[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-criminal-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":103},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},84,"criminal-procedure-nl","Criminal Procedure","NL","2026-07-08T16:55:34.252Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2023-02-07T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121812","Wetboek van Strafvordering","art. 279",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122481","Algemene wet bestuursrecht","art. 5:15",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"122482","art. 5:13",[34,44,53,62,71,79,88,96],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":42,"updatedAt":43},"1687","ECLI:NL:RBGEL:2026:5303","ecli-nl-rbgel-2026-5303","","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05\u002F057541-25\n\nDatum uitspraak : 6 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de militaire kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] .\n\nRaadsvrouw: mr. T.A. van Helvoort, advocaat in Amersfoort.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij als militair, op of omstreeks 17 juni 2024, te of nabij [locatie] , in elk geval in Duitsland, tijdens een oefening (SOB SOMS) op een schietbaan met 112 pantsergeniecompagnie opzettelijk, althans in ernstige mate nalatig het dienstvoorschrift VS 7-520 COLT: Hoofdstuk 1 “Wapenleer”, sectie 5 “Verrichtingen aan het wapen” onder 1510 (pagina 1-44) waarin was voorgeschreven: Laden vanuit ongeladen toestand • Neem de uitgangshouding aan. • Neem het patroonmagazijn uit de patroonmagazijntas, controleer of de patronen juist geplaatst zijn. Plaats het patroonmagazijn in het wapen en controleer of deze geborgd is. • Trek de spangreep naar achteren en laat deze in achterste stand los.\n\n• Druk met de handpalm de aandruk-plunjer in. • Sluit het hulzengatdeksel. • Zet de vuurregelaar op ‘S’.\n\nen\u002Fof\n\nHoofdstuk 2 “Schietleer”, sectie 7 “Gebruik van geweer in het terrein” onder 2704 (pagina 2-40) waarin was voorgeschreven: Schietbereidheid laag Wordt meestal gebruikt als de vijandelijke dreiging laag is. U hebt twee manieren om het wapen aan de tactische draagriem te dragen,\n\n• Het wapen voor de borst gedragen. • Het wapen om de schouder gehangen. Uitvoering. • De tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door. • Het wapen wordt voor de borst gedragen, men kan nog steeds beide armen gebruiken voor werkzaamheden. • Desgewenst kan de schutter de snelsluiting openen, waardoor de riem langer kan worden gemaakt. • Wapen is geladen en staat op ‘Safe’. • Via deze draagwijze kan men snel overgaan naar een hogere schietbereidheid.\n\n, 2705 (pagina 2-41) Schietbereidheid middel Wordt het meest gebruikt bij verplaatsingen en patrouilles. Uitvoering • Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door. • De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder. • De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst. • Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’, de rechter wijsvinger is gestrekt langs de trekkerbeugel. • De loop wijst onder een hoek van ongeveer 45° naar beneden\n\nen 2706 (pagina 2-42) waarin was voorgeschreven dat: Schietbereidheid hoog Wordt gebruikt als men direct vijand contact verwacht. Uitvoering. • Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door. • De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder. • De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst. • Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’ met de rechter wijsvinger aan de trekker en de rechterduim bij de vuurregelaar. • Waarnemen over de richtmiddelen voor een maximaal gezichtsveld.\n\nen\u002Fof\n\nHandboek Militair LAND-E&T- 02.3: Hoofdstuk 6A “Colt C7 &C8”, sectie 2 “Verrichtingen aan het wapen\" onder 6203 (pagina 6-35) waarin was voorgeschreven dat: Laden (vanuit halfgeladen toestand) - neem de uitgangshouding aan - trek de spangreep naar achteren en laat deze in de achterste stand los - druk met de handpalm de aandrukplunjer in - sluit het hulzengatdekeel - zet de vuurregelaar op S.\n\nniet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat hij verdachte toen aldaar in de gevechtsruimte\u002Fhet manschappen-compartiment van een Boxer (militair pantserwielvoertuig) zijn geladen wapen (Colt 8) ter hand heeft genomen en\u002Fof in gebruik heeft genomen zonder dat verdachte zich op dat moment (eerst) (voldoende) had overtuigd van de toestand waarin dat wapen verkeerde en\u002Fof zonder dat verdachte (eerst) de veiligheidsmaatregelen had genomen en\u002Fof zonder dat verdachte het wapen met de loop in een veilige richting liet wijzen en\u002Fof op het moment dat hij, verdachte, nog in het pantservoertuig zat\u002Faanwezig was en aanstalte maakte om uit te stijgen de trekker van zijn dienstwapen heeft overgehaald en\u002Fof althans te trekker heeft beroerd en\u002Falthans een schot met dat wapen heeft gelost en\u002Fof terwijl verdachte zijn dienstwapen op (zeer) korte afstand in de richting van het pantserplaat plafond (scherfwerende plafondplaat) van het voertuig (Boxer)militairwielvoertuig liet wijzen,\n\nterwijl daarvan\u002Fdaardoor gemeen (ricochet)gevaar voor personen, te weten de in het voertuig bevindende personen en\u002Fof de zich in de directe nabijheid van het schot bevindende personen te weten verdachte zelf en\u002Fof [getuige 1] en\u002Fof [getuige 2] en\u002Fof [getuige 3] en\u002Fof [getuige 4] en\u002Fof [getuige 5] en\u002Fof [getuige 6] en\u002Fof [getuige 7]\n\nen\u002Fof gemeen gevaar voor goederen te weten de in het militairwielvoertuig bevindende goederen te weten de elektronische apparatuur, de vloer- en wand(bekleding) is ontstaan, althans te duchten is geweest.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin, dan wel door ernstige nalatigheid, een dienstvoorschrift heeft overtreden. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.\n\nBeoordeling door de militaire kamer\n\nDe bewijsmiddelen\n\nOp 17 juni 2024 vond de oefening SOB\u002FSOMS (Schiet- en oefenperiode [locatie] \u002FSchiet- en oefenperiode [locatie] ) plaats op een schietbaan in [locatie] (Duitsland). Hierbij werd gebruik gemaakt van een Boxer-pantserwielvoertuig (hierna: Boxer) en scherpe munitie. De 112 pantsergeniecompagnie, waar verdachte deel van uitmaakt, deed mee aan deze oefening.\n\nVerdachte zat samen met zijn collega-militairen [getuige 1] (voertuigcommandant), [getuige 7] (boordschutter), [getuige 4] , [getuige 6] (chauffeur), [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 5] in de Boxer. Verdachte was hun groepscommandant.De chauffeur, de voertuigcommandant en de boordschutter zaten voorin de Boxer. De rest zat achterin.\n\nVerdachte, die tevens schietinstructeur op de Colt is, heeft verklaard dat er tassen onder zijn stoel waren geplaatst, waardoor zijn stoel niet volledig naar beneden kon worden geklapt en hij niet goed kon zitten. Daarom heeft verdachte zijn doorgeladen Colt C8, met de loop naar boven, rechts van zich neergezet tussen de stoelen. Toen ze moesten uitstijgen, wilde verdachte zijn wapen pakken, maar dat zat klem. Verdachte stond gebukt, draaide naar rechts en pakte met zijn rechterhand zijn wapen bij de handbeschermer, ter hoogte van de handgreep aan de loop. Toen hij aan het wapen trok, hoorde hij dat het afging.\n\nHet laatste moment waarop verdachte zeker wist dat zijn wapen op safe (S) stond, was toen hij het aan het begin van de dag heeft geladen. Verdachte kon niet zeggen of zijn wapen op safe stond tijdens het instijgen in de Boxer. Tijdens het uitstijgen heeft verdachte niet gecontroleerd of de vuurregelaar op safe stond. Verdachte is bekend met het Handboek Militair LAND-E&T- 02.3: Hoofdstuk 6A “Colt C7 &C8”, sectie 2 “Verrichtingen aan het wapen”.\n\n Verdachte handelde, bij het uitstijgen, in the heat of the momenten hij wilde tijd genereren. Achteraf bezien heeft hij zich te veel laten pushen door de oefening.\n\n [getuige 1] heeft verklaard dat de klep van de Boxer niet naar beneden was, alleen het deurtje was geopend. Verdachte wilde uitstappen door het geopende deurtje van de Boxer. Hierbij zat hij met zijn benen uit het voertuig, met zijn billen op de rand en met zijn gezicht naar beneden. Verdachte pakte zijn wapen van achter zich zonder ernaar te kijken. Toen hij het wapen naar voren trok, ging het schot af. [getuige 1] denkt dat hij zich op dat moment op 1,5 tot 2 meter afstand van verdachte bevond.\n\n [getuige 4] heeft verklaard dat het een rommel in de bak was, dus ze konden niet allemaal zitten. [getuige 4] zag dat verdachte wilde uitstijgen en aan zijn wapen trok. Het wapen van verdachte bleef vast zitten aan een stepje (de militaire kamer begrijpt: treetje) voor de voeten. Vervolgens hoorde [getuige 4] een doffe knal en hij zag een rookpluim. [getuige 4] zat op dat moment schuin tegenover verdachte op zo’n vijftig tot zestig centimeter afstand. Volgens [getuige 4] is er achterin zo’n bak altijd gevaar als je met scherp (de militaire kamer begrijpt: scherpe munitie) werkt.\n\n [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte zou gaan uitstijgen, maar bleef haken. Hierna hoorde [getuige 3] een schot en hij voelde een patroon voor zich langs gaan. Hij stond op dat moment achter verdachte op maximaal vijf centimeter afstand.\n\n [getuige 2] heeft verklaard dat bovengenoemde personen allemaal in de Boxer zaten, met uitzondering van [getuige 5] , die buiten stond. [getuige 2] zat tegenover verdachte. Ze zaten met hun knieën tegen elkaar, dus erg dicht op elkaar. [getuige 2] zag dat verdachte opstond en naar zijn wapen reikte. Toen verdachte zijn wapen in de hand had, trok hij dit naar zich toe en hoorde [getuige 2] een doffe knal. Als het schot niet in een ballistische plaat was gekomen, dan had deze volgens [getuige 2] kunnen afketsen in de gevechtsruimte, met alle gevolgen van dien.\n\n [getuige 5] heeft verklaard dat iedereen in de Boxer gepropt zat en dat het best wel krap was. [getuige 5] is als eerste door het deurtje van de achterklep van de Boxer naar buiten gegaan. Hij was er half of net uit toen hij een knal hoorde. Hij stond op dat moment op drie tot vijf meter afstand van verdachte.\n\nDe Colt C8 van verdachte is in beslag genomen.Uit een rapport van het Kenniscentrum Wapensystemen en Munitie volgt dat dit wapen in een goede (of uitstekende) wapentechnische staat is. Er zijn geen afwijkingen geconstateerd aan het wapen, ook niet aan de trekkergroep. De conclusie van het rapport luidt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het wapen spontaan een schot kan geven, zonder dat het wapen op ‘vuren’ heeft gestaan en de trekker is bediend.Verder is het volgens een wapenexpert mogelijk dat de vuurregelaar verdraait als een hard voorwerp hierop, onder de juiste hoek, met de juiste richting en met genoeg kracht, druk uitoefent.\n\nIn het plafond van de gevechtsruimte van de Boxer werd een inschot aangetroffen.Uit onderzoek van de Koninklijke Marechaussee bleek dat er mogelijk een schot was gelost met een Colt C8. De hierdoor afgevuurde kogelpunt heeft een kogelgat van ongeveer 6 millimeter veroorzaakt in de scherfwerende plafondplaat, waardoor deze plaat is geperforeerd en er een schotbeschadiging is ontstaan in de pantserplaat van het plafond.\n\nHet dienstvoorschrift\n\nIn het dienstvoorschrift Handboek Militair LAND-E&T- 02.3 (hierna: het HAMIL), zoals dit van kracht was op 16 juni 2024, staat in hoofdstuk 6A ‘Colt C7 & C8’ een sectie genaamd ‘Verrichtingen aan het wapen’. Hierin is – voor zover relevant – op bladzijde 6-35 opgenomen:\n\n6203 ​​​​​​ Laden (vanuit halfgeladen toestand)\n\n Neem de uitgangshouding aan.\n\n Trek de spangreep naar achteren en laat deze in achterste stand los.\n\n Druk met de handpalm de aandruk-plunjer in.\n\n Sluit het hulzengatdeksel.\n\n Zet de vuurregelaar op ‘S’.\n\nDe militaire kamer stelt vast dat het HAMIL een dienstvoorschrift betreft als bedoeld in artikel 135 MSr. De regels vormen een schriftelijk besluit van algemene strekking, hebben betrekking op een militair dienstbelang, namelijk de veilige omgang met wapens, en betreffen een tot de militair gericht gebod. Voorts zijn de regels duidelijk, ook voor verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij bekend is met deze sectie van het HAMIL.\n\nDe militaire kamer stelt vast dat sectie 5 ‘verrichtingen aan het wapen’ van hoofdstuk 1 ‘wapenleer’ van het dienstvoorschrift VS 7-520 niet van toepassing is, omdat er, ten tijde van het afgaan van het ongecontroleerde schot, geen sprake was van laden vanuit ongeladen toestand. Ook sectie 7 ‘Gebruik van geweer in het terrein’ van hoofdstuk 2 ‘Schietleer’ is in dit geval niet van toepassing, omdat dit gaat om de correcte manier waarop het wapen moet worden gedragen bij verplaatsingen in het terrein. Naar het oordeel van de militaire kamer is daar in dit geval geen sprake van, omdat verdachte zich in een voertuig bevond. In zoverre zal de militaire kamer verdachte partieel vrijspreken van het tenlastegelegde.\n\nOvertreden dienstvoorschrift\n\nOp grond van het voorgaande stelt de militaire kamer vast dat bij het uitstijgen uit de Boxer de vuurregelaar van het wapen van verdachte kennelijk niet op safe (S) stond. Het wapen van verdachte zat tijdens het uitstijgen klem. Verdachte heeft een ongewild\u002Fongecontroleerd schot met zijn wapen gelost toen hij aan het wapen trok om het los te krijgen. Verdachte heeft tijdens het uitvoeren van de oefening, en in het bijzonder bij het uitstijgen, niet gecontroleerd of de vuurregelaar (nog steeds) op S stond. Hiermee heeft verdachte het HAMIL overtreden op grond waarvan het wapen, na het uitvoeren van de veiligheidsmaatregelen, steeds op S behoort te staan.\n\nUit de stukken noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er een dienstvoorschrift bestaat waarin is vastgelegd dat de loop van een wapen naar beneden moet worden gericht in een voertuig.\n\nVan op de concrete situatie van mogelijk toepassing zijnde extra te stellen (veiligheids)eisen is dus niet gebleken. Er kan dan ook niet worden bewezen dat verdachte de loop van zijn wapen niet in een veilige richting liet wijzen. Daarom zal de militaire kamer verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.\n\nVerder blijkt uit het procesdossier niet dat verdachte de trekker van zijn wapen heeft overgehaald of beroerd. Ook hiervan zal de militaire kamer hem vrijspreken.\n\nOpzet\n\nDe militaire kamer is van oordeel dat verdachte geen opzet heeft gehad op het overtreden van het dienstvoorschrift, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Daarom zal de militaire kamer hem in zoverre vrijspreken van het tenlastegelegde.\n\nSchuld\n\nDe militaire kamer dient vervolgens te beoordelen of het overtreden van het dienstvoorschrift aan de schuld van verdachte is te wijten. Hiervoor is vereist dat de verdachte zich ten minste aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gedragen. Er moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De militaire kamer overweegt hiertoe het volgende.\n\nIn de gevechtsruimte van een Boxer is de ruimte zeer beperkt, zeker omdat er naast verdachte nog zeven collega’s in zaten. Bovendien lagen er in dit geval ook nog rugzakken onder de stoel van verdachte, waardoor hij niet goed kon zitten. In deze situatie heeft verdachte ervoor gekozen om zijn met scherpe munitie geladen wapen tussen de stoelen neer te zetten. Vervolgens heeft verdachte naast zich gereikt om zijn wapen te pakken, zodat hij kon uitstijgen, maar het wapen zat klem. Daarom trok verdachte aan het wapen dat vervolgens af ging. Verdachte heeft tijdens het uitstijgen niet gecontroleerd of de vuurregelaar op S stond.\n\nDe militaire kamer overweegt dat van een militair uit hoofde van diens functie extra voorzichtigheid mag worden verwacht (de zogenoemde Garantenstellung). Bovendien had verdachte als groepscommandant en tevens schietinstructeur op de Colt een leidende rol en een voorbeeldfunctie, waardoor hij nog voorzichtiger had moeten zijn. Hij werkte op dat moment bovendien met scherpe munitie. Hij had dan ook zijn onverdeelde aandacht moeten hebben bij de handelingen die hij moest uitvoeren – te weten het uitstijgen met zijn wapen – en dit zo veilig mogelijk moeten doen.\n\nJuist onder de genoemde feiten en omstandigheden – te weten de kleine ruimte met veel mensen, de spullen in de Boxer waardoor verdachte niet op een normale manier kon zitten en hij zijn wapen ook niet op een normale manier weg kon zetten – had verdachte meer voorzichtigheid moeten betrachten. De vuurregelaar is namelijk op enig moment van S afgegaan, zonder dat verdachte dit heeft opgemerkt, noch tijdens het instijgen, noch tijdens het uitstijgen. Zeker nu hij het wapen op een andere manier neer had gezet dan hij normaal zou doen, te weten tussen de stoelen, had van hem mogen worden verwacht dat hij daarvoor en daarna zou controleren dat de vuurregelaar inderdaad nog op S stond. Dit heeft hij niet gedaan.\n\nBovendien heeft verdachte tijdens het uitstijgen naast zich gereikt en zijn wapen gepakt. Ondanks dat hij voelde dat het wapen klem zat, heeft hij dit naar zich toe getrokken. Dit ging kennelijk op zo’n manier dat het wapen af is gegaan.\n\nDe militaire kamer ziet dit als twee afzonderlijke onzorgvuldigheden. In die zin is deze zaak dus niet vergelijkbaar met de door de verdediging aangehaalde uitspraak van de militaire kamer van 16 december 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:9075), nu in die zaak sprake was van een enkel moment van onoplettendheid. De militaire kamer vindt dat daarvan in het geval van verdachte geen sprake is.\n\nGelet op deze omstandigheden, in het bijzonder de voorzichtigheid die juist van verdachte had mogen worden verwacht tijdens het werken met scherpe munitie, komt de militaire kamer tot het oordeel dat verdachte verwijtbaar onvoorzichtig is geweest. Hiermee is sprake van aanmerkelijke schuld.\n\nGemeen gevaar voor personen en\u002Fof goederen\n\nDe militaire kamer overweegt dat er meerdere collega’s van verdachte zich in zijn directe omgeving bevonden op het moment dat hij het schot loste. [getuige 3] voelde zelfs het patroon langs zich gaan. Bovendien had de kogel kunnen ricocheren naar verdachte zelf, zijn collega’s of de goederen in het voertuig die zich in de directe omgeving bevonden. Hierdoor hadden zijn collega’s ernstig gewond kunnen raken of erger. Verder is door de inslag de scherfwerende plafondplaat doorboord en de daarachter liggende pantserplaat beschadigd.\n\nDe militaire kamer is daarom van oordeel dat er gemeen gevaar voor zowel personen als goederen is ontstaan, althans te duchten is geweest.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande acht de militaire kamer het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, waarbij de militaire kamer van oordeel is dat verdachte in ernstige mate nalatig is geweest.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij als militair, op of omstreeks17 juni 2024, te of nabij [locatie] , in elk geval in Duitsland, tijdens een oefening (SOB SOMS) op een schietbaan met 112 pantsergeniecompagnieopzettelijk, althansin ernstige mate nalatig het dienstvoorschriftVS 7-520 COLT: Hoofdstuk 1 “Wapenleer”, sectie 5 “Verrichtingen aan het wapen” onder 1510 (pagina 1-44) waarin was voorgeschreven:Laden vanuit ongeladen toestand• Neem de uitgangshouding aan.• Neem het patroonmagazijn uit de patroonmagazijntas, controleer of de patronen juist geplaatst zijn. Plaats het patroonmagazijn in het wapen en controleer of deze geborgd is.• Trek de spangreep naar achteren en laat deze in achterste stand los.\n\n• Druk met de handpalm de aandruk-plunjer in.• Sluit het hulzengatdeksel.• Zet de vuurregelaar op ‘S’.\n\nen\u002Fof\n\nHoofdstuk 2 “Schietleer”, sectie 7 “Gebruik van geweer in het terrein” onder 2704 (pagina 2-40) waarin was voorgeschreven:Schietbereidheid laagWordt meestal gebruikt als de vijandelijke dreiging laag is. U hebt twee manieren om het wapen aan de tactische draagriem te dragen,\n\n• Het wapen voor de borst gedragen.• Het wapen om de schouder gehangen.Uitvoering.• De tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door.• Het wapen wordt voor de borst gedragen, men kan nog steeds beide armen gebruiken voor werkzaamheden.• Desgewenst kan de schutter de snelsluiting openen, waardoor de riem langer kan worden gemaakt.• Wapen is geladen en staat op ‘Safe’.• Via deze draagwijze kan men snel overgaan naar een hogere schietbereidheid.\n\n, 2705 (pagina 2-41) Schietbereidheid middelWordt het meest gebruikt bij verplaatsingen en patrouilles.Uitvoering• Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door.• De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder.• De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst.• Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’, de rechter wijsvinger is gestrekt langs de trekkerbeugel.• De loop wijst onder een hoek van ongeveer 45° naar beneden\n\nen 2706 (pagina 2-42) waarin was voorgeschreven dat:Schietbereidheid hoogWordt gebruikt als men direct vijand contact verwacht.Uitvoering.• Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door.• De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder.• De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst.• Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’ met de rechter wijsvinger aan de trekker en de rechterduim bij de vuurregelaar.• Waarnemen over de richtmiddelen voor een maximaal gezichtsveld.\n\nen\u002FofHandboek Militair LAND-E&T- 02.3: Hoofdstuk 6A “Colt C7 &C8”, sectie 2 “Verrichtingen aan het wapen\" onder 6203 (pagina 6-35) waarin was voorgeschreven dat: Laden (vanuit halfgeladen toestand)- neem de uitgangshouding aan- trek de spangreep naar achteren en laat deze in de achterste stand los- druk met de handpalm de aandrukplunjer in- sluit het hulzengatdekeel- zet de vuurregelaar op S.\n\nniet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat hij verdachte toen aldaarin de gevechtsruimte\u002Fhet manschappen-compartiment van een Boxer (militair pantserwielvoertuig) zijn geladen wapen (Colt 8) ter hand heeft genomenen\u002Fof in gebruik heeft genomenzonder dat verdachte zich op dat moment (eerst) (voldoende) had overtuigd van de toestand waarin dat wapen verkeerdeen\u002Fofzonder dat verdachte (eerst) de veiligheidsmaatregelen had genomen en\u002Fof zonder dat verdachte het wapen met de loop in een veilige richting liet wijzen en\u002Fofop het moment dat hij, verdachte, nog in het pantservoertuigzat\u002Faanwezig was enaanstaltenmaakte om uit te stijgende trekker van zijn dienstwapen heeft overgehaald en\u002Fof althans te trekker heeft beroerd en\u002Falthanseen schot met dat wapen heeft gelosten\u002Fofterwijl verdachte zijn dienstwapen op (zeer) korte afstand in de richting van het pantserplaat plafond (scherfwerende plafondplaat) van het voertuig (Boxer)militairwielvoertuig liet wijzen,\n\nterwijl daarvan\u002Fdaardoor gemeen (ricochet)gevaar voor personen, te weten de in het voertuig bevindende personen en\u002Fof de zich in de directe nabijheid van het schot bevindende personen te weten verdachte zelf en\u002Fof[getuige 1] en\u002Fof[getuige 2] en\u002Fof[getuige 3] en\u002Fof[getuige 4] en\u002Fof[getuige 5] en\u002Fof[getuige 6] en\u002Fof[getuige 7]\n\nen\u002Fofgemeen gevaar voor goederen te weten de in het militair wielvoertuig bevindende goederen te weten de elektronische apparatuur, de vloer- en wand(bekleding) is ontstaan, althans te duchten is geweest.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nals militair aan zijn schuld te wijten zijn dat hij een dienstvoorschrift niet opvolgt, terwijl daardoor gemeen gevaar voor personen of goederen ontstaat.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 700,-, subsidiair zeven dagen hechtenis.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de oplegging van een straf of maatregel.\n\nDe beoordeling door de militaire kamer\n\nDe militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nDe ernst van het feit\n\nVerdachte heeft tijdens een oefening in Duitsland een ongewild schot gelost met scherpe munitie. Dit schot heeft gelukkig geen letsel veroorzaakt, maar wel (lichte) schade aan de Boxer. Daarnaast was er gemeen gevaar voor personen en goederen te duchten. Dat het niet erger is afgelopen, is enkel aan geluk te danken.\n\nDit is een ernstig feit. De naleving van de veiligheidsvoorschriften is van groot belang. Militairen mogen binnen Defensie een veilige werkomgeving verwachten en daar dient iedere individuele militair aan bij te dragen. Daartoe dient elke militair de veiligheidsvoorschriften grondig na te leven. Van een militair als verdachte – als gevorderd schutter en schietinstructeur op de Colt en vanuit zijn rol als groepscommandant – mocht dan ook worden verwacht dat hij zich te allen tijde aan de veiligheidsregels houdt.\n\nVerdachte is erg aangeslagen door wat er is gebeurd. Hij heeft zijn hele compagnie toegesproken in verband met dit incident, waarbij hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat er is gebeurd. Het incident heeft inmiddels bijna twee jaar geleden plaatsgevonden.\n\nDe persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte\n\nUit het strafblad van verdachte d.d. 26 mei 2026 blijkt dat hij in de afgelopen 5 jaar niet in aanraking is gekomen met politie of justitie.\n\nVerdachte is nog steeds werkzaam bij defensie, hij functioneert goed en zijn collega’s zijn tevreden over hem. Hij is recent overgeplaatst naar een nieuwe functie. Dit betrof een ‘reguliere’ overplaatsing.\n\nConclusie\n\nAlles afwegende acht de militaire kamer de eis van de officier van justitie passend en geboden.\n\nDe militaire kamer veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 700,-, subsidiair zeven dagen hechtenis.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 23, 24 c en 91 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 6, 11, 14 en 137 van het Wetboek van Militair Strafrecht.\n\n9. De beslissing\n\nDe militaire kamer:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n legt op een geldboete van € 700,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Y. van Wezel (voorzitter) en mr. M.C. Gerritsen, rechters, en Kolonel mr. H.M. Stratenus, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juli 2026.\n\nmr. Gerritsen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Drenthe IJsselstreek, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27ND\u002F24-004811, gesloten op 17 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 38-40; proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 13 en proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 82-83.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 84.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 64.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 84, 87 en 89 en verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 87-89 en verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026.\n\n Verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 42.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 66.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 58.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 48 en 50.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 76.\n\n Proces-verbaal van aangifte door [aangever] , p. 4\n\n Projectrapport van het Kenniscentrum Wapensystemen en Munitie, p. 36.\n\n Proces-verbaal, p. 2 (aanvullend), inclusief de bijlage.\n\n Proces-verbaal, p. 6.\n\n Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 14.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5303","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:33.622Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":49,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":42,"updatedAt":52},"882","ECLI:NL:RBGEL:2026:5222","ecli-nl-rbgel-2026-5222","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05\u002F174127-25\n\nDatum uitspraak : 25 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] .\n\nRaadsvrouw: mr. N.F. Hoogervorst, advocaat in Hilversum.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij in of omstreeks de periode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025 te [woonplaats] , gemeente Bronckhorst en\u002Fof Zutphen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk\n\ninbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever] , door\n\n- die [aangever] (veelvuldig) (WhatsApp)berichten te sturen en\u002Fof\n\n- een of meermalen door [adres] (te Zutphen) te rijden en\u002Fof\n\n- kleding en\u002Fof andere spullen van die [aangever] (in een vuilcontainer) weg te gooien en\u002Fof\n\n- die [aangever] een of meermalen met zijn auto te achtervolgen en\u002Fof (vervolgens) klem te rijden en\u002Fof\n\n- zogenaamde 'WhatsApp statusupdates' over die [aangever] te plaatsen en\u002Fof foto's en\u002Fof teksten van\u002Fover die [aangever] op social media te plaatsen en\u002Fof\n\n- een afbeelding van seksuele aard, te weten een foto waarop een vagina te zien is en\u002Fof (vervolgens) een foto waarop het gezicht van die [aangever] te zien is, naar een of meerdere personen via WhatsApp te sturen,\n\nmet het oogmerk die [aangever] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft ten aanzien van de pleegperiode bepleit dat deze dient te starten op 7 april 2025, omdat de communicatie tussen verdachte en [aangever] pas vanaf dan vrijwel volledig eenzijdig is geworden.\n\nTen aanzien van het rijden door [adres] te Zutphen heeft de raadsvrouw bepleit dat uit het buurtonderzoek en uit het beeldmateriaal niet is gebleken dat verdachte zelf door de straat is gereden. Verdachte is weleens door de straat gereden omdat zijn kinderen daar verbleven, maar dat is onvoldoende voor het vereiste oogmerk. De rechtbank wordt verzocht verdachte van dat onderdeel vrij te spreken.\n\nTen aanzien van het weggooien van de spullen van aangeefster is door de raadsvrouw betoogd dat dit onderdeel buiten beschouwing dient te blijven, nu het weggooien van goederen naar zijn aard geen gedraging is die een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Als dergelijke handelingen al hebben plaatsgevonden, ligt een beoordeling in de sfeer van vermogensdelicten meer voor de hand. Verdachte dient van dit onderdeel van de tenlastelegging eveneens te worden vrijgesproken.\n\nVoor de overige in de tenlastelegging opgenomen handelingen refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nMevrouw [aangever] (hierna: aangeefster) heeft op 15 april 2025 aangifte gedaan van stalking tegen verdachte, haar ex-partner. Zij heeft als volgt verklaard. Verdachte en aangeefster hebben tien jaar een relatie gehad en hebben samen drie kinderen. Op 3 februari 2025 heeft aangeefster een streep onder de relatie gezet. In het begin konden ze nog wel praten en heeft verdachte de kinderen nog wel gezien, maar daarna is verdachte twee weken niet thuis geweest voor de kinderen. Nadat aangeefster het op haar naam gestelde bedrijf van verdachte had beëindigd, begon alle ellende. Aangeefster kreeg heel veel WhatsApp-berichten van verdachte. De hoeveelheid berichten nam toe toen verdachte er eind februari 2025 van overtuigd raakte dat aangeefster een relatie had gekregen met zijn neef [naam 1] , ondanks het feit dat aangeefster hem had verteld dat het slechts een vriendschap betrof. Verdachte begon te dreigen dat hij zijn kinderen zou ontvoeren. Ook zei hij dat aangeefster een hoer was.\n\nBegin april werd aangeefster in Zutphen klemgereden door verdachte en zijn zoon. Ze heeft toen de politie gebeld. Op 5 april 2025 kwam verdachte aangeefster tegemoet gereden toen zij samen met de neef van verdachte in de buurt van Gorssel reed. Toen verdachte hen zag, draaide hij zijn auto en reed hen achterna, waarna hij aangeefster en [naam 1] midden in Gorssel opnieuw heeft klemgereden.\n\nVerdachte bewerkte foto’s van aangeefster en [naam 1] tot stickers en filmpjes en stuurde deze rond met liedjes en teksten over aangeefster erbij. Hij zette ook foto's en filmpjes online op sociale media en zijn WhatsApp-status. Aangeefster werd hierdoor veel gebeld door mensen die de berichten hadden gelezen. Aangeefster kreeg foto’s van verdachte waarop te zien was dat hij haar kleding in een kledingcontainer had gegooid. Hij had alles van haar weggegooid, waardoor zij niks meer had.\n\nTen tijde van de aangifte zat aangeefster al een week binnen met haar kinderen. De kinderen gingen niet naar school omdat aangeefster bang was dat verdachte naar school zou komen en de kinderen zou meenemen. Verdachte reed de hele dag rondjes om haar maar in de gaten te houden. Hij stopte dan met de auto voor de deur en gaf dan veel gas zodat men hoorde dat hij er was.\n\nDe politie heeft een overzicht opgemaakt van de meldingen door aangeefster in de periode na de aangifte. Daaruit volgt dat aangeefster tussen 16 april 2025 en 3 juni 2025 verschillende meldingen heeft gedaan van gedragingen van verdachte. Zo zou verdachte meermaals achter haar aan zijn gereden. Ook zou hij met verschillende auto’s hard door de straat hebben gereden en daarbij dingen hebben geroepen. Op 8 mei 2025 meldde aangeefster dat verdachte foto’s van een naakte vrouw had verspreid en erbij had gezet dat het om haar ging. Op 30 mei 2025 werd vanuit Veilig Thuis het verzoek gedaan om een afspraak op locatie te maken, omdat vader dreigde de kinderen met geweld weg te halen op de verschillende adressen.\n\nOp 27 november 2025 is aangeefster door de politie aanvullend gehoord. Zij verklaarde dat zij in de maanden mei en juni 2025 dagelijks tientallen berichten van verdachte ontving via WhatsApp. Ook kwamen er op meerdere data tussen 15 mei 2025 en 1 juni 2025 meerdere voertuigen door de straat waar ze verbleef. Aangeefster verklaarde verder dat verdachte met veel mensen een foto van een vagina heeft gedeeld, waarvan mensen dachten dat zij het was. Deze foto kwam van een website af.\n\nDe politie heeft de telefoon (een iPhone 13) onderzocht die onder verdachte in beslag werd genomen. Uit het onderzoek komt naar voren dat vanuit deze telefoon, die door verdachte werd gebruikt, tussen 19 maart 2025 en 4 juni 2025 via WhatsApp in totaal 2.923 acties (berichten, bellen, blokkeren en deblokkeren) zijn verricht naar aangeefster. De berichten gaan voornamelijk over de kinderen en de (volgens verdachte) nieuwe partner van aangeefster, de neef van verdachte. Uit de context van de berichten is op te maken dat verdachte wanhopig is en niet wil dat zijn kinderen bij zijn neef waren. Verdachte wil dat aangeefster bij haar (aldus verdachte) nieuwe partner weggaat dan wel dat de kinderen naar hem of naar een pleeggezin gaan. Als ze maar niet bij zijn neef zijn. Dit zou goedschiks dan wel kwaadschiks gebeuren. Verdachte heeft hierbij meermaals bericht dat hij nooit zal opgeven en nog liever dood gaat, dat aangeefster het zeker zal verliezen en dat het nooit goed zal komen. Ook gaf verdachte aan dat hij berichten over aangeefster op Facebook en zijn WhatsAppstatus heeft gezet en nog zal zetten en dat hij haar zal controleren, in de gaten zal houden en bij haar zal langskomen. Uit de berichten komt een vorm van dreiging naar voren.\n\nUit het onderzoek volgt dat verdachte in de tenlastegelegde periode via WhatsApp veelvuldig schermafbeeldingen van WhatsAppgesprekken met aangeefster, Facebookberichten, foto's en filmpjes van en over aangeefster heeft gedeeld met zijn contacten. Meermaals werd een foto van een vagina gedeeld, direct gevolgd door een foto van aangeefster. Op Facebook plaatste verdachte foto’s van aangeefster waar zij herkenbaar op stond, gepaard met negatieve teksten.\n\nUit het overzicht van de WhatsApp-gesprekken volgt dat verdachte op 5 april 2025 aan WhatsApp-contact ‘ [naam 2] ’ een foto van aangeefster naast een auto stuurde, waarbij hij onder meer schreef: ‘ik reed ze klem’.\n\nOp 8 april 2025 stuurde verdachte aan WhatsApp-contact ‘ [naam 2] ’ een aantal foto’s van kleding in een textielcontainer, gevolgd door de teksten: “wil je lachen”, “ik heb al heel veel kleding en dildo’s weggegooid”en“ik gooi alles van haar weg, ze krijgt niks meer en mag hier nooit meer een stap zetten”.Op 25 april 2025 stuurde verdachte aan aangeefster tientallen berichten waarvan één met de volgende inhoud: “Alles van jou is hier al uit het huis weg kleding echo's kistjes en doosjes en foto’s dus je hebt hier helemaal niks meer te zoeken. Echt alles wat aan jou herinneringen is weggegooid” en één met de volgende inhoud: “Echt alles is weg hier. Dus je hebt hier niks meer te zoeken. En heb maar geen hoop dat er nog iets zou liggen want dan heb je valse hoop”.\n\nAangeefster verbleef in de ten laste gelegde periode aan [adres] te Zutphen. Uit het buurtonderzoek van de politie volgt dat meerdere buurtbewoners hebben gezien dat door verschillende auto’s erg hard door de straat werd gereden, soms wel tien keer per dag. Deze auto’s werden bestuurd door een vader en zijn zoon die een conflict zouden hebben met de bewoners van nummer [nummer] . Volgens een buurtbewoner zou het gaan om verdachte en zijn zoon.\n\nDe heer [getuige] is door de politie als getuige gehoord en verklaarde dat in [adres] erg veel werd gescholden en geschreeuwd door verdachte en zijn zoon. Zij reden wel 10 tot 15 keer per dag als een dwaas door de straat en keken dan alleen naar de woning van nummer [nummer] .\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij veelvuldig WhatsApp-berichten naar aangeefster heeft verstuurd en dat hij foto’s van aangeefster op sociale media heeft geplaatst. De afbeelding van de vagina werd aan hem doorgestuurd en die heeft hij vervolgens zelf ook weer doorgestuurd. Ook heeft hij aangeefster op 5 april 2025 klemgereden in Gorssel. Met zijn gedragingen wilde hij bereiken dat zijn kinderen permanent bij hem zouden komen wonen, in plaats van bij zijn ex-partner en zijn neef. Verder heeft hij enkele malen, in ieder geval op 28 en 29 mei 2025, door [adres] gereden om zijn kinderen te zien. Ook heeft hij kleding en een vibrator van aangeefster weggegooid.Volgens de verklaring van verdachte ter terechtzitting ging het daarbij om oude kleding en rommel van aangeefster die door hem zijn opgeruimd omdat zij die niet kwam ophalen. Aangeefster zou eerder bijna al haar spullen al hebben meegenomen. Het WhatsApp-bericht“wil je lachen”aan ‘ [naam 2] ’ zag volgens verdachte op de vibrator. Op 3 april 2025 heeft hij aangeefster niet klemgereden, maar alleen naast haar gestaan met de auto.\n\nOverwegingen van de rechtbank\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belaging (stalking) van zijn ex-partner [aangever] in de periode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025. Bij de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.\n\nDe rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de ten laste gelegde gedragingen van verdachte op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Vervolgens zal zij beoordelen hoe de vast te stellen gedragingen juridisch dienen te worden gekwalificeerd.\n\nDe ten laste gelegde handelingen\n\nGelet op het voorgaande constateert de rechtbank dat niet ter discussie staat dat verdachte in een relatief korte periode duizenden WhatsApp-berichten naar aangeefster heeft verstuurd en dat hij zogenaamde WhatsApp-statusupdates over aangeefster en foto’s en teksten over en van aangeefster op sociale media heeft geplaatst. Ook staat niet ter discussie dat verdachte via WhatsApp naar meerdere personen een afbeelding heeft gestuurd van seksuele aard, te weten een foto waarop een vagina te zien is, gevolgd door een foto waarop het gezicht van aangeefster te zien is.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het voorgaande ook worden vastgesteld dat verdachte in de ten laste gelegde periode meermaals door [adres] is gereden. De aangifte wordt op dit punt ondersteund door de bevindingen van het buurtonderzoek en de getuigenverklaring van [getuige] , waaruit volgt dat verdachte – al dan niet samen met zijn zoon – soms wel 10 keer per dag op hoge snelheid en met veel geschreeuw en gescheld door de straat reed en daarbij vooral gericht was op de woning aan nummer [nummer] , waar aangeefster in de ten laste gelegde periode verbleef. In zijn verklaring ter terechtzitting heeft verdachte zelf ook erkend dat hij ‘enkele keren’ door de straat heeft gereden. Het betoog van de verdediging dat verdachte dit enkel deed om zijn kinderen te zien, en niet met het oogmerk om inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, wordt door hetgeen hiervoor is overwogen – met name ten aanzien van de frequentie, snelheid en het schelden – weersproken.\n\nOp basis van de verklaring van verdachte ter terechtzitting kan tevens worden vastgesteld dat hij spullen en kleding van aangeefster heeft weggegooid, hetgeen ook volgt uit de aangifte, het onderzoek naar de telefoon van verdachte en de hiervoor weergegeven chatberichten van verdachte van 25 april 2025.\n\nOok kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte aangeefster meermalen met zijn auto heeft achtervolgd en (vervolgens) heeft klemgereden. Aangeefster spreekt van twee incidenten die op 3 en 5 april 2025 hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft ter terechtzitting het incident op 5 april 2025 bekend, maar zegt bij het eerste incident alleen met zijn auto naast aangeefster te hebben gestaan. De rechtbank overweegt dat zij, gelet op al het voorgaande, geen reden heeft om aan de verklaring van aangeefster op dit punt te twijfelen en acht dus bewezen dat verdachte aangeefster meermalen heeft achtervolgd en klemgereden.\n\nPleegperiode\n\nUit de genoemde bewijsmiddelen volgt dat alle voornoemde gedragingen van verdachte hebben plaatsgevonden in de ten laste gelegde pleegperiode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025. Uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte volgt dat verdachte al vanaf 19 maart 2025 veelvuldig WhatsApp-berichten heeft verstuurd naar aangeefster, hetgeen ter terechtzitting ook door hem is bekend. Dat aangeefster in de periode van 19 maart 2025 tot en met 6 april 2025 nog (sporadisch) heeft gereageerd op de berichten van verdachte, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.\n\nJuridische kwalificatie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van alle hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.\n\nDoor de verdediging is bepleit dat het weggooien van de spullen van aangeefster hierbij buiten beschouwing dient te blijven, omdat deze gedraging naar zijn aard geen gedraging zou zijn die een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De rechtbank overweegt echter dat het begrip ‘persoonlijke levenssfeer’ als bedoeld in artikel 10 van de Grondwet geen vastomlijnd begrip is en dat het tal van terreinen omvat. Met het welbewust weggooien van de kleding en spullen van aangeefster en het vervolgens versturen van foto’s daarvan naar aangeefster zelf en naar derden, met teksten als “wil je lachen”en“ik gooi alles van haar weg, ze krijgt niets meer”, heeft verdachte opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.\n\nGelet op de inhoud van de vele berichten stelt de rechtbank vast dat verdachte met zijn handelen het oogmerk heeft gehad het slachtoffer te dwingen iets te doen, iets niet te doen, iets te dulden en haar vrees aan te jagen.\n\nDaarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging van aangeefster.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij in of omstreeksde periode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025 te [woonplaats] , gemeente Bronckhorst en\u002FofZutphen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk\n\ninbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever] , door\n\n- die [aangever] (veelvuldig)(WhatsApp)berichten te sturen en\u002Fof\n\n- een ofmeermalen door [adres] (te Zutphen) te rijden en\u002Fof\n\n- kleding en\u002Fofandere spullen van die [aangever] (in een vuilcontainer) weg te gooien en\u002Fof\n\n- die [aangever] een ofmeermalen met zijn auto te achtervolgen en\u002Fof(vervolgens) klem te rijden en\u002Fof\n\n- zogenaamde 'WhatsApp statusupdates' over die [aangever] te plaatsen en\u002Foffoto's en\u002Fofteksten van\u002Fover die [aangever] op social media te plaatsen en\u002Fof\n\n- een afbeelding van seksuele aard, te weten een foto waarop een vagina te zien is en\u002Fof (vervolgens)een foto waarop het gezicht van die [aangever] te zien is, naareen ofmeerdere personen via WhatsApp te sturen,\n\nmet het oogmerk die [aangever] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nBelaging\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 87 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, dient op deze straf in mindering te worden gebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd in het rapport van de reclassering van 9 september 2025, uitgebracht in een andere, maar aanverwante zaak, te weten:\n\neen meldplicht bij de reclassering;\n\neen training Cognitieve Vaardigheden of een andere ambulante behandeling, te bepalen door de reclassering.\n\nDaarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd voor de duur van 220 uur, te vervangen door 110 dagen hechtenis indien deze straf niet naar behoren wordt verricht.\n\nOok heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd voor de duur van drie jaar, inhoudende een direct en indirect contactverbod met [aangever] en een locatieverbod voor de volgende locaties in Zutphen: [adres] , [adres] , [adres] , [adres] , [adres] , [adres] en [adres] , gelegen aan de [adres] , inclusief de bijbehorende parkeerplaats. Daarbij dient voor elke overtreding de vervangende hechtenis te worden bepaald op één (1) week, met een maximum van zes maanden. Van dit contact- en locatieverbod mag enkel worden afgeweken na toestemming van de Jeugdbescherming, de reclassering of andere hulpinstanties. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd van 140 uur. Daarnaast heeft zij verzocht om aan verdachte een contactverbod met [aangever] op te leggen voor de periode van een jaar, behoudens overleg over de kinderen met toestemming van jeugdzorg. Het locatieverbod dient te worden beperkt tot de straat waar [aangever] woonachtig is en een straal van 200 meter daaromheen. Ook dient het locatieverbod te worden beperkt tot een periode van een jaar.\n\nVerder heeft de raadsvrouw bepleit dat geen aansluiting moet worden gezocht bij een oud reclasseringsrapport dat ziet op een andere zaak. In de huidige zaak is een nieuw rapport opgemaakt, waarin de reclassering een straf zonder reclasseringsbemoeienis adviseert.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nDe ernst van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging (stalking) van zijn ex-partner [aangever] . Nadat zij de relatie had beëindigd heeft verdachte haar maandenlang dagelijks tientallen berichten gestuurd, achtervolgd, getreiterd en zwartgemaakt door belastende berichten over haar te plaatsen op sociale media en WhatsApp-updates. Ook gooide hij haar spullen in een vuilcontainer en heeft hij aan meerdere mensen een van internet geplukte foto van een vagina gestuurd, direct gevolgd door een afbeelding van haar gezicht.\n\nDe heftige en blijvende gevolgen van deze belaging zijn door [aangever] treffend verwoord in de verklaring die zij ter zitting heeft voorgedragen. Zij leefde maandenlang met haar kinderen in angst en onzekerheid. Alles ging gepaard met spanning. Tot op de dag van vandaag staat zij in de overlevingsmodus en is zij haar gevoel van veiligheid kwijt.\n\nHoewel verdachte ter terechtzitting heeft erkend dat hij fouten heeft gemaakt en daar ook zijn spijt voor heeft betuigd, toont hij weinig inzicht in wat hij zijn ex-partner én zijn kinderen heeft aangedaan. Verdachte lijkt de omvang en ernst van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan, ook voor zijn kinderen om wie het hem naar eigen zeggen allemaal te doen was, te bagatelliseren. Hij lijkt vooral oog te hebben gehad voor zichzelf en voor wat hem door aangeefster zou zijn aangedaan. Dit rekent de rechtbank hem aan.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte vaker is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet voor een soortgelijk feit.\n\nVerder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 12 februari 2026. Daaruit volgt dat de leefgebieden \"relatie partner, gezin en familie\" en \"psychosociaal functioneren\" als direct delictgerelateerd aangemerkt worden. Omdat Jeugdbescherming en de rechterlijke macht nu betrokken zijn, wordt de grondslag van onderhavige verdenking door de reclassering niet meer als risicofactor voor toekomstig delictgedrag gezien. Beschermende factoren in het leven van verdachte zijn de liefde en zorg voor zijn kinderen en het aangesloten zijn van Jeugdbescherming, om de omgang met de kinderen in goede banen te leiden naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank. Verdachte wil geen contact meer met zijn ex-partner en heeft geen gevoelens meer voor haar. Positief is dat de wijkagent van verdachte heeft aangegeven dat er geen recente meldingen omtrent verdachte gedaan zijn, hij niet meer wordt besproken in het Zorg- en Veiligheidshuis en er op dit moment geen zorgen zijn. De toezichthouder van de reclassering die in 2025 belast was met het toezicht van verdachte geeft aan dat het toezicht goed verlopen is. De risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan de voorwaarden worden ingeschat als laag. Omdat verdachte geen hulpvragen heeft, er een omgangsregeling omtrent de kinderen tot stand is gekomen en zowel Jeugdbescherming als de wijkagent betrokken zijn, wordt een afdoening zonder reclasseringsbemoeienis geadviseerd. Wel wordt er een contactverbod voor één jaar geadviseerd, omdat zowel verdachte als zijn ex-partner dit wensen.\n\nDe rechtbank overweegt dat het dossier ook een reclasseringsrapport bevat dat in een eerder stadium is opgemaakt in een andere strafzaak tegen verdachte. In die zaak ging het om een verdenking van onttrekking aan het wettelijk gezag van de oudste zoon van verdachte en aangeefster. Verdachte is van deze verdenking vrijgesproken op 3 oktober 2025. Hoewel deze zaak betrekking had op dezelfde partijen en gezinssituatie, ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de reclassering ten aanzien van de huidige zaak een nieuw rapport heeft opgemaakt, waarin wordt uitgegaan van een recentere stand van zaken, maar met inachtneming van de voorgeschiedenis, aanleiding om dit meest recente rapport als uitgangspunt te nemen bij het bepalen van de straf.\n\nDe op te leggen straf\n\nBij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.\n\nGelet op de ernst van het feit en de houding van verdachte ter terechtzitting ten aanzien van aangeefster, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Op die manier heeft verdachte een flinke stok achter de deur om te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nAlles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 180 uren. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht dient op deze taakstraf in mindering te worden gebracht.\n\nOok zal de rechtbank aan verdachte een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van strafrecht opleggen aan verdachte. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en het feit dat verdachte en [aangever] vanwege hun kinderen met elkaar verbonden blijven, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van deze maatregel ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten door verdachte passend en geboden is. De maatregel bestaat uit een contactverbod met [aangever] , met uitzondering van contact ten behoeve van overleg over de kinderen dat plaatsvindt met de uitdrukkelijke toestemming van de reclassering, de Jeugdbescherming of een andere betrokken hulpverleningsinstantie, en een locatieverbod voor [adres] in Zutphen. Een breder locatieverbod voor de omliggende straten en [adres] acht de rechtbank niet noodzakelijk, gezien het feit dat er ook een contactverbod wordt opgelegd.\n\nDe rechtbank zal de maatregel opleggen voor de duur van 3 jaren, zodat de periode gelijkloopt met de proeftijd. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van in totaal 6 maanden.\n\nGelet op het bewezenverklaarde houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat verdachte opnieuw een strafbaar feit kan plegen of zich belastend kan gedragen jegens [aangever] . Om die reden zal de rechtbank de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\n8. De beoordeling van de civiele vordering\n\nMevrouw [aangever] heeft in verband met het bewezenverklaarde als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert in totaal:\n\n€ 3.333,33 aan materiële schade voor de door verdachte weggegooide goederen (o.a. kleding); en\n\n€ 5.000 aan immateriële schade;\n\ntelkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld welke exacte kleding en spullen door verdachte zijn weggegooid. Hij heeft de rechtbank verzocht om gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid en de materiële schade te bepalen op een bedrag van € 1.500,00. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor het gehele bedrag van € 5.000,00 kan worden toegewezen. Voor beide bedragen heeft de officier van justitie toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot materiële schade, primair gelet op het verweer dat het weggooien van de goederen geen belaging oplevert als bedoeld in de tenlastelegging. Subsidiair wordt aangevoerd dat deze schadepost niet is onderbouwd, terwijl nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Meer subsidiair is betoogd dat deze schadepost zich – voor wat betreft de goederen van de kinderen – niet leent voor behandeling in het strafproces, omdat er geen bijzondere curator is benoemd om de belangen van de kinderen te behartigen, zoals in het civiele recht in dergelijke situaties in de rede ligt.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging bepleit dat er geen sprake is van objectief vast te stellen geestelijk letsel. Indien de rechtbank van oordeel is dat de aard en ernst van de normschending aanleiding geven tot vergoeding van immateriële schade, wordt de rechtbank verzocht om het gevorderde bedrag te matigen tot € 750,00, omdat dit bedrag beter aansluit bij de aard, duur en ernst van het verweten handelen en bij de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nUit de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.\n\nDe rechtbank constateert dat niet kan worden vastgesteld welke exacte spullen verloren zijn gegaan. Daarvoor is de vordering onvoldoende onderbouwd. Dit is gelet op de situatie echter begrijpelijk. Verdachte heeft bovendien zelf aan aangeefster en een andere geadresseerde laten weten dat hij ‘heel veel kleding’ en ‘echt alles’ wat aan aangeefster herinnerde, heeft weggegooid. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek, en de schade als gevolg van de weggegooide goederen naar billijkheid – en met inachtneming van afschrijving – begroten op een bedrag van € 1.500,00.\n\nDe benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot materiële schade.\n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:\n\nverdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,\n\nde benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,\n\nde benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of\n\nde benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.\n\nOm te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.\n\nOp basis van het bewezenverklaarde en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat sprake is van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’.\n\nBlijkens de toelichting op de vordering kampte de benadeelde partij door het tenlastegelegde onder meer met angstklachten, stress en slaapproblemen. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zijn zo ingrijpend dat dit meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit is aan verdachte toe te rekenen.\n\nVoor de begroting van de schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het hoofdstuk belaging in de zogeheten Rotterdamse Schaal. De rechtbank overweegt dat het bewezenverklaarde zich op het snijvlak bevindt tussen de categorieën ‘(a) meest ernstig’ en ‘(b) ernstig’. Hoewel het bewezenverklaarde voor wat betreft de duur in categorie b kan worden geschaard, zijn er ook elementen in het gedrag van verdachte die bij de meest ernstige categorie passen. Zo heeft verdachte (veelvuldig) beeldmateriaal over en van de benadeelde op sociale media geplaatst, ook met een seksuele strekking. Rekening houdend met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding dan ook naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 5.000,00.\n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nTen aanzien van het bedrag van € 1.500,00 aan materiële schade is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf het ontstaan van de schade, te weten het moment waarop de goederen zijn weggegooid: 8 april 2025.\n\nTen aanzien van het bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf de laatste dag van de tenlastegelegde periode: 4 juni 2025.\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;\n\n bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;\n\n legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;\n\n beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;\n\n legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende:\n\neen gebiedsverbod: verdachte bevindt zich gedurende drie jaren niet in [adres] te Zutphen; en\n\neen contactverbod: verdachte onthoudt zich gedurende drie jaren van – direct of indirect – contact met [aangever] , geboren op [geboortedag] 1987, tenzij dit contact plaatsvindt ten behoeve van overleg over de kinderen en met de uitdrukkelijke toestemming van de reclassering, de Jeugdbescherming of een andere betrokken hulpverleningsinstantie, en daarbij de aanwijzingen van de betreffende instantie worden opgevolgd;\n\n beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;\n\n beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;\n\nBeslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever]\n\n veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van:\n\n € 1.500,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n€ 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;\n\n verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;\n\n legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] een bedrag te betalen van\n\n€ 1.500,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n€ 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.\n\nAls dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 57 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;\n\n bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W.R. Koch (voorzitter), mr. E.S.M. van Bergen en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer 2025159994, gesloten op 30 oktober 2025, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van 15 april 2025, p. 8-13.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen meldingenoverzicht na aangifte, aanvullend proces-verbaal, p. 16-18.\n\n Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 27 november 2025, aanvullend proces-verbaal, p. 8-11.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Apple iPhone 13 en de bijlage uitlezen telefoon, p. 199-200, 230-231, 233-234.\n\n Chatbijlage WhatsApp, p. 270, bijlage bij pv tijdlijn in stalkingszaken, p. 171 e.v.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek, p. 180.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 186.\n\n De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 11 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5222","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.754Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":42,"updatedAt":61},"893","ECLI:NL:RBGEL:2025:12057","ecli-nl-rbgel-2025-12057","2025-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-320181-25 en 05-020359-26 (gev. ttz)\n\nDatum uitspraak : 26 mei 2025\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .\n\nRaadsvrouw: mr. H.E.M. Lucas, advocaat in Arnhem.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25\n\n1. hij op of omstreeks 25 november 2025 te Ede, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 480,33 gram) van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde MDMA en\u002Fof - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 403,34 gram) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijde amfetamine, althans (telkens) een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 september 2025 tot en met 25 november 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren en\u002Fof - het opzettelijk vervaardigen van amfetamine, zijnde amfetamine en\u002Fof MDMA, zijnde MDMA en\u002Fof een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - het regelen\u002Forganiseren van en\u002Fof bijdragen aan, dan wel het veelvuldig contact te hebben met andere personen (te weten onder andere afnemer(s)) die betrokken zijn bij het transport en\u002Fof de handel van de drugs (te weten onder meer amfetamine en\u002Fof MDMA) en\u002Fof - het aanbieden van de drugs (te weten onder meer amfetamine en\u002Fof MDMA) en\u002Fof - het voorhanden hebben van een (grote) hoeveelheid stoffen en\u002Fof materialen en\u002Fof goederen, te weten onder meer - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden gripzakje(s) en\u002Fof - een of meerdere weegschalen en\u002Fof - een keukenmixer (met kristalresten) en\u002Fof - contante geldbedragen (van in totaal €2630,-);\n\nOnder parketnummer 05-020359-26:\n\n1. hij op of omstreeks 9 september 2025 te Ede, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2316,61 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en\u002Fof ongeveer 43,29 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en\u002Fof MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks 9 september 2025 te Ede, althans in Nederland, een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nTen aanzien van parketnummer 05-320181-25\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-21;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 26 november 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 87-88, 92-94;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 6 januari 2026 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 95-96, 102-105;\n\n- de kennisgevingen van inbeslagneming, p. 142, 147, 153, 157, 160;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-21;\n\n- het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon verdachte, p. 80-85;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nAanvullende overwegingen\n\nDe rechtbank acht enkel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor zover deze zien op het verkopen en afleveren van harddrugs. Voor het overige zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.\n\nDe rechtbank acht voorts niet bewezen dat het contante geldbedrag dat door de politie in de woning van verdachte werd aangetroffen werd gebruikt voor de voorbereidingshandelingen. Ook kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte veelvuldigcontact heeft gehad met afnemers die betrokken zijn bij het transport en\u002Fof de handel van drugs. Evenmin is uit het dossier gebleken dat er sprake was van medeplegen. Ook van deze onderdelen van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van parketnummer 05-020359-26\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 11 september 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 137, 144-145;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 24 oktober 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 120-121, 123, 131-135;\n\n- de kennisgevingen van inbeslagneming, p. 191, 194, 200, 203, 209, 221;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;\n\n- het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 115-116;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25\n\n1. hij op of omstreeks25 november 2025 te Ede, althans in Nederland,opzettelijk aanwezig heeft gehad -een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 480,33 gram) van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde MDMA en\u002Fof-een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 403,34 gram) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine,althans (telkens) een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op een of meerdere tijdstippeninof omstreeksde periode van 11 september 2025 tot en met 25 november 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierdeof vijfdelid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijktelen, bereiden, bewerken, verwerken,verkopenenafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren en\u002Fof- het opzettelijk vervaardigenvan amfetamine, zijnde amfetamine en\u002FofMDMA, zijnde MDMA,en\u002Fof een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk gevaleen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s),wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door -het regelen\u002Forganiseren van en\u002Fof bijdragen aan, dan wel het veelvuldigcontact te hebben met andere personen (te weten onder andere afnemer(s)) die betrokken zijn bij het transport en\u002Fofde handel van de drugs (te wetenonder meeramfetamine en\u002FofMDMA) en\u002Fof- het aanbieden van de drugs (te wetenonder meeramfetamine en\u002FofMDMA) en\u002Fof- het voorhanden hebben vaneen (grote) hoeveelheid stoffen en\u002Fof materialen en\u002Fofgoederen, te weten onder meer - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelhedengripzakje(s) en\u002Fof-een ofmeerdere weegschalen en\u002Fof- een keukenmixer (met kristalresten).en\u002Fof - contante geldbedragen (van in totaal €2630,-);\n\nOnder parketnummer 05-020359-26\n\n1. hij op of omstreeks9 september 2025 te Ede, althans in Nederland,opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2316,61 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende amfetamine en\u002Fofongeveer 43,29 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en\u002FofMDMA,(telkens)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks9 september 2025 te Ede, althans in Nederland,een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25:\n\nfeit 1:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nfeit 2:\n\nom een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit\n\nOnder parketnummer 05-020359-26:\n\nfeit 1:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nfeit 2:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, in combinatie\n\nmet een voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verdachte is bereid zich aan deze voorwaarden te houden. Daarnaast staat verdachte positief tegenover een alternatieve straf in de vorm van een taakstraf.\n\nVerder heeft de raadsvrouw verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen tot aan de datum van de einduitspraak, zodat hij in de gelegenheid is om tijdig zijn woning leeg te halen.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft grote hoeveelheden harddrugs en een bus pepperspray in zijn woning aanwezig gehad. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs grote risico’s voor de gezondheid oplevert. De verspreiding van en handel in drugs gaan bovendien gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en geweld. Met zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit ernstige maatschappelijke probleem.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte vaker is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder drugsfeiten.\n\nOok heeft de rechtbank acht geslagen op het advies van de reclassering van 11 mei 2026 en de aanvulling daarop van 19 mei 2026. Daaruit volgt dat bij verdachte sprake is van instabiliteit op alle leefgebieden. Meerdere levensgebieden worden gezien als risicoverhogend, onder andere het psychosociaal functioneren en middelengebruik. Er is sprake van een langdurige verslaving aan amfetamine en een gokverslaving. De woning van verdachte is op last van de gemeente gesloten. Dit maakt dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering acht zorgvuldige begeleiding en ondersteuning noodzakelijk om de re-integratie van betrokkene goed te laten verlopen. Daarnaast dienen praktische zaken te worden geregeld, zoals het uitzoeken van de situatie rondom de woning. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:\n\nmeldplicht bij de reclassering;\n\nambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;\n\nverblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;\n\nverbod op het gebruik van verdovende middelen;\n\nverbod op deelname aan kansspelen;\n\nambulante woonbegeleiding;\n\ndiagnostiek.\n\nBij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.\n\nDe rechtbank vindt het van doorslaggevend belang dat de overgang naar het reguliere leven voor verdachte zo goed mogelijk verloopt. Daarvoor is van belang dat verdachte bij invrijheidsstelling in een stabiele situatie terechtkomt. Ter terechtzitting is gebleken dat de structuur en het ritme in detentie verdachte goed hebben gedaan. Hij is afgekickt van de middelen en hij heeft aan zijn gezondheid gewerkt. Ter terechtzitting is echter ook gebleken dat verdachte niet direct geplaatst kan worden in een instelling voor begeleid wonen vanwege wachtlijsten. Omdat hij niet meer terug kan naar zijn woning, heeft dit tot gevolg dat verdachte bij invrijheidsstelling in een dag- en nachtopvang zou moeten verblijven. Dit is geen wenselijke situatie, gelet op het hoge risico op recidive. De rechtbank zal daarom niet volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de verdediging is bepleit.\n\nAlles overwegend acht de rechtbank een straf gelijk aan de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, zullen deze voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.\n\nDe tijd die verdachte al in verzekering heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf.\n\nTot slot zal de rechtbank het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Nu er op de zitting van 26 mei 2026 direct mondeling uitspraak is gedaan, is een schorsing tot aan de uitspraakdatum niet meer aan de orde. Verdachte kan om kortdurende strafonderbreking vragen bij de PI waar hij verblijft.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\n8. De beoordeling van het beslag\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 05-320181-25 is onder verdachte beslag gelegd op:\n\neen contant geldbedrag van € 2.630,00 (voorwerpnummer BZAU7248);\n\neen telefoontoestel van het merk Oppo (voorwerpnummer BZAU7228).\n\nDe officier van justitie heeft verzocht om beide goederen verbeurd te verklaren.\n\nDe raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de teruggave aan verdachte te gelasten van beide goederen. Ten aanzien van het geldbedrag is daartoe aangevoerd dat de ten laste gelegde feiten op zichzelf niet winstgevend zijn en dat niet is gebleken dat deze feiten zijn begaan of voorbereid met betrekking tot of met behulp van het geldbedrag. Evenmin is gebleken dat het inbeslaggenomen geldbedrag een rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van drugshandel of bij drugsbezit. Er is dus geen grond aanwezig als bedoeld in artikel 33a Wetboek van Strafrecht (Sr) waarop het geldbedrag verbeurd kan worden verklaard. Ten aanzien van de telefoon is bepleit dat verbeurdverklaring niet proportioneel is, omdat daar slechts een klein aantal berichten op is aangetroffen dat belastend kan zijn.\n\nDe rechtbank zal de teruggave van het geldbedrag aan verdachte gelasten, omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet. Er is geen grond aanwezig zoals bedoeld in artikel 33a Sr waarop het geldbedrag verbeurd kan worden verklaard.\n\nDe rechtbank zal beslissen dat het telefoontoestel verbeurd wordt verklaard, omdat het tenlastegelegde onder feit 2 met behulp van dit telefoontoestel is begaan.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2, 10 en 10a van de Opiumwet;\n\n- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden;\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n- Meldplicht bij reclassering\n\nVerdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Tactus Reclassering. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n- Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname\n\nVerdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en\u002Fof verslavingsproblematiek, Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\nIndien er sprake is van een terugval in middelengebruik\u002Fbij overmatig middelengebruik en\u002Fof een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;\n\n- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nVerdachte verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n- Verbod verdovende middelen\n\nVerdachte gebruikt gedurende de proeftijd geen verdovende middelen als genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles (urineonderzoek, ademonderzoek en\u002Fof een speekseltest). De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n- Verbod kansspelen\n\nVerdachte neemt gedurende de proeftijd niet deel aan kansspelen;\n\n- Ambulante woonbegeleiding\n\nVerdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan ambulante woonbegeleiding, zolang de reclassering deze begeleiding nodig vindt;\n\n- Diagnostiek\n\nVerdachte verleent gedurende de proeftijd zijn medewerking aan diagnostiek, zolang de reclassering dit nodig vindt. Verdachte dient zich daarbij te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de diagnostiek door of namens degene die het onderzoek verricht zullen worden gegeven;\n\n stelt als overige voorwaardendat verdachte:\n\n- zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;\n\n- zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;\n\n geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;\n\n beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n wijst af het verzoek tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis;\n\nBeslissing op het beslag\n\n verklaart verbeurd het telefoontoestel van het merk Oppo (voorwerpnummer BZAU7228);\n\n gelast de teruggave aan verdachte van het contante geldbedrag ter waarde van € 2.630,00 (voorwerpnummer BZAU7248).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.\n\nmr. Goossens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025571803, gesloten op 10 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025436710, gesloten op 9 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12057","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:53.284Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":42,"updatedAt":70},"1196","ECLI:NL:GHARL:2025:1106","ecli-nl-gharl-2025-1106","2025-02-17T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002796-24\n\nUitspraak : 17 februari 2025\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittinghoudende te Arnhem, van 23 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 05-054319-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis van 23 november 2023 waarvan beroep heeft de politierechter, onder vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, de verdachte ter zake van ‘bedreiging met zware mishandeling’ (feit 1) en ‘wederspannigheid’ (feit 2), veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis, waarbij de politierechter heeft bepaald dat voormelde geldboete mag worden voldaan in vijf termijnen van elk € 100,00 per maand.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een geldboete van € 500,00, al dan niet te voldoen in vijf maandelijkse termijnen van elk € 100,00.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde vrijspraak bepleit en zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde – naar het hof begrijpt – gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. zij op of omstreeks 28 januari 2023 te Nijmegen [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen:\n\n- “ je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en\u002Fof\n\n- ( meermalen) “Ik sla je kop kapot”,\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n2. zij op of omstreeks 28 januari 2023 te Nijmegen, zich met geweld en\u002Fof bedreiging met geweld, heeft verzet tegen (een) politieambtena(a)r(en) [verbalisant 1] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en\u002Fof [verbalisant 2] , hoofdinspecteur van de politie-eenheid Oost-Nederland, en\u002Fof [verbalisant 3] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en\u002Fof [verbalisant 4] , hoofdagent van de politie-eenheid Oost-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhaar\u002Fhun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door:\n\n- met een van haar armen slaande bewegingen te maken richting voornoemde verbalisant(en),\n\n- meermaals met kracht (proberen) zich los te rukken en te draaien in de tegenovergestelde richting als waarin voornoemde verbalisant(en) haar probeerden te brengen,\n\n- meermaals met kracht richting voornoemde verbalisant(en) te schoppen en daarbij verbalisant [verbalisant 2] te raken, en\u002Fof\n\n- verbalisant [verbalisant 3] te krabben en\u002Fof te bijten.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. zij op 28 januari 2023 te Nijmegen [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen:\n\n- “ je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en\u002Fof\n\n- ( meermalen) “Ik sla je kop kapot”,\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n2. zij op 28 januari 2023 te Nijmegen, zich met geweld, heeft verzet tegen politieambtenaren [verbalisant 1] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 2] , hoofdinspecteur van de politie-eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 3] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 4] , hoofdagent van de politie-eenheid Oost-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door:\n\n- met (een van) haar armen slaande bewegingen te maken richting voornoemde verbalisant(en),\n\n- meermaals met kracht proberen zich los te rukken en te draaien in de tegenovergestelde richting als waarin voornoemde verbalisant(en) haar probeerde(n) te brengen,\n\n- meermaals met kracht richting voornoemde verbalisant(en) te schoppen en daarbij verbalisant [verbalisant 2] te raken.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Nederland, op ambtsbelofte opgesteld door verbalisant [verbalisant 5] , hoofdagent van politie, registratienummer PL0600-2023043906, gesloten d.d. 2 maart 2023, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 90.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 januari 2023 (pg. 6-9), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde] :\n\nFeit: Bedreiging\n\nPlaats delict: [adres 2]\n\nPleegdatum\u002Ftijd: Tussen zaterdag 28 januari 2023 om 21:13 uur en\n\nzaterdag 28 januari 2023 om 21:23 uur\n\nMijn naam is [benadeelde] en ik ben werkzaam als beveiliger en toezichthouder bij [bedrijf 1]\n\n . In opdracht van de Nederlandse Spoorwegen stond ik bij het centraal station\n\nin Nijmegen. Vanavond (het hof begrijpt: 28 januari 2023) stond ik omstreeks 21.10 uur op het centraal station bij de poortjes voor de [bedrijf 2] . Ik stond daar om te controleren of mensen ook met een toegangsbewijs het station op kwamen. Ik zag 3 personen die mij opvielen. Ze vielen mij op omdat ze er onverzorgd uitzagen. Het waren twee mannen en één vrouw.\n\nvrouw:\n\n- lang blond haar;\n\n- slank postuur;\n\n- blanke huidskleur;\n\n- ongeveer 1 meter 75 cm lang;\n\n- lichtkleurige winterjas.\n\nDe vrouw die sprak mij aan en vertelde mij iets over dat ze tegen doktersadvies uit\n\nhet ziekenhuis was gelopen, dat ze niet mobiel was en geen puf meer had om een\n\nkaartje te kopen. Ik heb haar toen uitgelegd dat ze een kaartje moest kopen omdat ze\n\nanders niet mee mocht reizen.\n\nZe pakte haar pinpas en gaf deze aan man 2 en vertelde daarbij mondeling haar\n\npincode. Omdat mevrouw haar pincode luid opnoemde, zei ik tegen haar dat het\n\nmisschien niet zo handig was, omdat anderen dit mee konden luisteren.\n\nDit was het moment dat mevrouw verbaal agressief werd in mijn richting. (…) Ze was erg kwaad. Ze schreeuwde door de hele hal heen en iedereen kon het horen. Het was erg druk op het station op dit moment. Ik vond het respectloos hoe ze tegen mij praatte. Het ging van 0 naar 100 in enkele seconden. We liepen op dat moment in de richting van de kaartjesautomaat.\n\nHet was op dit moment dat ik onze meldkamer had ingeschakeld, dat ik politie met spoed\n\ndeze kant op wilde hebben. Ik had het gevoel dat het uit de hand zou lopen.\n\nVanwege haar agressieve en storende gedrag zei ik tegen haar dat ze niet met de trein\n\nmee mocht. Dit heb ik gedaan vanwege het gedrag wat zij vertoonde.\n\nDit mag ik doen als toezichthouder op het station.\n\nDe vrouw was telkens de confrontatie aan het opzoeken en ging steeds dicht op mij\n\nstaan.\n\nDe vrouw uitte meerdere opmerkingen in mijn richting, zoals:\n\n- “ je moet je rug in de gaten houden want ik onthoud je gezicht”;\n\n- “ ik sla je kop kapot”;\n\n- of woorden van gelijke strekking.\n\nZe herhaalde steeds dat ze mijn kop kapot zou slaan. Met name dat maakte mij angstig.\n\nIk had het gevoel dat ze dit misschien ook echt wel zou kunnen doen omdat ze met zijn\n\ndrieën waren.\n\nAan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.\n\n2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 februari 2023 (pg. 10-12), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :\n\nOp zaterdag 28 januari 2023, omstreeks 21.15 uur, was ik aan het werk bij de\n\nsnackbar de [bedrijf 3] . Deze snackbar van [bedrijf 3] is gelegen in de hal van het station\n\nNijmegen. Deze snackbar staat in een openverbinding met de stationshal en is niet\n\nafgesloten door middel van een deur of iets dergelijks. De stationshal is goed\n\nverlicht en vanuit de snackbar heb ik goed zicht in de stationshal in het gedeelde (het hof begrijpt: gedeelte) tussen de ingang van het station en de toegangspoortjes.\n\nDiezelfde dag, omstreeks dezelfde tijd, hoorde ik hard geschreeuw vanuit de\n\nstationshal. Ik zag dat er vanaf de toegangspoortjes een blonde vrouw liep, richting\n\nde uitgang van het station. Ik zag dat deze vrouw er slecht gekleed uitzag. Ik\n\nvermoedde dat zij dakloos was. Ik zag dat achter haar een vrouw van de beveiliging\n\nliep, in uniform gekleed.\n\nIk zag dat er bij de blonde vrouw twee mannen liepen met haar in de zelfde richting. Zij liepen vlak naast haar. Ik hoorde en zag dat het geschreeuw wat ik hoorde van de blonde vrouw afkwam. Ik zag aan haar gezichtsrichting en het wijzen dat zij zich richtte tot de beveiligster. Ik liep vervolgens de snackbar uit. Ik zag dat de blonde vrouw en de beveiligster, nog in de stationshal, bij de ticketmachine, vlakbij de uitgang van het station stonden. Ik was erg nieuwsgierig wat er aan de hand was. Ik liep hierop nonchalant langs de\n\nblonde vrouw en de beveiligster. Toen ik ter hoogte van de broodjes zaak liep, in de stationshal, waren de blonde vrouw en de beveiligster op ongeveer 5 meter afstand van mij. Ik hoorde de blonde vrouw roepen, op een schreeuwende\u002Fboze toon naar de beveiligster: “Ik zou maar achterom blijven kijken als ik jou was” Ook hoorde ik de blonde vrouw roepen “Ik ga je slaan”, of woorden van gelijke strekking.\n\nIk zag dat de blonde vrouw door de twee mannen werd tegen gehouden en zij haar vasthielden.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 januari 2023 (pg. 13-15), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 6] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :\n\nOp 28.01.2023 waren wij, verbalisanten [verbalisant 6] , [verbalisant 4] en [verbalisant 3] in herkenbaar\n\ndienstuniform gekleed en waren wij belast met de incidentenafhandeling voor het\n\ngebied Nijmegen-Zuid. Omstreeks 21.12 uur kregen collega’s een melding van overlast dronken personen op [adres 2] . Wij vroegen aan de meldkamer of zij ons wilden koppelen aan de melding. Hierop zijn wij gaan rijden naar het desbetreffende adres.\n\nEenmaal aangekomen op [adres 2] zag ik, verbalisant [verbalisant 6] , een man naar\n\nons zwaaien. Ik hoorde dat de man zei “De mensen waar jullie voor komen lopen daar.”\n\nIk zag dat de man wees in de richting van de Van Oldenbarneveltstraat. Ik hoorde dat\n\n(…) dat het ging om twee heren en een blonde dame.\n\nIk, verbalisant [verbalisant 6] , hoorde dat [verdachte] zei dat ze niet met de trein mocht. Ik\n\nhoorde dat ze zei dat er een beveiliger was op het centraal treinstation Nijmegen\n\nwelke haar had verteld dat ze niet met de trein mocht reizen. Ik, verbalisant [verbalisant 6] , hoorde via het operationeel centrum dat de 51.01 en de 51.02 op het centraal treinstation van NS te Nijmegen waren om een aangifte van bedreiging op te nemen. [verdachte] zou deze bedreigingen hebben geuit. Ik, verbalisant [verbalisant 6] zag dat de collega’s van de 51.02 ter plaatse kwamen. Ik zag dat de collega’s onze kant op liepen. Ik hoorde dat de collega’s van de 51.02 zeiden “Ja die kan worden aangehouden”. Ik hoorde dat de collega’s van de 51.02 zeiden dat [verdachte] was aangehouden voor bedreiging.\n\nWij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , ondersteunden direct de collega’s van de 51.02\n\ndoor [verdachte] onder controle te brengen. Ik, [verbalisant 3] , zag en voelde dat [verdachte]\n\nvolledig in het verzet ging. Ik zag en voelde dat zij zich niet onder controle wilde\n\nlaten brengen. Wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , probeerden samen met de politiecollega’s van\n\nde 51.02 [verdachte] verder onder controle te brengen. Hierop hebben wij\n\ncontroletechnieken gebruikt. Ik zag dat [verdachte] mij en mijn collega’s probeerde te schoppen. Ik, [verbalisant 4] , heb een polsklem aangelegd (…). Daarnaast heb ik een overstrekking van de duim toegepast omdat verdachte met een hand de handboeien vasthield, waardoor ik de handboeien niet om haar tweede hand kon vastmaken. De absolute controle konden wij, [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en politiecollega’s van de 51.02, niet krijgen. Hierop hebben wij uiteindelijk besloten om ook de handboeien om haar enkels te doen om [verdachte] horizontaal te kunnen vervoeren.\n\nVoor verdere details omtrent de aanhouding verwijzen wij naar het proces-verbaal\n\nvan aanhouding binnen dit procesnummer.\n\nVerdachte:\n\nAchternaam: [verdachte]\n\nVoornamen: [verdachte]\n\nGeboren: [geboortedag] 1975\n\nGeboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland\n\n [verbalisant 3] , werkzaam als brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n [verbalisant 4] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n4. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 28 januari 2023 (pg. 67-69), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :\n\nOp zaterdag 28 januari 2023 om 21:25 uur, werd door ons op de locatie [adres 2]\n\n , aangehouden als verdachte:\n\nAchternaam: [verdachte]\n\nVoornamen: [verdachte]\n\nGeboren: [geboortedag] 1975\n\nGeboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland\n\nGrond aanhouding\n\nOp heterdaad als verdachte van overtreding van artikel 285\u002F1 Wetboek van Strafrecht.\n\nBevindingen\n\nWij verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren belast met de noodhulpsurveillance en als\n\nzodanig ook in politie uniform gekleed. Ons roepnummer was 51-02. De politie\n\nmeldkamer stuurde ons naar [adres 2] . Aldaar zou een medewerkster\n\nvan de beveiliging van de NS bedreigd worden. Ter plaatse zagen wij dat een andere\n\neenheid met roepnummer 52-01 reeds ter plaatse was en met de beveiliger van de NS in\n\ngesprek was. Wij hoorden dat de collega’s van deze eenheid aangaven dat de\n\nmedewerkster van de NS bedreigd was met de dood. Wij kregen een signalement te horen\n\nvan de verdachte, te weten een blanke vrouw met blond haar vergezeld van 2 mannen.\n\nEven later zagen wij een andere eenheid, naar later bleek de 52-02 met collega’s\n\n [verbalisant 3] en [verbalisant 4] op [adres 2] rijden vlak bij de Van Oldenbarneveltstraat.\n\nZe zeiden dat ze de personen getroffen hadden die betrokken waren geweest bij de\n\nbedreiging.\n\nWij gingen er naar toe.\n\nWij [verbalisant 1] en [verbalisant 2] reden naar de collega’s in gesprek met de bedreigde NS\n\nmedewerkster. Collega vertelde dat de NS medewerkster aangifte wilde doen. Ze was\n\nbedreigd met de woorden: “Ik sla je kop eraf, ik maak je dood.” Althans woorden van\n\ngelijke strekking.\n\nHierna reden we terug naar de 52-02 waar de vrouw met de twee mannen stond te\n\nwachten.\n\nIk [verbalisant 1] sprak de vrouw aan en deelde haar mede dat de NS medewerker aangifte deed\n\nomdat zij haar bedreigd had. Ik deelde haar ook mede dat ze was aangehouden en dat ze\n\nmee moest naar het politiebureau ter voorgeleiding bij een hulpofficier van politie.\n\nIk hoorde de vrouw meteen luider sprekend: “Jullie nemen mij helemaal niet mee, dat\n\ngaat niet gebeuren.” Ik, [verbalisant 1] , pakte de vrouw vast bij haar rechteronderarm en\n\nbewoog haar in de richting van de achter mij staande politiebus. De vrouw begon\n\nvrijwel meteen te schreeuwen dat ze niet mee ging en maakte slaande bewegingen met\n\nhaar vrije arm en probeerde zich los te rukken en te draaien in de tegenovergestelde\n\nrichting als waarin ik haar wilde brengen. Mijn collega [verbalisant 2] pakte haar andere\n\narm vast en hierna bleef ze schreeuwen en draaien en begon ze in onze richting te\n\nschoppen. Deze schoppen konden wij ontwijken en ik [verbalisant 1] bracht de vrouw naar de\n\ngrond om haar verzet te laten ophouden. Dit is haar meermalen gezegd, maar ze bleef\n\nzogezegd wild spartelen om los te komen. Ik [verbalisant 1] kreeg uiteindelijk haar\n\nrechterarm onder controle nadat collega [verbalisant 4] de vrouw op de grond drukte. Ik heb\n\ndeze arm geboeid en daarna bleef de vrouw spartelen, (…) bleef ze schoppen. De andere handboei werd aangelegd en collega [verbalisant 2] hield hierna de benen vast.\n\nWij wilden haar naar de politiebus brengen en [verbalisant 2] liet haar benen los zodat ze\n\nzelf zou kunnen lopen. Meteen hierna begon ze weer in onze richting te schoppen en\n\n [verbalisant 2] werd daarbij geraakt, zonder dat dit overigens pijn deed (opm. [verbalisant 2] ).\n\nHierna heb ik [verbalisant 1] haar op de buik gedraaid en collega [verbalisant 4] ging op de vrouw\n\nzitten, waarna ik samen met [verbalisant 2] de enkels van de vrouw met een andere set\n\nhandboeien aan elkaar kon vastmaken, waarna ze stopte met trappen.\n\n [verbalisant 1] , werkzaam als brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n [verbalisant 2] , werkzaam als hoofdinspecteur bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n5. Het proces-verbaal van de in de zaak gehouden terechtzitting in hoger beroep, van 3 februari 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :\n\nDe verdachte verklaart op vragen van de voorzitter als volgt:\n\nHet klopt dat ik op 28 januari 2023 omstreeks 21:25 uur aanwezig was op het centraal station in Nijmegen en dat ik toen ben aangesproken door een medewerkster van de beveiliging. Ik moest van haar een kaartje kopen. Het klopt dat de politie ter plaatse is gekomen en dat ik door de politie ben aangehouden. Daarop ontstond een worsteling en ben ik op enig moment op de grond beland. Ik ben toen gaan spinnen\u002Fdraaien en daarbij heb ik van mij afgetrapt.\n\nBewijsoverwegingen\n\nI.\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nII.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 1 tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsman – in de kern weergegeven – aangevoerd dat op grond van de stukken in het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de in de tenlastelegging vermelde woorden heeft gebezigd. Meer in het bijzonder kan het steunbewijs daarvoor niet worden gevonden in de getuigenverklaring (van het hof begrijpt: getuige [getuige]), nu die getuige niet heeft verklaard dat hij de tenlastegelegde uitingen heeft gehoord. Hoewel kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft gezegd dat zij aangeefster ging slaan, kunnen die woorden noch de woorden “ik sla je kop kapot” gekwalificeerd worden als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, aldus de raadsman.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nOp grond van de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat er op 28 januari 2023 in de stationshal van het centraal station in Nijmegen een conflict c.q. woordenwisseling is ontstaan tussen de verdachte en aangeefster [benadeelde] , waarbij de verdachte zich verbaal agressief heeft opgesteld jegens aangeefster. Aangeefster heeft in haar aangifte verklaard dat de verdachte haar daarbij heeft toegevoegd: “je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en (meermalen) de woorden: “ik sla je kop kapot”, althans woorden van gelijke strekking. De getuige [getuige] heeft verklaard dat de verdachte naar aangeefster schreeuwde: “Ik zou maar achterom blijven kijken als ik jou was” en “Ik ga je slaan” of met woorden van gelijke strekking.\n\nGelet op de inhoud van het procesdossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de aangifte van aangeefster. Uit de getuigenverklaring van de onafhankelijke getuige [getuige] volgt dat de verdachte heeft gedreigd om aangeefster te slaan, althans woorden van gelijke strekking. Ook volgt uit de getuigenverklaring dat de verdachte tegen aangeefster heeft gezegd dat – kort gezegd – zij achterom moest blijven kijken. Naar het oordeel van het hof vindt de aangifte aldus voor wat betreft de kern van de bedreiging, namelijk de genoemde geweldshandeling (het slaan) van de verdachte – alsook op het punt van de andere door aangeefster benoemde bedreigende uiting, kort gezegd: het achterom kijken – voldoende steun in de getuigenverklaring van getuige [getuige] . Aldus acht het hof bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging vermelde woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, heeft gebezigd. Dat de getuigenverklaring op het punt van de precieze door verdachte gebezigde woorden niet geheel overeenstemt met de aangifte, doet daar niet aan af.\n\nIn weerwil van het verweer van de raadsman is het hof voorts van oordeel dat de bewoordingen “je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en “ik sla je kop kapot” – in onderlinge samenhang bezien en de betekenis daarvan naar algemeen taalgebruik in aanmerking nemend – een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling behelst.\n\nHet hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.\n\nGelet op hetgeen in hoger beroep ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde aan de orde is gekomen, ziet het hof reden om nog het volgende te overwegen.\n\nOp grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat naar aanleiding van de hierboven omschreven melding van bedreiging van aangeefster agenten van politie ter plaatse zijn gekomen op het centraal station te Nijmegen. Op enig moment is de politie overgegaan tot aanhouding van de verdachte ter zake van bedreiging. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich daarop met geweld tegen haar aanhouding heeft verzet. In aanmerking genomen dat de agenten werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding op heterdaad van de verdachte, komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde. Het door de raadsman verwoorde verweer van de verdachte inhoudende dat zij zich heeft verdedigd tegen onrechtmatig politiegeweld wordt derhalve verworpen. Dat de aanhouding voorts gepaard zou zijn gegaan met buitenproportioneel geweld is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Uit de ter zake opgemaakte processen-verbaal van politie of anderszins uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kunnen geen aanknopingspunten worden ontleend die de enkele verklaring van de verdachte met die strekking ondersteunen. Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van die processen-verbaal.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling.\n\nHet onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nWederspannigheid, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een geldboete van € 500,00, al dan niet te voldoen in termijnen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft – onder verwijzing naar de wijze waarop de verdachte is aangehouden, de omstandigheid dat zij te laat in verzekering is gesteld en een dag in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – bepleit dat het hof zal volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag, met daarnaast oplegging van een taakstraf, zulks als stok achter de deur.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nDe raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte te laat in verzekering is gesteld en het hof verzocht om dat vormverzuim ten gunste van de verdachte in de strafoplegging te verdisconteren.\n\nBlijkens het dossier is de verdachte op 28 januari 2023 om 21:25 uur aangehouden ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling, zijnde een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering). De verdachte is die dag om 21:46 uur opgehouden voor onderzoek. Op 29 januari 2023 om 15:40 uur is de verdachte in verzekering gesteld.\n\nOp grond van artikel 56a van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte ter zake van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten ten hoogste negen uur worden opgehouden voor onderzoek. De tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens wordt voor de berekening van deze termijnen niet meegerekend.\n\nUit het vorenstaande volgt aldus dat de verdachte 8 uur en 56 minuten na het bevel ophouding in verzekering is gesteld. Mitsdien is aan de vereisten van strafvordering voldaan en is van een vormverzuim geen sprake. Het andersluidende verweer mist derhalve feitelijke grondslag, zodat het niet kan slagen.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling van aangeefster. Aangeefster was ten tijde van de bedreiging werkzaam als beveiligster op het centraal station in Nijmegen. Toen de verdachte vanwege haar gedrag door aangeefster werd verboden om met de trein te reizen, heeft zij aangeefster bedreigd. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en bij haar gevoelens van onveiligheid en onbehagen teweeggebracht. Naar aanleiding van de bedreiging zijn agenten van politie ter plaatse gekomen en overgegaan tot aanhouding van de verdachte. Daarop heeft de verdachte zich met aanmerkelijk geweld tegen haar aanhouding verzet. Door aldus te handelen heeft de verdachte het gezag van de opsporingsambtenaren ondermijnd en hun werk onnodig en op hinderlijke wijze bemoeilijkt. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 november 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat zij op 21 december 2021 door de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant wegens mishandeling is veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis. Die eerdere veroordeling heeft de verdachte er ogenschijnlijk niet van weerhouden om andermaal een soortgelijk strafbaar feit te plegen.\n\nVerder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in dat verband verklaard dat zij geen werk heeft en dat sprake is van schulden ten bedrage van € 5.000,- à € 6.000,-.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, passend en geboden. Aldus komt het hof tot een hogere straf dan door de advocaat-generaal gevorderd, nu de door de advocaat-generaal gevorderde straf, naar het oordeel van het hof, onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, in aanmerking genomen dat de feiten waren gericht tegen respectievelijk politieambtenaren in functie en een beveiligingsmedewerkster. Bij dit oordeel heeft het hof voorts nog betrokken dat het hof oplegging van een geldboete, gelet op verdachtes draagkracht, niet opportuun acht.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 180 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nvernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 2 maart 2023 onder CJIB nummer 1132 5420 0501 1866;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door15 (vijftien) dagen hechtenis.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. T. van de Woestijne, voorzitter,\n\nmr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,\n\nen op 17 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Lavrijssen voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:1106","2025-02-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:09.385Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":42,"updatedAt":78},"298","ECLI:NL:RBGEL:2024:2693","ecli-nl-rbgel-2024-2693","2024-05-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-337531-23; 20-000823-21 (tul)\n\nDatum uitspraak : 3 mei 2024\n\nTegenspraak (art. 279 Sv)\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. T. van Nimwegen, advocaat in Tilburg\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 april 2024.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fof heeft vervoerd, ongeveer 310 flessen van 3,3 liter\u002F2 kilogram, in elk geval een hoeveelheid\n\ndistikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fof heeft vervoerd, ongeveer 6,05 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, nu voor de aanwezigheid en het vervoeren van lachgas wettig bewijs ontbreekt. Daartoe voert de officier van justitie aan dat niet kan worden vastgesteld dat het om lachgas gaat nu niet door het NFI is onderzocht welke stof zich in de in het voertuig van verdachte aangetroffen cilinders bevond.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van cocaïne\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor beide feiten. Daartoe is aangevoerd dat de doorzoeking in het voertuig en de kennisname van de pallets met cilinders en het boterhamzakje met wit poeder onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Bewijsuitsluiting moet daarop volgen, waardoor niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat ten aanzien van feit 1 in ieder geval vrijspraak moet volgen omdat niet kan worden vastgesteld dat in de cilinders lachgas zat, nu geen onderzoek is gedaan naar de daadwerkelijke inhoud van de cilinders.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nRechtmatigheid onderzoekshandelingen\n\nOp 23 september 2023 kwam een melding binnen van een eenzijdig ongeval op de A12 ter hoogte van hectometerpaal 125.0 in Arnhem. Ter plaatse bleek dat een bestelbusje tegen de vangrail stond en dat de bestuurder met gesloten ogen op zijn stoel zat en nergens op reageerde. Toen hij later de ogen opende, kon hij geen antwoord geven op vragen, waarop ambulancepersoneel de verzorging overnam en hem meenam naar het ziekenhuis.\n\nDe verbalisant zag op de bus geen enkele naam aanduiding of een andere indicatie met betrekking tot wat er in de bus vervoerd zou kunnen worden. Vervolgens heeft hij de achterkant van de bus geopend om te kijken of er goederen aanwezig waren en zo ja welke goederen. Vervolgens zag hij twee pallets staan, waarvan de inhoud was ingepakt met zwart plastic met daaromheen witte spanbanden. De pallets waren voorzien van meerdere stickers met daarop een gevarendiamant. Doordat het de verbalisant vanwege zijn ervaring meteen duidelijk was dat het hoogst waarschijnlijk zou gaan om pallets met lachgas flessen, is het vermoeden ontstaan dat zich in de bus verdovende middelen bevonden.\n\nDe vraag is of het openen van de achterdeur van het voertuig en de kennisname van de daarin aangetroffen cilinders en harddrugs rechtmatig is geweest.\n\nIn artikel 3 Politiewet is bepaald dat de politie tot taak heeft de rechtsorde te handhaven en hulp te verlenen aan hen die deze nodig hebben. Nu de bestuurder van het voertuig met de ambulance was afgevoerd, had de politie de zorg over het voertuig. Ter handhaving van de openbare orde kan het voor de politie van belang zijn te weten wat er in het voertuig werd vervoerd. Nu dat aan de buitenkant niet zichtbaar was, heeft de verbalisant de achterdeur geopend. Op het moment van het openen van de achterdeur was nog geen sprake van een doorzoeking, maar het openen van de achterkant van het voertuig valt onder de bevoegdheid van artikel 3 Politiewet. Mocht immers blijken dat er gevaarlijke chemicaliën of explosieve stoffen vervoerd zouden worden, moeten direct adequate maatregelen worden genomen om allerlei onheil te voorkomen. Dat is ook de taak van de politie. Na het aantreffen van de twee pallets met een gevarendiamant en de ervaring van de verbalisant is volgens de rechtbank een verdenking ontstaan en heeft men het voertuig kunnen doorzoeken op basis van artikel 96b Wetboek van Strafvordering.\n\nDe rechtbank zal het verweer van de verdediging dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting dan ook afwijzen.\n\nTen aanzien van feit 1\n\nDe verbalisant heeft na het aantreffen van de twee pallets een stukje van het plastic opengescheurd en zag de hem ambtshalve bekende kartonnen dozen waarin ‘wegwerp’ lachgas flessen worden verpakt. Ook zag hij twee kartonnen dozen met zwarte ballonnen, die hij herkende als ballonnen die worden gebruikt om met lachgas te vullen. In totaal zijn er 310 cilinders met vermoedelijk lachgas in het voertuig aangetroffen.\n\nDe inhoud van de cilinders is niet onderzocht door het NFI en verdachte heeft geen verklaring afgelegd over de in zijn voertuig aangetroffen cilinders. Noch is onderzoek gedaan naar de fabrikant van de cilinders\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een enkele ambtshalve herkenning van de cilinders als lachgascilinders door verbalisant, zonder enig nader onderzoek en zonder een verklaring van verdachte dat het lachgas betreft, onvoldoende is om tot wettig en overtuigend bewijs te komen dat zich in de cilinders lachgas bevond. De cilinders kunnen immers ook leeg zijn of op een later moment gevuld met een andere substantie.\n\nDe rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 1 tenlastegelegde.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 11-12;\n\n- het rapport NFiDENT van 13 november 2023, p. 20;\n\n- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 41-42;\n\nNadere bewijsmotivering\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken nu sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in die zin dat de doorzoeking onrechtmatig heeft plaatsgevonden.\n\nDe rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat het openen van de achterkant van het voertuig in onderhavig geval onder de bevoegdheid van artikel 3 Politiewet valt. Door het zoekend rondkijken in het voertuig is vervolgens een verdenking ontstaan dat zich in het voertuig verdovende middelen bevonden. Daartoe is het hele voertuig doorzocht en is in de linker portier een boterhamzakje met wit poeder aangetroffen.\n\nDe rechtbank is – mede gelet op het hiervoor overwogene – van oordeel dat de doorzoeking rechtmatig heeft plaatsgevonden en verwerpt het verweer van de verdediging.\n\nDe rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van 6,05 gram van een materiaal bevattende cocaïne.\n\nDe rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n2.\n\nhij op of omstreeks23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fofheeft vervoerd, ongeveer 6,05 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nEr is sprake van eendaadse samenloop, nu het vervoeren en aanwezig hebben dezelfde cocaïne betreft, op dezelfde plaats en tijd is geschied en hetgeen is strafbaar gesteld in artikel 2, onder B en C van de Opiumwet dezelfde strekking heeft.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\neendaadse samenloop van\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod\n\nen\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren en aanwezig hebben van 6,05 gram cocaïne. Ook heeft hij verklaard dat hij sinds kort cocaïne gebruikt. Het is algemeen bekend dat harddrugs in het algemeen zeer schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat de handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door in het bezit te raken van harddrugs.\n\nDe rechtbank heeft gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie van 29 maart 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor delicten van de Opiumwet. De rechtbank merkt op dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van 18 maart 2024. Het is de reclassering niet gelukt om met verdachte in contact te komen. De reclassering maakt op basis van de beschikbare gegevens de inschatting dat verdachte gebaat zou kunnen zijn bij begeleiding\u002Fbehandeling van een forensisch FACT-team van Fivoor. Tijdens het traject dient er aandacht te zijn voor het middelengebruik en het stabiliseren van criminogene leefgebieden. De reclassering adviseert daarom een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling\u002Fbegeleiding.\n\nDe rechtbank heeft daarnaast gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het vervoeren van 0 tot 10 gram harddrugs wordt doorgaans een taakstraf voor de duur van 30 uren opgelegd.\n\nGelet op het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf niet passend is. Verdachte liep nog in een proeftijd toen hij het feit pleegde en de reclassering heeft geen contact met hem kunnen krijgen. Zij adviseren bijzondere voorwaarden, maar verdachte heeft via zijn raadsman te kennen gegeven daar niet aan mee te willen werken. De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en zal dat aan verdachte opleggen.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 20-000823-21)\n\nHet gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte op 17 juni 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van deze straf.\n\nDe raadsman heeft geen standpunt ingenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. Er zijn geen redenen om dat niet te doen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2 en 10 van de Opiumwet.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde feit;\n\n verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstrafvoor de duur vanéén (1) maand;\n\nVordering na voorwaardelijke veroordeling\n\n beveelt de tenuitvoerlegging van de op 17 juni 2022 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand(parketnummer 20-000823-21).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 mei 2024.\n\nmrs. W. Bruins en A.J.H. Steenweg zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023440563, gesloten op 5 oktober 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:2693","2026-07-13T00:28:23.279Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":83,"fullText":84,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":42,"updatedAt":87},"757","ECLI:NL:GHARL:2023:11009","ecli-nl-gharl-2023-11009","2023-12-29T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-002261-22\n\nUitspraak d.d.: 29 december 2023\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 18 mei 2022 met parketnummer 05-016848-22 in de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,\n\nwonende te [woonadres] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 december 2023.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,\n\nmr. L.C. de Lange, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.\n\nHet hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:\n\n1. hij op of omstreeks 18 januari 2022 te [pleegplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 371 XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA,\n\n- ongeveer 820 gram MDMA-poeder, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA,\n\n- ongeveer 20 liter MDMA-olie, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en\u002Fof\n\n- ongeveer 25 milliliter 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB),\n\n(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 18 januari 2022 te [pleegplaats] om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan MDMA en\u002Fof één of meer andere soort(en) harddrugs, in elk geval een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, te weten:\n\n- Een drukreactieketel gevuld met MDMA-olie\n\n- twee waterstofcilinders,\n\n- één of meerdere gascilinder beschermkappen,\n\n- één of meerdere waterstofdrukregelaars,\n\n- twee RVS ketels met koelbuis\n\n- een zak BMK glycidezout,\n\n- een tabletteermachine met stempelset met logo van ‘Star Wars Storm Trooper’,\n\n- een centrifuge,\n\n- twee rode gascilinders,\n\n- twee drukregelaars,\n\n- een 25 liter jerrycan gevuld met 12 liter monomethylamine,\n\n- 3 blauwe 20 liter jerrycans gevuld met zwavelzuur (totaal 60 liter),\n\n- 4 blauwe jerrycans van 25 liter gevuld met fosforzuur (totaal 80 liter)\n\n- 16 blauwe jerrycans gevuld met zoutzuur (totaal 320 liter),\n\n- 7 blauwe jerrycans gevuld met methanol (totaal 140 liter),\n\n- 50 blauwe jerrycans gevuld met ethanol (totaal 1000liter),\n\n- 2 witte jerrycans met restanten PMK,\n\n- twee laboratorium glaswerk distillatiebochten,\n\n- diverse zwenkwielen,\n\n- metalen pijpen en koppelstukken,\n\n- een RVS schakelkast,\n\n- een gasdrukregeklaar voor propaangas,\n\n- twee metalen branderbakken met een gasbrander met gasslang en een glazen rondbodemkolf,\n\n- 2 flessen chloor (totaal 10 liter),\n\n- een jerrycan met Coleman Fuel (totaal 5 liter),\n\n- een fles met zoutzuur (totaal 5 liter),\n\n- een (vervuilde) vacuümpomp,\n\n- 20 kilo Caustic Soda,\n\n- 2 blauwe jerrycans met aceton (totaal 40 liter),\n\n- een (vacuüm)distillatie-opstelling bestaande uit twee RVS ketels en een koelbuis,\n\n- 15 kilo cellulose en\u002Fof,\n\n- een ventilatie slakkenhuis gekoppeld aan een koolstoffilter,\n\nwaarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit;\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nDe feiten\n\nA.\n\nOp dinsdag 18 januari 2022 werd een zogeheten “integrale controle” gehouden op meerdere\n\nadressen aan de [adres] te [pleegplaats] . Bij de controle waren een ambtenaar van Bouwtoezicht van de gemeente [pleegplaats] , een medewerker van energiebedrijf Liander, de Ondermijningscoördinator van de gemeente [pleegplaats] en meerdere politiemedewerkers betrokken.\n\nVan de gemeente heeft de politie het verzoek gekregen aan te sluiten bij deze integrale controle. Aanleiding was bij de gemeente binnengekomen “ondermijnende signalen” in genoemde straat.\n\nDe medewerker van Liander was betrokken voor het geval men tegen een hennepkwekerij\n\nof andere vormen van stroomdiefstal aan zouden lopen. De politie was betrokken voor de veiligheid van de ambtenaar van Bouwtoezicht en de politie zou een casus overnemen als er strafbare feiten werden waargenomen. In totaal werden 8 adressen bezocht.\n\nBij het eerste adres was sprake van illegale bewoning. Dat heeft de ambtenaar van\n\nBouwtoezicht afgehandeld. Bij het derde adres werden aangetroffen henneptoppen en hennepresten, een in werking zijnde hennepkwekerij met 4 planten, een ontmantelde\n\nhennepkwekerij en drie op vuurwapen gelijkende wapens. Daarna werden nog ongeveer 4 á 5 adressen bezocht. Hier was niets aan de hand.\n\nAls laatste werd het pand aan de [adres] [huisnummer 1] te [pleegplaats] bezocht, te weten het pand dat bij verdachte in gebruik was. De ambtenaar van Bouwtoezicht belde aan bij de voordeur. Er werd niet op gereageerd. Er stonden twee personenauto’s op het terrein naast de woning. In de woning brandde licht. Waargenomen werd dat er aan de rechterzijde van de woning een nieuwe metalen trap was geplaatst die naar een kelder moest leiden. De ramen van de kelder waren geblindeerd met platen en glaswol. In de achtertuin werd een groot aantal kratten met lege Colaflessen tegen de achtergevel gezien. Daarnaast\n\nwaren er ongeveer 20 kratten bier van het merk Hertog Jan. Aan de achterzijde van de woning, grenzend aan de achtertuin bevond zich een grote loods. Aan de voorzijde van die loods stond een klein voorgebouw wat de uitstraling had van een kantoortje. De ambtenaar van Bouwtoezicht heeft aangeklopt en roepend gevraagd of er iemand aanwezig was. Ook hierop kwam geen reactie. Vervolgens liep men terug naar de achterzijde van de woning.\n\nDe ambtenaar van Bouwtoezicht liep de achtertuin in en liep naar de rechterzijde van het kantoortje. De ambtenaar van Bouwtoezicht trok aan de deurklink, de deur ging open en de ambtenaar wei: “Hé, deze deur is open.”\n\nVervolgens liep de ambtenaar van Bouwtoezicht door de deur het kantoortje binnen. De medewerker van Liander liep achter de ambtenaar aan naar binnen, gevolgd door politiefunctionaris [functionaris] .\n\nDe medewerker van Liander zei dat er allemaal vaten binnen stonden. Een verbalisant [opmerking hof: dit betreft een verbalisant die na [functionaris] naar binnen ging]is er naar toe gelopen en hij zag dat de ruimte een soort van schuur betrof welke zich in dezelfde ruimte bevond als het eerder genoemde kantoortje. Er stonden tientallen blauwe vaten van 20 liter met als inhoud ethanol, aceton in het schuurtje. Een collega-verbalisant heeft hierop contact gezocht met Landelijke Faciliteit Ontmantelen.Gezien het bovenstaande rees het vermoeden dat er zich in de kelder een drugslab kon bevinden. Vervolgens is er met de officier van justitie, contact geweest en deze gaf toestemming om de woning te betreden.Vlak daarna kwam verdachte toevallig aanrijden. Verdachte heeft de huissleutels gegeven en hierop werd de woning binnengetreden.In de kelder trof men pillen en poeder aan.\n\nB.\n\nHet rapport van de toezichthouder van de gemeente [pleegplaats] vermeldt onder meer als volgt:\n\n“Aangekomen bij [adres] [huisnummer 1] (woonhuis) en [huisnummer 2] (bedrijfsgedeelte).\n\nOp basis van mijn bevoegdheid zoals vastgelegd in de Algemene Wet Bestuursrecht\n\nartikel 5:15 -5:19 het terrein opgelopen. Ter beveiliging zijn op de woning nr [huisnummer 1] en op het bedrijfsgebouw nr [huisnummer 2] diverse bolcamera's aangebracht. Op het voorterrein van [adres] [huisnummer 2] staan 2 auto's. Een jaguar ( [kenteken 1] ) en een Ford Ka ( [kenteken 2] ) waarvan de autosleutels nog in het slot zitten. Samen met ondersteuning van de politie heb ik de volgende acties genomen:\n\nAangebeld en geklopt op de entreedeur bij het bedrijfsgebouw [huisnummer 2] : hier volgde geen\n\nreactie. Omdat het hek open staat vanaf het voorterrein van het bedrijfspand richting de\n\nbedrijfswoning loop ik naar de voordeur van de bedrijfswoning en bel enkele keren aan\n\nen klop op de voordeur. Ook hier is geen reactie. Aan de westzijde van de woning is\n\nzichtbaar dat hier recent een buitentrap is gemaakt. Gezien de afwerking van de trap, de\n\ntuin en het kozijn dat in de gevel bij de kelder is gezaagd zijn ze hier nog niet klaar. Via\n\nkieren tussen de deur en het kozijn en de koekoeken is licht zichtbaar. In combinatie met\n\nde sleutels in de auto lijkt het dat er iemand aanwezig zou kunnen zijn. Om het huis heengelopen en aan de achterzijde naar binnengekeken hier was niks te\n\nzien anders dan een paar schoenen waar iemand uit was gestapt om het binnen schoon\n\nte houden. Vanaf het terras zie ik dat het bedrijfspand nr [huisnummer 2] een zijdeur heeft met hier een\n\nbolcamera erboven en loop naar de deur. Ik klop een paar keer op de deur maar krijg\n\ngeen reactie. Ik probeer of de deur open is en deze blijkt open te zijn. Ik zet de deur op\n\neen kier en roep of er iemand aanwezig is. Ook hierop volgt geen reactie. Op basis van\n\nmijn bevoegdheden om elk pand anders dan een woning te mogen betreden loop ik\n\nonder het roepen of dat er iemand aanwezig is naar binnen. En ik zie 2 ruimten. In de\n\neerste ruimte staan grote blauwe (lege) tonnen, voorts zijn korven met installatiemateriaal zichtbaar en een RVS ketel. In de 2e ruimte is een ruimte getimmerd van houten wanden aan de voorzijde van het gebouw hieraan is niks te zien. In de ruimte staan meerdere blauwe kunststof jerrycans met hierop vermeld ethanol, acidity regulator E37 en 2 rvs ketels. Na een informatief belletje van de politie met een specialist wordt aangegeven dat we zo snel mogelijk de ruimte moeten verlaten omdat dit gevaarlijke stoffen zijn. Verder neemt de politie de vervolgactie om het terrein te verzekeren en de LOD te informeren. Deze geeft aan zo spoedig mogelijk ter plaatse te zijn.\n\nToegekende bevoegdheden als handhaver van de gemeente [pleegplaats] \u002FWDW\n\nArtikel 5:15\n\n1. Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur,\n\nelke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de\n\nbewoner.\n\n2 Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.\n\n3 Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn\n\naangewezen.\n\nArtikel 5:16\n\nEen toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen.\n\n[…]”\n\nC.\n\nProces-verbaal van bevindingen \u002F controlerapportage\n\n“Ik, toezichthouder [serienummer] , van de werkorganisatie [gemeente 1] [pleegplaats] , als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht op het gebied van: Bouw- en woonrecht, BAG, Wet BRP, natuur en milieuwetgeving, monumentenrecht, ruimtelijk ordeningsrecht, Huisvesting- en leegstandsrecht en omgevingsrecht en alle daaraan gerelateerde wet- en regelgeving, aangewezen als toezichthouder door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [pleegplaats] verklaar het volgende:\n\n [organisatie] staat voor Ondermijningteam [gebied] . Binnen het [organisatie] werken de gemeenten [pleegplaats] , [gemeente 1] , [gemeente 2] , [gemeente 3] , [gemeente 4] en [gemeente 5] samen met ketenpartners zijnde de omgevingsdienst, energiemaatschappijen en politie. Deze samenwerking is gericht op het daadkrachtig, effectief en integraal aanpakken van ondermijning. Door het [organisatie] worden structureel en integraal (bedrijfs-)controles georganiseerd en uitgevoerd. Als toezichthouder neem ik deel aan deze controles.\n\nBedrijfscontrole [adres]\n\nOp dinsdag 18 januari 2022, nam ik, toezichthouder [serienummer] , deel aan een integrale bedrijfscontrole aan de [adres] te [pleegplaats] . In deze straat zijn meerdere panden gecontroleerd op het formeel gebruik van percelen en panden overeenkomstig het bestemmingsplan zoals opgesteld door de gemeente [pleegplaats] .\n\n[…]”\n\nDe gronden van het appel\n\nDe advocaat-generaal heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot bewijsuitsluiting en vrijspraak. Volgens het openbaar ministerie zijn de door de gemeente op basis van “ondermijnende signalen” geïnitieerde integrale controles van meerdere bedrijfspanden op 18 januari 2022 in de [adres] te [pleegplaats] rechtmatig geweest. Er zijn daadwerkelijk meerdere panden onderzocht. Er was op voorhand geen sprake van concrete verdenkingen van strafbare feiten. Van oneigenlijk gebruik van bevoegdheden was geen sprake. Het binnentreden in de bedrijfspanden was gebaseerd op artikel 5.15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat een toezichthouder de bevoegdheid toekent om elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner, zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm. Het derde lid bepaalt dat de toezichthouder bevoegd is zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.\n\nOok voor het onderzoek naar het bedrijfspand van verdachte was er op het moment dat de toezichthouder het niet-afgesloten bedrijfspand betrad, nog geen sprake van een vermoeden van een strafbaar feit. Er was dus ook nog geen sprake van een voorbereidend onderzoek in strafrechtelijke zin.\n\nDe politie was in dit geval mee ter beveiliging van de gemeentelijke toezichthouder en om zo nodig bijstand te kunnen verlenen. Bij de betreding van het bedrijfspand van verdachte is een verbalisant met de toezichthouder mee naar binnen gegaan.\n\nOp zich was daartoe geen bijzondere noodzaak, althans deze is niet geverbaliseerd of anderszins gebleken. De advocaat-generaal acht het “vergezellen” door de politiefunctionaris van de toezichthouder echter niet onrechtmatig, gelet op artikel 5:15 derde lid Awb, dat daarvoor een grondslag bevat.\n\nMocht het hof daar anders over denken, dan meent de advocaat-generaal dat er hoogstens sprake is van een vormverzuim dat in het licht van het arrest van de Hoge Raad d.d.\n\n1 december 2020zonder rechtsgevolg kan blijven.\n\nWat betreft het bewijs voert de advocaat-generaal aan dat verdachte de beschuldigingen feitelijk erkent. De belastende vondsten worden ook niet betwist. De advocaat-generaal concludeert dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen en eist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank juist is, en dat het hof op dezelfde wijze zou moeten beslissen. Er is volgens de verdediging zowel sprake van onrechtmatig overheidsoptreden door de gemeente als van onrechtmatig binnentreden door de politie. Er was van meet af aan sprake van strafrechtelijk optreden omdat men wel wist dat er waarschijnlijk strafbare feiten zouden worden geconstateerd, maar de politie kon nog niet binnentreden. Men heeft bestuurlijk\u002Fbestuursrechtelijk optreden gebruikt voor strafrechtelijke doelen, en daarmee zijn - de burger beschermende - strafvorderlijke voorschriften omzeild. Dit heeft volgens de verdediging een structureel karakter. Deze wijze van optreden is bepalend geweest voor het verdere strafrechtelijke onderzoek. Om dit misbruik in de toekomst te voorkomen dient de sanctie daarop bewijsuitsluiting te zijn als rechtstatelijke waarborg, zoals de rechtbank terecht heeft gedaan. Omdat alle resultaten van het onderzoek in het bedrijfspand en de woning tevens zijn aan te merken als onrechtmatig verkregen en de verboden vruchten daarvan, dienen zij ook om die reden te worden uitgesloten van het bewijs. Het hof dient verdachte dan ook vrij te spreken.\n\nMocht het hof anders oordelen, dan meent de verdediging dat de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte eraan in de weg staan dat hij onvoorwaardelijk de gevangenis in zou moeten. De persoonlijke problemen die hij toen had, zijn onder controle. Verdachte heeft geen strafblad. Verdachte heeft inmiddels een goed lopend bedrijf.\n\nOverwegingen van het hof over de rechtmatigheid van het binnentreden\n\nHet hof overweegt dat uit het door de advocaat-generaal genoemde arrest van de Hoge Raad (zie voetnoot 8) blijkt dat zo nodig ook een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ligt, onder meer omdat van een opsporingsonderzoek nog geen sprake was. Uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 12 september 2023blijkt voorts dat zo nodig ook een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling door andere personen dan opsporingsambtenaren. Daarvoor is vereist dat (i) de resultaten van een onrechtmatige handeling zijn gebruikt bij het opsporingsonderzoek naar of de vervolging van een verdachte voor ten laste gelegde feiten en (ii) de resultaten door dit gebruik van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of van de vervolging. Als daarvan sprake is, is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan het gebruik van de resultaten van een onrechtmatige handeling en, zo ja, welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van de inbreuk die dit gebruik maakt op de rechten van de verdachte. Bij het bepalen van een rechtsgevolg kan aansluiting worden gezocht bij de in art. 359a tweede lid Sv genoemde factoren, terwijl ook het uitgangspunt van subsidiariteit in acht moet worden genomen. De rechter kan tot het oordeel komen dat de onrechtmatige handeling door de andere persoon dan de opsporingsambtenaar, die van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging, dwingt tot bewijsuitsluiting. Dat is allereerst aan de orde als bewijsuitsluiting noodzakelijk is om de schending van het in art. 6 EVRM bedoelde recht op eerlijk proces te voorkomen. Daarnaast kan bewijsuitsluiting in aanmerking komen als de opsporingsambtenaar direct of indirect betrokken is bij de onrechtmatige handeling door een andere persoon en het gebruik van de resultaten, mede gelet op wijze waarop die zijn verkregen, een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel zou opleveren. Van een zodanige betrokkenheid van een opsporingsambtenaar kan sprake zijn als deze het gedrag van de betreffende persoon heeft geïnitieerd of gefaciliteerd, daaronder mede begrepen dat de opsporingsambtenaar het onrechtmatige gedrag van die persoon welbewust heeft laten begaan en\u002Fof voortduren.\n\nAnders dan de rechtbank en de verdediging is het hof van oordeel dat het optreden van de gemeentelijke autoriteiten rechtmatig was. De toezichthouder heeft zijn bevoegdheden ingezet op de gronden, bevoegdheden en aanleiding zoals door deze zijn omschreven onder de feiten, het onder C. bedoelde proces-verbaal. Het hof ziet geen aanwijzing dat deze weergave niet klopt of dat er heimelijk ongeoorloofde bijbedoelingen waren. Het is een legitiem belang van de gemeente dat bedrijfs- en andere panden overeenkomstig het bestemmingsplan worden gebruikt. Dat de ervaring leert dat er een gerede kans bestaat dat er bij controles van bedrijfspanden regelmatig ook strafbare feiten worden geconstateerd, in het bijzonder de aanwezigheid van hennepkwekerijen met illegale stroomaftap, doet daaraan niet af. De bestrijding van illegale en brandgevaarlijke situaties is immers evengoed een legitiem belang van de gemeente. Het samenwerken daarin met onder andere de politie acht het hof eveneens legitiem, onder meer omdat artikel 5:15 Awb daarin uitdrukkelijk voorziet, mits evenredig.\n\nEr was in dit geval ook geen reden om aan te nemen dat er specifiek jegens verdachte van meet af aan al sprake was van de verdenking van een strafbaar feit ten aanzien van het gebruik van de bedrijfsruimte en woning en dat er aldus reeds sprake was een opsporingsonderzoek jegens verdachte.\n\nOok op het moment dat de toezichthouder de bedrijfsruimte betrad, was er nog geen sprake van een verdenking van een strafbaar feit. De bevindingen tot dan toe op het erf van verdachte gaven daartoe immers geen aanleiding. Evenmin bestond er op dat moment een bijzondere beschermingsbehoefte voor de toezichthouder. Met de verdediging is het hof daarom van oordeel dat er op het moment dat de toezichthouder het bedrijfspand binnentrad, er geen geldige reden bestond dat er tegelijkertijd ook een politiefunctionaris mee naar binnen ging. Artikel 5:15, derde lid, Awb biedt de mogelijkheid dat de toezichthouder zich door iemand laat vergezellen. Artikel 5:13 Awb bepaalt echter dat een toezichthouder slechts van zijn bevoegdheden gebruik maakt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Ook uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de toezichthouder geen andere personen dient mee te nemen dan redelijkerwijs voor een goede taakvervulling door de toezichthouder nodig is.Nu niet is geverbaliseerd of anderszins is gebleken dat op het moment van binnentreden door de gemeentelijk toezichthouder de assistentie van de politie – bijvoorbeeld uit het oogpunt van personele veiligheid van die toezichthouder en\u002Fof andere gemeentemedewerkers – gewenst was, moet het ervoor worden gehouden dat de politiefunctionaris op dat moment zonder gegronde reden mee naar binnen is gegaan. Deze constatering is van belang, nu de politie eigen wettelijke bevoegdheden heeft die strafrechtelijk zijn genormeerd en waarmee dus prudent moet worden omgegaan. In zoverre is er sprake van een vormfout. Uit het arrest van de Hoge Raad genoemd in noot 8 kan worden afgeleid dat een rechtsgevolg aan een verzuim als dit op zijn plaats kan zijn indien het vormverzuim of de onrechtmatige handeling vanbepalende invloedis geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en\u002Fof de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. In een dergelijk geval is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg wordt verbonden aan het vormverzuim of de onrechtmatige handeling, en zo ja: welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling.\n\nHet hof oordeelt dat het door de binnentredende politiefunctionaris begane verzuim in deze zaak geen enkele invloedheeft gehad op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging van verdachte. De gemeentelijke toezichthouder is de bedrijfsruimte rechtmatig binnen gegaan en heeft een constatering gedaan die leidde tot het vermoeden van een strafbaar feit. Als de politiefunctionaris niet mee naar binnen was gegaan maar buiten was blijven wachten, was deze slechts enkele momenten later op de hoogte geraakt van de bevinding van de toezichthouder. Het resultaat was hetzelfde geweest. Ook de ernst van het verzuim acht het hof gering. De toezichthouder betrad rechtmatig een niet-afgesloten bedrijfsruimte. De politiefunctionaris die de toezichthouder volgde, is verder niet actief opgetreden en heeft op het moment van en direct na zijn binnentreden zeker geen opsporings- of onderzoekshandelingen verricht. De vaten zijn ook niet als eerste door de betreffende politiefunctionaris opgemerkt. Het verzuim heeft zich vermoedelijk voorgedaan doordat niemand in het team zich op dat moment realiseerde dat men even had moeten afwegen of er een legitieme reden was dat de politie meteen mee naar binnen liep. Dan had die afweging achteraf ter controle kunnen worden geverbaliseerd. Voor de volledigheid merkt het hof nog op dat van enige opzettelijke onrechtmatige sturing door de politie of van het bewust of onbewust schenden van het recht op een eerlijk proces van verdachte niet is gebleken.\n\nHet hof merkt nog op dat hiermee ook het verweer wordt verworpen dat het binnentreden in de woning van verdachte en de vondsten daar eveneens toegerekend moet worden aan het binnengaan van de verbalisant in de bedrijfsruimte.\n\nHet hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om enig gevolg aan het verzuim te verbinden. Volstaan kan worden met de enkele constatering van het verzuim. Om die reden dient het vonnis van de rechtbank te worden vernietigd, nu de rechtbank ten onrechte tot bewijsuitsluiting is overgegaan.\n\nVoorwaardelijk verzoek van de verdediging\n\nHet hof wijst het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het horen van [getuige] , ondermijningscoördinator [gebied] , af omdat het horen van deze getuige, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet van belang is voor enige door het hof op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing.\n\nOverwegingen over het bewijs\n\nHet hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nTer nadere onderbouwing van onderstaande bewezenverklaring overweegt het hof het volgende. Verdachte heeft het aantreffen van de verboden middelen en voorwerpen niet betwist.De spullen in de bedrijfshal zouden niet van hem maar van een andere man zijn, wiens naam hij niet wil noemen. Verdachte zou 5.000 euro voor de opslag ontvangen. Verdachte wist dat het om drugs ging.Over de man van wie de drugs en de installaties beweerdelijk zouden zijn, heeft verdachte niets concreets verklaard. Dat een ander mogelijk eigenaar van deze spullen zou zijn geweest, doet echter niet af aan het voorhanden en in opslag hebben door verdachte. Verdachte geeft aan dat de opslagruimte van hem was en dat hij daar ook spullen in opsloeg.Aldus had hij daarover ook de beschikkingsmacht over de tenlastegelegde goederen.\n\nBewezenverklaring\n\nDoor wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. hij op of omstreeks18 januari 2022 te [pleegplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 371 XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA,\n\n- ongeveer 820 gram MDMA-poeder, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA,\n\n- ongeveer 20 liter MDMA-olie, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en\u002Fof\n\n- ongeveer 25 milliliter 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB),\n\n(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij in of omstreeksde periode van 1 november 2021 tot en met 18 januari 2022 te [pleegplaats] om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan MDMA en\u002Fof één of meer andere soort(en) harddrugs, in elk geval een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen,stoffen,gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, te weten:\n\n- Een drukreactieketel gevuld met MDMA-olie,\n\n- twee waterstofcilinders,\n\n- één of meerdere gascilinder beschermkappen,\n\n- één of meerdere waterstofdrukregelaars,\n\n- twee RVS ketels met koelbuis\n\n- een zak BMK glycidezout,\n\n- een tabletteermachine met stempelset met logo van ?Star Wars Storm Trooper?,\n\n- een centrifuge,\n\n- twee rode gascilinders,\n\n- twee drukregelaars,\n\n- een 25 liter jerrycan gevuld met 12 liter monomethylamine,\n\n- 3 blauwe 20 liter jerrycans gevuld met zwavelzuur (totaal 60 liter),\n\n- 4 blauwe jerrycans van 25 liter gevuld met fosforzuur (totaal 80 liter)\n\n- 16 blauwe jerrycans gevuld met zoutzuur (totaal 320 liter),\n\n- 7 blauwe jerrycans gevuld met methanol (totaal 140 liter),\n\n- 50 blauwe jerrycans gevuld met ethanol (totaal 1000liter),\n\n- 2 witte jerrycans met restanten PMK,\n\n- twee laboratorium glaswerk distillatiebochten,\n\n- diverse zwenkwielen,\n\n- metalen pijpen en koppelstukken,\n\n- een RVS schakelkast,\n\n- een gasdrukregeklaar voor propaangas,\n\n- twee metalen branderbakken met een gasbrander met gasslang en een glazen rondbodemkolf,\n\n- 2 flessen chloor (totaal 10 liter),\n\n- een jerrycan met Coleman Fuel (totaal 5 liter),\n\n- een fles met zoutzuur (totaal 5 liter),\n\n- een (vervuilde) vacuümpomp,\n\n- 20 kilo Caustic Soda,\n\n- 2 blauwe jerrycans met aceton (totaal 40 liter),\n\n- een (vacuüm)distillatie-opstelling bestaande uit twee RVS ketels en een koelbuis,\n\n- 15 kilo cellulose en\u002Fof,\n\n- een ventilatie slakkenhuis gekoppeld aan een koolstoffilter,\n\nwaarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nBij verdachte zijn verboden verdovende middelen aangetroffen en materiaal om dergelijke middelen te produceren. Verdachte heeft maar beperkt inzicht gegeven in de achtergrond van de strafbare feiten. Hij heeft enkel verklaard dat hij persoonlijk in financiële nood was komen te verkeren. Nu zou hij blijkens de verklaring van de raadsman weer een goedlopend bedrijf hebben.\n\nUit het uittreksel juridische documentatie d.d. 13 november 2023 blijkt niet van verdere relevante strafbare gedragingen.\n\nHet hof acht de door de advocaat-generaal voorgestelde afdoening in beginsel passend. De illegale productie van verdovende middelen werkt maatschappelijk ontwrichtend door de daarmee gepaard gaande gezondheidsproblemen bij gebruikers, de daarmee veelal samenhangende illegale dump van schadelijk afval en de investering van crimineel geld in de legale economie. De strafmaat moet voldoende zijn om anderen af te schrikken dit gedrag te volgen. Ook verdachte moet ervan worden weerhouden om toe te geven aan de verleiding van crimineel geld. Het hof weet weinig van verdachte. Hij is niet op zitting verschenen en heeft het hof er dus ook niet van kunnen overtuigen dat hij het verkeerde van zijn handelen inziet. Om die redenen is geen andere straf dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Het voorwaardelijk deel dient ertoe verdachte op het rechte pad te houden. Het hof zal de proeftijd op drie jaar stellen, gelet op het feit dat hij niet is verschenen om het hof te overtuigen van zijn betere houding in de toekomst.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nWat betreft de onder verdachte in beslag genomen contante geldbedragen heeft verdachte aangevoerd dat dit geld deels afkomstig was van een klus. Het andere deel had hij altijd voor reserve in huis. Nu verdachte ook een legaal bedrijf had waar hij contant geld mee kon verdienen en er geen concrete aanwijzingen zijn dat het in beslag genomen geld afkomstig was uit enig misdrijf, zal het hof bepalen dat het geld aan verdachte wordt teruggegeven.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van10 (tien) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\ngeldbedragen, groot € 1.200, € 100,00, € 10,00, € 20,00 en € 1.000,00.\n\nWijst af het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [getuige] .\n\nAldus gewezen door\n\nmr. R.G.J. Welbergen, voorzitter,\n\nmr. P.A.H. Lemaire en mr. D.R. Sonneveldt, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier,\n\nen op 29 december 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 29 december 2023.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. P.A.H. Lemaire, voorzitter,\n\nmr. N. Versloot, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of\n\nambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij\n\nhet in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 1 april 2022, genummerd zaaksdossier DECEPTION \u002F ON5R022007 \u002F BVH nummer: PI0600-2022027789, opgemaakt door politie Oost-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren..\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 74 en 75 en proces-verbaal van bevindingen, p. 77 en 78.\n\n Machtiging binnentreden woning d.d. 18 januari 2022 p. 91, proces-verbaal binnentreding woning d.d. 19 januari 2022 p. 93.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 20 januari 2022 p. 74 en 75.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 79 en het proces-verbaal van binnentreden in woning p. 96 en de indicatieve positieve tests p. 108.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [functionaris] d.d. 1 januari 2022 met bijlage, p. 83 t\u002Fm 88.\n\n Proces-verbaal van bevindingen\u002Fcontrolerapportage d.d. 25 januari 2022, p. 90.\n\n ECLI:NL:HR:2020:1889, rechtsoverweging 2.4.4.\n\n ECLI:NL:HR:2023:1159.\n\n Kamerstukken 23700 Nader rapport, par. 8 .6.3: “Wel geldt ingevolge artikel 5.1.3 dat uitsluitend die personen mogen worden meegenomen die redelijkerwijs nodig zijn voor een goede taakvervulling door de toezichthouder. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad is daarop in de memorie van toelichting nog uitdrukkelijk gewezen.”\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 januari 2022, p. 45 en 46.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 50\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 46.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:11009","2024-01-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.737Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":92,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":42,"updatedAt":95},"1317","ECLI:NL:GHARL:2023:1187","ecli-nl-gharl-2023-1187","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-001626-21\n\nUitspraak d.d.: 7 februari 2023\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2021 met parketnummer\n\n08-997004-17 in de strafzaak tegen\n\n [Verdacht B.V.] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van verdachte en haar raadslieden, mr. E. van der Meer en mr. W. Sleijfer, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe rechtbank heeft bij vonnis van 25 maart 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van:\n\n feit 1: het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013;\n\n feit 2: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 3: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 4: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018;\n\n feit 5: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018,\n\nveroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,-, waarvan € 40.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met aanvulling van gronden, behalve voor zover het betreft de strafoplegging.\n\nTen aanzien van de op te leggen straf komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.\n\nAanvulling van gronden\n\nTen aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat er zowel binnen het bestuursrecht als het civiele recht voldoende middelen bestonden om corrigerend op te treden, zodat er geen plaats is voor een strafrechtelijke vervolging. Daarnaast is er volgens de verdediging gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat verdachte en haar bestuurder [medeverdachte] zijn vervolgd en de Staat als privaatrechtelijke partij en tevens toezichthouder, niet. Ten slotte is aangevoerd dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel in combinatie met een overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de Staat het in eerste instantie heeft nagelaten om handhavend op te treden terwijl de controlerende instanties op de hoogte waren van de winlocaties van verdachte, en de daadwerkelijke strafvervolging vervolgens veel te lang heeft geduurd. Alles samen maakt volgens de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ingestelde strafvordering.\n\nHet hof overweegt, in aanvulling op hetgeen door de rechtbank op pagina 8 tot en met 10 van het vonnis is overwogen, dat al de door de verdediging aangevoerde omstandigheden, ook in samenhang bezien, niet maken dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte.\n\nVan gelijke gevallen in de zin van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake, nu de rol van verdachte en die van de overheid als eigenaar van de gronden een geheel andere is. De overheid heeft door middel van het uitgeven van vergunningen, of door het niet verlenen daarvan, in beginsel voldaan aan zijn verplichting om te verhinderen dat zonder vergunning wordt ontgrond. Dat diezelfde overheid pas laat heeft ingegrepen met betrekking tot de overtreding van het verbod van artikel 3 van de Ontgrondingenwet (hierna: Ogw) door verdachte, is in het licht van het gelijkheidsbeginsel niet relevant. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan verdachte daaraan geen rechten ontlenen.\n\nVerder overweegt het hof dat de in het kader van het gelijkheidsbeginsel aangehaalde Aanwijzingen voor de regelgeving evenmin in de weg staan aan ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, aangezien zij naar inhoud en strekking niet zijn aan te merken is als recht in de zin van artikel 79 van het Wet op de Rechterlijke Organisatie, waardoor geen horizontale of verticale werking door partijen aan die bepalingen kan worden ontleend.\n\nEr is geen sprake van een situatie waarin geen redelijk denkend lid van het openbaar ministerie tot een vervolgingsbeslissing ten aanzien van verdachte had kunnen komen. Het ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen.\n\nTen aanzien van artikel 3 en 3a van de Ontgrondingenwet\n\nTer terechtzitting in hoger beroep is nogmaals door mr. E. van der Meer bepleit dat verdachte niet zonder vergunning heeft ontgrond, omdat zij in de periode van 2011 tot en met 2013 een ontgrondingsvergunning had voor de Noordzee. In voorschrift 1.1. is het wingebied gedefinieerd doordat is bepaald dat de winning alleen mag worden uitgevoerd binnen het gebied zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende indicatieve tekening met nummer [nummer] . Het winnen van schelpen buiten het aangegeven gebied valt volgens de verdediging aan te merken als het handelen in strijd met voorschriften van een bestaande vergunning, welk verbod is opgenomen in artikel 3a van de Ogw, en valt niet onder het zonder een vergunning ontgronden uit artikel 3 van de Ogw.\n\nHet hof overweegt dat voor zover artikel 3a Ogw van toepassing is, in ieder geval ook artikel 3 Ogw van toepassing is, omdat vaststaat dat verdachte in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013 in de Waddenzee en Noordzeekustzone schelpen heeft gewonnen terwijl zij daarvoor in die periode geen vergunning had.\n\nDat verdachte een begrip voor de Noordzee hanteert waarin geen onderscheid bestaat tussen de Noordzee en de Noordzeekustzone, dient voor haar rekening en risico te blijven. Op grond van de diverse vergunningen die aan verdachte zijn vertrekt, moet haar dat onderscheid duidelijk zijn geweest.\n\nAanvullende overweging ten aanzien van de feiten 2 tot en met 5\n\nDat de zoon van de bestuurder van verdachte de betreffende opgaven aan het Rijksvastgoedbedrijf (hierna: RVB) zou hebben gedaan, omdat de bestuurder niet met computers overweg kan, maakt het verwijt dat in de tenlastegelegde feiten besloten ligt, niet anders. Het handelen van de bestuurder van verdachte en diens zoon kunnen aan verdachte worden toegerekend, nu sprake is van het handelen van een persoon die werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en daaraan dienstig is geweest, terwijl de rechtspersoon erover kon beschikken dat de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nIndien het hof toch tot een veroordeling komt, is volgens de verdediging een schuldigverklaring zonder strafoplegging een passende afdoening gezien de houding van de Staat, die door verwijtbaar nalaten medeverantwoordelijk is voor de strafrechtelijke gang van zaken.\n\nOordeel van het hof\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft in de periode van medio maart 2011 tot en met 2013 meerdere malen\n\nschelpen gewonnen op een winlocatie, waarvoor zij geen vergunning had (feit 1). Zij heeft\n\nschelpen gewonnen in de Noordzeekustzone en Waddenzee, een gebied waarbinnen meerdere partijen zich kunnen inschrijven per kavel. Of er kavels worden toebedeeld en hoe veel, is afhankelijk van het bedrag dat een partij ervoor over heeft. Verdachte had in de periode van 2011 tot en met 2013 enkel een vergunning voor het winnen van schelpen in de Noordzee. Voor die periode had verdachte geen kavels in de Noordzeekustzone of in de Waddenzee, en zij mocht derhalve in dit gebied geen schelpen winnen. Door dit alsnog te doen, heeft verdachte niet alleen de doelstellingen van het vergunningensysteem ondergraven, maar zichzelf ook financieel bevoordeeld ten opzichte van haar concurrenten.\n\nHet hof heeft geconstateerd dat de onder 1 tenlastegelegde feiten zo lang geleden zijn gepleegd dat het al gedeeltelijk is verjaard - voor zover het de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 betreft – en op korte termijn in zijn geheel zal verjaren in verband met de absolute verjaringstermijn als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof voorziet dat de aankomende verjaring reeds reden voor cassatie zou kunnen zijn. Om verdere procedures te voorkomen, en omdat het karakter en de verjaringstermijn van het onder 1 ten laste gelegde delict verschillen van die van de overige tenlastegelegde feiten, zal het hof de verdachte voor het onder feit 1 tenlastegelegde geen straf of maatregel opleggen.\n\nVerder heeft verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot 1 januari 2019, gedurende acht jaren, in meerdere elektronische opgaven vermeld dat zij schelpen had gewonnen in het wingebied Noordzee, terwijl deze schelpen in werkelijkheid waren gewonnen in het wingebied de Waddenzee of de Noordzeekustzone. Vervolgens heeft zij deze valse opgaven toegestuurd aan het RVB (feiten 2, 3, 4 en 5).\n\nNaar het oordeel van het hof zijn de bewezenverklaarde feiten van dien aard, dat hierbij niet kan worden volstaan met schuldigverklaring zonder strafoplegging. Verdachte – een partij die zich al jarenlang in de wereld van het winnen van schelpen begeeft – heeft gedurende een lange periode uiterst laakbaar gehandeld. In november 2014 is zij reeds gewezen op haar onjuiste handelen, maar dit heeft geen verschil teweeg gebracht in de handelwijze van de B.V. In de periode van 2011 tot en met 2018 was de prijs voor schelpen die werden gewonnen in het wingebied de Noordzee (veel) lager dan de prijs die moest worden betaald voor schelpen die waren gewonnen in het wingebied de Waddenzee en de Noordzeekustzone en door het handelen van verdachte is het RVB dan ook financieel benadeeld. Gelet hierop acht het hof een geldboete een passende straf bij de bewezenverklaarde feiten.\n\nUit het de verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 22 december 2022 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nHet hof constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken in eerste aanleg is overschreden. De rechtbank heeft een geldboete ter hoogte van € 50.000,-, waarvan € 40.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren opgelegd en daarin is de overschrijding van de redelijke termijn ook al meegewogen. Het hof houdt in hoger beroep ook rekening met de overschrijding en zal geen straf opleggen die hoger is dan de straf die door de rechtbank is bepaald.\n\nHet gegeven dat de bestuurder van verdachte voor dezelfde feiten als in de onderhavige zaak straffen opgelegd krijgt, maakt dat het hof reden ziet om verdachte tot een geheel voorwaardelijke geldboete te veroordelen. Aangezien verdachte nog actief is als het gaat om het winnen van schelpen, zal de voorwaardelijke geldboete wel fors zijn, om te voorkomen dat verdachte in de toekomst nog verkeerde wingebieden op zal geven en valse opgaven op zal sturen aan het KVB.\n\nIndien het hof de bewezenverklaring van feit 1 had betrokken in de strafoplegging zonder rekening te houden met het punt van verjaring, zou een zelfde straf zijn opgelegd als de rechtbank heeft gedaan.\n\nAlles overziend acht het hof een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 50.000,- met een proeftijd van drie jaren voor de feiten die onder 2, 3, 4 en 5 bewezen zijn verklaard, passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nBepaalt dat ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nVeroordeelt de verdachte voor het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,-,.\n\nBepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. J.A.W. Lensing, voorzitter,\n\nmr. W.M. Weerkamp en mr. R.G.J. Welbergen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,\n\nen op 7 februari 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 februari 2023.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. D. Visser, voorzitter,\n\nmr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,\n\nmr. G. Ladjevardi, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1187","2023-02-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.655Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":100,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":42,"updatedAt":102},"767","ECLI:NL:GHARL:2023:1188","ecli-nl-gharl-2023-1188","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-000807-22\n\nUitspraak d.d.: 7 februari 2023\n\nTEGENSPRAAK\n\nONTNEMINGSZAAK\n\nVerkort arrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 februari 2022 met parketnummer\n\n08-997004-17 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen\n [Verdacht B.V.] ,\n\ngevestigd [vestigingsplaats] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van betrokkene en haar raadslieden, mr. E. van der Meer en\n\nmr. W. Sleijfer, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.\n\nDe vordering\n\nDe inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 321.209,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 321.209,-.\n\nDe ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie\n\nDoor de raadslieden is aangevoerd dat Rijkswaterstaat een privaatrechtelijke vordering tegen de veroordeelde had moeten indienen. Hieruit maakt het hof op dat de verdediging de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ook in de ontnemingszaak aan de orde heeft willen stellen.\n\nUit artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht volgt dat het openbaar ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan indienen tegen degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit. Verdachte is bij arrest van 7 februari 2023 veroordeeld voor strafbare feiten die samenhangen met de onderhavige ontnemingszaak. Gelet hierop is het hof van oordeel dat een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde kan worden ingediend, dat de eventuele mogelijkheid tot het indienen van een vordering bij de burgerlijke rechter hieraan niet in de weg staat en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is.\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 308.459,90 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van\n\n€ 290.000,-.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadslieden hebben zich primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat de betrokkene geen schelpen heeft gewonnen\n\nop niet-toegestane locaties. In de periode van 2011 tot en met 2013 zijn schelpen gewonnen\n\nin de Noordzeekustzone. De betrokkene beschikte in die periode over een vergunning voor het winnen van schelpen in de Noordzee. In 2014 zijn eveneens schelpen gewonnen in de Noordzeekustzone. De betrokkene heeft opgegeven dat zij schelpen had gewonnen in de Noordzee. Volgens de raadslieden is deze opgave juist, nu de Noordzeekustzone deel uitmaakt van de Noordzee.\n\nSubsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de berekeningen van het openbaar ministerie onjuist zijn. Het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode\n\nvan 2011 tot en met 2013 is bepaald middels een berekening op transactiebasis, maar had,\n\ngelet op een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 november 2020\n\n(ECLI:NL:RBOVE:2020:3757) moeten worden vastgesteld door een vergelijking te maken\n\nmet de legale werkwijze. Het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat volgens die\n\nberekeningswijze uit de besparing van de brandstofkosten en onderhoudskosten voor het\n\nschip.\n\nVerder hebben de raadslieden bepleit dat het rendementsverlies, wat is geleden naar aanleiding van het gedeeltelijk onrechtmatig conservatoire beslag (ter hoogte van\n\n€ 453.376,-), als matigingsfactor moet worden meegenomen bij de vaststelling van de betalingsverplichting.\n\nTot slot hebben de raadslieden zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden, wat ook als matigingsfactor moet worden meegenomen. De betalingsverplichting zou met tien procent van het wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden bijgesteld.\n\nOordeel van het hof\n\nBewezenverklaarde handelen\n\nDe betrokkene is, voor zover voor de beoordeling van de vordering van belang, bij vonnis van 25 maart 2021 (parketnummer 08-997004-17) door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor:\n\n feit 1: het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013;\n\n feit 2: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 3: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 4: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018;\n\n feit 5: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018.\n\nHet vonnis is voor wat betreft de bewezenverklaring bij arrest van dit hof van 7 februari 2023 bevestigd (parketnummer 21-001626-21).\n\nVerjaarde feiten\n\nDe rechtbank heeft in het vonnis overwogen dat de strafvervolging voor het onder 1 ten laste gelegde door verjaring is vervallen voor zover het de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 betreft. Op grond hiervan is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor dit deel van het feit. Deze beslissing is in hoger beroep in stand gebleven.\n\nHet hof is van oordeel dat die (gedeeltelijke en toekomstige) verjaring niet in de weg staat aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit oordeel is gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI2307) en dat van 11 mei 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL7660). Het hof zal daarom de gehele tenlastegelegde periode bij de beoordeling van de vordering betrekken.\n\nUit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.\n\nTen aanzien van de verweren van de verdediging\n\nMet betrekking tot het subsidiaire standpunt: onjuiste berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nDe verdediging heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2020:3757), waarin het ging om het winnen van schelpen in wateren op Duits grondgebied. Het hof constateert dat de omstandigheden van de onderhavige zaak afwijken van die in de zaak waar naar is verwezen, als gevolg waarvan het subsidiaire verweer van de verdediging zal worden verworpen. Zo is niet aannemelijk geworden dat betrokkene de gewonnen schelpen had kunnen verkrijgen uit (één van) de haar vergunde gebieden en dat (dus) het bewezen verklaarde strafbare handelen uitsluitend heeft plaatsgevonden om kosten te besparen.\n\nDe vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nHet hof neemt bij het vaststellen van het door de veroordeelde wederrechtelijk\n\nverkregen voordeel de berekeningen uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel betreffende [Verdacht B.V.] , van 14 mei 2018, als uitgangspunt.\n\nBerekening 1: het zonder vergunning winnen van schelpen (2011 tot en met 2013)\n\nBlijkens voornoemd rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van\n\n2011 tot en met 2013 bepaald door middel van een berekening op transactiebasis. Bij deze\n\nberekening bestaat het voordeel over een bepaald boekjaar uit het resultaat voor belastingen\n\n(omzet -\u002F- totaal kosten) naar rato toegerekend aan de illegale (niet vergunde)\n\nbedrijfsactiviteit in verhouding tot de totale bedrijfsactiviteiten van de onderneming.\n\nTen eerste is aan de hand van de winst- en verliesrekening het resultaat voor belastingen\n\n(omzet -1- totaal kosten) over de jaren 2011 tot en met 2013 als volgt bepaald:\n\n[afbeelding]\n\nHet resultaat voor belastingen over 2011 bedraagt dus € 70.002,-. Over 2012 bedraagt het\n\nresultaat voor belastingen € 178.045,- en over 2013 € 19.998,-.\n\nTen tweede is aan de hand van de door betrokkene verstrekte overzichten van de\n\nhoeveelheid gewonnen schelpen, de data waarop deze zijn gewonnen en de winlocatie(s) in\n\ncombinatie met de black box gegevens van het schip waarop de betrokkene voer, het\n\npercentage bepaald van het deel van de gewonnen schelpen dat zonder vergunning (buiten\n\nvergund gebied) zou zijn gewonnen in verhouding tot de totaal in het betreffende jaar\n\ngewonnen hoeveelheid schelpen. In 2011 is dat percentage 27,7%. Voor 2012 en 2013 zijn\n\nvoornoemde gegevens gecombineerd met informatie uit de aangetroffen agenda 2012 en\n\n2013. In 2012 is het percentage 90,1% en in 2013 95,4%\n\nTot slot is aan de hand van het hierboven beschreven resultaat voor belastingen en het\n\npercentage zonder vergunning gewonnen schelpen in verhouding tot de totaal gewonnen\n\nhoeveelheid het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt bepaald:\n\n[afbeelding]\n\nHet is aldus aannemelijk dat betrokkene met het winnen van schelpen zonder vergunning over de jaren 2011 tot en met 2013 een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van € 198.886,-.\n\nDe omstandigheid dat de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 is verjaard, en de hele tenlastegelegde periode in verband met de absolute verjaringstermijn gaat verjaren, doet aan deze vaststelling niet af, nu hiervoor reeds is overwogen dat deze verjaring niet in de weg staat aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nBerekening 2: valsheid in geschrifte (2014)\n\nHet hof stelt voorop dat de betrokkene bij vonnis van de rechtbank Overijssel is veroordeeld wegens valsheid in geschrift, gepleegd in de perioden van 1 januari 2011 tot en met\n\n31 januari 2014 (feit 2) en 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018 (feit 4). Het vonnis is in hoger beroep bij arrest van dit hof van 7 februari 2023 voor wat betreft die bewezenverklaring bevestigd.\n\nIn het rapport van 14 mei 2018 is berekend welk voordeel de betrokkene heeft verkregen uit valsheid in geschrift, gepleegd in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014, terwijl zij hiervoor niet is vervolgd en dus evenmin is veroordeeld. De vraag is of dus uit deze, andere, strafbare feiten voordeel is genoten als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nIn dit kader overweegt het hof dat uit het strafrechtelijk onderzoek, meer in het\n\nbijzonder de door de betrokkene aan de Staat verstrekte overzichten in vergelijking met de\n\nblack box-gegevens, is op te maken dat de betrokkene telkens een ander wingebied opgaf\n\ndan waar zij in werkelijkheid schelpen had gewonnen. Het is het hof niet gebleken dat\n\nde betrokkene haar handelswijze in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december\n\n2014 heeft aangepast, in die zin dat zij zich toen wel aan de geldende wet- en regelgeving en\n\nvergunning hield. Dit betekent dat er naar het oordeel van het hof voldoende\n\naanwijzingen zijn om aan te nemen dat er in de periode van 1 januari 2014 tot en met\n\n31 december 2014 andere strafbare feiten zijn begaan dan er in het vonnis van 25 maart 2021 zijn beoordeeld en bewezen zijn verklaard.\n\nGelet op het voorgaande volgt het hof voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 de berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nBlijkens dit rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 1 januari\n\n2014 tot en met 31 december 2014 bepaald op basis van de bespaarde kosten. Bij deze\n\nberekening bestaat het voordeel uit het verschil tussen de feitelijk te betalen vergoeding over\n\nde gewonnen schelpen en de daadwerkelijk betaalde vergoeding. Ten eerste is de feitelijk te betalen vergoeding over de gewonnen schelpen bepaald. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene in totaal 25.886 m³ schelpen heeft gewonnen. Zij had hierover het vergoedingstarief van de Waddenzee\u002FNoordzeekustzone moeten betalen, in\n\nplaats van het tarief van het opgegeven, goedkopere, wingebied van de Noordzee. Voor de\n\neerste 16.000 m³ had de betrokkene een vergoeding moeten betalen van € 10,52 en voor de volgende 16.000 m³ een vergoeding van € 10,51. In totaal had dus € 272.221.86 betaald\n\nmoeten worden. Vervolgens is berekend dat de betrokkene daadwerkelijk een bedrag van\n\n€ 149.898,37 heeft betaald.\n\nIn onderstaande tabel is een en ander weergegeven:\n\n[afbeelding]\n\nOp grond hiervan is het aannemelijk dat betrokkene met het plegen van valsheid in geschrift in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 122.323,00 (€ 272.221,86 min € 149.898,37).\n\nberekening 1 + 2 = omvang wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nGelet op voorgaande berekeningen stelt het hof de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 321.209,-(€ 198.886,- + € 122.323,-).\n\nDe verplichting tot betaling aan de Staat\n\nRendementsverlies\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een te hoog bedrag beslag is\n\ngelegd, waardoor dit beslag (deels) onrechtmatig is.\n\nHet hof begrijpt het aangevoerde als een beroep op matiging als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, vierde volzin, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht echter niet aannemelijk dat sprake zou zijn van een deels onrechtmatig beslag. De omstandigheid dat het beslag tot een hoger bedrag beloopt dan het bedrag waarop een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitkomt, is daartoe onvoldoende. Het hof ziet in ieder geval geen termen voor matiging.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn\n\nDe redelijke termijn in ontnemingszaken vangt, zo blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578), aan op het moment dat de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk voordeel aanhangig wordt gemaakt. Uit voornoemd arrest volgt verder dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een ontnemingszaak met een eindvonnis dient te zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is gaan lopen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.\n\nBij een overschrijding van deze termijn dient het ontnemingsbedrag te worden verminderd.\n\nIn geval van overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder wordt een\n\nvermindering van vijf procent van het ontnemingsbedrag voorgeschreven. In geval van\n\noverschrijding van de redelijke termijn met zes tot twaalf maanden wordt een vermindering\n\nvan in beginsel tien procent van het ontnemingsbedrag voorgeschreven, met dien verstande\n\ndat de maximale vermindering in beginsel € 5.000,- zal bedragen. In geval van overschrijding van meer dan twaalf maanden mag worden gehandeld naar bevind van zaken.\n\nHet hof stelt vast dat redelijke termijn is aanvangen op het moment dat er conservatoir beslag is gelegd, te weten op 27 maart 2017. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren had de veroordeelde op 27 maart 2019 een eindvonnis in de ontnemingszaak mogen verwachten. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 21 februari 2022. Dit betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna drie jaar is overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen. Hoewel het hof bij de veroordeling van de rechtspersoon ook rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en doorgaans maar een keer met die overschrijding wordt rekening gehouden in geval van een ontnemingsvordering in samenhang met een strafrechtelijke veroordeling, ziet het hof in de bijzondere omstandigheden van deze zaken aanleiding om ook in de ontnemingsvordering rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nDaarom is naar het oordeel van het hof een vermindering van de betalingsverplichting met meer dan € 5.000,- op zijn plaats en zal de betalingsverplichting naar beneden worden bijgesteld met een bedrag van €31.209,-.\n\nConclusie\n\nOp grond van het voorgaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op een bedrag van € 290.000,-. (€ 321.209,- min € 31.209,-).\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nStelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 321.209,- (driehonderdeenentwintigduizend tweehonderdnegen euro).\n\nLegt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van€ 290.000,- (tweehonderdnegentigduizend euro).\n\nAldus gewezen door\n\nmr. J.A.W. Lensing, voorzitter,\n\nmr. W.M. Weerkamp en mr. R.G.J. Welbergen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,\n\nen op 7 februari 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 februari 2023.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. D. Visser, voorzitter,\n\nmr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,\n\nmr. G. Ladjevardi, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1188","2026-07-13T00:28:47.156Z",20]