[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-drug-offences-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":70},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},110,"drug-offences-nl","Drug Offences","NL","2026-07-08T16:56:56.630Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2023-12-29T00:00:00.000Z","2026-06-29T00:00:00.000Z",[21,26,29],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122481","Algemene wet bestuursrecht","art. 5:15",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122482","art. 5:13",{"provisionId":30,"code":31,"article":32,"count":25},"121812","Wetboek van Strafvordering","art. 279",[34,45,54,62],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":44},"281","ECLI:NL:RBGEL:2026:5354","ecli-nl-rbgel-2026-5354","","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummers: 05-276671-24, 05-344017-24, 05-344649-24 (gev. ttz)\n\nDatum uitspraak : 29 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsvrouw: mr. J. Leyten, advocaat in Amsterdam-Duivendrecht.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting op\n\n8 juni 2026.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nonder parketnummer 05-276671-24:\n\n1. hij in of omstreeks de periode 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 231,02 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\nhet opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\nhet opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\nhet opzettelijk vervaardigen\n\nvan cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\neen ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\nzich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen\n\nvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n231,02 gram, althans een (grote) hoeveelheid, cocaïne,\n\neen telefoon, waarop gesprekken en notities zijn aangetroffen waaruit blijkt dat er sprake is van handel in drugs en\u002Fof\n\neen autosleutel, behorende tot een auto waarin een grote hoeveelheid cocaïne lag opgeslagen,\n\nvoorhanden te hebben;\n\nonder parketnummer 05-344017-24:\n\n1. hij op of omstreeks 2 juli 2024 te Zevenaar opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n 2. hij op of omstreeks 2 juli 2024 te Zevenaar een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en\u002Fof dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een BB gun, airsoft- en\u002Fof luchtdrukwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, te weten een pistool van het merk Glock en\u002Fof Walther, voorhanden heeft gehad;\n\nen onder parketnummer 05-344649-24:hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Duiven opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3,41 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nTen aanzien van parketnummer 05-276671-24:\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder feit 2 en onder feit 1 voor zover dat ziet op het aanwezig hebben. Verdachte moet partieel worden vrijgesproken van de andere varianten die onder feit 1 genoemd zijn.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging stelt zich primair op het standpunt dat er sprake is van vormverzuimen ex artikel 359a Sv, waardoor al het bewijs dient te worden uitgesloten. Daarmee ontbreekt vervolgens voldoende wettig en overtuigend bewijs waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder zowel feit 1 als feit 2. Subsidiair voert de verdediging aan dat verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden vrijgesproken van het ‘dealen’ in de ten laste gelegde periode. Ten aanzien van het aanwezig hebben van de harddrugs uit de Audi is eveneens sprake van een vormverzuim ten aanzien van de doorzoeking van de Audi.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBewijsuitsluitingsverweer\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit dat er sprake is van vormverzuimen ex artikel 359a Sv, waardoor al het bewijs dient te worden uitgesloten. Ten aanzien van de vordering gericht tot verdachte en strekkende tot uitlevering van alle verdovende middelen is niet geverbaliseerd waaruit een redelijke verdenking of redelijk vermoeden is ontstaan en bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot inbeslagneming is eveneens niet geverbaliseerd waaruit blijkt dat verdachte kon worden aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit, zoals strafbaar gesteld in de Opiumwet. Deze vormverzuimen kunnen volgens de verdediging enkel leiden tot bewijsuitsluiting.\n\nDe officier van justitie heeft aangevoerd dat zowel de vordering tot uitlevering als de inbeslagneming op 28 augustus 2024, gelet op alle bevindingen van de politie, rechtmatig zijn geweest. De officier van justitie stelt zich dan ook op het standpunt dat het verweer van de verdediging moet worden verworpen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de vordering gericht tot verdachte tot uitlevering van verdovende middelen rechtmatig was. Daarvoor moet ingevolge artikel 9 van de Opiumwet worden beoordeeld of de verbalisanten redelijkerwijs het vermoeden konden hebben dat verdachte – kort gezegd – in het bezit was van verdovende middelen. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] beschrijven in hun proces-verbaal van bevindingen dat zij verdachte kennen als een jongere waar zij zich zorgen om maken en die vaak in verband wordt gebracht met verdovende middelen. [verbalisant 2] had hem onlangs zelf nog aangehouden voor het bezit hiervan. Verbalisanten keerden hun voertuig en positioneerden het dienstvoertuig achter het betrokken voertuig. Zij zagen dat er vanaf de achterbank iemand uitstapte en wegliep. Verbalisant [verbalisant 2] besloot deze man staande te houden. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat de bestuurder van het voertuig verder reed en gaf hem een stopteken. [verbalisant 1] stelde de identiteit van verdachte vast, waarna [verbalisant 2] aansloot bij de controle. Verdachte verklaarde dat hij vermoedde dat ze een speekseltest bij hem zouden gaan afnemen. Verbalisanten gaven aan dat zij vooral benieuwd waren of hij in het bezit was van verdovende middelen. Verdachte zei dat hij niet in het bezit was van verdovende middelen en zei dat ze de hele auto mochten doorzoeken. Hij gaf aan dat alle kappen van het voertuig toch al los zaten, dus dat ze overal mochten kijken. Verdachte stapte vervolgens uit, zonder dat dit van hem werd gevraagd. Toen verdachte uitstapte zagen verbalisanten meteen ter hoogte van zijn geslachtsdeel een duidelijk onnatuurlijke verdikking. Zij hebben verdachte toen hiermee geconfronteerd.\n\nDe rechtbank acht al deze omstandigheden in hun onderlinge verband en samenhang bezien voldoende voor de verbalisanten om redelijkerwijs tot het vermoeden te hebben kunnen komen dat er verdovende middelen bij verdachte aanwezig waren. De vordering tot uitlevering door verbalisanten was daarmee rechtmatig.\n\nNadat de verbalisanten de uitlevering van alle verdovende middelen aanwezig in het voertuig en op hem hadden gevorderd stopte verdachte snel zijn handen in zijn zakken, pakte de verdikking vast en bewoog deze rond in zijn ondergoed en hij riep dat hij niets in zijn ondergoed had. Verbalisanten vorderden nogmaals de uitlevering en legden hem, afzonderlijk van elkaar, uit dat hij een extra strafbaar feit zou plegen op het moment dat hij niet zou voldoen aan een bevel tot uitlevering. Ze zagen dat verdachte zijn handen voor zijn ogen sloeg en riep dat ze hem niet moesten aanraken. Vervolgens zei hij dat hij verdovende middelen in zijn auto had. Hiermee waren er voldoende redenen om tot fouillering over te gaan. Verdachte is vervolgens aan een opiumfouillering onderworpen en er zijn verdovende middelen aangetroffen.\n\nOnderweg naar het politiebureau gaf verdachte aan dat hij nog een Audi-autosleutel in zijn bezit had en dat het belangrijk was dat deze Audi-sleutel in zijn eigen voertuig zou achterblijven. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] maakten een ronde door de wijk met de Audi-sleutel om te zien of de voertuigen die zij passeerden open gingen. Verbalisant [verbalisant 2] kent verdachte vanuit zijn rol als jeugdagent en heeft diens voertuig op 15 augustus 2024 achter de woning van [naam] en [naam] zien staan. Hij weet dat zij in het bezit zijn van een rode Audi. Verbalisanten zijn hierop in de omgeving van de woning van [naam] en [naam] gaan kijken. Op [adres] in Arnhem troffen zij de rode Audi A3 aan, waarvan de knipperlichten begonnen te knipperen en de auto ontgrendelde bij gebruik van de Audi-autosleutel. Hieruit maakten de verbalisanten op dat de sleutel bij deze Audi behoorde. De auto stond op ongeveer 100 meter van de woning van [naam] en [naam] geparkeerd. Verbalisanten herkenden het kenteken van de Audi en weten dat deze gebruikt wordt door [naam] en [naam] . Zij hebben hen meermaals in dit voertuig gecontroleerd. In het politiesysteem bevond zich een mutatie dat in 2023 een gebruiker van dit voertuig voor drugsbezit is aangehouden. Bovendien stond er een mutatie dat een jeugdige tegenover een jeugdagent beide [naam] had genoemd als personen die jeugdigen ronselen voor drugshandel. Verbalisanten hadden het sterke vermoeden dat er mogelijk verboden voorwerpen in de Audi zouden liggen. Het voertuig is vervolgens doorzocht.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank levert dit, mede gelet op al de eerder beschreven omstandigheden die hiermee in samenhang moeten worden bezien, voldoende verdenking op dat er verdovende middelen in de auto aanwezig waren, een verdenking dus van aan misdrijf als omschreven in artikel 67 eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De op artikel 96b Sv gegronde doorzoeking was daarmee eveneens rechtmatig.\n\nHet voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De onderzoeksresultaten op basis van de bij verdachte en in de auto aangetroffen goederen kunnen dan ook worden gebruikt voor het bewijs.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe rechtbank overweegt dat niet ter discussie staat dat verdachte in de periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 in Arnhem 231,02 gram cocaïne heeft vervoerd.Op meerdere in de rode Audi aangetroffen goederen zat het DNA van verdachte, waaronder op de gripzakjes.\n\nVerdachte reed op 28 augustus 2024 op de Laan van Presikhaaf in een blauwe Citroën C1, voorzien van kenteken [kenteken] . Verbalisanten zagen dat er vanaf de achterbank iemand uitstapte en wegliep en dat het voertuig weer verder reed. Verbalisant [verbalisant 1] gaf verdachte een stopteken en verdachte voldeed hieraan. Toen verdachte de auto uitstapte zagen verbalisanten ter hoogte van zijn geslachtsdeel een duidelijk onnatuurlijke verdikking. Verdachte werd onderworpen aan een fouillering en de verdikking bleek een sok met daarin meerdere zakjes met wit poeder en een aantal ponypacks te zijn. Bij verdachte zijn uiteindelijk 9 gripzakjes met wit poeder, 19 ponypacks en 1 Apple telefoon in beslag genomen.\n\nTijdens de rit naar het politiebureau gaf verdachte een nieuw lijkende Audiautosleutel aan verbalisant met de vraag of hij die sleutel in de auto van verdachte zou willen leggen. Verdachte gaf aan dat het de sleutel was van een auto met een Spaans kenteken.\n\nVerbalisanten zijn vervolgens op zoek gegaan naar die Audi en troffen in de buurt van de woning van [naam] en [naam] een rode Audi aan die open ging met de Audi-sleutel die verdachte bij zich had. Verbalisanten herkenden onmiddellijk het kenteken van de Audi, zij hadden het voertuig al meermaals gecontroleerd en in het politiesysteem staan meerdere mutaties dat het voertuig vermoedelijk bij [naam] en [naam] in gebruik is. Het voertuig is doorzocht en in de kofferbak is een grote bigshopper van de Action aangetroffen met daarin een kartonnen doos met wat gripzakjes. In deze doos lagen dezelfde soort wikkels als die verbalisanten bij verdachte hebben aangetroffen.\n\nDe Audi staat op naam van [getuige 1] , maar zij heeft de Audi nooit in haar bezit gehad. Iemand anders heeft de Audi op 16 september 2023 opgehaald bij het autobedrijf. Op dat moment zat getuige [getuige 1] gedetineerd in België, samen met verdachte.\n\nDe telefoon die onder verdachte in beslag is genomen is uitgelezen, er is enkel gezocht in de telefoon in de periode 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024. De naam ‘ [verdachte] ’ is gekoppeld aan het Instagram account op de telefoon. Op Snapchat wordt gebruik gemaakt van het account ‘ [account - naam] ’ (= owner). Er zijn chats gevoerd met meerdere personen, de verbalisant heeft de chats samengevat.\n\n [account - naam] = verdachte [verdachte]\n\nUit een chat blijkt dat op 26 augustus 2024 \" [account - naam] \" een video verstuurt.\n\nOp de zogenoemde selfie video is een persoon te zien welke door de verbalisant wordt herkend als verdachte [verdachte] .\n\n [account] - [contact] = [naam] , geboren [geboortedag] -1995\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 tussen owner en \" [account] \"\n\ndie als contact \" [contact] ” met telefoonnummer + [telefoonnummer] is ingevoerd blijkt dat\n\nowner vraagt aan [contact] \"Je rijd vandaag toch\". Dit wordt bevestigd door [naam] en\n\nowner vraagt haar of zij 1 SOS wil pakken van daar. Ook dit wordt bevestigd door\n\n [naam] . Uit de chat blijkt dat [naam] aan owner vraagt of er al klanten zijn en zij\n\nvervolgens wordt aangestuurd door owner en op locaties drugs aflevert.\n\nOok blijkt uit de chat dat owner zelf ook rondrijdt.\n\nUit de politiesystemen blijkt vervolgens dat het nummer + [telefoonnummer] in gebruik is bij [naam]\n\n geboren [geboortedag] -1995.\n\n [account] - [contact]\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 tussen owner en \" [account] \" die\n\nals contact \" [contact] \" is ingevoerd blijkt dat [contact] van owner wil weten wat\n\neen driver betaald krijgt. Owner geeft aan dat maandag tot en met donderdag en zondag er 150 betaald wordt en vrijdag en zaterdag 250. Ook geeft owner aan dat als ze boven\n\n2500 komen er dan 50 euro extra wordt betaald. Ook blijkt uit de chat dat ze een\n\ndriver zoeken en ze \" [naam] \" willen regelen als driver. Owner vraagt vervolgens aan\n\n [contact] of hij een (l) SOS voor hem wil meenemen en brengen naar [adres] in\n\nZevenaar. [contact] geeft aan dat hij haar dan even moet appen en zij hem gaat\n\nvoegen via Snap. Deze chat wordt gevoerd om 11:53 uur. Uit de chat met [contact] en\n\nowner blijkt dat hun chat om 11:53 uur start en owner vraagt of zij een(l) SOS kan\n\npakken. Ook blijkt uit de chat dat [naam] net in Zevenaar is geweest. Hieruit kan\n\nblijken dat met \" [naam] \" [naam] wordt bedoeld.\n\n [account] - [contact] en [account] - [contact] en [account] - [contact]\n\nUit de groepschat die gevoerd wordt op 25 augustus 2024 blijkt dat owner aangeeft\n\n100 nodig te hebben. [contact] geeft aan dat hij 200 heeft, maar owner wil 100 want hij heeft\n\nnog een beetje. [contact] wil weten hoe laat er een driver komt en owner geeft aan dat de\n\ndriver eraan komt en met en blauwe Citroen Cl is. Uit de chat blijkt dat er 100 is\n\nafgegeven door [contact] aan de driver die owner heeft gestuurd.\n\nOok blijkt uit de chat dat [contact] aan owner aangeeft dat ze nieuwe afspraken\n\nhebben en owner elke week 200g miauw van hun krijgt en wanneer owner weer nieuwe 200\n\nvan hun pakt hij de oude betaalt. Owner gaat akkoord en [contact] geeft aan dat\n\nowner dus vandaag eigenlijk 200g miauw wat al open stond moest betalen en weer nieuwe\n\n200 moet pakken. [contact] komt tussendoor en geeft aan \"geen stress want hij (verwijst\n\nvermoedelijk naar owner)wist dit niet\". Owner wil nog weten wat de kosten van de\n\noude zijn en [contact] geeft aan \"460 min 115\". Er moet dus nog 345 betaald worden want\n\n115 was al betaald aan [contact] . Owner gaat akkoord met 345 en [contact] zegt dan\n\nnog \"Dus zorg dat je 345 van miauw geld aan de kant zet vandaag\". Owner gaat wederom\n\nakkoord en [contact] geeft nog aan dat hij het naar hem ( [contact] ) moet brengen\n\nzodra hij het heeft. Owner geeft aan dat het geregeld wordt. [contact] zegt nog tegen\n\nowner dat hij moet appen als hij het op kan komen halen of brengen naar [naam] kan ook.\n\nUit de politiesystemen, 2024312299-1 blijkt dat met [naam] vermoedelijk wordt bedoeld\n\n [naam] , geboren [geboortedag] -2002.\n\n [account] - [contact]\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 blijkt dat [contact] de poes gewoon\n\nvoortaan met owner regelt. Ze spreken af dat ze telkens voor 2 ons gaan. Owner gaat\n\nakkoord maar wil wel dat het in 2 delen gaat, ene dag een ons en dan andere dag weer\n\neen ons. Owner wil vervolgens weten wat er nog open staat en [contact] geeft aan dat er\n\nnog twee ons open staat. Owner wil weten wat de kosten zijn en [contact] geeft aan dat\n\nhij [naam] gaat appen en vervolgens stuurt [contact] een screenshot van een notitie. De\n\nnotitie luidt \" [naam] 460 poes 115 betaald .230\".\n\nHieruit zou ook kunnen blijken dat met \" [naam] \" [naam] wordt bedoeld. Ook blijkt duidelijk dat het gaat om de handel in harddrugs aangezien er wederom wordt gesproken over \"poes\", hoeveelheden en kosten.\n\nDe naam die gekoppeld is aan het WhatsApp account op de telefoon betreft \" [naam]\n\n \"(=owner).\n\n [contact] ( [telefoonnummer] ) en [contact] ( [telefoonnummer] ) = [naam] , geboren [geboortedag] -2004\n\nUit de groepschat blijkt dat \" [contact] \" [naam] is. \" [contact] ” stuurt op 14 augustus 2024 een\n\nscreenshot waarop de naam [naam] en het telefoonnummer [telefoonnummer] vermeld staan. Het gaat om een bestelling bij iWok & Co.\n\nUit de politiesystemen blijkt ook dat het telefoonnummer [telefoonnummer] gekoppeld is aan\n\n [naam] , geboren [geboortedag] -2004.\n\nUit de chat tussen [contact] , [contact] en owner blijkt dat er ook sprake is van handel in\n\nharddrugs. Owner geeft op 15 augustus 2024 aan dat hij 18 poes heeft gemaakt, [contact] vraagt\n\n\"en sos\". Owner geeft aan dat hij moet vouwen, [contact] vraagt ook nog \"hvl sos is er\n\ngemaakt\", waarop owner aangeeft zo even te gaan tellen. Later geeft owner aan dat hij\n\n166 gemaakt heeft. Hieruit kan blijken dat owner 166 zogenoemde ponypacks met cocaïne heeft gemaakt.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 tussen owner en [contact]\n\nblijkt dat het ook gaat om handel in harddrugs. [contact] stuurt een bericht door\n\naan owner van een klant die vraagt \"3 kl [adres] (ken je me keertje matsen\n\nvoor 50?)\". [contact] geeft aan \"Mats maar voor 50\" waarop owner aangeeft \"Eerst\n\nHilversum dan\". Vervolgens gaat het erom dat owner aangeeft dat zij (verwijst\n\nvermoedelijk naar [naam] ) eigenlijk driver is, maar hijzelf ook kan rijden maar\n\neigenlijk spullen moet maken. [contact] vraagt zich af waarom owner spullen moet\n\nmaken omdat er nog 50 plus is. Owner geeft aan dat hij vooruit wil werken.\n\nDe chat eindigt met dat [contact] vraagt hoeveel sos owner haar (vermoedelijk\n\nwederom [naam] ) zo gaat geven. Owner geeft aan \"20 SOS en 10 poes\". Dit stuurt\n\nowner om 12:52 uur.\n\nGezien het feit dat verdachte kort na dit laatste bericht wordt aangehouden met\n\nrespectievelijk 9 gripzakjes en 19 ponypacks op zak lijkt het wederom bevestigd te\n\nworden dat verdachte [verdachte] daadwerkelijk de gebruiker van de telefoon is.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] ) = mogelijk [naam] , geboren [geboortedag] -2003\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 26 en 27 augustus 2024 tussen owner en [contact] blijkt\n\ndat [contact] wordt aangestuurd door owner om drugs rond te rijden. Uit de chat blijkt dat\n\ner adressen en hoeveelheden drugs worden doorgegeven door owner en door [contact] wordt\n\ndaadwerkelijk bevestigd dat hij de drugs heeft geleverd. [contact] geeft aan dat hij meer\n\nwil verdienen omdat hij het voor het risico niet waard vindt.\n\nUit de politiesystemen blijkt het nummer [telefoonnummer] in gebruik te zijn bij [naam]\n\n , geboren [geboortedag] -2003.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt tussen 28 juli 2024 en 1 augustus 2024 tussen owner\n\nen [contact] blijkt dat [contact] wil weten hoeveel owner nu heeft. Owner geeft\n\naan \"82 packies heb ik zelf, Piraat heeft en driver heeft\". [contact] vraagt dan\n\n\"alles ligt in auto toch\". Dit wordt bevestigd door owner. Vervolgens stuurt owner\n\nnog \"Alle tellies liggen in jou KAMER met ALLEmaal GELUID UIT dus zet ze ook AAN\n\naub??\". Vervolgens vraagt [contact] nog \"Van wie is die oranje pringeld van beneden\n\nen waar is de rest van t geld hoeveel tikkie heb je\". Owner geeft aan nog wat cash\n\nbij zich te hebben en geeft aan dat er nog 850 onder het matras ligt. [contact] wil\n\nweten hoeveel tikkies want hij denkt dat het sowieso heel veel fikkies moeten zijn.\n\nOwner stuurt vervolgens een lijst met 29 leveringen\u002Fbetalingen door. Ook geeft owner\n\ndoor dat hij \"225 tikkie\" heeft en Piraat \"175\". Ook geeft owner aan \"275\" cash te\n\nhebben.\n\nUit de chat blijkt ook dat [contact] instructie geeft aan owner hoe hij de telling\n\nmoet doen. Owner heeft namelijk niet helemaal scherp hoeveel de drivers hebben\n\nverdiend en hoeveel zij nog aan drugs in voorraad hebben.\n\nOwner stuurt nog een afbeelding door. Dit gaat om een betaling van 60 euro op\n\nrekening van [verdachte] , [rekeningnummer] .\n\nOok hieruit kan afgeleid worden, dat de telefoon in gebruik is bij verdachte [verdachte] .\n\nVerder blijkt uit de chat op 29 juli 2024 dat [contact] wil weten of het druk is.\n\nOwner geeft aan dat ze van klant naar klant gaan en ze echt een goede dag hebben en\n\nklanten vinden dat ze echt top spul hebben. Owner vraagt zich af of hij ( [contact] )\n\niets veranderd heeft. [contact] wil weten hoeveel het gisteren was. Owner geeft aan\n\n\"1185\". [contact] vraagt aan owner of hij alle lijsten nog heeft in zijn notities.\n\nOok geeft [contact] aan dat als het thuisbezorgd is owner er een ( [contact] ) achter moet\n\nzetten.\n\nUit de chat blijkt ook dat er wordt aangegeven door [contact] dat owner in\n\ntwee dagen zo'n 3500 gedraaid heeft. Owner geeft aan dat het iets meer was, maar met\n\nonkosten ongeveer 3,5. [contact] zegt hierop \"Terwijl uit de sos die ik had gemaakt\n\nmoet 4200 minimaal uitkomen en dan bereken ik ook nog 20? per packie\" en \"En je hebt\n\nook nog kk veel miauw verkocht\". Owner zegt \"Nee heb alleen 3 miauw bijv vandaag en\n\ndie 30 g behalve gister was een goede dag van rond de 20 tot 30 poes man bro\".\n\nUit deze chat blijkt dat verdachte [verdachte] flinke omzet draait met de verkoop van\n\nharddrugs.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 16 augustus 2024 tussen owner en [contact] blijkt dat\n\n [contact] ook wordt aangestuurd door owner om op allerlei locaties drugs af te geven. [contact]\n\nwil weten wat een hele is en wat een halve is. Owner geeft aan dat heel 50 is en half\n\n25, maar dat ze enkel halve hebben. Ook stuurt owner \"Elke Packies is 1 stuk en ik\n\nstuur jou door hoeveel stuks je moet afgeven die berekening doe ik snap je\" en \"Oke\n\nwat je nog meer moet doen is app mij altijd 5 min van te voren als je bij een klant\n\naankomt dan stuur ik hem alvast dat die klaar moet staan soms moet je het ook in de\n\nbrievenbus zetten dan zet ik erbij in welke brievenbus duidelijk\" en \"App me met ik\n\nben er en het is gelukt oke?\" en \"En als je naar een adres gaat een tijd doorgeven\n\naltijd dan kan ik rekening houden met klanten\".\n\nUit de chat kan blijken dat [contact] een nieuwe driver is gezien de instructies die hij\n\nkrijgt van owner. Vervolgens blijkt uit de chat dat [contact] veel drugsleveringen doet.\n\nDan vraagt owner \"Hoevee geld heb je en spullen nog over?\" [contact] geeft aan dat hij 285\n\neuro heeft, 13 sos en 4 miauw.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 4 augustus 2024 tussen owner en [contact] blijkt dat\n\nhet gesprek wordt gevoerd tussen broer en zus. Uit de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat de zus van verdachte [verdachte] \" [contact] \" heet. Ook stuurt [contact] op verzoek van owner de uitslag van het bloedonderzoek van owner door. De uitslag blijkt geadresseerd te zijn aan verdachte [verdachte] . Wederom wordt dus bevestigd dat de telefoon in gebruik is bij verdachte [verdachte] .\n\nIn de telefoon van verdachte zijn drugsgerelateerde notities aangetroffen die gemaakt zijn tussen 29 juli 2024 en 29 augustus 2024. Er worden adressen, locaties, hoeveelheden, soorten drugs en bedragen genoemd. Ook is genoteerd op welke manier werd betaald. Een aantal van die notities ziet er als volgt uit:\n\nIn notitie 21 die is gemaakt op 12 augustus 2024 staat genoteerd \"[adres] 2 v30 voor parkeren en appen als je er bent hij komt naar de auto( [contact] )\".\n\nIn notitie 20 die is gemaakt op 13 augustus 2024 staat genoteerd \"[adres] 3 v50\n\nstaat daar met een hoogwerker en heeft een zwarte busje\".\n\nIn notitie 17 die is gemaakt op 14 augustus 2024 staat genoteerd \"[adres]\n\n [naam] brievenbus 3 v pof brievenbus zetten\".\n\nUit notitie 15 die is aangemaakt op 16 augustus 2024 blijkt dat de titel genaamd is\n\n\"SOS voorraad\". In deze notitie staan de aantallen 81, 166, 30 en 78 vermeld met\n\ndaaronder te tekst \"355 totaal\". Hieruit kan blijken dat er een voorraad is van 355\n\nverpakkingen cocaïne.\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij de rode Audi een paar keer had geleend om mooie vrouwen op te halen. Hij wist dat zijn vingerafdrukken op de drugs zaten die achterin die auto lagen. De dingen die in de auto lagen heeft verdachte erin gelegd. Verdachte maakte ‘packies’ met cocaïne, de rest kreeg hij gewoon binnen. In de omgeving wilde niemand meer rijden, dus uiteindelijk heeft verdachte ook zelf gereden. Hij werd gepusht. Zijn gebruikersnaam op snapchat was ‘ [account - naam] ’ en op Instagram was zijn gebruikersnaam ‘ [verdachte] ’. Hij heeft niet alle gesprekken zelf gevoerd. De notities heeft hij wel zelf geschreven. Hij moest het wel doen, omdat hij geld nodig had om dingen te betalen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank leidt uit de gesprekken in de telefoon van verdachte af dat het in de gesprekken onmiskenbaar over harddrugs gaat. Dit vindt bevestiging in de verklaring van verdachte. Uit voornoemde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte een significante rol bij de handel in drugs heeft gehad. Hij heeft zowel ‘packies’ cocaïne gemaakt als gefungeerd als driver. Ook blijkt uit de gesprekken dat hij opdrachten kreeg, maar ook zelf opdrachten gaf aan anderen, waaronder drivers. Uit de notities blijkt daarnaast dat het om grote hoeveelheden ging.\n\nDe rechtbank komt, gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat verdachte in de periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 heeft gedeald in Arnhem en omgeving. Daarnaast heeft hij zichzelf gelegenheid en middelen verschaft tot het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van onder andere cocaïne en heeft hij voorbereidingshandelingen gepleegd samenhangend met de handel in drugs. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde.\n\nMedeplegen\n\nGelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ook samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde. Hij heeft ten slotte opdrachten gekregen van anderen, maar ook opdrachten gegeven aan onder andere drivers.\n\nTen aanzien van parketnummer 05-344017-24:\n\nFeit 1\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 1-2 (aanvullend procesdossier);\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 15-19;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2026.\n\nFeit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 1-2 (aanvullend procesdossier);\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 1 (aanvullend procesdossier wapen);\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2026.\n\nTen aanzien van parketnummer 05-344649-24:\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 8-10;\n\n- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 13-14;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2026.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nonder parketnummer 05-276671-24:\n\n1. hij in of omstreeksde periode 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeftverwerkt en\u002Fofverkocht en\u002Fofafgeleverd en\u002Fofverstrekt en\u002Fofvervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 231,02 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij in of omstreeksde periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fofte bevorderen, te weten\n\nhet opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\nhet opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fofvervoeren, en\u002Fof\n\nhet opzettelijk vervaardigen\n\nvan cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\neen ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fofuit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fofom daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fofinlichtingen te verschaffen,\n\nzich en\u002Fofeen ander gelegenheid, middelen en\u002Fofinlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fofandere betaalmiddelen\n\nvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fofzijn mededader(s), wist(en)of ernstige reden had(den)om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n231,02 gram, althans een (grote) hoeveelheid, cocaïne,\n\neen telefoon, waarop gesprekken en notities zijn aangetroffen waaruit blijkt dat er sprake is van handel in drugs en\u002Fof\n\neen autosleutel, behorende tot een auto waarin een grote hoeveelheid cocaïne lag opgeslagen,\n\nvoorhanden te hebben;\n\nonder parketnummer 05-344017-24:\n\n1. hij op of omstreeks2 juli 2024 te Zevenaar opzettelijk heeftgeteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fofvervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks2 juli 2024 te Zevenaar een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en\u002Fofdat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een BB gun, airsoft- en\u002Fof luchtdrukwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, te weten een pistool van het merk Glock en\u002Fof Walther, voorhanden heeft gehad;\n\nen onder parketnummer 05-344649-24:hij opof omstreeks8 juli 2024 te Duiven opzettelijk heeftgeteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fofverkocht en\u002Fofafgeleverd en\u002Fofverstrekt en\u002Fofvervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3,41 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\n05-276671-24 feit 1 en 05-344017-24 feit 1 en 05-344649-24:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\n05-276671-24 feit 2:\n\nmedeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zichzelf en een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\n05-344017-24 feit 2\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, waarvan 109 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren waarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht zoals geadviseerd wordt opgelegd. Dit met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van 150 uren werkstraf subsidiair 75 dagen hechtenis.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, gelet op het reclasseringsadvies van 27 maart 2026 en gelet op de reeds in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Daarnaast is verzocht om geen geldboete op te leggen in verband met de schuldenproblematiek. Voorts verzoekt de verdediging om de overschrijding van de redelijke termijn in strafmatigende zin mee te laten wegen alsmede het feit dat verdachte lange tijd met succes in een strak schorsingskader heeft gelopen.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het onder meer in samenwerking met anderen (her)verpakken en dealen van cocaïne en aan het vervoeren van cocaïne die, gezien de hoeveelheid en de wijze waarop de drugs waren verpakt, voor het dealen op straat waren bestemd. Uit de gegevens die zijn verkregen uit de bij verdachte in beslag genomen telefoons blijkt dat verdachte aan een groot aantal afnemers gedurende langere tijd harddrugs heeft verkocht. Daarmee vervulde verdachte overduidelijk een belangrijke rol in de handel in harddrugs. Bij zijn aanhouding op 2 juli 2024 had verdachte bovendien een wapen bij zich.\n\nHandel in harddrugs dient krachtig bestreden te worden, nu het gebruik daarvan gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers en kan leiden tot verslaving. Het gebruik van en de handel in drugs leiden bovendien direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit en zijn zo een bron van overlast voor de samenleving. Verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. Verdachte heeft daarbij alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin, zonder stil te staan bij de nadelige consequenties van zijn gedrag voor anderen.\n\nMet betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 8 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten.\n\nVoorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van 27 maart 2026.\n\nDe reclassering ziet de leefgebieden dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en houding als delictgerelateerde factoren. De belangrijkste criminogene factor is dat verdachte al vanaf jonge leeftijd in aanraking is gekomen met een crimineel netwerk, waardoor hij zich destijds negatief heeft laten beïnvloeden. Hij heeft al eerder getracht om afstand te nemen van dit netwerk, maar dat was lastig omdat er sprake was van straatschulden. Desalniettemin heeft verdachte de afgelopen periode een positieve ontwikkeling doorgemaakt, waarbij hij tevens afstand heeft genomen van het eerder genoemde criminele netwerk. Verdachte heeft ADD (attention deficit disorder) en hij heeft een traumatische jeugd gehad die van invloed is geweest op zijn ontwikkeling. De reclassering vindt de houding van verdachte ook beschermend, omdat hij de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorlopen en bereid blijft om mee te werken aan een traject bij de reclassering. Ook het leefgebied dagbesteding wordt als beschermende factor gezien, omdat verdachte een vaste baan heeft waar hij structuur en voldoening uit haalt en waarmee hij genoeg verdient om zich niet meer te laten verleiden door het negatieve netwerk om delictgedrag te vertonen. Verdachte ambieert een gezonde levensstijl en is inmiddels abstinent van middelen. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert volwassenenstrafrecht toe te passen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en beheersing van middelengebruik. De reclassering adviseert om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat verdachte dan zijn werk kan verliezen, waardoor de kans op recidive zal toenemen. De rechtbank houdt rekening met deze adviezen van de reclassering.\n\nBij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het met enige regelmaat dealen van harddrugs vanuit een pand of op straat gedurende één tot drie maanden is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en voor het vervoeren van 200 tot 500 gram harddrugs is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is voor de bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank houdt in zoverre rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het advies van de reclassering dat zij een deel hiervan voorwaardelijk op zal leggen en dat de duur van het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk zal worden gesteld aan het voorarrest van verdachte, zodat hij niet terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank zal daarnaast een taakstraf opleggen aan verdachte.\n\nAlles overziend acht de rechtbank – in overeenstemming met de eis van de officier van justitie – passend en geboden een gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 109 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zal de rechtbank de voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis.\n\nDe rechtbank heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 9, 14 a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2, 10 en 10a van de Opiumwet;\n\n- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van150 dagen;\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 109 dagen,niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van deproeftijd van twee jarenniet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n stelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\nverdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering IrisZorg op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem, telefoonnummer: 088-6061311. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\nverdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op (psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en\u002Fof andere problematiek). Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\nverdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij Zorgtrium of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf is gestart op 16 maart 2026. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\nverdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\nverdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I harddrugs (cocaïne) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\ngeeft opdracht aan de Reclassering IrisZorg om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nHierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\n beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n legt op een taakstrafvan150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;\n\n heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.L. Wesstra (voorzitter), mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. Y.H.M. Marijs rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.\n\nMr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. C.F. Brouwer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024402591, gesloten op 15 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 262-275, rapport NFiDENT, p. 276-278, de verklaring van verdachte ter terechtzitting d . d . 8 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 26-27, NFI rapport DNA-onderzoek, p. 121-124, proces-verbaal vooronderzoek lab, p. 2-11 (aanvullend PV), proces-verbaal conclusie onderzoek dactyloscopische sporen, p. 12-13, de verklaring van verdachte ter terechtzitting d . d . 8 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 16-17.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 20.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 26-28.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 37-41.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 45, proces-verbaal van bevindingen, p. 89-92 (met bijlagen).\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 47-48 (met bijlagen, p. 50- 84).\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting d . d . 8 juni 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] van de politie Eenheid Oost-Nederland, vvc IJsselwaarden\u002FRivierenland-Oost opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024306039 gesloten op 31 oktober 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] van de politie Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024316184, gesloten op 19 juli 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5354","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:22.436Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":49,"fullText":50,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":43,"updatedAt":53},"893","ECLI:NL:RBGEL:2025:12057","ecli-nl-rbgel-2025-12057","2025-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-320181-25 en 05-020359-26 (gev. ttz)\n\nDatum uitspraak : 26 mei 2025\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .\n\nRaadsvrouw: mr. H.E.M. Lucas, advocaat in Arnhem.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25\n\n1. hij op of omstreeks 25 november 2025 te Ede, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 480,33 gram) van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde MDMA en\u002Fof - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 403,34 gram) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijde amfetamine, althans (telkens) een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 september 2025 tot en met 25 november 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren en\u002Fof - het opzettelijk vervaardigen van amfetamine, zijnde amfetamine en\u002Fof MDMA, zijnde MDMA en\u002Fof een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - het regelen\u002Forganiseren van en\u002Fof bijdragen aan, dan wel het veelvuldig contact te hebben met andere personen (te weten onder andere afnemer(s)) die betrokken zijn bij het transport en\u002Fof de handel van de drugs (te weten onder meer amfetamine en\u002Fof MDMA) en\u002Fof - het aanbieden van de drugs (te weten onder meer amfetamine en\u002Fof MDMA) en\u002Fof - het voorhanden hebben van een (grote) hoeveelheid stoffen en\u002Fof materialen en\u002Fof goederen, te weten onder meer - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden gripzakje(s) en\u002Fof - een of meerdere weegschalen en\u002Fof - een keukenmixer (met kristalresten) en\u002Fof - contante geldbedragen (van in totaal €2630,-);\n\nOnder parketnummer 05-020359-26:\n\n1. hij op of omstreeks 9 september 2025 te Ede, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2316,61 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en\u002Fof ongeveer 43,29 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en\u002Fof MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks 9 september 2025 te Ede, althans in Nederland, een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nTen aanzien van parketnummer 05-320181-25\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-21;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 26 november 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 87-88, 92-94;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 6 januari 2026 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 95-96, 102-105;\n\n- de kennisgevingen van inbeslagneming, p. 142, 147, 153, 157, 160;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-21;\n\n- het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon verdachte, p. 80-85;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nAanvullende overwegingen\n\nDe rechtbank acht enkel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor zover deze zien op het verkopen en afleveren van harddrugs. Voor het overige zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.\n\nDe rechtbank acht voorts niet bewezen dat het contante geldbedrag dat door de politie in de woning van verdachte werd aangetroffen werd gebruikt voor de voorbereidingshandelingen. Ook kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte veelvuldigcontact heeft gehad met afnemers die betrokken zijn bij het transport en\u002Fof de handel van drugs. Evenmin is uit het dossier gebleken dat er sprake was van medeplegen. Ook van deze onderdelen van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van parketnummer 05-020359-26\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 11 september 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 137, 144-145;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 24 oktober 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 120-121, 123, 131-135;\n\n- de kennisgevingen van inbeslagneming, p. 191, 194, 200, 203, 209, 221;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;\n\n- het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 115-116;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25\n\n1. hij op of omstreeks25 november 2025 te Ede, althans in Nederland,opzettelijk aanwezig heeft gehad -een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 480,33 gram) van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde MDMA en\u002Fof-een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 403,34 gram) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine,althans (telkens) een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op een of meerdere tijdstippeninof omstreeksde periode van 11 september 2025 tot en met 25 november 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierdeof vijfdelid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijktelen, bereiden, bewerken, verwerken,verkopenenafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren en\u002Fof- het opzettelijk vervaardigenvan amfetamine, zijnde amfetamine en\u002FofMDMA, zijnde MDMA,en\u002Fof een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk gevaleen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s),wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door -het regelen\u002Forganiseren van en\u002Fof bijdragen aan, dan wel het veelvuldigcontact te hebben met andere personen (te weten onder andere afnemer(s)) die betrokken zijn bij het transport en\u002Fofde handel van de drugs (te wetenonder meeramfetamine en\u002FofMDMA) en\u002Fof- het aanbieden van de drugs (te wetenonder meeramfetamine en\u002FofMDMA) en\u002Fof- het voorhanden hebben vaneen (grote) hoeveelheid stoffen en\u002Fof materialen en\u002Fofgoederen, te weten onder meer - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelhedengripzakje(s) en\u002Fof-een ofmeerdere weegschalen en\u002Fof- een keukenmixer (met kristalresten).en\u002Fof - contante geldbedragen (van in totaal €2630,-);\n\nOnder parketnummer 05-020359-26\n\n1. hij op of omstreeks9 september 2025 te Ede, althans in Nederland,opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2316,61 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende amfetamine en\u002Fofongeveer 43,29 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en\u002FofMDMA,(telkens)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks9 september 2025 te Ede, althans in Nederland,een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25:\n\nfeit 1:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nfeit 2:\n\nom een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit\n\nOnder parketnummer 05-020359-26:\n\nfeit 1:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nfeit 2:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, in combinatie\n\nmet een voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verdachte is bereid zich aan deze voorwaarden te houden. Daarnaast staat verdachte positief tegenover een alternatieve straf in de vorm van een taakstraf.\n\nVerder heeft de raadsvrouw verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen tot aan de datum van de einduitspraak, zodat hij in de gelegenheid is om tijdig zijn woning leeg te halen.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft grote hoeveelheden harddrugs en een bus pepperspray in zijn woning aanwezig gehad. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs grote risico’s voor de gezondheid oplevert. De verspreiding van en handel in drugs gaan bovendien gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en geweld. Met zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit ernstige maatschappelijke probleem.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte vaker is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder drugsfeiten.\n\nOok heeft de rechtbank acht geslagen op het advies van de reclassering van 11 mei 2026 en de aanvulling daarop van 19 mei 2026. Daaruit volgt dat bij verdachte sprake is van instabiliteit op alle leefgebieden. Meerdere levensgebieden worden gezien als risicoverhogend, onder andere het psychosociaal functioneren en middelengebruik. Er is sprake van een langdurige verslaving aan amfetamine en een gokverslaving. De woning van verdachte is op last van de gemeente gesloten. Dit maakt dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering acht zorgvuldige begeleiding en ondersteuning noodzakelijk om de re-integratie van betrokkene goed te laten verlopen. Daarnaast dienen praktische zaken te worden geregeld, zoals het uitzoeken van de situatie rondom de woning. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:\n\nmeldplicht bij de reclassering;\n\nambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;\n\nverblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;\n\nverbod op het gebruik van verdovende middelen;\n\nverbod op deelname aan kansspelen;\n\nambulante woonbegeleiding;\n\ndiagnostiek.\n\nBij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.\n\nDe rechtbank vindt het van doorslaggevend belang dat de overgang naar het reguliere leven voor verdachte zo goed mogelijk verloopt. Daarvoor is van belang dat verdachte bij invrijheidsstelling in een stabiele situatie terechtkomt. Ter terechtzitting is gebleken dat de structuur en het ritme in detentie verdachte goed hebben gedaan. Hij is afgekickt van de middelen en hij heeft aan zijn gezondheid gewerkt. Ter terechtzitting is echter ook gebleken dat verdachte niet direct geplaatst kan worden in een instelling voor begeleid wonen vanwege wachtlijsten. Omdat hij niet meer terug kan naar zijn woning, heeft dit tot gevolg dat verdachte bij invrijheidsstelling in een dag- en nachtopvang zou moeten verblijven. Dit is geen wenselijke situatie, gelet op het hoge risico op recidive. De rechtbank zal daarom niet volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de verdediging is bepleit.\n\nAlles overwegend acht de rechtbank een straf gelijk aan de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, zullen deze voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.\n\nDe tijd die verdachte al in verzekering heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf.\n\nTot slot zal de rechtbank het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Nu er op de zitting van 26 mei 2026 direct mondeling uitspraak is gedaan, is een schorsing tot aan de uitspraakdatum niet meer aan de orde. Verdachte kan om kortdurende strafonderbreking vragen bij de PI waar hij verblijft.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\n8. De beoordeling van het beslag\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 05-320181-25 is onder verdachte beslag gelegd op:\n\neen contant geldbedrag van € 2.630,00 (voorwerpnummer BZAU7248);\n\neen telefoontoestel van het merk Oppo (voorwerpnummer BZAU7228).\n\nDe officier van justitie heeft verzocht om beide goederen verbeurd te verklaren.\n\nDe raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de teruggave aan verdachte te gelasten van beide goederen. Ten aanzien van het geldbedrag is daartoe aangevoerd dat de ten laste gelegde feiten op zichzelf niet winstgevend zijn en dat niet is gebleken dat deze feiten zijn begaan of voorbereid met betrekking tot of met behulp van het geldbedrag. Evenmin is gebleken dat het inbeslaggenomen geldbedrag een rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van drugshandel of bij drugsbezit. Er is dus geen grond aanwezig als bedoeld in artikel 33a Wetboek van Strafrecht (Sr) waarop het geldbedrag verbeurd kan worden verklaard. Ten aanzien van de telefoon is bepleit dat verbeurdverklaring niet proportioneel is, omdat daar slechts een klein aantal berichten op is aangetroffen dat belastend kan zijn.\n\nDe rechtbank zal de teruggave van het geldbedrag aan verdachte gelasten, omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet. Er is geen grond aanwezig zoals bedoeld in artikel 33a Sr waarop het geldbedrag verbeurd kan worden verklaard.\n\nDe rechtbank zal beslissen dat het telefoontoestel verbeurd wordt verklaard, omdat het tenlastegelegde onder feit 2 met behulp van dit telefoontoestel is begaan.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2, 10 en 10a van de Opiumwet;\n\n- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden;\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n- Meldplicht bij reclassering\n\nVerdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Tactus Reclassering. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n- Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname\n\nVerdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en\u002Fof verslavingsproblematiek, Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\nIndien er sprake is van een terugval in middelengebruik\u002Fbij overmatig middelengebruik en\u002Fof een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;\n\n- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nVerdachte verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n- Verbod verdovende middelen\n\nVerdachte gebruikt gedurende de proeftijd geen verdovende middelen als genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles (urineonderzoek, ademonderzoek en\u002Fof een speekseltest). De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n- Verbod kansspelen\n\nVerdachte neemt gedurende de proeftijd niet deel aan kansspelen;\n\n- Ambulante woonbegeleiding\n\nVerdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan ambulante woonbegeleiding, zolang de reclassering deze begeleiding nodig vindt;\n\n- Diagnostiek\n\nVerdachte verleent gedurende de proeftijd zijn medewerking aan diagnostiek, zolang de reclassering dit nodig vindt. Verdachte dient zich daarbij te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de diagnostiek door of namens degene die het onderzoek verricht zullen worden gegeven;\n\n stelt als overige voorwaardendat verdachte:\n\n- zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;\n\n- zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;\n\n geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;\n\n beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n wijst af het verzoek tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis;\n\nBeslissing op het beslag\n\n verklaart verbeurd het telefoontoestel van het merk Oppo (voorwerpnummer BZAU7228);\n\n gelast de teruggave aan verdachte van het contante geldbedrag ter waarde van € 2.630,00 (voorwerpnummer BZAU7248).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.\n\nmr. Goossens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025571803, gesloten op 10 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025436710, gesloten op 9 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12057","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:53.284Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":43,"updatedAt":61},"298","ECLI:NL:RBGEL:2024:2693","ecli-nl-rbgel-2024-2693","2024-05-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-337531-23; 20-000823-21 (tul)\n\nDatum uitspraak : 3 mei 2024\n\nTegenspraak (art. 279 Sv)\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. T. van Nimwegen, advocaat in Tilburg\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 april 2024.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fof heeft vervoerd, ongeveer 310 flessen van 3,3 liter\u002F2 kilogram, in elk geval een hoeveelheid\n\ndistikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fof heeft vervoerd, ongeveer 6,05 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, nu voor de aanwezigheid en het vervoeren van lachgas wettig bewijs ontbreekt. Daartoe voert de officier van justitie aan dat niet kan worden vastgesteld dat het om lachgas gaat nu niet door het NFI is onderzocht welke stof zich in de in het voertuig van verdachte aangetroffen cilinders bevond.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van cocaïne\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor beide feiten. Daartoe is aangevoerd dat de doorzoeking in het voertuig en de kennisname van de pallets met cilinders en het boterhamzakje met wit poeder onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Bewijsuitsluiting moet daarop volgen, waardoor niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat ten aanzien van feit 1 in ieder geval vrijspraak moet volgen omdat niet kan worden vastgesteld dat in de cilinders lachgas zat, nu geen onderzoek is gedaan naar de daadwerkelijke inhoud van de cilinders.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nRechtmatigheid onderzoekshandelingen\n\nOp 23 september 2023 kwam een melding binnen van een eenzijdig ongeval op de A12 ter hoogte van hectometerpaal 125.0 in Arnhem. Ter plaatse bleek dat een bestelbusje tegen de vangrail stond en dat de bestuurder met gesloten ogen op zijn stoel zat en nergens op reageerde. Toen hij later de ogen opende, kon hij geen antwoord geven op vragen, waarop ambulancepersoneel de verzorging overnam en hem meenam naar het ziekenhuis.\n\nDe verbalisant zag op de bus geen enkele naam aanduiding of een andere indicatie met betrekking tot wat er in de bus vervoerd zou kunnen worden. Vervolgens heeft hij de achterkant van de bus geopend om te kijken of er goederen aanwezig waren en zo ja welke goederen. Vervolgens zag hij twee pallets staan, waarvan de inhoud was ingepakt met zwart plastic met daaromheen witte spanbanden. De pallets waren voorzien van meerdere stickers met daarop een gevarendiamant. Doordat het de verbalisant vanwege zijn ervaring meteen duidelijk was dat het hoogst waarschijnlijk zou gaan om pallets met lachgas flessen, is het vermoeden ontstaan dat zich in de bus verdovende middelen bevonden.\n\nDe vraag is of het openen van de achterdeur van het voertuig en de kennisname van de daarin aangetroffen cilinders en harddrugs rechtmatig is geweest.\n\nIn artikel 3 Politiewet is bepaald dat de politie tot taak heeft de rechtsorde te handhaven en hulp te verlenen aan hen die deze nodig hebben. Nu de bestuurder van het voertuig met de ambulance was afgevoerd, had de politie de zorg over het voertuig. Ter handhaving van de openbare orde kan het voor de politie van belang zijn te weten wat er in het voertuig werd vervoerd. Nu dat aan de buitenkant niet zichtbaar was, heeft de verbalisant de achterdeur geopend. Op het moment van het openen van de achterdeur was nog geen sprake van een doorzoeking, maar het openen van de achterkant van het voertuig valt onder de bevoegdheid van artikel 3 Politiewet. Mocht immers blijken dat er gevaarlijke chemicaliën of explosieve stoffen vervoerd zouden worden, moeten direct adequate maatregelen worden genomen om allerlei onheil te voorkomen. Dat is ook de taak van de politie. Na het aantreffen van de twee pallets met een gevarendiamant en de ervaring van de verbalisant is volgens de rechtbank een verdenking ontstaan en heeft men het voertuig kunnen doorzoeken op basis van artikel 96b Wetboek van Strafvordering.\n\nDe rechtbank zal het verweer van de verdediging dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting dan ook afwijzen.\n\nTen aanzien van feit 1\n\nDe verbalisant heeft na het aantreffen van de twee pallets een stukje van het plastic opengescheurd en zag de hem ambtshalve bekende kartonnen dozen waarin ‘wegwerp’ lachgas flessen worden verpakt. Ook zag hij twee kartonnen dozen met zwarte ballonnen, die hij herkende als ballonnen die worden gebruikt om met lachgas te vullen. In totaal zijn er 310 cilinders met vermoedelijk lachgas in het voertuig aangetroffen.\n\nDe inhoud van de cilinders is niet onderzocht door het NFI en verdachte heeft geen verklaring afgelegd over de in zijn voertuig aangetroffen cilinders. Noch is onderzoek gedaan naar de fabrikant van de cilinders\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een enkele ambtshalve herkenning van de cilinders als lachgascilinders door verbalisant, zonder enig nader onderzoek en zonder een verklaring van verdachte dat het lachgas betreft, onvoldoende is om tot wettig en overtuigend bewijs te komen dat zich in de cilinders lachgas bevond. De cilinders kunnen immers ook leeg zijn of op een later moment gevuld met een andere substantie.\n\nDe rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 1 tenlastegelegde.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 11-12;\n\n- het rapport NFiDENT van 13 november 2023, p. 20;\n\n- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 41-42;\n\nNadere bewijsmotivering\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken nu sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in die zin dat de doorzoeking onrechtmatig heeft plaatsgevonden.\n\nDe rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat het openen van de achterkant van het voertuig in onderhavig geval onder de bevoegdheid van artikel 3 Politiewet valt. Door het zoekend rondkijken in het voertuig is vervolgens een verdenking ontstaan dat zich in het voertuig verdovende middelen bevonden. Daartoe is het hele voertuig doorzocht en is in de linker portier een boterhamzakje met wit poeder aangetroffen.\n\nDe rechtbank is – mede gelet op het hiervoor overwogene – van oordeel dat de doorzoeking rechtmatig heeft plaatsgevonden en verwerpt het verweer van de verdediging.\n\nDe rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van 6,05 gram van een materiaal bevattende cocaïne.\n\nDe rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n2.\n\nhij op of omstreeks23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fofheeft vervoerd, ongeveer 6,05 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nEr is sprake van eendaadse samenloop, nu het vervoeren en aanwezig hebben dezelfde cocaïne betreft, op dezelfde plaats en tijd is geschied en hetgeen is strafbaar gesteld in artikel 2, onder B en C van de Opiumwet dezelfde strekking heeft.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\neendaadse samenloop van\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod\n\nen\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren en aanwezig hebben van 6,05 gram cocaïne. Ook heeft hij verklaard dat hij sinds kort cocaïne gebruikt. Het is algemeen bekend dat harddrugs in het algemeen zeer schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat de handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door in het bezit te raken van harddrugs.\n\nDe rechtbank heeft gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie van 29 maart 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor delicten van de Opiumwet. De rechtbank merkt op dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van 18 maart 2024. Het is de reclassering niet gelukt om met verdachte in contact te komen. De reclassering maakt op basis van de beschikbare gegevens de inschatting dat verdachte gebaat zou kunnen zijn bij begeleiding\u002Fbehandeling van een forensisch FACT-team van Fivoor. Tijdens het traject dient er aandacht te zijn voor het middelengebruik en het stabiliseren van criminogene leefgebieden. De reclassering adviseert daarom een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling\u002Fbegeleiding.\n\nDe rechtbank heeft daarnaast gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het vervoeren van 0 tot 10 gram harddrugs wordt doorgaans een taakstraf voor de duur van 30 uren opgelegd.\n\nGelet op het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf niet passend is. Verdachte liep nog in een proeftijd toen hij het feit pleegde en de reclassering heeft geen contact met hem kunnen krijgen. Zij adviseren bijzondere voorwaarden, maar verdachte heeft via zijn raadsman te kennen gegeven daar niet aan mee te willen werken. De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en zal dat aan verdachte opleggen.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 20-000823-21)\n\nHet gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte op 17 juni 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van deze straf.\n\nDe raadsman heeft geen standpunt ingenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. Er zijn geen redenen om dat niet te doen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2 en 10 van de Opiumwet.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde feit;\n\n verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstrafvoor de duur vanéén (1) maand;\n\nVordering na voorwaardelijke veroordeling\n\n beveelt de tenuitvoerlegging van de op 17 juni 2022 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand(parketnummer 20-000823-21).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 mei 2024.\n\nmrs. W. Bruins en A.J.H. Steenweg zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023440563, gesloten op 5 oktober 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:2693","2026-07-13T00:28:23.279Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":66,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":43,"updatedAt":69},"757","ECLI:NL:GHARL:2023:11009","ecli-nl-gharl-2023-11009","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-002261-22\n\nUitspraak d.d.: 29 december 2023\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 18 mei 2022 met parketnummer 05-016848-22 in de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,\n\nwonende te [woonadres] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 december 2023.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,\n\nmr. L.C. de Lange, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.\n\nHet hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:\n\n1. hij op of omstreeks 18 januari 2022 te [pleegplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 371 XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA,\n\n- ongeveer 820 gram MDMA-poeder, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA,\n\n- ongeveer 20 liter MDMA-olie, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en\u002Fof\n\n- ongeveer 25 milliliter 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB),\n\n(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 18 januari 2022 te [pleegplaats] om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan MDMA en\u002Fof één of meer andere soort(en) harddrugs, in elk geval een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, te weten:\n\n- Een drukreactieketel gevuld met MDMA-olie\n\n- twee waterstofcilinders,\n\n- één of meerdere gascilinder beschermkappen,\n\n- één of meerdere waterstofdrukregelaars,\n\n- twee RVS ketels met koelbuis\n\n- een zak BMK glycidezout,\n\n- een tabletteermachine met stempelset met logo van ‘Star Wars Storm Trooper’,\n\n- een centrifuge,\n\n- twee rode gascilinders,\n\n- twee drukregelaars,\n\n- een 25 liter jerrycan gevuld met 12 liter monomethylamine,\n\n- 3 blauwe 20 liter jerrycans gevuld met zwavelzuur (totaal 60 liter),\n\n- 4 blauwe jerrycans van 25 liter gevuld met fosforzuur (totaal 80 liter)\n\n- 16 blauwe jerrycans gevuld met zoutzuur (totaal 320 liter),\n\n- 7 blauwe jerrycans gevuld met methanol (totaal 140 liter),\n\n- 50 blauwe jerrycans gevuld met ethanol (totaal 1000liter),\n\n- 2 witte jerrycans met restanten PMK,\n\n- twee laboratorium glaswerk distillatiebochten,\n\n- diverse zwenkwielen,\n\n- metalen pijpen en koppelstukken,\n\n- een RVS schakelkast,\n\n- een gasdrukregeklaar voor propaangas,\n\n- twee metalen branderbakken met een gasbrander met gasslang en een glazen rondbodemkolf,\n\n- 2 flessen chloor (totaal 10 liter),\n\n- een jerrycan met Coleman Fuel (totaal 5 liter),\n\n- een fles met zoutzuur (totaal 5 liter),\n\n- een (vervuilde) vacuümpomp,\n\n- 20 kilo Caustic Soda,\n\n- 2 blauwe jerrycans met aceton (totaal 40 liter),\n\n- een (vacuüm)distillatie-opstelling bestaande uit twee RVS ketels en een koelbuis,\n\n- 15 kilo cellulose en\u002Fof,\n\n- een ventilatie slakkenhuis gekoppeld aan een koolstoffilter,\n\nwaarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit;\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nDe feiten\n\nA.\n\nOp dinsdag 18 januari 2022 werd een zogeheten “integrale controle” gehouden op meerdere\n\nadressen aan de [adres] te [pleegplaats] . Bij de controle waren een ambtenaar van Bouwtoezicht van de gemeente [pleegplaats] , een medewerker van energiebedrijf Liander, de Ondermijningscoördinator van de gemeente [pleegplaats] en meerdere politiemedewerkers betrokken.\n\nVan de gemeente heeft de politie het verzoek gekregen aan te sluiten bij deze integrale controle. Aanleiding was bij de gemeente binnengekomen “ondermijnende signalen” in genoemde straat.\n\nDe medewerker van Liander was betrokken voor het geval men tegen een hennepkwekerij\n\nof andere vormen van stroomdiefstal aan zouden lopen. De politie was betrokken voor de veiligheid van de ambtenaar van Bouwtoezicht en de politie zou een casus overnemen als er strafbare feiten werden waargenomen. In totaal werden 8 adressen bezocht.\n\nBij het eerste adres was sprake van illegale bewoning. Dat heeft de ambtenaar van\n\nBouwtoezicht afgehandeld. Bij het derde adres werden aangetroffen henneptoppen en hennepresten, een in werking zijnde hennepkwekerij met 4 planten, een ontmantelde\n\nhennepkwekerij en drie op vuurwapen gelijkende wapens. Daarna werden nog ongeveer 4 á 5 adressen bezocht. Hier was niets aan de hand.\n\nAls laatste werd het pand aan de [adres] [huisnummer 1] te [pleegplaats] bezocht, te weten het pand dat bij verdachte in gebruik was. De ambtenaar van Bouwtoezicht belde aan bij de voordeur. Er werd niet op gereageerd. Er stonden twee personenauto’s op het terrein naast de woning. In de woning brandde licht. Waargenomen werd dat er aan de rechterzijde van de woning een nieuwe metalen trap was geplaatst die naar een kelder moest leiden. De ramen van de kelder waren geblindeerd met platen en glaswol. In de achtertuin werd een groot aantal kratten met lege Colaflessen tegen de achtergevel gezien. Daarnaast\n\nwaren er ongeveer 20 kratten bier van het merk Hertog Jan. Aan de achterzijde van de woning, grenzend aan de achtertuin bevond zich een grote loods. Aan de voorzijde van die loods stond een klein voorgebouw wat de uitstraling had van een kantoortje. De ambtenaar van Bouwtoezicht heeft aangeklopt en roepend gevraagd of er iemand aanwezig was. Ook hierop kwam geen reactie. Vervolgens liep men terug naar de achterzijde van de woning.\n\nDe ambtenaar van Bouwtoezicht liep de achtertuin in en liep naar de rechterzijde van het kantoortje. De ambtenaar van Bouwtoezicht trok aan de deurklink, de deur ging open en de ambtenaar wei: “Hé, deze deur is open.”\n\nVervolgens liep de ambtenaar van Bouwtoezicht door de deur het kantoortje binnen. De medewerker van Liander liep achter de ambtenaar aan naar binnen, gevolgd door politiefunctionaris [functionaris] .\n\nDe medewerker van Liander zei dat er allemaal vaten binnen stonden. Een verbalisant [opmerking hof: dit betreft een verbalisant die na [functionaris] naar binnen ging]is er naar toe gelopen en hij zag dat de ruimte een soort van schuur betrof welke zich in dezelfde ruimte bevond als het eerder genoemde kantoortje. Er stonden tientallen blauwe vaten van 20 liter met als inhoud ethanol, aceton in het schuurtje. Een collega-verbalisant heeft hierop contact gezocht met Landelijke Faciliteit Ontmantelen.Gezien het bovenstaande rees het vermoeden dat er zich in de kelder een drugslab kon bevinden. Vervolgens is er met de officier van justitie, contact geweest en deze gaf toestemming om de woning te betreden.Vlak daarna kwam verdachte toevallig aanrijden. Verdachte heeft de huissleutels gegeven en hierop werd de woning binnengetreden.In de kelder trof men pillen en poeder aan.\n\nB.\n\nHet rapport van de toezichthouder van de gemeente [pleegplaats] vermeldt onder meer als volgt:\n\n“Aangekomen bij [adres] [huisnummer 1] (woonhuis) en [huisnummer 2] (bedrijfsgedeelte).\n\nOp basis van mijn bevoegdheid zoals vastgelegd in de Algemene Wet Bestuursrecht\n\nartikel 5:15 -5:19 het terrein opgelopen. Ter beveiliging zijn op de woning nr [huisnummer 1] en op het bedrijfsgebouw nr [huisnummer 2] diverse bolcamera's aangebracht. Op het voorterrein van [adres] [huisnummer 2] staan 2 auto's. Een jaguar ( [kenteken 1] ) en een Ford Ka ( [kenteken 2] ) waarvan de autosleutels nog in het slot zitten. Samen met ondersteuning van de politie heb ik de volgende acties genomen:\n\nAangebeld en geklopt op de entreedeur bij het bedrijfsgebouw [huisnummer 2] : hier volgde geen\n\nreactie. Omdat het hek open staat vanaf het voorterrein van het bedrijfspand richting de\n\nbedrijfswoning loop ik naar de voordeur van de bedrijfswoning en bel enkele keren aan\n\nen klop op de voordeur. Ook hier is geen reactie. Aan de westzijde van de woning is\n\nzichtbaar dat hier recent een buitentrap is gemaakt. Gezien de afwerking van de trap, de\n\ntuin en het kozijn dat in de gevel bij de kelder is gezaagd zijn ze hier nog niet klaar. Via\n\nkieren tussen de deur en het kozijn en de koekoeken is licht zichtbaar. In combinatie met\n\nde sleutels in de auto lijkt het dat er iemand aanwezig zou kunnen zijn. Om het huis heengelopen en aan de achterzijde naar binnengekeken hier was niks te\n\nzien anders dan een paar schoenen waar iemand uit was gestapt om het binnen schoon\n\nte houden. Vanaf het terras zie ik dat het bedrijfspand nr [huisnummer 2] een zijdeur heeft met hier een\n\nbolcamera erboven en loop naar de deur. Ik klop een paar keer op de deur maar krijg\n\ngeen reactie. Ik probeer of de deur open is en deze blijkt open te zijn. Ik zet de deur op\n\neen kier en roep of er iemand aanwezig is. Ook hierop volgt geen reactie. Op basis van\n\nmijn bevoegdheden om elk pand anders dan een woning te mogen betreden loop ik\n\nonder het roepen of dat er iemand aanwezig is naar binnen. En ik zie 2 ruimten. In de\n\neerste ruimte staan grote blauwe (lege) tonnen, voorts zijn korven met installatiemateriaal zichtbaar en een RVS ketel. In de 2e ruimte is een ruimte getimmerd van houten wanden aan de voorzijde van het gebouw hieraan is niks te zien. In de ruimte staan meerdere blauwe kunststof jerrycans met hierop vermeld ethanol, acidity regulator E37 en 2 rvs ketels. Na een informatief belletje van de politie met een specialist wordt aangegeven dat we zo snel mogelijk de ruimte moeten verlaten omdat dit gevaarlijke stoffen zijn. Verder neemt de politie de vervolgactie om het terrein te verzekeren en de LOD te informeren. Deze geeft aan zo spoedig mogelijk ter plaatse te zijn.\n\nToegekende bevoegdheden als handhaver van de gemeente [pleegplaats] \u002FWDW\n\nArtikel 5:15\n\n1. Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur,\n\nelke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de\n\nbewoner.\n\n2 Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.\n\n3 Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn\n\naangewezen.\n\nArtikel 5:16\n\nEen toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen.\n\n[…]”\n\nC.\n\nProces-verbaal van bevindingen \u002F controlerapportage\n\n“Ik, toezichthouder [serienummer] , van de werkorganisatie [gemeente 1] [pleegplaats] , als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht op het gebied van: Bouw- en woonrecht, BAG, Wet BRP, natuur en milieuwetgeving, monumentenrecht, ruimtelijk ordeningsrecht, Huisvesting- en leegstandsrecht en omgevingsrecht en alle daaraan gerelateerde wet- en regelgeving, aangewezen als toezichthouder door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [pleegplaats] verklaar het volgende:\n\n [organisatie] staat voor Ondermijningteam [gebied] . Binnen het [organisatie] werken de gemeenten [pleegplaats] , [gemeente 1] , [gemeente 2] , [gemeente 3] , [gemeente 4] en [gemeente 5] samen met ketenpartners zijnde de omgevingsdienst, energiemaatschappijen en politie. Deze samenwerking is gericht op het daadkrachtig, effectief en integraal aanpakken van ondermijning. Door het [organisatie] worden structureel en integraal (bedrijfs-)controles georganiseerd en uitgevoerd. Als toezichthouder neem ik deel aan deze controles.\n\nBedrijfscontrole [adres]\n\nOp dinsdag 18 januari 2022, nam ik, toezichthouder [serienummer] , deel aan een integrale bedrijfscontrole aan de [adres] te [pleegplaats] . In deze straat zijn meerdere panden gecontroleerd op het formeel gebruik van percelen en panden overeenkomstig het bestemmingsplan zoals opgesteld door de gemeente [pleegplaats] .\n\n[…]”\n\nDe gronden van het appel\n\nDe advocaat-generaal heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot bewijsuitsluiting en vrijspraak. Volgens het openbaar ministerie zijn de door de gemeente op basis van “ondermijnende signalen” geïnitieerde integrale controles van meerdere bedrijfspanden op 18 januari 2022 in de [adres] te [pleegplaats] rechtmatig geweest. Er zijn daadwerkelijk meerdere panden onderzocht. Er was op voorhand geen sprake van concrete verdenkingen van strafbare feiten. Van oneigenlijk gebruik van bevoegdheden was geen sprake. Het binnentreden in de bedrijfspanden was gebaseerd op artikel 5.15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat een toezichthouder de bevoegdheid toekent om elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner, zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm. Het derde lid bepaalt dat de toezichthouder bevoegd is zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.\n\nOok voor het onderzoek naar het bedrijfspand van verdachte was er op het moment dat de toezichthouder het niet-afgesloten bedrijfspand betrad, nog geen sprake van een vermoeden van een strafbaar feit. Er was dus ook nog geen sprake van een voorbereidend onderzoek in strafrechtelijke zin.\n\nDe politie was in dit geval mee ter beveiliging van de gemeentelijke toezichthouder en om zo nodig bijstand te kunnen verlenen. Bij de betreding van het bedrijfspand van verdachte is een verbalisant met de toezichthouder mee naar binnen gegaan.\n\nOp zich was daartoe geen bijzondere noodzaak, althans deze is niet geverbaliseerd of anderszins gebleken. De advocaat-generaal acht het “vergezellen” door de politiefunctionaris van de toezichthouder echter niet onrechtmatig, gelet op artikel 5:15 derde lid Awb, dat daarvoor een grondslag bevat.\n\nMocht het hof daar anders over denken, dan meent de advocaat-generaal dat er hoogstens sprake is van een vormverzuim dat in het licht van het arrest van de Hoge Raad d.d.\n\n1 december 2020zonder rechtsgevolg kan blijven.\n\nWat betreft het bewijs voert de advocaat-generaal aan dat verdachte de beschuldigingen feitelijk erkent. De belastende vondsten worden ook niet betwist. De advocaat-generaal concludeert dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen en eist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank juist is, en dat het hof op dezelfde wijze zou moeten beslissen. Er is volgens de verdediging zowel sprake van onrechtmatig overheidsoptreden door de gemeente als van onrechtmatig binnentreden door de politie. Er was van meet af aan sprake van strafrechtelijk optreden omdat men wel wist dat er waarschijnlijk strafbare feiten zouden worden geconstateerd, maar de politie kon nog niet binnentreden. Men heeft bestuurlijk\u002Fbestuursrechtelijk optreden gebruikt voor strafrechtelijke doelen, en daarmee zijn - de burger beschermende - strafvorderlijke voorschriften omzeild. Dit heeft volgens de verdediging een structureel karakter. Deze wijze van optreden is bepalend geweest voor het verdere strafrechtelijke onderzoek. Om dit misbruik in de toekomst te voorkomen dient de sanctie daarop bewijsuitsluiting te zijn als rechtstatelijke waarborg, zoals de rechtbank terecht heeft gedaan. Omdat alle resultaten van het onderzoek in het bedrijfspand en de woning tevens zijn aan te merken als onrechtmatig verkregen en de verboden vruchten daarvan, dienen zij ook om die reden te worden uitgesloten van het bewijs. Het hof dient verdachte dan ook vrij te spreken.\n\nMocht het hof anders oordelen, dan meent de verdediging dat de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte eraan in de weg staan dat hij onvoorwaardelijk de gevangenis in zou moeten. De persoonlijke problemen die hij toen had, zijn onder controle. Verdachte heeft geen strafblad. Verdachte heeft inmiddels een goed lopend bedrijf.\n\nOverwegingen van het hof over de rechtmatigheid van het binnentreden\n\nHet hof overweegt dat uit het door de advocaat-generaal genoemde arrest van de Hoge Raad (zie voetnoot 8) blijkt dat zo nodig ook een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ligt, onder meer omdat van een opsporingsonderzoek nog geen sprake was. Uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 12 september 2023blijkt voorts dat zo nodig ook een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling door andere personen dan opsporingsambtenaren. Daarvoor is vereist dat (i) de resultaten van een onrechtmatige handeling zijn gebruikt bij het opsporingsonderzoek naar of de vervolging van een verdachte voor ten laste gelegde feiten en (ii) de resultaten door dit gebruik van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of van de vervolging. Als daarvan sprake is, is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan het gebruik van de resultaten van een onrechtmatige handeling en, zo ja, welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van de inbreuk die dit gebruik maakt op de rechten van de verdachte. Bij het bepalen van een rechtsgevolg kan aansluiting worden gezocht bij de in art. 359a tweede lid Sv genoemde factoren, terwijl ook het uitgangspunt van subsidiariteit in acht moet worden genomen. De rechter kan tot het oordeel komen dat de onrechtmatige handeling door de andere persoon dan de opsporingsambtenaar, die van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging, dwingt tot bewijsuitsluiting. Dat is allereerst aan de orde als bewijsuitsluiting noodzakelijk is om de schending van het in art. 6 EVRM bedoelde recht op eerlijk proces te voorkomen. Daarnaast kan bewijsuitsluiting in aanmerking komen als de opsporingsambtenaar direct of indirect betrokken is bij de onrechtmatige handeling door een andere persoon en het gebruik van de resultaten, mede gelet op wijze waarop die zijn verkregen, een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel zou opleveren. Van een zodanige betrokkenheid van een opsporingsambtenaar kan sprake zijn als deze het gedrag van de betreffende persoon heeft geïnitieerd of gefaciliteerd, daaronder mede begrepen dat de opsporingsambtenaar het onrechtmatige gedrag van die persoon welbewust heeft laten begaan en\u002Fof voortduren.\n\nAnders dan de rechtbank en de verdediging is het hof van oordeel dat het optreden van de gemeentelijke autoriteiten rechtmatig was. De toezichthouder heeft zijn bevoegdheden ingezet op de gronden, bevoegdheden en aanleiding zoals door deze zijn omschreven onder de feiten, het onder C. bedoelde proces-verbaal. Het hof ziet geen aanwijzing dat deze weergave niet klopt of dat er heimelijk ongeoorloofde bijbedoelingen waren. Het is een legitiem belang van de gemeente dat bedrijfs- en andere panden overeenkomstig het bestemmingsplan worden gebruikt. Dat de ervaring leert dat er een gerede kans bestaat dat er bij controles van bedrijfspanden regelmatig ook strafbare feiten worden geconstateerd, in het bijzonder de aanwezigheid van hennepkwekerijen met illegale stroomaftap, doet daaraan niet af. De bestrijding van illegale en brandgevaarlijke situaties is immers evengoed een legitiem belang van de gemeente. Het samenwerken daarin met onder andere de politie acht het hof eveneens legitiem, onder meer omdat artikel 5:15 Awb daarin uitdrukkelijk voorziet, mits evenredig.\n\nEr was in dit geval ook geen reden om aan te nemen dat er specifiek jegens verdachte van meet af aan al sprake was van de verdenking van een strafbaar feit ten aanzien van het gebruik van de bedrijfsruimte en woning en dat er aldus reeds sprake was een opsporingsonderzoek jegens verdachte.\n\nOok op het moment dat de toezichthouder de bedrijfsruimte betrad, was er nog geen sprake van een verdenking van een strafbaar feit. De bevindingen tot dan toe op het erf van verdachte gaven daartoe immers geen aanleiding. Evenmin bestond er op dat moment een bijzondere beschermingsbehoefte voor de toezichthouder. Met de verdediging is het hof daarom van oordeel dat er op het moment dat de toezichthouder het bedrijfspand binnentrad, er geen geldige reden bestond dat er tegelijkertijd ook een politiefunctionaris mee naar binnen ging. Artikel 5:15, derde lid, Awb biedt de mogelijkheid dat de toezichthouder zich door iemand laat vergezellen. Artikel 5:13 Awb bepaalt echter dat een toezichthouder slechts van zijn bevoegdheden gebruik maakt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Ook uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de toezichthouder geen andere personen dient mee te nemen dan redelijkerwijs voor een goede taakvervulling door de toezichthouder nodig is.Nu niet is geverbaliseerd of anderszins is gebleken dat op het moment van binnentreden door de gemeentelijk toezichthouder de assistentie van de politie – bijvoorbeeld uit het oogpunt van personele veiligheid van die toezichthouder en\u002Fof andere gemeentemedewerkers – gewenst was, moet het ervoor worden gehouden dat de politiefunctionaris op dat moment zonder gegronde reden mee naar binnen is gegaan. Deze constatering is van belang, nu de politie eigen wettelijke bevoegdheden heeft die strafrechtelijk zijn genormeerd en waarmee dus prudent moet worden omgegaan. In zoverre is er sprake van een vormfout. Uit het arrest van de Hoge Raad genoemd in noot 8 kan worden afgeleid dat een rechtsgevolg aan een verzuim als dit op zijn plaats kan zijn indien het vormverzuim of de onrechtmatige handeling vanbepalende invloedis geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en\u002Fof de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. In een dergelijk geval is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg wordt verbonden aan het vormverzuim of de onrechtmatige handeling, en zo ja: welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling.\n\nHet hof oordeelt dat het door de binnentredende politiefunctionaris begane verzuim in deze zaak geen enkele invloedheeft gehad op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging van verdachte. De gemeentelijke toezichthouder is de bedrijfsruimte rechtmatig binnen gegaan en heeft een constatering gedaan die leidde tot het vermoeden van een strafbaar feit. Als de politiefunctionaris niet mee naar binnen was gegaan maar buiten was blijven wachten, was deze slechts enkele momenten later op de hoogte geraakt van de bevinding van de toezichthouder. Het resultaat was hetzelfde geweest. Ook de ernst van het verzuim acht het hof gering. De toezichthouder betrad rechtmatig een niet-afgesloten bedrijfsruimte. De politiefunctionaris die de toezichthouder volgde, is verder niet actief opgetreden en heeft op het moment van en direct na zijn binnentreden zeker geen opsporings- of onderzoekshandelingen verricht. De vaten zijn ook niet als eerste door de betreffende politiefunctionaris opgemerkt. Het verzuim heeft zich vermoedelijk voorgedaan doordat niemand in het team zich op dat moment realiseerde dat men even had moeten afwegen of er een legitieme reden was dat de politie meteen mee naar binnen liep. Dan had die afweging achteraf ter controle kunnen worden geverbaliseerd. Voor de volledigheid merkt het hof nog op dat van enige opzettelijke onrechtmatige sturing door de politie of van het bewust of onbewust schenden van het recht op een eerlijk proces van verdachte niet is gebleken.\n\nHet hof merkt nog op dat hiermee ook het verweer wordt verworpen dat het binnentreden in de woning van verdachte en de vondsten daar eveneens toegerekend moet worden aan het binnengaan van de verbalisant in de bedrijfsruimte.\n\nHet hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om enig gevolg aan het verzuim te verbinden. Volstaan kan worden met de enkele constatering van het verzuim. Om die reden dient het vonnis van de rechtbank te worden vernietigd, nu de rechtbank ten onrechte tot bewijsuitsluiting is overgegaan.\n\nVoorwaardelijk verzoek van de verdediging\n\nHet hof wijst het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het horen van [getuige] , ondermijningscoördinator [gebied] , af omdat het horen van deze getuige, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet van belang is voor enige door het hof op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing.\n\nOverwegingen over het bewijs\n\nHet hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nTer nadere onderbouwing van onderstaande bewezenverklaring overweegt het hof het volgende. Verdachte heeft het aantreffen van de verboden middelen en voorwerpen niet betwist.De spullen in de bedrijfshal zouden niet van hem maar van een andere man zijn, wiens naam hij niet wil noemen. Verdachte zou 5.000 euro voor de opslag ontvangen. Verdachte wist dat het om drugs ging.Over de man van wie de drugs en de installaties beweerdelijk zouden zijn, heeft verdachte niets concreets verklaard. Dat een ander mogelijk eigenaar van deze spullen zou zijn geweest, doet echter niet af aan het voorhanden en in opslag hebben door verdachte. Verdachte geeft aan dat de opslagruimte van hem was en dat hij daar ook spullen in opsloeg.Aldus had hij daarover ook de beschikkingsmacht over de tenlastegelegde goederen.\n\nBewezenverklaring\n\nDoor wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. hij op of omstreeks18 januari 2022 te [pleegplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 371 XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA,\n\n- ongeveer 820 gram MDMA-poeder, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA,\n\n- ongeveer 20 liter MDMA-olie, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en\u002Fof\n\n- ongeveer 25 milliliter 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB),\n\n(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij in of omstreeksde periode van 1 november 2021 tot en met 18 januari 2022 te [pleegplaats] om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan MDMA en\u002Fof één of meer andere soort(en) harddrugs, in elk geval een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen,stoffen,gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, te weten:\n\n- Een drukreactieketel gevuld met MDMA-olie,\n\n- twee waterstofcilinders,\n\n- één of meerdere gascilinder beschermkappen,\n\n- één of meerdere waterstofdrukregelaars,\n\n- twee RVS ketels met koelbuis\n\n- een zak BMK glycidezout,\n\n- een tabletteermachine met stempelset met logo van ?Star Wars Storm Trooper?,\n\n- een centrifuge,\n\n- twee rode gascilinders,\n\n- twee drukregelaars,\n\n- een 25 liter jerrycan gevuld met 12 liter monomethylamine,\n\n- 3 blauwe 20 liter jerrycans gevuld met zwavelzuur (totaal 60 liter),\n\n- 4 blauwe jerrycans van 25 liter gevuld met fosforzuur (totaal 80 liter)\n\n- 16 blauwe jerrycans gevuld met zoutzuur (totaal 320 liter),\n\n- 7 blauwe jerrycans gevuld met methanol (totaal 140 liter),\n\n- 50 blauwe jerrycans gevuld met ethanol (totaal 1000liter),\n\n- 2 witte jerrycans met restanten PMK,\n\n- twee laboratorium glaswerk distillatiebochten,\n\n- diverse zwenkwielen,\n\n- metalen pijpen en koppelstukken,\n\n- een RVS schakelkast,\n\n- een gasdrukregeklaar voor propaangas,\n\n- twee metalen branderbakken met een gasbrander met gasslang en een glazen rondbodemkolf,\n\n- 2 flessen chloor (totaal 10 liter),\n\n- een jerrycan met Coleman Fuel (totaal 5 liter),\n\n- een fles met zoutzuur (totaal 5 liter),\n\n- een (vervuilde) vacuümpomp,\n\n- 20 kilo Caustic Soda,\n\n- 2 blauwe jerrycans met aceton (totaal 40 liter),\n\n- een (vacuüm)distillatie-opstelling bestaande uit twee RVS ketels en een koelbuis,\n\n- 15 kilo cellulose en\u002Fof,\n\n- een ventilatie slakkenhuis gekoppeld aan een koolstoffilter,\n\nwaarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nBij verdachte zijn verboden verdovende middelen aangetroffen en materiaal om dergelijke middelen te produceren. Verdachte heeft maar beperkt inzicht gegeven in de achtergrond van de strafbare feiten. Hij heeft enkel verklaard dat hij persoonlijk in financiële nood was komen te verkeren. Nu zou hij blijkens de verklaring van de raadsman weer een goedlopend bedrijf hebben.\n\nUit het uittreksel juridische documentatie d.d. 13 november 2023 blijkt niet van verdere relevante strafbare gedragingen.\n\nHet hof acht de door de advocaat-generaal voorgestelde afdoening in beginsel passend. De illegale productie van verdovende middelen werkt maatschappelijk ontwrichtend door de daarmee gepaard gaande gezondheidsproblemen bij gebruikers, de daarmee veelal samenhangende illegale dump van schadelijk afval en de investering van crimineel geld in de legale economie. De strafmaat moet voldoende zijn om anderen af te schrikken dit gedrag te volgen. Ook verdachte moet ervan worden weerhouden om toe te geven aan de verleiding van crimineel geld. Het hof weet weinig van verdachte. Hij is niet op zitting verschenen en heeft het hof er dus ook niet van kunnen overtuigen dat hij het verkeerde van zijn handelen inziet. Om die redenen is geen andere straf dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Het voorwaardelijk deel dient ertoe verdachte op het rechte pad te houden. Het hof zal de proeftijd op drie jaar stellen, gelet op het feit dat hij niet is verschenen om het hof te overtuigen van zijn betere houding in de toekomst.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nWat betreft de onder verdachte in beslag genomen contante geldbedragen heeft verdachte aangevoerd dat dit geld deels afkomstig was van een klus. Het andere deel had hij altijd voor reserve in huis. Nu verdachte ook een legaal bedrijf had waar hij contant geld mee kon verdienen en er geen concrete aanwijzingen zijn dat het in beslag genomen geld afkomstig was uit enig misdrijf, zal het hof bepalen dat het geld aan verdachte wordt teruggegeven.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van10 (tien) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\ngeldbedragen, groot € 1.200, € 100,00, € 10,00, € 20,00 en € 1.000,00.\n\nWijst af het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [getuige] .\n\nAldus gewezen door\n\nmr. R.G.J. Welbergen, voorzitter,\n\nmr. P.A.H. Lemaire en mr. D.R. Sonneveldt, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier,\n\nen op 29 december 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 29 december 2023.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. P.A.H. Lemaire, voorzitter,\n\nmr. N. Versloot, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of\n\nambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij\n\nhet in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 1 april 2022, genummerd zaaksdossier DECEPTION \u002F ON5R022007 \u002F BVH nummer: PI0600-2022027789, opgemaakt door politie Oost-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren..\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 74 en 75 en proces-verbaal van bevindingen, p. 77 en 78.\n\n Machtiging binnentreden woning d.d. 18 januari 2022 p. 91, proces-verbaal binnentreding woning d.d. 19 januari 2022 p. 93.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 20 januari 2022 p. 74 en 75.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 79 en het proces-verbaal van binnentreden in woning p. 96 en de indicatieve positieve tests p. 108.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [functionaris] d.d. 1 januari 2022 met bijlage, p. 83 t\u002Fm 88.\n\n Proces-verbaal van bevindingen\u002Fcontrolerapportage d.d. 25 januari 2022, p. 90.\n\n ECLI:NL:HR:2020:1889, rechtsoverweging 2.4.4.\n\n ECLI:NL:HR:2023:1159.\n\n Kamerstukken 23700 Nader rapport, par. 8 .6.3: “Wel geldt ingevolge artikel 5.1.3 dat uitsluitend die personen mogen worden meegenomen die redelijkerwijs nodig zijn voor een goede taakvervulling door de toezichthouder. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad is daarop in de memorie van toelichting nog uitdrukkelijk gewezen.”\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 januari 2022, p. 45 en 46.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 50\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 46.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:11009","2024-01-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.737Z",20]