[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-immigration-support-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":20,"total":16,"page":16,"limit":32},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},127,"immigration-support-nl","Immigration Support","NL","2026-07-08T16:57:28.113Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},1,{"min":18,"max":18},"2026-07-03T00:00:00.000Z",[],[21],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"684","ECLI:NL:RBDHA:2026:18454","ecli-nl-rbdha-2026-18454","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F10743\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] , v-nummer: [nummer] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. K. Logtenberg),\n\nen\n\nhet bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa)\n\n(gemachtigde: A. van Beurden).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beëindiging van de opvang van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om een besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De voorzieningenrechter oordeelt allereerst dat zij bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen. Daarna oordeelt de voorzieningenrechter dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. In de brief van 30 juni 2026 heeft COa verzoeker laten weten dat zijn opvang zal eindigen per 7 juli 2026. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. COa heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft op dat verweerschrift gereageerd.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat ging er aan deze zaak vooraf?\n\n3. Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend. De minister van Asiel en Migratie (minister) heeft die aanvraag afgewezen en aan verzoeker een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft op 29 juni 2026 uitspraak gedaan op het daartegen door verzoeker ingestelde beroep.De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, maar het besluit voor zover dat zag op het afwijzen van de asielaanvraag in stand gelaten. De rechtbank heeft het besluit voor zover dat zag op het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod vernietigd. Gebleken is namelijk dat verzoeker een asielstatus heeft in Griekenland. De minister mocht verzoeker geen terugkeerbesluit opleggen voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling, of verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie daarop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken, aldus de rechtbank.\n\nIs de voorzieningenrechter bevoegd?\n\n3. COa voert aan dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen, omdat de brief van 30 juni 2026 geen besluit is zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Uit de uitspraak van de rechtbank van 29 juni 2026 volgt namelijk dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand is gebleven. Uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva) volgt in dat geval dat het recht op opvang van rechtswege is geëindigd. De brief van 30 juni 2026 heeft om die reden geen eigen rechtsgevolg en moet daarom niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De brief van 30 juni 2026 was daarom niet appellabel, aldus COa.\n\n3.1.. \n\nArtikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 luidt als volgt:\n\n1 De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:\n\nc.de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn;\n\n3.2.. \n\nArtikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva luidt als volgt:\n\n1 Het recht op opvang eindigt in de volgende gevallen:\n\nb. indien het een asielzoeker betreft die rechtmatig verwijderbaar is vanwege het niet inwilligen van de asielaanvraag die recht geeft op opvang: op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden;\n\n3.3.. Het recht op opvang eindigt dus op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden. De voorzieningenrechter moet daarom eerst de vraag beantwoorden wanneer een vreemdeling ‘rechtmatig verwijderbaar’ is. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat zij zich gelet op het spoedeisende karakter van deze zaak moet beperken tot een beperkt juridisch onderzoek.\n\n3.3.1.. De voorzieningenrechter stelt vast dat noch de Rva noch de Vw 2000 uitleg geeft over de term ‘rechtmatig verwijderbaar’. Ook in andere nationale wetgeving vindt de voorzieningenrechter geen nadere duiding van die term. Dat betekent dat de voorzieningenrechter die term zelf uit moet leggen. Dat doet zij zoveel mogelijk richtlijnconform.De voorzieningenrechter zoekt bij de uitleg van de term ‘rechtmatig verwijderbaar’ dan ook aansluiting bij de Terugkeerrichtlijn, omdat die richtlijn bij uitstek gaat over de normen en procedures voor de terugkeer van derdelanders die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. In artikel 3, aanhef en onder punt 5, van de Terugkeerrichtlijn staat opgenomen dat ‘verwijdering’ betekent “de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting, d.w.z. de fysieke verwijdering uit de lidstaat”. Uit artikel 3, aanhef en onder punt 4 blijkt dat die terugkeerverplichting wordt vastgelegd in een terugkeerbesluit. Dat zou betekenen dat een vreemdeling pas verwijderbaar is op het moment dat hij een terugkeerverplichting heeft. Die heeft verzoeker niet, omdat het aan hem opgelegde terugkeerbesluit door de rechtbank in haar uitspraak van 29 juni 2026 is vernietigd. Dat de wetgever ervoor heeft gekozen om het recht op opvang pas te laten eindigen op het moment dat een vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is en niet, bijvoorbeeld, het moment dat de afwijzing van de asielaanvraag in rechte vast is komen te staan, ziet de voorzieningenrechter ook als een aanwijzing dat met de toevoeging ‘rechtmatig verwijderbaar’ de vreemdeling pas verwijderbaar is op het moment dat hij een terugkeerverplichting heeft. Daar komt bij dat de wetgever in eerdere (niet meer geldende) regelgeving de term ‘rechtmatig verwijderbaar’ nog wel uitlegde, maar er voor heeft gekozen dat nu niet langer te doen, zodat meer voor de hand ligt dat die term moet worden uitgelegd aan de hand van internationale richtlijnen en verdragen.\n\n3.4.. De voorzieningenrechter acht van belang dat ook niet is gebleken dat verzoeker op andere gronden moet worden aangemerkt als ‘rechtmatig verwijderbaar’, bijvoorbeeld doordat op nationaalrechtelijke gronden aan hem een bevel tot terugkeer of verwijdering is opgelegd. COa heeft dat ook niet nader onderbouwd, maar heeft slechts gesteld dat de minister (de voorzieningenrechter neemt aan: tegenover COa) meerdere keren heeft bevestigd dat verzoeker ‘verwijderbaar’ is. COa heeft ook slechts gesteld dat verzoeker als gevolg van het afwijzen van zijn asielaanvraag ‘verwijderbaar’ is geworden, maar heeft die stelling niet nader onderbouwd.\n\n3.5.. Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verzoekers recht op opvang niet van rechtswege is geëindigd op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva. Omdat verzoeker geen terugkeerverplichting heeft door het vernietigen van het aan hem opgelegde terugkeerbesluit, is hij niet als ‘rechtmatig verwijderbaar’ aan te merken op grond daarvan. Niet is gebleken dat verzoeker op andere gronden ‘rechtmatig verwijderbaar’ is. Dat betekent dat de brief van COa van 30 juni 2026 wel degelijk zelfstandig rechtsgevolgen voor verzoeker in het leven roept en dus moet worden aangemerkt als een besluit in zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter acht zich dus bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.\n\nHeeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?\n\n4. De voorzieningenrechter is vervolgens van oordeel dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. COa heeft zich namelijk in haar brief van 30 juni 2026 op het standpunt gesteld dat verzoekers recht op opvang eindigt, omdat hij een wettelijke vertrektermijn had die zou zijn verlopen. De voorzieningenrechter ziet niet op grond waarvan COa concludeert dat verzoeker een wettelijke vertrektermijn had die zou zijn verstreken, nu het terugkeerbesluit waarin aan hem een vertrektermijn werd opgelegd, is vernietigd. COa heeft dat in het besluit van 30 juni 2026 ook niet nader onderbouwd, terwijl het verlopen van die vertrektermijn blijkens het besluit wel de reden is dat de opvang wordt beëindigd. Verzoeker heeft daar in zijn gronden van bezwaar argumenten tegen gericht.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter is zich bewust van de belangen die COa heeft bij het beschikbaar maken en houden van opvangplekken. Een feit van algemene bekendheid is namelijk dat er een nijpend tekort is aan opvangplekken. COa heeft daar in haar reactie ook op gewezen. Toch acht de voorzieningenrechter dat belang niet doorslaggevend. Uit overweging 6 van de uitspraak van de rechtbank van 29 juni 2026 volgt namelijk dat de minister nog nadere stappen moet zetten. De rechtbank heeft de minister namelijk opgedragen om bij de Griekse autoriteiten na te vragen of de beoordeling van de asielaanvraag in Nederland maakt dat Griekenland de aan verzoeker verleende asielstatus intrekt, en daarna te beoordelen wat dit betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit en inreisverbod. De rechtbank heeft ook overwogen dat als de minister een nieuw terugkeerbesluit oplegt, hij daarbij ook een actuele beoordeling van het risico op refoulement moet maken. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom verzoeker die door de minister te nemen stappen en mogelijke besluitvorming, net als zoveel andere vreemdelingen, niet in de opvang zou mogen afwachten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 30 juni 2026 is geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.\n\n5.1.. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. COa moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- schorst het besluit van 30 juni 2026 tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;\n\n- veroordeelt COa tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\nde griffier is verhinderd\n\nom te ondertekenen\n\nde voorzieningenrechter is verhinderd\n\nom te ondertekenen\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Zaaknummer NL26.7194, (nog) niet gepubliceerd.\n\n Vergelijk HvJ EG 13 november 1990, C-106\u002F89, ECLI:EU:C:1990:395 (Marleasing).\n\n Zie bijvoorbeeld artikel 1, tweede lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18454","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:43.128Z",20]