[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-criminal-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":30,"total":16,"page":25,"limit":131},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},12,{"min":18,"max":19},"2023-02-07T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121802","Burgerlijk Wetboek","art. 6:106",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"121812","Wetboek van Strafvordering","art. 279",[31,41,48,57,64,71,80,89,98,106,115,123],{"id":32,"ecli":33,"slug":34,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"1687","ECLI:NL:RBGEL:2026:5303","ecli-nl-rbgel-2026-5303","","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05\u002F057541-25\n\nDatum uitspraak : 6 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de militaire kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] .\n\nRaadsvrouw: mr. T.A. van Helvoort, advocaat in Amersfoort.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij als militair, op of omstreeks 17 juni 2024, te of nabij [locatie] , in elk geval in Duitsland, tijdens een oefening (SOB SOMS) op een schietbaan met 112 pantsergeniecompagnie opzettelijk, althans in ernstige mate nalatig het dienstvoorschrift VS 7-520 COLT: Hoofdstuk 1 “Wapenleer”, sectie 5 “Verrichtingen aan het wapen” onder 1510 (pagina 1-44) waarin was voorgeschreven: Laden vanuit ongeladen toestand • Neem de uitgangshouding aan. • Neem het patroonmagazijn uit de patroonmagazijntas, controleer of de patronen juist geplaatst zijn. Plaats het patroonmagazijn in het wapen en controleer of deze geborgd is. • Trek de spangreep naar achteren en laat deze in achterste stand los.\n\n• Druk met de handpalm de aandruk-plunjer in. • Sluit het hulzengatdeksel. • Zet de vuurregelaar op ‘S’.\n\nen\u002Fof\n\nHoofdstuk 2 “Schietleer”, sectie 7 “Gebruik van geweer in het terrein” onder 2704 (pagina 2-40) waarin was voorgeschreven: Schietbereidheid laag Wordt meestal gebruikt als de vijandelijke dreiging laag is. U hebt twee manieren om het wapen aan de tactische draagriem te dragen,\n\n• Het wapen voor de borst gedragen. • Het wapen om de schouder gehangen. Uitvoering. • De tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door. • Het wapen wordt voor de borst gedragen, men kan nog steeds beide armen gebruiken voor werkzaamheden. • Desgewenst kan de schutter de snelsluiting openen, waardoor de riem langer kan worden gemaakt. • Wapen is geladen en staat op ‘Safe’. • Via deze draagwijze kan men snel overgaan naar een hogere schietbereidheid.\n\n, 2705 (pagina 2-41) Schietbereidheid middel Wordt het meest gebruikt bij verplaatsingen en patrouilles. Uitvoering • Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door. • De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder. • De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst. • Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’, de rechter wijsvinger is gestrekt langs de trekkerbeugel. • De loop wijst onder een hoek van ongeveer 45° naar beneden\n\nen 2706 (pagina 2-42) waarin was voorgeschreven dat: Schietbereidheid hoog Wordt gebruikt als men direct vijand contact verwacht. Uitvoering. • Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door. • De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder. • De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst. • Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’ met de rechter wijsvinger aan de trekker en de rechterduim bij de vuurregelaar. • Waarnemen over de richtmiddelen voor een maximaal gezichtsveld.\n\nen\u002Fof\n\nHandboek Militair LAND-E&T- 02.3: Hoofdstuk 6A “Colt C7 &C8”, sectie 2 “Verrichtingen aan het wapen\" onder 6203 (pagina 6-35) waarin was voorgeschreven dat: Laden (vanuit halfgeladen toestand) - neem de uitgangshouding aan - trek de spangreep naar achteren en laat deze in de achterste stand los - druk met de handpalm de aandrukplunjer in - sluit het hulzengatdekeel - zet de vuurregelaar op S.\n\nniet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat hij verdachte toen aldaar in de gevechtsruimte\u002Fhet manschappen-compartiment van een Boxer (militair pantserwielvoertuig) zijn geladen wapen (Colt 8) ter hand heeft genomen en\u002Fof in gebruik heeft genomen zonder dat verdachte zich op dat moment (eerst) (voldoende) had overtuigd van de toestand waarin dat wapen verkeerde en\u002Fof zonder dat verdachte (eerst) de veiligheidsmaatregelen had genomen en\u002Fof zonder dat verdachte het wapen met de loop in een veilige richting liet wijzen en\u002Fof op het moment dat hij, verdachte, nog in het pantservoertuig zat\u002Faanwezig was en aanstalte maakte om uit te stijgen de trekker van zijn dienstwapen heeft overgehaald en\u002Fof althans te trekker heeft beroerd en\u002Falthans een schot met dat wapen heeft gelost en\u002Fof terwijl verdachte zijn dienstwapen op (zeer) korte afstand in de richting van het pantserplaat plafond (scherfwerende plafondplaat) van het voertuig (Boxer)militairwielvoertuig liet wijzen,\n\nterwijl daarvan\u002Fdaardoor gemeen (ricochet)gevaar voor personen, te weten de in het voertuig bevindende personen en\u002Fof de zich in de directe nabijheid van het schot bevindende personen te weten verdachte zelf en\u002Fof [getuige 1] en\u002Fof [getuige 2] en\u002Fof [getuige 3] en\u002Fof [getuige 4] en\u002Fof [getuige 5] en\u002Fof [getuige 6] en\u002Fof [getuige 7]\n\nen\u002Fof gemeen gevaar voor goederen te weten de in het militairwielvoertuig bevindende goederen te weten de elektronische apparatuur, de vloer- en wand(bekleding) is ontstaan, althans te duchten is geweest.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin, dan wel door ernstige nalatigheid, een dienstvoorschrift heeft overtreden. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.\n\nBeoordeling door de militaire kamer\n\nDe bewijsmiddelen\n\nOp 17 juni 2024 vond de oefening SOB\u002FSOMS (Schiet- en oefenperiode [locatie] \u002FSchiet- en oefenperiode [locatie] ) plaats op een schietbaan in [locatie] (Duitsland). Hierbij werd gebruik gemaakt van een Boxer-pantserwielvoertuig (hierna: Boxer) en scherpe munitie. De 112 pantsergeniecompagnie, waar verdachte deel van uitmaakt, deed mee aan deze oefening.\n\nVerdachte zat samen met zijn collega-militairen [getuige 1] (voertuigcommandant), [getuige 7] (boordschutter), [getuige 4] , [getuige 6] (chauffeur), [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 5] in de Boxer. Verdachte was hun groepscommandant.De chauffeur, de voertuigcommandant en de boordschutter zaten voorin de Boxer. De rest zat achterin.\n\nVerdachte, die tevens schietinstructeur op de Colt is, heeft verklaard dat er tassen onder zijn stoel waren geplaatst, waardoor zijn stoel niet volledig naar beneden kon worden geklapt en hij niet goed kon zitten. Daarom heeft verdachte zijn doorgeladen Colt C8, met de loop naar boven, rechts van zich neergezet tussen de stoelen. Toen ze moesten uitstijgen, wilde verdachte zijn wapen pakken, maar dat zat klem. Verdachte stond gebukt, draaide naar rechts en pakte met zijn rechterhand zijn wapen bij de handbeschermer, ter hoogte van de handgreep aan de loop. Toen hij aan het wapen trok, hoorde hij dat het afging.\n\nHet laatste moment waarop verdachte zeker wist dat zijn wapen op safe (S) stond, was toen hij het aan het begin van de dag heeft geladen. Verdachte kon niet zeggen of zijn wapen op safe stond tijdens het instijgen in de Boxer. Tijdens het uitstijgen heeft verdachte niet gecontroleerd of de vuurregelaar op safe stond. Verdachte is bekend met het Handboek Militair LAND-E&T- 02.3: Hoofdstuk 6A “Colt C7 &C8”, sectie 2 “Verrichtingen aan het wapen”.\n\n Verdachte handelde, bij het uitstijgen, in the heat of the momenten hij wilde tijd genereren. Achteraf bezien heeft hij zich te veel laten pushen door de oefening.\n\n [getuige 1] heeft verklaard dat de klep van de Boxer niet naar beneden was, alleen het deurtje was geopend. Verdachte wilde uitstappen door het geopende deurtje van de Boxer. Hierbij zat hij met zijn benen uit het voertuig, met zijn billen op de rand en met zijn gezicht naar beneden. Verdachte pakte zijn wapen van achter zich zonder ernaar te kijken. Toen hij het wapen naar voren trok, ging het schot af. [getuige 1] denkt dat hij zich op dat moment op 1,5 tot 2 meter afstand van verdachte bevond.\n\n [getuige 4] heeft verklaard dat het een rommel in de bak was, dus ze konden niet allemaal zitten. [getuige 4] zag dat verdachte wilde uitstijgen en aan zijn wapen trok. Het wapen van verdachte bleef vast zitten aan een stepje (de militaire kamer begrijpt: treetje) voor de voeten. Vervolgens hoorde [getuige 4] een doffe knal en hij zag een rookpluim. [getuige 4] zat op dat moment schuin tegenover verdachte op zo’n vijftig tot zestig centimeter afstand. Volgens [getuige 4] is er achterin zo’n bak altijd gevaar als je met scherp (de militaire kamer begrijpt: scherpe munitie) werkt.\n\n [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte zou gaan uitstijgen, maar bleef haken. Hierna hoorde [getuige 3] een schot en hij voelde een patroon voor zich langs gaan. Hij stond op dat moment achter verdachte op maximaal vijf centimeter afstand.\n\n [getuige 2] heeft verklaard dat bovengenoemde personen allemaal in de Boxer zaten, met uitzondering van [getuige 5] , die buiten stond. [getuige 2] zat tegenover verdachte. Ze zaten met hun knieën tegen elkaar, dus erg dicht op elkaar. [getuige 2] zag dat verdachte opstond en naar zijn wapen reikte. Toen verdachte zijn wapen in de hand had, trok hij dit naar zich toe en hoorde [getuige 2] een doffe knal. Als het schot niet in een ballistische plaat was gekomen, dan had deze volgens [getuige 2] kunnen afketsen in de gevechtsruimte, met alle gevolgen van dien.\n\n [getuige 5] heeft verklaard dat iedereen in de Boxer gepropt zat en dat het best wel krap was. [getuige 5] is als eerste door het deurtje van de achterklep van de Boxer naar buiten gegaan. Hij was er half of net uit toen hij een knal hoorde. Hij stond op dat moment op drie tot vijf meter afstand van verdachte.\n\nDe Colt C8 van verdachte is in beslag genomen.Uit een rapport van het Kenniscentrum Wapensystemen en Munitie volgt dat dit wapen in een goede (of uitstekende) wapentechnische staat is. Er zijn geen afwijkingen geconstateerd aan het wapen, ook niet aan de trekkergroep. De conclusie van het rapport luidt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het wapen spontaan een schot kan geven, zonder dat het wapen op ‘vuren’ heeft gestaan en de trekker is bediend.Verder is het volgens een wapenexpert mogelijk dat de vuurregelaar verdraait als een hard voorwerp hierop, onder de juiste hoek, met de juiste richting en met genoeg kracht, druk uitoefent.\n\nIn het plafond van de gevechtsruimte van de Boxer werd een inschot aangetroffen.Uit onderzoek van de Koninklijke Marechaussee bleek dat er mogelijk een schot was gelost met een Colt C8. De hierdoor afgevuurde kogelpunt heeft een kogelgat van ongeveer 6 millimeter veroorzaakt in de scherfwerende plafondplaat, waardoor deze plaat is geperforeerd en er een schotbeschadiging is ontstaan in de pantserplaat van het plafond.\n\nHet dienstvoorschrift\n\nIn het dienstvoorschrift Handboek Militair LAND-E&T- 02.3 (hierna: het HAMIL), zoals dit van kracht was op 16 juni 2024, staat in hoofdstuk 6A ‘Colt C7 & C8’ een sectie genaamd ‘Verrichtingen aan het wapen’. Hierin is – voor zover relevant – op bladzijde 6-35 opgenomen:\n\n6203 ​​​​​​ Laden (vanuit halfgeladen toestand)\n\n Neem de uitgangshouding aan.\n\n Trek de spangreep naar achteren en laat deze in achterste stand los.\n\n Druk met de handpalm de aandruk-plunjer in.\n\n Sluit het hulzengatdeksel.\n\n Zet de vuurregelaar op ‘S’.\n\nDe militaire kamer stelt vast dat het HAMIL een dienstvoorschrift betreft als bedoeld in artikel 135 MSr. De regels vormen een schriftelijk besluit van algemene strekking, hebben betrekking op een militair dienstbelang, namelijk de veilige omgang met wapens, en betreffen een tot de militair gericht gebod. Voorts zijn de regels duidelijk, ook voor verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij bekend is met deze sectie van het HAMIL.\n\nDe militaire kamer stelt vast dat sectie 5 ‘verrichtingen aan het wapen’ van hoofdstuk 1 ‘wapenleer’ van het dienstvoorschrift VS 7-520 niet van toepassing is, omdat er, ten tijde van het afgaan van het ongecontroleerde schot, geen sprake was van laden vanuit ongeladen toestand. Ook sectie 7 ‘Gebruik van geweer in het terrein’ van hoofdstuk 2 ‘Schietleer’ is in dit geval niet van toepassing, omdat dit gaat om de correcte manier waarop het wapen moet worden gedragen bij verplaatsingen in het terrein. Naar het oordeel van de militaire kamer is daar in dit geval geen sprake van, omdat verdachte zich in een voertuig bevond. In zoverre zal de militaire kamer verdachte partieel vrijspreken van het tenlastegelegde.\n\nOvertreden dienstvoorschrift\n\nOp grond van het voorgaande stelt de militaire kamer vast dat bij het uitstijgen uit de Boxer de vuurregelaar van het wapen van verdachte kennelijk niet op safe (S) stond. Het wapen van verdachte zat tijdens het uitstijgen klem. Verdachte heeft een ongewild\u002Fongecontroleerd schot met zijn wapen gelost toen hij aan het wapen trok om het los te krijgen. Verdachte heeft tijdens het uitvoeren van de oefening, en in het bijzonder bij het uitstijgen, niet gecontroleerd of de vuurregelaar (nog steeds) op S stond. Hiermee heeft verdachte het HAMIL overtreden op grond waarvan het wapen, na het uitvoeren van de veiligheidsmaatregelen, steeds op S behoort te staan.\n\nUit de stukken noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er een dienstvoorschrift bestaat waarin is vastgelegd dat de loop van een wapen naar beneden moet worden gericht in een voertuig.\n\nVan op de concrete situatie van mogelijk toepassing zijnde extra te stellen (veiligheids)eisen is dus niet gebleken. Er kan dan ook niet worden bewezen dat verdachte de loop van zijn wapen niet in een veilige richting liet wijzen. Daarom zal de militaire kamer verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.\n\nVerder blijkt uit het procesdossier niet dat verdachte de trekker van zijn wapen heeft overgehaald of beroerd. Ook hiervan zal de militaire kamer hem vrijspreken.\n\nOpzet\n\nDe militaire kamer is van oordeel dat verdachte geen opzet heeft gehad op het overtreden van het dienstvoorschrift, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Daarom zal de militaire kamer hem in zoverre vrijspreken van het tenlastegelegde.\n\nSchuld\n\nDe militaire kamer dient vervolgens te beoordelen of het overtreden van het dienstvoorschrift aan de schuld van verdachte is te wijten. Hiervoor is vereist dat de verdachte zich ten minste aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gedragen. Er moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De militaire kamer overweegt hiertoe het volgende.\n\nIn de gevechtsruimte van een Boxer is de ruimte zeer beperkt, zeker omdat er naast verdachte nog zeven collega’s in zaten. Bovendien lagen er in dit geval ook nog rugzakken onder de stoel van verdachte, waardoor hij niet goed kon zitten. In deze situatie heeft verdachte ervoor gekozen om zijn met scherpe munitie geladen wapen tussen de stoelen neer te zetten. Vervolgens heeft verdachte naast zich gereikt om zijn wapen te pakken, zodat hij kon uitstijgen, maar het wapen zat klem. Daarom trok verdachte aan het wapen dat vervolgens af ging. Verdachte heeft tijdens het uitstijgen niet gecontroleerd of de vuurregelaar op S stond.\n\nDe militaire kamer overweegt dat van een militair uit hoofde van diens functie extra voorzichtigheid mag worden verwacht (de zogenoemde Garantenstellung). Bovendien had verdachte als groepscommandant en tevens schietinstructeur op de Colt een leidende rol en een voorbeeldfunctie, waardoor hij nog voorzichtiger had moeten zijn. Hij werkte op dat moment bovendien met scherpe munitie. Hij had dan ook zijn onverdeelde aandacht moeten hebben bij de handelingen die hij moest uitvoeren – te weten het uitstijgen met zijn wapen – en dit zo veilig mogelijk moeten doen.\n\nJuist onder de genoemde feiten en omstandigheden – te weten de kleine ruimte met veel mensen, de spullen in de Boxer waardoor verdachte niet op een normale manier kon zitten en hij zijn wapen ook niet op een normale manier weg kon zetten – had verdachte meer voorzichtigheid moeten betrachten. De vuurregelaar is namelijk op enig moment van S afgegaan, zonder dat verdachte dit heeft opgemerkt, noch tijdens het instijgen, noch tijdens het uitstijgen. Zeker nu hij het wapen op een andere manier neer had gezet dan hij normaal zou doen, te weten tussen de stoelen, had van hem mogen worden verwacht dat hij daarvoor en daarna zou controleren dat de vuurregelaar inderdaad nog op S stond. Dit heeft hij niet gedaan.\n\nBovendien heeft verdachte tijdens het uitstijgen naast zich gereikt en zijn wapen gepakt. Ondanks dat hij voelde dat het wapen klem zat, heeft hij dit naar zich toe getrokken. Dit ging kennelijk op zo’n manier dat het wapen af is gegaan.\n\nDe militaire kamer ziet dit als twee afzonderlijke onzorgvuldigheden. In die zin is deze zaak dus niet vergelijkbaar met de door de verdediging aangehaalde uitspraak van de militaire kamer van 16 december 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:9075), nu in die zaak sprake was van een enkel moment van onoplettendheid. De militaire kamer vindt dat daarvan in het geval van verdachte geen sprake is.\n\nGelet op deze omstandigheden, in het bijzonder de voorzichtigheid die juist van verdachte had mogen worden verwacht tijdens het werken met scherpe munitie, komt de militaire kamer tot het oordeel dat verdachte verwijtbaar onvoorzichtig is geweest. Hiermee is sprake van aanmerkelijke schuld.\n\nGemeen gevaar voor personen en\u002Fof goederen\n\nDe militaire kamer overweegt dat er meerdere collega’s van verdachte zich in zijn directe omgeving bevonden op het moment dat hij het schot loste. [getuige 3] voelde zelfs het patroon langs zich gaan. Bovendien had de kogel kunnen ricocheren naar verdachte zelf, zijn collega’s of de goederen in het voertuig die zich in de directe omgeving bevonden. Hierdoor hadden zijn collega’s ernstig gewond kunnen raken of erger. Verder is door de inslag de scherfwerende plafondplaat doorboord en de daarachter liggende pantserplaat beschadigd.\n\nDe militaire kamer is daarom van oordeel dat er gemeen gevaar voor zowel personen als goederen is ontstaan, althans te duchten is geweest.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande acht de militaire kamer het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, waarbij de militaire kamer van oordeel is dat verdachte in ernstige mate nalatig is geweest.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij als militair, op of omstreeks17 juni 2024, te of nabij [locatie] , in elk geval in Duitsland, tijdens een oefening (SOB SOMS) op een schietbaan met 112 pantsergeniecompagnieopzettelijk, althansin ernstige mate nalatig het dienstvoorschriftVS 7-520 COLT: Hoofdstuk 1 “Wapenleer”, sectie 5 “Verrichtingen aan het wapen” onder 1510 (pagina 1-44) waarin was voorgeschreven:Laden vanuit ongeladen toestand• Neem de uitgangshouding aan.• Neem het patroonmagazijn uit de patroonmagazijntas, controleer of de patronen juist geplaatst zijn. Plaats het patroonmagazijn in het wapen en controleer of deze geborgd is.• Trek de spangreep naar achteren en laat deze in achterste stand los.\n\n• Druk met de handpalm de aandruk-plunjer in.• Sluit het hulzengatdeksel.• Zet de vuurregelaar op ‘S’.\n\nen\u002Fof\n\nHoofdstuk 2 “Schietleer”, sectie 7 “Gebruik van geweer in het terrein” onder 2704 (pagina 2-40) waarin was voorgeschreven:Schietbereidheid laagWordt meestal gebruikt als de vijandelijke dreiging laag is. U hebt twee manieren om het wapen aan de tactische draagriem te dragen,\n\n• Het wapen voor de borst gedragen.• Het wapen om de schouder gehangen.Uitvoering.• De tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door.• Het wapen wordt voor de borst gedragen, men kan nog steeds beide armen gebruiken voor werkzaamheden.• Desgewenst kan de schutter de snelsluiting openen, waardoor de riem langer kan worden gemaakt.• Wapen is geladen en staat op ‘Safe’.• Via deze draagwijze kan men snel overgaan naar een hogere schietbereidheid.\n\n, 2705 (pagina 2-41) Schietbereidheid middelWordt het meest gebruikt bij verplaatsingen en patrouilles.Uitvoering• Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door.• De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder.• De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst.• Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’, de rechter wijsvinger is gestrekt langs de trekkerbeugel.• De loop wijst onder een hoek van ongeveer 45° naar beneden\n\nen 2706 (pagina 2-42) waarin was voorgeschreven dat:Schietbereidheid hoogWordt gebruikt als men direct vijand contact verwacht.Uitvoering.• Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door.• De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder.• De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst.• Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’ met de rechter wijsvinger aan de trekker en de rechterduim bij de vuurregelaar.• Waarnemen over de richtmiddelen voor een maximaal gezichtsveld.\n\nen\u002FofHandboek Militair LAND-E&T- 02.3: Hoofdstuk 6A “Colt C7 &C8”, sectie 2 “Verrichtingen aan het wapen\" onder 6203 (pagina 6-35) waarin was voorgeschreven dat: Laden (vanuit halfgeladen toestand)- neem de uitgangshouding aan- trek de spangreep naar achteren en laat deze in de achterste stand los- druk met de handpalm de aandrukplunjer in- sluit het hulzengatdekeel- zet de vuurregelaar op S.\n\nniet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat hij verdachte toen aldaarin de gevechtsruimte\u002Fhet manschappen-compartiment van een Boxer (militair pantserwielvoertuig) zijn geladen wapen (Colt 8) ter hand heeft genomenen\u002Fof in gebruik heeft genomenzonder dat verdachte zich op dat moment (eerst) (voldoende) had overtuigd van de toestand waarin dat wapen verkeerdeen\u002Fofzonder dat verdachte (eerst) de veiligheidsmaatregelen had genomen en\u002Fof zonder dat verdachte het wapen met de loop in een veilige richting liet wijzen en\u002Fofop het moment dat hij, verdachte, nog in het pantservoertuigzat\u002Faanwezig was enaanstaltenmaakte om uit te stijgende trekker van zijn dienstwapen heeft overgehaald en\u002Fof althans te trekker heeft beroerd en\u002Falthanseen schot met dat wapen heeft gelosten\u002Fofterwijl verdachte zijn dienstwapen op (zeer) korte afstand in de richting van het pantserplaat plafond (scherfwerende plafondplaat) van het voertuig (Boxer)militairwielvoertuig liet wijzen,\n\nterwijl daarvan\u002Fdaardoor gemeen (ricochet)gevaar voor personen, te weten de in het voertuig bevindende personen en\u002Fof de zich in de directe nabijheid van het schot bevindende personen te weten verdachte zelf en\u002Fof[getuige 1] en\u002Fof[getuige 2] en\u002Fof[getuige 3] en\u002Fof[getuige 4] en\u002Fof[getuige 5] en\u002Fof[getuige 6] en\u002Fof[getuige 7]\n\nen\u002Fofgemeen gevaar voor goederen te weten de in het militair wielvoertuig bevindende goederen te weten de elektronische apparatuur, de vloer- en wand(bekleding) is ontstaan, althans te duchten is geweest.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nals militair aan zijn schuld te wijten zijn dat hij een dienstvoorschrift niet opvolgt, terwijl daardoor gemeen gevaar voor personen of goederen ontstaat.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 700,-, subsidiair zeven dagen hechtenis.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de oplegging van een straf of maatregel.\n\nDe beoordeling door de militaire kamer\n\nDe militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nDe ernst van het feit\n\nVerdachte heeft tijdens een oefening in Duitsland een ongewild schot gelost met scherpe munitie. Dit schot heeft gelukkig geen letsel veroorzaakt, maar wel (lichte) schade aan de Boxer. Daarnaast was er gemeen gevaar voor personen en goederen te duchten. Dat het niet erger is afgelopen, is enkel aan geluk te danken.\n\nDit is een ernstig feit. De naleving van de veiligheidsvoorschriften is van groot belang. Militairen mogen binnen Defensie een veilige werkomgeving verwachten en daar dient iedere individuele militair aan bij te dragen. Daartoe dient elke militair de veiligheidsvoorschriften grondig na te leven. Van een militair als verdachte – als gevorderd schutter en schietinstructeur op de Colt en vanuit zijn rol als groepscommandant – mocht dan ook worden verwacht dat hij zich te allen tijde aan de veiligheidsregels houdt.\n\nVerdachte is erg aangeslagen door wat er is gebeurd. Hij heeft zijn hele compagnie toegesproken in verband met dit incident, waarbij hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat er is gebeurd. Het incident heeft inmiddels bijna twee jaar geleden plaatsgevonden.\n\nDe persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte\n\nUit het strafblad van verdachte d.d. 26 mei 2026 blijkt dat hij in de afgelopen 5 jaar niet in aanraking is gekomen met politie of justitie.\n\nVerdachte is nog steeds werkzaam bij defensie, hij functioneert goed en zijn collega’s zijn tevreden over hem. Hij is recent overgeplaatst naar een nieuwe functie. Dit betrof een ‘reguliere’ overplaatsing.\n\nConclusie\n\nAlles afwegende acht de militaire kamer de eis van de officier van justitie passend en geboden.\n\nDe militaire kamer veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 700,-, subsidiair zeven dagen hechtenis.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 23, 24 c en 91 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 6, 11, 14 en 137 van het Wetboek van Militair Strafrecht.\n\n9. De beslissing\n\nDe militaire kamer:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n legt op een geldboete van € 700,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Y. van Wezel (voorzitter) en mr. M.C. Gerritsen, rechters, en Kolonel mr. H.M. Stratenus, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juli 2026.\n\nmr. Gerritsen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Drenthe IJsselstreek, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27ND\u002F24-004811, gesloten op 17 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 38-40; proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 13 en proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 82-83.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 84.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 64.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 84, 87 en 89 en verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 87-89 en verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026.\n\n Verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 42.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 66.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 58.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 48 en 50.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 76.\n\n Proces-verbaal van aangifte door [aangever] , p. 4\n\n Projectrapport van het Kenniscentrum Wapensystemen en Munitie, p. 36.\n\n Proces-verbaal, p. 2 (aanvullend), inclusief de bijlage.\n\n Proces-verbaal, p. 6.\n\n Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 14.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5303","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:33.622Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":39,"updatedAt":47},"1637","ECLI:NL:GHARL:2026:4368","ecli-nl-gharl-2026-4368","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-004448-25\n\nUitspraakdatum: 6 juli 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\nArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep,\n\ningesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen,\n\nvan 16 oktober 2025 met parketnummer 05-281207-24 in de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ,\n\nop dit moment verblijvende in de [locatie P.I.] te [locatie] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen bij de rechtbank.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A. Prins, en de advocaat van de benadeelde partijen,\n\nmr. C.A. Bouw, en door en namens de benadeelde partijen is aangevoerd. Tevens heeft het hof kennisgenomen van wat de moeder, als wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige slachtoffer bij de uitoefening van het spreekrecht naar voren heeft gebracht.\n\nHet vonnis\n\nDe rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor een drietal feiten. Een poging tot verkrachting van iemand beneden de twaalf jaren, mishandeling van een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde minderjarige door toediening van schadelijke stoffen en het bezit van kinderporno. Dit betreft de onder feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 tenlastegelegde feiten. Voor het onder feit 2 primair tenlastegelegde is verdachte vrijgesproken. Aan verdachte is opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging en de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr).\n\nHet hof komt in dit arrest tot een deels andere beslissing over het bewijs, een andere strafoplegging en een deels andere beslissing op de vordering van een van de benadeelde partijen dan de rechtbank Gelderland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.\n\nTenlastelegging\n\nOp de zitting bij de rechtbank Gelderland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:\n\n1. primair\n\nhij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten en deze poging verkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed heeft gezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zitten en\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. subsidiair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen te verrichten en deze poging tot aanranding te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed heeft gezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zitten en\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. meer subsidiair hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans in Nederland,\n\n- zich en\u002Fof een ander opzettelijk gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft en\u002Fof heeft getracht te verschaffen tot het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 247 tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht dan wel\n\n- zich opzettelijk kennis en\u002Fof vaardigheden tot het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 247 tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht heeft verworven en\u002Fof een ander heeft bijgebracht, door\n\n- met zijn, verdachtes, telefoon, althans (een) gegevensdrager(s) chatgesprekken te voeren met een onbekend persoon over de seksuele fantasie\u002Fgedachte om minderjarigen te drogeren en\u002Fof (vervolgens) seksueel te misbruiken en\u002Fof\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn te wekken dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem is en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] te vragen of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mag komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet te lokken, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] af te sluiten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) toe te dienen en\u002Fof te laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed te zetten en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed te zitten en\u002Fof\n\n- tijd proberen te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen;\n\n2. primair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]\n\n(geboren op [geboortedatum] 2021) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof laten innemen en\u002Fof\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland\n\nopzettelijk de gezondheid van een aan zijn zorg en\u002Fof waakzaamheid toevertrouwd kind, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2021) heeft benadeeld en\u002Fof [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),\n\nin elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) toe te dienen en\u002Fof in te laten nemen;\n\n3. hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans (elders) in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken, waaronder [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fof vervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fof verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaft te weten\n\n- afbeeldingen en\u002Fof\n\n- gegevensdragers bevattende afbeeldingen te weten een telefoon (merk: Oppo) en\u002Fof\n\n- visuele weergave\u002Fgegevensdragers waarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand en\u002Fof een ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon (afbeelding(en) 01 en\u002Fof 02 van de toonmap) en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand wordt aangeraakt en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van een ander kind\u002Fpersoon met een penis en\u002Fof hand\u002Fvinger wordt\u002Fworden aangeraakt door die persoon en\u002Fof die persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen met een vinger\u002Fhand aanraakt (afbeelding(en) 03 en\u002Fof 04 van de toonmap) en\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof in een omgeving en\u002Fof in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht (afbeelding(en) 05 en\u002Fof 07 van de toonmap) en\u002Fof dat bij het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd en\u002Fof bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof bij\u002Fnaast het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt gehouden (afbeelding(en) 06 van de toonmap)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht tot een bewezenverklaring is gekomen van de feiten 1 primair, 2 subsidiair en 3 en het bewijs voor deze feiten uitgebreid en volledig in het vonnis heeft weergegeven en de verweren terecht en op goede gronden heeft verworpen.\n\nEnkel voor wat betreft de partiële vrijspraak door de rechtbank van het vervaardigen van kinderporno heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat er wat haar betreft wel voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal. Zij heeft daarbij gewezen op de opslaglocatie van de cache afbeeldingen, het gebruik van de camera en het tijdstip van het bewaren van de afbeeldingen op de telefoon. Volgens haar zijn de foto’s gelet op de tijdlijn precies gemaakt op het moment dat [slachtoffer] in de caravan van verdachte was en bevestigt het feit dat er een selfie van verdachte tussen zit dat hij op dat moment de camera heeft bediend.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het primaire standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.\n\nVolgens de verdediging kan niet vastgesteld worden wanneer [slachtoffer] de drugs 2MMC heeft binnengekregen en of dit door verdachte is geweest. Er staat vast dat er geen drugs in de caravan van verdachte is aangetroffen en uit het onderzoek is niet gebleken wanneer [slachtoffer] de drugs binnen heeft gekregen. Nu ook niet bekend is wat de werkingsduur van de drugs is, kan niet zonder meer worden gesteld dat [slachtoffer] de drugs niet voor of na het binnengaan in de caravan van verdachte heeft binnengekregen. Ook kan niet vastgesteld worden dat de drugs die verdachte op 23 augustus 2024 heeft besteld in de caravan van verdachte aanwezig waren op 31 augustus 2024 en bovendien betrof die bestelling poeder en kristallen, hetgeen niet overeenkomt met een snoepje of pilletje waar [slachtoffer] over heeft verklaard. Daar komt bij dat het alternatieve scenario dat [slachtoffer] de drugs in de caravan van haar moeder heeft gevonden en ingenomen niet is onderzocht.\n\nEr ontbreken volgens de verdediging concrete bewijsmiddelen waaruit volgt wat de intenties van verdachte zijn geweest. De gesprekken die verdachte die dag heeft gevoerd betroffen slechts fantasieën. Alle verifieerbare opmerkingen van verdachte in die gesprekken blijken onjuist te zijn. Ook is er, buiten de stelling van moeder, niets waaruit volgt dat de deur van de caravan van verdachte op slot was. De verdediging heeft daarbij ook op de wisselende verklaringen van moeder gewezen.\n\nVoor wat betreft de vraag of [slachtoffer] wel of niet naakt is geweest in de caravan acht de verdediging het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant die bij [slachtoffer] in het ziekenhuis was onvoldoende, nu dit een globaal en samengevat proces-verbaal betreft en de mogelijkheid bestaat dat cruciale context of nuance van wat [slachtoffer] heeft verteld verloren is gegaan. Moeder en [slachtoffer] verklaren daar zelf niets over en bovendien is [slachtoffer] maar een kleine tien minuten in de caravan van verdachte geweest, zodat de tijd om haar te ontkleden en weer aan te kleden bijzonder krap, zo niet onmogelijk is. Ook blijkt uit het dossier niet dat verdachte [slachtoffer] op bed heeft gezet en staat niet vast dat [slachtoffer] op het moment dat de foto’s zijn gemaakt in de caravan van verdachte was. Bovendien concludeert de politie dat niet kan worden gezien dat het de billen van een kind betreft, zodat niet blijkt dat deze foto’s van [slachtoffer] zijn genomen.\n\nSubsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is geweest van een poging, zodat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Er zijn geen handelingen door verdachte gepleegd die duiden op een seksuele intentie en er is geen speeksel of sperma of DNA-materiaal van verdachte of een ander aangetroffen. De verdediging heeft onder verwijzing naar twee uitspraken van andere rechterlijke colleges aangevoerd dat bij deze feitelijke omstandigheden niet gesteld kan worden dat de handelingen van verdachte kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het binnendringen van het lichaam of aanranding van [slachtoffer] .\n\nTen aanzien van feit 3 heeft de verdediging verzocht om verdachte vrij te spreken. Verdachte ontkent op de hoogte te zijn geweest van de kinderporno die op zijn telefoon is aangetroffen en volgens de verdediging moet meer acht worden geslagen op de uitgebreide verklaringen van verdachte bij de politie dan op hetgeen hij bij de rechter-commissaris zou hebben verklaard, nu dergelijke processen-verbaal doorgaans in zeer samengevatte vorm worden opgesteld.\n\nBovendien kan uit het onderzoek niet zonder meer worden aangenomen dat de bestanden vóór 2 september 2024 al op de telefoon van verdachte stonden en volgt ook niet dat de bestanden door de gebruiker van de telefoon zijn geopend. Al met al kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de bestanden in de tenlastegelegde periode voorhanden heeft gehad.\n\nOordeel van het hof\n\nFeiten en omstandigheden\n\nOp 31 augustus 2024 omstreeks 19.40 uur zijn de [verbalisant 3] , [verbalisant 2] en [verbalisant 1] naar de [straat] te [plaats] gegaan waar mogelijk sprake was van een gedrogeerd 3-jarig meisje. Het betreft [slachtoffer] ( [slachtoffer] ), geboren op [geboortedatum] 2021.\n\nAan [verbalisant 1] vertelde de moeder van [slachtoffer] , [moeder slachtoffer] (hierna: moeder), die zichtbaar overstuur was, dat haar buurman van de caravan tegenover die van haar, die ze in het latere gesprek [verdachte] noemt (hierna: verdachte), haar via Facebook een berichtje stuurde, waarin hij vroeg of haar dochter met zijn nichtje mocht spelen, want die was op bezoek. Moeder had het nichtje zelf niet gezien en had er een beetje een onderbuikgevoel bij, maar haar dochter ging wel naar verdachte toe. Toen ze meteen een naar gevoel kreeg, stuurde ze verdachte een berichtje dat ze [slachtoffer] over vijf minuten op kwam halen. Daarop reageerde hij met: \"Nee doe maar over een half uur.\" Moeder heeft toen gereageerd dat het haar kind is en dat ze haar meteen op kwam halen omdat ze gingen eten en ze liep vervolgens naar de caravan van verdachte en ze voelde dat de deur op slot zat. Verdachte deed de deur open en zij nam haar dochter mee.\n\nMoeder vroeg aan [slachtoffer] wat ze gedaan had en zij vertelde dat ze met verdachte op bed had gezeten. Toen moeder haar vroeg of ze nog iets gegeten had, zei ze dat ze een klein wit snoepje had gegeten, dat heel vies smaakte. Daarna zei [slachtoffer] dat ze heel moe was. Moeder zag dat haar pupillen heel groot waren en belde de huisartsenpost, die besloot een ambulance te sturen.\n\nToen moeder de naam van verdachte aan de verbalisant noemde en ze hem op Facebook wilde opzoeken, kwamen er geen resultaten naar boven. De vriendin van moeder kreeg het account van verdachte op Facebook wel te zien, zodat moeder concludeerde dat verdachte haar had geblokkeerd op Facebook. Buiten bij het ziekenhuis heeft moeder [verbalisant 1] de berichtjes laten zien die ze nog via Facebook met verdachte had gewisseld nadat ze haar dochter had opgehaald. In dat gesprek vroeg moeder verdachte wat voor een snoepje haar dochter had gehad, waarop verdachte antwoordde ‘een schuimpje’.\n\nUit het onderzoek naar de telefoon van moeder volgt dat ze op 31 augustus 2024 op een aantal tijdstippen contact had met verdachte.\n\nOm 17:29 uur vraagt verdachte voor het eerst of [slachtoffer] binnen in zijn caravan mag komen spelen omdat zijn nichtje er is. Als moeder aangeeft dat ze eerst even aan haar dochter zou vragen of ze het ook wilde, stuurt verdachte ‘Ze hoeft niet bang te zijn.’ Vervolgens stuurt verdachte om 17:57 uur aan moeder: ‘wil ze komen?’.\n\nMoeder stuurt op 18:09 uur een bericht aan [naam 1] dat [slachtoffer] bij die buurman is, maar dat ze het best creepy vindt.\n\nOm 18:10 uur leest verdachte het bericht van moeder: ‘Ik kom der zo weer halen want dan gaan we eten.’, waarop verdachte reageert met ‘hoelaat?’. Daarop stuurt moeder het bericht ’10 minuutjes ofzo’, waarop verdachte reageert met ‘Half uur breng ik er’.\n\n [verbalisant 2] heeft bij [slachtoffer] aan het bed gezeten in het ziekenhuis en heeft gerelateerd over wat [slachtoffer] een van de betrokken verpleegkundigen heeft verteld.\n\nVolgens [slachtoffer] was ze bij de buurman (het hof begrijpt: verdachte) geweest en heeft ze daar twee witte, vieze en zure snoepjes van hem gehad en zat ze op het bed in haar blootje.\n\n [verbalisant 2] zag dat [slachtoffer] erg druk was en niet stil kon zitten, dat ze wijde pupillen had en haar mond en tong onder het bloed zaten. Toen de verpleegkundige vroeg hoe zij hier aan kwam, zei [slachtoffer] dat ze ‘auw’ had en dat kapot had gebeten. [slachtoffer] moest ook overgeven en huilen en vertelde dat ze overal ‘auw’ had, waarbij ze wees naar haar buik, geslachtsdeel, benen en armen.\n\nUit de afdruk van het patiëntendossier van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, blijkt uit het lichamelijk onderzoek het volgende:\n\nAlgemeen: zeer onrustig, kauwend met de kaken, onderlip kapot gebeten, bloedende tong. Veel motorische onrust, spreekt onophoudelijk, stelt veel vragen.\n\nUit het rapport van het NFI van 19 december 2024 ‘Toxicologisch onderzoek in het lichaamsmateriaal van een driejarig meisje’ blijkt dat er 0,36 mg\u002F1 van de werkzame stof 2MMC in het bloed van [slachtoffer] aanwezig was. Volgens het NFI is de gemeten 2-MMC-concentratie in het serum van 0,36 mg\u002Fl waarschijnlijk een hoge concentratie, waarbij onder andere emotionele ontremming, verhoogde bloedruk, verhoogde hartslag en verhoogde lichaamstemperatuur kunnen optreden.\n\nEr is ook DNA-onderzoek verricht en uit het rapport van het NFI daaromtrent van 31 augustus 2024 blijkt dat, hoewel er geen voor vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek geschikt DNA-profiel is verkregen, er in de bemonstering van de voorhof van [slachtoffer] een aanwijzing is verkregen voor de mogelijke aanwezigheid van een relatief kleine hoeveelheid mannelijk DNA.\n\nNamens het slachtoffer [slachtoffer] , heeft haar moeder, [moeder slachtoffer] , aangifte gedaan van seksueel misbruik van [slachtoffer] . Volgens moeder heeft verdachte [slachtoffer] gedrogeerd. Verdachte had moeder via Facebook gevraagd of [slachtoffer] kon komen spelen omdat zijn nichtje er was, waarop moeder antwoordde dat [slachtoffer] voor (bij de receptie) aan het spelen was en dat ze het haar zou vragen.\n\nVerdachte zei toen tegen moeder dat [slachtoffer] niet bang hoefde te zijn. Even later stuurde verdachte weer een berichtje of [slachtoffer] nog wilde komen en toen heeft moeder [slachtoffer] naar zijn caravan gebracht, waar ze geen ander kindje zag. Kort daarna kreeg moeder een onderbuikgevoel bij deze situatie en toen ze [slachtoffer] wilde ophalen en de deur van het chalet wilde openen, voelde ze dat deze op slot zat.\n\nPas toen het slot werd opengemaakt, ging de deur open. [slachtoffer] vertelde haar dat er geen ander kindje was om mee te spelen, ze met de buurman (het hof begrijpt: verdachte) op het bed was en dat ze een klein wit snoepje van hem had gekregen dat ze vies vond.\n\nTijdens het studioverhoor heeft [slachtoffer] wederom verklaard dat ze bij de buurman was en dat ze van hem een klein wit rond snoepje kreeg dat heel vies was. Ook had ze op bed gezeten en de buurman ook en zat de buurman op zijn telefoon.\n\nVerdachte is op 31 augustus 2024 om 20.55 uur aangehouden en daarbij is ook de telefoon van verdachte in beslag genomen.\n\nUit onderzoek aan de telefoon van verdachte blijkt het volgende.\n\nOp 23 augustus 2024 heeft verdachte op de website [website] een bestelling gedaan voor 10 gram 2MMC kristal en 10 gram 2MMC poeder, welke bestelling werd bevestigd. In de bevestiging staat dat de bestelling wordt verstuurd naar [straat] te [plaats] . Dit betreft het woonadres van verdachte.\n\nUit het onderzoek naar de telefoon van verdachte blijkt ook dat hij op 16 augustus 2024 een gesprek voert, waarin verdachte de berichten stuurt ‘Je mag me hard neuken’ en ‘Intro chems’.En op 25 augustus 2024 wisselt verdachte berichten uit met iemand anders, waarin verdachte vraagt wat de ander gaat doen met zijn vriend die zo weer langskomt, waarop de ander antwoordt ‘tv kijken en seks’ en stuurt ‘lekker tongen, hem klaarpijpen, en hem neuken tot ik in zn kont klaar kom’ en verdachte even later stuurt ‘Intro chems’.\n\nDaarnaast blijkt uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte dat hij op 31 augustus 2024 van 14:23 uur tot 16:01 uur een gesprek voert met een gebruiker met de naam ‘ [naam 2] ’ via de [applicatie] .\n\nIn dat gesprek worden de volgende berichten verstuurd:\n\n- Verdachte: Wat bedoel je met pedo mom\n\n- [naam 2] : Pedo mom. Moeder die haar kindjes aanbiedt en zelf ook meedoet\n\n- Verdachte: Ervaring mee\n\n- [naam 2] : Ik niet, jij?\n\n- Verdachte: Ik wel\n\n(…)\n\n- [naam 2] : Hoe oud was of waren de kindjes. Girls?\n\n- Verdachte: 9\n\n(…)\n\n-Verdachte: Wat zijn jou kicks\n\n(...)\n\n- [naam 2] : Jonge kale kutjes nemen. Samen met moeder.\n\n- [naam 2] : M’n zaad er in en over spuiten\n\n- [naam 2] : Hond mee laten likken\n\n- Verdachte: Nice\n\n(...)\n\n- Verdachte: ik heb vaak rape gedaan\n\n- [naam 2] : ook met kleintjes?\n\n- Verdachte: Ja.\n\nDiezelfde dag heeft verdachte vanaf 16:00 uur tot en met 16:34 uur een gesprek gevoerd met gebruiker ‘6\u002F15mmmm’ waarin onder meer de volgende berichten zijn verstuurd:\n\n- Verdachte: Hoe jong geil jij\n\n- [gebruiker] : 7\u002F14 jij\n\n- Verdachte: Ik ook\n\n(...)\n\n- Verdachte: ik heb een zoon van 13\n\n(…)\n\n- Verdachte: ik gebruik mijn zoon vaak\n\n(...)\n\n- Verdachte: Wel eens iemand gehad die tegen stribelde\n\n- [gebruiker] : nee jij wel\n\n- Verdachte: Zeker\n\n- Verdachte: Mijn zoon vaak\n\n(…)\n\n- Verdachte: Wat is het geilate (het hof begrijpt ‘geilste’) wat je hebt gedaan\n\n- [gebruiker] : toch wel een jongen van 9 rimmen likken pijpen en laten pijpen\n\n- Verdachte: Nice\n\n- [gebruiker] : en jij\n\n- Verdachte: Rape\n\n- [gebruiker] : al heel lang geleden paar jaar wil graag weer is een jochie hard aanpakken\n\n- Verdachte: Samen doen\n\n- [gebruiker] : JA MAN GRAAG WELKE LEEFTIJD\n\n- Verdachte: Mijn zoon en zijn vriendje\n\n- Verdachte: Intro chems\n\n- [gebruiker] : je zoon kan jniet wandt ik wil echt hard dan\n\n- Verdachte: Waarom mijn zoon niet\n\n- [gebruiker] : omdat ik dan heel hard wil no limids is zielig\n\n- Verdachte: Mag van mij\n\n- Verdachte: hoe hard\n\n- [gebruiker] : all the way\n\n- Verdachte: Mag ook met mijn zoon\n\n(…)\n\n- Verdachte: Intro Chems\n\n- [gebruiker] : nee nooidt gedaan\n\n- Verdachte: Ik geef ze wel eens wat.\n\nIn de telefoon zitten ook berichten die verdachte op 31 augustus 2024 vanaf 16:15 uur met [echtgenoot verdachte] (het hof begrijpt: de echtgenoot van verdachte)wisselde. Verdachte bericht [echtgenoot verdachte] dat zijn tweede wedstrijd later zou beginnen, namelijk om 16:45 uur en dat hij om half zeven klaar zou zijn.Op de zitting van het hof heeft verdachte, daarnaar gevraagd, verklaard dat het fout van hem was om tegen zijn partner te zeggen dat de tweede wedstrijd die hij moest fluiten later zou beginnen, maar dat hij geen idee heeft waarom hij daar over gelogen heeft.\n\nDaarnaast is gebleken dat verdachte op 31 augustus 2024 tussen 6:46:58 uur en 17:45:06 uur twaalf keer naar een sekslijn belt met het nummer [nummer] . Om 17:29:27 uur belt verdachte ook met de sekslijn, terwijl hij op dat moment dus aan de moeder van [slachtoffer] vraagt of zij komt spelen.\n\nOp de onder verdachte inbeslaggenomen telefoon is nader onderzoek verricht op 2 september 2024. Er zijn 20 video’s aangetroffen die volgens de criteria zijn aangemerkt als kinderpornografisch.Deze video’s stonden op een voor hem toegankelijke locatie op zijn telefoon met de data 11 augustus 2024, 16 augustus 2024, 17 augustus 2024, 24 augustus 2024 en 25 augustus 2024.\n\nTijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft verdachte, nadat hem is voorgehouden dat er kinderporno op zijn telefoon is aangetroffen, verklaard dat de kinderporno hem toe is gestuurd.En ook ter terechtzitting van het hof heeft verdachte dat verklaard.\n\nVan de 20 video’s die door de politie zijn aangemerkt als kinderpornografisch is aangegeven welke strafbare elementen en seksuele gedragingen zichtbaar zijn op de aangetroffen video’s.\n\nDe afbeeldingen 01 en 02 in de toonmap betreffen penetratie (ongeveer 65%)\n\n van het lichaam van een minderjarige:\n\no oraal met de penis;\n\no vaginaal met de penis;\n\no anaal met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\n door een minderjarige:\n\no oraal met de penis;\n\no anaal met de penis.\n\nDe afbeeldingen 03 en 04 in de toonmap betreffen ontuchtige handelingen (ongeveer 10%)\n\n betasten\u002Faanraken van een minderjarige:\n\no geslachtsdelen met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\no billen met de vinger\u002Fhand;\n\n betasten\u002Faanraken door een minderjarige:\n\no geslachtsdelen met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\n • • door een minderjarige zichzelf betasten\u002Faanraken:\n\no geslachtsdelen met de vinger\u002Fhand;\n\no billen met de vinger\u002Fhand.\n\nDe afbeeldingen 05 en 07 in de toonmap betreffen poseren door een minderjarige of minderjarige in een pose, met nadruk op geslachtsdelen\u002Fborsten en billen door:\n\ngeheel naakt;\n\ncamerastandpunt;\n\nonnatuurlijke houding.\n\nAfbeelding 06 in de toonmap betreft overige seksuele gedragingen (ongeveer 25 %)\n\nmasturbatie (dicht) bij het lichaam\u002Fgezicht van een minderjarige;\n\nspuiten van\u002Fzichtbaar maken van sperma op lichaam minderjarige;\n\nhouden van de penis dichtbij het lichaam van een minderjarige.\n\nOp de afbeeldingen zijn voornamelijk jongens te zien en een klein deel betreft meisjes of baby’s en peuters tot 2 jaar.\n\nTot slot is er gekeken naar het gebruik van de fotocamera van de telefoon van verdachte en eventuele foto’s die zijn geregistreerd op 31 augustus 2024.Daaruit blijkt dat er tussen 18:03:13 uur en 18:03:34 uur foto’s zijn geregistreerd en op deze foto’s zijn ontblote billen te zien. Uit aanvullend onderzoek naar het materiaal op de telefoon van verdachte is gebleken dat er op 31 augustus 2024 zeven foto’s zijn gemaakt en dat hier een selfie van verdachte tussen zit. De andere zes foto’s (waarvan 4 thumbnails) betroffen foto’s van dezelfde billen en deze foto’s zijn gemaakt op 31 augustus 2024 om 18:03 uur.Uit het onderzoek van [verbalisant 4] blijkt ook dat de gebruiker van de telefoon die onder verdachte in beslag genomen is, op 31 augustus 2024 om 18:02:59 uur de applicatie ‘ [applicatie] ’ heeft geopend waarmee het mogelijk is om foto’s te maken.\n\nConclusies uit het voorgaande\n\nHet toedienen\u002Fin laten nemen van 2MMC (feit 2)\n\nHet hof leidt uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden af dat [slachtoffer] op 31 augustus 2024 in de caravan van verdachte is geweest en dat ze daar van hem iets heeft gekregen wat ze in haar mond heeft gestopt en heeft doorgeslikt.\n\n [slachtoffer] heeft kort nadat moeder haar heeft opgehaald bij de caravan van verdachte tegen haar gezegd dat ze van verdachte een klein wit snoepje had gekregen, dat heel vies smaakte. Ook in het ziekenhuis heeft [slachtoffer] het over ‘witte, vieze en zure snoepjes’ en in de voorbereiding op het studioverhoor over ‘een wit snoepje dat echt ‘bah’ wasen in het studioverhoor over ‘een heel klein wit rond snoepje’.Bovendien blijkt dat [slachtoffer] al snel na terugkomst van haar bezoek aan verdachte lichamelijke klachten krijgt die wijzen op de inname van drugs. Onderzoek door het NFI wijst uit dat bij [slachtoffer] een hoeveelheid 2MMC in haar lichaam is aangetroffen.\n\nVerdachte heeft weliswaar bevestigd dat hij [slachtoffer] in de caravan iets heeft gegeven wat ze op heeft gegeten, maar volgens verdachte betrof dat een geel bananenschuimpje en geen drugs.\n\nDat iemand anders dan verdachte verantwoordelijk is voor de inname van de 2MMC door [slachtoffer] , zoals de verdediging heeft gesteld, acht het hof echter niet aannemelijk. Verdachte is degene die over de bij [slachtoffer] aangetroffen drugs heeft beschikt, aangezien hij iets meer dan een week voor 31 augustus 2024 20 gram 2MMC heeft besteld. Ook is het verdachte die in het gesprek dat hij op 31 augustus 2024 met 6\u002F15mmmm heeft gevoerd de berichten ‘Intro Chems’ en ‘Ik geef ze wel eens wat’ heeft gestuurd. Daarnaast heeft [slachtoffer] het consequent over een klein wit snoepje, hetgeen niet overeenkomt met de verklaring van verdachte dat het om een geel schuimpje zou gaan. Bovendien blijkt uit een van de verhoren van verdachte dat op de plek waar de voorraad schuimpjes volgens verdachte zou liggen, te weten onder in de kast bij de keuken waar de radio bovenop staat, deze daar niet zijn aangetroffen.\n\nHet hof komt dan ook tot de conclusie dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] 2MMC heeft toegediend en\u002Fof in heeft laten nemen en dat [slachtoffer] door de inname hiervan pijn en letsel heeft opgelopen.\n\nMet de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden\n\nvastgesteld dat verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zodat verdachte van het feit 2 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt hierbij dat het weliswaar een feit van algemene bekendheid is dat drugs de gezondheid kunnen benadelen en zeker in het geval dat deze worden toegediend aan een driejarige, maar dat over wat de gevolgen kunnen zijn van 2MMC nog te weinig bekend is, zodat onvoldoende vaststaat dat de toediening van deze drugs een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert.\n\nHet vervaardigen, verwerven en in bezit hebben van kinderporno (feit 3)\n\nNiet ter discussie staat dat verdachte de video’s die op zijn telefoon zijn aangetroffen en die zijn aangemerkt als kinderpornografisch in zijn bezit heeft gehad. Verdachte heeft wel ontkend dat hij deze bestanden geopend heeft en stelt dat ze enkel naar hem toe zijn gestuurd zonder dat hij er kennis van heeft genomen. Nu verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de kinderporno naar hem is toegestuurd, is het hof van oordeel dat verdachte wist om welke bestanden het ging en dat hij deze video’s heeft verworven en in bezit heeft gehad. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte hier een gewoonte van heeft gemaakt.\n\nEchter, anders dan de rechtbank, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal door foto’s te maken van de billen van [slachtoffer] op het moment dat zij bij hem in de caravan was.\n\nTijdens het onderzoek aan de telefoon van verdachte is immers ook gebleken dat er op de datum 31 augustus 2024 zeven foto’s zijn gemaakt.Het gaat daarbij om zes foto’s (waarvan vier thumbnails) van dezelfde billen en tussen deze foto’s zat een selfie van verdachte. De foto’s waren gemaakt op 31 augustus 2024 om 18:03 uur. Hoewel de verbalisant die de foto’s heeft beoordeeld niet kan zien of het gaat om de billen van een kind, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het om de billen van [slachtoffer] gaat. Zo past het moment waarop de foto’s zijn gemaakt in de tijdslijn van het moment dat [slachtoffer] in de caravan is geweest. Bovendien blijkt uit het feit dat tussen de foto’s van de blote billen een selfie van verdachte is aangetroffen dat het verdachte is geweest die op dat moment de camera heeft bediend en daarbij is er geen enkele aanwijzing dat er nog iemand anders in de caravan van verdachte op dat moment aanwezig was. Tot slot acht het hof van belang dat [slachtoffer] in het ziekenhuis heeft verklaard dat ze bij verdachte op het bed heeft gezeten in haar blootje.\n\nDe stelling van de verdediging dat het proces-verbaal waarin dat is opgenomen slechts een globaal en samengevat proces-verbaal betreft en de mogelijkheid bestaat dat cruciale context of nuance verloren is gegaan, volgt het hof niet. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de inhoud van het proces-verbaal.\n\nDe poging tot verkrachting (feit 1)\n\nVoor een strafbare poging tot verkrachting is vereist dat de dader handelingen heeft verricht die kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het binnendringen van het lichaam. Daarnaast moeten die handelingen niet zodanig zijn dat zij ook bedoeld hadden kunnen zijn om andere misdrijven, zoals een aanranding, te plegen.\n\nIn dat verband blijkt uit het dossier dat verdachte op 31 augustus 2024 vanaf de middag (14:23 uur) met seks bezig is geweest en bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij die dag geil was.Bovendien blijkt uit voornoemde feiten en omstandigheden dat verdachte zowel op 16 augustus 2024 als op 25 augustus 2024 berichten heeft verstuurd over ‘Intro chems’ en dat hij op de bewuste dag, 31 augustus 2024, enkele uren daarvoor ook nog berichten heeft verstuurd waarin verdachte het er over heeft dat hij ‘vaak rape heeft gedaan, ook met kleintjes’. Net als de rechtbank stelt het hof vast dat ‘intro chems’ verdovende middelen zijn zoals speed en 3MMC, die gebruikt kunnen worden tijdens de seks.\n\nIn het laatste gesprek van die dag dat tot 16:01 uur heeft geduurd, is het ook gegaan over ‘rape’, hetgeen verdachte oppert, en over ‘een jochie hard aanpakken’ en stelt verdachte weer ‘Intro chems’ voor, waaruit het hof afleidt dat verdachte het heeft over verkrachting van een jongere onder invloed van drugs. Ongeveer driekwartier later (16:46 uur) heeft verdachte voor de eerste keer die dag een sekslijn gebeld en in dezelfde minuut waarin verdachte ook weer met dezelfde sekslijn heeft gebeld (17:29 uur), heeft hij de moeder van [slachtoffer] het eerste berichtje gestuurd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje wil komen spelen.\n\nToen [slachtoffer] door moeder bij verdachte werd gebracht, heeft hij de deur van de caravan op slot gedaan. De stelling van de verdediging dat de enkele stelling van moeder daarvoor onvoldoende is, volgt het hof niet.\n\nMoeder heeft immers vanaf het eerste contact met de verbalisanten verklaard dat de deur op slot zat, hetgeen ze in de aangifte namens [slachtoffer] heeft herhaald. Daartegenover staan de wisselende verklaringen van verdachte op dit punt.\n\nZo heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat de deur helemaal niet op slot kon, terwijl hij op de zitting in eerste aanleg, op het voorhouden van de voorzitter dat verdachte verklaard heeft dat het chalet niet op slot kan, heeft geantwoord dat het chalet altijd open is, behalve als verdachte op het toilet zit of als hij weg is.Daaruit leidt het hof af dat de deur van de caravan kennelijk wel op slot kon en ook ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat de caravan wel op slot kon.\n\nDaarnaast heeft het hof, zoals hiervoor overwogen, vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] 2MMC heeft gegeven en heeft hij [slachtoffer] , die op dat moment met een ontbloot onderlichaam op bed zat in zijn slaapkamer, foto’s van haar blote billen gemaakt. Ook betrekt het hof daarbij dat [slachtoffer] na haar bezoek aan verdachte heeft aangegeven dat ze overal aan haar lichaam ‘auw’ heeft en daarbij ook wijst op haar geslachtsdeel en er mannelijk DNA is aangetroffen op haar voorhof.\n\nDaar komt nog bij dat het gedrag van verdachte (naar anderen toe) opvallend te noemen is als uit moet worden gegaan van de verklaring van verdachte dat hij enkel de intentie had om [slachtoffer] een leuke tijd te bezorgen door haar bij hem te laten spelen.\n\nDat begint ermee dat verdachte [slachtoffer] met een smoesje over het samen spelen met een nichtje naar zijn caravan heeft gelokt. Daarnaast heeft hij tegen zijn echtgenoot gelogen over de reden waarom hij die middag later thuis zou komen en heeft verdachte geprobeerd het moment dat moeder [slachtoffer] weer kwam ophalen met een minuut of twintig te rekken. Tot slot heeft verdachte moeder geblokkeerd op Facebook toen zij hem vragen ging stellen over het nichtje van verdachte dat helemaal niet bestaat.\n\nHet hof is van oordeel dat uit de gedragingen voorafgaand en het voornoemde handelen van verdachte een onmiskenbare seksuele intentie blijkt en dat die handelingen in samenhang met de uitlatingen over ‘rape’ van minderjarigen nadat hij hen ‘wel eens wat gaf’ naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] en niet op aanranding.\n\nDat voornemen heeft zich door een begin van uitvoering geopenbaard en stopte pas nadat de moeder van [slachtoffer] de deur van de caravan probeerde te openen.\n\nHet hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van poging tot verkrachting.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n1. primair\n\nhij op of omstreeks31 augustus 2024 te [plaats] ,althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten en deze poging verkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen doordwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fofaan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof[slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattendeeen hoeveelheid 2MMC,althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),in elk geval(een)voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen)heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk)(naakt) op het bed heeftlaten zittengezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zittenen\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiair hij op of omstreeks31 augustus 2024 te [plaats] ,althans in Nederland\n\nopzettelijk de gezondheid van een aan zijn zorg en\u002Fofwaakzaamheid toevertrouwd kind, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2021) heeft benadeeld en\u002Fof[slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer]een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattendeeen hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),in elk geval(een)voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen)toe te dienen en\u002Fof in te laten nemen;\n\n3. hij in of omstreeksde periode van 11 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans (elders) in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,een of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fofmet onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken, waaronder [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, heeftverspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fofvervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fofverworven en\u002Fofin bezit heeft gehaden\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaftte weten\n\n- afbeeldingen en\u002Fof\n\n- gegevensdragers bevattende afbeeldingen te weteneentelefoon (merk: Oppo) en\u002Fof\n\n- visuele weergave\u002Fgegevensdragerswaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand en\u002Fof een ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon (afbeelding(en) 01 en\u002Fof 02 van de toonmap)en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand wordt aangeraakt en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van een ander kind\u002Fpersoon met een penis en\u002Fof hand\u002Fvinger wordt\u002Fworden aangeraakt door die persoon en\u002Fof die persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen met een vinger\u002Fhand aanraakt(afbeelding(en) 03 en\u002Fof 04 van de toonmap)en\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof in een omgeving en\u002Fof in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht (afbeelding(en) 05 en\u002Fof 07 van de toonmap)en\u002Fof dat bij het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd en\u002Fof bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof bij\u002Fnaast het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt gehouden (afbeelding(en) 06 van de toonmap)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar.\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang.\n\nHet onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige en terwijl het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\neen visuele weergave van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en de maatregel van tbs met dwangverpleging en de maatregel ex artikel 38z Sr als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.\n\nStandpunt verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte sinds 1 september 2024 in voorlopige hechtenis verblijft en zijn detentieperiode bijzonder zwaar is gelet op de verschillende ernstige medische klachten van verdachte. Ook heeft de raadsman gewezen op de omstandigheid dat de laatste veroordeling van verdachte voor een zedendelict uit 2014 dateert en op de rapporten die over verdachte zijn opgemaakt, waaruit het advies volgt om de feiten 1 en 2 verminderd aan verdachte toe te rekenen en aan hem tbs met voorwaarden op te leggen.\n\nHet verzoek is om een op te leggen gevangenisstraf zoveel mogelijk te beperken omdat de nadruk moet liggen op behandeling in plaats van vergelding en om een tbs met voorwaarden op te leggen, zoals de deskundigen passend en haalbaar achten. Verdachte wil overal aan mee werken en een eerder opgelegd toezicht heeft hij ook positief afgesloten.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Ten eerste heeft hij contact gelegd met de moeder van een driejarig meisje, [slachtoffer] , en gevraagd of [slachtoffer] met zijn nichtje wilde komen spelen, terwijl verdachte helemaal geen nichtjes heeft. Toen moeder aangaf dat ze het zou vragen, heeft verdachte even later nogmaals gevraagd of ze wilde komen. In de tussentijd en ook voor zijn eerste verzoek heeft verdachte meermalen met een sekslijn gebeld en daarvoor gesprekken gevoerd waarbij gesproken werd over ‘rape’ en ‘hard neuken’ van minderjarigen die onder invloed waren van drugs. Toen [slachtoffer] door moeder is gebracht, heeft verdachte de caravan op slot gedaan en heeft hij [slachtoffer] gedrogeerd door haar 2MMC, een designerdrug die verdachte iets meer dan een week ervoor had besteld en afgeleverd heeft gekregen, te geven.\n\nDat is des te kwalijker nu verdachte zelf ervaring had met het innemen van deze drugs en daar de gevolgen van kende.\n\nVerdachte is met [slachtoffer] naar de slaapkamer gegaan waar [slachtoffer] bed heeft gezeten. Verdachte heeft foto’s gemaakt van de blote billen van [slachtoffer] . Toen moeder er na ongeveer tien minuten een naar gevoel bij kreeg, heeft ze verdachte een bericht gestuurd dat ze [slachtoffer] zou komen halen en heeft verdachte nog geprobeerd om dat moment uit te stellen. Toen moeder [slachtoffer] had opgehaald, zag ze vrij snel dat het niet goed ging met haar. Vervolgens is de driejarige [slachtoffer] met spoed opgenomen in het ziekenhuis. [slachtoffer] had pijn, had bloed in haar mond omdat ze haar mond en tong kapot had gebeten en ze moest meermalen overgeven. Uit alles volgt dat het de intentie van verdachte was om [slachtoffer] te verkrachten en enkel en alleen omdat moeder het toch niet vertrouwde en zij [slachtoffer] snel weer heeft opgehaald, is het bij een poging tot verkrachting gebleven.\n\nDaarnaast heeft verdachte zich met het drogeren van [slachtoffer] schuldig gemaakt aan mishandeling door haar een schadelijke stof toe te dienen terwijl zij op dat moment aan zijn zorg was toevertrouwd door moeder.\n\nHet op slinkse wijze bespelen van de moeder van een meisje van drie jaar door haar te vragen of ze met zijn nichtje wilde komen spelen, zodat verdachte de tijd en gelegenheid had om via haar aan zijn gerief te komen, is zeer kwalijk.\n\nDoor zo te handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en grof misbruik gemaakt van het feit dat zij drie jaar – en daarmee extra kwetsbaar – was.\n\nVerdachte heeft met het plegen van deze strafbare feiten ook veel leed toegebracht. Niet alleen heeft [slachtoffer] de lichamelijke gevolgen van de haar toegediende drugs moeten ervaren, maar heeft ook haar moeder angst en paniek ervaren en het zichzelf kwalijk genomen dat zij [slachtoffer] naar verdachte toe heeft gebracht.\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort delicten vaak langdurig te lijden hebben door trauma’s en de daardoor veroorzaakte emotionele schade. Uit de slachtofferverklaring van moeder blijkt dat zij het zichzelf nog steeds kwalijk neemt dat zij verdachte heeft vertrouwd, dat ze het beeld van [slachtoffer] die vecht tegen de drugs die verdachte haar gegeven heeft niet kwijtraakt en dat ze nog zoveel vragen heeft die niet door verdachte beantwoord worden.\n\nDit gedrag rekent het hof verdachte zwaar aan. Daar komt bij dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen. Zo zijn zijn verklaringen wisselend en geeft hij zowel bij de rechtbank als het gerechtshof nauwelijks antwoord op inhoudelijke vragen omdat hij het niet meer zou weten.\n\nTot slot zijn bij verdachte op zijn telefoon twintig video’s met kinderporno aangetroffen en de foto’s van de billen van [slachtoffer] . In de video’s zijn vergaande seksuele handelingen te zien van soms zeer jonge kinderen en zelfs baby’s, die seksuele handelingen moeten verrichten en dulden. Het gaat hier om kinderpornografisch materiaal van de ergste categorie. Net als de rechtbank houdt het hof verdachte medeverantwoordelijk voor het genoemde seksuele misbruik van kinderen, omdat hij door het verwerven, het bezit en het vervaardigen heeft bijgedragen aan het in stand houden van de vraag hiernaar. Dit is bijzonder ernstig.\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die hier het slachtoffer van zijn, psychologische schade oplopen die zij jaren later en soms zelfs hun hele leven nog met zich meedragen en dat beelden op internet niet zomaar verdwijnen, zodat het misbruik in feite onbeperkt doorgaat. Verdachte heeft zijn eigen seksueel genot boven het welzijn gesteld van de kinderen die op de aangetroffen materialen zijn weergegeven.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging ook gekeken naar het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte zowel in 2005 als 2014 is veroordeeld voor zedendelicten met een minderjarige. Dat weegt het hof in het nadeel van verdachte mee.\n\nDaarnaast heeft het hof ten behoeve van de beantwoording van de vraag of de oplegging van een maatregel in deze zaak geïndiceerd is, gekeken naar de verschillende rapportages die over verdachte zijn opgemaakt.\n\nNet als de rechtbank leidt het hof uit het rapport van 4 april 2025 dat is opgesteld door [naam 3] , psychiater\u002Fpsychoanalyticus, het volgende af.\n\nBij verdachte is sprake van een parafiele stoornis, zwakbegaafdheid en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is sprake van onvoldoende sturingsvermogen bij verdachte, met name wanneer hij onder druk komt te staan door life events zoals het overlijden van een familielid. Verdachte ontkent de feiten maar heeft tijdens het psychiatrisch onderzoek aangegeven dat hij verdrietig was vanwege het overlijden van zijn zus, toen is gaan chatten om zijn verdriet een plek te geven, hij ‘iets stouts’ met het meisje van plan was, maar uit zichzelf zou zijn gestopt.\n\nNet als de rechtbank heeft het hof bij de bespreking van het bewijs geconcludeerd dat dit laatste niet het geval is, omdat verdachte voortijdig door de moeder van het meisje werd gestoord.\n\nDe klinische inschatting van het recidiverisico komt uit op matig tot hoog. Zonder behandeling blijven de risicofactoren onveranderd. Een behandeling en begeleiding zijn\n\nnoodzakelijk om de kans op herhaling te verlagen.\n\nVerdachte is in 2005 en in 2014 ook veroordeeld voor zedendelicten met kinderen. Na de\n\nveroordeling in 2014 heeft hij een behandeling voor zedendelinquenten ondergaan. De\n\npsychiater adviseert om de feiten ten aanzien van [slachtoffer] verminderd toe te rekenen en het\n\nbezit van de kinderporno volledig aan verdachte toe te rekenen.\n\nOok het hof neemt deze conclusie ten aanzien van de toerekenbaarheid over en stelt vast dat tijdens het begaan van de feiten bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.\n\nUit het psychologisch onderzoek van GZ-psycholoog [naam 4] van 5 maart 2025 blijkt dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en dat een parafiele stoornis niet met zekerheid gesteld noch uitgesloten kan worden. Nu verdachte een volledig ontkennende houding heeft, onthoudt de onderzoeker zich van advies over de mate van toerekenen.\n\nVolgens de psycholoog is het recidiverisico bovengemiddeld. Bovendien blijkt dat als de ten laste gelegde feiten bewezen worden er sprake is van een beperkt effect van de eerdere zedenbehandeling.\n\nTot slot heeft het hof kennis genomen van het reclasseringsadvies van 26 augustus 2025 van Reclassering Nederland. Daarin staat vermeld dat betrokkene tweemaal eerder werd veroordeeld (2005 en 2014) vanwege een zedendelict en dat bij beide veroordelingen de slachtoffers minderjarige jongens waren. Betrokkene stond eenmaal eerder onder toezicht van de reclassering en doorliep in het kader van een voorwaardelijke veroordeling een ambulante behandeling bij [instelling] . De verklaringen van betrokkene over hetgeen hem ten laste gelegd wordt en gebeurtenissen in de periode die daaraan vooraf zijn gegaan, wisselen en worden bij confrontatie met dossierinformatie bijgesteld, ontkend of ontweken. Betrokkene lijkt zijn verhaal, na confrontatie, telkens aan te passen hetgeen voor verwarring zorgt en niet overeenkomt met hetgeen op is genomen in de pro Justitia rapporten.\n\nDe reclassering geeft aan dat de maatregel van tbs met voorwaarden technisch uitvoerbaar is. Ze zijn echter terughoudend dit te adviseren. De reclassering noemt het advies voorzichtig positief. Zij zien risico’s in het feit dat bij een veroordeling de eerder doorlopen behandeling klaarblijkelijk niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Verdachte laat bij confrontatie met dossierinformatie ontkennend, ontwijkend en bagatelliserend gedrag zien. Zij vragen zich bovendien af of betrokkene daadwerkelijk de impact van een tbs maatregel met voorwaarden en dagbehandeling inziet.\n\nOp te leggen straf\n\nGelet op het voorgaande is enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur passend. Het hof heeft bij het vaststellen van de duur van de gevangenisstraf ten eerste rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, in het bijzonder dat het hier gaat om het drogeren van een driejarige met de intentie haar te verkrachten en het bezit van kinderpornografisch materiaal waarin hele jonge kinderen en baby’s te zien zijn.\n\nDaarnaast heeft het hof gelet op de omstandigheid dat verdachte twee keer eerder voor zedendelicten is veroordeeld, de mate waarin de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend en de impact die de feiten op het slachtoffer hebben gehad. Ook heeft het hof acht geslagen op de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nAlles overwegende is het hof van oordeel dat de duur van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf, die in hoger beroep ook weer is gevorderd, de ernst van de bewezen verklaarde feiten onvoldoende tot uitdrukking brengt. Het hof zal dan ook aan verdachte een langere gevangenisstraf opleggen dan de drie jaren die door de rechtbank zijn opgelegd.\n\nHet hof legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nTbs met voorwaarden of tbs met dwangverpleging?\n\nVoorts is het hof van oordeel dat oplegging van de maatregel van tbs noodzakelijk is.\n\nHet hof stelt voorop dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan een verdachte de maatregel van tbs kunnen worden opgelegd.\n\nIn de eerste plaats dient bij de verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het betreffende feit dient in de tweede plaats een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel behoren tot een der misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a eerste lid, onder 1° Sr) vermeld. In de derde plaats dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Ten slotte kan een dergelijke maatregel enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.\n\nIn de onderhavige zaak is aan deze voorwaarden voldaan en er is geen discussie over dat verdachte behandeld dient te worden binnen een tbs-kader en dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van die maatregel eist.\n\nDe vraag die het hof dient te beantwoorden is welke vorm van tbs opgelegd dient te worden: tbs met verpleging van overheidswege, zoals de advocaat-generaal heeft gevorderd, of tbs met voorwaarden, zoals de verdediging heeft gevraagd.\n\nDe deskundigen hebben in hun rapporten opgenomen dat volstaan kan worden met oplegging van tbs met voorwaarden. Het hof volgt echter de deskundigen niet in voornoemde adviezen en acht het evenals de rechtbank en de advocaat-generaal noodzakelijk dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nTer onderbouwing van deze beslissing stelt het hof voorop dat uit de rapportages van zowel de psycholoog als de psychiater volgt dat de nadruk moet liggen op een intensieve en langdurige zedenbehandeling. Daar komt bij dat verdachte de bewezenverklaarde feiten ontkent, hij twee keer eerder voor zedendelicten is veroordeeld en daarbij eenmaal eerder een zedenbehandeling bij [instelling] heeft gevolgd. Het hof stelt, gelet op de onderhavige zaak, vast dat deze behandeling onvoldoende effect heeft gehad. Ook stelt het hof met de rechtbank vast dat uit de rapportages evenals op de zitting is gebleken dat verdachte niet beschikt over ziektebesef en ook niet begrijpt waarom hij een behandeling nodig heeft.\n\nDaar komt nog bij dat de reclassering in het rapport aan heeft gegeven dat het advies van tbs met voorwaarden slechts voorzichtig positief is omdat de reclassering door de opstelling van verdachte het risico op onttrekken aan de voorwaarden niet in kan schatten.\n\nVolgens de reclassering is het gelet op de eerdere veroordelingen van verdachte, de doorlopen behandeling en de houding van verdachte de vraag of een tbs met voorwaarden haalbaar is.\n\nNet als de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte een intensieve, klinische en langdurige behandeling nodig heeft en dat een stevig behandelkader in een beveiligde omgeving noodzakelijk is om grip op verdachte te krijgen. De duur van de behandeling van een tbs met voorwaarden is daarvoor te kort en ook het hof betrekt hierbij het hoge risico op schijnaanpassing.\n\nAlles afwegende is het hof van oordeel dat het terugdringen van voornoemd recidiverisico en de noodzakelijke bescherming van de maatschappij, niet anders kan plaatsvinden dan door middel van het opleggen van tbs met dwangverpleging. Deze maatregel biedt in het onderhavige geval de meeste waarborgen voor een optimale risicoreductie. Anders dan de verdediging heeft bepleit, kan niet worden volstaan met een minder hoog niveau van bescherming.\n\nHet hof overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten de feiten 1 primair en 2 subsidiair. De totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom, gelet op artikel 38e Sr, een periode van vier jaren te boven gaan.\n\nMaatregel langdurig toezicht ex artikel 38z Sr\n\nDaarnaast is het hof van oordeel dat een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr noodzakelijk is. Naar het oordeel van het hof is de oplegging van de maatregel nodig in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. Verdachte zal ter beschikking worden gesteld en worden veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Tot slot hebben zowel de deskundigen als de reclassering de oplegging van deze maatregel geadviseerd. Aan de formele vereisten is voldaan.\n\nMet de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de problematiek van verdachte met zich brengt dat langdurig toezicht nodig is om recidive te voorkomen of in ieder geval zoveel mogelijk in te perken. Het hof zal daarom, gelet op het bovenstaande, tot de oplegging van de maatregel met langdurig toezicht overgaan.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 1.777,86, bestaande uit € 277,86 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade en heeft daarnaast een bedrag van € 570,24 aan proceskosten gevorderd. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 102,96 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.\n\nNamens de benadeelde partij heeft mr. Bouw op de zitting in hoger beroep aangegeven dat het hof het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde materiële schade kan volgen, te weten toewijzing van een bedrag van € 102,96. Daarnaast heeft mr. Bouw verzocht de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren nu deze schade onvoldoende is onderbouwd vanwege het ontbreken van een diagnose van geestelijk letsel.\n\nVoor wat betreft de gevorderde proceskosten heeft mr. Bouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, maar daarbij wel gewezen op de omstandigheid dat oma en stiefopa een groot deel van de tijd voor [slachtoffer] zorgen en een zeer betrokken rol hebben in de zorgtaken van haar. Oma heeft namens de moeder van [slachtoffer] de advocaat bezocht voor een bespreking van de zaak en de zittingen bij de rechtbank bijgewoond en zij heeft geen bijstand van een advocaat. Om die reden is het verzoek om de proceskosten die oma heeft gemaakt toe te wijzen.\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de materiële schade die gevraagd wordt toegewezen dient te worden zoals de rechtbank dat heeft gedaan en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden.\n\nStandpunt verdediging\n\nGelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging de standpunten die in eerste aanleg naar voren heeft gebracht gehandhaafd en is het verzoek aan te sluiten bij de overwegingen van de rechtbank hieromtrent.\n\nOordeel van het hof\n\nVoor wat betreft de gevorderde materiële schade stelt het hof voorop dat het hof duidelijk is gebleken dat de oma en stiefopa van [slachtoffer] net zo betrokken zijn bij het welzijn van [slachtoffer] als de moeder van [slachtoffer] , maar dat het hof gebonden is aan de wet voor wat betreft de mogelijkheden om de gevraagde schade van oma toe te kennen.\n\nHet hof is met de rechtbank van oordeel dat alleen de kosten die oma heeft gemaakt om [slachtoffer] naar het ziekenhuis te brengen voor vergoeding in aanmerking komen, te weten\n\n€ 69,30. Daarnaast wijst het hof toe de gevorderde kosten die moeder heeft gemaakt op 31 augustus 2024 en 1 september 2024 voor het brengen van [slachtoffer] naar het ziekenhuis, te weten € 33,66. De benadeelde partij heeft immers rechtstreeks schade geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.\n\nVoor wat betreft de overige gevorderde materiële schade kan de benadeelde partij niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.\n\nTen aanzien van de gevorderde immateriële schade zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren nu deze schadepost, zoals op de zitting door mr. Bouw zelf ook is aangevoerd, onvoldoende is onderbouwd. Ook dit deel van de vordering kan de benadeelde partij nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.\n\nVoor wat betreft de proceskosten sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. De noodzakelijke reis- en verblijfkosten die de benadeelde partij heeft gemaakt komen op grond van de artikelen 238 en 239 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet in aanmerking voor vergoeding wanneer zij zich heeft laten bij staan door een gemachtigde\n\n(Hoge Raad, 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:334). Ook de reiskosten om de advocaat van de benadeelde te bezoeken om de zaak te bespreken komen om die reden niet voor\n\nvergoeding in aanmerking (Hoge Raad, 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414). Aangevoerd is dat de kosten van oma en stief-opa voor het bezoeken van de terechtzittingen wel voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen omdat zij geen bijstand van een gemachtigde hadden. Aangezien opa en stief-opa geen benadeelde partij zijn in deze zaak, komen deze kosten ook niet voor vergoeding in aanmerking.\n\nHet hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering van de proceskosten.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,00 ingediend bestaande uit immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de onderbouwing van de vordering en de Rotterdamse schaal, zij zich kan voorstellen dat het hof de immaterieel toe te wijzen vordering enigszins matigt, maar niet in de mate zoals de rechtbank dat heeft gedaan. Volgens de advocaat-generaal zou een groter deel moeten worden toegewezen dan de rechtbank heeft gedaan.\n\nStandpunt verdediging\n\nGelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging de standpunten die in eerste aanleg naar voren heeft gebracht gehandhaafd en is het verzoek aan te sluiten bij de overwegingen van de rechtbank hieromtrent.\n\nOordeel van het hof\n\nOp de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.\n\nDe bewezen verklaarde feiten betreffen een poging tot verkrachting en een mishandeling en vastgesteld kan worden dat als gevolg van het bewezenverklaarde handelen door verdachte bij de benadeelde partij naar objectieve maatstaven sprake is van lichamelijk letsel en van een aantasting in de persoon op andere wijze (geestelijk letsel). De aard en de ernst van deze feiten brengt mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat van een aantasting in de persoon kan worden gesproken. Nadere onderbouwing van het geestelijk letsel is dan ook niet vereist.\n\nVoor wat betreft de hoogte van de immateriële schade heeft het hof gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend en de onderbouwing van de vordering en aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal.\n\nIn deel A, Lichamelijk letsel, hoofdstuk 13 ‘Licht letsel’ wordt onder categorie ‘(c) Herstelperiode van ongeveer twee maanden’ en oppervlakkig en beperkt letsel een bedrag tot € 1.100,00 genoemd.\n\nNu de benadeelde partij als driejarige door het toedienen van de drugs door verdachte haar mond kapot heeft gebeten, pijn heeft gehad in verschillende delen van haar lichaam, ziek is geweest en met de ambulance is afgevoerd, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van oppervlakkig en beperkt letsel, maar zodanig letsel dat reeds hierom de gevorderde schade naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld kan worden op het gevorderde bedrag van € 2.000,00. De vordering wordt daarom in het geheel toegewezen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 45, 57, 240b, 250, 252, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van5 (vijf) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nLegt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 102,96 (honderdtwee euro en zesennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVerklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de proceskosten.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 102,96 (honderdtwee euro en zesennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 augustus 2024.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van\n\n€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 augustus 2024.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.H. Garos, mr. R.D.J. Visschers en mr. D. Stikkelbroeck,\n\nin aanwezigheid van de griffier mr. H.J. Rosmalen-Jansen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 6 juli 2026.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 6 juli 2026.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. J. Steenbrink, voorzitter,\n\nmr. V.T.R.W. van Thiel , advocaat-generaal,\n\nmr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.\n\n De hierna onder de voetnoten 2 t\u002Fm 18, 20 t\u002Fm 22, 26, 28 t\u002Fm 31 en 36 genoemde bewijsmiddelen zijn als bijlagen gevoegd bij het stamproces-verbaal 08RANGER, nummer 2024407947, in de wettelijke vorm opgemaakt op 4 april 2025 door [brigadier] , brigadier.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 25 t\u002Fm 28).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 251 t\u002Fm 252) en het WhatsApp-bericht als bijlage gevoegd (pagina 310).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 249 t\u002Fm 250).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 54 en 55).\n\n Patiëntendossier [ziekenhuis] inzake [slachtoffer] , p. 126.\n\n Het rapport van het NFI (pagina’s 175 t\u002Fm 181).\n\n Het rapport van het NFI (pagina’s 104 t\u002Fm 108).\n\n Het proces-verbaal van aangifte (pagina’s 39 t\u002Fm 44).\n\n Het proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor (pagina’s 60 t\u002Fm 61).\n\n Het proces-verbaal van aanhouding verdachte (pagina’s 595-597) en het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 598-600).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 509 t\u002Fm 510).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 351 t\u002Fm 352).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 441 t\u002Fm 447).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 488 t\u002Fm 502).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 470 t\u002Fm 487).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 344 t\u002Fm 351).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 515 t\u002Fm 517).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 339 t\u002Fm 340).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina 341).\n\n Het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Gelderland op 6 september 2024 (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent, met bijlage (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina 518).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 519 t\u002Fm 521).\n\n Het proces-verbaal voorbereiding studioverhoor (pagina’s 58 en 59).\n\n Het proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor (pagina’s 60 en 61).\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte (pagina 650).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer 148, in de wettelijke vorm opgemaakt op 29 juli 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland van 3 oktober 2025.\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 637).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4368","2026-07-13T00:29:30.894Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":53,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":39,"updatedAt":56},"288","ECLI:NL:RBGEL:2026:5352","ecli-nl-rbgel-2026-5352","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-249116-25\n\nDatum uitspraak : 29 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige militaire kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. F.J. Mascini, advocaat in Haarlem.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van\n\n16 maart 2026 en 8 juni 2026.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 16 mei 2025 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), daarmede rijdende over de weg, Tafelbergweg (ter hoogte van of nabij de Fastned laadlocatie) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend, het door hem, verdachte bestuurde voertuig niet (voortdurend) onder controle heeft gehad en\u002Fof zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was tengevolge waarvan hij, verdachte, met dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (motorfiets) tegen een aldaar aanwezige voetganger ( [slachtoffer] ) is gereden en\u002Fof gebotst, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en\u002Fof hersenkneusing en\u002Fof hersenbloedingen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\nsubsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 16 mei 2025 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op de weg, de Tafelbergweg (ter hoogte van of nabij de Fastned laadlocatie), het door hem, verdachte bestuurde voertuig niet (voortdurend) onder controle heeft gehad en\u002Fof zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was tengevolge waarvan hij, verdachte, met dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (motorfiets) tegen een aldaar aanwezige voetganger ( [slachtoffer] ) is gereden en\u002Fof gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nDe feiten\n\nOp grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.\n\nOp 16 mei 2024 was verdachte bestuurder van een motor en reed hij op de Tafelbergweg in Amsterdam. Hij bereed de rijbaan van de Tafelbergweg, de foodstrip, komende uit de richting van de Meibergdreef en gaande in de richting van de Rijksweg A9. Ter hoogte van de Fastned laadlocatie verloor hij de controle over zijn motor. Ten gevolge hiervan schoot de motorfiets door en reed tegen een voetganger, [slachtoffer] aan.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde vrijspraak bepleit, nu de ondergrens van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) niet wordt gehaald. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is geen bewijsverweer gevoerd.\n\nBeoordeling door de militaire kamer\n\nUit de verkeersongevallenanalyse is gebleken dat er geen bijzonderheden waren met betrekking tot de motor, de weersomstandigheden en de verlichting. Ook is er forensisch technisch geen aanwijzing dat de snelheid van de motor significant hoger heeft gelegen dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. De oorzaak waardoor de bestuurder van de motor de controle over de motor verloor is forensisch technisch niet vastgesteld. Het meest waarschijnlijke scenario is dat de bestuurder van de motor tijdens het rijden over de verkeersdrempel een bedieningsfout maakte en hierdoor de controle over de motorfiets verloor. De bestuurder van de motor was niet in staat om zijn voertuig tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was.\n\nVerdachte was niet onder invloed van alcohol of drugs.\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij niet precies weet wat er is gebeurd omdat het zo snel ging, maar dat hij vermoedt dat de motor op een of andere manier bij het terugschakelen schokte. Hierdoor greep verdachte uit automatisme zijn stuur vast en trok daardoor het gas open waardoor de motor begon te accelereren en de motor naar voren schoot. Verdachte heeft nog geprobeerd te remmen en uit te wijken, maar er was geen houden meer aan. Verdachte vergelijkt het met een whiskey throttle.\n\nArtikel 6 WVW 1994\n\nVan schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 is sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.\n\nHet rijgedrag van verdachte is op zichzelf onvoldoende om te kunnen spreken van een aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid. Verdachte heeft weliswaar de controle over zijn motor verloren en heeft daardoor [slachtoffer] geraakt, maar er is geen sprake van bijkomende omstandigheden of fouten van verdachte die van invloed zijn geweest op het plaatsvinden van het ongeval. Onder die omstandigheden acht de militaire kamer dat niet voldaan is aan de voor artikel 6 WVW 1994 vereiste mate van schuld om te kunnen spreken van aanmerkelijk onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend handelen. Daarom zal verdachte van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.\n\nArtikel 5 WVW 1994\n\nHet subsidiair ten laste gelegde is toegesneden op artikel 5 WVW 1994, waarin strafbaar wordt gesteld het zich zodanig op de weg gedragen dat gevaar wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, dan wel het verkeer wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Het gaat daarbij om concrete gevaarzetting of hinder. Bij de vraag of een bepaalde handeling kan worden aangemerkt als gevaarlijk gaat het om de handeling in concreto in het licht van alle omstandigheden van het geval.\n\nDoor zijn rijgedrag heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt. De militaire kamer acht overtreding van artikel 5 WVW 1994, het subsidiair tenlastegelegde, dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij op of omstreeks16 mei 2025 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op de weg, de Tafelbergweg (ter hoogte van of nabij de Fastned laadlocatie), het door hem, verdachte bestuurde voertuig niet (voortdurend) onder controle heeft gehad en\u002Fofzijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was ten gevolge waarvan hij, verdachte, met dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (motorfiets) tegen een aldaar aanwezige voetganger ( [slachtoffer] ) is gereden en\u002Fof gebotst, door welke gedraging(en)van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt,en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nsubsidiair:\n\novertreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is in beginsel strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 1.000,00, te vervangen door 10 dagen hechtenis en ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft in het geval van een veroordeling verzocht tot toepassing van artikel 9a Strafrecht, schuldig verklaring zonder oplegging van een straf of maatregel.\n\nDe beoordeling door de militaire kamer\n\nDe militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nUit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 februari 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.\n\n De militaire kamer is van oordeel dat door het bewezenverklaarde het aan de schuld van verdachte te wijten is dat het slachtoffer ernstig letsel met blijvende gevolgen heeft opgelopen. Met dit gegeven en de gevolgen die dit heeft gehad moet – naast het slachtoffer – ook verdachte verder door het leven. De militaire kamer heeft ter terechtzitting geconstateerd dat verdachte zijn verantwoordelijkheid voor de aanrijding inziet en hiermee nog regelmatig wordt geconfronteerd. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de militaire kamer niet gezegd worden dat met een op te leggen straf nog enig strafdoel wordt bereikt. Evenals de verdediging is de militaire kamer dan ook van oordeel dat geen straf of maatregel dient te worden opgelegd.\n\nGelet op alle omstandigheden zal de militaire kamer met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel opleggen.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 9 a van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n9. De beslissing\n\nDe militaire kamer:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. Y. van Wezel, rechters, en kapitein-ter-zee (LD) mr. J.L. Wesstra, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.\n\nmr. C.F. Brouwer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, Brigade Noord-Holland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27WN\u002F25-002583, gesloten op 8 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van FO verkeer, p. 124-125, de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 juni 2026.\n\n Proces-verbaal FO verkeer, p. 82-128.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 13.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5352","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.827Z",{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":61,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":39,"updatedAt":63},"281","ECLI:NL:RBGEL:2026:5354","ecli-nl-rbgel-2026-5354","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummers: 05-276671-24, 05-344017-24, 05-344649-24 (gev. ttz)\n\nDatum uitspraak : 29 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsvrouw: mr. J. Leyten, advocaat in Amsterdam-Duivendrecht.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting op\n\n8 juni 2026.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nonder parketnummer 05-276671-24:\n\n1. hij in of omstreeks de periode 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 231,02 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\nhet opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\nhet opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\nhet opzettelijk vervaardigen\n\nvan cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\neen ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\nzich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen\n\nvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n231,02 gram, althans een (grote) hoeveelheid, cocaïne,\n\neen telefoon, waarop gesprekken en notities zijn aangetroffen waaruit blijkt dat er sprake is van handel in drugs en\u002Fof\n\neen autosleutel, behorende tot een auto waarin een grote hoeveelheid cocaïne lag opgeslagen,\n\nvoorhanden te hebben;\n\nonder parketnummer 05-344017-24:\n\n1. hij op of omstreeks 2 juli 2024 te Zevenaar opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n 2. hij op of omstreeks 2 juli 2024 te Zevenaar een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en\u002Fof dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een BB gun, airsoft- en\u002Fof luchtdrukwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, te weten een pistool van het merk Glock en\u002Fof Walther, voorhanden heeft gehad;\n\nen onder parketnummer 05-344649-24:hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Duiven opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3,41 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nTen aanzien van parketnummer 05-276671-24:\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder feit 2 en onder feit 1 voor zover dat ziet op het aanwezig hebben. Verdachte moet partieel worden vrijgesproken van de andere varianten die onder feit 1 genoemd zijn.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging stelt zich primair op het standpunt dat er sprake is van vormverzuimen ex artikel 359a Sv, waardoor al het bewijs dient te worden uitgesloten. Daarmee ontbreekt vervolgens voldoende wettig en overtuigend bewijs waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder zowel feit 1 als feit 2. Subsidiair voert de verdediging aan dat verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden vrijgesproken van het ‘dealen’ in de ten laste gelegde periode. Ten aanzien van het aanwezig hebben van de harddrugs uit de Audi is eveneens sprake van een vormverzuim ten aanzien van de doorzoeking van de Audi.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBewijsuitsluitingsverweer\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit dat er sprake is van vormverzuimen ex artikel 359a Sv, waardoor al het bewijs dient te worden uitgesloten. Ten aanzien van de vordering gericht tot verdachte en strekkende tot uitlevering van alle verdovende middelen is niet geverbaliseerd waaruit een redelijke verdenking of redelijk vermoeden is ontstaan en bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot inbeslagneming is eveneens niet geverbaliseerd waaruit blijkt dat verdachte kon worden aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit, zoals strafbaar gesteld in de Opiumwet. Deze vormverzuimen kunnen volgens de verdediging enkel leiden tot bewijsuitsluiting.\n\nDe officier van justitie heeft aangevoerd dat zowel de vordering tot uitlevering als de inbeslagneming op 28 augustus 2024, gelet op alle bevindingen van de politie, rechtmatig zijn geweest. De officier van justitie stelt zich dan ook op het standpunt dat het verweer van de verdediging moet worden verworpen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de vordering gericht tot verdachte tot uitlevering van verdovende middelen rechtmatig was. Daarvoor moet ingevolge artikel 9 van de Opiumwet worden beoordeeld of de verbalisanten redelijkerwijs het vermoeden konden hebben dat verdachte – kort gezegd – in het bezit was van verdovende middelen. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] beschrijven in hun proces-verbaal van bevindingen dat zij verdachte kennen als een jongere waar zij zich zorgen om maken en die vaak in verband wordt gebracht met verdovende middelen. [verbalisant 2] had hem onlangs zelf nog aangehouden voor het bezit hiervan. Verbalisanten keerden hun voertuig en positioneerden het dienstvoertuig achter het betrokken voertuig. Zij zagen dat er vanaf de achterbank iemand uitstapte en wegliep. Verbalisant [verbalisant 2] besloot deze man staande te houden. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat de bestuurder van het voertuig verder reed en gaf hem een stopteken. [verbalisant 1] stelde de identiteit van verdachte vast, waarna [verbalisant 2] aansloot bij de controle. Verdachte verklaarde dat hij vermoedde dat ze een speekseltest bij hem zouden gaan afnemen. Verbalisanten gaven aan dat zij vooral benieuwd waren of hij in het bezit was van verdovende middelen. Verdachte zei dat hij niet in het bezit was van verdovende middelen en zei dat ze de hele auto mochten doorzoeken. Hij gaf aan dat alle kappen van het voertuig toch al los zaten, dus dat ze overal mochten kijken. Verdachte stapte vervolgens uit, zonder dat dit van hem werd gevraagd. Toen verdachte uitstapte zagen verbalisanten meteen ter hoogte van zijn geslachtsdeel een duidelijk onnatuurlijke verdikking. Zij hebben verdachte toen hiermee geconfronteerd.\n\nDe rechtbank acht al deze omstandigheden in hun onderlinge verband en samenhang bezien voldoende voor de verbalisanten om redelijkerwijs tot het vermoeden te hebben kunnen komen dat er verdovende middelen bij verdachte aanwezig waren. De vordering tot uitlevering door verbalisanten was daarmee rechtmatig.\n\nNadat de verbalisanten de uitlevering van alle verdovende middelen aanwezig in het voertuig en op hem hadden gevorderd stopte verdachte snel zijn handen in zijn zakken, pakte de verdikking vast en bewoog deze rond in zijn ondergoed en hij riep dat hij niets in zijn ondergoed had. Verbalisanten vorderden nogmaals de uitlevering en legden hem, afzonderlijk van elkaar, uit dat hij een extra strafbaar feit zou plegen op het moment dat hij niet zou voldoen aan een bevel tot uitlevering. Ze zagen dat verdachte zijn handen voor zijn ogen sloeg en riep dat ze hem niet moesten aanraken. Vervolgens zei hij dat hij verdovende middelen in zijn auto had. Hiermee waren er voldoende redenen om tot fouillering over te gaan. Verdachte is vervolgens aan een opiumfouillering onderworpen en er zijn verdovende middelen aangetroffen.\n\nOnderweg naar het politiebureau gaf verdachte aan dat hij nog een Audi-autosleutel in zijn bezit had en dat het belangrijk was dat deze Audi-sleutel in zijn eigen voertuig zou achterblijven. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] maakten een ronde door de wijk met de Audi-sleutel om te zien of de voertuigen die zij passeerden open gingen. Verbalisant [verbalisant 2] kent verdachte vanuit zijn rol als jeugdagent en heeft diens voertuig op 15 augustus 2024 achter de woning van [naam] en [naam] zien staan. Hij weet dat zij in het bezit zijn van een rode Audi. Verbalisanten zijn hierop in de omgeving van de woning van [naam] en [naam] gaan kijken. Op [adres] in Arnhem troffen zij de rode Audi A3 aan, waarvan de knipperlichten begonnen te knipperen en de auto ontgrendelde bij gebruik van de Audi-autosleutel. Hieruit maakten de verbalisanten op dat de sleutel bij deze Audi behoorde. De auto stond op ongeveer 100 meter van de woning van [naam] en [naam] geparkeerd. Verbalisanten herkenden het kenteken van de Audi en weten dat deze gebruikt wordt door [naam] en [naam] . Zij hebben hen meermaals in dit voertuig gecontroleerd. In het politiesysteem bevond zich een mutatie dat in 2023 een gebruiker van dit voertuig voor drugsbezit is aangehouden. Bovendien stond er een mutatie dat een jeugdige tegenover een jeugdagent beide [naam] had genoemd als personen die jeugdigen ronselen voor drugshandel. Verbalisanten hadden het sterke vermoeden dat er mogelijk verboden voorwerpen in de Audi zouden liggen. Het voertuig is vervolgens doorzocht.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank levert dit, mede gelet op al de eerder beschreven omstandigheden die hiermee in samenhang moeten worden bezien, voldoende verdenking op dat er verdovende middelen in de auto aanwezig waren, een verdenking dus van aan misdrijf als omschreven in artikel 67 eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De op artikel 96b Sv gegronde doorzoeking was daarmee eveneens rechtmatig.\n\nHet voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De onderzoeksresultaten op basis van de bij verdachte en in de auto aangetroffen goederen kunnen dan ook worden gebruikt voor het bewijs.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe rechtbank overweegt dat niet ter discussie staat dat verdachte in de periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 in Arnhem 231,02 gram cocaïne heeft vervoerd.Op meerdere in de rode Audi aangetroffen goederen zat het DNA van verdachte, waaronder op de gripzakjes.\n\nVerdachte reed op 28 augustus 2024 op de Laan van Presikhaaf in een blauwe Citroën C1, voorzien van kenteken [kenteken] . Verbalisanten zagen dat er vanaf de achterbank iemand uitstapte en wegliep en dat het voertuig weer verder reed. Verbalisant [verbalisant 1] gaf verdachte een stopteken en verdachte voldeed hieraan. Toen verdachte de auto uitstapte zagen verbalisanten ter hoogte van zijn geslachtsdeel een duidelijk onnatuurlijke verdikking. Verdachte werd onderworpen aan een fouillering en de verdikking bleek een sok met daarin meerdere zakjes met wit poeder en een aantal ponypacks te zijn. Bij verdachte zijn uiteindelijk 9 gripzakjes met wit poeder, 19 ponypacks en 1 Apple telefoon in beslag genomen.\n\nTijdens de rit naar het politiebureau gaf verdachte een nieuw lijkende Audiautosleutel aan verbalisant met de vraag of hij die sleutel in de auto van verdachte zou willen leggen. Verdachte gaf aan dat het de sleutel was van een auto met een Spaans kenteken.\n\nVerbalisanten zijn vervolgens op zoek gegaan naar die Audi en troffen in de buurt van de woning van [naam] en [naam] een rode Audi aan die open ging met de Audi-sleutel die verdachte bij zich had. Verbalisanten herkenden onmiddellijk het kenteken van de Audi, zij hadden het voertuig al meermaals gecontroleerd en in het politiesysteem staan meerdere mutaties dat het voertuig vermoedelijk bij [naam] en [naam] in gebruik is. Het voertuig is doorzocht en in de kofferbak is een grote bigshopper van de Action aangetroffen met daarin een kartonnen doos met wat gripzakjes. In deze doos lagen dezelfde soort wikkels als die verbalisanten bij verdachte hebben aangetroffen.\n\nDe Audi staat op naam van [getuige 1] , maar zij heeft de Audi nooit in haar bezit gehad. Iemand anders heeft de Audi op 16 september 2023 opgehaald bij het autobedrijf. Op dat moment zat getuige [getuige 1] gedetineerd in België, samen met verdachte.\n\nDe telefoon die onder verdachte in beslag is genomen is uitgelezen, er is enkel gezocht in de telefoon in de periode 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024. De naam ‘ [verdachte] ’ is gekoppeld aan het Instagram account op de telefoon. Op Snapchat wordt gebruik gemaakt van het account ‘ [account - naam] ’ (= owner). Er zijn chats gevoerd met meerdere personen, de verbalisant heeft de chats samengevat.\n\n [account - naam] = verdachte [verdachte]\n\nUit een chat blijkt dat op 26 augustus 2024 \" [account - naam] \" een video verstuurt.\n\nOp de zogenoemde selfie video is een persoon te zien welke door de verbalisant wordt herkend als verdachte [verdachte] .\n\n [account] - [contact] = [naam] , geboren [geboortedag] -1995\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 tussen owner en \" [account] \"\n\ndie als contact \" [contact] ” met telefoonnummer + [telefoonnummer] is ingevoerd blijkt dat\n\nowner vraagt aan [contact] \"Je rijd vandaag toch\". Dit wordt bevestigd door [naam] en\n\nowner vraagt haar of zij 1 SOS wil pakken van daar. Ook dit wordt bevestigd door\n\n [naam] . Uit de chat blijkt dat [naam] aan owner vraagt of er al klanten zijn en zij\n\nvervolgens wordt aangestuurd door owner en op locaties drugs aflevert.\n\nOok blijkt uit de chat dat owner zelf ook rondrijdt.\n\nUit de politiesystemen blijkt vervolgens dat het nummer + [telefoonnummer] in gebruik is bij [naam]\n\n geboren [geboortedag] -1995.\n\n [account] - [contact]\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 tussen owner en \" [account] \" die\n\nals contact \" [contact] \" is ingevoerd blijkt dat [contact] van owner wil weten wat\n\neen driver betaald krijgt. Owner geeft aan dat maandag tot en met donderdag en zondag er 150 betaald wordt en vrijdag en zaterdag 250. Ook geeft owner aan dat als ze boven\n\n2500 komen er dan 50 euro extra wordt betaald. Ook blijkt uit de chat dat ze een\n\ndriver zoeken en ze \" [naam] \" willen regelen als driver. Owner vraagt vervolgens aan\n\n [contact] of hij een (l) SOS voor hem wil meenemen en brengen naar [adres] in\n\nZevenaar. [contact] geeft aan dat hij haar dan even moet appen en zij hem gaat\n\nvoegen via Snap. Deze chat wordt gevoerd om 11:53 uur. Uit de chat met [contact] en\n\nowner blijkt dat hun chat om 11:53 uur start en owner vraagt of zij een(l) SOS kan\n\npakken. Ook blijkt uit de chat dat [naam] net in Zevenaar is geweest. Hieruit kan\n\nblijken dat met \" [naam] \" [naam] wordt bedoeld.\n\n [account] - [contact] en [account] - [contact] en [account] - [contact]\n\nUit de groepschat die gevoerd wordt op 25 augustus 2024 blijkt dat owner aangeeft\n\n100 nodig te hebben. [contact] geeft aan dat hij 200 heeft, maar owner wil 100 want hij heeft\n\nnog een beetje. [contact] wil weten hoe laat er een driver komt en owner geeft aan dat de\n\ndriver eraan komt en met en blauwe Citroen Cl is. Uit de chat blijkt dat er 100 is\n\nafgegeven door [contact] aan de driver die owner heeft gestuurd.\n\nOok blijkt uit de chat dat [contact] aan owner aangeeft dat ze nieuwe afspraken\n\nhebben en owner elke week 200g miauw van hun krijgt en wanneer owner weer nieuwe 200\n\nvan hun pakt hij de oude betaalt. Owner gaat akkoord en [contact] geeft aan dat\n\nowner dus vandaag eigenlijk 200g miauw wat al open stond moest betalen en weer nieuwe\n\n200 moet pakken. [contact] komt tussendoor en geeft aan \"geen stress want hij (verwijst\n\nvermoedelijk naar owner)wist dit niet\". Owner wil nog weten wat de kosten van de\n\noude zijn en [contact] geeft aan \"460 min 115\". Er moet dus nog 345 betaald worden want\n\n115 was al betaald aan [contact] . Owner gaat akkoord met 345 en [contact] zegt dan\n\nnog \"Dus zorg dat je 345 van miauw geld aan de kant zet vandaag\". Owner gaat wederom\n\nakkoord en [contact] geeft nog aan dat hij het naar hem ( [contact] ) moet brengen\n\nzodra hij het heeft. Owner geeft aan dat het geregeld wordt. [contact] zegt nog tegen\n\nowner dat hij moet appen als hij het op kan komen halen of brengen naar [naam] kan ook.\n\nUit de politiesystemen, 2024312299-1 blijkt dat met [naam] vermoedelijk wordt bedoeld\n\n [naam] , geboren [geboortedag] -2002.\n\n [account] - [contact]\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 blijkt dat [contact] de poes gewoon\n\nvoortaan met owner regelt. Ze spreken af dat ze telkens voor 2 ons gaan. Owner gaat\n\nakkoord maar wil wel dat het in 2 delen gaat, ene dag een ons en dan andere dag weer\n\neen ons. Owner wil vervolgens weten wat er nog open staat en [contact] geeft aan dat er\n\nnog twee ons open staat. Owner wil weten wat de kosten zijn en [contact] geeft aan dat\n\nhij [naam] gaat appen en vervolgens stuurt [contact] een screenshot van een notitie. De\n\nnotitie luidt \" [naam] 460 poes 115 betaald .230\".\n\nHieruit zou ook kunnen blijken dat met \" [naam] \" [naam] wordt bedoeld. Ook blijkt duidelijk dat het gaat om de handel in harddrugs aangezien er wederom wordt gesproken over \"poes\", hoeveelheden en kosten.\n\nDe naam die gekoppeld is aan het WhatsApp account op de telefoon betreft \" [naam]\n\n \"(=owner).\n\n [contact] ( [telefoonnummer] ) en [contact] ( [telefoonnummer] ) = [naam] , geboren [geboortedag] -2004\n\nUit de groepschat blijkt dat \" [contact] \" [naam] is. \" [contact] ” stuurt op 14 augustus 2024 een\n\nscreenshot waarop de naam [naam] en het telefoonnummer [telefoonnummer] vermeld staan. Het gaat om een bestelling bij iWok & Co.\n\nUit de politiesystemen blijkt ook dat het telefoonnummer [telefoonnummer] gekoppeld is aan\n\n [naam] , geboren [geboortedag] -2004.\n\nUit de chat tussen [contact] , [contact] en owner blijkt dat er ook sprake is van handel in\n\nharddrugs. Owner geeft op 15 augustus 2024 aan dat hij 18 poes heeft gemaakt, [contact] vraagt\n\n\"en sos\". Owner geeft aan dat hij moet vouwen, [contact] vraagt ook nog \"hvl sos is er\n\ngemaakt\", waarop owner aangeeft zo even te gaan tellen. Later geeft owner aan dat hij\n\n166 gemaakt heeft. Hieruit kan blijken dat owner 166 zogenoemde ponypacks met cocaïne heeft gemaakt.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 tussen owner en [contact]\n\nblijkt dat het ook gaat om handel in harddrugs. [contact] stuurt een bericht door\n\naan owner van een klant die vraagt \"3 kl [adres] (ken je me keertje matsen\n\nvoor 50?)\". [contact] geeft aan \"Mats maar voor 50\" waarop owner aangeeft \"Eerst\n\nHilversum dan\". Vervolgens gaat het erom dat owner aangeeft dat zij (verwijst\n\nvermoedelijk naar [naam] ) eigenlijk driver is, maar hijzelf ook kan rijden maar\n\neigenlijk spullen moet maken. [contact] vraagt zich af waarom owner spullen moet\n\nmaken omdat er nog 50 plus is. Owner geeft aan dat hij vooruit wil werken.\n\nDe chat eindigt met dat [contact] vraagt hoeveel sos owner haar (vermoedelijk\n\nwederom [naam] ) zo gaat geven. Owner geeft aan \"20 SOS en 10 poes\". Dit stuurt\n\nowner om 12:52 uur.\n\nGezien het feit dat verdachte kort na dit laatste bericht wordt aangehouden met\n\nrespectievelijk 9 gripzakjes en 19 ponypacks op zak lijkt het wederom bevestigd te\n\nworden dat verdachte [verdachte] daadwerkelijk de gebruiker van de telefoon is.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] ) = mogelijk [naam] , geboren [geboortedag] -2003\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 26 en 27 augustus 2024 tussen owner en [contact] blijkt\n\ndat [contact] wordt aangestuurd door owner om drugs rond te rijden. Uit de chat blijkt dat\n\ner adressen en hoeveelheden drugs worden doorgegeven door owner en door [contact] wordt\n\ndaadwerkelijk bevestigd dat hij de drugs heeft geleverd. [contact] geeft aan dat hij meer\n\nwil verdienen omdat hij het voor het risico niet waard vindt.\n\nUit de politiesystemen blijkt het nummer [telefoonnummer] in gebruik te zijn bij [naam]\n\n , geboren [geboortedag] -2003.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt tussen 28 juli 2024 en 1 augustus 2024 tussen owner\n\nen [contact] blijkt dat [contact] wil weten hoeveel owner nu heeft. Owner geeft\n\naan \"82 packies heb ik zelf, Piraat heeft en driver heeft\". [contact] vraagt dan\n\n\"alles ligt in auto toch\". Dit wordt bevestigd door owner. Vervolgens stuurt owner\n\nnog \"Alle tellies liggen in jou KAMER met ALLEmaal GELUID UIT dus zet ze ook AAN\n\naub??\". Vervolgens vraagt [contact] nog \"Van wie is die oranje pringeld van beneden\n\nen waar is de rest van t geld hoeveel tikkie heb je\". Owner geeft aan nog wat cash\n\nbij zich te hebben en geeft aan dat er nog 850 onder het matras ligt. [contact] wil\n\nweten hoeveel tikkies want hij denkt dat het sowieso heel veel fikkies moeten zijn.\n\nOwner stuurt vervolgens een lijst met 29 leveringen\u002Fbetalingen door. Ook geeft owner\n\ndoor dat hij \"225 tikkie\" heeft en Piraat \"175\". Ook geeft owner aan \"275\" cash te\n\nhebben.\n\nUit de chat blijkt ook dat [contact] instructie geeft aan owner hoe hij de telling\n\nmoet doen. Owner heeft namelijk niet helemaal scherp hoeveel de drivers hebben\n\nverdiend en hoeveel zij nog aan drugs in voorraad hebben.\n\nOwner stuurt nog een afbeelding door. Dit gaat om een betaling van 60 euro op\n\nrekening van [verdachte] , [rekeningnummer] .\n\nOok hieruit kan afgeleid worden, dat de telefoon in gebruik is bij verdachte [verdachte] .\n\nVerder blijkt uit de chat op 29 juli 2024 dat [contact] wil weten of het druk is.\n\nOwner geeft aan dat ze van klant naar klant gaan en ze echt een goede dag hebben en\n\nklanten vinden dat ze echt top spul hebben. Owner vraagt zich af of hij ( [contact] )\n\niets veranderd heeft. [contact] wil weten hoeveel het gisteren was. Owner geeft aan\n\n\"1185\". [contact] vraagt aan owner of hij alle lijsten nog heeft in zijn notities.\n\nOok geeft [contact] aan dat als het thuisbezorgd is owner er een ( [contact] ) achter moet\n\nzetten.\n\nUit de chat blijkt ook dat er wordt aangegeven door [contact] dat owner in\n\ntwee dagen zo'n 3500 gedraaid heeft. Owner geeft aan dat het iets meer was, maar met\n\nonkosten ongeveer 3,5. [contact] zegt hierop \"Terwijl uit de sos die ik had gemaakt\n\nmoet 4200 minimaal uitkomen en dan bereken ik ook nog 20? per packie\" en \"En je hebt\n\nook nog kk veel miauw verkocht\". Owner zegt \"Nee heb alleen 3 miauw bijv vandaag en\n\ndie 30 g behalve gister was een goede dag van rond de 20 tot 30 poes man bro\".\n\nUit deze chat blijkt dat verdachte [verdachte] flinke omzet draait met de verkoop van\n\nharddrugs.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 16 augustus 2024 tussen owner en [contact] blijkt dat\n\n [contact] ook wordt aangestuurd door owner om op allerlei locaties drugs af te geven. [contact]\n\nwil weten wat een hele is en wat een halve is. Owner geeft aan dat heel 50 is en half\n\n25, maar dat ze enkel halve hebben. Ook stuurt owner \"Elke Packies is 1 stuk en ik\n\nstuur jou door hoeveel stuks je moet afgeven die berekening doe ik snap je\" en \"Oke\n\nwat je nog meer moet doen is app mij altijd 5 min van te voren als je bij een klant\n\naankomt dan stuur ik hem alvast dat die klaar moet staan soms moet je het ook in de\n\nbrievenbus zetten dan zet ik erbij in welke brievenbus duidelijk\" en \"App me met ik\n\nben er en het is gelukt oke?\" en \"En als je naar een adres gaat een tijd doorgeven\n\naltijd dan kan ik rekening houden met klanten\".\n\nUit de chat kan blijken dat [contact] een nieuwe driver is gezien de instructies die hij\n\nkrijgt van owner. Vervolgens blijkt uit de chat dat [contact] veel drugsleveringen doet.\n\nDan vraagt owner \"Hoevee geld heb je en spullen nog over?\" [contact] geeft aan dat hij 285\n\neuro heeft, 13 sos en 4 miauw.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 4 augustus 2024 tussen owner en [contact] blijkt dat\n\nhet gesprek wordt gevoerd tussen broer en zus. Uit de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat de zus van verdachte [verdachte] \" [contact] \" heet. Ook stuurt [contact] op verzoek van owner de uitslag van het bloedonderzoek van owner door. De uitslag blijkt geadresseerd te zijn aan verdachte [verdachte] . Wederom wordt dus bevestigd dat de telefoon in gebruik is bij verdachte [verdachte] .\n\nIn de telefoon van verdachte zijn drugsgerelateerde notities aangetroffen die gemaakt zijn tussen 29 juli 2024 en 29 augustus 2024. Er worden adressen, locaties, hoeveelheden, soorten drugs en bedragen genoemd. Ook is genoteerd op welke manier werd betaald. Een aantal van die notities ziet er als volgt uit:\n\nIn notitie 21 die is gemaakt op 12 augustus 2024 staat genoteerd \"[adres] 2 v30 voor parkeren en appen als je er bent hij komt naar de auto( [contact] )\".\n\nIn notitie 20 die is gemaakt op 13 augustus 2024 staat genoteerd \"[adres] 3 v50\n\nstaat daar met een hoogwerker en heeft een zwarte busje\".\n\nIn notitie 17 die is gemaakt op 14 augustus 2024 staat genoteerd \"[adres]\n\n [naam] brievenbus 3 v pof brievenbus zetten\".\n\nUit notitie 15 die is aangemaakt op 16 augustus 2024 blijkt dat de titel genaamd is\n\n\"SOS voorraad\". In deze notitie staan de aantallen 81, 166, 30 en 78 vermeld met\n\ndaaronder te tekst \"355 totaal\". Hieruit kan blijken dat er een voorraad is van 355\n\nverpakkingen cocaïne.\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij de rode Audi een paar keer had geleend om mooie vrouwen op te halen. Hij wist dat zijn vingerafdrukken op de drugs zaten die achterin die auto lagen. De dingen die in de auto lagen heeft verdachte erin gelegd. Verdachte maakte ‘packies’ met cocaïne, de rest kreeg hij gewoon binnen. In de omgeving wilde niemand meer rijden, dus uiteindelijk heeft verdachte ook zelf gereden. Hij werd gepusht. Zijn gebruikersnaam op snapchat was ‘ [account - naam] ’ en op Instagram was zijn gebruikersnaam ‘ [verdachte] ’. Hij heeft niet alle gesprekken zelf gevoerd. De notities heeft hij wel zelf geschreven. Hij moest het wel doen, omdat hij geld nodig had om dingen te betalen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank leidt uit de gesprekken in de telefoon van verdachte af dat het in de gesprekken onmiskenbaar over harddrugs gaat. Dit vindt bevestiging in de verklaring van verdachte. Uit voornoemde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte een significante rol bij de handel in drugs heeft gehad. Hij heeft zowel ‘packies’ cocaïne gemaakt als gefungeerd als driver. Ook blijkt uit de gesprekken dat hij opdrachten kreeg, maar ook zelf opdrachten gaf aan anderen, waaronder drivers. Uit de notities blijkt daarnaast dat het om grote hoeveelheden ging.\n\nDe rechtbank komt, gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat verdachte in de periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 heeft gedeald in Arnhem en omgeving. Daarnaast heeft hij zichzelf gelegenheid en middelen verschaft tot het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van onder andere cocaïne en heeft hij voorbereidingshandelingen gepleegd samenhangend met de handel in drugs. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde.\n\nMedeplegen\n\nGelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ook samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde. Hij heeft ten slotte opdrachten gekregen van anderen, maar ook opdrachten gegeven aan onder andere drivers.\n\nTen aanzien van parketnummer 05-344017-24:\n\nFeit 1\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 1-2 (aanvullend procesdossier);\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 15-19;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2026.\n\nFeit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 1-2 (aanvullend procesdossier);\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 1 (aanvullend procesdossier wapen);\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2026.\n\nTen aanzien van parketnummer 05-344649-24:\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 8-10;\n\n- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 13-14;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2026.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nonder parketnummer 05-276671-24:\n\n1. hij in of omstreeksde periode 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeftverwerkt en\u002Fofverkocht en\u002Fofafgeleverd en\u002Fofverstrekt en\u002Fofvervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 231,02 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij in of omstreeksde periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fofte bevorderen, te weten\n\nhet opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\nhet opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fofvervoeren, en\u002Fof\n\nhet opzettelijk vervaardigen\n\nvan cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\neen ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fofuit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fofom daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fofinlichtingen te verschaffen,\n\nzich en\u002Fofeen ander gelegenheid, middelen en\u002Fofinlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fofandere betaalmiddelen\n\nvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fofzijn mededader(s), wist(en)of ernstige reden had(den)om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n231,02 gram, althans een (grote) hoeveelheid, cocaïne,\n\neen telefoon, waarop gesprekken en notities zijn aangetroffen waaruit blijkt dat er sprake is van handel in drugs en\u002Fof\n\neen autosleutel, behorende tot een auto waarin een grote hoeveelheid cocaïne lag opgeslagen,\n\nvoorhanden te hebben;\n\nonder parketnummer 05-344017-24:\n\n1. hij op of omstreeks2 juli 2024 te Zevenaar opzettelijk heeftgeteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fofvervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks2 juli 2024 te Zevenaar een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en\u002Fofdat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een BB gun, airsoft- en\u002Fof luchtdrukwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, te weten een pistool van het merk Glock en\u002Fof Walther, voorhanden heeft gehad;\n\nen onder parketnummer 05-344649-24:hij opof omstreeks8 juli 2024 te Duiven opzettelijk heeftgeteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fofverkocht en\u002Fofafgeleverd en\u002Fofverstrekt en\u002Fofvervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3,41 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\n05-276671-24 feit 1 en 05-344017-24 feit 1 en 05-344649-24:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\n05-276671-24 feit 2:\n\nmedeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zichzelf en een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\n05-344017-24 feit 2\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, waarvan 109 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren waarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht zoals geadviseerd wordt opgelegd. Dit met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van 150 uren werkstraf subsidiair 75 dagen hechtenis.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, gelet op het reclasseringsadvies van 27 maart 2026 en gelet op de reeds in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Daarnaast is verzocht om geen geldboete op te leggen in verband met de schuldenproblematiek. Voorts verzoekt de verdediging om de overschrijding van de redelijke termijn in strafmatigende zin mee te laten wegen alsmede het feit dat verdachte lange tijd met succes in een strak schorsingskader heeft gelopen.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het onder meer in samenwerking met anderen (her)verpakken en dealen van cocaïne en aan het vervoeren van cocaïne die, gezien de hoeveelheid en de wijze waarop de drugs waren verpakt, voor het dealen op straat waren bestemd. Uit de gegevens die zijn verkregen uit de bij verdachte in beslag genomen telefoons blijkt dat verdachte aan een groot aantal afnemers gedurende langere tijd harddrugs heeft verkocht. Daarmee vervulde verdachte overduidelijk een belangrijke rol in de handel in harddrugs. Bij zijn aanhouding op 2 juli 2024 had verdachte bovendien een wapen bij zich.\n\nHandel in harddrugs dient krachtig bestreden te worden, nu het gebruik daarvan gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers en kan leiden tot verslaving. Het gebruik van en de handel in drugs leiden bovendien direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit en zijn zo een bron van overlast voor de samenleving. Verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. Verdachte heeft daarbij alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin, zonder stil te staan bij de nadelige consequenties van zijn gedrag voor anderen.\n\nMet betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 8 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten.\n\nVoorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van 27 maart 2026.\n\nDe reclassering ziet de leefgebieden dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en houding als delictgerelateerde factoren. De belangrijkste criminogene factor is dat verdachte al vanaf jonge leeftijd in aanraking is gekomen met een crimineel netwerk, waardoor hij zich destijds negatief heeft laten beïnvloeden. Hij heeft al eerder getracht om afstand te nemen van dit netwerk, maar dat was lastig omdat er sprake was van straatschulden. Desalniettemin heeft verdachte de afgelopen periode een positieve ontwikkeling doorgemaakt, waarbij hij tevens afstand heeft genomen van het eerder genoemde criminele netwerk. Verdachte heeft ADD (attention deficit disorder) en hij heeft een traumatische jeugd gehad die van invloed is geweest op zijn ontwikkeling. De reclassering vindt de houding van verdachte ook beschermend, omdat hij de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorlopen en bereid blijft om mee te werken aan een traject bij de reclassering. Ook het leefgebied dagbesteding wordt als beschermende factor gezien, omdat verdachte een vaste baan heeft waar hij structuur en voldoening uit haalt en waarmee hij genoeg verdient om zich niet meer te laten verleiden door het negatieve netwerk om delictgedrag te vertonen. Verdachte ambieert een gezonde levensstijl en is inmiddels abstinent van middelen. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert volwassenenstrafrecht toe te passen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en beheersing van middelengebruik. De reclassering adviseert om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat verdachte dan zijn werk kan verliezen, waardoor de kans op recidive zal toenemen. De rechtbank houdt rekening met deze adviezen van de reclassering.\n\nBij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het met enige regelmaat dealen van harddrugs vanuit een pand of op straat gedurende één tot drie maanden is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en voor het vervoeren van 200 tot 500 gram harddrugs is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is voor de bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank houdt in zoverre rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het advies van de reclassering dat zij een deel hiervan voorwaardelijk op zal leggen en dat de duur van het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk zal worden gesteld aan het voorarrest van verdachte, zodat hij niet terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank zal daarnaast een taakstraf opleggen aan verdachte.\n\nAlles overziend acht de rechtbank – in overeenstemming met de eis van de officier van justitie – passend en geboden een gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 109 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zal de rechtbank de voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis.\n\nDe rechtbank heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 9, 14 a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2, 10 en 10a van de Opiumwet;\n\n- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van150 dagen;\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 109 dagen,niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van deproeftijd van twee jarenniet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n stelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\nverdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering IrisZorg op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem, telefoonnummer: 088-6061311. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\nverdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op (psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en\u002Fof andere problematiek). Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\nverdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij Zorgtrium of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf is gestart op 16 maart 2026. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\nverdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\nverdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I harddrugs (cocaïne) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\ngeeft opdracht aan de Reclassering IrisZorg om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nHierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\n beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n legt op een taakstrafvan150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;\n\n heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.L. Wesstra (voorzitter), mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. Y.H.M. Marijs rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.\n\nMr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. C.F. Brouwer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024402591, gesloten op 15 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 262-275, rapport NFiDENT, p. 276-278, de verklaring van verdachte ter terechtzitting d . d . 8 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 26-27, NFI rapport DNA-onderzoek, p. 121-124, proces-verbaal vooronderzoek lab, p. 2-11 (aanvullend PV), proces-verbaal conclusie onderzoek dactyloscopische sporen, p. 12-13, de verklaring van verdachte ter terechtzitting d . d . 8 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 16-17.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 20.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 26-28.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 37-41.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 45, proces-verbaal van bevindingen, p. 89-92 (met bijlagen).\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 47-48 (met bijlagen, p. 50- 84).\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting d . d . 8 juni 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] van de politie Eenheid Oost-Nederland, vvc IJsselwaarden\u002FRivierenland-Oost opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024306039 gesloten op 31 oktober 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] van de politie Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024316184, gesloten op 19 juli 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5354","2026-07-13T00:28:22.436Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":68,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":39,"updatedAt":70},"285","ECLI:NL:RBGEL:2026:5353","ecli-nl-rbgel-2026-5353","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-348363-24\n\nDatum uitspraak : 29 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige militaire kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. D.C. Coppens, advocaat in Amsterdam.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 november 2023 tot en met 31 oktober 2024 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, zijn levensgezel, [aangever] (meermalen) heeft mishandeld door\n\ndie [aangever] meermalen (met kracht) in het gezicht en\u002Fof tegen de ribben en\u002Fof tegen de borst, althans tegen het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen en\u002Fof\n\ndie [aangever] in haar rug en\u002Fof tegen haar billen te schoppen en\u002Fof\n\neen knie in de buik van die [aangever] te zetten en\u002Fof te duwen en\u002Fof\n\ndie [aangever] bij haar hoofd en\u002Fof haar oren te pakken en\u002Fof in haar hoofd en\u002Fof in haar oren te knijpen en\u002Fof\n\ndie [aangever] meermalen in haar borst en\u002Fof haar kuit en\u002Fof haar been te knijpen en\u002Fof\n\ndie [aangever] meermalen vast te pakken en\u002Fof vast te houden en\u002Fof\n\ndie [aangever] (met zijn nagels) bij haar polsen te pakken en\u002Fof te houden en\u002Fof\n\ndie [aangever] meermalen te duwen en\u002Fof op bed en\u002Fof tegen de muur en\u002Fof deur te duwen en\u002Fof te houden en\u002Fof\n\nde arm van die [aangever] te overstrekken en\u002Fof te buigen en\u002Fof\n\ndie [aangever] bij haar nek te pakken\u002Fgrijpen en\u002Fof\n\ndie [aangever] bij haar trui te pakken en\u002Fof (aldus) de keel van die [aangever] (kort) af te knellen;\n\n2.\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 november 2023 tot en met 31 oktober 2024 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, [aangever] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling door in die periode op één of meer tijdstippen opzettelijk dreigend\n\neen mes te pakken en\u002Fof dit mes aan die [aangever] te tonen en\u002Fof daarbij de woorden toe te voegen: “het is jij of ik”, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en of strekking en\u002Fof\n\ndie [aangever] de woorden toe te voegen: “zeg dat ik je ga slaan, dan doe ik het ook!” en\u002Fof “ik geef mijn grens aan omdat ik je anders in elkaar sla” en\u002Fof “ja, jij wil dat ik jou ga meppen, en ik doe het ook! Wees maar niet bang!” en\u002Fof “mij nog een keer duwen, ik ros je in mekaar!” en\u002Fof “jij zegt dat ik je wat aan doe. Dan zal ik dat doen ook” en\u002Fof “nog een keer die elleboog en ik steek een mes in je keel, die ligt daar, dat je het weet!” en\u002Fof “misschien moet ik je gewoon maar echt effe zo meteen heel hard in mekaar rossen” en\u002Fof\n\n(telefonisch) “als je morgen komt, dan zet ik een mes tegen je keel en snijd ik je keel door” en\u002Fof (vervolgens) “ik hoef m’n relatie niet te redden want jij gaat het morgen toch uitmaken, dus ja dan kan je net zo goed dood” en\u002Fof “mijn gevoel doet er verder toch niet toe dus het maakt me geen ene reet uit meer dat ik in de gevangenis kom. Heb ik in ieder geval iemand vermoord. Dan heeft jouw moeder pijn. Jij leeft niet meer” en\u002Fof ”jij verlaat in zes plankjes de vakantie” en\u002Fof ‘‘jij komt nu naar huis, of ik ben dood of jij”,\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard en\u002Fof strekking.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nDe feiten\n\nOp grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.\n\nIn de periode van 21 november 2023 tot en met 31 oktober 2024 heeft verdachte zijn toenmalige partner, [aangever] , meermaals mishandeld en bedreigd. Hij heeft haar vastgehouden en geknepen, geduwd en een schop tegen de billen gegeven en een tik op haar been gegeven. Hij heeft geknepen in de arm en kuiten. Hij heeft haar bij het vastpakken met zijn nagels verwond. Hij heeft haar op bed en tegen de muur en de deur geduwd. Hij heeft haar bij haar hoofd gepakt en met platte handen bij haar oren. Hij heeft gedreigd haar te vermoorden en gezegd het is jij of ik.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling en de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van die onderdelen van de tenlastelegging die door hem ontkend worden. Voor het overige kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de mishandelingen heeft begaan. Ten aanzien van de bedreiging voert de verdediging aan dat geen sprake is van bedreiging met zware mishandeling en dat de bewoordingen ‘slaan’, ‘meppen’, ‘in elkaar rossen’ of ‘in elkaar slaan’ niet de vrees hebben aangejaagd dat verdachte aangeefster daadwerkelijk ernstig lichamelijk letsel zou toebrengen. Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat de bewoordingen onvoldoende concrete inhoud hebben om te spreken van toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waardoor verdachte van de bedreigingen moet worden vrijgesproken.\n\nBeoordeling door de militaire kamer\n\nVerdachte heeft een groot deel van de in de tenlastelegging genoemde mishandelingen en bedreigingen bekend. Een aantal van de in de tenlastelegging genoemde handelingen wordt door verdachte betwist. De militaire kamer zal daarom de bewijsmiddelen ten aanzien van deze handelingen hieronder per feit beoordelen.\n\nTen aanzien van feit 1\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [aangever] nooit heeft geslagen of gestompt. Ook heeft hij geen knie in haar buik gezet en hij heeft nooit aan de oren van [aangever] getrokken of daarin geknepen. Hij heeft nimmer de arm van [aangever] gebogen of overstrekt. Ten slotte ontkent verdachte uitdrukkelijk dat hij de keel van [aangever] heeft afgekneld.\n\nAangeefster heeft verklaard dat zij op 31 oktober 2024 ruzie had met verdachte en dat zij niet naar buiten mocht. Verdachte deed de deur dicht en duwde haar heel hard met haar rug tegen de deur. Zij zag dat hij zijn vuist balde en voelde dat hij met zijn rechtervuist met kracht tegen haar borst aan sloeg. Zij heeft daardoor letsel opgelopen op haar borst. Hij trok haar van de deur af en pakte haar met zijn rechterhand bij haar kleding vast bij haar keel, waardoor alles strak om haar keel terecht kwam. Het voelde kort alsof haar keel werd afgekneld. Verdachte trok aangeefster mee naar het midden van de kamer. Haar trui scheurde op dat moment. Toen duwde verdachte haar weg waardoor zij over een stoel struikelde. Aangeefster voelde dat zij van achteren tegen haar billen en onderrug gestompt werd. Zij denkt dat hij met zijn benen schopte. Even later wilde zij langs verdachte naar buiten lopen maar dat mocht niet van hem. Hij pakte haar met zijn beide handen bij haar hoofd ter hoogte van haar oren. Hij kneep heel hard in haar hoofd en oren. Verdachte gooide haar vervolgens hard op het bed.\n\nIn een aanvullend verhoor heeft aangeefster aan de hand van foto’s van haar letsel verklaard over verschillende incidenten. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar een aantal keren heeft geslagen en haar ook bij haar nek heeft gegrepen. Dat hoorde zij ook terug in de opnames die zij heeft gemaakt. Op een geluidsopname van 21 november 2023 zegt ze dat het al de 4de keer was. Hij had haar toen geknepen in haar been. De mishandelingen begonnen in het oude huis met duwen en schreeuwen. Daarna ging het verder in duwen tegen de muur en haar arm overstrekken. Ze zijn in april 2024 in het nieuwe huis gaan wonen. Op 3 oktober 2024 heeft verdachte aangeefster op haar ribben geslagen. Verdachte sloeg ook altijd op de billen van aangeefster als zij langs hem liep. Zij heeft hem wel eens een limiet opgesteld over het slaan op haar billen, maar daar luisterde hij niet naar. Een ander incident is dat verdachte bovenop aangeefster ligt en een knie in haar buik duwt, dat is in het nieuwe huis gebeurd. Ook heeft verdachte haar een keer in het gezicht geslagen. Hij zat heel dichtbij haar en zij deed uit bescherming haar handen voor haar gezicht en raakte daarbij zijn kin aan. Toen werd verdachte heel boos. Daarna sloeg hij haar in het gezicht.\n\nIn één van de geluidsopnames die aangeefster heeft gemaakt is het volgende gesprek tussen verdachte en aangeefster te horen:\n\n‘ [aangever] : Jawel, dat is niet hoe het werkt. Je mag nooit iemand fysiek pijn doen.\n\n [verdachte] : -schreeuwt- [NTV 03:41]\n\n [aangever] : Hou op. Ga weg. Laat me gaan, au. Nee au.\n\n [verdachte] : En nu heb jij pijn.\n\n [aangever] : -huilt-\n\n [verdachte] : Ik zou terugslaan. Dan wordt het echt feest.\n\n [aangever] : Ik zat niet terug te slaan.\n\n [verdachte] : Nee [NTV 03:56]’\n\nIn een ander geluidsfragment waarop verdachte en aangeefster te horen zijn is het volgende te horen:\n\n‘ [aangever] : Jij duwde me vol in de bank. Jij kneep in m'n been en uit reflex duw ik jou weg en aangezien dat het enige was waar ik bij kon duwde ik inderdaad tegen jouw nek aan, zachtjes, zodat je weg van me ging en vervolgens grijp jij mij naar en knijp jij in m'n nek.\n\n [verdachte] : Ja want ik denk dan niet na hè, dat is ook een reflex hè?\n\n [aangever] : Nee dan denk jij niet na, maar dat van mij was ook een reflex omdat je me al kneep dus wie begon er?\n\n [verdachte] : Niet naar mij schreeuwen dan. Ik mag toch ook niet naar jou schreeuwen?\n\n [aangever] : Wie begon er met knijpen?’\n\nTussenconclusie\n\nDe militaire kamer is van oordeel dat de verschillende verklaringen van aangeefster concreet en gedetailleerd zijn, waarbij er foto’s zijn die de letsels waarover zij verklaart onderbouwen. De uitgeschreven geluidsopnames geven eveneens onderbouwing aan de verklaring van aangeefster. De verklaringen van aangeefster worden door de militaire kamer dan ook betrouwbaar geacht en zij neemt de verklaringen van aangeefster als uitgangspunt. Een groot deel van die verklaringen van aangeefster over de mishandeling door verdachte wordt daarbij ondersteund door de daarover bekennende verklaringen van verdachte. Echter, ook de door aangeefster omschreven mishandelingen die door verdachte worden ontkend, zoals het slaan en het bij de keel grijpen acht de militaire kamer bewezen. Dat verdachte die mishandelingen wel heeft gepleegd wordt ondersteund door de geluidsopnames waarin te horen is dat verdachte het door aangeefster het daar genoemde knijpen in de nek bevestigt. De woordenwisseling [aangever] : Hou op. Ga weg. Laat me gaan, au. Nee au. [verdachte] : En nu heb jij pijn. [aangever] : -huilt- [verdachte] : Ik zou terugslaan. Dan wordt het echt feestbevestigt de verklaring van aangeefster dat verdachte haar wel degelijk ook geslagen heeft. In samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen kunnen alle tenlastegelegde, waaronder de door de verdediging betwiste, handelingen wettig en overtuigend worden bewezen.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nVerdachte heeft betwist ooit een mes te hebben gepakt of te hebben getoond en heeft nooit gezegd dat [aangever] de vakantie ‘tussen 6 planken’ zou verlaten.\n\nAangeefster heeft verklaard dat verdachte eind oktober boos was en zij hem heel hard hoorde schreeuwen ‘ik wil dood’. Zij was op de slaapkamer en zij zag dat hij de kamer in kwam stormen met een koksmes in zijn hand en hoorde dat hij zei ‘het is jij of ik’. Aangeefster is naar buiten gerend en heeft de moeder van verdachte gebeld. Kort daarna kwam zijn vader naar de woning om met verdachte te praten.\n\nIn een aanvullende aangifte heeft aangeefster verklaard dat verdachte op vakantie heeft gezegd dat zij tussen 6 plankjes terug naar Nederland zou gaan. Zij heeft nog op vliegtickets gezocht om terug naar Nederland te vliegen. Thuis zijn de doodsbedreigingen ook vaak gebeurd. Verdachte heeft vaak tegen aangeefster verteld dat zij in 6 plankjes weg zou gaan.\n\nAangeefster heeft meerdere geluidsopnames gemaakt. De geluidsopnames zijn uitgewerkt en in de geluidsopname van 20 oktober 2024 genaamd ‘[verdachte] , Knife and fight with his dad’ is het volgende te horen:\n\n‘[aangever] : Nee niet altijd al [verdachte] , je komt met een fucking mes aanrennen.\n\n [verdachte] : Ja omdat ik dood wil ja.\n\n [aangever] : Ja, maar dat is toch eng?\n\n [verdachte] : Schei toch uit.’\n\nIn een geluidsopname van 2 september 2024 genaamd ‘[verdachte] dreigt met moord en zelfmoord en ik probeer hem rustig te houden’ is het volgende te horen:\n\n‘ [aangever] : Maar als je... Als je zegt dat je van iemand houdt dan ga je niet zeggen dat je die persoon dood wil hebben. Je gaat daar niet eens mee dreigen. Op de vak-\n\n [verdachte] : Ik dreig het ook niet, [NTV 04:34].\n\n [aangever] : Ik heb al meerdere keren gezegd dat ik het uit ging maken omdat dit de hele tijd gebeurd. Je hebt de vorige keer gezegd dat ik in 6 plankjes de vakantie verlaat. Je hebt echt al zo...\n\n [verdachte] : Ja dat gaat nu ook gebeuren.\n\n [aangever] : Ja je hebt al zo vaak gedreigd dat je me dood gaat maken. En dan vind je het raar dat ik bang ben voor jou?\n\n [verdachte] : Ja, nou ja, jij vertrouwt mij niet, ik vertrouw jou niet, dus dat is wel zo eerlijk hè?’\n\nTussenconclusie\n\nDe militaire kamer acht ook de door verdachte betwiste bedreigingen voldoende wettig en overtuigend bewezen, nu deze letterlijk op de geluidsopnames te horen zijn en verdachte daarop bevestigend reageert.\n\nConclusie\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de bewoordingen geen bedreiging met zware mishandeling oplevert en dat de inhoud van de concrete bedreigingen geen reële vrees aanjagen op het al dan niet kunnen toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nDe militaire kamer verwerpt dit verweer. Uit de verklaringen van aangeefster blijkt wel degelijk dat zij bang is voor verdachte. Tegen de achtergrond van de vele mishandelingen, de door verdachte gebruikte woorden zoals “in elkaar rossen” en gelet op het feit dat verdachte met een mes voor haar heeft gestaan heeft bij aangeefster ook in redelijkheid de vrees kunnen ontstaan dat hij deze bedreigingen ook tot uitvoering zou kunnen brengen. Daarnaast is de militaire kamer van oordeel dat met deze bewoordingen zowel sprake is van bedreiging met zware mishandeling als met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nDe militaire kamer acht de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling en de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n1.\n\nhij op één ofmeer tijdstippen inof omstreeksde periode van 21 november 2023 tot en met 31 oktober 2024 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, zijn levensgezel, [aangever](meermalen)heeft mishandeld door\n\ndie [aangever] meermalen (met kracht) in het gezicht en\u002Foftegen de ribben en\u002Foftegen de borst, althans tegen het lichaam te slaan en\u002Fofte stompen en\u002Fof\n\ndie [aangever] in haar rug en\u002Foftegen haar billen te schoppen en\u002Fof\n\neen knie in de buik van die [aangever] te zetten en\u002Fof te duwen en\u002Fof\n\ndie [aangever] bij haar hoofd en\u002Fofhaar oren te pakkenen\u002Fof in haar hoofden\u002Fofin haar oren te knijpen en\u002Fof\n\ndie [aangever] meermalen in haar borst en\u002Fofhaar kuit en\u002Fofhaar been te knijpen en\u002Fof\n\ndie [aangever] meermalen vast te pakken en\u002Fofvast te houden en\u002Fof\n\ndie [aangever] (met zijn nagels) bij haar polsen te pakken en\u002Fofte houden en\u002Fof\n\ndie [aangever] meermalen te duwen en\u002Fofop bed en\u002Foftegen de muur en\u002Fofdeur te duwen en\u002Fofte houden en\u002Fof\n\nde arm van die [aangever] te overstrekken en\u002Fofte buigen en\u002Fof\n\ndie [aangever] bij haar nek te pakken\u002Fgrijpen en\u002Fof\n\ndie [aangever] bij haar trui te pakken en\u002Fof(aldus) de keel van die [aangever] (kort) af te knellen;\n\n2.\n\nhij op één ofmeer tijdstippen inof omstreeksde periode van 21 november 2023 tot en met 31 oktober 2024 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, [aangever] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fofmet zware mishandeling door in die periode opéén ofmeer tijdstippen opzettelijk dreigend\n\neen mes te pakken en\u002Fofdit mes aan die [aangever] te tonen en\u002Fofdaarbij de woorden toe te voegen: “het is jij of ik”, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en of strekking en\u002Fof\n\ndie [aangever] de woorden toe te voegen: “zeg dat ik je ga slaan, dan doe ik het ook!” en\u002Fof“ik geef mijn grens aan omdat ik je anders in elkaar sla” en\u002Fof“ja, jij wil dat ik jou ga meppen, en ik doe het ook! Wees maar niet bang!” en\u002Fof“mij nog een keer duwen, ik ros je in mekaar!” en\u002Fof“jij zegt dat ik je wat aan doe. Dan zal ik dat doen ook” en\u002Fof“nog een keer die elleboog en ik steek een mes in je keel, die ligt daar, dat je het weet!” en\u002Fof“misschien moet ik je gewoon maar echt effe zo meteen heel hard in mekaar rossen” en\u002Fof\n\n(telefonisch) “als je morgen komt, dan zet ik een mes tegen je keel en snijd ik je keel door” en\u002Fof(vervolgens) “ik hoef m’n relatie niet te redden want jij gaat het morgen toch uitmaken, dus ja dan kan je net zo goed dood” en\u002Fof“mijn gevoel doet er verder toch niet toe dus het maakt me geen ene reet uit meer dat ik in de gevangenis kom. Heb ik in ieder geval iemand vermoord. Dan heeft jouw moeder pijn. Jij leeft niet meer” en\u002Fof”jij verlaat in zes plankjes de vakantie” en\u002Fof‘‘jij komt nu naar huis, of ik ben dood of jij”,\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard en\u002Fof strekking.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1:\n\nmishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel, meermaals gepleegd\n\nfeit 2:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermaals gepleegd\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en voorts tot het verrichten van 140 uren werkstraf subsidiair 70 dagen hechtenis (met aftrek). Ook vraagt de officier van justitie om aan verdachte een contactverbod met aangeefster op te leggen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat de militaire kamer bij het bepalen van de strafmaat rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals ter zitting naar voren gebracht. Ten slotte heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een contactverbod niet noodzakelijk is, nu de reclassering eveneens geen noodzaak ziet voor het opleggen van een contactverbod en het voor verdachte niet werkbaar is omdat aangeefster en verdachte allebei in de muziekwereld werkzaam zijn.\n\nDe beoordeling door de militaire kamer\n\nDe militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich gedurende een periode van bijna een jaar schuldig gemaakt aan huiselijk geweld. Hij heeft zijn toenmalige partner in hun woning mishandeld en bedreigd. Door zijn handelen heeft verdachte een onveilige situatie gecreëerd op een plek waar je je bij uitstek veilig hoort te voelen. De ernst en de impact van mishandeling en bedreiging in huiselijke kring is groot.\n\nUit het strafblad van verdachte van 8 mei 2026 blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.\n\nDe militaire kamer heeft acht geslagen op de Pro Justitia rapportage van 16 april 2026 waaruit naar voren kom dat er bij verdachte aanwijzingen zijn voor persoonlijkheidsproblematiek met name gekenmerkt door narcistische trekken, waaronder een externaliserende attributiestijl, beperkte zelfreflectie en een verhoogde gevoeligheid voor krenking. Hoewel bij verdachte geen sprake is van een psychiatrische stoornis in engere zin, zijn voornoemde persoonlijkheidskenmerken wel vastgesteld en die hebben naar alle waarschijnlijkheid enige invloed gehad op de wijze waarop verdachte de situatie heeft beleefd en geïnterpreteerd, met name in termen van het zich tekortgedaan voelen en het minder goed overzien van het eigen aandeel. Er wordt geen noodzaak gezien voor het inzetten van interventies binnen een verplicht of forensisch kader.\n\nDe militaire kamer heeft verder acht geslagen op het reclasseringsrapport van 29 april 2026, waaruit blijkt dat het recidiverisico laag wordt ingeschat. Verdachte heeft nadat het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden een agressieregulatietraining afgerond en zich gemeld bij de hulpverlening voor begeleiding. Dat loopt voor een deel nog. Van verdachte kan op grond van zijn capaciteiten verwacht worden dat hij, indien nodig, de weg weet te vinden naar de hulpverlening en, onder andere op grond van de afgeronde training, weet wanneer hij deze moet inschakelen. De reclassering vindt interventies of toezicht op basis van de bij hun bekende informatie niet nodig en zij adviseren dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden. Een proeftijd zou in principe voldoende moeten zijn als stok achter de deur.\n\nVanwege de aard, de ernst en de duur van de mishandelingen en bedreigingen acht de militaire kamer een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaren passend, als stok achter de deur. Als bijzondere voorwaarde zal aan verdachte een contactverbod met aangeefster worden opgelegd. Daarnaast is de militaire kamer van oordeel dat verdachte een taakstraf moet uitvoeren.\n\nAlles afwegende komt de militaire kamer – in overeenstemming met de eis van de officier van justitie – tot de oplegging van een voorwaardelijke militaire detentie voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [aangever] . Voorts zal de militaire kamer aan verdachte opleggen een taakstraf van 140 uur, subsidiair 70 dagen militaire detentie met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.\n\n8. De beoordeling van de civiele vordering\n\nDe benadeelde partij [aangever] heeft in verband met de feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.885,24 aan materiële schade en € 4.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe officier van justitie acht de gemaakte kosten voor logopedie, verlies in arbeidsvermogen en reiskosten deugdelijk onderbouwd, waardoor deze schade kan worden toegewezen. De eindnota van het energieverbruik valt buiten het strafrecht en kan daarom niet worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de militaire kamer.\n\nVoor het overige deel aan materiële schade heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De vorderingen worden onvoldoende onderbouwd.\n\nOverweging van de militaire kamer\n\nMateriële schade\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nDe militaire kamer overweegt dat de schadeposten die zien op het verlies van arbeidsvermogen á € 1.540,00 en de reiskosten á € 100,32 voldoende zijn onderbouwd en redelijk zijn.\n\nVoor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.\n\nDe schadeposten die zien op kosten logopedie á € 176,00 en kosten eindnota energieverbruik 2024 á € 68,92 zijn naar het oordeel van de militaire kamer thans onvoldoende onderbouwd, terwijl ook zonder nadere onderbouwing geen causaal verband tussen de schadeposten en de feiten kan worden vastgesteld. Nu nadere onderbouwing, standpuntenuitwisseling en zo nodig bewijslevering een onevenredige belasting met van het strafproces zou betekenen zal de militaire kamer de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. Benadeelde kan daarvoor nog naar de civiele rechter.\n\nDe militaire kamer is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de voornoemde schadeposten tot een hoogte van € 1.640,32 kan worden toegewezen.\n\nSmartengeld\n\nEen benadeelde kan onder meer aanspraak maken op een vergoeding van schade in de vorm van smartengeld op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in het geval dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarvan is hier sprake nu uit de bewijsmiddelen volgt dat benadeelde door de bewezen meermalen gepleegde mishandelingen pijn en letsel in de vorm van o.a. pijn aan oor\u002Fgehoor, rode plekken en hoofdpijn heeft opgelopen. De mishandelingen en bewezen bedreigingen vonden over een lange periode plaats in de eigen woning van benadeelde. Dat dit heeft geleid tot psychische problemen en schaamte gevoelens is in het licht van de onderbouwing door benadeelde met een huisartsenjournaal, een verklaring van “Kwadraad maatschappelijk werk” en een gezondheidspsycholoog onvoldoende concreet betwist.\n\nDe militaire kamer houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen en acht geslagen op de door de rechtspraak gehanteerde “Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW Aanbevelingen hanteren Rotterdamse schaal (geldend vanaf 1 januari 2026)”.\n\nNu uit hetgeen is aangevoerd niet blijkt dat sprake is van geestelijk letsel dat naar ‘objectieve maatstaven is vastgesteld’ zal de militaire kamer voor de bepaling van de hoogte van het smartengeld niet uitgaan van het in de Rotterdamse schaal genoemde categorie 14.1 Geestelijk letsel algemeen, zoals door benadeelde is voorgestaan.\n\nEchter, gelet op:\n\n- de veelheid van de mishandelingen – waarbij, als het om één mishandeling met beperkt letsel zou gaan, op grond van hoofdstuk 13 c van de Rotterdamse schaal een bedrag tot € 1.100,00 als uitgangspunt wordt gehanteerd –,\n\n- de langere periode waarin dit in de eigen woning van benadeelde plaatsvond en\n\n- de omstandigheid dat overeenkomstig de genoemde aanbevelingen de mate van verwijtbaarheid nog aanleiding geeft tot verhoging van het vast te stellen smartengeld met 25% (aanbeveling 3) en\n\n- de psychische impact die dit voor benadeelde heeft gehad\n\nzal de militaire kamer de hoogte van het smartengeld naar maatstaven van billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 4.000,00.\n\nVerdachte is voor het materiële deel vanaf 1 juni 2026 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd, de datum waarop de vordering is ingediend. En voor het smartengeld is verdachte vanaf 31 oktober 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.\n\nDe militaire kamer ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. De beslissing\n\nDe militaire kamer:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot militaire detentievoor de duur van1 (één) maand;\n\nbepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd,tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nstelt als bijzondere voorwaarde dat:\n\ncontactverbod\n\n- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [aangever] , geboren op [geboortedag] 1996;\n\n de politie ziet toe op de handhaving van dit verbod;\n\n legt op een taakstrafvan140 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht militaire detentie zal worden toegepast voor de duur van 70 dagen;\n\n beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;\n\nveroordeelt verdachte in verband met de feiten tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 1.640,32 aan materiële schade en € 4.000,00 aan smartengeld. Voor de materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2026 en voor het smartengeld vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2024, tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\nveroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;\n\n verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;\n\nlegt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 5.640,32 aan materiële schade\u002Fsmartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2026 voor de materiële schade en vanaf 31 oktober 2024 voor het smartengeld, tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 56 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;\n\nbepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs, rechters, en kapitein-ter-zee (LD) mr. J.L. Wesstra, militair lid, in tegenwoordigheid van\n\nmr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op\n\n29 juni 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 27MOGUMBER \u002F 27FCC240031, gesloten op 31 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal aangifte, p. 18-19, proces-verbaal aangifte, p. 22-28, proces-verbaal aangifte, p. 29-41 (met bijlagen, p. 43-61), proces-verbaal van bevindingen, p. 62-75, proces-verbaal van bevindingen uitwerking audiobestanden (aanvullend PV-032), de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 juni 2026.\n\n Proces-verbaal aangifte, p. 18-19 en proces-verbaal aangifte, p. 25-26.\n\n Proces-verbaal aangifte, p. 31-38.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 64.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 68-69.\n\n Proces-verbaal aangifte, p. 19\n\n Proces-verbaal aangifte, p. 37.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 44 (aanvullend PV).\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 29 (aanvullend PV).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5353","2026-07-13T00:28:22.682Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":39,"updatedAt":79},"882","ECLI:NL:RBGEL:2026:5222","ecli-nl-rbgel-2026-5222","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05\u002F174127-25\n\nDatum uitspraak : 25 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] .\n\nRaadsvrouw: mr. N.F. Hoogervorst, advocaat in Hilversum.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij in of omstreeks de periode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025 te [woonplaats] , gemeente Bronckhorst en\u002Fof Zutphen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk\n\ninbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever] , door\n\n- die [aangever] (veelvuldig) (WhatsApp)berichten te sturen en\u002Fof\n\n- een of meermalen door [adres] (te Zutphen) te rijden en\u002Fof\n\n- kleding en\u002Fof andere spullen van die [aangever] (in een vuilcontainer) weg te gooien en\u002Fof\n\n- die [aangever] een of meermalen met zijn auto te achtervolgen en\u002Fof (vervolgens) klem te rijden en\u002Fof\n\n- zogenaamde 'WhatsApp statusupdates' over die [aangever] te plaatsen en\u002Fof foto's en\u002Fof teksten van\u002Fover die [aangever] op social media te plaatsen en\u002Fof\n\n- een afbeelding van seksuele aard, te weten een foto waarop een vagina te zien is en\u002Fof (vervolgens) een foto waarop het gezicht van die [aangever] te zien is, naar een of meerdere personen via WhatsApp te sturen,\n\nmet het oogmerk die [aangever] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft ten aanzien van de pleegperiode bepleit dat deze dient te starten op 7 april 2025, omdat de communicatie tussen verdachte en [aangever] pas vanaf dan vrijwel volledig eenzijdig is geworden.\n\nTen aanzien van het rijden door [adres] te Zutphen heeft de raadsvrouw bepleit dat uit het buurtonderzoek en uit het beeldmateriaal niet is gebleken dat verdachte zelf door de straat is gereden. Verdachte is weleens door de straat gereden omdat zijn kinderen daar verbleven, maar dat is onvoldoende voor het vereiste oogmerk. De rechtbank wordt verzocht verdachte van dat onderdeel vrij te spreken.\n\nTen aanzien van het weggooien van de spullen van aangeefster is door de raadsvrouw betoogd dat dit onderdeel buiten beschouwing dient te blijven, nu het weggooien van goederen naar zijn aard geen gedraging is die een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Als dergelijke handelingen al hebben plaatsgevonden, ligt een beoordeling in de sfeer van vermogensdelicten meer voor de hand. Verdachte dient van dit onderdeel van de tenlastelegging eveneens te worden vrijgesproken.\n\nVoor de overige in de tenlastelegging opgenomen handelingen refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nMevrouw [aangever] (hierna: aangeefster) heeft op 15 april 2025 aangifte gedaan van stalking tegen verdachte, haar ex-partner. Zij heeft als volgt verklaard. Verdachte en aangeefster hebben tien jaar een relatie gehad en hebben samen drie kinderen. Op 3 februari 2025 heeft aangeefster een streep onder de relatie gezet. In het begin konden ze nog wel praten en heeft verdachte de kinderen nog wel gezien, maar daarna is verdachte twee weken niet thuis geweest voor de kinderen. Nadat aangeefster het op haar naam gestelde bedrijf van verdachte had beëindigd, begon alle ellende. Aangeefster kreeg heel veel WhatsApp-berichten van verdachte. De hoeveelheid berichten nam toe toen verdachte er eind februari 2025 van overtuigd raakte dat aangeefster een relatie had gekregen met zijn neef [naam 1] , ondanks het feit dat aangeefster hem had verteld dat het slechts een vriendschap betrof. Verdachte begon te dreigen dat hij zijn kinderen zou ontvoeren. Ook zei hij dat aangeefster een hoer was.\n\nBegin april werd aangeefster in Zutphen klemgereden door verdachte en zijn zoon. Ze heeft toen de politie gebeld. Op 5 april 2025 kwam verdachte aangeefster tegemoet gereden toen zij samen met de neef van verdachte in de buurt van Gorssel reed. Toen verdachte hen zag, draaide hij zijn auto en reed hen achterna, waarna hij aangeefster en [naam 1] midden in Gorssel opnieuw heeft klemgereden.\n\nVerdachte bewerkte foto’s van aangeefster en [naam 1] tot stickers en filmpjes en stuurde deze rond met liedjes en teksten over aangeefster erbij. Hij zette ook foto's en filmpjes online op sociale media en zijn WhatsApp-status. Aangeefster werd hierdoor veel gebeld door mensen die de berichten hadden gelezen. Aangeefster kreeg foto’s van verdachte waarop te zien was dat hij haar kleding in een kledingcontainer had gegooid. Hij had alles van haar weggegooid, waardoor zij niks meer had.\n\nTen tijde van de aangifte zat aangeefster al een week binnen met haar kinderen. De kinderen gingen niet naar school omdat aangeefster bang was dat verdachte naar school zou komen en de kinderen zou meenemen. Verdachte reed de hele dag rondjes om haar maar in de gaten te houden. Hij stopte dan met de auto voor de deur en gaf dan veel gas zodat men hoorde dat hij er was.\n\nDe politie heeft een overzicht opgemaakt van de meldingen door aangeefster in de periode na de aangifte. Daaruit volgt dat aangeefster tussen 16 april 2025 en 3 juni 2025 verschillende meldingen heeft gedaan van gedragingen van verdachte. Zo zou verdachte meermaals achter haar aan zijn gereden. Ook zou hij met verschillende auto’s hard door de straat hebben gereden en daarbij dingen hebben geroepen. Op 8 mei 2025 meldde aangeefster dat verdachte foto’s van een naakte vrouw had verspreid en erbij had gezet dat het om haar ging. Op 30 mei 2025 werd vanuit Veilig Thuis het verzoek gedaan om een afspraak op locatie te maken, omdat vader dreigde de kinderen met geweld weg te halen op de verschillende adressen.\n\nOp 27 november 2025 is aangeefster door de politie aanvullend gehoord. Zij verklaarde dat zij in de maanden mei en juni 2025 dagelijks tientallen berichten van verdachte ontving via WhatsApp. Ook kwamen er op meerdere data tussen 15 mei 2025 en 1 juni 2025 meerdere voertuigen door de straat waar ze verbleef. Aangeefster verklaarde verder dat verdachte met veel mensen een foto van een vagina heeft gedeeld, waarvan mensen dachten dat zij het was. Deze foto kwam van een website af.\n\nDe politie heeft de telefoon (een iPhone 13) onderzocht die onder verdachte in beslag werd genomen. Uit het onderzoek komt naar voren dat vanuit deze telefoon, die door verdachte werd gebruikt, tussen 19 maart 2025 en 4 juni 2025 via WhatsApp in totaal 2.923 acties (berichten, bellen, blokkeren en deblokkeren) zijn verricht naar aangeefster. De berichten gaan voornamelijk over de kinderen en de (volgens verdachte) nieuwe partner van aangeefster, de neef van verdachte. Uit de context van de berichten is op te maken dat verdachte wanhopig is en niet wil dat zijn kinderen bij zijn neef waren. Verdachte wil dat aangeefster bij haar (aldus verdachte) nieuwe partner weggaat dan wel dat de kinderen naar hem of naar een pleeggezin gaan. Als ze maar niet bij zijn neef zijn. Dit zou goedschiks dan wel kwaadschiks gebeuren. Verdachte heeft hierbij meermaals bericht dat hij nooit zal opgeven en nog liever dood gaat, dat aangeefster het zeker zal verliezen en dat het nooit goed zal komen. Ook gaf verdachte aan dat hij berichten over aangeefster op Facebook en zijn WhatsAppstatus heeft gezet en nog zal zetten en dat hij haar zal controleren, in de gaten zal houden en bij haar zal langskomen. Uit de berichten komt een vorm van dreiging naar voren.\n\nUit het onderzoek volgt dat verdachte in de tenlastegelegde periode via WhatsApp veelvuldig schermafbeeldingen van WhatsAppgesprekken met aangeefster, Facebookberichten, foto's en filmpjes van en over aangeefster heeft gedeeld met zijn contacten. Meermaals werd een foto van een vagina gedeeld, direct gevolgd door een foto van aangeefster. Op Facebook plaatste verdachte foto’s van aangeefster waar zij herkenbaar op stond, gepaard met negatieve teksten.\n\nUit het overzicht van de WhatsApp-gesprekken volgt dat verdachte op 5 april 2025 aan WhatsApp-contact ‘ [naam 2] ’ een foto van aangeefster naast een auto stuurde, waarbij hij onder meer schreef: ‘ik reed ze klem’.\n\nOp 8 april 2025 stuurde verdachte aan WhatsApp-contact ‘ [naam 2] ’ een aantal foto’s van kleding in een textielcontainer, gevolgd door de teksten: “wil je lachen”, “ik heb al heel veel kleding en dildo’s weggegooid”en“ik gooi alles van haar weg, ze krijgt niks meer en mag hier nooit meer een stap zetten”.Op 25 april 2025 stuurde verdachte aan aangeefster tientallen berichten waarvan één met de volgende inhoud: “Alles van jou is hier al uit het huis weg kleding echo's kistjes en doosjes en foto’s dus je hebt hier helemaal niks meer te zoeken. Echt alles wat aan jou herinneringen is weggegooid” en één met de volgende inhoud: “Echt alles is weg hier. Dus je hebt hier niks meer te zoeken. En heb maar geen hoop dat er nog iets zou liggen want dan heb je valse hoop”.\n\nAangeefster verbleef in de ten laste gelegde periode aan [adres] te Zutphen. Uit het buurtonderzoek van de politie volgt dat meerdere buurtbewoners hebben gezien dat door verschillende auto’s erg hard door de straat werd gereden, soms wel tien keer per dag. Deze auto’s werden bestuurd door een vader en zijn zoon die een conflict zouden hebben met de bewoners van nummer [nummer] . Volgens een buurtbewoner zou het gaan om verdachte en zijn zoon.\n\nDe heer [getuige] is door de politie als getuige gehoord en verklaarde dat in [adres] erg veel werd gescholden en geschreeuwd door verdachte en zijn zoon. Zij reden wel 10 tot 15 keer per dag als een dwaas door de straat en keken dan alleen naar de woning van nummer [nummer] .\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij veelvuldig WhatsApp-berichten naar aangeefster heeft verstuurd en dat hij foto’s van aangeefster op sociale media heeft geplaatst. De afbeelding van de vagina werd aan hem doorgestuurd en die heeft hij vervolgens zelf ook weer doorgestuurd. Ook heeft hij aangeefster op 5 april 2025 klemgereden in Gorssel. Met zijn gedragingen wilde hij bereiken dat zijn kinderen permanent bij hem zouden komen wonen, in plaats van bij zijn ex-partner en zijn neef. Verder heeft hij enkele malen, in ieder geval op 28 en 29 mei 2025, door [adres] gereden om zijn kinderen te zien. Ook heeft hij kleding en een vibrator van aangeefster weggegooid.Volgens de verklaring van verdachte ter terechtzitting ging het daarbij om oude kleding en rommel van aangeefster die door hem zijn opgeruimd omdat zij die niet kwam ophalen. Aangeefster zou eerder bijna al haar spullen al hebben meegenomen. Het WhatsApp-bericht“wil je lachen”aan ‘ [naam 2] ’ zag volgens verdachte op de vibrator. Op 3 april 2025 heeft hij aangeefster niet klemgereden, maar alleen naast haar gestaan met de auto.\n\nOverwegingen van de rechtbank\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belaging (stalking) van zijn ex-partner [aangever] in de periode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025. Bij de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.\n\nDe rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de ten laste gelegde gedragingen van verdachte op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Vervolgens zal zij beoordelen hoe de vast te stellen gedragingen juridisch dienen te worden gekwalificeerd.\n\nDe ten laste gelegde handelingen\n\nGelet op het voorgaande constateert de rechtbank dat niet ter discussie staat dat verdachte in een relatief korte periode duizenden WhatsApp-berichten naar aangeefster heeft verstuurd en dat hij zogenaamde WhatsApp-statusupdates over aangeefster en foto’s en teksten over en van aangeefster op sociale media heeft geplaatst. Ook staat niet ter discussie dat verdachte via WhatsApp naar meerdere personen een afbeelding heeft gestuurd van seksuele aard, te weten een foto waarop een vagina te zien is, gevolgd door een foto waarop het gezicht van aangeefster te zien is.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het voorgaande ook worden vastgesteld dat verdachte in de ten laste gelegde periode meermaals door [adres] is gereden. De aangifte wordt op dit punt ondersteund door de bevindingen van het buurtonderzoek en de getuigenverklaring van [getuige] , waaruit volgt dat verdachte – al dan niet samen met zijn zoon – soms wel 10 keer per dag op hoge snelheid en met veel geschreeuw en gescheld door de straat reed en daarbij vooral gericht was op de woning aan nummer [nummer] , waar aangeefster in de ten laste gelegde periode verbleef. In zijn verklaring ter terechtzitting heeft verdachte zelf ook erkend dat hij ‘enkele keren’ door de straat heeft gereden. Het betoog van de verdediging dat verdachte dit enkel deed om zijn kinderen te zien, en niet met het oogmerk om inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, wordt door hetgeen hiervoor is overwogen – met name ten aanzien van de frequentie, snelheid en het schelden – weersproken.\n\nOp basis van de verklaring van verdachte ter terechtzitting kan tevens worden vastgesteld dat hij spullen en kleding van aangeefster heeft weggegooid, hetgeen ook volgt uit de aangifte, het onderzoek naar de telefoon van verdachte en de hiervoor weergegeven chatberichten van verdachte van 25 april 2025.\n\nOok kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte aangeefster meermalen met zijn auto heeft achtervolgd en (vervolgens) heeft klemgereden. Aangeefster spreekt van twee incidenten die op 3 en 5 april 2025 hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft ter terechtzitting het incident op 5 april 2025 bekend, maar zegt bij het eerste incident alleen met zijn auto naast aangeefster te hebben gestaan. De rechtbank overweegt dat zij, gelet op al het voorgaande, geen reden heeft om aan de verklaring van aangeefster op dit punt te twijfelen en acht dus bewezen dat verdachte aangeefster meermalen heeft achtervolgd en klemgereden.\n\nPleegperiode\n\nUit de genoemde bewijsmiddelen volgt dat alle voornoemde gedragingen van verdachte hebben plaatsgevonden in de ten laste gelegde pleegperiode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025. Uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte volgt dat verdachte al vanaf 19 maart 2025 veelvuldig WhatsApp-berichten heeft verstuurd naar aangeefster, hetgeen ter terechtzitting ook door hem is bekend. Dat aangeefster in de periode van 19 maart 2025 tot en met 6 april 2025 nog (sporadisch) heeft gereageerd op de berichten van verdachte, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.\n\nJuridische kwalificatie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van alle hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.\n\nDoor de verdediging is bepleit dat het weggooien van de spullen van aangeefster hierbij buiten beschouwing dient te blijven, omdat deze gedraging naar zijn aard geen gedraging zou zijn die een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De rechtbank overweegt echter dat het begrip ‘persoonlijke levenssfeer’ als bedoeld in artikel 10 van de Grondwet geen vastomlijnd begrip is en dat het tal van terreinen omvat. Met het welbewust weggooien van de kleding en spullen van aangeefster en het vervolgens versturen van foto’s daarvan naar aangeefster zelf en naar derden, met teksten als “wil je lachen”en“ik gooi alles van haar weg, ze krijgt niets meer”, heeft verdachte opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.\n\nGelet op de inhoud van de vele berichten stelt de rechtbank vast dat verdachte met zijn handelen het oogmerk heeft gehad het slachtoffer te dwingen iets te doen, iets niet te doen, iets te dulden en haar vrees aan te jagen.\n\nDaarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging van aangeefster.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij in of omstreeksde periode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025 te [woonplaats] , gemeente Bronckhorst en\u002FofZutphen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk\n\ninbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever] , door\n\n- die [aangever] (veelvuldig)(WhatsApp)berichten te sturen en\u002Fof\n\n- een ofmeermalen door [adres] (te Zutphen) te rijden en\u002Fof\n\n- kleding en\u002Fofandere spullen van die [aangever] (in een vuilcontainer) weg te gooien en\u002Fof\n\n- die [aangever] een ofmeermalen met zijn auto te achtervolgen en\u002Fof(vervolgens) klem te rijden en\u002Fof\n\n- zogenaamde 'WhatsApp statusupdates' over die [aangever] te plaatsen en\u002Foffoto's en\u002Fofteksten van\u002Fover die [aangever] op social media te plaatsen en\u002Fof\n\n- een afbeelding van seksuele aard, te weten een foto waarop een vagina te zien is en\u002Fof (vervolgens)een foto waarop het gezicht van die [aangever] te zien is, naareen ofmeerdere personen via WhatsApp te sturen,\n\nmet het oogmerk die [aangever] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nBelaging\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 87 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, dient op deze straf in mindering te worden gebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd in het rapport van de reclassering van 9 september 2025, uitgebracht in een andere, maar aanverwante zaak, te weten:\n\neen meldplicht bij de reclassering;\n\neen training Cognitieve Vaardigheden of een andere ambulante behandeling, te bepalen door de reclassering.\n\nDaarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd voor de duur van 220 uur, te vervangen door 110 dagen hechtenis indien deze straf niet naar behoren wordt verricht.\n\nOok heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd voor de duur van drie jaar, inhoudende een direct en indirect contactverbod met [aangever] en een locatieverbod voor de volgende locaties in Zutphen: [adres] , [adres] , [adres] , [adres] , [adres] , [adres] en [adres] , gelegen aan de [adres] , inclusief de bijbehorende parkeerplaats. Daarbij dient voor elke overtreding de vervangende hechtenis te worden bepaald op één (1) week, met een maximum van zes maanden. Van dit contact- en locatieverbod mag enkel worden afgeweken na toestemming van de Jeugdbescherming, de reclassering of andere hulpinstanties. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd van 140 uur. Daarnaast heeft zij verzocht om aan verdachte een contactverbod met [aangever] op te leggen voor de periode van een jaar, behoudens overleg over de kinderen met toestemming van jeugdzorg. Het locatieverbod dient te worden beperkt tot de straat waar [aangever] woonachtig is en een straal van 200 meter daaromheen. Ook dient het locatieverbod te worden beperkt tot een periode van een jaar.\n\nVerder heeft de raadsvrouw bepleit dat geen aansluiting moet worden gezocht bij een oud reclasseringsrapport dat ziet op een andere zaak. In de huidige zaak is een nieuw rapport opgemaakt, waarin de reclassering een straf zonder reclasseringsbemoeienis adviseert.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nDe ernst van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging (stalking) van zijn ex-partner [aangever] . Nadat zij de relatie had beëindigd heeft verdachte haar maandenlang dagelijks tientallen berichten gestuurd, achtervolgd, getreiterd en zwartgemaakt door belastende berichten over haar te plaatsen op sociale media en WhatsApp-updates. Ook gooide hij haar spullen in een vuilcontainer en heeft hij aan meerdere mensen een van internet geplukte foto van een vagina gestuurd, direct gevolgd door een afbeelding van haar gezicht.\n\nDe heftige en blijvende gevolgen van deze belaging zijn door [aangever] treffend verwoord in de verklaring die zij ter zitting heeft voorgedragen. Zij leefde maandenlang met haar kinderen in angst en onzekerheid. Alles ging gepaard met spanning. Tot op de dag van vandaag staat zij in de overlevingsmodus en is zij haar gevoel van veiligheid kwijt.\n\nHoewel verdachte ter terechtzitting heeft erkend dat hij fouten heeft gemaakt en daar ook zijn spijt voor heeft betuigd, toont hij weinig inzicht in wat hij zijn ex-partner én zijn kinderen heeft aangedaan. Verdachte lijkt de omvang en ernst van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan, ook voor zijn kinderen om wie het hem naar eigen zeggen allemaal te doen was, te bagatelliseren. Hij lijkt vooral oog te hebben gehad voor zichzelf en voor wat hem door aangeefster zou zijn aangedaan. Dit rekent de rechtbank hem aan.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte vaker is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet voor een soortgelijk feit.\n\nVerder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 12 februari 2026. Daaruit volgt dat de leefgebieden \"relatie partner, gezin en familie\" en \"psychosociaal functioneren\" als direct delictgerelateerd aangemerkt worden. Omdat Jeugdbescherming en de rechterlijke macht nu betrokken zijn, wordt de grondslag van onderhavige verdenking door de reclassering niet meer als risicofactor voor toekomstig delictgedrag gezien. Beschermende factoren in het leven van verdachte zijn de liefde en zorg voor zijn kinderen en het aangesloten zijn van Jeugdbescherming, om de omgang met de kinderen in goede banen te leiden naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank. Verdachte wil geen contact meer met zijn ex-partner en heeft geen gevoelens meer voor haar. Positief is dat de wijkagent van verdachte heeft aangegeven dat er geen recente meldingen omtrent verdachte gedaan zijn, hij niet meer wordt besproken in het Zorg- en Veiligheidshuis en er op dit moment geen zorgen zijn. De toezichthouder van de reclassering die in 2025 belast was met het toezicht van verdachte geeft aan dat het toezicht goed verlopen is. De risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan de voorwaarden worden ingeschat als laag. Omdat verdachte geen hulpvragen heeft, er een omgangsregeling omtrent de kinderen tot stand is gekomen en zowel Jeugdbescherming als de wijkagent betrokken zijn, wordt een afdoening zonder reclasseringsbemoeienis geadviseerd. Wel wordt er een contactverbod voor één jaar geadviseerd, omdat zowel verdachte als zijn ex-partner dit wensen.\n\nDe rechtbank overweegt dat het dossier ook een reclasseringsrapport bevat dat in een eerder stadium is opgemaakt in een andere strafzaak tegen verdachte. In die zaak ging het om een verdenking van onttrekking aan het wettelijk gezag van de oudste zoon van verdachte en aangeefster. Verdachte is van deze verdenking vrijgesproken op 3 oktober 2025. Hoewel deze zaak betrekking had op dezelfde partijen en gezinssituatie, ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de reclassering ten aanzien van de huidige zaak een nieuw rapport heeft opgemaakt, waarin wordt uitgegaan van een recentere stand van zaken, maar met inachtneming van de voorgeschiedenis, aanleiding om dit meest recente rapport als uitgangspunt te nemen bij het bepalen van de straf.\n\nDe op te leggen straf\n\nBij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.\n\nGelet op de ernst van het feit en de houding van verdachte ter terechtzitting ten aanzien van aangeefster, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Op die manier heeft verdachte een flinke stok achter de deur om te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nAlles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 180 uren. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht dient op deze taakstraf in mindering te worden gebracht.\n\nOok zal de rechtbank aan verdachte een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van strafrecht opleggen aan verdachte. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en het feit dat verdachte en [aangever] vanwege hun kinderen met elkaar verbonden blijven, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van deze maatregel ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten door verdachte passend en geboden is. De maatregel bestaat uit een contactverbod met [aangever] , met uitzondering van contact ten behoeve van overleg over de kinderen dat plaatsvindt met de uitdrukkelijke toestemming van de reclassering, de Jeugdbescherming of een andere betrokken hulpverleningsinstantie, en een locatieverbod voor [adres] in Zutphen. Een breder locatieverbod voor de omliggende straten en [adres] acht de rechtbank niet noodzakelijk, gezien het feit dat er ook een contactverbod wordt opgelegd.\n\nDe rechtbank zal de maatregel opleggen voor de duur van 3 jaren, zodat de periode gelijkloopt met de proeftijd. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van in totaal 6 maanden.\n\nGelet op het bewezenverklaarde houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat verdachte opnieuw een strafbaar feit kan plegen of zich belastend kan gedragen jegens [aangever] . Om die reden zal de rechtbank de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\n8. De beoordeling van de civiele vordering\n\nMevrouw [aangever] heeft in verband met het bewezenverklaarde als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert in totaal:\n\n€ 3.333,33 aan materiële schade voor de door verdachte weggegooide goederen (o.a. kleding); en\n\n€ 5.000 aan immateriële schade;\n\ntelkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld welke exacte kleding en spullen door verdachte zijn weggegooid. Hij heeft de rechtbank verzocht om gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid en de materiële schade te bepalen op een bedrag van € 1.500,00. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor het gehele bedrag van € 5.000,00 kan worden toegewezen. Voor beide bedragen heeft de officier van justitie toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot materiële schade, primair gelet op het verweer dat het weggooien van de goederen geen belaging oplevert als bedoeld in de tenlastelegging. Subsidiair wordt aangevoerd dat deze schadepost niet is onderbouwd, terwijl nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Meer subsidiair is betoogd dat deze schadepost zich – voor wat betreft de goederen van de kinderen – niet leent voor behandeling in het strafproces, omdat er geen bijzondere curator is benoemd om de belangen van de kinderen te behartigen, zoals in het civiele recht in dergelijke situaties in de rede ligt.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging bepleit dat er geen sprake is van objectief vast te stellen geestelijk letsel. Indien de rechtbank van oordeel is dat de aard en ernst van de normschending aanleiding geven tot vergoeding van immateriële schade, wordt de rechtbank verzocht om het gevorderde bedrag te matigen tot € 750,00, omdat dit bedrag beter aansluit bij de aard, duur en ernst van het verweten handelen en bij de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nUit de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.\n\nDe rechtbank constateert dat niet kan worden vastgesteld welke exacte spullen verloren zijn gegaan. Daarvoor is de vordering onvoldoende onderbouwd. Dit is gelet op de situatie echter begrijpelijk. Verdachte heeft bovendien zelf aan aangeefster en een andere geadresseerde laten weten dat hij ‘heel veel kleding’ en ‘echt alles’ wat aan aangeefster herinnerde, heeft weggegooid. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek, en de schade als gevolg van de weggegooide goederen naar billijkheid – en met inachtneming van afschrijving – begroten op een bedrag van € 1.500,00.\n\nDe benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot materiële schade.\n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:\n\nverdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,\n\nde benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,\n\nde benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of\n\nde benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.\n\nOm te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.\n\nOp basis van het bewezenverklaarde en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat sprake is van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’.\n\nBlijkens de toelichting op de vordering kampte de benadeelde partij door het tenlastegelegde onder meer met angstklachten, stress en slaapproblemen. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zijn zo ingrijpend dat dit meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit is aan verdachte toe te rekenen.\n\nVoor de begroting van de schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het hoofdstuk belaging in de zogeheten Rotterdamse Schaal. De rechtbank overweegt dat het bewezenverklaarde zich op het snijvlak bevindt tussen de categorieën ‘(a) meest ernstig’ en ‘(b) ernstig’. Hoewel het bewezenverklaarde voor wat betreft de duur in categorie b kan worden geschaard, zijn er ook elementen in het gedrag van verdachte die bij de meest ernstige categorie passen. Zo heeft verdachte (veelvuldig) beeldmateriaal over en van de benadeelde op sociale media geplaatst, ook met een seksuele strekking. Rekening houdend met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding dan ook naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 5.000,00.\n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nTen aanzien van het bedrag van € 1.500,00 aan materiële schade is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf het ontstaan van de schade, te weten het moment waarop de goederen zijn weggegooid: 8 april 2025.\n\nTen aanzien van het bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf de laatste dag van de tenlastegelegde periode: 4 juni 2025.\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;\n\n bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;\n\n legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;\n\n beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;\n\n legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende:\n\neen gebiedsverbod: verdachte bevindt zich gedurende drie jaren niet in [adres] te Zutphen; en\n\neen contactverbod: verdachte onthoudt zich gedurende drie jaren van – direct of indirect – contact met [aangever] , geboren op [geboortedag] 1987, tenzij dit contact plaatsvindt ten behoeve van overleg over de kinderen en met de uitdrukkelijke toestemming van de reclassering, de Jeugdbescherming of een andere betrokken hulpverleningsinstantie, en daarbij de aanwijzingen van de betreffende instantie worden opgevolgd;\n\n beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;\n\n beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;\n\nBeslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever]\n\n veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van:\n\n € 1.500,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n€ 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;\n\n verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;\n\n legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] een bedrag te betalen van\n\n€ 1.500,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n€ 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.\n\nAls dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 57 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;\n\n bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W.R. Koch (voorzitter), mr. E.S.M. van Bergen en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer 2025159994, gesloten op 30 oktober 2025, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van 15 april 2025, p. 8-13.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen meldingenoverzicht na aangifte, aanvullend proces-verbaal, p. 16-18.\n\n Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 27 november 2025, aanvullend proces-verbaal, p. 8-11.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Apple iPhone 13 en de bijlage uitlezen telefoon, p. 199-200, 230-231, 233-234.\n\n Chatbijlage WhatsApp, p. 270, bijlage bij pv tijdlijn in stalkingszaken, p. 171 e.v.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek, p. 180.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 186.\n\n De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 11 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5222","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.754Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":39,"updatedAt":88},"1655","ECLI:NL:RBGEL:2026:4272","ecli-nl-rbgel-2026-4272","2026-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05.245487.25\n\nDatum uitspraak : 1 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geb. datum] 1979 in [geboorteplaats] (Polen),\n\nwonende aan de [adres] [woonplaats] .\n\nRaadsman: mr. B.G.M. Frencken, advocaat in 's-Hertogenbosch.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nfeit 1zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 7 september 2016 tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel , en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland, [slachtoffer 1] (geboren op [geb. datum] 2011), heeft mishandeld, door: meermalen, althans eenmaal, - die voornoemde [slachtoffer 1] te duwen en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 1] aan de haren te trekken en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 1] op\u002Ftegen het hoofd, het been en\u002Fof knie, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een kabel, stok en\u002Fof de platte hand en\u002Fof - (met) boeken op\u002Ftegen\u002Fin de richting van die voornoemde [slachtoffer 1] te gooien en\u002Fof te duwen en\u002Fof - aan de kleren en\u002Fof het lichaam van die voornoemde [slachtoffer 1] te trekken en\u002Fof - (met kracht) die voornoemde [slachtoffer 1] bij de keel vast te pakken en\u002Fof te grijpen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nfeit 2zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 16 augustus 2020 tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel , en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland, [slachtoffer 2] (geboren op [geb. datum] 2014), heeft mishandeld, door: meermalen, althans eenmaal, - die voornoemde [slachtoffer 2] te duwen en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 2] aan de haren te trekken en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 2] op\u002Ftegen de rug en\u002Fof been, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een stok en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 2] op\u002Fin\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof de wang, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een platte hand, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nfeit 3zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 7 september 2014 tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel , en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) haar kind(eren), te weten a) [slachtoffer 1] (geboren op [geb. datum] 2011), en\u002Fof b) [slachtoffer 2] (geboren op [geb. datum] 2014), heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] , meermalen, althans eenmaal, - uit te schelden, te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken met ‘rotkind’, ‘kurva’, ‘japig’, ‘je doet niks goed’, ‘je gaat niks bereiken’ en\u002Fof ‘je krijgt later een slechte baan’, althans woorden van gelijke aard en\u002Fof strekking en\u002Fof - getuige te doen zijn van huiselijk geweld (gericht tegen zijn broer(tje) en\u002Fof zijn\u002Fhun vader) en\u002Fof - zorg te onthouden door het niet en\u002Fof onvoldoende aanbieden van voedsel en\u002Fof door het (in de winterperiode) zonder en\u002Fof onvoldoende warme kleding (verplicht als straf) buiten te laten verblijven en\u002Fof voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] (ondanks hun verzoek) niet de woning in te laten en\u002Fof - bloot te stellen aan verbaal agressief gedrag door tegen hem\u002Fhen te schreeuwen en\u002Fof - vrees en\u002Fof angst aan te jagen door een Bobo(k) masker op te zetten en\u002Fof te dreigen die voornoemde [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] in een zak te steken\u002Fduwen en\u002Fof (een van) hen mee te nemen en\u002Fof - bloot te stellen aan (school)prestatiedruk door voornoemde [slachtoffer 1] dagelijks om 06:00 (zes) uur te wekken teneinde te leren, althans (school)prestatiedruk op voornoemde [slachtoffer 1] uit te oefenen, - een mes en\u002Fof tuinschaar in de handen te nemen en\u002Fof te dreigen de handen en\u002Fof tenen van voornoemde [slachtoffer 2] af te knippen en\u002Fof te dreigen de vingers van [slachtoffer 2] op het fornuis te leggen, althans woorden en\u002Fof gedragingen van gelijke dreigende aard, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] psychisch letsel heeft\u002Fhebben bekomen en\u002Fof een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en\u002Fof geestelijke gewaarwording bij hem\u002Fhen is veroorzaakt en\u002Fof waardoor opzettelijk de (geestelijke) gezondheid van voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] werd benadeeld.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 1 tot en met 3.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn. De raadsman heeft betoogd dat de wijze waarop de kinderen zijn verhoord, sturend en suggestief is geweest en dat niet is uit te sluiten dat de kinderen werden beïnvloed omdat zij werden verhoord door voor hen bekende hulpverleners van Veilig Thuis. De raadsman heeft daarnaast gesteld dat niet is uit te sluiten dat de kinderen in de tijd vanaf de melding bij de grootouders tot aan de verhoren zijn beïnvloed door derden. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn niet betrouwbaar en dienen te worden uitgesloten van het bewijs, hetgeen zou moeten leiden tot vrijspraak van feit 1 tot en met 3 aldus de raadsman.\n\nSubsidiair heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 erop gewezen dat verdachte ontkent dat er meer is gebeurd dan dat zij bij de politie en ter terechtzitting heeft erkend. Verdachte bestrijdt de verklaringen van haar kinderen die spreken over elke dag slaag en het meerdere keren slaan met stokken en kabels op de rug, benen of het hoofd. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman erop gewezen dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zijn broertje [slachtoffer 2] erg veel fantasie heeft. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman betoogd dat de dagvaarding met betrekking tot gedachtestreepje 6 partieel nietig dient te worden verklaard, nu onvoldoende duidelijk is wat verdachte wordt verweten. Ten aanzien van gedachtestreepje 1, 3, 5 en 6 van feit 3 heeft de raadsman betoogd dat deze handelingen geen psychische mishandeling opleveren. Tot slot heeft de raadsman betoogd dat de ten laste gelegde handelingen onder feit 3 niet kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOverwegingen over de betrouwbaarheid van de verklaringen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]\n\nDe raadsman heeft gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) niet betrouwbaar zijn en niet als bewijsmiddelen kunnen worden gebruikt. De rechtbank deelt dit standpunt niet en zal dit eerst toelichten voordat zij overgaat tot de bespreking van de verwijten.\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren, ten tijde van het afleggen van hun verklaringen, respectievelijk 13 en 10 jaar oud. De rechtbank stelt voorop dat verklaringen van kinderen in het algemeen met behoedzaamheid dienen te worden beoordeeld, gelet op hun leeftijd en de daarmee samenhangende beïnvloedbaarheid en wijze van herinneren en het verwoorden van herinneringen. Dat brengt echter niet zonder meer mee dat dergelijke verklaringen onbetrouwbaar zijn.\n\nDe rechtbank stelt allereerst vast dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uitgebreid, consistent en gedetailleerd zijn. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van de broers elkaar grotendeels ondersteunen en ook ondersteuning vinden in overige processtukken in het dossier. De verklaringen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in februari 2025 hebben afgelegd, komen bovendien op belangrijke punten overeen met de inhoud van de eerste melding bij Veilig Thuis.\n\nDe rechtbank ziet geen concrete aanwijzingen dat de verklaringen van de kinderen door sturing, suggestie of anderszins zijn beïnvloed. De rechtbank wijst erop dat de kinderen zijn verhoord door medewerkers van Veilig Thuis, die zijn opgeleid voor het voeren van dergelijke gesprekken met kinderen. De verhoren van de kinderen hebben plaatsgevonden volgens een wetenschappelijk erkende methode, de zogeheten NICHD-methode. De rechtbank is van oordeel dat de vraagstelling en de manier van doorvragen in de verhoren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voldoen aan de eisen die worden gesteld aan het verhoren van kinderen. Dat de kinderen niet zijn gewezen op hun verschoningsrecht, acht de rechtbank niet opvallend of onrechtmatig nu de medewerkers van Veilig Thuis geen opsporingsambtenaren zijn. De raadsman heeft in het pleidooi enkele vragen aangehaald die volgens hem niet voldoende open zijn gesteld en daarmee suggestief zijn. De rechtbank overweegt hierover dat de voorbeelden die de raadsman heeft aangehaald, niet in strijd zijn met de genoemde methode en steeds moeten worden gelezen in de context van de direct voorafgaande vragen en antwoorden eerder tijdens de verhoren.\n\nDe rechtbank overweegt dat enige beïnvloeding van de kinderen in de periode dat zij bij hun grootouders woonden door de grootouders, medewerkers van Veilig Thuis of derden, zoals door de raadsman is gesteld, niet concreet is geworden. Dat de kinderen (mogelijk) met anderen over de verwijten hebben gesproken, zou kunnen betekenen dat sprake is van enige mate van beïnvloeding. De rechtbank is van oordeel dat dit niet wil zeggen dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn. De rechtbank wijst erop dat er door Veilig Thuis voortvarend is gehandeld. Immers was er op 6 januari 2025 voor het eerst contact tussen de grootouders en Veilig Thuis naar aanleiding van de melding door de huisarts, en werden de kinderen reeds op 3 februari 2025 door de medewerkers gehoord. Hierdoor is het tijdsverloop tussen de eerste melding en het afleggen van de verklaringen door de kinderen minimaal en is de kans op beïnvloeding door derden zo beperkt als mogelijk gehouden.\n\nGelet op het bovenstaande acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar en zal zij deze voor het bewijs gebruiken. Wel zal de rechtbank bij de waardering van deze verklaringen de nodige behoedzaamheid betrachten vanwege de leeftijd van de kinderen.\n\nBewezenverklaring\n\nBewijsmiddelen\n\nOp 7 februari 2025 werd door Veilig Thuis een melding bij de politie gedaan van het vermoeden van kindermishandeling van [slachtoffer 1] (geb. [geb. datum] 2011) en [slachtoffer 2] (geb. [geb. datum] 2014), kinderen van [verdachte] (hierna: verdachte), wonende te [woonplaats] .\n\nOp 2 januari 2025 zijn de grootvader en de oom van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar de huisarts geweest om zorgen te melden. Op 22 december 2024 waren de kinderen naar opa en oma gekomen. De dag ervoor wilde verdachte een filmpje sturen naar haar familie in Polen en vroeg zij aan de kinderen of zij wilden vertellen hoe fijn hun jaar was geweest. De oudste zoon (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) zei toen dat het helemaal geen fijn jaar was.\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben op 22 december 2024 afzonderlijk van elkaar bij opa en oma verteld dat zij werden mishandeld door hun moeder. De kinderen vertelden dat zij werden geslagen door hun moeder met een kabel en een stok en dat zij aan de haren werden getrokken. Opa en oma hebben vage blauwe striemen gezien op het been van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] gaf aan dat hij tussen het fysieke geweld tussen zijn moeder en broertje is gesprongen en de klappen heeft opgevangen. [slachtoffer 1] is twee keer met bloed in zijn nek naar school gekomen. Af en toe kreeg hij kaartjes mee naar huis van school als hij niet goed naar de juf had geluisterd. Moeder werd dan erg boos op hem en sloeg hem. Moeder zou een keer naar de buren zijn gelopen om aan te geven dat zij [slachtoffer 2] horen schreeuwen, maar dat er niets aan de hand was. [slachtoffer 1] vertelde dat [slachtoffer 2] toen met een stok is geslagen. Vader, moeder, opa, oma en de kinderen hebben een gezamenlijk gesprek gevoerd. [slachtoffer 1] zei toen tegen zijn moeder dat hij de laatste week al vier keer is geslagen door haar.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting onder andere verklaard dat zij tikjes heeft gegeven op de schouders en oren van haar kinderen.\n\nfeit 1\n\nOp 3 februari 2025 is [slachtoffer 1] (hieronder weergegeven als [slachtoffer 1] ) gehoord door twee medewerkers van Veilig Thuis, [medewerker 1] (hieronder weergegeven als [medewerker 1] ) en [medewerker 2] (hieronder weergegeven als [medewerker 2] ). [slachtoffer 1] verklaarde, onder meer, het volgende:\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Ja. En dat slaan met de kabels. Vertel daar eens wat over.[slachtoffer 1] : Ja, ze had de kabel uit de tv gehaald. En dan sloeg ze ons zo hard. Dat is een rubberen kabel. (…)[medewerker 1] : Waar slaat ze dan met de kabels?[slachtoffer 1] : Op mijn been. Ze heeft bijna mijn gezicht geraakt en ze heeft mij in hoekjes geduwd en ze heeft mij geslagen. (…)[medewerker 1] : Nee. Je vertelde over dat bloed in je nek. Vertel eens over die gebeurtenis. Wat er gebeurd is.[slachtoffer 1] : (...) Toen (…) wou ze mijn kleren uittrekken. Want ik deed het weer verkeerd natuurlijk want ik wilde mijn telefoon niet afgeven dus ze wou mijn kleren eraf trekken. En ze heeft mij in een hoekje geduwd en ze heeft mij, ze pakte me bij mijn keel en ze heeft mij zo gepakt waardoor ik hier bloedde. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 1] wijst met zijn rechterhand op de rechterkant van zijn hoofd.) (…)\n\n [medewerker 1] : En welke kleren trok ze uit? Wat deed ze toen?[slachtoffer 1] : Ze trok mij gewoon aan mijn kleren. Want ik had een pak gekregen van mijn opa en oma en die heeft ze ook helemaal kapot gescheurd omdat ze zo boos op mij was. Ze trok het zo kapot en zulke dingen heeft ze wel eens bij mij gedaan. (…)[medewerker 1] : Ja. Waar deed het het meeste pijn als je werd geslagen?[slachtoffer 1] : (…) Vooral bij mijn hoofd. En dan bij mijn wangen. Want ik krijg altijd de platte hand van mijn moeder. Vroeger was dat met de platte hand, maar het is alleen maar erger geworden. (...)[medewerker 1] : Ja. En hoe vaak gebeurde het de laatste tijd dat je geslagen werd?[slachtoffer 1] : Elke dag. (...)[medewerker 1] : En wat was dan de aanleiding bijvoorbeeld?[slachtoffer 1] : Leren. Mama vond dat ik het niet goed deed met leren. En toen werd ze boos op me. (…)\n\n [medewerker 1] : En vertel eens over de laatste keer specifiek wat er toen gebeurde.[slachtoffer 1] : (…) Ja, dat weet ik nog wel, dat was ook die zaterdag. Want toen wilde mijn moeder mijn broertje ook slaan maar toen ging ik voor hem staan. Dan heb ik liever dat ze mij slaat dan dat ze hem slaat. Dan ging ik voor hem staan en dan sloeg ze mij maar. Maar toen heeft ze mij geslagen. Ja, prima.[medewerker 1] : Hoe sloeg ze jou?[slachtoffer 1] : Met de platte hand. En ook met de kabel. Maar met de kabel heeft ze de laatste tijd veel vaker gedaan. Want er heeft ook een paar weken een kabel op tafel gelegen waarmee ze mij een paar keer mee heeft geslagen. En dat heeft mij ook veel pijn gedaan. Er hebben ook strepen op mijn benen gezeten. (…)\n\n [slachtoffer 1] : (…) Ze heeft me met de platte hand geslagen. Ze heeft me bij mijn kleren getrokken. Aan mijn haren. Ze heeft me haren van mijn kop af getrokken. En ja zulke dingen. Er vielen ook allemaal haren uit. En dat deed behoorlijk veel pijn.\n\n(…)\n\n [medewerker 2] : Nou, ik ben nog wel benieuwd. Je vertelde dat jouw mama jou bij de keel had gegrepen. Wat gebeurde er precies?[slachtoffer 1] : Ja, dan duwt ze mij in een hoekje wat ik net vertelde en dan pakt ze je zo vast zeg maar en dan laat ze je gewoon niet los. En dan, ze stopt alleen als ik bijna stik. Want dan stopt ze pas, want ze blijft door gaan. Want mijn moeder weet niet waar haar grens zit zeg maar.(…)\n\n [medewerker 2] : Je zei: Dan pakt ze mij bij mijn keel totdat ik bijna stik. Waar sta jij dan?[slachtoffer 1] : Ja dan sta ik. Mama heeft ook meerdere keren achter mij aangelopen en dan pakt ze mij zo vast en dan wordt ze zo boos op me en dan gaat ze helemaal tekeer en dan scheld ze je uit en dan wil ze je niet meer los laten. Dan gaat ze door tot ze niet meer kan. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 1] legt zijn hand rond zijn keel.)[medewerker 2] : Hoe merk je dan dat je bijna stikt?[slachtoffer 1] : Ja, ik kan dan gewoon niet meer ademen. Want mama pakt mij dan zo hard. Mama heeft mij echt harde klappen gegeven. (…)\n\n [slachtoffer 2] is ook door de twee medewerkers van Veilig Thuis gehoord.[slachtoffer 2] verklaarde onder andere het volgende:\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Okay. En je begon met; thuis werd er geslagen.(...) [slachtoffer 2] : Bijvoorbeeld als [slachtoffer 1] , [slachtoffer 1] is niet zo goed in leren en als [slachtoffer 1] een paar dingen fout deed dan werd soms heel vaak heel hard geslagen. (…)\n\n [medewerker 1] : Waar was jij toen [slachtoffer 1] geslagen werd?[slachtoffer 2] : Daar was ik bij.[medewerker 1] : Wat zag je?[slachtoffer 2] : Dat [slachtoffer 1] heel veel pijn had.[medewerker 1] : En hoe sloeg jouw moeder [slachtoffer 1] ?[slachtoffer 2] : Ook met de platte hand.[medewerker 1] : Waar sloeg ze [slachtoffer 1] ?[slachtoffer 2] : Op zijn gezicht. (...)[medewerker 1] : Vertel er eens over wat jij gezien hebt. [slachtoffer 2] : Hij werd heel hard aan zijn haren getrokken. Ik zag een keer dat mama zo boos was geworden. Mama duwde [slachtoffer 1] op de bank en ze pakte [slachtoffer 1] bij de keel. En toen had ze een wondje op haar duim en toen werd ze helemaal boos op [slachtoffer 1] dat het allemaal door [slachtoffer 1] komt.[medewerker 1] : Hoe ging dat dan? Bij de keel pakken?[slachtoffer 2] : Zo of zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] legt zijn linkerhand rond de keel.)[medewerker 1] : Hoe lang duurde dat?[slachtoffer 2] : Een paar seconden.[medewerker 1] : Waar was jij toen?[slachtoffer 2] : Ik stond in de hal.[medewerker 1] : En jij kon het zien?[slachtoffer 2] : Ja.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij [slachtoffer 1] met een kabel had gepatst. Ze heeft [slachtoffer 1] een paar tikjes gegeven, met de platte hand op zijn oor en op zijn schouder. Op 21 december 2025 wilde verdachte samen met de kinderen de kerstboom opzetten. Toen de jongens door bleven gaan met een telefoon en de Playstation, heeft verdachte de kabel van de Playstation gepakt. [slachtoffer 1] wilde de telefoon niet afgeven. Verdachte verklaarde dat de emotie hoog bij haar opliep en dat zij [slachtoffer 1] met de kabel van de Playstation op zijn been patste. Vóór de kerst had verdachte de telefoon van [slachtoffer 1] proberen af te pakken. Toen [slachtoffer 1] weigerde, pakte verdachte hem bij zijn pak en trok. [slachtoffer 1] had hierdoor bloed.\n\nDe rechtbank concludeert dat uit de voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, blijkt dat verdachte haar kind [slachtoffer 1] heeft mishandeld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\n [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte hem met de platte hand in zijn gezicht en op zijn wangen heeft geslagen. Ook verklaarde hij dat zijn moeder hem een keer met een kabel op zijn benen sloeg. Hierdoor hadden er strepen op zijn benen gezeten. Blijkens de melding van Veilig Thuis zijn deze strepen ook waargenomen door de opa en oma van [slachtoffer 1] . De verklaring van [slachtoffer 1] vindt op de voorgaande punten steun in de verklaring van verdachte en door de verklaring van zijn broertje [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] hard werd geslagen als hij een paar dingen fout deed. Dit was dan ook met de platte hand in het gezicht. [slachtoffer 1] heeft daarnaast verklaard dat zijn moeder hem aan zijn kleding heeft getrokken. Hierdoor is een pak dat hij van zijn opa en oma had gekregen, gescheurd. Dit wordt ondersteund door de verklaring van verdachte, namelijk dat zij [slachtoffer 1] aan zijn pak heeft getrokken. De verklaring van [slachtoffer 1] , dat hij aan zijn haren werd getrokken en bij zijn keel werd gepakt, wordt ten slotte ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 2] . De rechtbank merkt daarbij op dat beide jongens tijdens hun verklaring over het bij de keel pakken van [slachtoffer 1] een gebaar maakten waarbij zij een hand om hun keel legden.\n\nDe rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar kind [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem te slaan met een kabel en de platte hand, hem aan zijn haren te trekken, hem aan zijn kleren te trekken en hem bij de keel vast te pakken. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het duwen van [slachtoffer 1] , nu uit het dossier niet is gebleken dat dit pijn of letsel heeft opgeleverd. De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van het gooien met boeken op\u002Ftegen\u002Fin de richting van [slachtoffer 1] , nu niet is gebleken dat [slachtoffer 1] hierdoor werd geraakt en hij pijn of letsel heeft gehad. Tot slot zal de rechtbank verdachte ook vrijspreken van het slaan van [slachtoffer 1] met een stok. Hoewel [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en verdachte verklaren over het slaan van [slachtoffer 1] met een stok, gebeurde dit verklaren vaak in de context dat ‘we’ of ‘ze’ met stokken werden geslagen, om vervolgens meer gedetailleerd te verklaren over de keren dat [slachtoffer 2] met een stok werd geslagen. Over het slaan van [slachtoffer 1] met een stok wordt niets concreets verklaard, ook niet door [slachtoffer 1] zelf.\n\nfeit 2\n\n [slachtoffer 2] heeft op 3 februari 2025 het volgende verklaard aan de medewerkers van Veilig Thuis.\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Vertel daar eens over wat je zelf gevoeld hebt.[slachtoffer 2] : Ja ik vroeg: mama mag ik je telefoon lenen. Toen zei ze: Ja. En toen had ik hem gepakt en toen ging ik hem gebruiken en toen sloeg ze mij in ene keer en toen zei ze; Hoezo gebruik je mijn telefoon? Dus dat vond ik wel heel raar. En toen die dag had mama ze ook uit huis gegooid.[medewerker 1] : Hoe ging dat slaan? Waarmee of hoe slaat mama dan? Of hoe slaat ze jou?[slachtoffer 2] : Hard met de platte hand.[medewerker 1] : Waar komt die hand dan?[slachtoffer 2] : Hier (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] legt zijn opengevouwen hand op zijn linkerwang.) Of gewoon op mijn gezicht.[medewerker 1] : En deed dat pijn?[slachtoffer 2] : Ja. (…)\n\n [medewerker 1] : Vertel eens meer als mama jou sloeg. Was dat altijd met de platte hand of ook wel eens anders.[slachtoffer 2] : Soms aan de haren trekken.[medewerker 1] : Hoe deed ze dat dan?[slachtoffer 2] : Echt zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] pakt met zijn rechterhand een pluk haar op zijn hoofd vast).[medewerker 1] : Hoe deed ze dat precies?[slachtoffer 2] : Wegtrekken en duwen.[medewerker 1] : Terwijl ze jouw haren vast had?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : Dus dan gaat jouw hoofd heen en weer.[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : En hoe voelde dat?[slachtoffer 2] : Heel veel pijn. (…)\n\n [slachtoffer 2] : Mmm. Mama had mij een keer met een stok geslagen. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] houdt met beide handen zijn hoofd vast.) [medewerker 1] : Kan je aangeven wat voor een stok dat was of hoe dik die was.[slachtoffer 2] : (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] geeft met duim en wijsvinger ongeveer 7 centimeter aan en een lengte van 60 centimeter). En dan heel hard.[medewerker 1] : Waar was jij toen?[slachtoffer 2] : Op mijn kamer. En toen sloeg ze mij in ene keer met de stok.[medewerker 1] : En deed ze dat met een hand of met twee handen? Hoe hield ze die vast?[slachtoffer 2] : Ja, met twee handen.[medewerker 1] : Waar was je in jouw kamer?[slachtoffer 2] : Op mijn bed. (...)[medewerker 1] : En kan je bij [medewerker 2] aangeven waar ze jou dan ongeveer sloeg met de stok?[slachtoffer 2] : Hier zo ongeveer. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] wijst met zijn rechterhand naar onder bij zijn rug.)[medewerker 2] : In het midden?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : En hoe vaak sloeg ze jou toen?[slachtoffer 2] : Twee of drie keer.[medewerker 1] : Had je daar ook plekken van gehad? Of heb je iets anders gezien op je rug?[slachtoffer 2] : Nee.[medewerker 1] : En is dat de enige keer dat ze jou met een stok heeft geslagen of is dat vaker gebeurd?[slachtoffer 2] : Vaker.[medewerker 1] : Vertel nog eens over een andere keer dat je je herinnert.[slachtoffer 2] : Dat was volgens mij op mijn been. Toen had ik heel veel last van mijn been. Ik kon bijna niet meer lopen toen. [medewerker 1] : En waar was jij toen dat gebeurde? [slachtoffer 2] : Toen was mijn oma uit Polen in mijn kamer want ze was een paar weken op bezoek dus ik was bij de zonnebankkamer en toen sloeg ze mij. (...)[medewerker 1] : En waar op jouw been was dat gebeurt?[slachtoffer 2] : Hier zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] wijst met zijn rechterhand op zijn rechterbovenbeen\u002F-dijbeen).[medewerker 1] : En hoe vaak sloeg zij?[slachtoffer 2] : Een of twee keer.[medewerker 1] : Had ze toen die stok in een of twee handen?[slachtoffer 2] : Volgens mij een hand toen.[medewerker 1] : Ja. En waar was jij op dat moment in die kamer?[slachtoffer 2] : Op een matras. (…)\n\n [medewerker 1] : Wanneer was de ergste keer? Vertel daar eens over.[slachtoffer 2] : Op mijn rug.[medewerker 1] : Kan je dat helemaal vertellen hoe dat ging? Alle details.[slachtoffer 2] : Ik had een paar dingen stiekem gepakt uit de kast en toen werd ze heel boos op mij. En toen had ze mij volgens mij met de stok geslagen.[medewerker 1] : En jij zei; ik was in mijn kamer. Kwam ze jouw kamer binnen of liepen jullie samen naar jouw kamer toe?[slachtoffer 2] : Nee. Ze liep naar mijn kamer. Want bij mij heb ik nog een zolder boven op mijn kamer daar heeft mama oude spullen liggen. En daar ligt die stok. Want die heb je nodig om die open te maken. (…) En die stok is heel hard en als je die, want die stok is helemaal van hout en als je daar door wordt geraakt, dan doet dat heel veel pijn.[medewerker 1] : Ja. En toen had zij geslagen. Hoe vaak had zij geslagen daarmee op dat moment?[slachtoffer 2] : Twee keer.\n\n(…) [medewerker 1] : Je zei net het gebeurde heel vaak met de hand, met de vlakke hand.[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : In je gezicht. Kan je voordoen hoe ze dan precies sloeg met haar arm? Wat deed ze dan precies?[slachtoffer 2] : Dan deed ze zo. Zo. En dan eigenlijk op z’n allerhardst. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] zwaait zijn rechter arm naar achteren en slaat naar voren. Hij doet dit twee keer voor.) Daarom heb ik hier volgens mij nog een litteken of zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] wijst met zijn linker wijsvinger op zijn wang.)[medewerker 1] : Mag ik dat eens zien. Ik zie een streepje en een rondje. Was het een streepje of een rondje?[slachtoffer 2] : Een rondje. En toen het weg was heeft mama mij nog heel vaak geslagen op die kant, dus toen is dat litteken heel lang gebleven.[medewerker 1] : Als zij zo sloeg vanaf hier. Dan ging dat met best veel kracht toch?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : Maar had jij nog lang daarna pijn?[slachtoffer 2] : Vaak wel. Maar na tien minuutjes was het wel weer over.[medewerker 1] : En waar deed het dan pijn?[slachtoffer 2] : Nou, op mijn gezicht vooral. (…)\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Wat vindt je het ergste wat er thuis is gebeurd? Waar heb je het meeste last van?[slachtoffer 2] : De stok.[medewerker 1] : Ja. En dat was twee keer gebeurd zei je he?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : Een keer op je rug en een keer op je been.[slachtoffer 2] : Ja. (...)\n\n [slachtoffer 1] heeft op 3 februari 2025 het volgende verklaard over de mishandeling van zijn broertje [slachtoffer 2] :\n\n(…)\n\n [slachtoffer 1] : Stokken, want wij zo, ja, wij hebben een zolder en daar zit een soort van ladder aan en die moet je naar beneden trekken en daar hebben ze een stok voor en die ligt op mijn broertjes kamer. Hij is heel hard geslagen. Hij had mijn schoenen vies gemaakt, mijn nieuwe schoenen. En toen werd mama zo boos en werd hij geslagen met een stok. [medewerker 1] : En waar was jij op dat moment?[slachtoffer 1] : Ik was beneden en ik hoorde hem in een keer keihard schreeuwen en hij had een blauwe plek op zijn benen. Dat was echt niet normaal. (…)\n\n [medewerker 1] : Ja. Jij zegt een paar keer. Ik heb mijn broertje beschermd of proberen te beschermen. Vertel eens over de laatste keer dat dat was. Wat gebeurde er toen?[slachtoffer 1] : Ja, ik heb altijd voor mijn broertje, mijn broertje is tien en ik ben dertien. Dus ik neem dan mijn verantwoordelijkheid voor hem. Want ik wil niet dat mijn broertje geslagen wordt door iemand. (…) En dan zie ik ook dat mijn moeder hem slaat, ja, dan denk ik, mooi niet. En dan ga ik voor hem staan, want dan slaat ze mij maar. Maar ik laat niet mijn broertje slaan. (…)\n\nVerdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer 2] met de stok van de vlizotrap op zijn benen had geslagen. Verdachte had gezien dat er weer fikkie was gestookt. Zij vroeg [slachtoffer 2] of hij weer bezig was geweest met een aansteker. [slachtoffer 2] bleef ontkennen en verdachte zei hem dat hij niet moest liegen. De emotie liep zo hoog op en zij had de stok in haar handen.\n\nDe rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat verdachte haar kind [slachtoffer 2] heeft mishandeld. [slachtoffer 2] heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard dat zijn moeder hem op zijn rug en benen heeft geslagen met een stok, dat zij hem met de platte hand in zijn gezicht heeft geslagen en dat zij hem aan zijn haren heeft getrokken. De verklaring van verdachte, dat zij tikjes heeft gegeven op de oren van haar kinderen en dat zij [slachtoffer 2] met een stok heeft geslagen, en de verklaring van [slachtoffer 1] , dat hij voor zijn broertje ging staan als zijn moeder zijn broertje sloeg en dat zijn moeder [slachtoffer 2] met een stok sloeg, ondersteunen de verklaring van [slachtoffer 2] .\n\nDe rechtbank acht daarmee feit 2 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het duwen van [slachtoffer 2] , nu uit het dossier niet is gebleken dat dit pijn of letsel heeft opgeleverd.\n\nPeriode feit 1 en 2\n\nDe rechtbank acht een kortere periode bewezen dan ten laste is gelegd, te weten de periode van 1 januari 2024 tot en met 21 december 2024. De rechtbank ziet dat er in het dossier concrete aanknopingspunten zitten dat in 2024 de mishandelingen van beide kinderen hebben plaatsgevonden. De rechtbank wijst er in dat verband op dat [slachtoffer 1] tegen verdachte zou hebben opgemerkt dat het een verschrikkelijk jaar was geweest toen zij op 21 december 2024 een filmpje voor familie wilde maken. Concrete aanknopingspunten voor mishandelingen die eerder dan 2024 zouden hebben plaatsgevonden, heeft de rechtbank niet in het dossier aangetroffen. De rechtbank zal daarom voor feit 1 en 2 uitgaan van een kortere bewezen verklaarde periode, van 1 januari 2024 tot en met 21 december 2024, en verdachte voor de overige ten laste gelegde periode vrijspreken.\n\nVrijspraak feit 3\n\nJuridisch kader\n\nOnder feit 3 is een aantal gedragingen als mishandeling ten laste gelegd. De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat de onder feit 3 ten laste gelegde gedragingen door het openbaar ministerie als psychische mishandeling worden gezien.\n\nDe rechtbank zal verdachte geheel vrijspreken van feit 3. De rechtbank zal om die reden niet toekomen aan het verweer dat ziet op partiële nietigheid.\n\nDe rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede – onder omstandigheden – het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677).\n\nMet betrekking tot psychische mishandeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Naar geldend recht moet het bestanddeel ‘mishandeling’ zo worden uitgelegd, dat psychische mishandeling alleen strafbaar kan zijn als sprake is van gedragingen met enig betekenisvol fysiek aspect of gevolg. Voorbeelden in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn het in een (tijdelijke) staat van bewusteloosheid of onmacht brengen (ECLI:NL:HR:2012:BX5468) en het verergeren van iemands ziektebeeld door verkeerd medisch handelingen (ECLI:NL:HR:2013:BY4858). Het gaat hier om gevallen waarin het handelen van de verdachte een lichamelijke uitwerking op het slachtoffer had. Het binnen de reikwijdte van artikel 300 Sr brengen van psychische mishandeling zónder fysiek aspect of gevolg is onwenselijk – met name in het licht van het zogenoemde bepaaldheidsgebod – omdat de betekenis van de term mishandeling daarmee minder scherp zou worden omlijnd dan zij nu op grond van de wetsgeschiedenis is. Daarmee zou ook de rechtszekerheid in het geding kunnen komen: het is voor de burger dan niet goed te voorzien welk gedrag onder de strafbaarstelling van mishandeling kan worden geschaard (vgl. de conclusie van A-G Van Kempen van 10 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:238).\n\nDe rechtbank zal aan de hand van het bovenstaande juridisch kader beoordelen of de ten laste gelegde gedragingen kunnen worden aangemerkt als mishandeling en dus kunnen worden bewezenverklaard.\n\nCategorie A: geen betekenisvol fysiek aspect of gevolg\n\nDe rechtbank is, gelet op het bovenstaande juridisch kader, van oordeel dat ten aanzien van de gedachtestreepjes 1, 2 en 4 tot en met 7 niet kan worden gekomen tot een bewezenverklaring, omdat het niet gaat om gedragingen met enig betekenisvol fysiek aspect of gevolg. De gedragingen kunnen daarom niet worden aangemerkt als mishandeling als bedoeld in artikel 300 Sr. Verdachte zal om die reden van de gedachtestreepjes 1, 2 en 4 tot en met 7 worden vrijgesproken.\n\nCategorie B: fysiek aspect, maar geen sprake van strafbare mishandeling\n\nTen aanzien van beide kinderen is onder gedachtestreepje 3 van feit 3 het onthouden van zorg door niet en\u002Fof onvoldoende aanbieden van voedsel en\u002Fof het (in de winterperiode) zonder en\u002Fof onvoldoende warme kleding als straf buiten laten verblijven en hen niet in de woning te laten, ten laste gelegd.\n\nDe rechtbank overweegt dat de gedragingen, zoals deze uit het dossier naar voren komen, niet een dusdanig fysiek aspect of gevolg hebben, dat deze kunnen worden aangemerkt als mishandeling. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet afdoende is gebleken dat de kinderen gedurende een langere periode honger, kou of een gebrek aan zorg hebben ervaren. Er kan in de gegeven omstandigheden niet worden gezegd dat dergelijk gedrag mishandeling als bedoeld in artikel 300 Sr oplevert. Verdachte zal dan ook van dit gedachtestreepje van feit 3 worden vrijgesproken.\n\nDe rechtbank zal verdachte, concluderend, geheel vrijspreken van feit 3.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nfeit 1zij opeen ofmeerdere tijdstippen inof omstreeks de periode van 1 januari 2024tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel ,en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland,[slachtoffer 1] (geboren op [geb. datum] 2011), heeft mishandeld, door: meermalen,althans eenmaal,- die voornoemde [slachtoffer 1] te duwen en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 1] aan de haren te trekken en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 1] op\u002Ftegen het hoofd, het beenen\u002Fof knie,althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een kabel,stoken\u002Fofde platte hand en\u002Fof- (met) boeken op\u002Ftegen\u002Fin de richting van die voornoemde [slachtoffer 1] te gooien en\u002Fof te duwen en\u002Fof- aan de klerenen\u002Fof het lichaamvan die voornoemde [slachtoffer 1] te trekken en\u002Fof-(met kracht)die voornoemde [slachtoffer 1] bij de keel vast te pakkenen\u002Fof te grijpen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nfeit 2zij opeen ofmeerdere tijdstippen inof omstreeksde periode van 1 januari 2024tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel ,en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland,[slachtoffer 2] (geboren op [geb. datum] 2014), heeft mishandeld, door: meermalen,althans eenmaal,- die voornoemde [slachtoffer 2] te duwen en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 2] aan de haren te trekken en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 2] op\u002Ftegen de rug en\u002Fofbeen,althans op\u002Ftegen het lichaam,te slaan met een stok en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 2]op\u002Fin\u002Ftegen het gezicht en\u002Fofde wang, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een platte hand,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1 en feit 2, telkens:\n\nmishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen haar kind, meermalen gepleegd\n\n5. De strafbaarheid van het de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 120 uren zal worden opgelegd, bij niet uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat de rechtbank bij de strafoplegging rekening houdt met het blanco strafblad van verdachte en de beperktere bewezenverklaring zoals de raadsman die heeft bepleit. Daarnaast heeft de raadsman gevraagd dat de rechtbank rekening houdt met het feit dat verdachte langdurig niet thuis heeft gewoond en dat zij hulp heeft gezocht bij Kairos en Entrea-Lindenhout. De raadsman heeft betoogd dat er zijns inziens geen ruimte is voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is bereid een geldboete te betalen en een voorwaardelijke straf zal door haar worden geaccepteerd.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het fysiek mishandelen van haar zoons. Verdachte heeft daarmee de lichamelijke integriteit van haar kinderen ernstig geschonden. De mishandelingen vonden thuis plaats, terwijl een kind zich juist op deze plek bij zijn ouder(s) geborgen en veilig moet kunnen voelen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat de mishandelingen pas stopten toen haar kinderen zelf de moedige stap namen om hun verhaal te doen bij hun grootouders.\n\nDe rechtbank neemt in strafverminderende zin mee dat verdachte na de melding bij Veilig Thuis de hulpverlening heeft geaccepteerd en heeft aangegrepen en de hulpverleningstrajecten positief heeft doorlopen.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van de Reclassering Nederland van 9 april 2026. De reclassering heeft in de rapportage beschreven dat er na de melding van Veilig Thuis verschillende interventies in werking zijn gezet, en Veilig Thuis de kinderen tot en met april 2025 bij de grootouders heeft geplaatst. Verdachte startte in april 2025 een behandeltraject bij Kairos. Op dat moment gingen de kinderen weer in het ouderlijk huis wonen en trok verdachte, in goed overleg met Veilig Thuis, tijdelijk bij vrienden in. In juni 2025 werd Entrea-Lindenhout actief betrokken bij het gezin, en vond begeleiding plaats bij het gezin. In september 2025 werd besloten dat verdachte weer thuis kon wonen. De reclassering beschrijft dat er een aantal beschermende factoren is. Verdachte heeft een stabiele baan en heeft een vaste woonplek in [woonplaats] . Verdachte heeft een goede vriendin waarmee ze alles kan bespreken. Verder heeft verdachte wekelijks contact met haar moeder. Verdachte heeft door haar behandeling genoeg handvatten gekregen waardoor ze nu goed kan omgaan met dagelijkse triggers. Haar kinderen zijn, op het moment van het opstellen van de rapportage, 11 en 14 jaar oud. De kinderen zijn nu pubers en zoeken vaak de grenzen op. Verdachte heeft aangegeven zich in te zetten wanneer toezicht of behandeling nog gewenst is. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Verdere interventies of toezicht worden niet nodig geacht. De rechtbank neemt dit advies over.\n\n De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank een kortere periode en minder bewezen verklaart dan door de officier van justitie is gesteld. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden is, bij niet (naar behoren) uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis. De rechtbank zal geen voorwaardelijk strafdeel opleggen, nu zij uit de reclasseringsrapportage opmaakt dat verdachte en haar gezin voldoende zijn ingebed in hulpverlening en zij het goed acht als na het uitvoeren van de taakstraf een voor de kinderen nare periode in het gezin definitief kan worden afgesloten.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n spreekt verdachte vrij van het onder feit 3 ten laste gelegde feit;\n\n verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R .M.H. Pennings (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. M. Hoedeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juni 2026.\n\nmr. R .M. Pennings is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer ON5R025012, gesloten op 21 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Melding Veilig Thuis d.d. 7 februari 2025, p. 14-16.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2025.\n\n Dit verhoor is opgenomen en vervolgens uitgekeken en uitgewerkt door verbalisanten van de politie van de eenheid Oost-Nederland.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 34, 37-38 en 41-44.\n\n Dit verhoor is opgenomen en vervolgens uitgekeken en uitgewerkt door verbalisanten van de politie van de eenheid Oost-Nederland.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 51, 56 en 59.\n\n Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2026.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 51-53, 55-56, 60 en 65-66.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 36 en 41.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4272","2026-05-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:31.860Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":93,"fullText":94,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":39,"updatedAt":97},"893","ECLI:NL:RBGEL:2025:12057","ecli-nl-rbgel-2025-12057","2025-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-320181-25 en 05-020359-26 (gev. ttz)\n\nDatum uitspraak : 26 mei 2025\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .\n\nRaadsvrouw: mr. H.E.M. Lucas, advocaat in Arnhem.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25\n\n1. hij op of omstreeks 25 november 2025 te Ede, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 480,33 gram) van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde MDMA en\u002Fof - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 403,34 gram) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijde amfetamine, althans (telkens) een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 september 2025 tot en met 25 november 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren en\u002Fof - het opzettelijk vervaardigen van amfetamine, zijnde amfetamine en\u002Fof MDMA, zijnde MDMA en\u002Fof een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - het regelen\u002Forganiseren van en\u002Fof bijdragen aan, dan wel het veelvuldig contact te hebben met andere personen (te weten onder andere afnemer(s)) die betrokken zijn bij het transport en\u002Fof de handel van de drugs (te weten onder meer amfetamine en\u002Fof MDMA) en\u002Fof - het aanbieden van de drugs (te weten onder meer amfetamine en\u002Fof MDMA) en\u002Fof - het voorhanden hebben van een (grote) hoeveelheid stoffen en\u002Fof materialen en\u002Fof goederen, te weten onder meer - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden gripzakje(s) en\u002Fof - een of meerdere weegschalen en\u002Fof - een keukenmixer (met kristalresten) en\u002Fof - contante geldbedragen (van in totaal €2630,-);\n\nOnder parketnummer 05-020359-26:\n\n1. hij op of omstreeks 9 september 2025 te Ede, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2316,61 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en\u002Fof ongeveer 43,29 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en\u002Fof MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks 9 september 2025 te Ede, althans in Nederland, een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nTen aanzien van parketnummer 05-320181-25\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-21;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 26 november 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 87-88, 92-94;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 6 januari 2026 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 95-96, 102-105;\n\n- de kennisgevingen van inbeslagneming, p. 142, 147, 153, 157, 160;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-21;\n\n- het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon verdachte, p. 80-85;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nAanvullende overwegingen\n\nDe rechtbank acht enkel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor zover deze zien op het verkopen en afleveren van harddrugs. Voor het overige zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.\n\nDe rechtbank acht voorts niet bewezen dat het contante geldbedrag dat door de politie in de woning van verdachte werd aangetroffen werd gebruikt voor de voorbereidingshandelingen. Ook kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte veelvuldigcontact heeft gehad met afnemers die betrokken zijn bij het transport en\u002Fof de handel van drugs. Evenmin is uit het dossier gebleken dat er sprake was van medeplegen. Ook van deze onderdelen van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van parketnummer 05-020359-26\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 11 september 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 137, 144-145;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 24 oktober 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 120-121, 123, 131-135;\n\n- de kennisgevingen van inbeslagneming, p. 191, 194, 200, 203, 209, 221;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;\n\n- het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 115-116;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25\n\n1. hij op of omstreeks25 november 2025 te Ede, althans in Nederland,opzettelijk aanwezig heeft gehad -een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 480,33 gram) van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde MDMA en\u002Fof-een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 403,34 gram) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine,althans (telkens) een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op een of meerdere tijdstippeninof omstreeksde periode van 11 september 2025 tot en met 25 november 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierdeof vijfdelid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijktelen, bereiden, bewerken, verwerken,verkopenenafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren en\u002Fof- het opzettelijk vervaardigenvan amfetamine, zijnde amfetamine en\u002FofMDMA, zijnde MDMA,en\u002Fof een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk gevaleen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s),wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door -het regelen\u002Forganiseren van en\u002Fof bijdragen aan, dan wel het veelvuldigcontact te hebben met andere personen (te weten onder andere afnemer(s)) die betrokken zijn bij het transport en\u002Fofde handel van de drugs (te wetenonder meeramfetamine en\u002FofMDMA) en\u002Fof- het aanbieden van de drugs (te wetenonder meeramfetamine en\u002FofMDMA) en\u002Fof- het voorhanden hebben vaneen (grote) hoeveelheid stoffen en\u002Fof materialen en\u002Fofgoederen, te weten onder meer - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelhedengripzakje(s) en\u002Fof-een ofmeerdere weegschalen en\u002Fof- een keukenmixer (met kristalresten).en\u002Fof - contante geldbedragen (van in totaal €2630,-);\n\nOnder parketnummer 05-020359-26\n\n1. hij op of omstreeks9 september 2025 te Ede, althans in Nederland,opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2316,61 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende amfetamine en\u002Fofongeveer 43,29 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en\u002FofMDMA,(telkens)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks9 september 2025 te Ede, althans in Nederland,een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25:\n\nfeit 1:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nfeit 2:\n\nom een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit\n\nOnder parketnummer 05-020359-26:\n\nfeit 1:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nfeit 2:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, in combinatie\n\nmet een voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verdachte is bereid zich aan deze voorwaarden te houden. Daarnaast staat verdachte positief tegenover een alternatieve straf in de vorm van een taakstraf.\n\nVerder heeft de raadsvrouw verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen tot aan de datum van de einduitspraak, zodat hij in de gelegenheid is om tijdig zijn woning leeg te halen.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft grote hoeveelheden harddrugs en een bus pepperspray in zijn woning aanwezig gehad. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs grote risico’s voor de gezondheid oplevert. De verspreiding van en handel in drugs gaan bovendien gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en geweld. Met zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit ernstige maatschappelijke probleem.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte vaker is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder drugsfeiten.\n\nOok heeft de rechtbank acht geslagen op het advies van de reclassering van 11 mei 2026 en de aanvulling daarop van 19 mei 2026. Daaruit volgt dat bij verdachte sprake is van instabiliteit op alle leefgebieden. Meerdere levensgebieden worden gezien als risicoverhogend, onder andere het psychosociaal functioneren en middelengebruik. Er is sprake van een langdurige verslaving aan amfetamine en een gokverslaving. De woning van verdachte is op last van de gemeente gesloten. Dit maakt dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering acht zorgvuldige begeleiding en ondersteuning noodzakelijk om de re-integratie van betrokkene goed te laten verlopen. Daarnaast dienen praktische zaken te worden geregeld, zoals het uitzoeken van de situatie rondom de woning. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:\n\nmeldplicht bij de reclassering;\n\nambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;\n\nverblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;\n\nverbod op het gebruik van verdovende middelen;\n\nverbod op deelname aan kansspelen;\n\nambulante woonbegeleiding;\n\ndiagnostiek.\n\nBij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.\n\nDe rechtbank vindt het van doorslaggevend belang dat de overgang naar het reguliere leven voor verdachte zo goed mogelijk verloopt. Daarvoor is van belang dat verdachte bij invrijheidsstelling in een stabiele situatie terechtkomt. Ter terechtzitting is gebleken dat de structuur en het ritme in detentie verdachte goed hebben gedaan. Hij is afgekickt van de middelen en hij heeft aan zijn gezondheid gewerkt. Ter terechtzitting is echter ook gebleken dat verdachte niet direct geplaatst kan worden in een instelling voor begeleid wonen vanwege wachtlijsten. Omdat hij niet meer terug kan naar zijn woning, heeft dit tot gevolg dat verdachte bij invrijheidsstelling in een dag- en nachtopvang zou moeten verblijven. Dit is geen wenselijke situatie, gelet op het hoge risico op recidive. De rechtbank zal daarom niet volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de verdediging is bepleit.\n\nAlles overwegend acht de rechtbank een straf gelijk aan de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, zullen deze voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.\n\nDe tijd die verdachte al in verzekering heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf.\n\nTot slot zal de rechtbank het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Nu er op de zitting van 26 mei 2026 direct mondeling uitspraak is gedaan, is een schorsing tot aan de uitspraakdatum niet meer aan de orde. Verdachte kan om kortdurende strafonderbreking vragen bij de PI waar hij verblijft.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\n8. De beoordeling van het beslag\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 05-320181-25 is onder verdachte beslag gelegd op:\n\neen contant geldbedrag van € 2.630,00 (voorwerpnummer BZAU7248);\n\neen telefoontoestel van het merk Oppo (voorwerpnummer BZAU7228).\n\nDe officier van justitie heeft verzocht om beide goederen verbeurd te verklaren.\n\nDe raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de teruggave aan verdachte te gelasten van beide goederen. Ten aanzien van het geldbedrag is daartoe aangevoerd dat de ten laste gelegde feiten op zichzelf niet winstgevend zijn en dat niet is gebleken dat deze feiten zijn begaan of voorbereid met betrekking tot of met behulp van het geldbedrag. Evenmin is gebleken dat het inbeslaggenomen geldbedrag een rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van drugshandel of bij drugsbezit. Er is dus geen grond aanwezig als bedoeld in artikel 33a Wetboek van Strafrecht (Sr) waarop het geldbedrag verbeurd kan worden verklaard. Ten aanzien van de telefoon is bepleit dat verbeurdverklaring niet proportioneel is, omdat daar slechts een klein aantal berichten op is aangetroffen dat belastend kan zijn.\n\nDe rechtbank zal de teruggave van het geldbedrag aan verdachte gelasten, omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet. Er is geen grond aanwezig zoals bedoeld in artikel 33a Sr waarop het geldbedrag verbeurd kan worden verklaard.\n\nDe rechtbank zal beslissen dat het telefoontoestel verbeurd wordt verklaard, omdat het tenlastegelegde onder feit 2 met behulp van dit telefoontoestel is begaan.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2, 10 en 10a van de Opiumwet;\n\n- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden;\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n- Meldplicht bij reclassering\n\nVerdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Tactus Reclassering. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n- Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname\n\nVerdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en\u002Fof verslavingsproblematiek, Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\nIndien er sprake is van een terugval in middelengebruik\u002Fbij overmatig middelengebruik en\u002Fof een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;\n\n- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nVerdachte verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n- Verbod verdovende middelen\n\nVerdachte gebruikt gedurende de proeftijd geen verdovende middelen als genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles (urineonderzoek, ademonderzoek en\u002Fof een speekseltest). De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n- Verbod kansspelen\n\nVerdachte neemt gedurende de proeftijd niet deel aan kansspelen;\n\n- Ambulante woonbegeleiding\n\nVerdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan ambulante woonbegeleiding, zolang de reclassering deze begeleiding nodig vindt;\n\n- Diagnostiek\n\nVerdachte verleent gedurende de proeftijd zijn medewerking aan diagnostiek, zolang de reclassering dit nodig vindt. Verdachte dient zich daarbij te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de diagnostiek door of namens degene die het onderzoek verricht zullen worden gegeven;\n\n stelt als overige voorwaardendat verdachte:\n\n- zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;\n\n- zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;\n\n geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;\n\n beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n wijst af het verzoek tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis;\n\nBeslissing op het beslag\n\n verklaart verbeurd het telefoontoestel van het merk Oppo (voorwerpnummer BZAU7228);\n\n gelast de teruggave aan verdachte van het contante geldbedrag ter waarde van € 2.630,00 (voorwerpnummer BZAU7248).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.\n\nmr. Goossens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025571803, gesloten op 10 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025436710, gesloten op 9 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12057","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:53.284Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":39,"updatedAt":105},"1208","ECLI:NL:GHARL:2025:1430","ecli-nl-gharl-2025-1430","2025-03-12T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003130-22\n\nUitspraak van 12 maart 2025\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 19 juli 2022 met parketnummer 05-780013-20 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1978,\n\nwonende te [adres] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft daarnaast kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,\n\nmr. E. Manders, naar voren is gebracht.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht door de advocaat van de benadeelde partijen, mr. P.M. Breukink.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nVerdachte is door de rechtbank vrijgesproken van alle ten laste gelegde vormen van betrokkenheid bij de dood van zijn partner [slachtoffer] .\n\nDe rechtbank heeft – kort gezegd – geoordeeld dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van het door verdachte samendrukken van haar hals. De rechtbank heeft echter overwogen dat aannemelijk is geworden dat verdachte geen opzet heeft gehad op het overlijden van [slachtoffer] , ook niet in voorwaardelijke zin, en dat sprake is geweest van een ongeluk.\n\nDe benadeelde partijen, [moeder slachtoffer] en [dochter slachtoffer] , de moeder respectievelijk de dochter van [slachtoffer] , zijn als gevolg van deze integrale vrijspraak in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHet hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:\n\nprimair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door op het hoofd en\u002Fof de hals en\u002Fof de borst van die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) toe te passen\u002Fuit te oefenen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;\n\nsubsidiair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door op het hoofd en\u002Fof de hals en\u002Fof de borst van die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) toe te passen\u002Fuit te oefenen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;\n\nmeer subsidiair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten kneuzingen aan het hoofd, halsspierbloedingen en\u002Fof uitgebreide stuwingsverschijnselen, heeft toegebracht, door op het hoofd en\u002Fof de hals en\u002Fof de borst van die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) toe te passen\u002Fuit te oefenen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;\n\nmeest subsidiair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, op het hoofd en\u002Fof de hals en\u002Fof de borst van deze [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) heeft toegepast\u002Fuitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.\n\nStandpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Hij heeft daarom vrijspraak gevorderd van de primair ten laste gelegde moord.\n\nHij heeft betoogd dat wel bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde doodslag.\n\nHij heeft daartoe aangevoerd dat uit de deskundigenrapportages volgt dat het slachtoffer door samendrukkend geweld op de hals, ook wel: verwurging, om het leven is gekomen.\n\nNu verdachte de enige persoon is die bij het slachtoffer aanwezig was in het tijdsbestek waarin het fatale letsel moet zijn ontstaan, gaat de advocaat-generaal ervan uit dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft gewurgd.\n\nDe advocaat-generaal acht de verklaringen van verdachte en het door hem geschetste alternatieve scenario niet alleen onvoldoende om het letsel te verklaren maar ook volstrekt ongeloofwaardig. Bij gebreke van een aannemelijke verklaring van verdachte moet volgens de advocaat-generaal worden geconcludeerd dat het verwurgen van het slachtoffer zodanig op de dood gericht is geweest dat het niet anders kan dan dat verdachte dat gevolg willens en wetens heeft aanvaard.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het slachtoffer opzettelijk om het leven heeft gebracht.\n\nDe combinatie van extreme GHB-intoxicatie, een fysieke interactie waarbij verdachte probeerde zijn partner in bedwang te houden en de daarmee gepaard gaande mogelijkheid van een verstikkingshouding, maken het scenario aannemelijk dat sprake is geweest van een ongeluk.\n\nBovendien ontbreken objectieve aanknopingspunten die duiden op een motief voor verdachte om het slachtoffer te doden en het door hem gepleegde geweld vervolgens te verhullen, aldus de raadsman.\n\nDe verklaring van verdachte\n\nVerdachte is op 9 april, 13 april, 14 april, 15 april, 14 mei, 29 mei, 23 juli en 24 juli 2020 en op 20 april 2021 door de politie verhoord.\n\nOp de zitting van de rechtbank op 16 juni 2022 heeft verdachte voor het eerst een verklaring afgelegd over de momenten waarop hij het slachtoffer voor het laatst in leven heeft gezien. Hij heeft deze verklaring op de zitting van het hof van 6 februari 2025 herhaald en op sommige punten aangevuld.\n\nDe verklaring van verdachte houdt in de kern het volgende in.\n\nVerdachte en het slachtoffer hebben vanaf zondag 5 april 2020 tot donderdag 9 april 2020 samen veel drugs (GHB en amfetamine), lachgas en alcohol gebruikt en weinig geslapen. Zij deden dit in “de kantine”, zoals zij een ruimte in hun woning aan [straat] in [plaats] noemden.\n\nOp 9 april 2020 zag verdachte op een gegeven moment dat het slachtoffer voor hem op de grond zat en dat zij “bijna outging”, waarmee verdachte bedoelt dat zij heel erg druk was, begon te blazen en te kreunen, onsamenhangend sprak en alsmaar extra GHB wilde pakken.\n\nVerdachte wilde het slachtoffer tegen zichzelf in bescherming nemen. Om te voorkomen dat zij opnieuw GHB zou innemen, heeft hij haar toen beetgepakt. Verdachte deed dit door van de bank op te staan, naar beneden te reiken om het op dat moment nog op de grond zittende slachtoffer van achteren met zijn armen rond haar middel en om haar armen te omklemmen, haar tegen zich aan omhoog te trekken en, nadat hij zelf in zittende houding op de bank was gekomen, haar op de bank te leggen.\n\nTijdens deze handelingen hield verdachte het slachtoffer omklemd omdat zij bleef tegenstribbelen, wild om zich heen sloeg en opnieuw GHB wilde pakken.\n\nVerdachte is vervolgens op de bank in slaap gevallen terwijl hij, denkt hij, het slachtoffer nog altijd vasthield. Hij heeft op dat moment niet gezien dat zij in slaap viel. Verdachte heeft verklaard dat hij zich kan voorstellen dat zijn arm tijdens het op de bank trekken van het slachtoffer in de richting van haar hals is verschoven, waarbij haar hoofd plotseling dan wel geleidelijk met de nodige kracht naar achteren is getrokken waardoor hyperextensie is veroorzaakt die enige tijd heeft aangehouden, zoals door de rechtbank is overwogen. Hierdoor zouden de halsspierbloedingen en de stuwingsverschijnselen dan zijn ontstaan. Verdachte heeft aan het naar boven verschuiven van zijn arm richting de hals van het slachtoffer echter geen herinnering.\n\nToen verdachte wakker werd, is hij naar de wc gegaan. Toen hij daarvan terugkwam, probeerde hij het slachtoffer wakker te maken. Toen zij niet reageerde, maakte verdachte zich in eerste instantie nog geen zorgen omdat hij dacht dat ze nog outwas (waarmee hij in deze context bedoelt dat zij sliep door de GHB).\n\nVerdachte heeft het slachtoffer opgepakt en heeft haar vervolgens naar de slaapkamer getild, omdat hij weg wilde uit het “junkenhok” zoals hij de kantine op dat moment typeerde.\n\nToen verdachte het slachtoffer optilde, merkte hij dat ze koud en klam was en niet meewerkte. Ook reageerde ze niet op pijnprikkels.\n\nNadat verdachte haar naar de slaapkamer had gebracht en haar op het bed had gelegd, zag hij dat het slachtoffer er “rood, blauw of misschien wel paars” uitzag en constateerde hij voor het eerst dat ze letsel aan haar hoofd had en dat er bloed uit haar neus kwam.\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij denkt dat het slachtoffer, nadat hij haar had beetgepakt en op de bank had gelegd, op enig moment wakker is geworden, opnieuw GHB heeft gepakt en mogelijk “laveloos tegen een muur aan is gelopen”. Verdachte vermoedt dat de letsels aan het gezicht op dat moment zijn ontstaan, maar hij weet dat niet zeker.\n\nVerdachte heeft het slachtoffer mond-op-mondbeademing gegeven. Toen dat geen effect had, realiseerde hij zich dat het “foute boel” was en dat het slachtoffer mogelijk was overleden. Verdachte is toen gedurende enige tijd naast haar gaan liggen en heeft afscheid van haar genomen. Ook heeft hij haar omgekleed, het bed verschoond, de wasmachine aangezet en de kantine opgeruimd. Daarna heeft verdachte eerst zijn ouders en vervolgens het alarmnummer gebeld.\n\nBewijsmiddelen\n\nInleiding\n\nNiet ter discussie staat dat verdachte en het slachtoffer dagen achter elkaar (vanaf zondag 5 april 2020 tot en met donderdag 9 april 2020) samen veel drugs (in het bijzonder amfetamine en grote hoeveelheden GHB) en daarnaast (veel) lachgas hebben gebruikt.\n\nIn de avond van woensdag 8 april 2020 en in de nacht van woensdag 8 op donderdag 9 april 2020 hebben beiden ook alcohol gedronken.\n\nDit gebruik heeft plaatsgevonden in één van de ruimtes in de woning aan [straat] in [plaats] , in het proces-verbaal aangeduid als “de kantine”.\n\nUit de verklaringen van verdachteen de bevindingen van het onderzoek aan de telefoon van het slachtoffervolgt dat zij op woensdag 8 april 2020 nog in leven was.\n\nHet hof zal daarom hierna enkel ingaan op de (relevante) gebeurtenissen van ná 8 april 2020.\n\nFeiten en omstandigheden op donderdag 9 april 2020\n\nUit onderzoek aan de telefoon van het slachtoffer (een Samsung Galaxy S10) volgt dat daarmee – voor zover relevant – op donderdag 9 april 2020 de volgende handelingen zijn verricht:\n\n- om 00.00 uur is een WhatsAppbericht gelezen;\n\nom 02.11 uur is het toestel ontgrendeld, en is onder andere de Marktplaatsapplicatie gebruikt;\n\nom 09.09 uur registreerde de telefoon surfgedrag dat gekoppeld is aan de activiteitentijdslijn van Google;\n\nom 12.43 uur is het toestel uitgeschakeld door handelen van de gebruiker. Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer haar telefoon zelf heeft uitgezet omdat zij geen zin had om [naam] [het hof begrijpt: haar ex-partner, [naam] ]te woord te staan die op dat moment belde;\n\nom 18.09 uur is het toestel weer ingeschakeld;\n\ntussen 18.47 uur en 18.53 uur is er in totaal negen keer een foutief toestelwachtwoord opgegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment probeerde in de telefoon van het slachtoffer te komen zodat hij het nummer van de huisarts kon opzoeken.\n\nOp 9 april 2020 tussen 18.56 uur en 19.20 uur is op de laptop (een Apple MacBook) via Googlegezocht naar de zoekterm “huisarts [plaats] ”.Verdachte heeft verklaard dat hij degene is geweest die deze handeling heeft verricht.\n\nOp 9 april 2020 om 19.14 uur heeft verdachte met de vaste telefoonlijn naar huisarts [huisarts 1] gebeld.Verdachte belde naar eigen zeggen voor advies naar de huisarts, nadat hij had geconstateerd dat het slachtoffer niet meer reageerde, ook niet op pijnprikkels, en dat zij er “rood, blauw of misschien wel paars” uitzag en koud was. Verdachte heeft de huisarts niet gesproken.\n\nUit de verklaring van verdachte volgt verder dat hij zag dat er bloed op het shirt van het slachtoffer zat. Hij heeft het shirtje en broekje van het slachtoffer vervolgens uitgetrokken, een ander shirt en een ander broekje gepakt en deze bij haar aangedaan. Tijdens het omkleden voelde het slachtoffer volgens verdachte “hard”, “klam” en “heel stijf”, en het was alsof zij “tegendruk” gaf.\n\nDe politie heeft geconstateerd dat er over de rand van de wasmand een wit topje en een kussensloop hingen. Aan de voorzijde van het topje zat bloed.\n\nOok zag verdachte dat er bloed op het onderlaken van het bed zat. Hij heeft het beddengoed daarom in de wasmachine gedaan en de wasmachine aangezet.\n\nDe politie heeft geconstateerd dat de wasmachine ingeschakeld was. De stand van de wasmachine stond op: “Snel & Mix” en “40 graden”, de status stond op “einde”.\n\nDe wasmachine was gevuld met een theedoek, een kussensloop, een dekbedovertrek, een gastendoekje en drie hoeslakens. De goederen voelden vochtig aan.\n\nVerder heeft verdachte verklaard dat hij na het omkleden van het slachtoffer en het verschonen van het beddengoed in afwachting van de ouders van [slachtoffer] en de politie nog wat heeft opgeruimd door de gebruikte lachgasballonnen en wat andere rommel onder de bank in de kantine te schuiven.\n\nDoor de medewerkers van de afdeling Forensische Opsporing is onderzoek in de woning aan [straat] verricht. Op een aantal foto’s die naar aanleiding van dit onderzoek in de garage van de woning zijn gemaakt, is een lachgas-cilinder zichtbaar. Die cilinder was afgedekt met een doek. De wijze van aantreffen maakte op de verbalisant een zorgvuldig opgeruimde indruk waarvoor de tijd was genomen.\n\nVijftig minuten nadat verdachte het nummer van de huisarts had opgezocht (maar deze niet had gesproken), om 20.04 uur, heeft verdachtezijn ouders gebeld.Hij heeft verklaard dat hij op dat moment al wist dat het slachtoffer was overleden.\n\nOmstreeks 20.05 uur heeft verdachte gebeld naar het alarmnummer 112. Tijdens het gesprek met de centralist van de meldkamer heeft verdachte gezegd dat zijn vrouw raar deed, dat ze heel slecht ademde en dat het leek alsof ze blauw zag. Verder heeft verdachte gezegd dat ze buiten bewustzijn leek en dat hij haar middenrif niet meer op en neer zag gaan.\n\nOm 20.08 uur kreeg getuige [getuige] als burgerhulpverlener een melding van een reanimatie. Hij is ter plaatse gegaan en liep achter een man aan de woning binnen, naar een kamer waar het helemaal donker was. Naast het bed lag een vrouw op de grond. [getuige] heeft de man gevraagd een lamp aan te doen. Toen hij de reanimatie wilde starten, constateerde hij dat de vrouw ijskoud aanvoelde, dat haar arm stijf was en dat ze een gestuwd bovenlichaam had.\n\nDe politie arriveerde omstreeks 20.15 uur. Zij zagen in de slaapkamer het levenloze lichaam van een vrouw liggen. Van de ambulancemedewerkers hoorden zij dat reanimeren geen zin meer had omdat het slachtoffer al was overleden en koud aanvoelde.\n\nOmstreeks 21.30 uur arriveerde de huisarts [huisarts 2] . Na onderzoek aan het slachtoffer deelde de huisarts mee dat hij gelet op het aantal bevindingen geen verklaring van natuurlijk overlijden wilde afgeven en hij de zaak wilde overdragen aan een forensisch arts.\n\nOp 9 april 2020 omstreeks 22.00 uur is door de politie forensisch onderzoek verricht. De verbalisanten zagen dat het slachtoffer forse stuwing in het gezicht en de hals vertoonde. Verder zagen zij dat er bloed in het rechterneusgat zichtbaar was en dat er twee bloedspoortjes vanaf de neus naar het rechteroor liepen. Ook zagen de verbalisanten in de huid van het hoofd petechiae (puntbloedingen) en vibices (puntvormige veranderingen).\n\nDe verbalisanten constateerden dat de temperatuur van het slachtoffer op 9 april 2020 omstreeks 23.30 uur 27.3 °C bedroeg bij een omgevingstemperatuur van 18.0 °C.\n\nBij een afname van ongeveer 10.0 °C, uitgaande van een normale lichaamstemperatuur van 37.0 °C, zou het postmortale interval volgens de verbalisanten zeer waarschijnlijk aanzienlijk groter zijn dan de tijd tussen de melding van het overlijden en het uitvoeren van de meting.\n\nOp basis van de gemeten temperatuur van het slachtoffer, de omgevingstemperatuur en het geschatte gewicht van het slachtoffer, is geconcludeerd dat het tijdstip van overlijden hoogstwaarschijnlijk tussen donderdag 9 april 2020 om 05.30 uur en donderdag 9 april 2020 om 14.30 uur heeft gelegen.\n\nHet slachtoffer is geïdentificeerd als [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1980.\n\nForensische bevindingen\n\nOp 10 april 2020 omstreeks 01.18 uur heeft schouwarts [schouwarts] in het bijzijn van de politie een lijkschouw verricht. Bij deze schouw werden diverse hematomen en huidbeschadigingen op de linkerzijde van het voorhoofd en bij de haargrens geconstateerd.\n\nDaarnaast vertoonde het gelaat forse stuwing en had het slachtoffer petechiae in de slijm-\u002Fbindvliezen van beide ogen, in het oogwit van het linkeroog en in de slijmvliezen in de mond.\n\nOp 11 april 2020 heeft patholoog dr. [patholoog 1] (hierna: [patholoog 1] ) samen met patholoog [patholoog 2] sectie verricht op het lichaam van het slachtoffer. De voorlopige conclusie naar aanleiding van deze sectie houdt in dat het intreden van de dood van het slachtoffer verklaard kan worden door het volgende:\n\n1. Uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurging).\n\nBij de sectie werden inwendige letsels (bloeduitstortingen) in de schuine halsspieren beiderzijds vastgesteld, reikend tot aan beide sleutelbeenderen.\n\nOok werden tekenen van bij leven ontwikkelde stuwing vastgesteld. Deze letsels\u002Fbevindingen zijn ontstaan ten gevolge van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals. Samendrukkend geweld op de hals leidt doorgaans tot zuurstofgebrek in de hersenen (cerebrale hypoxie).\n\n2. ( (Samen)drukken van de mond en neus (smoren).\n\nBij de sectie werden letsels aan de neus en de onderlip vastgesteld. Deze letsels waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld (zoals door stoten, vallen, slaan, tegen iets aankomen), (samen)drukken van de mond en neus (smoren) of een combinatie van voornoemde oorzaken.\n\n3. Mechanische traumatische asfyxie (drukuitoefening op de borst met verstikkingseffecten tot gevolg).\n\nBij de sectie werden uitwendige letsels van de borst vastgesteld. Deze letsels waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend, mogelijk deels comprimerend geweld en deels zuigend geweld (zuigen aan de borstklieren).\n\nHiermee wordt gedacht aan drukuitoefening (traumatische mechanische compressie) op de borst zoals door stompen, zitten, duwen tegen de borst. Dit kan hebben geleid tot zuurstofgebrek en de dood.\n\nDe combinatie van geweld op de mond\u002Fneus (smoren) en drukuitoefening op de borst (traumatische mechanische compressie) kan gelijktijdig hebben plaatsgehad, ook wel ‘burking’ genoemd.\n\nTeneinde een toxicologische mede-doodsoorzaak of beïnvloeding te onderzoeken, is een toxicologisch onderzoek uitgevoerd.\n\nUit het rapport van toxicoloog drs. [toxicoloog] volgt dat in het lichaamsmateriaal van het slachtoffer de volgende stoffen zijn aangetoond:\n\n Ethanol (alcohol): 0,86 mg\u002Fml in het femoraalbloed.\n\nDe gemeten ethanolconcentratie in het femoraalbloed is een concentratie waarbij, bij een gematigde gebruiker, onder andere opgewektheid, enige ontremming, verhoogde spraakzaamheid, verstoorde waarneming en vertraagde reactietijd kunnen optreden;\n\n GHB: 530 mg\u002Fl.\n\nDe gemeten GHB-concentratie in het femoraalbloed is een hoge concentratie waarbij toxische verschijnselen kunnen optreden, waaronder diepe coma-achtige slaap. Gelijktijdig gebruik van dempende stoffen (GHB en ethanol) leidt tot een sterker dempend effect op het centraal zenuwstelsel dan de stoffen afzonderlijk doen. In dit geval kunnen de effecten van GHB worden versterkt door de aanwezigheid van ethanol;\n\nBenzodiazepinen: diazepam en omzettingsproduct desmethyldiazepam in lage concentraties (0,019 mg\u002Fl en 0,013 mg\u002Fl);\n\nAmfetamine in een lage concentratie.\n\nDe toxicoloog heeft verder het volgende gerapporteerd.\n\nIn het hartbloed is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van salicylzuur (dat is een stof met een pijnstillende, koortsverlagende, ontstekingsremmende werking), maar het is niet met zekerheid in het hartbloed aangetoond. Er zijn geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van andere geneesmiddelen, drugs en\u002Fof bestrijdingsmiddelen.\n\nDe gemeten GHB-concentratie is volgens de toxicoloog een concentratie die beter past bij GHB-concentraties die zijn gemeten bij personen die zijn overleden aan een GHB-overdosis dan bij GHB-concentraties gemeten bij personen die niet zijn overleden.\n\nDe effecten zijn echter afhankelijk van de mate van gewenning aan GHB. De toxicoloog concludeert dat de GHB-concentratie een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden, onder andere door de dempende werking op de ademhaling en het centraal zenuwstelsel, en kan bij uitsluiting van een meer waarschijnlijke doodsoorzaak het overlijden verklaren.\n\nUit het definitieve sectierapport van 11 september 2020 van patholoog [patholoog 1] volgt onder andere het volgende.\n\nBij sectie werden tekenen van bij leven ontwikkelde stuwingsverschijnselen vastgesteld, met rood-paarse verkleuring van het gelaat en de hals, talrijke puntvormige bloeduitstortingen (petechiae) onderhuids in het gelaat, grotere bloeduitstortingen (ecchymosen) in de bindvliezen en het oogwit boven- en onderwaarts beiderzijds en puntvormige bloeduitstortingen in het tandvlees rechtsboven.\n\nDoorgaans worden stuwingsverschijnselen (petechiae en ecchymosen en rode verkleuring van het gelaat en de hals) opgeleverd door:\n\nbij leven doorgemaakt uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurging). De halsspierbloedingen passen hier ook goed bij;\n\neen plotse (acute) hartdood (maar daar was gezien de sectiebevindingen geen sprake van), en\n\nintensieve reanimatie door medici (maar daar was gezien de verkregen informatie geen sprake van).\n\nBij leven opgelopen samendrukkend geweld op de hals (verwurging) dient, mede gezien de halsspierbloedingen en de uitgebreidheid van de stuwingsverschijnselen, daarom als oorzaak voor de stuwingsverschijnselen te worden overwogen.\n\nIndien dat aan de orde is geweest, wordt verwurging aangewezen als (mede)oorzaak van of als bijdrage aan het overlijden.\n\nMevrouw [patholoog 1] heeft verder gerapporteerd dat, indien er geen sprake is geweest van samendrukkend geweld op de hals (verwurging) als oorzaak van de stuwingsverschijnselen, het volgende als zeldzame, maar niet uitgesloten oorzaak moet worden overwogen (mede gelet op de houding van de overledene (rondom\u002Fkort na het overlijden) en de uitkomsten van het uitgebreid toxicologisch onderzoek).\n\nIn het licht van de omstandigheden dat:\n\nde overledene gezien de uitkomst van het toxicologisch onderzoek bij leven\u002Frondom het overlijden onder invloed van dempende stoffen is geweest (dat, al of niet gecombineerd met de hoofdletsels, tot een verminderd bewustzijn kan hebben geleid);\n\nde overledene in deze toestand mogelijk gedurende een bepaalde tijd in verminderd bewustzijn en in een bepaalde houding heeft gelegen (posturale asfyxie: bijvoorbeeld rugligging of buikligging met omlaag afhangen van het hoofd\u002Fde hals (denk bijvoorbeeld aan met het hoofd langs de rand van een bank of bed, waarmee ook de distributie van lijkvlekken kan worden verklaard; echter de uitgebreidheid van de beiderzijds in de hals vastgestelde bloeduitstortingen past daar niet goed bij)), en\n\ner mogelijk sprake is geweest van gebruik van aspirine (aspirine is niet met zekerheid aanwezig geacht door de toxicoloog; aspirine heeft mede een effect op de bloedplaatjes waardoor bloedverdunning kan zijn ontstaan en daardoor de uitgebreidheid en grootte van de petechiae en ecchymosen (enigszins) kan zijn beïnvloed); kan het gehele beeld van stuwing ook worden verklaard zonder dat er sprake geweest is van samendrukkend geweld (verwurging) als oorzaak.\n\nDe patholoog vat haar bevindingen als volgt samen.\n\nHet intreden van de dood kan goed en volledig worden verklaard op toxicologische gronden, namelijk door de effecten van een hoge concentratie GHB.\n\nHet overlijden kan op grond van de sectiebevindingen echter op traumatische gronden, namelijk door samendrukkend geweld op de hals (verwurging), niet worden uitgesloten.\n\nVanwege het totale beeld van letsels\u002Fbevindingen die bij leven waren ontstaan (waaronder kneuzingen aan het hoofd, de halsspierbloedingen en de uitgebreide stuwingstekenen met onder andere vele petechiën), die niet kunnen worden verklaard op grond van een intoxicatie, gaat voor wat betreft de doodsoorzaak de voorkeur in het onderhavige geval uit naar geweldpleging door een andere persoon door middel van samendrukkend, toesnoerend geweld op de hals bij een zwaar geïntoxiceerd persoon (waarbij GHB-intoxicatie een bijdrage kan hebben gehad).\n\nNaast de hiervoor weergegeven bevindingen heeft de patholoog tijdens de sectie talloze overige letsels vastgesteld:\n\n Letsels hoofd uitwendig (voorhoofd, neus, mond en behaarde hoofd: letsels A,B, CenN):\n\nA: Aan het voorhoofd links en deels aan het behaarde hoofd links waren er 3 letsels\n\nbestaande uit roodbruine tot zwarte huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen met plaatselijk indroging en geringe oppervlakkige\n\nhuidbeschadiging. De grootste was maximaal 2 bij 1,1 centimeter. Wonddateringsonderzoek toonde aan dat dit letsel vitaal was (dus bij leven opgeleverd) met een reactie passend bij een meerdere uren vóór het overlijden ontstaan letsel.\n\nB: Verspreid aan de neus waren circa 14 kleine oppervlakkige huidbeschadigingen\n\nmet roodheid van in de huid gelegen bloeduitstortingen, maximaal circa 0,3 bij 0,1 centimeter.\n\nC: In het slijmvlies van de onderlip (onder de lipriem) en daarnaast rechts waren in\n\ntotaal 3 bloeduitstortingen.\n\nN: Aan het behaarde hoofd links, aan het voorhoofd links, doorlopend tot aan het\n\nlinkeroor voorwaarts, was er letsel met een bepaald patroon. Het betrof een gebied\n\nvan circa 20 bij 7,5 centimeter met daarin circa 37 oppervlakkige krasvormige huidbeschadigingen van circa 4 bij 0,1 centimeter met roodheid van in de huid gelegen bloeduitstortingen. Ze lagen op een onderlinge afstand van circa 0,2-1,4 centimeter en verliepen iets schuin op de lengteas van het lichaam.\n\nWonddateringsonderzoek van dit letsel toonde geen overtuigende kenmerken van vitaal (bij leven opgeleverd) letsel, maar wel lichtmicroscopisch plaatselijk uitgetreden rode bloedcellen (extravasatie van erythrocyten). Macroscopisch\n\nwas bij sectie evident vitaal letsel zichtbaar. De uitkomst van wonddateringsonderzoek van dit letsel is dus niet in lijn met datgene dat\n\nmacroscopisch is vastgesteld (mogelijke oorzaken van deze discrepantie zijn:\n\ninadequate bemonstering van het letsel of rondom het overlijden ontstaan letsel met\n\ndaardoor uitblijven van zichtbare wondreactie). Letsel hoofd inwendig: in relatie met de letsels AenNwas er een uitgebreide bloeduitstorting binnenwaarts in de schedelhuid links, in het botvlies en in een groot deel van de linkerslaapspier.\n\nLetsels romp: er waren aan de borst, buik en de rechter bil enkele huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen, maximaal circa 6,2 bij 2 centimeter.\n\nLetsels hals inwendig: inwendig waren in beide schuine halsspieren in lengterichting verlopende vrijwel over de gehele lengten van die spieren verlopende bloeduitstortingen, reikend tot aan beide sleutelbeenderen en hoog tot onder de kaaklijnen. Ook in de spieren langs en voorwaarts van de halswervels waren enkele bloeduitstortingen.\n\nLetsels ledematen: verspreid aan de ledematen (strek- en buigzijde, zij- en binnenwaarts) waren talloze rode, paarse, blauwe, groene huidverkleuringen en 1 gele huidverkleuring van onderhuidse bloeduitstortingen (hematomen). Wonddateringsonderzoek van letsel aan de strekzijde van de rechteronderarm toonde een vitaal (bij leven ontstaan) letsel met een reactie passend bij meerdere uren vóór het overlijden ontstaan letsel.\n\nDeze letsels zijn volgens de patholoog bij leven ontstaan door uitwendig mechanisch stomp botsend, al of niet drukkend geweld zoals door stoten (vallen, slaan, tegen iets aankomen) en hebben geen rol van betekenis gespeeld bij het intreden van de dood.\n\nTen aanzien van de letsels aan het behaarde hoofd en voorhoofd (letsels AenN), die tot aan de binnenzijde van de schedelhuid en tot in het botvlies van het schedeldak en de linkerslaapspier reikten, heeft de patholoog opgemerkt dat deze letsels bij leven zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend, al of niet tevens drukkend geweld zoals door hevig slaan (al of niet met een voorwerp, zie in dat kader ook het typisch patroon van letselN) of hevig vallen (waarbij gezien letselNhevig vallen op een structuur met een bepaald patroon dient te worden overwogen). Deze letsels hebben niet geleid tot letsels inwendig in de schedelholte en zijn niet van belang voor de dood, maar kunnen wel geleid hebben tot bewustzijnsstoornissen.\n\nIn een aanvullend rapport van 2 februari 2021 heeft de toxicoloog nog het volgende opgemerkt. Op basis van de snelheid van de klaring van GHB [het hof begrijpt: de snelheid waarmee het lichaam het middel verwerkt]past de hoogte van de gemeten concentratie bij een inname in de uren voorafgaand aan het overlijden van het slachtoffer en niet bij een inname van GHB tijdens de dag(en) daarvoor.\n\nNaar aanleiding van nader onderzoek naar de bevindingen van de patholoog en de toxicoloog heeft professor [forensisch patholoog] , forensisch patholoog, in zijn rapport van 16 juni 2021 het volgende geconcludeerd.\n\nZowel GHB als alcohol heeft een cardiorespiratoir onderdrukkend effect [het hof begrijpt: een onderdrukkend effect op het hart en de ademhaling].GHB heeft een nauwe toxische marge en een snel effect na inname. De aangetroffen GHB-concentratie in dit geval is, conform de NFI-rapportage, zeker van dien aard om het overlijden te kunnen verklaren. Er kan aldus worden besloten dat de vastgestelde GHB-concentratie, indien deze al niet fataal was, op zijn minst ernstige symptomen met een indaling van het bewustzijn moet hebben veroorzaakt. De combinatie van de vastgestelde letsels kan op zich de dood veroorzaken volgens de mechanismen van smoring, geweld op de hals, dooddrukking of een combinatie van deze mechanismen. In dit geval kan noch worden uitgesloten, noch worden bewezen, dat deze mechanismen hebben bijgedragen tot de dood. Desalniettemin kan, op basis van de huidige, aan de deskundigen beschikbaar gestelde elementen in het dossier, onvoldoende alternatieve verklaring worden gegeven voor de stuwingsverschijnselen en traumatische letsels, zoals vastgesteld bij de inwendige lijkschouwing.\n\nVerhoren van de deskundigen tijdens de zitting van 14 januari 2022\n\nOp de zitting van de rechtbank van 14 januari 2022 zijn de deskundigen [patholoog 1] , [forensisch patholoog] , [toxicoloog] en [deskundige] zeer uitvoerig gehoord over hun bevindingen. De verklaringen van de deskundigen op de zitting houden – voor zover relevant – het volgende in.\n\nDeskundige [patholoog 1] heeft meermalen benadrukt dat, waar het gaat om de vraag naar de oorzaak van de letsels, naar het geheel van de letsels moet worden gekeken en dat deze niet los van elkaar kunnen worden beoordeeld.\n\nDe verschillende vaststellingen moeten met elkaar in verband worden gebracht om daarvoor een logische, aanvaardbare en in de wetenschappelijke literatuur erkende verklaring te vinden, aldus ook deskundige [deskundige] .\n\nVolgens deskundige [forensisch patholoog] mag de discussie over de oorzaak van de bloedingen in de halsspieren niet los worden gezien van de begeleidende fenomenen, zoals de stuwingsverschijnselen: de betreffende bevindingen moeten samen worden gezien en beoordeeld.\n\nDeskundige [deskundige] heeft verklaard dat de halsspierbloedingen een traumatische oorsprong hebben. Hij meent dat, kijkend naar de forensische literatuur, de meest voorkomende oorzaak van halsspierbloedingen (zoals ze bij het slachtoffer beschreven en vastgesteld zijn) wordt gevormd door samendrukkend of toesnoerend geweld tegen de hals. Bijkomende argumenten zijn de uitgebreide stuwingstekenen in het gelaat. Vaak zijn er puntvormige bloedingen in oogbindvliezen maar in dit geval zijn ook puntbloedingen, petechiën, aangetroffen in de gelaatshuid. Dat wordt niet vaak gezien en wijst op een uitgesproken stuwing, veroorzaakt door hetzelfde mechanisme als waardoor halsspierbloedingen worden veroorzaakt, namelijk het toedrukken van de hals.\n\nDe belangrijkste reden om een stoot, een val of een stomp uit te sluiten is de aanwezigheid van puntbloedingen. Gelet op de combinatie van de halsspierbloedingen met de zeer uitgesproken stuwingsverschijnselen in het gelaat, schuift deskundige [deskundige] samendrukkend of toesnoerend geweld tegen de hals als meest waarschijnlijke oorzaak naar voren, waarbij hij spreekt van hoogst waarschijnlijk, zijnde de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Daarbij kan niet gezegd worden of het gaat om strangulatie, een armklem of wurging.\n\nHet kan volgens deskundige [patholoog 1] , gelet op de stuwingsverschijnselen en de bloedingen in de halsspieren, niet zo zijn dat het slachtoffer zichzelf op verschillende plaatsen in de hals heeft gebotst, zichzelf halsspierbloedingen heeft toegebracht of zichzelf heeft gewurgd.\n\nWaar [patholoog 1] in het definitieve sectierapport heeft gesteld dat “de voorkeur in het onderhavige geval uit[gaat] naar geweldpleging door een ander persoon door middel van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals bij een zwaar geïntoxiceerd persoon”, heeft zij ter zitting van de rechtbank, gevraagd naar een mate van waarschijnlijkheid van dit scenario, verklaard: “Iedereen heeft zijn eigen schaal en woorden waarmee hij iets in waarschijnlijkheden wil uitdrukken. Ik denk dat het overduidelijk is wat [deskundige] en ik bedoelen: hoogst waarschijnlijk.”\n\nOver het verband tussen de halsspierbloedingen en stuwingsverschijnselen heeft [patholoog 1] verklaard dat ze de halsspierbloedingen ziet als een onderdeel van geweld op de hals, waarbij ook het substraat van stuwing, in dit geval petechiën en ecchymosen, is ontstaan.\n\nDeskundige [deskundige] heeft hierover verklaard dat de petechiën en de halsspierbloedingen eenzelfde oorzaak hebben, wat ook impliceert dat ze tegelijk of in nauw tijdsverband met elkaar zijn ontstaan.\n\nHij heeft verder verklaard dat op basis van de bloedingen in de hals niet kan worden uitgemaakt hoe krachtig het geweld is geweest. Er kan alleen worden vastgesteld dat er samendrukkend geweld tegen de hals is geweest. De effecten van die toesnoering worden weerspiegeld in de petechiën. Men sterft dus niet aan de petechiën en ook niet aan de halsspierbloedingen, maar men sterft aan de handeling die deze verschijnselen veroorzaken, namelijk het langdurig dichtknijpen van bloedvaten in de hals.\n\nOp basis van de bevindingen kan gezegd worden dat de hals voldoende lang toegeknepen is geweest om een stuwingsfenomeen in het hoofd te veroorzaken. In de literatuur spreekt men van 15 tot 30 seconden als het om geleidelijk drukken gaat; het vraagt enige tijd. Om daaraan te sterven moet men de hals minutenlang toeknijpen. Die duur kan niet uit de geconstateerde petechiën of halsspierbloedingen worden afgeleid.\n\nMen moet de hals dichtknijpen of samendrukken tot voorbij de grens van bewusteloosheid. Als het slachtoffer al bewusteloos is, is dat geen maatstaf. Daaruit kan niet de duur of de kracht worden vastgesteld, maar wel dat het voldoende krachtig geweest kan zijn om de dood te veroorzaken of het overlijden te verklaren.\n\nDeskundige [toxicoloog] heeft verklaard dat de gemeten concentratie GHB bij het slachtoffer heel hoog is en wordt gezien bij mensen die overleden zijn. In uitzonderlijke gevallen komt deze concentratie voor bij mensen die nog leven. Op basis daarvan is de conclusie dat de concentratie GHB het overlijden kan verklaren, indien al het andere is uitgesloten. Als in dit geval een andere meer waarschijnlijke doodsoorzaak wordt vastgesteld, dan gaat dat voor zijn bevindingen.\n\nVolgens deskundige [patholoog 1] zou het slachtoffer, gelet op het pathologisch substraat (de tekenen van samendrukkend geweld op de hals), ook zonder de GHB-intoxicatie aan het samendrukkend geweld op de hals zijn overleden.\n\nRegiebijeenkomst in de appelfase op 25 januari 2024\n\nTijdens de regiebijeenkomst bij het hof op 25 januari 2024 heeft mevrouw [patholoog 1] desgevraagd verklaard dat de kracht waarmee de letsels aan de hals zijn veroorzaakt, niet exact bepaald kan worden. Zij heeft verder verklaard dat het evident is dat er veel samendrukkend geweld is uitgeoefend op de hals, waarbij voor het slachtoffer een probleem in de hals is ontstaan. Het gaat er volgens haar om dat er behoorlijk wat kracht nodig is geweest om dit substraat te veroorzaken.\n\nDeskundigenverhoor tijdens de zitting van het hof van 6 februari 2025\n\nDe verklaring van deskundige [patholoog 1] tijdens de zitting van het hof op 6 februari 2025 houdt – voor zover relevant – het volgende in.\n\nHet door verdachte geschetste alternatieve scenario (dat door de rechtbank op pagina 16 van het vonnis is opgenomen, aangevuld en als aannemelijk is aangenomen) past volgens de deskundige niet bij de geconstateerde stuwingsverschijnselen en de letsels aan de hals, die voor het intreden van de dood van belang zijn geweest.\n\nIn het onderhavige geval is sprake van een niet-normale krachtsinwerking op de hals, ook wel verwurgen genoemd.\n\nBij de beoordeling door de rechtbank is niet de kracht betrokken waarmee de krachtsinwerking heeft plaatsgevonden. Het onder controle houden van een persoon en het daarbij even verplaatsen van een arm tegen de hals kan dit substraat van letsels, de puntbloedingen en de stuwingseffecten niet verklaren. Er moet een substantiële krachtsinwerking zijn geweest om stuwing van deze aard te veroorzaken.\n\nVerder heeft de deskundige verklaard dat door pathologen dagelijks gevallen worden gediagnosticeerd waarbij hetzelfde substraat (bloedingen, stuwingsverschijnselen) als bij het slachtoffer in deze zaak wordt vastgesteld en er geen andere mogelijke doodsoorzaak is.\n\nIn die gevallen kan worden vastgesteld dat het samendrukkend geweld op de hals de dood heeft veroorzaakt. In het onderhavige geval is er echter nog een andere mogelijke doodsoorzaak, namelijk een oorzaak van toxicologische aard, zodat niet met zekerheid gezegd kan worden dat het samendrukkend geweld op de hals de of de enigedoodsoorzaak is geweest. Dit neemt echter niet weg dat het samendrukkend geweld op de halseendoodsoorzaak is geweest bij het slachtoffer. Daarbij geldt dat de krachtsinwerking op de hals bij leven heeft plaatsgevonden en dat de hoeveelheid GHB op dat moment dus nog niet dodelijk was.\n\nHet samendrukken van de hals zorgt voor een zuurstoftekort. De hersenen kunnen dan niet genoeg zuurstof meer aan het weefsel bieden. Daardoor vallen andere organen, zoals de longen en het hart, ook uit.\n\nNaar het oordeel van de deskundige moeten de beide doodsoorzaken dan ook niet los van elkaar worden gezien: er is sprake van geweldpleging door een persoon bij een andere zwaar geïntoxiceerde persoon.\n\nTen slotte heeft de deskundige benadrukt dat de aangetroffen (niet-dodelijke) letsels ook om een verklaring vragen. Zij heeft daarbij opgemerkt dat bij de sectie bloedingen in de linkerslaapspier en het botvlies zijn aangetoond. Dit zijn structuren die niet zomaar letsels oplopen door bijvoorbeeld tegen iets aan te vallen of tegen iets aan te komen. Daar hoort behoorlijk wat kracht bij. Het moet een stompe, botsende krachtsinwerking aan de linkerzijde van het hoofd zijn geweest.\n\nHet geconstateerde letsel bij de neus en de lip kan ook zijn ontstaan door stomp, botsend geweld, maar het kan volgens de deskundige ook een aanwijzing zijn voor het samendrukken van de mond en neus (smoren).\n\nOverwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nHet tijdstip van overlijden\n\nHet hof stelt op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat het slachtoffer op donderdag 9 april 2020 tussen 12.43 uur (het moment dat zij haar telefoon uitschakelde) en 20.04 uur (het moment dat verdachte zijn ouders belde) is overleden.\n\nDaarbij merkt het hof op dat het op basis van de gemeten lichaamstemperatuur van het overleden slachtoffer (27.3 °C op 9 april 2020 omstreeks 23.30 uur) aannemelijker is dat zij in de tijdsperiode kort na 12.43 uur is overleden dan dat zij in de tijdsperiode kort voor 20.04 uur is overleden.\n\nDe oorza(a)k(en) van het overlijden\n\nUit de bevindingen van de deskundigen volgt dat de dood van het slachtoffer vanuit medisch oogpunt zowel verklaard kan worden op traumatische als op toxicologische gronden.\n\nHiervoor is al aangehaald dat uit het rapport van toxicoloog [toxicoloog] blijkt dat de gemeten GHB-concentratie (530 mg\u002Fl) een concentratie is die beter past bij personen die zijn overleden aan een overdosis dan bij personen die aan dezelfde GHB-concentratie niet zijn overleden. [toxicoloog] heeft geconcludeerd dat de GHB-concentratie een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden, onder andere door de dempende werking daarvan op de ademhaling en het centraal zenuwstelsel.\n\nDaarnaast is door patholoog [patholoog 1] gerapporteerd dat het intreden van de dood van het slachtoffer ook verklaard kan worden door uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurging), het samendrukken van de mond en neus (smoren) of mechanische traumatische asfyxie (drukuitoefening op de borst met verstikkingseffecten tot gevolg).\n\nVolgens deskundige [deskundige] is samendrukkend of toesnoerend geweld op de hals de meest voorkomende oorzaak van halsspierbloedingen zoals die bij het slachtoffer zijn vastgesteld. De uitgebreide stuwingstekenen in het gelaat zijn bijkomende argumenten voor de stelling dat de dood van het slachtoffer in deze zaak is veroorzaakt door dergelijk samendrukkend of toesnoerend geweld.\n\nPatholoog [patholoog 1] heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat de beide voornoemde doodsoorzaken niet los van elkaar gezien en beoordeeld moeten worden. De oorzaken moeten volgens haar tezamen worden beoordeeld, in die zin dat sprake is geweest van geweldpleging bij een zwaar geïntoxiceerd persoon.\n\nHet hof neemt de bevindingen en de conclusies van de deskundigen over.\n\nOp grond daarvan stelt het hof vervolgens vast dat zich bij het slachtoffer een samendrukkende en\u002Fof toesnoerende krachtsinwerking op de hals heeft voorgedaan, terwijl zij ernstig geïntoxiceerd was met GHB en alcohol. Daarbij stelt het hof op basis van de bevindingen en verklaringen van de deskundigen vast, dat de krachtsinwerking dus bij leven heeft plaatsgevonden; er is sprake van vitaal letsel, en dat de GHB op dat moment nog niet tot haar dood kan hebben geleid.\n\nNu er naast verdachte en het slachtoffer geen derden in de woning zijn geweest op de dag dat het slachtoffer overleed en daarnaast door de deskundigen is verklaard dat een scenario waarbij het slachtoffer zichzelf het geconstateerde letsel aan de hals heeft toegebracht, niet aannemelijk is, moet naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat verdachte degene is die het geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast.\n\nCausaal verband\n\nOm tot een bewezenverklaring van moord dan wel doodslag te kunnen komen, moet worden vastgesteld dat een causaal verband bestaat tussen het door verdachte gepleegde geweld en het overlijden van het slachtoffer. Of er sprake is van een causaal verband wordt beoordeeld aan de hand van de vraag of het gevolg (de dood) redelijkerwijs als het gevolg van het handelen van verdachte (het geweld) aan verdachte kan worden toegerekend.\n\nHet hof heeft hiervoor overwogen dat het intreden van de dood van het slachtoffer volgens deskundigen zowel het gevolg kan zijn geweest van – kort gezegd – de effecten van een overdosis GHB als van het door verdachte gepleegde geweld op de hals (verwurging).\n\nNu in dit geval niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de gedragingen van de verdachte (het toegepaste geweld) in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor zijn geweest voor het ingetreden gevolg (de dood), is voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan de gedragingen van verdachte ten minste vereist dat:\n\nwordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kanhebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, en;\n\ndat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid is veroorzaakt door de gedragingen van de verdachte.\n\nBij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar zijn aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat die gedraging het vermoeden wettigt dat die heeft geleid tot het intreden van het gevolg (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BT6362 en ECLI:NL:HR:2017:585).\n\nHet hof overweegt in dit verband het volgende.\n\nDoor patholoog [patholoog 1] is vastgesteld dat bij het slachtoffer sprake was van inwendige bloeduitstortingen in de schuine halsspieren aan beide zijden, reikend tot aan beide sleutelbeenderen, en van bij leven ontwikkelde tekenen van stuwing. Deze letsels (of bevindingen) zijn volgens de patholoog ontstaan ten gevolge van mechanisch samendrukkend geweld op de hals. Zulk geweld leidt tot zuurstofgebrek in de hersenen. Door zuurstoftekort kan de hersenfunctie uitvallen die de andere organen (zoals de longen en het hart) aanstuurt, waardoor een slachtoffer komt te overlijden.\n\nDe patholoog heeft vastgesteld dat het samendrukkend geweld op de hals ook in het onderhavige geval een doodsoorzaak kan zijn geweest.\n\nHet hof concludeert op basis van het voorgaande dat het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid.\n\nHet hof dient vervolgens te beoordelen of aannemelijk is dat de dood van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheiddoor de gedragingen van verdachte is veroorzaakt.\n\nHet hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daarover het volgende.\n\nHet hof stelt voorop dat het toegepaste geweld, het met substantiële kracht en gedurende enige tijd dichtknijpen of samendrukken van de hals, naar zijn aard geschikt is om het intreden van de dood teweeg te brengen. Dit volgt uit de bevindingen van de deskundigen en staat in deze zaak overigens ook niet ter discussie.\n\nDe deskundige [toxicoloog] heeft geconcludeerd dat de gemeten GHB-concentratie het overlijden kan verklaren indien al het andere is uitgesloten.\n\nHij heeft verder verklaard dat als in dit geval een andere, meer waarschijnlijke, doodsoorzaak wordt vastgesteld, dit voorzijn bevindingen gaat.\n\nHet hof overweegt in dit verband dat deskundigen [deskundige] en [patholoog 1] tijdens de zitting bij de rechtbank hebben verklaard dat het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk (waarmee door [deskundige] de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wordt bedoeld) is overleden als gevolg van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was. Bovendien heeft [patholoog 1] verklaard dat het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie, dat de samendrukkende of toesnoerende krachtsinwerking op de hals bij levenheeft plaatsgevonden en dat de GHB op dat moment nog niet tot de dood van het slachtoffer had geleid.\n\nHet hof acht het gelet op het voorgaande aannemelijk dat het overlijden van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het door verdachte gepleegde geweld is veroorzaakt.\n\nGelet op het feit dat het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid, en nu aannemelijk is dat de dood met aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het geweld is veroorzaakt, is het hof van oordeel dat de dood van het slachtoffer in redelijkheid aan verdachte kan worden toegerekend.\n\nDe vraag die vervolgens door het hof moet worden beantwoord, is of verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.\n\nOpzet\n\nHet hof is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad.\n\nOpzet bij verdachte op de dood van het slachtoffer kan echter ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet. Er is sprake van voorwaardelijk opzet indien verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer als gevolg daarvan zou overlijden.\n\nVoor de vraag of sprake is van de bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans geldt dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschapheeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ookbewust heeft aanvaard.\n\nEr kan immers ook sprake zijn van bewuste schuld.\n\nBepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens aanwijzingen van het tegendeel – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg, in dit geval de dood van het slachtoffer, bewust heeft aanvaard.\n\nHet hof overweegt het volgende.\n\nDeskundige [deskundige] heeft verklaard dat op basis van de bevindingen kan worden gesteld dat de hals voldoende lang toegeknepen is geweest om een stuwingsfenomeen in het hoofd te veroorzaken. Daarnaast heeft deskundige [patholoog 1] verklaard dat er “behoorlijk wat kracht” nodig is geweest om het pathologisch substraat te veroorzaken. Tijdens de zitting van het hof heeft zij verklaard dat sprake geweest moet zijn van een “substantiële krachtsinwerking”. [patholoog 1] heeft verder verklaard dat het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie.\n\nHet hof stelt vast dat verdachte een vorm van samendrukkend geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast die zodanig krachtig is geweest dat dat heeft geleid tot letsel dat ook zonder de GHB-intoxicatie tot de dood van het slachtoffer zou hebben geleid.\n\nNu het slachtoffer ten tijde van het toepassen van het geweld nog in leven was, schiep het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor zou overlijden.\n\nDaarbij is het hof van oordeel dat de specifieke gedraging van verdachte – het toepassen van een vorm van samendrukkend geweld op de hals– kan worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.\n\nDit betekent dat verdachte naar het oordeel van het hof ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.\n\nBespreking van het alternatieve scenario\n\nHet hof acht het alternatieve scenario waarin verdachte de hals van het slachtoffer onbedoeld en onbewust, dus per ongeluk, heeft samengedrukt of toegesnoerd, niet aannemelijk.\n\nHet hof overweegt daarover het volgende.\n\nAllereerst is van belang dat verdachte heeft verklaard zelf geen herinnering te hebben aan een gang van zaken waarbij zijn arm bij het op de bank trekken van het slachtoffer richting haar hals is verschoven en waarbij haar hoofd plotseling dan wel geleidelijk met de nodige kracht naar achteren is getrokken waardoor een hyperextensie kan zijn veroorzaakt. Verdachte heeft enkel verklaard dat hij zich kan voorstellendat deze gang van zaken zich heeft voorgedaan.\n\nDaarnaast merkt het hof op dat deskundige [patholoog 1] tijdens de zitting in hoger beroep heeft verklaard dat het geschetste alternatieve scenario niet past bij de aard en de ernst van het door haar beschreven letsel (de halsspierbloedingen en de stuwingsverschijnselen). Het even verplaatsen van een arm tegen de hals vormt geen verklaring voor het geconstateerde letsel. Er moet naar haar oordeel sprake zijn geweest van een substantiële krachtsinwerking om de vastgestelde vorm van stuwing te veroorzaken.\n\nVerder geldt dat de handelingen van verdachte en de bevindingen van de deskundigen naar het oordeel van het hof eerder steun bieden voor het scenario waarin verdachte opzettelijk heeft gehandeld dan voor het scenario waarin sprake is van een ongeluk.\n\nHet hof overweegt in dit verband dat het slachtoffer naast de letsels aan haar hals ook talloze andere letsels had (letsels aan haar voorhoofd, neus, mond en behaarde hoofd (de hierboven beschreven letsels A, B, CenN) en aan haar romp en inwendige letsels aan het hoofd.\n\nOok deze letsels zijn volgens de patholoog bij leven ontstaan en zijn veroorzaakt door inwerking van mechanisch stomp botsend geweld, zoals door heftig slaan (al of niet met een voorwerp), hevig vallen of smoren.\n\nDeze letsels, in het bijzonder de inwendige letsels aan het hoofd, zijn volgens de patholoog niet ontstaan doordat het slachtoffer ergens tegenaan is gelopen of is gevallen, aangezien voor het ontstaan van deze letsels “behoorlijk wat kracht” nodig is geweest. Verdachte heeft over deze letsels verklaard dat hij denkt dat het slachtoffer ergens tegenaan gelopen moet zijn, maar heeft geen concrete aannemelijke verklaring voor de letsels gegeven.\n\nHet is naar het oordeel van het hof echter onwaarschijnlijk dat het slachtoffer, nadat verdachte haar op de bank had gelegd, waarbij zijn handelen in zijn lezing de doodsoorzaak zou (kunnen) hebben opgeleverd, nog kan zijn opgestaan en zichzelf letsel zou hebben kunnen toebrengen.\n\nTot slot stelt het hof vast dat de verklaring van verdachte met betrekking tot het moment waarop het slachtoffer moet zijn overleden, niet past bij de bevindingen van de verbalisanten. Zij hebben immers geconstateerd dat het slachtoffer op basis van de gemeten lichaamstemperatuur hoogstwaarschijnlijk tussen 05.30 uur en 14.30 uur moet zijn overleden.\n\nIn ieder geval stelt het hof vast dat er geruime tijd verstreken moet zijn tussen het moment waarop verdachte constateerde dat het slachtoffer was overleden en het moment waarop hij de hulpdiensten heeft gebeld of op andere wijze om hulp heeft gevraagd.\n\nDe bevindingen van de politie over de aangetroffen situatie in de woning van verdachte duiden er verder op dat hij die middag en avond weloverwogen en rationeel heeft gehandeld en heeft geprobeerd om sporen van hetgeen zich die dag in de woning heeft afgespeeld zo veel mogelijk te wissen.\n\nZo heeft verdachte niet alleen het slachtoffer verkleed, nadat ze al was overleden, en het beddengoed verschoond en in de wasmachine gedaan maar heeft hij ook de kantine opgeruimd, rotzooi in een vuilniszak gedaan en deze weggegooid in de container. Ook heeft hij een cilinder met lachgas keurig onder een doek in de garage gezet. Toen hij uiteindelijk wel 112 belde, heeft hij gedaan alsof het slachtoffer nog in leven was terwijl hij op dat moment al geruime tijd wist dat ze was overleden.\n\nHet hof ziet in het handelen van verdachte geen aanwijzingen dat hij, zoals hij heeft verklaard, vanaf het moment dat hij constateerde dat er iets niet in orde was met het slachtoffer, in een roes verkeerde.\n\nHet hof is dan ook van oordeel dat de voornoemde omstandigheden, wanneer deze in onderling verband en samenhang worden beschouwd, verder afbreuk doen aan het alternatieve scenario van de verdediging.\n\nGelet op het voorgaande schuift het hof dit alternatieve scenario als niet aannemelijk terzijde.\n\nConclusie\n\nHet hof is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk doden van het slachtoffer.\n\nDe omstandigheid dat, zoals de verdediging naar voren heeft gebracht, op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld wat het motief van verdachte voor zijn handelen is geweest, doet hier niet aan af.\n\nVrijspraak moord\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet vaststaat dat verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade heeft gedood. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair tenlastegelegde moord.\n\nBewezenverklaring doodslag\n\nHet hof acht de subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.\n\nBewezenverklaring\n\nDoor wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nsubsidiair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] ,althans in de gemeente [gemeente], [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door op het hoofd en\u002Fof de halsen\u002Fof de borst van die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) toe te passen\u002Fuit te oefenen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.\n\nOplegging van straf\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft ter zitting gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van twaalf jaar wordt opgelegd. Hij heeft daarbij gesteld dat hij die ook in eerste aanleg gevorderde straf nog steeds gerechtvaardigd vindt.\n\nDe aan het eind van de zitting door hem overgelegde schriftelijke vordering vermeldt echter een eis van zes jaar gevangenisstraf.\n\nHet hof gaat uit van de eis zoals die mondeling ter zitting is geformuleerd en beschouwt de eis van zes jaar op de schriftelijke vordering als een ongelukkige verschrijving.\n\nVerder heeft de advocaat-generaal gevorderd de gevangenneming van verdachte te bevelen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen straf moet worden opgelegd in verband met de bepleite vrijspraak.\n\nOordeel van het hof\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nHet hof overweegt het volgende.\n\nDe ernst van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op zijn partner.\n\nNadat verdachte en het slachtoffer dagenlang drugs, lachgas en andere verdovende middelen hadden gebruikt in de kantine van hun woning, is er op 9 april 2020 abrupt een einde gekomen aan dit “feesten”, zoals verdachte hun gedrag in de dagen voorafgaand aan en op de dag van het overlijden van het slachtoffer heeft getypeerd.\n\nWat er zich die dag preciesin de woning van verdachte en het slachtoffer heeft afgespeeld en wat verdachte ertoe heeft bewogen het slachtoffer te doden, is niet duidelijk geworden.\n\nOver de gebeurtenissen rondom het overlijden van het slachtoffer en in de uren daarna heeft verdachte geen duidelijkheid verschaft, waardoor de nabestaanden deels in het ongewisse blijven omtrent de omstandigheden die tot de dood van het slachtoffer hebben geleid. Verdachte heeft enkel verklaard dat de dood van het slachtoffer het gevolg moet zijn geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarin hij onbewust en onbedoeld een rol heeft gespeeld.\n\nHet hof is echter van oordeel dat van een ongeluk geen sprake was maar dat verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd.\n\nNa het geweld en het overlijden van het slachtoffer heeft verdachte geprobeerd zijn sporen te wissen door het slachtoffer te verkleden, haar kleding in de wasmand en het beddengoed in de wasmachine te doen en de sporen van hun drugsgebruik in de kantine op te ruimen. Bovendien heeft verdachte het tegenover de centralist van de meldkamer doen voorkomen alsof het slachtoffer nog leefde, terwijl hij wist dat zij was overleden en hij naar eigen zeggen ook al afscheid van haar had genomen.\n\nDoor zijn handelen, waarover hij geen duidelijkheid heeft verschaft, heeft verdachte de destijds twaalfjarige dochter van het slachtoffer, [dochter slachtoffer] , haar moeder ontnomen. [dochter slachtoffer] is inmiddels zeventien jaar oud en moet haar moeder missen tijdens belangrijke ontwikkelingsfasen in haar nog prille leven.\n\nOp de zitting in hoger beroep is namens [dochter slachtoffer] aan het hof te kennen gegeven dat haar gevoelens van boosheid inmiddels hebben plaatsgemaakt voor verdriet en “rauwe rouw”. Zij spreekt hierover niet gemakkelijk met anderen, een – voor het hof invoelbare – situatie waarover bij haar naasten zorgen bestaan.\n\nDaarnaast heeft verdachte de moeder en de broer van het slachtoffer respectievelijk een dochter en een zus ontnomen. Zij kunnen slechts gissen naar het motief van verdachte om het slachtoffer om het leven te brengen en de omstandigheden waaronder dat is gebeurd.\n\nOok de overige familieleden en naaste vrienden van het slachtoffer moeten zonder haar verder. Al deze vormen van gemis zijn zonder meer tragisch te noemen.\n\nDe persoon van verdachte\n\nTot het dossier behoort een Pro Justitia-rapportage van 11 juli 2020, die inhoudt dat de persoonlijkheid van verdachte narcistische en histrionische trekken vertoont. Verdachte staat graag in het centrum van de belangstelling en wil gezien en erkend worden.\n\nHij is zelfverzekerd en heeft het gevoel dat hij zijn leven tot het moment waarop het bewezenverklaarde feit plaatsvond goed op orde had en dat hij controle had over zijn leven. Volgens de rapporteur kunnen frustraties en negatieve gevoelens vanuit een dergelijke opstelling soms lang worden ontkend, maar dan vrij plotseling doorbreken in de vorm van acting out. Bij verdachte lijkt geen sprake te zijn van een psychische stoornis, persoonlijkheidsproblematiek of problemen in de kindertijd. Ook heeft verdachte geen voorgeschiedenis van gewelddadig gedrag. Verdachtes middelengebruik is volgens de rapporteur in feite de enige factor die het recidiverisico in statistische zin negatief beïnvloedt.\n\nUit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 januari 2025 volgt dat verdachte niet eerder voor geweldsdelicten met politie of justitie in aanraking is geweest. Het hof constateert verder dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is in verband met twee strafbeschikkingen in 2022.\n\nVerdachte heeft tijdens de zitting van het hof verklaard dat hij zijn leven na zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis weer heeft opgepakt. De dood van het slachtoffer was voor hem een “wake-up call”, zoals hij dat ter zitting van het hof typeerde, waardoor hij nu geen drugs, anabolen en testosteron meer gebruikt.\n\nVerdachte heeft een goedlopend dakdekkersbedrijf en heeft ook personeel in dienst.\n\nHij woont samen met zijn nieuwe partner, met wie hij vorig jaar is getrouwd en met wie hij een gezin wil stichten.\n\nStrafbepaling en redelijke termijn\n\nHet hof is gelet op de ernst van het feit en de onomkeerbare gevolgen daarvan van oordeel dat een lange gevangenisstraf de enige passende strafmodaliteit is.\n\nHet hof acht een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar in beginsel passend en geboden.\n\nHet hof heeft echter geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft op 25 juli 2022 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 12 maart 2025 einduitspraak.\n\nHet hof stelt vast dat de behandeling van het hoger beroep niet is afgerond binnen twee jaren.\n\nDit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM in hoger beroep met acht maanden is overschreden. Het hof zal de op te leggen gevangenisstraf om die reden enigszins matigen.\n\nAlles afwegende zal het hof aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden opleggen, met aftrek van het voorarrest.\n\nTenuitvoerlegging\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nGevangenneming\n\nHet hof zal op vordering van het Openbaar Ministerie bij afzonderlijke beslissing de gevangenneming van verdachte bevelen.\n\nVordering van de benadeelde partij [dochter slachtoffer] ( [dochter slachtoffer] )\n\nEerste aanleg\n\nDe benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 20.000,00, bestaande uit immateriële schade in de vorm van affectieschade. De benadeelde partij is in verband met de gegeven vrijspraak in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHoger beroep\n\nDe benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De vordering is ter terechtzitting in hoger beroep door haar advocaat toegelicht.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering moet worden toegewezen, met vermeerdering met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.\n\nOordeel van het hof\n\nOp grond van artikel 6:107, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 6:108, eerste en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek kan aan een beperkte kring van personen een schadevergoeding worden toegekend voor het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste.\n\nTot de kring van gerechtigden behoren – kort gezegd – de partner of levensgezel van de overledene (sub a en b), de ouders en kinderen van de overledene (sub c en d) en degenen die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft (sub e) dan wel degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft (sub f).\n\nDe benadeelde partij is de dochter van het slachtoffer en behoort daarmee tot de in de wet genoemde kring van vergoedingsgerechtigde personen.\n\nVerder is vereist dat het overlijden het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Het slachtoffer is overleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit, waarvoor verdachte aansprakelijk is.\n\nHet hof stelt vast dat daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor het toekennen van een vergoeding vanwege affectieschade.\n\nHet hof constateert dat het gevorderde bedrag niet is betwist. Nu het hof dit bedrag voldoende onderbouwd en niet onredelijk acht, zal de vordering worden toegewezen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] (moeder van het slachtoffer)\n\nEerste aanleg\n\nDe benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.168,13, bestaande uit € 2.668,13 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade in de vorm van affectieschade.\n\nDe materiële schadepost bestaat uit kosten voor de begrafenis en daarbij behorende kosten.\n\nDe benadeelde is door de rechtbank in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHoger beroep\n\nDe benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De vordering is ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat van de benadeelde partij toegelicht.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering moet worden toegewezen, met vermeerdering met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schade\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor dit onderdeel zal worden toegewezen.\n\nAffectieschade\n\nZoals hiervoor is overwogen, geldt dat aan een beperkte kring van personen een schadevergoeding kan worden toegekend voor het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste.\n\nDe benadeelde partij is de moeder van het slachtoffer en behoort daarmee tot de in de wet genoemde kring van vergoedingsgerechtigde personen. Daarnaast geldt dat het overlijden van het slachtoffer het gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, waarvoor hij ook aansprakelijk is.\n\nHet hof stelt vast dat daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor het toekennen van een vergoeding vanwege affectieschade.\n\nHet hof constateert dat het gevorderde bedrag niet is betwist. Nu het hof dit bedrag voldoende onderbouwd en niet onredelijk acht, zal ook dit onderdeel van de vordering volledig worden toegewezen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) jaren en 6 (zes) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [dochter slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [dochter slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [dochter slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 135 (honderdvijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 april 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.168,13 (twintigduizend honderdachtenzestig euro en dertien cent) bestaande uit € 2.668,13 (tweeduizend zeshonderdachtenzestig euro en dertien cent) materiële schade en\n\n€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.168,13 (twintigduizend honderdachtenzestig euro en dertien cent) bestaande uit € 2.668,13 (tweeduizend zeshonderdachtenzestig euro en dertien cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 135 (honderdvijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n19 mei 2020 en van de immateriële schade op 9 april 2020.\n\nBeveelt de gevangenneming van verdachte, welk bevel afzonderlijk zal worden opgemaakt.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,\n\nmr. J. Corthals en mr. D.R. Sonneveldt, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. C.D. Maris, griffier,\n\nen op 12 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 12 maart 2025.\n\nmr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,\n\nmr. J.E. van Spanje, advocaat-generaal,\n\nmr. C.D. Maris, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de Politie Eenheid [locatie] , genummerd 2020156668, Onderzoek NEPAL (met onderzoeksnummer ONRAB20003) opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , gesloten en getekend op 12 november 2020. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2022 en het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 6 februari 2025.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2022 en het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 6 februari 2025.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2020, pagina 684 en 685.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2020, pagina 680, 685, 686 en 687.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2022, pagina 9.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 6 februari 2025.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2020, pagina 687.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2020, pagina 63.\n\n Het proces-verbaal van historische gegevens telefoonnummers en telefoontoestel [verdachte] , pagina 1633, 1634 en 1637.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 februari 2025, pagina 9 en 10.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2020, pagina 64.\n\n Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning, pagina 2208.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2020, pagina 64 en 65.\n\n Het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, onderzoek wasruimte (ruime 2), testen verdovende middelen en uitleggen kleding, pagina 1993, 1996 en 1997.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 16 juni 2022, pagina 5.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen aantreffen fles lachgas, pagina 2249.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 14 mei 2020, pagina 352 en 353.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen tijdlijn gebeurtenissen in en rondom de PD, pagina 954 en 956.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 februari 2025, pagina 10.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen 112-melding, pagina 2573.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 667 tot en met 673.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2020, pagina 658.\n\n Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek [slachtoffer] , pagina 1739 tot en met 1745.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2020, pagina 660.\n\n Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek [slachtoffer] , pagina 1743 en 1744.\n\n Een geschrift, te weten een voorlopig sectierapport van 11 april 2020, opgemaakt door dr. [patholoog 1] , pagina 1809, 1810 en 1811.\n\n Een geschrift, te weten het rapport toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal [slachtoffer] van 25 juni 2020, opgemaakt door drs. [toxicoloog] , pagina 2305 tot en met 2315.\n\n Een geschrift, te weten het sectierapport van 11 september 2020, opgemaakt door dr. [patholoog 1] , pagina 2280 tot en met 2290.\n\n Een geschrift, te weten het rapport met de beantwoording van aanvullende vragen naar aanleiding van toxicologisch onderzoek van 21 februari 2021, opgemaakt door drs. [toxicoloog] .\n\n Een geschrift, te weten het definitief deskundig verslag van 16 juni 2021, opgemaakt door prof. dr. [forensisch patholoog] .\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 19, 21, 22, 28 en 42.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 14.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 12.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 13 en 26.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 36.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 28.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 15.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 30.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 27 en 28.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van de regiebijeenkomst bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 25 januari 2024 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 3.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 16.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 17.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 14.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 22.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 19 en 20.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:1430","2026-07-13T00:29:10.089Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":113,"parsedAt":39,"updatedAt":114},"1196","ECLI:NL:GHARL:2025:1106","ecli-nl-gharl-2025-1106","2025-02-17T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002796-24\n\nUitspraak : 17 februari 2025\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittinghoudende te Arnhem, van 23 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 05-054319-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis van 23 november 2023 waarvan beroep heeft de politierechter, onder vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, de verdachte ter zake van ‘bedreiging met zware mishandeling’ (feit 1) en ‘wederspannigheid’ (feit 2), veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis, waarbij de politierechter heeft bepaald dat voormelde geldboete mag worden voldaan in vijf termijnen van elk € 100,00 per maand.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een geldboete van € 500,00, al dan niet te voldoen in vijf maandelijkse termijnen van elk € 100,00.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde vrijspraak bepleit en zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde – naar het hof begrijpt – gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. zij op of omstreeks 28 januari 2023 te Nijmegen [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen:\n\n- “ je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en\u002Fof\n\n- ( meermalen) “Ik sla je kop kapot”,\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n2. zij op of omstreeks 28 januari 2023 te Nijmegen, zich met geweld en\u002Fof bedreiging met geweld, heeft verzet tegen (een) politieambtena(a)r(en) [verbalisant 1] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en\u002Fof [verbalisant 2] , hoofdinspecteur van de politie-eenheid Oost-Nederland, en\u002Fof [verbalisant 3] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en\u002Fof [verbalisant 4] , hoofdagent van de politie-eenheid Oost-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhaar\u002Fhun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door:\n\n- met een van haar armen slaande bewegingen te maken richting voornoemde verbalisant(en),\n\n- meermaals met kracht (proberen) zich los te rukken en te draaien in de tegenovergestelde richting als waarin voornoemde verbalisant(en) haar probeerden te brengen,\n\n- meermaals met kracht richting voornoemde verbalisant(en) te schoppen en daarbij verbalisant [verbalisant 2] te raken, en\u002Fof\n\n- verbalisant [verbalisant 3] te krabben en\u002Fof te bijten.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. zij op 28 januari 2023 te Nijmegen [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen:\n\n- “ je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en\u002Fof\n\n- ( meermalen) “Ik sla je kop kapot”,\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n2. zij op 28 januari 2023 te Nijmegen, zich met geweld, heeft verzet tegen politieambtenaren [verbalisant 1] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 2] , hoofdinspecteur van de politie-eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 3] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 4] , hoofdagent van de politie-eenheid Oost-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door:\n\n- met (een van) haar armen slaande bewegingen te maken richting voornoemde verbalisant(en),\n\n- meermaals met kracht proberen zich los te rukken en te draaien in de tegenovergestelde richting als waarin voornoemde verbalisant(en) haar probeerde(n) te brengen,\n\n- meermaals met kracht richting voornoemde verbalisant(en) te schoppen en daarbij verbalisant [verbalisant 2] te raken.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Nederland, op ambtsbelofte opgesteld door verbalisant [verbalisant 5] , hoofdagent van politie, registratienummer PL0600-2023043906, gesloten d.d. 2 maart 2023, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 90.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 januari 2023 (pg. 6-9), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde] :\n\nFeit: Bedreiging\n\nPlaats delict: [adres 2]\n\nPleegdatum\u002Ftijd: Tussen zaterdag 28 januari 2023 om 21:13 uur en\n\nzaterdag 28 januari 2023 om 21:23 uur\n\nMijn naam is [benadeelde] en ik ben werkzaam als beveiliger en toezichthouder bij [bedrijf 1]\n\n . In opdracht van de Nederlandse Spoorwegen stond ik bij het centraal station\n\nin Nijmegen. Vanavond (het hof begrijpt: 28 januari 2023) stond ik omstreeks 21.10 uur op het centraal station bij de poortjes voor de [bedrijf 2] . Ik stond daar om te controleren of mensen ook met een toegangsbewijs het station op kwamen. Ik zag 3 personen die mij opvielen. Ze vielen mij op omdat ze er onverzorgd uitzagen. Het waren twee mannen en één vrouw.\n\nvrouw:\n\n- lang blond haar;\n\n- slank postuur;\n\n- blanke huidskleur;\n\n- ongeveer 1 meter 75 cm lang;\n\n- lichtkleurige winterjas.\n\nDe vrouw die sprak mij aan en vertelde mij iets over dat ze tegen doktersadvies uit\n\nhet ziekenhuis was gelopen, dat ze niet mobiel was en geen puf meer had om een\n\nkaartje te kopen. Ik heb haar toen uitgelegd dat ze een kaartje moest kopen omdat ze\n\nanders niet mee mocht reizen.\n\nZe pakte haar pinpas en gaf deze aan man 2 en vertelde daarbij mondeling haar\n\npincode. Omdat mevrouw haar pincode luid opnoemde, zei ik tegen haar dat het\n\nmisschien niet zo handig was, omdat anderen dit mee konden luisteren.\n\nDit was het moment dat mevrouw verbaal agressief werd in mijn richting. (…) Ze was erg kwaad. Ze schreeuwde door de hele hal heen en iedereen kon het horen. Het was erg druk op het station op dit moment. Ik vond het respectloos hoe ze tegen mij praatte. Het ging van 0 naar 100 in enkele seconden. We liepen op dat moment in de richting van de kaartjesautomaat.\n\nHet was op dit moment dat ik onze meldkamer had ingeschakeld, dat ik politie met spoed\n\ndeze kant op wilde hebben. Ik had het gevoel dat het uit de hand zou lopen.\n\nVanwege haar agressieve en storende gedrag zei ik tegen haar dat ze niet met de trein\n\nmee mocht. Dit heb ik gedaan vanwege het gedrag wat zij vertoonde.\n\nDit mag ik doen als toezichthouder op het station.\n\nDe vrouw was telkens de confrontatie aan het opzoeken en ging steeds dicht op mij\n\nstaan.\n\nDe vrouw uitte meerdere opmerkingen in mijn richting, zoals:\n\n- “ je moet je rug in de gaten houden want ik onthoud je gezicht”;\n\n- “ ik sla je kop kapot”;\n\n- of woorden van gelijke strekking.\n\nZe herhaalde steeds dat ze mijn kop kapot zou slaan. Met name dat maakte mij angstig.\n\nIk had het gevoel dat ze dit misschien ook echt wel zou kunnen doen omdat ze met zijn\n\ndrieën waren.\n\nAan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.\n\n2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 februari 2023 (pg. 10-12), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :\n\nOp zaterdag 28 januari 2023, omstreeks 21.15 uur, was ik aan het werk bij de\n\nsnackbar de [bedrijf 3] . Deze snackbar van [bedrijf 3] is gelegen in de hal van het station\n\nNijmegen. Deze snackbar staat in een openverbinding met de stationshal en is niet\n\nafgesloten door middel van een deur of iets dergelijks. De stationshal is goed\n\nverlicht en vanuit de snackbar heb ik goed zicht in de stationshal in het gedeelde (het hof begrijpt: gedeelte) tussen de ingang van het station en de toegangspoortjes.\n\nDiezelfde dag, omstreeks dezelfde tijd, hoorde ik hard geschreeuw vanuit de\n\nstationshal. Ik zag dat er vanaf de toegangspoortjes een blonde vrouw liep, richting\n\nde uitgang van het station. Ik zag dat deze vrouw er slecht gekleed uitzag. Ik\n\nvermoedde dat zij dakloos was. Ik zag dat achter haar een vrouw van de beveiliging\n\nliep, in uniform gekleed.\n\nIk zag dat er bij de blonde vrouw twee mannen liepen met haar in de zelfde richting. Zij liepen vlak naast haar. Ik hoorde en zag dat het geschreeuw wat ik hoorde van de blonde vrouw afkwam. Ik zag aan haar gezichtsrichting en het wijzen dat zij zich richtte tot de beveiligster. Ik liep vervolgens de snackbar uit. Ik zag dat de blonde vrouw en de beveiligster, nog in de stationshal, bij de ticketmachine, vlakbij de uitgang van het station stonden. Ik was erg nieuwsgierig wat er aan de hand was. Ik liep hierop nonchalant langs de\n\nblonde vrouw en de beveiligster. Toen ik ter hoogte van de broodjes zaak liep, in de stationshal, waren de blonde vrouw en de beveiligster op ongeveer 5 meter afstand van mij. Ik hoorde de blonde vrouw roepen, op een schreeuwende\u002Fboze toon naar de beveiligster: “Ik zou maar achterom blijven kijken als ik jou was” Ook hoorde ik de blonde vrouw roepen “Ik ga je slaan”, of woorden van gelijke strekking.\n\nIk zag dat de blonde vrouw door de twee mannen werd tegen gehouden en zij haar vasthielden.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 januari 2023 (pg. 13-15), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 6] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :\n\nOp 28.01.2023 waren wij, verbalisanten [verbalisant 6] , [verbalisant 4] en [verbalisant 3] in herkenbaar\n\ndienstuniform gekleed en waren wij belast met de incidentenafhandeling voor het\n\ngebied Nijmegen-Zuid. Omstreeks 21.12 uur kregen collega’s een melding van overlast dronken personen op [adres 2] . Wij vroegen aan de meldkamer of zij ons wilden koppelen aan de melding. Hierop zijn wij gaan rijden naar het desbetreffende adres.\n\nEenmaal aangekomen op [adres 2] zag ik, verbalisant [verbalisant 6] , een man naar\n\nons zwaaien. Ik hoorde dat de man zei “De mensen waar jullie voor komen lopen daar.”\n\nIk zag dat de man wees in de richting van de Van Oldenbarneveltstraat. Ik hoorde dat\n\n(…) dat het ging om twee heren en een blonde dame.\n\nIk, verbalisant [verbalisant 6] , hoorde dat [verdachte] zei dat ze niet met de trein mocht. Ik\n\nhoorde dat ze zei dat er een beveiliger was op het centraal treinstation Nijmegen\n\nwelke haar had verteld dat ze niet met de trein mocht reizen. Ik, verbalisant [verbalisant 6] , hoorde via het operationeel centrum dat de 51.01 en de 51.02 op het centraal treinstation van NS te Nijmegen waren om een aangifte van bedreiging op te nemen. [verdachte] zou deze bedreigingen hebben geuit. Ik, verbalisant [verbalisant 6] zag dat de collega’s van de 51.02 ter plaatse kwamen. Ik zag dat de collega’s onze kant op liepen. Ik hoorde dat de collega’s van de 51.02 zeiden “Ja die kan worden aangehouden”. Ik hoorde dat de collega’s van de 51.02 zeiden dat [verdachte] was aangehouden voor bedreiging.\n\nWij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , ondersteunden direct de collega’s van de 51.02\n\ndoor [verdachte] onder controle te brengen. Ik, [verbalisant 3] , zag en voelde dat [verdachte]\n\nvolledig in het verzet ging. Ik zag en voelde dat zij zich niet onder controle wilde\n\nlaten brengen. Wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , probeerden samen met de politiecollega’s van\n\nde 51.02 [verdachte] verder onder controle te brengen. Hierop hebben wij\n\ncontroletechnieken gebruikt. Ik zag dat [verdachte] mij en mijn collega’s probeerde te schoppen. Ik, [verbalisant 4] , heb een polsklem aangelegd (…). Daarnaast heb ik een overstrekking van de duim toegepast omdat verdachte met een hand de handboeien vasthield, waardoor ik de handboeien niet om haar tweede hand kon vastmaken. De absolute controle konden wij, [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en politiecollega’s van de 51.02, niet krijgen. Hierop hebben wij uiteindelijk besloten om ook de handboeien om haar enkels te doen om [verdachte] horizontaal te kunnen vervoeren.\n\nVoor verdere details omtrent de aanhouding verwijzen wij naar het proces-verbaal\n\nvan aanhouding binnen dit procesnummer.\n\nVerdachte:\n\nAchternaam: [verdachte]\n\nVoornamen: [verdachte]\n\nGeboren: [geboortedag] 1975\n\nGeboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland\n\n [verbalisant 3] , werkzaam als brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n [verbalisant 4] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n4. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 28 januari 2023 (pg. 67-69), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :\n\nOp zaterdag 28 januari 2023 om 21:25 uur, werd door ons op de locatie [adres 2]\n\n , aangehouden als verdachte:\n\nAchternaam: [verdachte]\n\nVoornamen: [verdachte]\n\nGeboren: [geboortedag] 1975\n\nGeboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland\n\nGrond aanhouding\n\nOp heterdaad als verdachte van overtreding van artikel 285\u002F1 Wetboek van Strafrecht.\n\nBevindingen\n\nWij verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren belast met de noodhulpsurveillance en als\n\nzodanig ook in politie uniform gekleed. Ons roepnummer was 51-02. De politie\n\nmeldkamer stuurde ons naar [adres 2] . Aldaar zou een medewerkster\n\nvan de beveiliging van de NS bedreigd worden. Ter plaatse zagen wij dat een andere\n\neenheid met roepnummer 52-01 reeds ter plaatse was en met de beveiliger van de NS in\n\ngesprek was. Wij hoorden dat de collega’s van deze eenheid aangaven dat de\n\nmedewerkster van de NS bedreigd was met de dood. Wij kregen een signalement te horen\n\nvan de verdachte, te weten een blanke vrouw met blond haar vergezeld van 2 mannen.\n\nEven later zagen wij een andere eenheid, naar later bleek de 52-02 met collega’s\n\n [verbalisant 3] en [verbalisant 4] op [adres 2] rijden vlak bij de Van Oldenbarneveltstraat.\n\nZe zeiden dat ze de personen getroffen hadden die betrokken waren geweest bij de\n\nbedreiging.\n\nWij gingen er naar toe.\n\nWij [verbalisant 1] en [verbalisant 2] reden naar de collega’s in gesprek met de bedreigde NS\n\nmedewerkster. Collega vertelde dat de NS medewerkster aangifte wilde doen. Ze was\n\nbedreigd met de woorden: “Ik sla je kop eraf, ik maak je dood.” Althans woorden van\n\ngelijke strekking.\n\nHierna reden we terug naar de 52-02 waar de vrouw met de twee mannen stond te\n\nwachten.\n\nIk [verbalisant 1] sprak de vrouw aan en deelde haar mede dat de NS medewerker aangifte deed\n\nomdat zij haar bedreigd had. Ik deelde haar ook mede dat ze was aangehouden en dat ze\n\nmee moest naar het politiebureau ter voorgeleiding bij een hulpofficier van politie.\n\nIk hoorde de vrouw meteen luider sprekend: “Jullie nemen mij helemaal niet mee, dat\n\ngaat niet gebeuren.” Ik, [verbalisant 1] , pakte de vrouw vast bij haar rechteronderarm en\n\nbewoog haar in de richting van de achter mij staande politiebus. De vrouw begon\n\nvrijwel meteen te schreeuwen dat ze niet mee ging en maakte slaande bewegingen met\n\nhaar vrije arm en probeerde zich los te rukken en te draaien in de tegenovergestelde\n\nrichting als waarin ik haar wilde brengen. Mijn collega [verbalisant 2] pakte haar andere\n\narm vast en hierna bleef ze schreeuwen en draaien en begon ze in onze richting te\n\nschoppen. Deze schoppen konden wij ontwijken en ik [verbalisant 1] bracht de vrouw naar de\n\ngrond om haar verzet te laten ophouden. Dit is haar meermalen gezegd, maar ze bleef\n\nzogezegd wild spartelen om los te komen. Ik [verbalisant 1] kreeg uiteindelijk haar\n\nrechterarm onder controle nadat collega [verbalisant 4] de vrouw op de grond drukte. Ik heb\n\ndeze arm geboeid en daarna bleef de vrouw spartelen, (…) bleef ze schoppen. De andere handboei werd aangelegd en collega [verbalisant 2] hield hierna de benen vast.\n\nWij wilden haar naar de politiebus brengen en [verbalisant 2] liet haar benen los zodat ze\n\nzelf zou kunnen lopen. Meteen hierna begon ze weer in onze richting te schoppen en\n\n [verbalisant 2] werd daarbij geraakt, zonder dat dit overigens pijn deed (opm. [verbalisant 2] ).\n\nHierna heb ik [verbalisant 1] haar op de buik gedraaid en collega [verbalisant 4] ging op de vrouw\n\nzitten, waarna ik samen met [verbalisant 2] de enkels van de vrouw met een andere set\n\nhandboeien aan elkaar kon vastmaken, waarna ze stopte met trappen.\n\n [verbalisant 1] , werkzaam als brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n [verbalisant 2] , werkzaam als hoofdinspecteur bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n5. Het proces-verbaal van de in de zaak gehouden terechtzitting in hoger beroep, van 3 februari 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :\n\nDe verdachte verklaart op vragen van de voorzitter als volgt:\n\nHet klopt dat ik op 28 januari 2023 omstreeks 21:25 uur aanwezig was op het centraal station in Nijmegen en dat ik toen ben aangesproken door een medewerkster van de beveiliging. Ik moest van haar een kaartje kopen. Het klopt dat de politie ter plaatse is gekomen en dat ik door de politie ben aangehouden. Daarop ontstond een worsteling en ben ik op enig moment op de grond beland. Ik ben toen gaan spinnen\u002Fdraaien en daarbij heb ik van mij afgetrapt.\n\nBewijsoverwegingen\n\nI.\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nII.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 1 tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsman – in de kern weergegeven – aangevoerd dat op grond van de stukken in het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de in de tenlastelegging vermelde woorden heeft gebezigd. Meer in het bijzonder kan het steunbewijs daarvoor niet worden gevonden in de getuigenverklaring (van het hof begrijpt: getuige [getuige]), nu die getuige niet heeft verklaard dat hij de tenlastegelegde uitingen heeft gehoord. Hoewel kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft gezegd dat zij aangeefster ging slaan, kunnen die woorden noch de woorden “ik sla je kop kapot” gekwalificeerd worden als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, aldus de raadsman.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nOp grond van de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat er op 28 januari 2023 in de stationshal van het centraal station in Nijmegen een conflict c.q. woordenwisseling is ontstaan tussen de verdachte en aangeefster [benadeelde] , waarbij de verdachte zich verbaal agressief heeft opgesteld jegens aangeefster. Aangeefster heeft in haar aangifte verklaard dat de verdachte haar daarbij heeft toegevoegd: “je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en (meermalen) de woorden: “ik sla je kop kapot”, althans woorden van gelijke strekking. De getuige [getuige] heeft verklaard dat de verdachte naar aangeefster schreeuwde: “Ik zou maar achterom blijven kijken als ik jou was” en “Ik ga je slaan” of met woorden van gelijke strekking.\n\nGelet op de inhoud van het procesdossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de aangifte van aangeefster. Uit de getuigenverklaring van de onafhankelijke getuige [getuige] volgt dat de verdachte heeft gedreigd om aangeefster te slaan, althans woorden van gelijke strekking. Ook volgt uit de getuigenverklaring dat de verdachte tegen aangeefster heeft gezegd dat – kort gezegd – zij achterom moest blijven kijken. Naar het oordeel van het hof vindt de aangifte aldus voor wat betreft de kern van de bedreiging, namelijk de genoemde geweldshandeling (het slaan) van de verdachte – alsook op het punt van de andere door aangeefster benoemde bedreigende uiting, kort gezegd: het achterom kijken – voldoende steun in de getuigenverklaring van getuige [getuige] . Aldus acht het hof bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging vermelde woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, heeft gebezigd. Dat de getuigenverklaring op het punt van de precieze door verdachte gebezigde woorden niet geheel overeenstemt met de aangifte, doet daar niet aan af.\n\nIn weerwil van het verweer van de raadsman is het hof voorts van oordeel dat de bewoordingen “je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en “ik sla je kop kapot” – in onderlinge samenhang bezien en de betekenis daarvan naar algemeen taalgebruik in aanmerking nemend – een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling behelst.\n\nHet hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.\n\nGelet op hetgeen in hoger beroep ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde aan de orde is gekomen, ziet het hof reden om nog het volgende te overwegen.\n\nOp grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat naar aanleiding van de hierboven omschreven melding van bedreiging van aangeefster agenten van politie ter plaatse zijn gekomen op het centraal station te Nijmegen. Op enig moment is de politie overgegaan tot aanhouding van de verdachte ter zake van bedreiging. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich daarop met geweld tegen haar aanhouding heeft verzet. In aanmerking genomen dat de agenten werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding op heterdaad van de verdachte, komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde. Het door de raadsman verwoorde verweer van de verdachte inhoudende dat zij zich heeft verdedigd tegen onrechtmatig politiegeweld wordt derhalve verworpen. Dat de aanhouding voorts gepaard zou zijn gegaan met buitenproportioneel geweld is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Uit de ter zake opgemaakte processen-verbaal van politie of anderszins uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kunnen geen aanknopingspunten worden ontleend die de enkele verklaring van de verdachte met die strekking ondersteunen. Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van die processen-verbaal.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling.\n\nHet onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nWederspannigheid, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een geldboete van € 500,00, al dan niet te voldoen in termijnen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft – onder verwijzing naar de wijze waarop de verdachte is aangehouden, de omstandigheid dat zij te laat in verzekering is gesteld en een dag in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – bepleit dat het hof zal volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag, met daarnaast oplegging van een taakstraf, zulks als stok achter de deur.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nDe raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte te laat in verzekering is gesteld en het hof verzocht om dat vormverzuim ten gunste van de verdachte in de strafoplegging te verdisconteren.\n\nBlijkens het dossier is de verdachte op 28 januari 2023 om 21:25 uur aangehouden ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling, zijnde een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering). De verdachte is die dag om 21:46 uur opgehouden voor onderzoek. Op 29 januari 2023 om 15:40 uur is de verdachte in verzekering gesteld.\n\nOp grond van artikel 56a van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte ter zake van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten ten hoogste negen uur worden opgehouden voor onderzoek. De tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens wordt voor de berekening van deze termijnen niet meegerekend.\n\nUit het vorenstaande volgt aldus dat de verdachte 8 uur en 56 minuten na het bevel ophouding in verzekering is gesteld. Mitsdien is aan de vereisten van strafvordering voldaan en is van een vormverzuim geen sprake. Het andersluidende verweer mist derhalve feitelijke grondslag, zodat het niet kan slagen.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling van aangeefster. Aangeefster was ten tijde van de bedreiging werkzaam als beveiligster op het centraal station in Nijmegen. Toen de verdachte vanwege haar gedrag door aangeefster werd verboden om met de trein te reizen, heeft zij aangeefster bedreigd. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en bij haar gevoelens van onveiligheid en onbehagen teweeggebracht. Naar aanleiding van de bedreiging zijn agenten van politie ter plaatse gekomen en overgegaan tot aanhouding van de verdachte. Daarop heeft de verdachte zich met aanmerkelijk geweld tegen haar aanhouding verzet. Door aldus te handelen heeft de verdachte het gezag van de opsporingsambtenaren ondermijnd en hun werk onnodig en op hinderlijke wijze bemoeilijkt. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 november 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat zij op 21 december 2021 door de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant wegens mishandeling is veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis. Die eerdere veroordeling heeft de verdachte er ogenschijnlijk niet van weerhouden om andermaal een soortgelijk strafbaar feit te plegen.\n\nVerder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in dat verband verklaard dat zij geen werk heeft en dat sprake is van schulden ten bedrage van € 5.000,- à € 6.000,-.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, passend en geboden. Aldus komt het hof tot een hogere straf dan door de advocaat-generaal gevorderd, nu de door de advocaat-generaal gevorderde straf, naar het oordeel van het hof, onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, in aanmerking genomen dat de feiten waren gericht tegen respectievelijk politieambtenaren in functie en een beveiligingsmedewerkster. Bij dit oordeel heeft het hof voorts nog betrokken dat het hof oplegging van een geldboete, gelet op verdachtes draagkracht, niet opportuun acht.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 180 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nvernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 2 maart 2023 onder CJIB nummer 1132 5420 0501 1866;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door15 (vijftien) dagen hechtenis.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. T. van de Woestijne, voorzitter,\n\nmr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,\n\nen op 17 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Lavrijssen voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:1106","2025-02-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:09.385Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":119,"fullText":120,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":119,"parsedAt":39,"updatedAt":122},"298","ECLI:NL:RBGEL:2024:2693","ecli-nl-rbgel-2024-2693","2024-05-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-337531-23; 20-000823-21 (tul)\n\nDatum uitspraak : 3 mei 2024\n\nTegenspraak (art. 279 Sv)\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. T. van Nimwegen, advocaat in Tilburg\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 april 2024.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fof heeft vervoerd, ongeveer 310 flessen van 3,3 liter\u002F2 kilogram, in elk geval een hoeveelheid\n\ndistikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fof heeft vervoerd, ongeveer 6,05 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, nu voor de aanwezigheid en het vervoeren van lachgas wettig bewijs ontbreekt. Daartoe voert de officier van justitie aan dat niet kan worden vastgesteld dat het om lachgas gaat nu niet door het NFI is onderzocht welke stof zich in de in het voertuig van verdachte aangetroffen cilinders bevond.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van cocaïne\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor beide feiten. Daartoe is aangevoerd dat de doorzoeking in het voertuig en de kennisname van de pallets met cilinders en het boterhamzakje met wit poeder onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Bewijsuitsluiting moet daarop volgen, waardoor niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat ten aanzien van feit 1 in ieder geval vrijspraak moet volgen omdat niet kan worden vastgesteld dat in de cilinders lachgas zat, nu geen onderzoek is gedaan naar de daadwerkelijke inhoud van de cilinders.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nRechtmatigheid onderzoekshandelingen\n\nOp 23 september 2023 kwam een melding binnen van een eenzijdig ongeval op de A12 ter hoogte van hectometerpaal 125.0 in Arnhem. Ter plaatse bleek dat een bestelbusje tegen de vangrail stond en dat de bestuurder met gesloten ogen op zijn stoel zat en nergens op reageerde. Toen hij later de ogen opende, kon hij geen antwoord geven op vragen, waarop ambulancepersoneel de verzorging overnam en hem meenam naar het ziekenhuis.\n\nDe verbalisant zag op de bus geen enkele naam aanduiding of een andere indicatie met betrekking tot wat er in de bus vervoerd zou kunnen worden. Vervolgens heeft hij de achterkant van de bus geopend om te kijken of er goederen aanwezig waren en zo ja welke goederen. Vervolgens zag hij twee pallets staan, waarvan de inhoud was ingepakt met zwart plastic met daaromheen witte spanbanden. De pallets waren voorzien van meerdere stickers met daarop een gevarendiamant. Doordat het de verbalisant vanwege zijn ervaring meteen duidelijk was dat het hoogst waarschijnlijk zou gaan om pallets met lachgas flessen, is het vermoeden ontstaan dat zich in de bus verdovende middelen bevonden.\n\nDe vraag is of het openen van de achterdeur van het voertuig en de kennisname van de daarin aangetroffen cilinders en harddrugs rechtmatig is geweest.\n\nIn artikel 3 Politiewet is bepaald dat de politie tot taak heeft de rechtsorde te handhaven en hulp te verlenen aan hen die deze nodig hebben. Nu de bestuurder van het voertuig met de ambulance was afgevoerd, had de politie de zorg over het voertuig. Ter handhaving van de openbare orde kan het voor de politie van belang zijn te weten wat er in het voertuig werd vervoerd. Nu dat aan de buitenkant niet zichtbaar was, heeft de verbalisant de achterdeur geopend. Op het moment van het openen van de achterdeur was nog geen sprake van een doorzoeking, maar het openen van de achterkant van het voertuig valt onder de bevoegdheid van artikel 3 Politiewet. Mocht immers blijken dat er gevaarlijke chemicaliën of explosieve stoffen vervoerd zouden worden, moeten direct adequate maatregelen worden genomen om allerlei onheil te voorkomen. Dat is ook de taak van de politie. Na het aantreffen van de twee pallets met een gevarendiamant en de ervaring van de verbalisant is volgens de rechtbank een verdenking ontstaan en heeft men het voertuig kunnen doorzoeken op basis van artikel 96b Wetboek van Strafvordering.\n\nDe rechtbank zal het verweer van de verdediging dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting dan ook afwijzen.\n\nTen aanzien van feit 1\n\nDe verbalisant heeft na het aantreffen van de twee pallets een stukje van het plastic opengescheurd en zag de hem ambtshalve bekende kartonnen dozen waarin ‘wegwerp’ lachgas flessen worden verpakt. Ook zag hij twee kartonnen dozen met zwarte ballonnen, die hij herkende als ballonnen die worden gebruikt om met lachgas te vullen. In totaal zijn er 310 cilinders met vermoedelijk lachgas in het voertuig aangetroffen.\n\nDe inhoud van de cilinders is niet onderzocht door het NFI en verdachte heeft geen verklaring afgelegd over de in zijn voertuig aangetroffen cilinders. Noch is onderzoek gedaan naar de fabrikant van de cilinders\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een enkele ambtshalve herkenning van de cilinders als lachgascilinders door verbalisant, zonder enig nader onderzoek en zonder een verklaring van verdachte dat het lachgas betreft, onvoldoende is om tot wettig en overtuigend bewijs te komen dat zich in de cilinders lachgas bevond. De cilinders kunnen immers ook leeg zijn of op een later moment gevuld met een andere substantie.\n\nDe rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 1 tenlastegelegde.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 11-12;\n\n- het rapport NFiDENT van 13 november 2023, p. 20;\n\n- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 41-42;\n\nNadere bewijsmotivering\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken nu sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in die zin dat de doorzoeking onrechtmatig heeft plaatsgevonden.\n\nDe rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat het openen van de achterkant van het voertuig in onderhavig geval onder de bevoegdheid van artikel 3 Politiewet valt. Door het zoekend rondkijken in het voertuig is vervolgens een verdenking ontstaan dat zich in het voertuig verdovende middelen bevonden. Daartoe is het hele voertuig doorzocht en is in de linker portier een boterhamzakje met wit poeder aangetroffen.\n\nDe rechtbank is – mede gelet op het hiervoor overwogene – van oordeel dat de doorzoeking rechtmatig heeft plaatsgevonden en verwerpt het verweer van de verdediging.\n\nDe rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van 6,05 gram van een materiaal bevattende cocaïne.\n\nDe rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n2.\n\nhij op of omstreeks23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fofheeft vervoerd, ongeveer 6,05 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nEr is sprake van eendaadse samenloop, nu het vervoeren en aanwezig hebben dezelfde cocaïne betreft, op dezelfde plaats en tijd is geschied en hetgeen is strafbaar gesteld in artikel 2, onder B en C van de Opiumwet dezelfde strekking heeft.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\neendaadse samenloop van\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod\n\nen\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren en aanwezig hebben van 6,05 gram cocaïne. Ook heeft hij verklaard dat hij sinds kort cocaïne gebruikt. Het is algemeen bekend dat harddrugs in het algemeen zeer schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat de handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door in het bezit te raken van harddrugs.\n\nDe rechtbank heeft gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie van 29 maart 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor delicten van de Opiumwet. De rechtbank merkt op dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van 18 maart 2024. Het is de reclassering niet gelukt om met verdachte in contact te komen. De reclassering maakt op basis van de beschikbare gegevens de inschatting dat verdachte gebaat zou kunnen zijn bij begeleiding\u002Fbehandeling van een forensisch FACT-team van Fivoor. Tijdens het traject dient er aandacht te zijn voor het middelengebruik en het stabiliseren van criminogene leefgebieden. De reclassering adviseert daarom een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling\u002Fbegeleiding.\n\nDe rechtbank heeft daarnaast gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het vervoeren van 0 tot 10 gram harddrugs wordt doorgaans een taakstraf voor de duur van 30 uren opgelegd.\n\nGelet op het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf niet passend is. Verdachte liep nog in een proeftijd toen hij het feit pleegde en de reclassering heeft geen contact met hem kunnen krijgen. Zij adviseren bijzondere voorwaarden, maar verdachte heeft via zijn raadsman te kennen gegeven daar niet aan mee te willen werken. De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en zal dat aan verdachte opleggen.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 20-000823-21)\n\nHet gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte op 17 juni 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van deze straf.\n\nDe raadsman heeft geen standpunt ingenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. Er zijn geen redenen om dat niet te doen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2 en 10 van de Opiumwet.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde feit;\n\n verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstrafvoor de duur vanéén (1) maand;\n\nVordering na voorwaardelijke veroordeling\n\n beveelt de tenuitvoerlegging van de op 17 juni 2022 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand(parketnummer 20-000823-21).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 mei 2024.\n\nmrs. W. Bruins en A.J.H. Steenweg zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023440563, gesloten op 5 oktober 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:2693","2026-07-13T00:28:23.279Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":127,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":129,"parsedAt":39,"updatedAt":130},"1317","ECLI:NL:GHARL:2023:1187","ecli-nl-gharl-2023-1187","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-001626-21\n\nUitspraak d.d.: 7 februari 2023\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2021 met parketnummer\n\n08-997004-17 in de strafzaak tegen\n\n [Verdacht B.V.] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van verdachte en haar raadslieden, mr. E. van der Meer en mr. W. Sleijfer, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe rechtbank heeft bij vonnis van 25 maart 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van:\n\n feit 1: het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013;\n\n feit 2: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 3: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 4: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018;\n\n feit 5: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018,\n\nveroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,-, waarvan € 40.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met aanvulling van gronden, behalve voor zover het betreft de strafoplegging.\n\nTen aanzien van de op te leggen straf komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.\n\nAanvulling van gronden\n\nTen aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat er zowel binnen het bestuursrecht als het civiele recht voldoende middelen bestonden om corrigerend op te treden, zodat er geen plaats is voor een strafrechtelijke vervolging. Daarnaast is er volgens de verdediging gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat verdachte en haar bestuurder [medeverdachte] zijn vervolgd en de Staat als privaatrechtelijke partij en tevens toezichthouder, niet. Ten slotte is aangevoerd dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel in combinatie met een overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de Staat het in eerste instantie heeft nagelaten om handhavend op te treden terwijl de controlerende instanties op de hoogte waren van de winlocaties van verdachte, en de daadwerkelijke strafvervolging vervolgens veel te lang heeft geduurd. Alles samen maakt volgens de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ingestelde strafvordering.\n\nHet hof overweegt, in aanvulling op hetgeen door de rechtbank op pagina 8 tot en met 10 van het vonnis is overwogen, dat al de door de verdediging aangevoerde omstandigheden, ook in samenhang bezien, niet maken dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte.\n\nVan gelijke gevallen in de zin van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake, nu de rol van verdachte en die van de overheid als eigenaar van de gronden een geheel andere is. De overheid heeft door middel van het uitgeven van vergunningen, of door het niet verlenen daarvan, in beginsel voldaan aan zijn verplichting om te verhinderen dat zonder vergunning wordt ontgrond. Dat diezelfde overheid pas laat heeft ingegrepen met betrekking tot de overtreding van het verbod van artikel 3 van de Ontgrondingenwet (hierna: Ogw) door verdachte, is in het licht van het gelijkheidsbeginsel niet relevant. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan verdachte daaraan geen rechten ontlenen.\n\nVerder overweegt het hof dat de in het kader van het gelijkheidsbeginsel aangehaalde Aanwijzingen voor de regelgeving evenmin in de weg staan aan ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, aangezien zij naar inhoud en strekking niet zijn aan te merken is als recht in de zin van artikel 79 van het Wet op de Rechterlijke Organisatie, waardoor geen horizontale of verticale werking door partijen aan die bepalingen kan worden ontleend.\n\nEr is geen sprake van een situatie waarin geen redelijk denkend lid van het openbaar ministerie tot een vervolgingsbeslissing ten aanzien van verdachte had kunnen komen. Het ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen.\n\nTen aanzien van artikel 3 en 3a van de Ontgrondingenwet\n\nTer terechtzitting in hoger beroep is nogmaals door mr. E. van der Meer bepleit dat verdachte niet zonder vergunning heeft ontgrond, omdat zij in de periode van 2011 tot en met 2013 een ontgrondingsvergunning had voor de Noordzee. In voorschrift 1.1. is het wingebied gedefinieerd doordat is bepaald dat de winning alleen mag worden uitgevoerd binnen het gebied zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende indicatieve tekening met nummer [nummer] . Het winnen van schelpen buiten het aangegeven gebied valt volgens de verdediging aan te merken als het handelen in strijd met voorschriften van een bestaande vergunning, welk verbod is opgenomen in artikel 3a van de Ogw, en valt niet onder het zonder een vergunning ontgronden uit artikel 3 van de Ogw.\n\nHet hof overweegt dat voor zover artikel 3a Ogw van toepassing is, in ieder geval ook artikel 3 Ogw van toepassing is, omdat vaststaat dat verdachte in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013 in de Waddenzee en Noordzeekustzone schelpen heeft gewonnen terwijl zij daarvoor in die periode geen vergunning had.\n\nDat verdachte een begrip voor de Noordzee hanteert waarin geen onderscheid bestaat tussen de Noordzee en de Noordzeekustzone, dient voor haar rekening en risico te blijven. Op grond van de diverse vergunningen die aan verdachte zijn vertrekt, moet haar dat onderscheid duidelijk zijn geweest.\n\nAanvullende overweging ten aanzien van de feiten 2 tot en met 5\n\nDat de zoon van de bestuurder van verdachte de betreffende opgaven aan het Rijksvastgoedbedrijf (hierna: RVB) zou hebben gedaan, omdat de bestuurder niet met computers overweg kan, maakt het verwijt dat in de tenlastegelegde feiten besloten ligt, niet anders. Het handelen van de bestuurder van verdachte en diens zoon kunnen aan verdachte worden toegerekend, nu sprake is van het handelen van een persoon die werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en daaraan dienstig is geweest, terwijl de rechtspersoon erover kon beschikken dat de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nIndien het hof toch tot een veroordeling komt, is volgens de verdediging een schuldigverklaring zonder strafoplegging een passende afdoening gezien de houding van de Staat, die door verwijtbaar nalaten medeverantwoordelijk is voor de strafrechtelijke gang van zaken.\n\nOordeel van het hof\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft in de periode van medio maart 2011 tot en met 2013 meerdere malen\n\nschelpen gewonnen op een winlocatie, waarvoor zij geen vergunning had (feit 1). Zij heeft\n\nschelpen gewonnen in de Noordzeekustzone en Waddenzee, een gebied waarbinnen meerdere partijen zich kunnen inschrijven per kavel. Of er kavels worden toebedeeld en hoe veel, is afhankelijk van het bedrag dat een partij ervoor over heeft. Verdachte had in de periode van 2011 tot en met 2013 enkel een vergunning voor het winnen van schelpen in de Noordzee. Voor die periode had verdachte geen kavels in de Noordzeekustzone of in de Waddenzee, en zij mocht derhalve in dit gebied geen schelpen winnen. Door dit alsnog te doen, heeft verdachte niet alleen de doelstellingen van het vergunningensysteem ondergraven, maar zichzelf ook financieel bevoordeeld ten opzichte van haar concurrenten.\n\nHet hof heeft geconstateerd dat de onder 1 tenlastegelegde feiten zo lang geleden zijn gepleegd dat het al gedeeltelijk is verjaard - voor zover het de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 betreft – en op korte termijn in zijn geheel zal verjaren in verband met de absolute verjaringstermijn als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof voorziet dat de aankomende verjaring reeds reden voor cassatie zou kunnen zijn. Om verdere procedures te voorkomen, en omdat het karakter en de verjaringstermijn van het onder 1 ten laste gelegde delict verschillen van die van de overige tenlastegelegde feiten, zal het hof de verdachte voor het onder feit 1 tenlastegelegde geen straf of maatregel opleggen.\n\nVerder heeft verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot 1 januari 2019, gedurende acht jaren, in meerdere elektronische opgaven vermeld dat zij schelpen had gewonnen in het wingebied Noordzee, terwijl deze schelpen in werkelijkheid waren gewonnen in het wingebied de Waddenzee of de Noordzeekustzone. Vervolgens heeft zij deze valse opgaven toegestuurd aan het RVB (feiten 2, 3, 4 en 5).\n\nNaar het oordeel van het hof zijn de bewezenverklaarde feiten van dien aard, dat hierbij niet kan worden volstaan met schuldigverklaring zonder strafoplegging. Verdachte – een partij die zich al jarenlang in de wereld van het winnen van schelpen begeeft – heeft gedurende een lange periode uiterst laakbaar gehandeld. In november 2014 is zij reeds gewezen op haar onjuiste handelen, maar dit heeft geen verschil teweeg gebracht in de handelwijze van de B.V. In de periode van 2011 tot en met 2018 was de prijs voor schelpen die werden gewonnen in het wingebied de Noordzee (veel) lager dan de prijs die moest worden betaald voor schelpen die waren gewonnen in het wingebied de Waddenzee en de Noordzeekustzone en door het handelen van verdachte is het RVB dan ook financieel benadeeld. Gelet hierop acht het hof een geldboete een passende straf bij de bewezenverklaarde feiten.\n\nUit het de verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 22 december 2022 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nHet hof constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken in eerste aanleg is overschreden. De rechtbank heeft een geldboete ter hoogte van € 50.000,-, waarvan € 40.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren opgelegd en daarin is de overschrijding van de redelijke termijn ook al meegewogen. Het hof houdt in hoger beroep ook rekening met de overschrijding en zal geen straf opleggen die hoger is dan de straf die door de rechtbank is bepaald.\n\nHet gegeven dat de bestuurder van verdachte voor dezelfde feiten als in de onderhavige zaak straffen opgelegd krijgt, maakt dat het hof reden ziet om verdachte tot een geheel voorwaardelijke geldboete te veroordelen. Aangezien verdachte nog actief is als het gaat om het winnen van schelpen, zal de voorwaardelijke geldboete wel fors zijn, om te voorkomen dat verdachte in de toekomst nog verkeerde wingebieden op zal geven en valse opgaven op zal sturen aan het KVB.\n\nIndien het hof de bewezenverklaring van feit 1 had betrokken in de strafoplegging zonder rekening te houden met het punt van verjaring, zou een zelfde straf zijn opgelegd als de rechtbank heeft gedaan.\n\nAlles overziend acht het hof een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 50.000,- met een proeftijd van drie jaren voor de feiten die onder 2, 3, 4 en 5 bewezen zijn verklaard, passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nBepaalt dat ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nVeroordeelt de verdachte voor het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,-,.\n\nBepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. J.A.W. Lensing, voorzitter,\n\nmr. W.M. Weerkamp en mr. R.G.J. Welbergen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,\n\nen op 7 februari 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 februari 2023.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. D. Visser, voorzitter,\n\nmr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,\n\nmr. G. Ladjevardi, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1187","2023-02-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.655Z",20]