[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-immigration-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":52},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},146,"immigration-law-nl","Immigration Law","NL","2026-07-08T16:58:36.005Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122332","Vreemdelingenwet","",1,[27,37,45],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"658","ECLI:NL:RBDHA:2026:18615","ecli-nl-rbdha-2026-18615","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34750 en NL26.34805\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 6 juni 2026 heeft de minister aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nHeeft de minister zijn bevoegdheid tot het opleggen van de maatregel van bewaring gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is gegeven?\n\n1. Eiser betoogt allereerst dat bij de oplegging van de maatregel van bewaring sprake is geweest van détournement de pouvoir. De maatregel van bewaring is enkel opgelegd omdat eiser overlast gaf en verward was, maar de crisisdienst hem niet wilde opnemen. Daar is de maatregel van bewaring niet voor bedoeld.\n\n1.1.. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat sprake is van détournement de pouvoir wanneer het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.\n\n1.2.. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 juni 2026 volgt dat bij de politie een melding binnenkwam dat een jongen, eiser, overlast veroorzaakte, verward overkwam en voor het politiebureau stond. Hierop hebben verbalisanten met eiser gesproken. Nadat zij in het politiesysteem zagen dat eiser verwijderbaar was maar dat de vreemdelingenpolitie hier eerder niet op had ingezet, hebben zij eiser weggestuurd. Enkele minuten later zagen de verbalisanten echter dat eiser voor het politiebureau zich al zwaaiend met een deksel van een prullenbak naar een man bewoog. Hierop hebben de verbalisanten eiser in de hal van het politiebureau gezet. Nadat de crisisdienst liet weten eiser niet op te nemen, is hij aangehouden voor verstoring van de openbare orde.\n\n1.3.. De rechtbank is van oordeel dat uit deze gang van zaken volgt dat sprake is van een strafrechtelijke aanhouding. Dit betekent dat de rechtbank de beslissing om eiser aan te houden en na afronding van het strafrechtelijke traject over te dragen aan de vreemdelingenpolitie, niet op juistheid kan toetsen.De bewaringsrechter is namelijk niet bevoegd te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Bovendien is het niet de minister van Asiel en Migratie die beslissingen neemt in het strafrechtelijke voortraject. In die zin kan de beslissing om eiser aan te houden nadat een overdracht aan de crisisdienst niet mogelijk bleek, niet aan de minister worden toegerekend. Van misbruik van bevoegdheid bij het vervolgens opleggen van de maatregel van bewaring is dan ook geen sprake. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord en de minister heeft vervolgens een eigen afweging gemaakt om eiser in bewaring te stellen.\n\nBestaat er zich op uitzetting?\n\n2. Eiser betoogt verder dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn geval ontbreekt. Hij is al vanaf 2018 in aanraking gekomen met justitie, maar de vreemdelingenpolitie heeft nooit een poging ondernomen om eiser uit te zetten. Hieruit volgt dat uitzetting waarschijnlijk niet zal slagen en dat de kans dat een laissez-passer (lp) zal worden afgegeven daarom ook klein is. Bovendien heeft eiser als minderjarige Marokko verlaten en geen identificerende documenten. Het is daarom maar de vraag of hij geregistreerd staat in Marokko.\n\n2.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn algemeenheid niet ontbreekt.Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dit in het specifieke geval van eiser anders is. Het enkele feit dat niet eerder een poging is ondernomen om eiser uit te zetten, betekent niet dat alleen daarom zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser heeft bovendien op geen enkele manier onderbouwd dat minderjarigen in Marokko niet zijn geregistreerd, en dat het daarom onwaarschijnlijk is dat aan eiser een lp zal worden verstrekt.\n\n2.2.. Het betoog van eiser dat vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting geen aanvullend terugkeerbesluit opgelegd had kunnen worden, slaagt daarom evenmin.\n\nHeeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?\n\n3. Eiser betoogt tot slot dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld voorafgaand aan de inbewaringstelling. De minister had al uitzettingshandelingen moeten verrichten tijdens de diverse eerdere straftrajecten.\n\n3.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld sinds de inbewaringstelling van eiser. Eiser is op 6 juni 2026 in bewaring gesteld en vier dagen later, op 10 juni 2026, heeft een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Op 17 juni 2026 is vervolgens een lp-aanvraag ingediend en op de zitting heeft de minister toegelicht dat op 26 juni 2026 is gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat de minister ook al voor de inbewaringstelling uitzettingshandelingen had moeten verrichten, volgt de rechtbank niet. In zoverre eiser in dat kader wijst op paragraaf A5\u002F6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 waaruit volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken, oordeelt de rechtbank dat deze inspanningsverplichting in dit geval niet geldt. In geval van eiser is namelijk geen sprake van een periode van strafrechtelijke detentie direct voorafgaand aan de inbewaringstelling.\n\nLeidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af..\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.\n\n ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190.\n\n Zie ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ABRvS 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18615","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.586Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":41,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":42,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":35,"updatedAt":44},"1859","ECLI:NL:RBDHA:2026:18000","ecli-nl-rbdha-2026-18000","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL21.18286\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit weliswaar vernietigd moet worden, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Dat betekent dat eiseres wel gelijk krijgt en dat het beroep gegrond is, maar dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen omdat hij de aanvraag wel terecht heeft afgewezen. De minister had het besluit namelijk niet goed gemotiveerd, maar hij heeft dat in beroep alsnog gedaan. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar (gestelde) vader [naam vader\u002Freferent] (referent) in Nederland. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 31 maart 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 oktober 2021 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft op 16 mei 2023 nog een aanvullende motivering verzonden.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWat ging er aan deze zaak vooraf?\n\n3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor verblijf bij referent. Referent woont al langere tijd in Nederland. Hij heeft rechtmatig verblijf onder de beperking ‘residence card for a family member of an EU citizen’. Hij verblijft onder die beperking bij zijn Nederlandse kinderen. Eiseres is in 2008 geboren uit een eerdere relatie. In 2019 is het contact tussen eiseres en referent ontstaan dan wel hersteld.\n\n3.1.. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen om een aantal verschillende redenen. Zo is voor inwilliging van de aanvraag vereist dat referent ten tijde van die aanvraag al minimaal één jaar houder is van een verblijfsvergunning regulier. Daarvan was volgens de minister geen sprake ten tijde van het primaire besluit. Verder voldeed referent ten tijde van het primaire besluit volgens de minister niet aan het middelenvereiste, omdat hij een uitkering ontving op grond van de Participatiewet. Bij de aanvraag ontbraken volgens de minister ook een aantal bewijsstukken, zoals een gelegaliseerde geboorteakte van eiseres, een document waaruit blijkt dat referent rechtmatig gezag heeft over eiseres, een paspoort van de achterblijvende moeder in het land van herkomst en bewijsstukken waaruit blijkt dat eiseres al voor het vertrek van referent uit Sierra Leone tot zijn gezin behoorde. De minister nam verder niet aan dat sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, zodat eiseres ook niet op die grond moest worden toegestaan om in Nederland te verblijven.\n\n3.2.. In bezwaar heeft eiseres onder andere naar voren gebracht dat referent niet langer een beroep doet op de uitkering op grond van de Participatiewet. Hij werkt namelijk inmiddels in loondienst. Verder heeft eiseres erop gewezen dat op de achterzijde van de door haar overgelegde geboorteakte wel een stempel ter legalisatie aanwezig is. Eiseres heeft verder een ‘voter id-card’ van haar achterblijvende moeder overgelegd en screenshots van WhatsApp-gesprekken tussen haar en referent om hun familieband te onderbouwen.\n\n3.2.1.. De minister heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De minister erkent in dat besluit dat het verblijfsrecht dat referent ontleent aan artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) niet als tijdelijk verblijfsrecht staat vermeld in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Het moet volgens de minister echter wel worden gelijkgesteld aan een tijdelijk verblijfsrecht. Het inkomen dat referent ten tijde van het bestreden besluit inmiddels genereerde is verder volgens de minister niet voldoende en ook niet duurzaam. Referent voldoet daarom nog steeds niet aan het middelenvereiste. Op de id-kaart van de moeder van eiseres staat geen handtekening, zodat deze niet vergeleken kan worden met de handtekening op de toestemmingsverklaring waaruit zou moeten blijken dat de (achterblijvende) moeder van eiseres toestemming geeft voor het vertrek van eiseres. De minister stelt zich verder op het standpunt dat ook in bezwaar niet is gebleken dat referent het rechtmatige gezag heeft over eiseres en dat tussen hen geen gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat niet is aangetoond dat sprake is van hechte, persoonlijke banden tussen referent en eiseres.\n\n3.3.. In beroep heeft de minister verzocht de zaak aan te houden. Uit rechtspraak van na het bestreden besluit volgt dat een derdelander ouder met een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU onder voorwaarden verblijfsgever kan worden voor een derdelander (voor)kind. De minister heeft daarom besloten om eiseres alsnog te horen over haar bezwaar en heeft haar daartoe gevraagd een aantal bewijsstukken te overleggen en vragen te beantwoorden.\n\n3.3.1.. Eiseres heeft in reactie op de vragen van de minister een aantal bewijsstukken overgelegd. Zij heeft foto’s overgelegd van een recent bezoek van referent aan haar in Nigeria. Verder heeft zij screenshots van WhatsApp-gesprekken tussen haar en (naar gesteld) referent overgelegd. Ook is een geboorteakte overgelegd, een overlijdensakte van de moeder van eiseres en een bewijs dat er geld is overgemaakt aan de man waar eiseres sinds het overlijden van haar moeder verblijft. Eiseres en referent zijn ook gehoord over hun bezwaarschrift.\n\n3.3.2.. De minister heeft op 16 mei 2023 een stuk ingediend met aanvullende motivering. Uit die motivering blijkt dat de tijdelijke aard van het verblijfsrecht van referent niet langer aan eiseres wordt tegengeworpen. Wel handhaaft de minister het standpunt dat tussen eiseres en referent geen sprake is van hechte, persoonlijke banden en dat eiseres om die reden niet feitelijk tot het gezin van referent behoort. De minister betrekt daarbij onder andere dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat referent al voor 2019 contact had met eiseres, dat het contact blijkens de WhatsApp-gesprekken nog steeds niet als intensief is aan te merken en dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat referent betrokken is bij de opvoeding en verzorging van eiseres. Dat de moeder van eiseres ten tijde van het aanvullende besluit inmiddels was overleden maakt niet dat eiseres daardoor afhankelijk is van referent, nu zij verblijft bij een man die ook voor het overlijden van haar moeder hielp met de verzorging en opvoeding van eiseres.\n\n3.3.2.1. Eiseres heeft gereageerd op de aanvullende motivering van 16 mei 2023.\n\n3.3.3.. Blijkens het dossier heeft het zusje van eiseres, [naam zusje] ([naam zusje]), op een later moment ook een aanvraag ingediend voor verblijf bij referent. Dat dossier is geen onderdeel van de onderhavige beroepsprocedure. De minister betrekt het dossier van [naam zusje] toch bij de zaak van eiseres, omdat [naam zusje] bij haar aanvraag een aantal van dezelfde documenten heeft overgelegd als eiseres, waaronder de overlijdensakte van hun moeder. In de procedure van [naam zusje] heeft de minister dat document door Bureau Documenten laten onderzoeken. Die onderzoeksresultaten heeft de minister wél toegevoegd aan het dossier in deze zaak. Bureau Documenten concludeert dat de overlijdensakte een valse legalisatie bevat. [naam zusje] heeft ook een aantal andere documenten overgelegd die niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven en die frauduleus zijn gelegaliseerd en\u002Fof verkregen. De minister twijfelt daarom ook aan de door eiseres overgelegde documenten en heeft eiseres verzocht haar geboorteakte in het origineel te overleggen, om alsnog onderzocht te kunnen worden door Bureau Documenten. Eiseres heeft aan dit verzoek voldaan.\n\n3.3.4.. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 7 november 2023 volgt dat de door eiseres overgelegde geboorteakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is, omdat de verschijningsvorm en opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Verder is volgens Bureau Documenten de legalisatie van het Ministerie van Buitenlandse zaken vals, omdat die afwijkt van het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal.\n\n3.3.4.1. De minister stelt zich als gevolg hiervan op het standpunt dat de geboorteakte de gestelde familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet alsnog heeft onderbouwd en zelfs ontkracht dat sprake is van een dergelijke relatie.\n\n3.3.4.2. In reactie op de verklaring van onderzoek van 7 november 2023 heeft eiseres aangekondigd een contra-expertise te willen laten uitvoeren door de ambassade van Sierra Leone. Eiseres heeft verder een aantal nieuwe documenten overgelegd:\n\n - een nieuwe geboorteakte met legalisatie;\n\n - een rapport van 1 februari 2024 van de school van eiseres;\n\n- een brief van de school van eiseres waarin onder andere staat dat referent de schoolkosten betaalt en verantwoordelijkheid neemt voor zijn dochter;\n\n- een schoolrapport van schooljaar 2022\u002F2023 en\n\n- een ‘school leaving certificate and testimonial’.\n\n3.3.5.. De minister heeft de door eiseres overgelegde documenten laten onderzoeken door Bureau Documenten. Uit dat onderzoek blijkt dat de geboorteakte echt is, maar wordt het voorbehoud gemaakt dat indien voor de verkrijging van die geboorteakte de eerdere (met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt bevonden) geboorteakte is gebruikt, de nieuwe geboorteakte frauduleus is verkregen. Verder zijn op de door eiseres aangeleverde schooldocumenten wijzigingen aangetroffen en\u002Fof wijken zij af van het beschikbare vergelijkingsmateriaal.\n\n3.3.5.1. Eiseres heeft op dit laatste onderzoek gereageerd. Daarbij heeft eiseres onder andere gesteld dat voor de geboorteakte geen fotokopie van de eerdere geboorteakte is gebruikt.\n\n3.3.6. De minister heeft hierop een verweerschrift ingediend.\n\nIs het bestreden besluit voldoende gemotiveerd?\n\n4. De minister heeft eiseres na het indienen van haar beroep alsnog gehoord en heeft daarna ook een aanvullende motivering uitgebracht. In die aanvullende motivering heeft de minister expliciet aangegeven dat de aard van het verblijfsrecht niet langer wordt tegengeworpen. De minister heeft zijn standpunt dus gewijzigd. De rechtbank leidt daaruit af dat de minister van mening is dat het besluit van 26 oktober 2021 onvoldoende (of onjuist) was gemotiveerd. Dat besluit komt alleen daarom al voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is dus gegrond.\n\n4.1.. De rechtbank zal hieronder aan de hand van de beroepsgronden van eiseres en de door de minister gegeven aanvullende motivering beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank komt tot de conclusie dat dat het geval is.\n\nWat zijn de afwijzingsgronden die ten grondslag liggen aan de afwijzing van de aanvraag van eiseres?\n\n5. De rechtbank stelt vast dat de minister de volgende afwijzingsgronden ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit om de aanvraag van eiseres voor verblijf als familie- of gezinslid bij referent af te wijzen: referent voldoet niet aan het middelenvereiste, er is geen controleerbare toestemmingsverklaring van de overblijvende ouder overgelegd en niet is aangetoond dat referent rechtmatig gezag heeft over eiseres. Eiseres heeft hiertegen beroepsgronden ingediend waar de rechtbank hieronder op zal ingaan.\n\nMocht de minister het middelenvereiste aan eiseres tegenwerpen?\n\n6. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat de inkomsten van referent niet voldoende en ook niet duurzaam zouden zijn. De minister heeft volgens eiseres namelijk ten onrechte en in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn niet gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval, met name de beoordeling van het risico dat een beroep wordt gedaan op de openbare kas. Van belang is namelijk dat de inkomsten toereikend zijn en in zekere mate een bestendig en continu karakter hebben, zodat redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat eiseres ten laste komt van het stelsel van sociale bijstand.\n\n6.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat referent niet aan het in de Nederlandse wetgeving geformuleerde middelenvereiste voldoet is blijkens de beroepsgrond niet in geschil. In geschil is de vraag of de minister dat ook aan eiseres mocht tegenwerpen, omdat het risico laag zou zijn dat eiseres ten laste zou komen van het stelsel van sociale bijstand en omdat aan de geest van de wet met betrekking tot de hoogte en de duurzaamheid van de middelen zou zijn voldaan. Zoals de minister ook in het verweerschrift aanhaalt volgt uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn dat lidstaten mogen verzoeken om bewijs dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hem en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Die bepaling is onder andere geïmplementeerd in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 3.73 en verder van het Vreemdelingenbesluit 2000. Uit het bestreden besluit volgt dat de minister de beoordeling conform die artikelen heeft verricht. Daarbij heeft de minister voldoende rekening gehouden met eventuele uitzonderingsgronden en ook voldoende individueel getoetst of het inkomen van referent valt aan te merken als ‘stabiel’ en ‘regelmatig’. Juist nu daaraan niet wordt voldaan kunnen de inkomsten, anders dan eiseres stelt, niet worden aangemerkt als ‘in zekere mate bestendig en continu’. Dat de inkomsten wel als zodanig moeten worden aangemerkt en dat daarom redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat eiseres ten laste komt van het stelsel van sociale bijstand volgt de rechtbank dus niet. Dat de minister met zijn beoordeling in strijd zou hebben gehandeld met de Gezinsherenigingsrichtlijn is door eiseres verder niet onderbouwd.\n\nMocht de minister eiseres tegenwerpen dat geen toestemmingsverklaring van haar achterblijvende moeder is overgelegd, mede gelet op de overgelegde overlijdensakte?\n\n7. Eiseres voerde in eerste instantie aan dat de minister haar moeder in de gelegenheid had moeten stellen een toestemmingsverklaring te tekenen op de Nederlandse ambassade, nu er voor haar geen identiteitsdocument met handtekening aanwezig is. Gedurende de beroepsprocedure is de moeder van eiseres (naar gesteld) overleden. Dat is volgens eiseres voldoende aannemelijk gemaakt. Een toestemmingsverklaring kan daarom volgens eiseres niet langer worden verlangd.\n\n7.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat de door eiseres overgelegde overlijdensakte door Bureau Documenten vals is bevonden. Dat is door eiseres niet bestreden met de stelling dat navraag bij de Sierra Leoonse autoriteiten leerde dat zij geen nieuwe overlijdensakte zullen afgeven. Dat, zoals eiseres stelt, ook uit andere stukken zoals verklaringen van referent, verklaringen van de man waar eiseres nu bij verblijft en medische stukken die betrekking hebben op de moeder, voldoende zou blijken dat de moeder is overleden volgt de rechtbank niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de minister terecht veel waarde hecht aan het feit dat de overgelegde overlijdensakte vals is bevonden. De andere door eiseres overgelegde stukken maken niet dat de minister alsnog moest uitgaan van het overlijden van de moeder van eiseres, zodat van haar niet langer een toestemmingsverklaring mocht worden verlangd. De minister stelt zich namelijk terecht op het standpunt dat ook uit de andere overgelegde stukken eigenaardigheden blijken. Zo heeft Bureau Documenten geoordeeld dat ook de legalisatie op de verklaring van het ziekenhuis van 25 januari 2022 en de verklaring van 11 april 2021 vals zijn. Daarnaast klopt de leeftijd van de patiënte waar de ziekenhuisverklaring over gaat niet met de gestelde leeftijd van de moeder van eiseres en is de diagnose en het ziekteverloop in die verklaringen anders dan eerder door referent is gesteld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat deze constateringen voor het eerst in het verweerschrift konden worden opgenomen. De overlijdensakte is eerst in de beroepsfase overgelegd en vervolgens vals bevonden. De minister kon zich daarom eerst in die fase inhoudelijk uitlaten over die akte en over de gevolgen die dit heeft voor de waardering van de overige overgelegde documenten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres de gelegenheid heeft gehad om ter zitting op deze standpunten te reageren en daarvan ook gebruik heeft gemaakt.\n\nMocht de minister van eiseres verlangen dat zij documenten overlegt waaruit volgt dat referent het wettelijk gezag over haar heeft?\n\n8. Eiseres betoogt dat de minister niet van haar mag verlangen dat zij documenten overlegt waaruit volgt dat referent het wettelijk gezag over haar heeft. De minister miskent daarmee namelijk dat het vaderschap vaststaat en niet wordt betwist. In Sierra Leone wordt gezag dan automatisch aangenomen.\n\n8.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiseres veronderstelt wordt door de minister namelijk wel betwist dat het vaderschap vaststaat. De minister stelt zich namelijk op het standpunt dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet is aangetoond. Hoewel dat standpunt niet zo expliciet volgt uit de overwegingen met betrekking tot het gezag, volgt dat standpunt wel uit de beoordeling die de minister heeft gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft op zitting toegelicht dat die beoordeling ook ziet op de vraag of wordt aangenomen dat referent rechtmatig gezag heeft over eiseres. Of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat onvoldoende is aangetoond dat tussen eiseres en referent een familierechtelijke relatie bestaat zal de rechtbank dan ook hieronder beoordelen in het kader van artikel 8 van het EVRM.\n\nHeeft de minister ten onrechte geen familierechtelijke relatie\u002Ffamilie- en gezinsleven aangenomen tussen eiseres en referent?\n\nFamilierechtelijke relatie\n\n9. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen familierechtelijke relatie aanneemt tussen haar en referent. Allereerst is onduidelijk waar de minister op baseert dat referent en de moeder van eiseres geen relatie hadden ten tijde van de geboorte van eiseres. De minister verbindt daar dus ten onrechte de conclusie aan dat alleen al om die reden geen sprake is van familie- of gezinsleven. De minister heeft ook met betrekking tot de documenten die zijn overgelegd om het familie- of gezinsleven aan te tonen onvoldoende voldaan aan de op hem rustende vergewisplicht. Uit de bevindingen van Bureau Documenten blijkt namelijk niet waarom de vaststelling dat de verschijningsvorm, de opmaak en afgifte van de geboorteakte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal leidt tot de conclusie dat deze waarschijnlijk niet echt is.\n\n9.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat ter onderbouwing van de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent primair een geboorteakte is overgelegd die vals is bevonden. Daar hecht de minister terecht veel waarde aan. Dat de minister niet zou hebben voldaan aan de vergewisplicht met betrekking tot het onderzoek waaruit volgt dat de geboorteakte vals is, volgt de rechtbank niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat de minister er in beginsel van uit mag gaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dat laat echter onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van de minister als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. In die situaties kan hij niet volstaan met een verwijzing naar de conclusies van verklaringen van onderzoek. Evenmin kan hij volstaan met het ter controle aanbieden van de onderliggende stukken aan de rechtbank. De vergewisplicht rust immers op de minister en niet op de rechter. Een situatie zoals hiervoor bedoeld doet zich in ieder geval voor als de conclusies van een verklaring van onderzoek in relatie tot de bevindingen naar aanleiding van dat onderzoek vragen oproepen, bijvoorbeeld als die bevindingen niet logischerwijs tot de daaraan verbonden conclusies leiden. Ook als een vreemdeling gemotiveerd heeft betwist dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten, zal de minister nader invulling moeten geven aan zijn vergewisplicht. Dit kan hij bijvoorbeeld doen door zelf de onderliggende stukken van de desbetreffende verklaring van onderzoek in te zien.Niet alleen heeft eiseres niet gemotiveerd betwist dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, maar de minister heeft blijkens de in het dossier opgenomen vergewisbrief ook reeds de onderliggende stukken van de verklaring van onderzoek over de geboorteakte ingezien. De enkele stelling dat de minister zich onvoldoende vergewist zou hebben omdat uit de verklaring van onderzoek niet zou blijken waarom de opmaak en afgifte van de geboorteakte af zouden wijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister daar nog verder in zou moeten gaan. Het uitgangspunt blijft namelijk dat de minister er in beginsel van uit mag gaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.\n\n9.2.. In beroep heeft eiseres nog een nieuwe geboorteakte ingebracht. Dat document is door Bureau Documenten echt bevonden, maar met het voorbehoud dat indien voor de verkrijging van die geboorteakte een fotokopie van de eerder vals bevonden geboorteakte is gebruikt, de nieuwe geboorteakte frauduleus is verkregen. Volgens eiseres had de minister op basis van de nieuwe geboorteakte alsnog uit moeten gaan van de familierechtelijke relatie tussen haar en referent. De rechtbank volgt dat niet. Naar het oordeel van de rechtbank verlangt de minister namelijk terecht van eiseres dat zij nader toelicht hoe zij de tweede geboorteakte heeft verkregen en dat zij een deugdelijke verklaring geeft voor het eerder overleggen van een vals document. Dat heeft eiseres met de in beroep gegeven verklaring niet gedaan. Zoals de minister terecht stelt schetst eiseres in die verklaring namelijk vooral welke procedure gevolgd moet worden voor het verkrijgen van een geboorteakte, maar niet welke stappen zij daarvoor zelf heeft ondernomen en hoe zij dus alsnog in het bezit is gesteld van een geboorteakte. Eiseres heeft verder in het geheel geen verklaring gegeven voor de eerder overgelegde valse geboorteakte. De minister hoefde dus aan de tweede geboorteakte geen doorslaggevend gewicht toe te kennen.\n\n9.3.. In haar reactie van 19 januari 2024 op de verklaring van onderzoek waaruit volgt dat de eerste geboorteakte vals is, stelt eiseres nog dat de minister DNA-onderzoek aan had moeten bieden. Dat volgt de rechtbank niet. Zoals de minister terecht stelt in zijn brief van 23 januari 2024 ligt de bewijslast namelijk bij eiseres en is de twijfel gerezen door documenten die door haarzelf zijn ingebracht. Het is dan niet, zo stelt de minister terecht, aan de minister om de gerezen twijfel weg te nemen, maar aan eiseres om haar zaak met authentieke documenten te onderbouwen.\n\n9.4. De minister heeft gelet op het voorgaande terecht geen familierechtelijke relatie aangenomen tussen haar en referent.\n\nFamilie- of gezinsleven\n\n10. De minister stelt zich volgens eiseres ten onrechte op het standpunt dat tussen eiseres en referent geen familie- of gezinsleven bestaat. Zo stelt de minister volgens eiseres ten onrechte dat niet zou zijn aangetoond dat het onmogelijk was voor referent om contact te onderhouden met eiseres. Eiseres was immers met haar moeder vertrokken, zonder dat bij referent adres- of contactgegevens bekend waren. In 2019 is het contact hersteld en sindsdien wordt er voldoende invulling gegeven aan het gezinsleven. De minister miskent ook dat door middel van de WhatsApp-gesprekken aannemelijk is gemaakt dat sprake is van daadwerkelijk feitelijk contact. Gezinsleven tussen ouders en kinderen is het uitgangspunt. Dat pas gezinsleven tussen een kind en diens biologische vader kan worden aangenomen als voldoende invulling wordt gegeven aan dit gezinsleven is in strijd met de uitleg van artikel 8 van het EVRM door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.Slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan het gezinsleven als verbroken worden beschouwd. Daarvan is in dit geval geen sprake, aldus eiseres. Verder is paragraaf 3.3.2 van de Werkinstructie 2020\u002F16 (WI 2020\u002F16) op deze zaak van toepassing, waaruit volgt dat sprake kan zijn van familie- of gezinsleven als een biologische vader beperkte invulling heeft gegeven of heeft kunnen geven en zijn relatie met het kind wil ontwikkelen. De minister is verder ten onrechte niet voldoende ingegaan op de rechten van eiseres als kind.\n\n10.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Allereerst volgt uit hetgeen hierboven is geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat onvoldoende is aangetoond dat tussen eiseres en referent een familierechtelijke relatie bestaat. Dat het uitgangspunt is dat gezinsleven tussen ouders en kinderen wordt aangenomen en dat het in strijd is met artikel 8 van het EVRM om één en ander in dit geval zo uit te leggen dat dat pas zo is wanneer er voldoende invulling wordt gegeven aan dat gezinsleven, gaat in het geval van eiseres dus niet op. De minister neemt immers juist niet aan dat referent de ouder (vader) is van eiseres. Om diezelfde reden is paragraaf 3.3.2. van WI 2020\u002F16 niet op eiseres en referent van toepassing. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat onvoldoende is aangetoond dat tussen referent en eiseres sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Zo blijkt uit de WhatsApp-gesprekken die zijn overgelegd niet dat het contact plaatsvindt tussen eiseres en referent, nu het contact plaatsvindt met iemand onder de naam ‘F boy 33’. Bovendien, zo stelt de minister terecht, is de inhoud van de gesprekken zeer summier. Het betreft veel gemiste gesprekken en korte onbeantwoorde berichten met langere periodes tussen elk contact. Hoewel de minister verder wel aanneemt dat de geldoverboekingen afkomstig zijn van referent, dateren de overboekingen van eind 2022 en begin 2023, zodat niet is aangetoond dat referent al langere tijd en met regelmaat geld overboekt naar eiseres (of ten behoeve van haar verzorging). Referent onderhoudt verder geen contact met de school van eiseres en is niet betrokken bij beslissingen over haar zorg en opvoeding. Dat referent blijkens de overgelegde foto’s wel op bezoek is geweest bij eiseres en dat sprake is van een zekere band heeft de minister verder terecht niet voldoende geacht om uit te gaan van familie- of gezinsleven tussen hen. Dat de minister onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de belangen van eiseres volgt de rechtbank verder eveneens niet. De minister heeft namelijk in de aanvullende motivering van 16 mei 2023 op basis van de destijds geldende rechtspraak, ondanks het niet bestaan van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM, wel een belangenafweging gemaakt. In die belangenafweging heeft de minister de belangen van eiseres als kind kenbaar betrokken. Door eiseres is niet gemotiveerd waarom de minister onvoldoende op haar belangen zou zijn ingegaan.\n\nWat betekent dit voor het beroep?\n\n11. Zoals de rechtbank onder 4 al heeft geconcludeerd bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek en komt het voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is dus gegrond. De minister heeft echter in beroep alsnog voldoende gemotiveerd dat en waarom hij de aanvraag van eiseres heeft afgewezen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit wel in stand blijven.\n\nHeeft eiseres recht op een schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn?\n\n12. Eiseres voert aan dat de redelijke termijn is overschreden. Zij verzoekt om een immateriële schadevergoeding.\n\n12.1.. \n\nDe vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld aan de hand\n\nvan de omstandigheden van het geval. In zaken als onderhavige geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.\n\n12.2.. De redelijke termijn begint in beginsel op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De minister heeft het bezwaarschrift van eiseres ontvangen op 28 april 2021. Dit betekent dat de redelijke termijn zou verstrijken op 28 oktober 2021. Op 26 oktober 2021 is echter aan eiseres een beslissing op haar bezwaarschrift bekendgemaakt. Dat betekent dat de redelijke termijn in de bezwaarfase niet is overschreden. De beroepsprocedure bij de rechtbank heeft geduurd vanaf 22 november 2021 tot de datum van deze uitspraak. Dat is 4 jaar, 7 maanden en 8 dagen. De totale procedure heeft daarom de redelijke termijn van twee jaar overschreden met 3 jaar, 2 maanden en 2 dagen. Niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten. Voor een deel is die overschrijding ondanks het op tijd beslissen op het bezwaarschrift de minister aan te rekenen, omdat hij gedurende de beroepsprocedure heeft verzocht om aanhouding om een aanvullende motivering uit te brengen en omdat hij Bureau Documenten meerdere keren heeft verzocht om onderzoek te verrichten naar de door eiseres overgelegde documenten. Voor een deel is de overschrijding echter ook aan eiseres toe te rekenen, omdat zij in beroep meerdere keren nieuwe documenten heeft overgelegd die vervolgens onderzocht moesten worden, een contra-expertise had aangekondigd en steeds (uitgebreide) nieuwe beroepsgronden heeft ingediend. De overschrijding is verder ook aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank acht het daarom redelijk om de overschrijding van de redelijke termijn voor een derde aan zichzelf toe te rekenen, voor een derde aan de minister toe te rekenen, maar ook voor een derde aan eiseres toe te rekenen.\n\n12.3.. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Uitgangspunt voor de schadevergoeding is een tarief van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Eén derde van de overschrijding rekent de rechtbank niet mee bij de berekening van het schadebedrag, omdat die overschrijding aan eiseres wordt toegekend. Dat betekent dat de rechtbank een schadebedrag berekent voor twee derde deel van 3 jaar, 2 maanden en 2 dagen. Dat is iets meer dan 2 jaar, wat wordt afgerond op 2.5 jaar. Het schadebedrag in deze zaak bedraagt gelet hierop € 2.500. Omdat de overschrijding waarover een schadebedrag verschuldigd is in dit geval aan de rechtbank en de minister is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 1.250 en de Staat tot een bedrag van € 1.250 als vergoeding voor de door eiseres geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHeeft eiseres recht op een proceskostenvergoeding?\n\n13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen voor zover die zien op kosten die gemaakt zijn voor het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van een zitting, met een waarde per punt van € 934). Ook krijgt eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 181 terug.\n\n13.1.. Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen en de termijnoverschrijding aan de minister en de rechtbank is toe te rekenen, ziet de rechtbank aanleiding de minister en de Staat (de rechtbank) ieder te veroordelen tot vergoeding van de helft van de proceskosten die eiseres heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5). Dit betekent dat de minister gelet op wat al onder 12 is overwogen in totaal € 2.101,50 (€ 1.868+ € 233,50) aan proceskosten moet betalen en de Staat € 233,50.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar ziet aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Eiseres krijg een vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten en krijgt het griffierecht terug. Ook krijgt zij een vergoeding voor het overschrijden van de redelijke termijn. De berekening van de proceskosten en de immateriële schadevergoeding staan in overweging 12 tot en met 13.1.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\n- wijst het verzoekt om schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.250;\n\n- veroordeelt de minister tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.250;\n\n- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 233,50 voor het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.101,50 voor het indienen van het beroep en het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht tot een bedrag van € 181 aan haar vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.P.I. van der Meer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ABRvS 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:628.\n\n Arrest Onur, 17 februari 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:02170.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18000","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.429Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":49,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":35,"updatedAt":51},"1926","ECLI:NL:RBDHA:2026:18024","ecli-nl-rbdha-2026-18024","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\n Bestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.28251 en NL26.28256uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoeker], v-nummer: [nummer 1], verzoeker\n\n [verzoekster], v-nummer: [nummer 2], verzoekster\n\nsamen: verzoekers\n\n(gemachtigde: mr. E. Derksen),\n\nen\n\nde minister van Buitenlandse Zaken.\n\nProcesverloop\n\n1. Verzoekers hebben een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvragen met het besluit van 3 februari 2026 afgewezen.\n\n1.1.. Verzoekers hebben op 9 februari 2026 tegen de afwijzing van de aanvraag bezwaar gemaakt.\n\n1.2.. Verzoekers hebben op 19 mei 2026 de voorzieningenrechter verzocht om hangende dit bezwaar een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt om hen gedurende de behandeling van de bezwaarprocedure te behandelen als ware zij in bezit van een visum kort verblijf. Verzoeker wil graag met verzoekster (zijn dochter) naar Nederland reizen om hier te verblijven bij hun vrouw\u002Fmoeder die met drie minderjarige kinderen in Nederland woont.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed dit, gelet op de betrokken belangen, vereist.Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de beroepsprocedure niet.\n\nHebben verzoekers een spoedeisend belang?\n\n3. Uit de door verzoekers overgelegde vluchtgegevens blijkt dat op 10 juli 2026 een vlucht gepland staat voor verzoekers om naar Nederland te reizen. Omdat de beslissing op bezwaar niet te verwachten is vóór 10 juli 2026 is het spoedeisend belang gegeven.\n\nWaarom is de aanvraag afgewezen?\n\n4. De minister heeft de aanvraag van verzoekers afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond.Volgens de minister hebben verzoekers onvoldoende aannemelijke dan wel verifieerbare informatie weten te verschaffen omtrent het doel en de verblijfsomstandigheden. Hierdoor kan de minister niet vaststellen dat aan alle voorwaarden voor het verlenen van een visum wordt voldaan en in het bijzonder onder welke omstandigheden het verblijf zal plaatsvinden.\n\nMoeten verzoekers worden beschouwd als ware zij in het bezit van een visum kort verblijf?\n\n5. Verzoekers vragen de voorzieningenrechter te bepalen dat zij worden beschouwd als ware zij in het bezit van een visum voor kort verblijf of anderszins een voorziening te treffen die voor hen feitelijk de toegang tot Nederland mogelijk maakt. Verzoekers geven daarbij aan dat zij als gezin in Nederland willen verblijven. De reden daarvan is dat de in Nederland wonende minderjarige kinderen recht hebben op contact met hun vader. De huidige omstandigheden leiden ertoe dat dit contact enkel beperkt en op afstand kan plaatsvinden.\n\n5.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat toewijzing van het verzoek om verzoekers te behandelen als ware zij in het bezit van een visum kort verblijf feitelijk een voorlopig karakter ontbeert. Uit het systeem van de toepasselijke voorschriften volgt dat een vreemdeling in zijn land van herkomst een visum voor kort verblijf moet aanvragen, alvorens hij de Europese Unie (waaronder Nederland) kan inreizen. Indien de verzochte voorlopige voorziening wordt toegewezen, zullen verzoekers Nederland kunnen inreizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die verzoekers met hun aanvraag hebben beoogd, terwijl de minister nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van de voorlopige voorziening zijn dan onomkeerbaar. In zeer bijzondere omstandigheden kan niettemin aanleiding bestaan om te bepalen dat de minister een aanvrager gedurende de bezwaarprocedure dient te beschouwen als ware hij in het bezit van een visum. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.\n\n5.2.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het naar Nederland reizen door verzoekers om hier samen met verzoekers vrouw en verzoeksters moeder en de minderjarige kinderen te verblijven niet een zodanig bijzondere omstandigheid is dat het daardoor gerechtvaardigd is om een voorlopige voorziening met onomkeerbare gevolgen toe te wijzen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat niet is gebleken dat de wens van verzoekers om naar Nederland te komen is gebonden aan een specifieke datum of tijd. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoekers altijd op afstand hebben gewoond van hun vrouw dan wel moeder en de minderjarige kinderen. De stelling van verzoekers dat het weigeren van toegang tot Nederland leidt tot verhindering van de feitelijke uitvoering van het gezinsleven volgt de voorzieningenrechter dan ook niet. Ook de stelling van verzoekers dat de minderjarige kinderen recht hebben op contact met hun vader volgt de voorzieningenrechter niet. Gebleken is dat dit contact, al dan niet op afstand, er is. De stelling van verzoeker dat het uitblijven van toelating van verzoekers tot Nederland leidt tot aantasting van de belangen van de in Nederland wonende minderjarige kinderen, is niet verder onderbouwd en volgt de voorzieningenrechter dan ook niet.\n\n5.3.. De voorzieningenrechter ziet ook verder geen grond voor het oordeel dat het weigeringsbesluit onvoldoende is gemotiveerd. Verzoekers stellen hierover dat de minister niet inzichtelijk maakt waarom de door verzoekers overgelegde documenten onvoldoende het doel en omstandigheden van het voorgenomen aantoont. Ook als dat standpunt wordt gevolgd, is dat geen reden om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat een dergelijk motiveringsgebrek in het besluit op bezwaar kan worden hersteld. Verder stellen verzoekers hierover dat de minister in de besluitvorming de belangen en rechten van de in Nederland wonende minderjarige kinderen onvoldoende heeft gewogen en dat hij heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de gevolgen dat het weigeren van het visum heeft op de emotionele ontwikkeling, welzijn en familieleven van de minderjarige kinderen. Daarnaast zou de minister onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar het gezinslevenen zijn de arresten Chavez-Vilchezen K.A.niet kenbaar bij de beoordeling hebben betrokken. Verzoeker heeft daarmee echter niet onderbouwd dat en waarom de weigeringsgrond waarop de minister de visumaanvraag van verzoekers heeft afgewezen onjuist zouden zijn.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Dat staat in artikel 8:81 van de Awb.\n\n Op grond van artikel 32, sub a, onder ii, van de Visumcode.\n\n In de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018, zaaknummer C-82\u002F16 (K.A.).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18024","2026-07-13T00:29:45.864Z",20]