[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-dublin-transfer-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":49,"limit":50},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},122,"dublin-transfer-nl","Dublin Transfer","NL","2026-07-08T16:57:28.069Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[],[22,33,42],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"694","ECLI:NL:RBDHA:2026:18469","ecli-nl-rbdha-2026-18469","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20364\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. E. Derksen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nHeeft de minister de asielaanvraag van eiseres aan zich getrokken door de machtiging op grond van artikel 34 van de Dublinverordening te laten ondertekenen door eiseres?\n\n5. Eiseres betoogt dat de minister de asielaanvraag van eiser inhoudelijk moet behandelen omdat eiseres een machtiging op grond van artikel 34 van de Dublinverordening heeft ondertekend. Hierin is expliciet vermeld dat Nederland als verantwoordelijke lidstaat wordt aangemerkt en dat de machtiging strekt tot het opvragen van informatie met het oog op de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Dit duidt niet op een beoordeling in het kader van de Dublinverordening. Eiseres betwist niet dat een dergelijke machtiging kan worden gebruikt om informatie op te vragen bij een andere lidstaat, maar de machtiging die eiseres heeft ondertekend heeft een andere strekking. Eiseres beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Na ondertekening van de machtiging is het gehoor beëindigd, zonder dat is verteld dat alsnog een claimverzoek bij Frankrijk zou worden gedaan. Onder deze omstandigheden heeft de minister het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk door Nederland in behandeling werd genomen. Dit is niet kenbaar in de besluitvorming betrokken.\n\n5.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de minister is aangevangen met de inhoudelijke beoordeling van haar asielaanvraag doordat eiseres de hiervoor bedoelde machtiging heeft ondertekend. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(Afdeling) volgt dat niet snel wordt aangenomen dat Nederland is aangevangen met de inhoudelijke behandeling van een asielverzoek, zolang de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek nog niet is afgerond. Ook volgt uit deze rechtsspraak dat de toestemmingsverklaring is bedoeld om informatie op te kunnen vragen bij andere lidstaten, zodat kan worden vastgesteld welk land verantwoordelijk is. Het enkele feit dat het nader gehoor van eiseres na ondertekening van de machtiging is beëindigd, maakt dit niet anders. Ook is het vertrouwensbeginsel niet geschonden. Anders dan eiseres betoogt is geen sprake geweest van een toezegging zoals de minister terecht stelt. De door eiseres ondertekende toestemmingsverklaring is een stap in een standaardprocedure die enkel ziet op het uitwisselen van informatie tussen lidstaten in het kader van de Dublinverordening. Uit deze handeling kan niet worden afgeleid dat Nederland de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk zal behandelen. Bovendien heeft de minister geen uitlatingen gedaan waaruit een dergelijke toezegging blijkt.\n\nHeeft de minister ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel getoetst ten opzichte van Kroatië?\n\n6. Eiseres betoogt dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel toetst ten opzichte van Kroatië. Eiseres voert aan dat dit onbegrijpelijk is, aangezien de minister in hetzelfde besluit stelt dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is. Dit betreft geen kennelijke verschrijving, aangezien de beoordeling of kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel een essentieel onderdeel is van de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit. Door te toetsen aan Kroatië in plaats van aan Frankrijk heeft de minister nagelaten om te beoordelen of een overdracht aan Frankrijk in lijn is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daardoor ontbreekt een dragende motivering voor het besluit. Dit gebrek kan niet worden gepasseerd met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat niet kan worden vastgesteld dat eiseres hierdoor niet in haar belangen is geschaad. Ook kan het gebrek niet in beroep worden hersteld, omdat het gaat om een essentiële inhoudelijke beoordeling.\n\n6.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op de zitting heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat dit een kennelijke verschrijving is. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om een gebrek aan te nemen. Uit het bestreden besluit blijkt evident dat de minister het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk heeft getoetst. Zoals de minister op zitting terecht heeft gesteld wordt in het bestreden besluit immers verwezen naar vaste rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van Frankrijk. Ook is het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport dat ziet op Frankrijk besproken.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n7. Eiseres betoogt dat de minister ten opzichte van Frankrijk niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de vaste rechtspraak van de Afdeling waar de minister naar verwijst volgt niet dat in alle individuele gevallen zonder nadere beoordeling tot overdracht kan worden overgegaan. Eiseres behoort tot de LHBTI-gemeenschap, wat haar een kwetsbaar persoon maakt en waardoor de minister een verzwaarde onderzoeksplicht heeft. Uit het AIDA-rapport, update 2024,blijkt dat er aanhoudende problemen zijn met betrekking tot de positie van LHBTI-asielzoekers in Frankrijk. De minister heeft ten onrechte niet onderzocht wat dit in het individuele geval van eiseres betekent bij overdracht aan Frankrijk. Bovendien heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat een terugkeer naar Frankrijk niet leidt tot een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.\n\n7.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft recent nog bevestigd dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan . In deze uitspraak is het AIDA-rapport, update 2024, besproken. De Afdeling heeft hierover geoordeeld dat uit dit rapport niet blijkt dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Uit het rapport blijkt dat problemen bestaan omtrent de positie van LHBTI-asielzoekers in Frankrijk, maar hieruit volgt niet dat homoseksuele en transgender asielzoekers in een nadeligere positie dan andere asielzoekers terecht komen. Ook ten aanzien van de opvang van asielzoekers is niet gebleken dat er structurele problemen bestaan die bij overdracht een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest opleveren. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\nIs er sprake van een situatie zoals in het arrest C.K.?\n\n8. In de aanvullende gronden van 17 juni 2026 doet eiseres een beroep op het arrest C.K. van het Hof.Uit de aanvullende documenten blijkt dat eiseres kampt met ernstige psychische klachten en zich suïcidaal heeft geuit. Het is niet in het belang van eiseres dat de medische behandeling die zij ondergaat, alsmede de specialistische psychische hulp waarvoor zij is verwezen, wordt stilgezet. Op de zitting heeft eiseres betoogd dat de minister ten onrechte geen BMA-advies heeft opgevraagd en dat de minister alsnog opgedragen moet worden om dat te doen. Dit had wel op de weg van de minister gelegen, aangezien de minister zelf niet medisch deskundig is en het risico niet zelf kan inschatten.\n\n8.1.. Uit het arrest C.K. volgt dat, ook als van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, overdracht in het kader van de Dublinverordening op zichzelf een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest kan opleveren. Dit kan met name voorkomen als de overdracht van een vreemdeling met bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen een ernstige verslechtering van zijn of haar gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben, zodat er een situatie ontstaat zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Of dit zo is, moet worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die vreemdeling. Als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn of haar gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zou kunnen leiden, moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van het Handvest als gevolg van de overdracht zelf wegnemen, maar kan daar niet altijd mee volstaan.\n\n8.2.. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiseres niet met objectieve documenten heeft onderbouwd dat zij bijzonder ernstige psychische problemen heeft die tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen bij overdracht zouden kunnen leiden. Hierdoor komt de minister niet toe aan de vergewisplicht, aangezien het suïcide-risico als gevolg van de overdracht niet als reëel of hoog is ingeschat door een medisch deskundige. Om die reden heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om een BMA-advies op te vragen. Hoe treurig ook, is de enkele omstandigheid dat eiseres een suïcidale poging heeft gedaan onvoldoende om aan te nemen dat de overdracht een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling oplevert. In dit kader heeft de minister op de zitting toegelicht dat ten tijde van de overdracht maatregelen getroffen kunnen worden wanneer dit nodig wordt geacht.\n\nHad de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?\n\n9. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De minister heeft ten onrechte niet beoordeeld of de kwetsbaarheid, de positie van eiseres als LHBTI-persoon, de omstandigheid dat eiseres in Nederland onder medische behandeling staat en een sociaal netwerk heeft opgebouwd, aanleiding geven om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening.\n\n9.1.. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De door eiseres gestelde kwetsbaarheid, de positie van eiseres als LHBTI-persoon en het feit dat zij in Nederland onder medische behandeling staat en een sociaal leven heeft opgebouwd, zijn geen zodanige bijzondere individuele omstandigheden waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nDit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n ABRvS 11 september 2014, ECLI:NL:RVS:2015:3385.\n\n AIDA-rapport Frankrijk, update 2025 (juni 2025).\n\n ABRvS 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.\n\n HvJEU, arrest C.K. 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18469","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:43.597Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1703","ECLI:NL:RBDHA:2026:17557","ecli-nl-rbdha-2026-17557","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.16863\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. B.G. Smouter),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie\n\n(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister tot verlenging van de termijn om eiser aan Frankrijk over te dragen (de overdrachtstermijn). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de verlenging van de overdrachtstermijn.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de verlenging van de overdrachtstermijn niet in stand kan blijven, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser is ondergedoken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 4 april 2025 heeft de minister de overdrachtstermijn van eiser verlengd.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Eiser heeft op 9 december 2024 een asielaanvraag ingediend. Op grond van de (toen geldende) Dublinverordening heeft de minister vastgesteld dat niet Nederland, maar Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van deze asielaanvraag. De minister heeft Frankrijk daarom op 17 januari 2025 verzocht om eiser terug te nemen. Frankrijk heeft dit verzoek op 28 januari 2025 geaccepteerd.\n\n3.1.. De minister heeft de asielaanvraag van eiser vervolgens met het besluit van 5 maart 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit besluit omvat ook een overdrachtsbesluit. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 maart 2025. Deze zittingsplaats van de rechtbank heeft dit beroep met haar uitspraak van 27 juni 2025 ongegrond verklaard.Eiser heeft hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op dit hoger beroep nog geen uitspraak gedaan.\n\n3.2.. Met het bestreden besluit heeft de minister de overdrachtstermijn verlengd, omdat hij vindt dat eiser is ondergedoken.\n\nIs eiser ondergedoken?\n\n4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij zou zijn ondergedoken. Het bestreden besluit behelst immers slechts de vaststellingdat eiser is ondergedoken (zonder nadere motivering) en uit het dossier blijkt ook niet welke feiten aanleiding zouden kunnen hebben gegeven tot de conclusie dat eiser is ondergedoken. Bovendien was feitelijk gezien ook geen sprake van onderduiken. Eiser verbleef naar eigen zeggen op de dag van de geplande (vrijwillige) overdracht (2 april 2025) op zijn kamer in het opvangcentrum. In de ochtend klopten medewerkers van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) bij eiser aan om hem op te halen voor de geplande vlucht. Eiser heeft toen geweigerd om mee te gaan. Zijn beroep tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag zou namelijk enkele dagen later (op 10 april 2025) op zitting worden behandeld en eiser wilde de uitkomst van die procedure in Nederland afwachten. De medewerkers van de DV&O hebben dat genoteerd, en zijn toen (zonder eiser) weer vertrokken. Voor zover dat volgens de minister voldoet aan de definitie van ‘onderduiken’, is dat standpunt onjuist.\n\n4.1.. De minister heeft de overdrachtstermijn verlengd, omdat eiser volgens hem is ondergedoken. In het verweerschrift heeft de minister toegelicht dat eiser ruim van tevoren is geïnformeerd over de datum van de geplande overdracht en het geplande ophaalmoment, en dat hem (meermaals) is verteld dat hij beschikbaar moest blijven voor de verwijderingsprocedure en medewerking moest verlenen aan de overdracht. Omdat eiser op het geplande ophaalmoment echter niet aanwezig was op zijn kamer op de opvanglocatie en ook niet elders (zichtbaar) aanwezig was op het terrein van de opvanglocatie,is sprake van onderduiken in de zin van de Dublinverordening. De minister stelt verder dat ook als moet worden uitgegaan van de feiten zoals door eiser gepresenteerd volgens hem sprake is van onderduiken. Eiser heeft in dat geval niet meegewerkt aan een verplichte overdracht. Bovendien wist hij dat hij zijn beroep tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag niet in Nederland mocht afwachten, omdat het door hem ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende dat beroep was afgewezen.4.2.. De beroepsgrond van eiser slaagt. De minister heeft de overdrachtstermijn ten onrechte verlengd op de grond dat eiser is ondergedoken.\n\n4.2.1.. Van ‘onderduiken’ in de zin van de Dublinverordening is sprake als een asielzoeker er doelbewust voor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het oog om deze overdracht te voorkomen. Dat wordt vermoed het geval te zijn wanneer de vreemdeling zijn woonplaats verlaat zonder de bevoegde autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te stellen én de vreemdeling van tevoren is geïnformeerd over de verplichtingen die in dat kader op hem rusten.\n\n4.2.2.. Het is tussen partijen niet in geschil dat eiser van tevoren is geïnformeerd over de overdracht en dat hem van tevoren is verteld dat hij daaraan moest meewerken. Eiser heeft echter wel (gemotiveerd) betwist dat hij op het moment van het ophaalmoment niet op zijn kamer of op de opvanglocatie verbleef. De minister stelt zich op het standpunt dat dit uit het overgelegde TBBA-formulier voldoende blijkt, maar de rechtbank volgt dat standpunt niet. Afgezien nog van het feit dat het formulier een standaardformulier lijkt te zijn dat verder niet op eiser is toegespitst en niet volledig is ingevuld (omdat enkele data ontbreken), is het onduidelijk door wie en in welke hoedanigheid het formulier is ingevuld en is het niet ondertekend. Hoewel dit – zoals de minister heeft gesteld – op zich geen afbreuk doet aan de (rechts)geldigheid van het formulier, heeft het wel gevolgen voor de bewijswaarde van het formulier. Zonder ondertekening kan de rechtbank aan het overgelegde TBBA-formulier niet dezelfde bewijswaarde toekennen als aan (bijvoorbeeld) een op ambtseed of -belofte opgemaakt proces-verbaal, en behelst het formulier slechts een schriftelijke herhaling van het standpunt van de minister zoals vervat in het bestreden besluit en het verweerschrift. Vanwege de beperkte bewijswaarde en gelet op de gemotiveerde betwisting door eiser, gaat de rechtbank niet uit van de feiten zoals gepresenteerd in het TBBA-formulier. Omdat de minister zijn standpunt dat eiser zich op het ophaalmoment buiten bereik van de autoriteiten bevond op dit TBBA-formulier heeft gebaseerd, heeft dit oordeel tot gevolg dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser op 2 april 2025 is ondergedoken.\n\n4.2.3.. Ook als de rechtbank uitgaat van de feiten zoals door eiser gepresenteerd, kan niet worden gesproken van ‘onderduiken’ in de zin van de Dublinverordening. In dat geval zou het onderduiken gelegen zijn in de weigering van eiser om met de medewerkers van de DV&O mee te gaan. Uit de rechtspraak volgt echter dat dit slechts gelijk zou kunnen staan aan het frustreren van de overdracht,maar – zoals eiser terecht heeft gesteld – niet de conclusie rechtvaardigt dat eiser op het moment van de geplande overdracht buiten het bereik van de autoriteiten was en dus is ondergedoken. In zoverre is dus ook niet van belang wáárom eiser de overdracht heeft gefrustreerd en dat hij zijn beroep niet in Nederland mocht afwachten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is gegrond, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser is ondergedoken. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals eiser heeft verzocht, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag van eiser en\u002Fof dat de minister eiser moet opnemen in de nationale procedure. Dat heeft immers betrekking op de asielaanvraag van eiser, terwijl dit beroep slechts gaat over de vraag of de minister de overdrachtstermijn mocht verlengen. De rechtbank zou in dat geval buiten de grenzen van het geschil treden.Dat de oorspronkelijke overdrachtstermijn inmiddels ruimschoots is verstreken en de verantwoordelijkheid van Nederland voor de asielaanvraag van rechtswege volgt uit de vernietiging van het bestreden besluit, is geen reden om daar anders over te oordelen.\n\n5.1.. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten van elk € 934, met een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Rb. Den Haag (zp Arnhem) 27 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11344.\n\n Eiser wijst op ABRvS 15 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3787.\n\n De minister wijst ter onderbouwing op het formulier ‘Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten in de zin van de Dublinverordening ter verlenging van de Uiterste Overdrachtstermijn’ (het TBBA-formulier) van 2 april 2025.\n\n Rb. Den Haag (zp Arnhem) (vzr.) 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5540.\n\n ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630, met verwijzing naar HvJEU 19 maart 2019, C-163\u002F17, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), r.o. 56, 61-62 en 70. Vergelijk ook paragraaf C1\u002F2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (zoals die gold vóór 12 juni 2026).\n\n ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630, r.o. 7.\n\n Vergelijk artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17557","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:34.388Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"1704","ECLI:NL:RBDHA:2026:17534","ecli-nl-rbdha-2026-17534","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.46252\n uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. A. Heida),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie\n\n(gemachtigde: mr. M. Dalhuizen).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Volgens de minister ligt de verantwoordelijkheid voor de behandeling van die aanvraag bij Duitsland. Eiser is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal hierna te bespreken beroepsgronden aan.\n\n1.1.. De rechtbank komt tot het oordeel dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft de aanvraag daarom terecht niet in behandeling genomen. Omdat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, is het beroep gegrond. Maar de minister heeft dit motiveringsgebrek in beroep hersteld, zodat eiser alsnog geen gelijk krijgt. De rechtbank licht dit hierna toe.\n\n1.2.. De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop (2) en de relevante feiten (3) uiteen. De rechtbank beoordeelt eerst onder 4 of de minister voldoende heeft gemotiveerd dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Daarbij betrekt zij het arrest Qassioun.Vervolgens beoordeelt de rechtbank of een overdracht aan Duitsland indirect refoulement oplevert (5). Daarna bespreekt de rechtbank de beroepsgrond over het verstrijken van de uiterste overdrachtstermijn (6). Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (7).\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 4 juli 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 22 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n2.1.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft gronden van beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op een enkelvoudige zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister – mr. P. Boelhouwer – deelgenomen. Het onderzoek is op die zitting gesloten. Op 10 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep verwezen naar de meervoudige kamer. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van dezelfde datum bepaald dat eiser niet aan Duitsland mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist.\n\n2.3.. De zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWat zijn de relevante feiten?\n\n3. Eiser komt uit Syrië. Hij heeft op 19 april 2024 in Duitsland een asielaanvraag ingediend. De Duitse autoriteiten hebben hem op 15 augustus 2024 internationale bescherming verleend in de vorm van subsidiaire bescherming. Deze status is op 4 juni 2025 ingetrokken. Dat besluit staat sinds 25 juni 2025 in rechte vast. De minister heeft Duitsland daarom op 17 juli 2025 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Op 23 juli 2025 zijn de Duitse autoriteiten hiermee akkoord gegaan. Daarbij hebben de Duitse autoriteiten meegedeeld dat overdracht niet meer nodig was, omdat eiser zelf al naar Duitsland was gereisd. Eiser heeft zich echter op 4 augustus 2025 opnieuw gemeld bij het aanmeldcentrum in Ter Apel. Naar aanleiding daarvan heeft de minister op 15 september 2025 een nieuw terugnameverzoek op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening bij de Duitse autoriteiten ingediend. Duitsland heeft ook dit verzoek op 19 september 2025 aanvaard.\n\nIs Duitsland verantwoordelijk voor de asielaanvraag?\n\n4. Eiser betoogt dat de Dublinverordening niet op hem van toepassing is en dat daarom geen sprake is van een rechtsgeldig overdrachtsbesluit. Volgens eiser zijn het claimverzoek, het claimakkoord en het overdrachtsbesluit ten onrechte gebaseerd op artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Die bepaling heeft betrekking op afgewezen asielverzoeken. De situatie van eiser verschilt daarvan, omdat Duitsland hem eerst internationale bescherming heeft verleend en deze pas later heeft ingetrokken.\n\n4.1.. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Qassioun geoordeeld dat artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening niet ziet op de situatie waarin een eerder verleende verblijfstitel niet wordt verlengd of vernieuwd. Volgens het Hof van Justitie volgt uit de tekst van die bepaling dat in zo’n geval eerder positief is beslist op het verzoek om internationale bescherming.Daarom is geen sprake van een ‘afwijzing’ in de zin van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Het Hof van Justitie komt op grond van een systematische en teleologische uitleg tot dezelfde conclusie.\n\n4.1.1.. De rechtbank stelt vast dat het in dit geval niet gaat om het niet verlengen van een eerdere verblijfstitel, maar om intrekking van internationale bescherming. Het arrest Qassioun is echter ook op die situatie van toepassing, omdat ook in dat geval eerder positief is beslist op het verzoek om internationale bescherming. De minister heeft dit op de zitting van 30 april 2026 ook niet betwist. Dit betekent dat de minister het overdrachtsbesluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Het besluit is daarom niet deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het besluit.\n\n4.2.. De minister heeft zich in het verweerschrift van 10 november 2025, en op beide zittingen, subsidiair op het standpunt gesteld dat Duitsland verantwoordelijk is op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. De rechtbank ziet hierin aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.\n\n4.2.1.. \n\nUit het arrest Qassioun volgt dat de situatie van een derdelander met een verlopen verblijfstitel niet in artikel 18, eerste lid, onder d, maar in artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening is geregeld.Eiser valt onder die bepaling. Zijn eerdere subsidiaire beschermingsstatus in Duitsland kan worden aangemerkt als ‘verblijfstitel’.Niet in geschil is dat hij het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten en de verblijfstitel is minder dan twee jaar verlopen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat geen sprake is van een verlopen verblijfstitel omdat de status is ingetrokken. Met die intrekking is immers een einde gekomen aan de geldigheid van de eerder verleende verblijfstitel. In zoverre verschilt de situatie niet wezenlijk van die waarin een verblijfstitel niet wordt verlengd of vernieuwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de tekst van artikel 12, vierde lid, niet volgt dat deze bepaling uitsluitend ziet op verblijfstitels die door tijdsverloop zijn geëindigd.\n\nIndien de Uniewetgever een onderscheid had willen maken tussen een verlopen, niet-verlengde of ingetrokken verblijfstitel, had het voor de hand gelegen dat expliciet in de bepaling tot uitdrukking te brengen. Voor de door eiser voorgestane beperkte uitleg van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening ziet de rechtbank daarom geen aanleiding.\n\n4.2.2.. De minister kon het overdrachtsbesluit daarom niet baseren op artikel 18, eerste lid, onder d, maar wel op artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond dat de Dublinverordening niet op eiser van toepassing is, slaagt dus niet.\n\n4.2.3.. Dat artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening niet in het claimverzoek en het claimakkoord zijn genoemd, maakt dit niet anders. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen, betekent het noemen van een onjuiste grondslag in een claimverzoek of\u002Fen claimakkoord niet dat geen geldig claimakkoord tot stand is gekomen. Wel geldt dat de minister de betrokken lidstaat volledig moet informeren.Daaraan is voldaan. In beide claimverzoeken is vermeld dat eiser internationale bescherming had in Duitsland en wanneer die verblijfstitel is ingetrokken. De Duitse autoriteiten konden daarom voldoende geïnformeerd op het claimverzoek beslissen en hebben zich ook tweemaal verantwoordelijk geacht. De rechtbank betrekt hierbij ook dat pas met het arrest Qassioun duidelijk is geworden dat in een situatie als de onderhavige artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening als de juiste grondslag heeft te gelden, en niet artikel 18, eerste lid, onder d.\n\nMoet de minister het risico op indirect refoulement beoordelen?\n\n5. Eiser betoogt dat zijn overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op refoulement met zich meebrengt, omdat hij vreest dat de Duitse autoriteiten hem direct na overdracht naar Syrië zullen terugsturen.\n\n5.1.. Uit de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023en de Afdeling van 12 juni 2024volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als de verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in die lidstaat. Eiser heeft niet onderbouwd gesteld dat dergelijke systeemfouten zich voordoen. Voor zover eiser in dit verband heeft aangevoerd dat hij in Duitsland geen rechtsmiddel kon instellen tegen de intrekking van zijn asielstatus, volgt de rechtbank hem hierin niet. Eiser heeft zelf een bijlage met rechtsmiddelen-informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij die mogelijkheid wél had.Dat die rechtsbijstand niet gratis is, doet daaraan niet af. De Procedurerichtlijn verplicht enkel tot kosteloze rechtsbijstand bij een procedure tegen de afwijzing van een eerste asielverzoek. Als eiser problemen ondervindt met procedures, zijn gemachtigde of zijn behandeling door de Duitse autoriteiten, moet hij dat voorleggen aan de (hogere) Duitse instanties. Er zijn geen aanwijzingen dat die autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.\n\n5.2.. Het is de rechtbank ook anderszins niet gebleken dat zich systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voordoen in Duitsland. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat. Dit dient in Duitsland te worden beoordeeld. Bovendien heeft Duitsland met de expliciete claimakkoorden te kennen gegeven de asielaanvraag van eiser te zullen behandelen. Daarbij is Duitsland gehouden de uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM voortvloeiende verplichtingen, waaronder het verbod van (indirect) refoulement, in acht te nemen.Deze beroepsgrond slaagt dus niet.\n\nIs de uiterste overdrachtsdatum verstreken?\n\n6. Eiser heeft in beroep opgemerkt dat de overdrachtstermijn op 23 juli 2025 (de datum van het eerste claimakkoord van de Duitse autoriteiten) is gaan lopen en niet pas op 19 september 2025 (de datum van het tweede claimakkoord). Voor zover eiser hiermee betoogt dat de overdrachtstermijn is verstreken, volgt de rechtbank hem daarin niet. Zelfs als wordt uitgegaan van 23 juli 2025 als aanvangsdatum, is de overdrachtstermijn niet verstreken. De voorzieningenrechter heeft namelijk op 10 december 2025, en dus binnen zes maanden na 23 juli 2025, een voorlopige voorziening getroffen. Daarmee is de overdrachtstermijn opgeschort. Na deze uitspraak vangt daarom een nieuwe overdrachtstermijn van zes maanden aan.Alleen daarom al slaagt deze beroepsgrond niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit daarom. De rechtbank laat uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.401,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting van 30 april 2026, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 22 september 2025;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.401,00 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzitter, en mr. G.A. van der Straaten en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid mr. R. Barzilay, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n HvJEU (Qassioun) 30 oktober 2025, ECLI:EU:C:2025:838.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:23823.\n\n Punt 54.\n\n Punten 56-65.\n\n Punt 59. Zie ook conclusie bij dit arrest, punt 43 en 58.\n\n Zie ook de ruime definitie van ‘verblijfstitel’ in artikel 2, onder l, van de Dublinverordening. Dat het begrip ruim moet worden opgevat volgt ook uit HvJEU (E.S.) 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:683 onder 35.\n\n Uit het besluit van de Duitse autoriteiten van 4 juni 2025 blijkt niet dat sprake is van een intrekking met terugwerkende kracht.\n\n ABRvS 19 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1563, onder 2.1 en ABRvS 24 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2289, onder 7.3 en ABRvS 19 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1563, onder 2.1.\n\n Hof van Justitie, 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.\n\n ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.\n\n Duitse intrekkingsbesluit van 4 juni 2025, pagina 12.\n\n ABRvS 30 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2580, onder 4.\n\n ABRvS 27 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3506, ABRvS 18 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM5523 en ABRvS 23 februari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS8549. Zie ook HvJEU (Petrosian) 29 januari 2009, ECLI:EU:C:2009:41, onder 45 en 53 en HvJEU (Khir Amayry) 13 september 2017, ECLI:EU:C:2017:675, onder 55.\n\n De rechtbank heeft in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 december 2025 al een punt toegekend voor de zitting van 11 november 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17534","2026-07-13T00:29:34.428Z",1,20]