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk heeft getoetst. Zoals de minister op zitting terecht heeft gesteld wordt in het bestreden besluit immers verwezen naar vaste rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van Frankrijk. Ook is het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport dat ziet op Frankrijk besproken.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n7. Eiseres betoogt dat de minister ten opzichte van Frankrijk niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de vaste rechtspraak van de Afdeling waar de minister naar verwijst volgt niet dat in alle individuele gevallen zonder nadere beoordeling tot overdracht kan worden overgegaan. Eiseres behoort tot de LHBTI-gemeenschap, wat haar een kwetsbaar persoon maakt en waardoor de minister een verzwaarde onderzoeksplicht heeft. Uit het AIDA-rapport, update 2024,blijkt dat er aanhoudende problemen zijn met betrekking tot de positie van LHBTI-asielzoekers in Frankrijk. De minister heeft ten onrechte niet onderzocht wat dit in het individuele geval van eiseres betekent bij overdracht aan Frankrijk. Bovendien heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat een terugkeer naar Frankrijk niet leidt tot een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.\n\n7.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft recent nog bevestigd dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan . In deze uitspraak is het AIDA-rapport, update 2024, besproken. De Afdeling heeft hierover geoordeeld dat uit dit rapport niet blijkt dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Uit het rapport blijkt dat problemen bestaan omtrent de positie van LHBTI-asielzoekers in Frankrijk, maar hieruit volgt niet dat homoseksuele en transgender asielzoekers in een nadeligere positie dan andere asielzoekers terecht komen. Ook ten aanzien van de opvang van asielzoekers is niet gebleken dat er structurele problemen bestaan die bij overdracht een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest opleveren. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\nIs er sprake van een situatie zoals in het arrest C.K.?\n\n8. In de aanvullende gronden van 17 juni 2026 doet eiseres een beroep op het arrest C.K. van het Hof.Uit de aanvullende documenten blijkt dat eiseres kampt met ernstige psychische klachten en zich suïcidaal heeft geuit. Het is niet in het belang van eiseres dat de medische behandeling die zij ondergaat, alsmede de specialistische psychische hulp waarvoor zij is verwezen, wordt stilgezet. Op de zitting heeft eiseres betoogd dat de minister ten onrechte geen BMA-advies heeft opgevraagd en dat de minister alsnog opgedragen moet worden om dat te doen. Dit had wel op de weg van de minister gelegen, aangezien de minister zelf niet medisch deskundig is en het risico niet zelf kan inschatten.\n\n8.1.. Uit het arrest C.K. volgt dat, ook als van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, overdracht in het kader van de Dublinverordening op zichzelf een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest kan opleveren. Dit kan met name voorkomen als de overdracht van een vreemdeling met bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen een ernstige verslechtering van zijn of haar gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben, zodat er een situatie ontstaat zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Of dit zo is, moet worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die vreemdeling. Als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn of haar gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zou kunnen leiden, moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van het Handvest als gevolg van de overdracht zelf wegnemen, maar kan daar niet altijd mee volstaan.\n\n8.2.. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiseres niet met objectieve documenten heeft onderbouwd dat zij bijzonder ernstige psychische problemen heeft die tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen bij overdracht zouden kunnen leiden. Hierdoor komt de minister niet toe aan de vergewisplicht, aangezien het suïcide-risico als gevolg van de overdracht niet als reëel of hoog is ingeschat door een medisch deskundige. Om die reden heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om een BMA-advies op te vragen. Hoe treurig ook, is de enkele omstandigheid dat eiseres een suïcidale poging heeft gedaan onvoldoende om aan te nemen dat de overdracht een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling oplevert. In dit kader heeft de minister op de zitting toegelicht dat ten tijde van de overdracht maatregelen getroffen kunnen worden wanneer dit nodig wordt geacht.\n\nHad de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?\n\n9. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De minister heeft ten onrechte niet beoordeeld of de kwetsbaarheid, de positie van eiseres als LHBTI-persoon, de omstandigheid dat eiseres in Nederland onder medische behandeling staat en een sociaal netwerk heeft opgebouwd, aanleiding geven om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening.\n\n9.1.. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De door eiseres gestelde kwetsbaarheid, de positie van eiseres als LHBTI-persoon en het feit dat zij in Nederland onder medische behandeling staat en een sociaal leven heeft opgebouwd, zijn geen zodanige bijzondere individuele omstandigheden waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nDit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n ABRvS 11 september 2014, ECLI:NL:RVS:2015:3385.\n\n AIDA-rapport Frankrijk, update 2025 (juni 2025).\n\n ABRvS 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.\n\n HvJEU, arrest C.K. 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18469","2026-07-13T00:28:43.597Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":31,"updatedAt":62},"1859","ECLI:NL:RBDHA:2026:18000","ecli-nl-rbdha-2026-18000","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL21.18286\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit weliswaar vernietigd moet worden, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Dat betekent dat eiseres wel gelijk krijgt en dat het beroep gegrond is, maar dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen omdat hij de aanvraag wel terecht heeft afgewezen. De minister had het besluit namelijk niet goed gemotiveerd, maar hij heeft dat in beroep alsnog gedaan. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar (gestelde) vader [naam vader\u002Freferent] (referent) in Nederland. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 31 maart 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 oktober 2021 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft op 16 mei 2023 nog een aanvullende motivering verzonden.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWat ging er aan deze zaak vooraf?\n\n3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor verblijf bij referent. Referent woont al langere tijd in Nederland. Hij heeft rechtmatig verblijf onder de beperking ‘residence card for a family member of an EU citizen’. Hij verblijft onder die beperking bij zijn Nederlandse kinderen. Eiseres is in 2008 geboren uit een eerdere relatie. In 2019 is het contact tussen eiseres en referent ontstaan dan wel hersteld.\n\n3.1.. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen om een aantal verschillende redenen. Zo is voor inwilliging van de aanvraag vereist dat referent ten tijde van die aanvraag al minimaal één jaar houder is van een verblijfsvergunning regulier. Daarvan was volgens de minister geen sprake ten tijde van het primaire besluit. Verder voldeed referent ten tijde van het primaire besluit volgens de minister niet aan het middelenvereiste, omdat hij een uitkering ontving op grond van de Participatiewet. Bij de aanvraag ontbraken volgens de minister ook een aantal bewijsstukken, zoals een gelegaliseerde geboorteakte van eiseres, een document waaruit blijkt dat referent rechtmatig gezag heeft over eiseres, een paspoort van de achterblijvende moeder in het land van herkomst en bewijsstukken waaruit blijkt dat eiseres al voor het vertrek van referent uit Sierra Leone tot zijn gezin behoorde. De minister nam verder niet aan dat sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, zodat eiseres ook niet op die grond moest worden toegestaan om in Nederland te verblijven.\n\n3.2.. In bezwaar heeft eiseres onder andere naar voren gebracht dat referent niet langer een beroep doet op de uitkering op grond van de Participatiewet. Hij werkt namelijk inmiddels in loondienst. Verder heeft eiseres erop gewezen dat op de achterzijde van de door haar overgelegde geboorteakte wel een stempel ter legalisatie aanwezig is. Eiseres heeft verder een ‘voter id-card’ van haar achterblijvende moeder overgelegd en screenshots van WhatsApp-gesprekken tussen haar en referent om hun familieband te onderbouwen.\n\n3.2.1.. De minister heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De minister erkent in dat besluit dat het verblijfsrecht dat referent ontleent aan artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) niet als tijdelijk verblijfsrecht staat vermeld in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Het moet volgens de minister echter wel worden gelijkgesteld aan een tijdelijk verblijfsrecht. Het inkomen dat referent ten tijde van het bestreden besluit inmiddels genereerde is verder volgens de minister niet voldoende en ook niet duurzaam. Referent voldoet daarom nog steeds niet aan het middelenvereiste. Op de id-kaart van de moeder van eiseres staat geen handtekening, zodat deze niet vergeleken kan worden met de handtekening op de toestemmingsverklaring waaruit zou moeten blijken dat de (achterblijvende) moeder van eiseres toestemming geeft voor het vertrek van eiseres. De minister stelt zich verder op het standpunt dat ook in bezwaar niet is gebleken dat referent het rechtmatige gezag heeft over eiseres en dat tussen hen geen gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat niet is aangetoond dat sprake is van hechte, persoonlijke banden tussen referent en eiseres.\n\n3.3.. In beroep heeft de minister verzocht de zaak aan te houden. Uit rechtspraak van na het bestreden besluit volgt dat een derdelander ouder met een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU onder voorwaarden verblijfsgever kan worden voor een derdelander (voor)kind. De minister heeft daarom besloten om eiseres alsnog te horen over haar bezwaar en heeft haar daartoe gevraagd een aantal bewijsstukken te overleggen en vragen te beantwoorden.\n\n3.3.1.. Eiseres heeft in reactie op de vragen van de minister een aantal bewijsstukken overgelegd. Zij heeft foto’s overgelegd van een recent bezoek van referent aan haar in Nigeria. Verder heeft zij screenshots van WhatsApp-gesprekken tussen haar en (naar gesteld) referent overgelegd. Ook is een geboorteakte overgelegd, een overlijdensakte van de moeder van eiseres en een bewijs dat er geld is overgemaakt aan de man waar eiseres sinds het overlijden van haar moeder verblijft. Eiseres en referent zijn ook gehoord over hun bezwaarschrift.\n\n3.3.2.. De minister heeft op 16 mei 2023 een stuk ingediend met aanvullende motivering. Uit die motivering blijkt dat de tijdelijke aard van het verblijfsrecht van referent niet langer aan eiseres wordt tegengeworpen. Wel handhaaft de minister het standpunt dat tussen eiseres en referent geen sprake is van hechte, persoonlijke banden en dat eiseres om die reden niet feitelijk tot het gezin van referent behoort. De minister betrekt daarbij onder andere dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat referent al voor 2019 contact had met eiseres, dat het contact blijkens de WhatsApp-gesprekken nog steeds niet als intensief is aan te merken en dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat referent betrokken is bij de opvoeding en verzorging van eiseres. Dat de moeder van eiseres ten tijde van het aanvullende besluit inmiddels was overleden maakt niet dat eiseres daardoor afhankelijk is van referent, nu zij verblijft bij een man die ook voor het overlijden van haar moeder hielp met de verzorging en opvoeding van eiseres.\n\n3.3.2.1. Eiseres heeft gereageerd op de aanvullende motivering van 16 mei 2023.\n\n3.3.3.. Blijkens het dossier heeft het zusje van eiseres, [naam zusje] ([naam zusje]), op een later moment ook een aanvraag ingediend voor verblijf bij referent. Dat dossier is geen onderdeel van de onderhavige beroepsprocedure. De minister betrekt het dossier van [naam zusje] toch bij de zaak van eiseres, omdat [naam zusje] bij haar aanvraag een aantal van dezelfde documenten heeft overgelegd als eiseres, waaronder de overlijdensakte van hun moeder. In de procedure van [naam zusje] heeft de minister dat document door Bureau Documenten laten onderzoeken. Die onderzoeksresultaten heeft de minister wél toegevoegd aan het dossier in deze zaak. Bureau Documenten concludeert dat de overlijdensakte een valse legalisatie bevat. [naam zusje] heeft ook een aantal andere documenten overgelegd die niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven en die frauduleus zijn gelegaliseerd en\u002Fof verkregen. De minister twijfelt daarom ook aan de door eiseres overgelegde documenten en heeft eiseres verzocht haar geboorteakte in het origineel te overleggen, om alsnog onderzocht te kunnen worden door Bureau Documenten. Eiseres heeft aan dit verzoek voldaan.\n\n3.3.4.. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 7 november 2023 volgt dat de door eiseres overgelegde geboorteakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is, omdat de verschijningsvorm en opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Verder is volgens Bureau Documenten de legalisatie van het Ministerie van Buitenlandse zaken vals, omdat die afwijkt van het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal.\n\n3.3.4.1. De minister stelt zich als gevolg hiervan op het standpunt dat de geboorteakte de gestelde familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet alsnog heeft onderbouwd en zelfs ontkracht dat sprake is van een dergelijke relatie.\n\n3.3.4.2. In reactie op de verklaring van onderzoek van 7 november 2023 heeft eiseres aangekondigd een contra-expertise te willen laten uitvoeren door de ambassade van Sierra Leone. Eiseres heeft verder een aantal nieuwe documenten overgelegd:\n\n - een nieuwe geboorteakte met legalisatie;\n\n - een rapport van 1 februari 2024 van de school van eiseres;\n\n- een brief van de school van eiseres waarin onder andere staat dat referent de schoolkosten betaalt en verantwoordelijkheid neemt voor zijn dochter;\n\n- een schoolrapport van schooljaar 2022\u002F2023 en\n\n- een ‘school leaving certificate and testimonial’.\n\n3.3.5.. De minister heeft de door eiseres overgelegde documenten laten onderzoeken door Bureau Documenten. Uit dat onderzoek blijkt dat de geboorteakte echt is, maar wordt het voorbehoud gemaakt dat indien voor de verkrijging van die geboorteakte de eerdere (met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt bevonden) geboorteakte is gebruikt, de nieuwe geboorteakte frauduleus is verkregen. Verder zijn op de door eiseres aangeleverde schooldocumenten wijzigingen aangetroffen en\u002Fof wijken zij af van het beschikbare vergelijkingsmateriaal.\n\n3.3.5.1. Eiseres heeft op dit laatste onderzoek gereageerd. Daarbij heeft eiseres onder andere gesteld dat voor de geboorteakte geen fotokopie van de eerdere geboorteakte is gebruikt.\n\n3.3.6. De minister heeft hierop een verweerschrift ingediend.\n\nIs het bestreden besluit voldoende gemotiveerd?\n\n4. De minister heeft eiseres na het indienen van haar beroep alsnog gehoord en heeft daarna ook een aanvullende motivering uitgebracht. In die aanvullende motivering heeft de minister expliciet aangegeven dat de aard van het verblijfsrecht niet langer wordt tegengeworpen. De minister heeft zijn standpunt dus gewijzigd. De rechtbank leidt daaruit af dat de minister van mening is dat het besluit van 26 oktober 2021 onvoldoende (of onjuist) was gemotiveerd. Dat besluit komt alleen daarom al voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is dus gegrond.\n\n4.1.. De rechtbank zal hieronder aan de hand van de beroepsgronden van eiseres en de door de minister gegeven aanvullende motivering beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank komt tot de conclusie dat dat het geval is.\n\nWat zijn de afwijzingsgronden die ten grondslag liggen aan de afwijzing van de aanvraag van eiseres?\n\n5. De rechtbank stelt vast dat de minister de volgende afwijzingsgronden ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit om de aanvraag van eiseres voor verblijf als familie- of gezinslid bij referent af te wijzen: referent voldoet niet aan het middelenvereiste, er is geen controleerbare toestemmingsverklaring van de overblijvende ouder overgelegd en niet is aangetoond dat referent rechtmatig gezag heeft over eiseres. Eiseres heeft hiertegen beroepsgronden ingediend waar de rechtbank hieronder op zal ingaan.\n\nMocht de minister het middelenvereiste aan eiseres tegenwerpen?\n\n6. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat de inkomsten van referent niet voldoende en ook niet duurzaam zouden zijn. De minister heeft volgens eiseres namelijk ten onrechte en in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn niet gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval, met name de beoordeling van het risico dat een beroep wordt gedaan op de openbare kas. Van belang is namelijk dat de inkomsten toereikend zijn en in zekere mate een bestendig en continu karakter hebben, zodat redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat eiseres ten laste komt van het stelsel van sociale bijstand.\n\n6.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat referent niet aan het in de Nederlandse wetgeving geformuleerde middelenvereiste voldoet is blijkens de beroepsgrond niet in geschil. In geschil is de vraag of de minister dat ook aan eiseres mocht tegenwerpen, omdat het risico laag zou zijn dat eiseres ten laste zou komen van het stelsel van sociale bijstand en omdat aan de geest van de wet met betrekking tot de hoogte en de duurzaamheid van de middelen zou zijn voldaan. Zoals de minister ook in het verweerschrift aanhaalt volgt uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn dat lidstaten mogen verzoeken om bewijs dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hem en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Die bepaling is onder andere geïmplementeerd in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 3.73 en verder van het Vreemdelingenbesluit 2000. Uit het bestreden besluit volgt dat de minister de beoordeling conform die artikelen heeft verricht. Daarbij heeft de minister voldoende rekening gehouden met eventuele uitzonderingsgronden en ook voldoende individueel getoetst of het inkomen van referent valt aan te merken als ‘stabiel’ en ‘regelmatig’. Juist nu daaraan niet wordt voldaan kunnen de inkomsten, anders dan eiseres stelt, niet worden aangemerkt als ‘in zekere mate bestendig en continu’. Dat de inkomsten wel als zodanig moeten worden aangemerkt en dat daarom redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat eiseres ten laste komt van het stelsel van sociale bijstand volgt de rechtbank dus niet. Dat de minister met zijn beoordeling in strijd zou hebben gehandeld met de Gezinsherenigingsrichtlijn is door eiseres verder niet onderbouwd.\n\nMocht de minister eiseres tegenwerpen dat geen toestemmingsverklaring van haar achterblijvende moeder is overgelegd, mede gelet op de overgelegde overlijdensakte?\n\n7. Eiseres voerde in eerste instantie aan dat de minister haar moeder in de gelegenheid had moeten stellen een toestemmingsverklaring te tekenen op de Nederlandse ambassade, nu er voor haar geen identiteitsdocument met handtekening aanwezig is. Gedurende de beroepsprocedure is de moeder van eiseres (naar gesteld) overleden. Dat is volgens eiseres voldoende aannemelijk gemaakt. Een toestemmingsverklaring kan daarom volgens eiseres niet langer worden verlangd.\n\n7.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat de door eiseres overgelegde overlijdensakte door Bureau Documenten vals is bevonden. Dat is door eiseres niet bestreden met de stelling dat navraag bij de Sierra Leoonse autoriteiten leerde dat zij geen nieuwe overlijdensakte zullen afgeven. Dat, zoals eiseres stelt, ook uit andere stukken zoals verklaringen van referent, verklaringen van de man waar eiseres nu bij verblijft en medische stukken die betrekking hebben op de moeder, voldoende zou blijken dat de moeder is overleden volgt de rechtbank niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de minister terecht veel waarde hecht aan het feit dat de overgelegde overlijdensakte vals is bevonden. De andere door eiseres overgelegde stukken maken niet dat de minister alsnog moest uitgaan van het overlijden van de moeder van eiseres, zodat van haar niet langer een toestemmingsverklaring mocht worden verlangd. De minister stelt zich namelijk terecht op het standpunt dat ook uit de andere overgelegde stukken eigenaardigheden blijken. Zo heeft Bureau Documenten geoordeeld dat ook de legalisatie op de verklaring van het ziekenhuis van 25 januari 2022 en de verklaring van 11 april 2021 vals zijn. Daarnaast klopt de leeftijd van de patiënte waar de ziekenhuisverklaring over gaat niet met de gestelde leeftijd van de moeder van eiseres en is de diagnose en het ziekteverloop in die verklaringen anders dan eerder door referent is gesteld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat deze constateringen voor het eerst in het verweerschrift konden worden opgenomen. De overlijdensakte is eerst in de beroepsfase overgelegd en vervolgens vals bevonden. De minister kon zich daarom eerst in die fase inhoudelijk uitlaten over die akte en over de gevolgen die dit heeft voor de waardering van de overige overgelegde documenten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres de gelegenheid heeft gehad om ter zitting op deze standpunten te reageren en daarvan ook gebruik heeft gemaakt.\n\nMocht de minister van eiseres verlangen dat zij documenten overlegt waaruit volgt dat referent het wettelijk gezag over haar heeft?\n\n8. Eiseres betoogt dat de minister niet van haar mag verlangen dat zij documenten overlegt waaruit volgt dat referent het wettelijk gezag over haar heeft. De minister miskent daarmee namelijk dat het vaderschap vaststaat en niet wordt betwist. In Sierra Leone wordt gezag dan automatisch aangenomen.\n\n8.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiseres veronderstelt wordt door de minister namelijk wel betwist dat het vaderschap vaststaat. De minister stelt zich namelijk op het standpunt dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet is aangetoond. Hoewel dat standpunt niet zo expliciet volgt uit de overwegingen met betrekking tot het gezag, volgt dat standpunt wel uit de beoordeling die de minister heeft gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft op zitting toegelicht dat die beoordeling ook ziet op de vraag of wordt aangenomen dat referent rechtmatig gezag heeft over eiseres. Of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat onvoldoende is aangetoond dat tussen eiseres en referent een familierechtelijke relatie bestaat zal de rechtbank dan ook hieronder beoordelen in het kader van artikel 8 van het EVRM.\n\nHeeft de minister ten onrechte geen familierechtelijke relatie\u002Ffamilie- en gezinsleven aangenomen tussen eiseres en referent?\n\nFamilierechtelijke relatie\n\n9. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen familierechtelijke relatie aanneemt tussen haar en referent. Allereerst is onduidelijk waar de minister op baseert dat referent en de moeder van eiseres geen relatie hadden ten tijde van de geboorte van eiseres. De minister verbindt daar dus ten onrechte de conclusie aan dat alleen al om die reden geen sprake is van familie- of gezinsleven. De minister heeft ook met betrekking tot de documenten die zijn overgelegd om het familie- of gezinsleven aan te tonen onvoldoende voldaan aan de op hem rustende vergewisplicht. Uit de bevindingen van Bureau Documenten blijkt namelijk niet waarom de vaststelling dat de verschijningsvorm, de opmaak en afgifte van de geboorteakte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal leidt tot de conclusie dat deze waarschijnlijk niet echt is.\n\n9.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat ter onderbouwing van de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent primair een geboorteakte is overgelegd die vals is bevonden. Daar hecht de minister terecht veel waarde aan. Dat de minister niet zou hebben voldaan aan de vergewisplicht met betrekking tot het onderzoek waaruit volgt dat de geboorteakte vals is, volgt de rechtbank niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat de minister er in beginsel van uit mag gaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dat laat echter onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van de minister als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. In die situaties kan hij niet volstaan met een verwijzing naar de conclusies van verklaringen van onderzoek. Evenmin kan hij volstaan met het ter controle aanbieden van de onderliggende stukken aan de rechtbank. De vergewisplicht rust immers op de minister en niet op de rechter. Een situatie zoals hiervoor bedoeld doet zich in ieder geval voor als de conclusies van een verklaring van onderzoek in relatie tot de bevindingen naar aanleiding van dat onderzoek vragen oproepen, bijvoorbeeld als die bevindingen niet logischerwijs tot de daaraan verbonden conclusies leiden. Ook als een vreemdeling gemotiveerd heeft betwist dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten, zal de minister nader invulling moeten geven aan zijn vergewisplicht. Dit kan hij bijvoorbeeld doen door zelf de onderliggende stukken van de desbetreffende verklaring van onderzoek in te zien.Niet alleen heeft eiseres niet gemotiveerd betwist dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, maar de minister heeft blijkens de in het dossier opgenomen vergewisbrief ook reeds de onderliggende stukken van de verklaring van onderzoek over de geboorteakte ingezien. De enkele stelling dat de minister zich onvoldoende vergewist zou hebben omdat uit de verklaring van onderzoek niet zou blijken waarom de opmaak en afgifte van de geboorteakte af zouden wijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister daar nog verder in zou moeten gaan. Het uitgangspunt blijft namelijk dat de minister er in beginsel van uit mag gaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.\n\n9.2.. In beroep heeft eiseres nog een nieuwe geboorteakte ingebracht. Dat document is door Bureau Documenten echt bevonden, maar met het voorbehoud dat indien voor de verkrijging van die geboorteakte een fotokopie van de eerder vals bevonden geboorteakte is gebruikt, de nieuwe geboorteakte frauduleus is verkregen. Volgens eiseres had de minister op basis van de nieuwe geboorteakte alsnog uit moeten gaan van de familierechtelijke relatie tussen haar en referent. De rechtbank volgt dat niet. Naar het oordeel van de rechtbank verlangt de minister namelijk terecht van eiseres dat zij nader toelicht hoe zij de tweede geboorteakte heeft verkregen en dat zij een deugdelijke verklaring geeft voor het eerder overleggen van een vals document. Dat heeft eiseres met de in beroep gegeven verklaring niet gedaan. Zoals de minister terecht stelt schetst eiseres in die verklaring namelijk vooral welke procedure gevolgd moet worden voor het verkrijgen van een geboorteakte, maar niet welke stappen zij daarvoor zelf heeft ondernomen en hoe zij dus alsnog in het bezit is gesteld van een geboorteakte. Eiseres heeft verder in het geheel geen verklaring gegeven voor de eerder overgelegde valse geboorteakte. De minister hoefde dus aan de tweede geboorteakte geen doorslaggevend gewicht toe te kennen.\n\n9.3.. In haar reactie van 19 januari 2024 op de verklaring van onderzoek waaruit volgt dat de eerste geboorteakte vals is, stelt eiseres nog dat de minister DNA-onderzoek aan had moeten bieden. Dat volgt de rechtbank niet. Zoals de minister terecht stelt in zijn brief van 23 januari 2024 ligt de bewijslast namelijk bij eiseres en is de twijfel gerezen door documenten die door haarzelf zijn ingebracht. Het is dan niet, zo stelt de minister terecht, aan de minister om de gerezen twijfel weg te nemen, maar aan eiseres om haar zaak met authentieke documenten te onderbouwen.\n\n9.4. De minister heeft gelet op het voorgaande terecht geen familierechtelijke relatie aangenomen tussen haar en referent.\n\nFamilie- of gezinsleven\n\n10. De minister stelt zich volgens eiseres ten onrechte op het standpunt dat tussen eiseres en referent geen familie- of gezinsleven bestaat. Zo stelt de minister volgens eiseres ten onrechte dat niet zou zijn aangetoond dat het onmogelijk was voor referent om contact te onderhouden met eiseres. Eiseres was immers met haar moeder vertrokken, zonder dat bij referent adres- of contactgegevens bekend waren. In 2019 is het contact hersteld en sindsdien wordt er voldoende invulling gegeven aan het gezinsleven. De minister miskent ook dat door middel van de WhatsApp-gesprekken aannemelijk is gemaakt dat sprake is van daadwerkelijk feitelijk contact. Gezinsleven tussen ouders en kinderen is het uitgangspunt. Dat pas gezinsleven tussen een kind en diens biologische vader kan worden aangenomen als voldoende invulling wordt gegeven aan dit gezinsleven is in strijd met de uitleg van artikel 8 van het EVRM door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.Slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan het gezinsleven als verbroken worden beschouwd. Daarvan is in dit geval geen sprake, aldus eiseres. Verder is paragraaf 3.3.2 van de Werkinstructie 2020\u002F16 (WI 2020\u002F16) op deze zaak van toepassing, waaruit volgt dat sprake kan zijn van familie- of gezinsleven als een biologische vader beperkte invulling heeft gegeven of heeft kunnen geven en zijn relatie met het kind wil ontwikkelen. De minister is verder ten onrechte niet voldoende ingegaan op de rechten van eiseres als kind.\n\n10.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Allereerst volgt uit hetgeen hierboven is geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat onvoldoende is aangetoond dat tussen eiseres en referent een familierechtelijke relatie bestaat. Dat het uitgangspunt is dat gezinsleven tussen ouders en kinderen wordt aangenomen en dat het in strijd is met artikel 8 van het EVRM om één en ander in dit geval zo uit te leggen dat dat pas zo is wanneer er voldoende invulling wordt gegeven aan dat gezinsleven, gaat in het geval van eiseres dus niet op. De minister neemt immers juist niet aan dat referent de ouder (vader) is van eiseres. Om diezelfde reden is paragraaf 3.3.2. van WI 2020\u002F16 niet op eiseres en referent van toepassing. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat onvoldoende is aangetoond dat tussen referent en eiseres sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Zo blijkt uit de WhatsApp-gesprekken die zijn overgelegd niet dat het contact plaatsvindt tussen eiseres en referent, nu het contact plaatsvindt met iemand onder de naam ‘F boy 33’. Bovendien, zo stelt de minister terecht, is de inhoud van de gesprekken zeer summier. Het betreft veel gemiste gesprekken en korte onbeantwoorde berichten met langere periodes tussen elk contact. Hoewel de minister verder wel aanneemt dat de geldoverboekingen afkomstig zijn van referent, dateren de overboekingen van eind 2022 en begin 2023, zodat niet is aangetoond dat referent al langere tijd en met regelmaat geld overboekt naar eiseres (of ten behoeve van haar verzorging). Referent onderhoudt verder geen contact met de school van eiseres en is niet betrokken bij beslissingen over haar zorg en opvoeding. Dat referent blijkens de overgelegde foto’s wel op bezoek is geweest bij eiseres en dat sprake is van een zekere band heeft de minister verder terecht niet voldoende geacht om uit te gaan van familie- of gezinsleven tussen hen. Dat de minister onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de belangen van eiseres volgt de rechtbank verder eveneens niet. De minister heeft namelijk in de aanvullende motivering van 16 mei 2023 op basis van de destijds geldende rechtspraak, ondanks het niet bestaan van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM, wel een belangenafweging gemaakt. In die belangenafweging heeft de minister de belangen van eiseres als kind kenbaar betrokken. Door eiseres is niet gemotiveerd waarom de minister onvoldoende op haar belangen zou zijn ingegaan.\n\nWat betekent dit voor het beroep?\n\n11. Zoals de rechtbank onder 4 al heeft geconcludeerd bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek en komt het voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is dus gegrond. De minister heeft echter in beroep alsnog voldoende gemotiveerd dat en waarom hij de aanvraag van eiseres heeft afgewezen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit wel in stand blijven.\n\nHeeft eiseres recht op een schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn?\n\n12. Eiseres voert aan dat de redelijke termijn is overschreden. Zij verzoekt om een immateriële schadevergoeding.\n\n12.1.. \n\nDe vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld aan de hand\n\nvan de omstandigheden van het geval. In zaken als onderhavige geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.\n\n12.2.. De redelijke termijn begint in beginsel op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De minister heeft het bezwaarschrift van eiseres ontvangen op 28 april 2021. Dit betekent dat de redelijke termijn zou verstrijken op 28 oktober 2021. Op 26 oktober 2021 is echter aan eiseres een beslissing op haar bezwaarschrift bekendgemaakt. Dat betekent dat de redelijke termijn in de bezwaarfase niet is overschreden. De beroepsprocedure bij de rechtbank heeft geduurd vanaf 22 november 2021 tot de datum van deze uitspraak. Dat is 4 jaar, 7 maanden en 8 dagen. De totale procedure heeft daarom de redelijke termijn van twee jaar overschreden met 3 jaar, 2 maanden en 2 dagen. Niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten. Voor een deel is die overschrijding ondanks het op tijd beslissen op het bezwaarschrift de minister aan te rekenen, omdat hij gedurende de beroepsprocedure heeft verzocht om aanhouding om een aanvullende motivering uit te brengen en omdat hij Bureau Documenten meerdere keren heeft verzocht om onderzoek te verrichten naar de door eiseres overgelegde documenten. Voor een deel is de overschrijding echter ook aan eiseres toe te rekenen, omdat zij in beroep meerdere keren nieuwe documenten heeft overgelegd die vervolgens onderzocht moesten worden, een contra-expertise had aangekondigd en steeds (uitgebreide) nieuwe beroepsgronden heeft ingediend. De overschrijding is verder ook aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank acht het daarom redelijk om de overschrijding van de redelijke termijn voor een derde aan zichzelf toe te rekenen, voor een derde aan de minister toe te rekenen, maar ook voor een derde aan eiseres toe te rekenen.\n\n12.3.. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Uitgangspunt voor de schadevergoeding is een tarief van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Eén derde van de overschrijding rekent de rechtbank niet mee bij de berekening van het schadebedrag, omdat die overschrijding aan eiseres wordt toegekend. Dat betekent dat de rechtbank een schadebedrag berekent voor twee derde deel van 3 jaar, 2 maanden en 2 dagen. Dat is iets meer dan 2 jaar, wat wordt afgerond op 2.5 jaar. Het schadebedrag in deze zaak bedraagt gelet hierop € 2.500. Omdat de overschrijding waarover een schadebedrag verschuldigd is in dit geval aan de rechtbank en de minister is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 1.250 en de Staat tot een bedrag van € 1.250 als vergoeding voor de door eiseres geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHeeft eiseres recht op een proceskostenvergoeding?\n\n13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen voor zover die zien op kosten die gemaakt zijn voor het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van een zitting, met een waarde per punt van € 934). Ook krijgt eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 181 terug.\n\n13.1.. Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen en de termijnoverschrijding aan de minister en de rechtbank is toe te rekenen, ziet de rechtbank aanleiding de minister en de Staat (de rechtbank) ieder te veroordelen tot vergoeding van de helft van de proceskosten die eiseres heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5). Dit betekent dat de minister gelet op wat al onder 12 is overwogen in totaal € 2.101,50 (€ 1.868+ € 233,50) aan proceskosten moet betalen en de Staat € 233,50.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar ziet aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Eiseres krijg een vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten en krijgt het griffierecht terug. Ook krijgt zij een vergoeding voor het overschrijden van de redelijke termijn. De berekening van de proceskosten en de immateriële schadevergoeding staan in overweging 12 tot en met 13.1.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\n- wijst het verzoekt om schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.250;\n\n- veroordeelt de minister tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.250;\n\n- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 233,50 voor het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.101,50 voor het indienen van het beroep en het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht tot een bedrag van € 181 aan haar vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.P.I. van der Meer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ABRvS 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:628.\n\n Arrest Onur, 17 februari 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:02170.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18000","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.429Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":67,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":31,"updatedAt":70},"921","ECLI:NL:RBDHA:2026:18601","ecli-nl-rbdha-2026-18601","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.61474\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie\n\n(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister bij de besluitvorming voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres. Verder heeft de minister de vrees voor detentie en de ondervonden discriminatie terecht onvoldoende zwaarwegend geacht. Ook heeft de minister de aanvraag van eiseres terecht afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres niet direct na aankomst asiel heeft aangevraagd. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister aan eiseres geen reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM had hoeven verstrekken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 december 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft zes kinderen, waarvan vijf zoons. Eén zoon, die blind is, woont in Nederland, en twee zoons zijn (zwaar) gehandicapt. De twee andere zoons van eiseres zijn deserteurs en op eiseres is druk uitgeoefend door de Eritrese overheid zodat haar zoons zich weer zouden melden. Eiseres wist echter niet waar haar zoons waren. Er zijn meerdere invallen geweest in haar huis en daarbij is ook gedreigd dat zij en haar, zwaar gehandicapte, zoon in de gevangenis zouden worden gezet. Eiseres heeft ook een oproep gekregen van de Eritrese politie om zich te melden op het politiebureau. Inmiddels is één van de zoons die werd gezocht wel weer gevonden, maar de andere zoon wordt nog steeds gezocht. Verder heeft eiseres te maken gehad met discriminatie omdat zij meerdere gehandicapte kinderen heeft. Zij werd daardoor geïsoleerd en afgestoten door haar omgeving en familie. Bij terugkeer vreest eiseres dat zij in de gevangenis zal belanden, omdat nog één zoon gezocht wordt door de autoriteiten en omdat zij lang is weggebleven. Ook vreest zij opnieuw voor discriminatie.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. huisbezoeken door Eritrese autoriteiten wegens de desertie van de zoons van eiseres;\n\n3. discriminatie wegens de gehandicapte kinderen van eiseres.\n\nDe minister heeft alle asielmotieven geloofwaardig geacht. Echter kan eiseres volgens de minister niet worden aangemerkt als vluchteling omdat de ondervonden discriminatie niet een dusdanige beperking was voor haar bestaansmogelijkheden dat het voor eiseres onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Verder heeft de minister gesteld dat eiseres ook geen reëel risico loopt op ernstige schade, omdat zij met haar verklaringen haar vrees voor detentie, niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij speelt ook mee dat eiseres legaal heeft kunnen uitreizen. Ook dat eiseres lange tijd is weggeweest uit Eritrea, maakt niet dat zij een risico loopt op ernstige schade. Er is namelijk geen terugkeertermijn verbonden aan een uitreisvisum, zoals blijkt uit landeninformatie. Aan eiseres is verder geen reguliere verblijfsvergunning verleend, omdat geen sprake is van familie- of gezinsleven met haar zoon die in Nederland woont. Volgens de minister is namelijk geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid.\n\nHeeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiseres?\n\n5. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar referentiekader. Hiervoor is onvoldoende dat tijdens het gehoor enkel is gevraagd naar de gezondheid van eiseres, het wijzen op de mogelijkheid om een pauze te kunnen nemen en het op een eenvoudige wijze stellen van vragen. Het referentiekader dient namelijk ook meegenomen te worden bij de beoordeling of iemand wisselend, vaag of ongerijmd verklaard.\n\n5.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiseres, namelijk met haar leeftijd, het feit dat zij ongeschoold en analfabeet is, en dat zij opgegroeid is in een klein dorp. Uit het nader gehoor blijkt ook dat de vragen op een eenvoudige manier zijn gesteld en dat zo nodig vragen zijn herhaald als deze niet duidelijk waren. Ook is er rekening mee gehouden dat eiseres moeilijk data kan onthouden. Bij de beoordeling van de asielmotieven heeft de minister ook rekening gehouden met het referentiekader. De asielmotieven zijn namelijk geloofwaardig geacht en er is niet tegengeworpen dat eiseres data niet goed heeft onthouden. Dat is gesteld dat eiseres wisselend heeft verklaard over het doorzoeken van de woning, maakt niet dat geen rekening is gehouden met het referentiekader. De minister heeft namelijk terecht gesteld dat ondanks het referentiekader van eiseres van haar wel samenhangende en aannemelijke verklaringen verwacht kunnen worden.\n\nMocht de minister de vrees voor detentie onvoldoende zwaarwegend achten?\n\n6. Eiseres betoogt dat zij haar vrees voor detentie bij terugkeer naar Eritrea aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij voert eiseres allereerst aan dat de minister een te zware toetst heeft verricht bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. Eiseres heeft geen documenten en kan dus de vrees voor detentie enkel aannemelijk maken met haar eigen verklaringen en openbare bronnen. De minister heeft de openbare bronnen onvoldoende meegewogen. Verder voert eiseres aan dat een van de zoons van eiseres nog steeds zoek is, en over hem ook vragen zijn gesteld bij de inval in het huis van eiseres. Het had op de weg van de minister gelegen om uitgebreider in te gaan op deze verklaringen als er onduidelijkheden over waren. Naast deze verklaringen heeft eiseres ook gewezen op algemene openbare bronnen die haar vrees voor detentie ondersteunen. Uit het algemeen ambtsbericht over Eritrea van 2023 (ambtsbericht 2023) blijkt dat de familie van dienstplichtweigeraars het risico lopen op detentie. Daarnaast is het enkele feit dat eiseres toestemming heeft gekregen voor haar uitreis en Eritrea zonder problemen heeft verlaten, onvoldoende om te oordelen dat zij na 16 maanden weer zonder problemen en consequenties kan inreizen. Hierbij wijst eiseres op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat, anders dan eiseres stelt, de minister in het besluit wel degelijk openbare bronnen heeft betrokken bij de beoordeling van de vrees voor detentie. De minister heeft in het besluit namelijk gewezen op het ambtsbericht 2023. Eiseres heeft verder niet onderbouwd waarom sprake zou zijn van een te zware toets. Met betrekking tot de vrees voor detentie stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres met haar verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer te vrezen heeft voor detentie. Met betrekking tot de zoon die nog zoek is, heeft eiseres namelijk verklaard niet te weten waar hij is, of hij nog leeft of dat hij misschien gevangen zit. Daarmee is niet aannemelijk dat de Eritrese autoriteiten nog naar hem op zoek zijn en eiseres gevangen willen zetten om hem terug te vinden. Hoewel de minister erop wijst dat het, gelet op het ambtsbericht 2023, mogelijk is dat familieleden van deserteurs onder druk worden gezet of in detentie worden gezet, heeft de minister in geval van eiseres terecht overwogen dat haar vrees niet aannemelijk is. De Eritrese autoriteiten hebben eiseres namelijk bij het eerste bezoek met rust hebben gelaten en zijn weggegaan. Ook de tweede keer heeft de politie enkel medegedeeld dat eiseres zich de volgende dag op het politiebureau moet melden en is daarna weer weggegaan. Daarmee heeft de minister terecht gesteld dat eiseres haar individuele omstandigheden de vrees voor detentie niet aannemelijk gemaakt. Met betrekking tot het opnieuw kunnen inreizen, stelt de minister terecht dat eiseres met de enkele algemene verwijzing naar het ambtsbericht 2023 en een uitspraak van een rechtbank niet aannemelijk maakt dat zij zelf problemen zal ondervinden bij terugkeer. Verder stelt de minister terecht dat uit de toelichting op het ambtsbericht 2023 blijkt dat aan een uitreisvisum geen terugkeertermijn is verbonden en dat de houder op elk willekeurig moment kan terugkeren naar Eritrea. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister gewezen op het algemeen ambtsbericht over Eritrea van 2025 (ambtsbericht 2025) waaruit hetzelfde blijkt als uit de toelichting op het ambtsbericht 2023. Ook heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting aangegeven dat uit navraag bij TOELT ook blijkt dat geen terugkeertermijn verbonden is aan een uitreisvisum. De rechtbank ziet geen aanleiding om niet van de juistheid deze informatie uit te gaan.\n\nMocht de minister de ondervonden discriminatie onvoldoende zwaarwegend achten?\n\n7. Eiseres betoogt dat de minister onterecht stelt dat de ondervonden discriminatie niet heeft geleid tot een dusdanig ernstige beperking van haar bestaansmogelijkheden. Eiseres heeft er namelijk op gewezen dat de vernedering, isolatie en verstoting door familie en omgeving en de geloofwaardig bevonden discriminatie wel degelijk een aantasting is van mensenrechten zoals gelijkheid en waardigheid. Intimidatie, belediging en bedreiging leiden namelijk tot aantasting van de geestelijke integriteit. Dat eiseres 65 jaar lang in Eritrea heeft geleefd, was noodgedwongen en kan niet opnieuw van haar verlangd worden. Dat haar zoon geregistreerd kon worden bij verenigingen maakt dit niet anders, omdat zij desondanks werd geweerd door haar omgeving en ernstige beperkingen heeft ondervonden. Eiseres heeft jarenlang in een isolement geleefd met de zorg voor haar zwaar gehandicapte kind en zij werd lastiggevallen door de Eritrese autoriteiten vanwege de dienstweigering van haar zoon. Dit maakt de ondervonden discriminatie wel voldoende zwaarwegend is.\n\n7.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat de lat voor de zwaarwegendheid van discriminatie hoog ligt. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor eiseres niet makkelijk is (geweest) in Eritrea, heeft de minister terecht gesteld dat de ondervonden discriminatie niet dusdanig ernstige beperkingen van de bestaansmogelijkheden van eiseres heeft opgeleverd dat het voor haar onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Dat eiseres, naar eigen zeggen, geïsoleerd is geraakt en is afgestoten door haar omgeving, is hiervoor onvoldoende. Daarbij komt dat eiseres heeft verklaard dat zij naar de kerk ging, en iemand met haar mee is geweest naar het politiebureau. Ook heeft eiseres verklaard dat de buren van eiseres het voor haar hebben opgenomen bij de eerste inval in het huis van eiseres door de politie. De minister heeft dus terecht gewezen op het feit dat eiseres 65 jaar in Eritrea heeft kunnen wonen, leven en functioneren. Verder wijst de minister erop dat voor de zoon van eiseres contact was met instanties over zijn situatie. Eiseres is verder zonder problemen in bezit is gesteld van (identificerende) documenten. Met betrekking tot het betoog van eiseres dat zij het psychisch zwaar heeft (gehad) in Eritrea, heeft de minister terecht gesteld dat dit niet onderbouwd is.\n\nMocht de minister de asielaanvraag van eiseres afwijzen als kennelijk ongegrond?\n\n8. Eiseres voert aan dat de minister bij het kennelijk ongegrond verklaren van haar aanvraag onvoldoende rekening heeft gehouden met haar referentiekader. Zij is namelijk analfabeet, heeft geen netwerk binnen of buiten Eritrea waar zijn informatie kan verkrijgen, is nooit eerder uit Eritrea gereisd en heeft nooit eerder asiel aangevraagd. Zij is dus niet op de hoogte van de wetten, regels en gebruiken in Nederland. Ook heeft zij geen sociale media en weet niet hoe het internet werkt zodat ze ook op die manier geen informatie kan verkrijgen. Daarom kan van haar niet verwacht worden dat zij voldoet aan het vereiste om zich onverwijld aan te melden of de mogelijkheid van het aanvragen van asiel. Dat haar zoon dit wel wist, doet daar niet aan af. Hij heeft haar namelijk niet geïnformeerd omdat eiseres psychisch kwetsbaar was toen zij in Nederland aankwam. Hij wilde haar de kans geven eerst alles een plek te geven. Het kan eiseres dus niet worden aangerekend dat haar zoon deze keuze heeft gemaakt.\n\n8.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt terecht zich op het standpunt dat de aanvraag mocht worden afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres zich niet zo snel mogelijk na aankomst voor haar asielaanvraag heeft gemeld.De minister heeft in het betoog van eiseres geen verschoonbare reden voor het te laat melden hoeven zien. Met betrekking tot het referentiekader stelt de minister terecht dat desondanks van eiseres verwacht mocht worden dat zij van de mogelijkheid van het aanvragen van asiel afwist. Daarbij heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting toegelicht dat aan eiseres niet wordt tegengeworpen dat haar zoon haar niet zou hebben geïnformeerd, maar van eiseres had verwacht mogen worden dat zij (bijvoorbeeld) had geïnformeerd bij haar zoon. Hij heeft namelijk de asielprocedure doorlopen en is al ruim tien jaar in Nederland. De minister acht het gelet op deze omstandigheden terecht niet aannemelijk dat eiseres niet wist of niet kon weten van het vragen van asiel.\n\nHad de minister aan eiseres een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM moeten verstrekken?\n\n9. Eiseres betoogt dat de minister aan haar een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM moest verstrekken. Zij woont namelijk sinds aankomst in Nederland bij haar zoon en zij zorgt voor hem en voor het huishouden. Haar zoon houdt de praktische afspraken van eiseres bij en ondersteunt haar emotioneel en financieel. Ook in Eritrea woonden zij samen en zorgde eiseres voor haar zoon. Tussen hen heeft dus altijd gezinsleven bestaan. Er is sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid vanwege de psychische afhankelijkheid en blindheid van haar zoon.\n\n9.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat aan eiseres geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM wordt verleend, omdat tussen haar en haar zoon geen gezinsleven bestaat. Daarbij heeft de minister betrokken dat de zoon van eiseres ouder dan 25 jaar is en een relatie heeft gehad met een vrouw waarvoor hij ook nareis heeft aangevraagd. Hieruit blijkt dat hij in staat is om op eigen benen te staan. Verder hebben eiseres en haar zoon jarenlang afzonderlijk gewoond. De zoon van eiseres woont namelijk al sinds 2015 in Nederland en eiseres woonde tot mei 2024 in Eritrea. Verder heeft de minister terecht gesteld dat geen is sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hierbij heeft de minister betrokken dat eiseres voorafgaand aan het vertrek namelijk niet samenwoonde met haar zoon. De financiële hulp die eiseres van haar zoon kreeg kort voordat zij naar Nederland kwam, kan ook op afstand blijven voortduren. Verder blijkt uit de verklaringen van eiseres niet dat zij of haar zoon niet in staat zijn om zelfstandig te functioneren, ondanks dat zij elkaar hulp bieden met bijvoorbeeld het koken en afspraken bij de huisarts. Dit zijn vooral praktische zaken. Met betrekking tot het betoog van eiseres dat sprake is van psychische afhankelijkheid, heeft de gemachtigde van de minister op zitting terecht gesteld dat niet onderbouwd is met documenten dat eiseres psychische problemen heeft of hulpbehoevend is. Ook blijkt niet dat de zoon van eiseres zorg en hulp van eiseres nodig heeft, nu hij al tien jaar zelfstandig in Nederland woont en hulp krijgt van thuiszorg. Hij heeft zich al die tijd weten te handhaven. Ook eiseres heeft zich tien jaar lang staande weten te houden in Eritrea zonder haar zoon. Tot slot heeft de minister terecht meegewogen dat eiseres een sterke band heeft met haar land van herkomst, nu zij daar tot aan haar vertrek heeft gewoond.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het besluit van 10 december 2025 in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.K.H.M.M. Otten, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Rb. Den Haag, zp. Utrecht, 21 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22939.\n\n Zie artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18601","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:54.624Z",1,20]