[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-debt-restructuring-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":47,"limit":48},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},36,"debt-restructuring-nl","Debt Restructuring","NL","2026-07-08T16:53:25.925Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-09T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[],[22,32,40],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"297","ECLI:NL:GHARL:2026:4281","ecli-nl-gharl-2026-4281","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.368.921\n\nrekestnummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, [zaaknummer]\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [appellant] ( [appellant] )\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. J.A.M. Kuijlaars\n\n1. De procedure bij de rechtbank\n\nDe rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij vonnis van 7 mei 2026 het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (de wsnp) afgewezen.\n\n2. De procedure bij het hof\n\n2.1.. Bij op 13 mei 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. [appellant] verzoekt het hof het vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toelating tot de wsnp toe te wijzen.\n\n2.2.. Het hof heeft kennisgenomen van:\n\nhet tijdig ingediend beroepschrift met producties;\n\nde brief van 19 juni 2026 van mr. Kuijlaars met producties.\n\n2.3.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Hierbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Kuijlaars.\n\n3. De feiten, het oordeel van de rechtbank en het standpunt van [appellant]\n\nDe feiten\n\n3.1.. Als gevolg van psychische en lichamelijke klachten ontvangt [appellant] een (oude) Wajong-uitkering van het UWV. Zij heeft schulden laten ontstaan die in mei 2023 zijn opgelost door een (eerder, minnelijk) schuldsaneringstraject. In dat kader stond zij tot 1 september 2023 onder beschermingsbewind. In deze periode is [appellant] , met toestemming van het UWV en met behoud van haar Wajong-uitkering, gestart met de (online) opleiding tot fitnesstrainer A en voedingsdeskundige. Het UWV heeft met [appellant] afgesproken dat zij deze opleiding op haar eigen tempo kan volgen zonder dat zij hiernaast betaald werk hoeft te verrichten.\n\n3.2.. Niet alle schulden waren in het schuldsaneringstraject van mei 2023 in de schuldenlijst opgenomen, waardoor een aanzienlijke schuld (op dit moment de grootste) is blijven bestaan en [appellant] het overzicht over haar financiën kwijtraakte en nieuwe schulden zijn ontstaan. [appellant] heeft zich daarvoor bij de gemeentelijke schuldhulpverlening gemeld. [appellant] heeft geprobeerd om met haar schuldeisers een minnelijke schuldregeling overeen te komen, maar niet alle schuldeisers zijn akkoord gegaan. Volgens het overgelegde crediteurenoverzicht heeft [appellant] een totale schuldenlast van € 20.288,74 bij diverse schuldeisers. Aangezien [appellant] over onvoldoende middelen beschikt om haar schuldeisers te voldoen, heeft zij op 19 januari 2026 een verzoek om toelating tot de wsnp ingediend bij de rechtbank.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n3.3.. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle verplichtingen die horen bij de wsnp naar behoren zal nakomen. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat één van die verplichtingen de arbeids- en sollicitatieplicht is die meebrengt dat een schuldenaar fulltime beschikbaar moet zijn voor de arbeidsmarkt. Doordat [appellant] een voltijdopleiding volgt is zij naar verwachting voor een jaar niet beschikbaar voor betaalde arbeid en kan zij niet voldoen aan deze inspanningsverplichting. Het feit dat [appellant] door het UWV is ontheven van haar arbeidsverplichting betekent niet dat vooraf vaststaat dat zij van de arbeidsverplichting in de wsnp zal worden ontheven. Indien de schuldenaar niet in staat is om te werken, bestaat de inspanningsverplichting erin dat de schuldenaar zich dient in te spannen om weer arbeidsgeschikt te worden.\n\nHet standpunt van [appellant]\n\n3.4.. \n [appellant] kan zich niet verenigen met dit oordeel van de rechtbank. Zij is van mening dat zij wel aan haar inspanningsverplichting kan voldoen. Doordat haar opleiding een flexibele thuisopleiding is, betekent het volgen daarvan niet dat zij niet kan werken. Volgens de Recofa-richtlijnen is het toegestaan om een opleiding te volgen gedurende de wsnp en het is zeer waarschijnlijk dat [appellant] in de wsnp zal worden ontheven van de sollicitatieverplichting. Bovendien geldt voor haar Wajong-uitkering dat, om ervoor in aanmerking te komen, er nooit meer gewerkt kan worden vanwege een ziekte of handicap en er een re-integratieplicht bestaat die niet specifiek beschikbaarheid voor betaald werken impliceert. Door het volgen van een opleiding spant [appellant] zich maximaal in om haar arbeidsperspectief te verbeteren. Tot slot zou het verrichten van betaalde arbeid verrekend worden met haar Wajong-uitkering, waardoor betaalde arbeid niet leidt tot een hogere uitdeling aan de schuldeisers. Het gaat bij de inspanningsverplichting niet om het financiële resultaat, maar om de mate van inspanning, aldus [appellant] .\n\n4. Motivering van de beslissing in hoger beroep\n\nJuridisch kader\n\n4.1.. Een verzoek om toelating tot de wsnp wordt op grond van artikel 288 lid 1 Fw slechts toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk maakt dat de schuldenaar:\n\nniet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;\n\nten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest; en\n\nde uit de wsnp voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.\n\nNiet kunnen voortgaan met betalen\n\n4.2.. Volgens het overgelegde crediteurenoverzicht heeft [appellant] een totale schuldenlast van € 20.288,74 bij diverse schuldeisers. Zij ontvangt een Wajong-uitkering van ongeveer € 1.350 netto per maand. Naar het oordeel van het hof is het voldoende aannemelijk dat [appellant] met deze uitkering niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden.\n\nTe goeder trouw\n\n4.3.. Het hof stelt vast dat de grootste schuld van [appellant] (€ 9.576,94) is ontstaan op 1 januari 2015 en dus meer dan drie jaar voorafgaand aan de dag waarop [appellant] haar verzoekschrift tot toepassing van de wsnp heeft ingediend. Dit betekent dat het ontstaan van deze schuld niet in de weg staat aan toelating van [appellant] tot de wsnp. Bovendien heeft [appellant] voldoende toegelicht dat deze schuld in mei 2023 al gesaneerd zou zijn als die toen door de beschermingsbewindvoerder was meegenomen in dat schuldsaneringstraject. Daarnaast heeft [appellant] toegelicht dat zij door het feit dat deze schuld nog bestond en door het begin van haar opleiding veel stress heeft ervaren en het overzicht over haar financiële situatie heeft verloren. De overige schulden die binnen de driejaarstermijn zijn ontstaan zijn gelet op de beperkte omvang en de aard van deze schulden niet zodanig aan [appellant] te verwijten dat die aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan. [appellant] heeft hulp gezocht bij het oplossen van haar financiële situatie door zich te melden bij de gemeentelijke schuldhulpverlening en gebruik te maken van een budgetbeheerder en een budgetcoach. Deze hulp heeft ertoe geleid dat [appellant] sinds 30 juni 2025 heeft gespaard voor haar schuldeisers en dat de afgelopen zestien maanden geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Voor het inlopen van haar huurachterstand is een betaalplan gemaakt, dat [appellant] nakomt. De schuld aan haar zorgverzekeraar wordt betaald via beslag op haar Wajong-uitkering, waardoor die ook wordt ingelopen. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden.\n\nNakoming wsnp-verplichtingen\n\n4.4.. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] in staat zal zijn de uit de wsnp voorvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen en dat zij zich voldoende zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Ten aanzien van de inspanningsverplichting oordeelt het hof als volgt. [appellant] volgt momenteel een thuisopleiding. Deze opleiding mag er niet aan de in weg staan dat zij voldoet aan haar arbeids- en sollicitatieplicht. [appellant] heeft er in dat kader terecht op gewezen dat het volgen van deze opleiding geen nadelige gevolgen heeft voor haar Wajong-uitkering. Het UWV heeft haar opleiding bekostigd en [appellant] behoudt haar volledige uitkering gedurende de opleiding. Dat volgt ook uit het werkplan dat [appellant] heeft overgelegd en op de mondelinge behandeling bij het hof heeft toegelicht. Daarnaast heeft [appellant] toegelicht dat de (oude) Wajong-uitkering van [appellant] in beginsel een levenslange uitkering is waarbij het UWV geen mogelijkheden ziet voor betaalde arbeid. Het hof heeft op de mondelinge behandeling benadrukt dat het oordeel van het UWV dat zij geen arbeid kan verrichten niet per definitie wil zeggen dat zij een ontheffing krijgt van haar sollicitatieplicht in het kader van de wsnp. [appellant] heeft daarop verklaard bereid te zijn om gedurende de wsnp een nieuwe arbeidsgeschiktheidskeuring te ondergaan en te solliciteren, zolang de rechter-commissaris geen ontheffing verleent van de sollicitatieplicht.\n\n4.5.. Op de mondelinge behandeling heeft [appellant] op de vraag van het hof ook verklaard dat zij alle relevante informatie aan de bewindvoerder zal verstrekken. Zij heeft daarbij verklaard dat zij nu ook steeds alle relevante informatie aan de betrokken hulpverleners verstrekt en dat zij dit ook logisch vindt om te doen. Ook heeft zij toegelicht dat zij gebruik zal blijven maken van de budgetcoach om te voorkomen dat er nieuwe schulden ontstaan. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zal doen wat binnen haar vermogen ligt om aan haar verplichtingen uit de wsnp te voldoen.\n\nHet alternatieve aanvangsmoment\n\n4.6.. De termijn van de wsnp bedraagt anderhalf jaar (artikel 349a lid 1 Fw). Die termijn begint (a) op de dag van de uitspraak tot toepassing van de wsnp of (b) de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de minnelijke schuldregeling (het alternatieve aanvangsmoment). Het gaat bij het bepalen van het alternatieve aanvangsmoment om de dag waarop de eerste aflossing is gedaan tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening. Als ‘eerste aflossing’ is onder andere aan te merken een aflossing die ten goede is gekomen aan de gezamenlijke schuldeisers. Een aflossing aan één of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag kan ook als een eerste aflossing worden aangemerkt. Dat geldt ook voor een eerste bedrag dat wordt gespaard tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening.\n\n4.7.. Om in aanmerking te komen voor het alternatieve aanvangsmoment, moet de schuldenaar tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening hebben voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag, moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Als aan de geldende voorwaarden is voldaan moet de rechter het alternatieve aanvangsmoment ambtshalve toepassen, aldus de Hoge Raad.\n\n4.8.. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat [appellant] tussen 30 juni 2025 en 30 november 2025 op basis van het vrij te laten bedrag maximaal heeft gespaard voor haar schuldeisers. Op 30 januari 2026 kon [appellant] niet meer sparen voor de schuldeisers, omdat op die datum beslag gelegd is op haar Wajong-uitkering inzake haar schuld aan de zorgverzekeraar. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] verklaard dat de door haar ontvangen belastingteruggave ook volledig is gespaard. Het hof kan op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, vaststellen dat [appellant] vanaf 30 juni 2025 begon met sparen voor haar schuldeisers en dat zij vervolgens de aflossing heeft voortgezet via het beslag. Het hof is van oordeel dat [appellant] zich daarmee maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor haar schuldeisers te verwerven en dat [appellant] tijdens het minnelijk traject van schuldhulpverlening heeft voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien.\n\n4.9.. Het voorgaande brengt mee dat [appellant] zal worden toegelaten tot de wsnp. Het aanvangsmoment wordt vastgesteld op 30 juni 2025.\n\nConclusie\n\n4.10.. Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 mei 2026 en beslist als volgt:\n\n5.2.. verklaart de wsnp van toepassing ten aanzien van [appellant] , met 30 juni 2025 als aanvangsmoment;\n\n5.3.. verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, ter uitvoering van die regeling.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, G.P. Oosterhoff en J.G.B. Pikkemaat en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026.\n\n Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4281","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.225Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":39},"314","ECLI:NL:GHARL:2026:4028","ecli-nl-gharl-2026-4028","2026-06-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.355.784\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 11502484)\n\nbeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nZ&H Bewind B.V.(Z&H Bewind),\n\ndie is gevestigd in Harderwijk ,\n\nadvocaat: mr. L.H.S. de Baar,\n\ndie bewindvoerder was van\n\n [de rechthebbende](de rechthebbende),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nen de belanghebbende in hoger beroep,\n\nLicht Twee B.V.(Licht Twee),\n\ndie is gevestigd in Kampen,\n\ndie nu bewindvoerder is van de rechthebbende.\n\n1. Samenvatting\n\nDe kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen en Licht Twee tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 30 augustus 2018 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland een bewind ingesteld over alle goederen die de rechthebbende (zullen) toebehoren, vanwege verkwisting of het hebben van problematische schulden.\n\n2.2.. Op 12 augustus 2021 heeft de kantonrechter de grondslag van het bewind gewijzigd naar bewind als gevolg van de geestelijke of lichamelijke toestand.\n\n3. De procedure bij de kantonrechter\n\n3.1.. De kantonrechter heeft op 18 april 2025 Z&H Bewind ambtshalve ontslagen als bewindvoerder, met ingang van 1 mei 2025.\n\n3.2.. In die beschikking heeft de kantonrechter Licht Twee tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Daarnaast heeft de kantonrechter bepaald dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van Licht Twee door Z&H Bewind moet worden vergoed en dat Z&H Bewind geen beloning ontvangt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. Z&H Bewind is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Z&H Bewind wil dat het hof voor recht verklaart dat het ontslag van Z&H Bewind als bewindvoerder onterecht is. Verder wil zij dat het hof bepaalt dat:\n\n- de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van Licht Twee niet door de Z&H Bewind hoeft te worden vergoed, en\n\n- Z&H Bewind een beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording van € 300,08 inclusief btw.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.2.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ingekomen op 15 juli 2025;\n\neen brief namens Z&H Bewind van 5 september 2025;\n\neen bericht namens Z&H Bewind van 30 april 2026.\n\n4.3.. De zitting bij het hof was op 11 mei 2026. Een vertegenwoordiger van Z&H Bewind en haar advocaat waren daarbij aanwezig.\n\n4.4.. Tijdens de zitting heeft Z&H Bewind productie 18 (‘rapport inzake overeengekomen werkzaamheden 2024’ van de accountant) ingediend. Gelet op de inhoud van de productie wordt dit stuk aan het dossier toegevoegd.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat in de wet staat\n\n5.1.. De kantonrechter kan een bewindvoerder ontslaan vanwege gewichtige redenen (artikel 1:448 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).\n\nHet standpunt van Z&H Bewind\n\n5.2.. Z&H Bewind voert aan dat haar ontslag onterecht is. Het hoger beroep is door haar echter niet ingesteld om het ontslag terug te draaien, omdat zij het niet in het belang van de rechthebbende vindt als weer een wisseling van bewindvoerder plaatsvindt. Z&H Bewind wil echter wel dat het hof voor recht verklaart dat er geen gewichtige redenen zijn (geweest) voor haar ontslag als bewindvoerder. Zij betwist dat sprake was van disfunctioneren, zoals in de beschikking van de kantonrechter omschreven. Volgens Z&H Bewind heeft zij niet alles goed gedaan, maar is haar door de kantonrechter onvoldoende tijd gegeven om het functioneren van haar bedrijf te verbeteren. Z&H Bewind heeft op verzoek van de kantonrechter drie keer een plan van aanpak ingediend, met door te voeren verbeteringen. Deze plannen zijn vooraf besproken met de branchevereniging. Zij vond de plannen er goed uitzien. Volgens de kantonrechter waren de plannen niet voldoende, maar Z&H Bewind kreeg geen advies over de verbeteringen die zij moest doorvoeren. Verder voert Z&H Bewind aan dat de bewindvoering niet tot financiële schade bij cliënten heeft geleid. De rechthebbende had de wens om Z&H Bewind als bewindvoerder te houden. Dat gold ook voor andere rechthebbenden bij wie Z&H Bewind als bewindvoerder is ontslagen. Inmiddels heeft Z&H Bewind haar zaken op orde gekregen. Termijnen worden weer gehaald en de computersystemen zijn goed ingericht. Zij is nog steeds bewindvoerder voor twee rechthebbenden in Utrecht . Wel bestaat ook in die zaken het voornemen tot ambtshalve ontslag. De kantonrechter laat dat afhangen van de uitkomst van de onderhavige procedure. Volgens Z&H Bewind had de door de kantonrechter gemaakte belangenafweging anders moeten uitvallen en had zij de bewindvoering moeten kunnen voortzetten.\n\nHet oordeel van het hof\n\nDe gewichtige redenen voor ontslag\n\n5.3.. De kantonrechter heeft in januari 2023 geconstateerd dat in verschillende dossiers sprake was van achterstanden in het aanleveren van de jaarlijkse rekening en verantwoording en de vijfjaarlijkse evaluaties. In mei 2023 heeft hierover een gesprek met Z&H Bewind plaatsgevonden. Daarnaast heeft de kantonrechter een melding vanuit het Landelijk Kwaliteitsbureau (LKB) ontvangen. Z&H Bewind heeft op 26 januari 2024 het handhavingsverzoek over 2022 ingediend. Een professioneel bewindvoerder moet ieder jaar een handhavingsverzoek bij het LKB indienen, zodat kan worden gecontroleerd of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen. Na de inhoudelijke beoordeling van het handhavingsverzoek is Z&H Bewind op 30 januari 2024, 28 februari 2024, 14 maart 2024 en 5 juli 2024 verzocht om aanvullende informatie aan te leveren. Z&H Bewind heeft hier niet op gereageerd, waardoor het handhavingsverzoek over 2022 door het LKB is afgewezen.\n\n5.4.. Verder heeft de kantonrechter klachten ontvangen van een gemeente over een dossier van een rechthebbende, waarin Z&H Bewind bewindvoerder was. Z&H Bewind heeft herhaaldelijk de gevraagde documenten niet aangeleverd, waardoor de aanvraag kwijtschelding gemeentebelastingen over verschillende jaren is afgewezen, schulden zijn opgelopen en de PW-uitkering van de betreffende rechthebbende is opgeschort. Z&H Bewind kreeg de opdracht voor 4 oktober 2024 een plan van aanpak met verbeteringen in het bewindvoerderskantoor in te dienen, zodat kon worden voorkomen dat achterstanden ontstaan en dat niet op verzoeken van de kantonrechter wordt gereageerd. Het plan van aanpak van Z&H Bewind was onvoldoende concreet. In het plan van aanpak werd niet omschreven welke maatregelen worden genomen om direct te voorkomen dat er opnieuw achterstanden ontstaan. Z&H Bewind heeft vervolgens de kans gekregen om een verbeterd plan van aanpak aan te leveren, maar Z&H Bewind heeft dit pas na de afgesproken termijn aangeleverd.\n\n5.5.. Z&H Bewind heeft bovendien meermalen niet tijdig de jaarlijkse rekening en verantwoording ingediend. Daarnaast heeft zij niet gereageerd op verzoeken van het LKB om aanvullende informatie, die het LKB nodig had om het ingediende handhavingsverzoek over 2022 te beoordelen. Deze manier van handelen zorgt ervoor dat de kantonrechter en het LKB worden belemmerd in het uitoefenen van hun toezichthoudende taak. Z&H Bewind voert aan dat de kantonrechter niet in voldoende mate duidelijk heeft gemaakt welke verbeteringen van haar werden verwacht. Het hof gaat hier niet in mee. Hoewel het niet de taak is van de kantonrechter om Z&H Bewind uit te leggen hoe zij haar taken als bewindvoerder moet uitvoeren, heeft de kantonrechter wel voldoende duidelijk gemaakt wat van Z&H Bewind werd verwacht. De kantonrechter heeft in de brief van 11 november 2024 beschreven dat concrete maatregelen worden verwacht om te voorkomen dat opnieuw achterstanden ontstaan. In het plan van aanpak ontbraken ook concrete maatregelen om ervoor te zorgen dat op vragen en verzoeken van de kantonrechter tijdig wordt gereageerd of op tijd uitstel wordt gevraagd. Z&H Bewind heeft nagelaten om deze maatregelen te nemen en het verbeterde plan van aanpak op tijd aan te leveren.\n\n5.6.. Uit het dossier en ook tijdens de zitting bij het hof is het hof gebleken dat Z&H Bewind niet inziet dat haar wijze van handelen zodanig is dat de kantonrechter niet in staat is om adequaat toezicht te houden en te controleren of zij haar taken als bewindvoerder naar behoren uitvoert. Dit maakt dat Z&H Bewind niet geschikt is als bewindvoerder. Gelet op het voorgaande is het hof, net als de kantonrechter, van oordeel dat er gewichtige redenen zijn om Z&H Bewind als bewindvoerder te ontslaan. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter daarom op dit onderdeel bekrachtigen.\n\nDe vergoedingen voor de eindrekening en verantwoording en aanvangswerkzaamheden\n\n5.7.. De kantonrechter heeft bepaald dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording en dat zij de beloning voor aanvangswerkzaamheden van de opvolgend bewindvoerder aan de rechthebbende moet vergoeden. In de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap is niet opgenomen dat deze kosten voor rekening van een ambtshalve ontslagen bewindvoerder (zouden kunnen) komen. In recente uitspraken in zaken waarin een bewindvoerder ambtshalve is ontslagen, is bepaald dat de ontslagen bewindvoerder geen kosten in rekening mag brengen voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording.Het hof zal in diezelfde lijn beslissen en bepaalt dat Z&H Bewind geen beloning toekomt voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording. Op dat punt zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.\n\n5.8.. In die zaken is ook bepaald dat de opvolgend bewindvoerder de vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening mag brengen. Die kosten komen dan voor rekening van de betreffende rechthebbende, niet voor de ontslagen bewindvoerder. Het hof volgt de lijn in die uitspraken en bepaalt dat de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van Licht Twee niet door Z&H Bewind hoeft te worden vergoed. Op dit onderdeel zal het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 april 2025, voor zover het de beslissing betreft dat de beloning voor aanvangswerkzaamheden van Licht Twee door Z&H Bewind moet worden vergoed;\n\nbepaalt in plaats daarvan dat Licht Twee gerechtigd is om een éénmalige vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening te brengen conform artikel 3 lid 5 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;\n\nbekrachtigt de beschikking voor het overige;\n\nwijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.H. Lieber en\n\nR. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:1363, ECLI:NL:RBDHA:2025:5607 en ECLI:NL:GHDHA:2021:1545.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4028","2026-07-13T00:28:24.042Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":30,"updatedAt":46},"682","ECLI:NL:GHARL:2026:3739","ecli-nl-gharl-2026-3739","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.367.988\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 2604692\n\narrest van 9 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld\n\nhierna: [de schuldenaar]\n\nadvocaat: mr. E.R. Butin Bik\n\n1. De procedure bij de rechtbank\n\n1.1.. De Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg (het pensioenfonds) heeft een verzoek ingediend tot faillietverklaring van [de schuldenaar] . Hierop heeft [de schuldenaar] op 12 februari 2026 bij de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht een voorwaardelijk verzoek ingediend om ten aanzien van hem de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) uit te spreken. De faillissementsprocedure is geschorst totdat onherroepelijk is beslist op het schuldsaneringsverzoek.\n\n1.2.. Bij vonnis van 17 april 2026 heeft de rechtbank [de schuldenaar] niet-ontvankelijk verklaard in zijn (voorwaardelijke) verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp.\n\n2. De procedure bij het hof\n\n2.1.. Door middel van een op 27 april 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [de schuldenaar] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 april 2026. [de schuldenaar] wil met zijn hoger beroep bereiken dat zijn (voorwaardelijke) verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp alsnog wordt toegewezen. Het verzoek van [de schuldenaar] tot toelating tot de wsnp is voorwaardelijk, namelijk op voorwaarde dat is komen vast te staan dat zijn poging om een minnelijke schuldregeling tot stand te brengen niet is geslaagd.\n\n2.2.. Het hof heeft naast het beroepschrift met producties kennisgenomen van de tijdens de mondelinge behandeling bij het hof overgelegde brief van 24 april 2026 aan de belastingdienst.\n\n2.3.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Hierbij is [de schuldenaar] verschenen, bijgestaan door mr. Butin Bik .\n\n3. De motivering van de beslissing in hoger beroep\n\nDe feiten\n\n3.1.. \n [de schuldenaar] heeft in de vorm van een eenmanszaak een transportbedrijf onder de naam [naam1] . Vanuit deze eenmanszaak verzorgt [de schuldenaar] als zzp-er transportopdrachten voor diverse bedrijven. Naast zijn werkzaamheden als zzp-er is [de schuldenaar] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gedurende 32 uur per week werkzaam als nachtplanner. [de vof] , waarvan [de schuldenaar] vennoot was, is niet meer actief en de onderneming is uitgeschreven bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.\n\n3.2.. \n [de schuldenaar] heeft een aanzienlijke schuldenlast. Hiervoor heeft hij in augustus 2025 de hulp ingeschakeld van Advocatenkantoor Moerdijk als schuldbemiddelaar. Mr. Butin Bik is als advocaat verbonden aan dit kantoor. In een poging om een minnelijke schuldsaneringsregeling tot stand te brengen heeft [de schuldenaar] op 22 januari 2026, via zijn schuldbemiddelaar, een betalingsvoorstel gedaan aan de bij hem bekende schuldeisers waaronder het pensioenfonds en de belastingdienst.\n\n3.3.. In haar reactie op het betalingsvoorstel heeft het pensioenfonds, naar [de schuldenaar] heeft verklaard, op 28 januari 2026 aan de schuldbemiddelaar laten weten in plaats van het in het betalingsvoorstel opgenomen percentage van 13,21%, een bedrag gelijk aan een percentage van 20% van haar vordering te willen ontvangen.\n\n3.4.. Kort daarvoor had het pensioenfonds een verzoekschrift tot faillietverklaring van [de schuldenaar] ingediend. Vervolgens heeft [de schuldenaar] op 12 februari 2026 zijn (voorwaardelijke) verzoek om toelating tot de wsnp gedaan.\n\n3.5.. Op 17 februari 2026 heeft de rechtbank [de schuldenaar] in de gelegenheid gesteld om in verband met zijn (voorwaardelijke) toelatingsverzoek nadere stukken aan te leveren. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 30 maart 2026, heeft (de raadsman van) [de schuldenaar] om uitstel gevraagd om een minnelijke regeling met zijn schuldeisers te kunnen bereiken. In reactie hierop heeft de rechtbank [de schuldenaar] en zijn raadsman erop gewezen dat het verzoek om toelating tot de wsnp moest worden aangevuld met de noodzakelijke stukken. Op 13 april 2026 heeft (de raadsman van) [de schuldenaar] opnieuw een verzoek ingediend om de behandeling van zijn toelatingsverzoek uit te stellen.\n\n3.6.. De belastingdienst heeft in reactie op het betalingsvoorstel van [de schuldenaar] met zijn brief van 3 april 2026 om aanvullende informatie verzocht. Met zijn brief van 24 april 2026 heeft (de schuldbemiddelaar van) [de schuldenaar] deze nadere gegevens aan de belastingdienst verstrekt. Op 29 mei 2026 heeft de belastingdienst aan de schuldbemiddelaar laten weten nog zo’n zes tot acht weken nodig te hebben om op het betalingsvoorstel te kunnen reageren.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n3.7.. De rechtbank heeft [de schuldenaar] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp omdat [de schuldenaar] , ondanks dat de rechtbank hem meerdere keren heeft gevraagd de ontbrekende stukken aan te vullen, geen compleet toelatingsverzoek heeft ingediend. Daar komt bij dat het naar het oordeel van de rechtbank niet past bij het karakter van de faillissementsprocedure en het in verband daarmee ingediende verzoek tot toepassing van de wsnp om de termijn die is bestemd voor het indienen van nadere stukken ten behoeve van de behandeling van het wsnp-verzoek te gebruiken om een minnelijke regeling te treffen, en met het oog op zo’n regeling, nogmaals nader uitstel te vragen.\n\nDe grieven van [de schuldenaar]\n\n3.8.. \n [de schuldenaar] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. Gelet op het feit dat hij op 26 maart en 13 april 2026 aanvullende stukken heeft ingediend, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de ontbrekende stukken waar zij [de schuldenaar] om heeft gevraagd niet zijn ontvangen. Daar komt bij dat de rechtbank het verzoek ook zonder de ontbrekende stukken had kunnen beoordelen althans dat zij had moeten aangeven welke bijlagen essentieel waren om het verzoek inhoudelijk te kunnen beoordelen, aldus [de schuldenaar] . Volgens [de schuldenaar] was zijn aanhoudingsverzoek gerechtvaardigd omdat het minnelijk traject nog niet was afgerond. Bovendien heeft de rechtbank nagelaten te omschrijven wat met ‘het karakter van de faillissementsprocedure’ wordt bedoeld en heeft zij dit karakter miskent door toe te staan dat het pensioenfonds de faillissementsaanvraag als oneigenlijk pressiemiddel en \u002Fof incassomiddel heeft gebruikt, aldus [de schuldenaar] . Ook voert [de schuldenaar] aan dat rechtbank het voorwaardelijke karakter van het toelatingsverzoek ten onrechte niet in acht heeft genomen door dit niet pas te behandelen nadat het minnelijk traject is afgerond.\n\nHet oordeel van het hof\n\n3.9.. Het hof zal de beslissing van de rechtbank om [de schuldenaar] niet-ontvankelijk te verklaren bekrachtigen en licht hierna toe hoe het tot dat oordeel komt.\n\n3.10.. Het hof stelt vast dat het toelatingsverzoek van [de schuldenaar] ook in hoger beroep nog niet compleet is doordat [de schuldenaar] niet alle informatie heeft verstrekt die is voorgeschreven in artikel 285 lid 1 Faillissementswet (Fw). Zo ontbreken in elk geval een gespecificeerde opgave van de inkomsten van [de schuldenaar] als zzp-er (artikel 285 lid 1 onder c Fw) en een gespecificeerde opgave van zijn vaste lasten (artikel 285 lid 1 onder d Fw). Overigens ontbreken ook zijn bankafschriften van de laatste drie maanden en de financiële informatie over de onderneming(en) van [de schuldenaar] in het licht van artikel 285 lid 1 onder i Fw.\n\n3.11.. Onder de ontbrekende gegevens valt ook een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen zoals opgenomen in artikel 285 lid 1 onder f Fw. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [de schuldenaar] toegelicht dat hij zo’n groot mogelijk deel van zijn schulden wil aflossen. Om die reden wil hij een minnelijke regeling treffen waarbij zijn schuldeisers een groter deel van hun vordering vergoed krijgen dan zij bij toelating van [de schuldenaar] tot de wsnp zullen ontvangen, doordat hij langer dan 18 maanden zal sparen en aflossen. Zo’n minnelijke regeling zal gelet op de mededeling van de belastingdienst van 29 mei 2026 nog tenminste zes weken op zich laten wachten. Voor die tijd kan hij geen verklaring zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 onder f Fw overleggen, aldus [de schuldenaar] .\n\n3.12.. \n [de schuldenaar] heeft verklaard dat hij met deze procedure wil bereiken dat hij voldoende tijd krijgt om een minnelijke regeling tot stand te brengen. Dat is de reden waarom hij om aanhouding van zijn wsnp-verzoek heeft gevraagd zodat hierop pas wordt beslist als duidelijk is dat er geen minnelijke regeling kan worden gerealiseerd.\n\n3.13.. Het hof ziet en begrijpt de goede intentie van [de schuldenaar] om zoveel mogelijk te willen aflossen. De oplossing die [de schuldenaar] voorstaat past echter niet in het systeem van de Faillissementswet. De behandeling van een faillissementsaanvraag, die met de meeste spoed moet plaatsvinden, wordt geschorst totdat (onherroepelijk) is beslist op een door de schuldenaar (tijdig) gedaan verzoek om toelating tot de wsnp (artikelen 3 en 3a Fw). Daarbij is het de verantwoordelijkheid van de schuldenaar om zijn verzoek te voorzien van de informatie vermeld in artikel 285 lid 1 Fw. Verstrekt de schuldenaar in (de bijlagen bij) zijn verzoekschrift niet al deze gegevens dan kan de rechter hem een termijn van ten hoogste een maand bieden om zijn verzoekschrift aan te vullen. Is het verzoek ook daarna niet compleet, dan wordt de schuldenaar niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om toelating tot de wsnp (artikel 287 lid 2 Fw). De wet voorziet niet in de mogelijkheid om de schuldenaar na het indienen van zijn wsnp-verzoek een termijn te gunnen voor het beproeven van een minnelijke regeling. Dit betekent dat wat [de schuldenaar] wil bereiken, te weten het aanhouden van de toelatingsprocedure, en daarmee dus ook de faillissementsprocedure, voor de periode die nodig is om duidelijkheid te verkrijgen over de haalbaarheid van de minnelijke regeling, niet kan worden bereikt in deze procedure.\n\n3.14.. Ook het bezwaar dat [de schuldenaar] aanvoert tegen het gebruik (en handhaving) van de faillissementsaanvraag door het pensioenfonds als middel om in de betalingsregeling een hoger percentage van haar vordering vergoed te krijgen, leidt niet tot een ander oordeel. Dit argument van misbruik van recht hoort thuis in de faillissementsprocedure waarin, anders dan in deze wsnp-procedure, ook het pensioenfonds de gelegenheid heeft op het verwijt van [de schuldenaar] te reageren.\n\n3.15.. Uit het voorgaande blijkt, en [de schuldenaar] erkent dat ook, dat [de schuldenaar] tot op heden niet alle gegevens zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 Fw heeft verstrekt. [de schuldenaar] is daarom niet-ontvankelijk in zijn wsnp-verzoek. Een nadere motivering met betrekking tot de ontbrekende informatie is daarvoor, anders dan [de schuldenaar] aanvoert, niet vereist.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof, recht doende in hoger beroep:\n\nbekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 april 2026.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. N.M. Brouwer, G.P. Oosterhoff en M.P.M. Hennekens en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3739","2026-07-13T00:28:43.035Z",1,20]