[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-insolvency-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":47,"limit":48},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},32,"insolvency-law-nl","Insolvency Law","NL","2026-07-08T16:53:14.213Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-09T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[],[22,32,40],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"297","ECLI:NL:GHARL:2026:4281","ecli-nl-gharl-2026-4281","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.368.921\n\nrekestnummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, [zaaknummer]\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [appellant] ( [appellant] )\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. J.A.M. Kuijlaars\n\n1. De procedure bij de rechtbank\n\nDe rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij vonnis van 7 mei 2026 het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (de wsnp) afgewezen.\n\n2. De procedure bij het hof\n\n2.1.. Bij op 13 mei 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. [appellant] verzoekt het hof het vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toelating tot de wsnp toe te wijzen.\n\n2.2.. Het hof heeft kennisgenomen van:\n\nhet tijdig ingediend beroepschrift met producties;\n\nde brief van 19 juni 2026 van mr. Kuijlaars met producties.\n\n2.3.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Hierbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Kuijlaars.\n\n3. De feiten, het oordeel van de rechtbank en het standpunt van [appellant]\n\nDe feiten\n\n3.1.. Als gevolg van psychische en lichamelijke klachten ontvangt [appellant] een (oude) Wajong-uitkering van het UWV. Zij heeft schulden laten ontstaan die in mei 2023 zijn opgelost door een (eerder, minnelijk) schuldsaneringstraject. In dat kader stond zij tot 1 september 2023 onder beschermingsbewind. In deze periode is [appellant] , met toestemming van het UWV en met behoud van haar Wajong-uitkering, gestart met de (online) opleiding tot fitnesstrainer A en voedingsdeskundige. Het UWV heeft met [appellant] afgesproken dat zij deze opleiding op haar eigen tempo kan volgen zonder dat zij hiernaast betaald werk hoeft te verrichten.\n\n3.2.. Niet alle schulden waren in het schuldsaneringstraject van mei 2023 in de schuldenlijst opgenomen, waardoor een aanzienlijke schuld (op dit moment de grootste) is blijven bestaan en [appellant] het overzicht over haar financiën kwijtraakte en nieuwe schulden zijn ontstaan. [appellant] heeft zich daarvoor bij de gemeentelijke schuldhulpverlening gemeld. [appellant] heeft geprobeerd om met haar schuldeisers een minnelijke schuldregeling overeen te komen, maar niet alle schuldeisers zijn akkoord gegaan. Volgens het overgelegde crediteurenoverzicht heeft [appellant] een totale schuldenlast van € 20.288,74 bij diverse schuldeisers. Aangezien [appellant] over onvoldoende middelen beschikt om haar schuldeisers te voldoen, heeft zij op 19 januari 2026 een verzoek om toelating tot de wsnp ingediend bij de rechtbank.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n3.3.. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle verplichtingen die horen bij de wsnp naar behoren zal nakomen. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat één van die verplichtingen de arbeids- en sollicitatieplicht is die meebrengt dat een schuldenaar fulltime beschikbaar moet zijn voor de arbeidsmarkt. Doordat [appellant] een voltijdopleiding volgt is zij naar verwachting voor een jaar niet beschikbaar voor betaalde arbeid en kan zij niet voldoen aan deze inspanningsverplichting. Het feit dat [appellant] door het UWV is ontheven van haar arbeidsverplichting betekent niet dat vooraf vaststaat dat zij van de arbeidsverplichting in de wsnp zal worden ontheven. Indien de schuldenaar niet in staat is om te werken, bestaat de inspanningsverplichting erin dat de schuldenaar zich dient in te spannen om weer arbeidsgeschikt te worden.\n\nHet standpunt van [appellant]\n\n3.4.. \n [appellant] kan zich niet verenigen met dit oordeel van de rechtbank. Zij is van mening dat zij wel aan haar inspanningsverplichting kan voldoen. Doordat haar opleiding een flexibele thuisopleiding is, betekent het volgen daarvan niet dat zij niet kan werken. Volgens de Recofa-richtlijnen is het toegestaan om een opleiding te volgen gedurende de wsnp en het is zeer waarschijnlijk dat [appellant] in de wsnp zal worden ontheven van de sollicitatieverplichting. Bovendien geldt voor haar Wajong-uitkering dat, om ervoor in aanmerking te komen, er nooit meer gewerkt kan worden vanwege een ziekte of handicap en er een re-integratieplicht bestaat die niet specifiek beschikbaarheid voor betaald werken impliceert. Door het volgen van een opleiding spant [appellant] zich maximaal in om haar arbeidsperspectief te verbeteren. Tot slot zou het verrichten van betaalde arbeid verrekend worden met haar Wajong-uitkering, waardoor betaalde arbeid niet leidt tot een hogere uitdeling aan de schuldeisers. Het gaat bij de inspanningsverplichting niet om het financiële resultaat, maar om de mate van inspanning, aldus [appellant] .\n\n4. Motivering van de beslissing in hoger beroep\n\nJuridisch kader\n\n4.1.. Een verzoek om toelating tot de wsnp wordt op grond van artikel 288 lid 1 Fw slechts toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk maakt dat de schuldenaar:\n\nniet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;\n\nten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest; en\n\nde uit de wsnp voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.\n\nNiet kunnen voortgaan met betalen\n\n4.2.. Volgens het overgelegde crediteurenoverzicht heeft [appellant] een totale schuldenlast van € 20.288,74 bij diverse schuldeisers. Zij ontvangt een Wajong-uitkering van ongeveer € 1.350 netto per maand. Naar het oordeel van het hof is het voldoende aannemelijk dat [appellant] met deze uitkering niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden.\n\nTe goeder trouw\n\n4.3.. Het hof stelt vast dat de grootste schuld van [appellant] (€ 9.576,94) is ontstaan op 1 januari 2015 en dus meer dan drie jaar voorafgaand aan de dag waarop [appellant] haar verzoekschrift tot toepassing van de wsnp heeft ingediend. Dit betekent dat het ontstaan van deze schuld niet in de weg staat aan toelating van [appellant] tot de wsnp. Bovendien heeft [appellant] voldoende toegelicht dat deze schuld in mei 2023 al gesaneerd zou zijn als die toen door de beschermingsbewindvoerder was meegenomen in dat schuldsaneringstraject. Daarnaast heeft [appellant] toegelicht dat zij door het feit dat deze schuld nog bestond en door het begin van haar opleiding veel stress heeft ervaren en het overzicht over haar financiële situatie heeft verloren. De overige schulden die binnen de driejaarstermijn zijn ontstaan zijn gelet op de beperkte omvang en de aard van deze schulden niet zodanig aan [appellant] te verwijten dat die aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan. [appellant] heeft hulp gezocht bij het oplossen van haar financiële situatie door zich te melden bij de gemeentelijke schuldhulpverlening en gebruik te maken van een budgetbeheerder en een budgetcoach. Deze hulp heeft ertoe geleid dat [appellant] sinds 30 juni 2025 heeft gespaard voor haar schuldeisers en dat de afgelopen zestien maanden geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Voor het inlopen van haar huurachterstand is een betaalplan gemaakt, dat [appellant] nakomt. De schuld aan haar zorgverzekeraar wordt betaald via beslag op haar Wajong-uitkering, waardoor die ook wordt ingelopen. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden.\n\nNakoming wsnp-verplichtingen\n\n4.4.. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] in staat zal zijn de uit de wsnp voorvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen en dat zij zich voldoende zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Ten aanzien van de inspanningsverplichting oordeelt het hof als volgt. [appellant] volgt momenteel een thuisopleiding. Deze opleiding mag er niet aan de in weg staan dat zij voldoet aan haar arbeids- en sollicitatieplicht. [appellant] heeft er in dat kader terecht op gewezen dat het volgen van deze opleiding geen nadelige gevolgen heeft voor haar Wajong-uitkering. Het UWV heeft haar opleiding bekostigd en [appellant] behoudt haar volledige uitkering gedurende de opleiding. Dat volgt ook uit het werkplan dat [appellant] heeft overgelegd en op de mondelinge behandeling bij het hof heeft toegelicht. Daarnaast heeft [appellant] toegelicht dat de (oude) Wajong-uitkering van [appellant] in beginsel een levenslange uitkering is waarbij het UWV geen mogelijkheden ziet voor betaalde arbeid. Het hof heeft op de mondelinge behandeling benadrukt dat het oordeel van het UWV dat zij geen arbeid kan verrichten niet per definitie wil zeggen dat zij een ontheffing krijgt van haar sollicitatieplicht in het kader van de wsnp. [appellant] heeft daarop verklaard bereid te zijn om gedurende de wsnp een nieuwe arbeidsgeschiktheidskeuring te ondergaan en te solliciteren, zolang de rechter-commissaris geen ontheffing verleent van de sollicitatieplicht.\n\n4.5.. Op de mondelinge behandeling heeft [appellant] op de vraag van het hof ook verklaard dat zij alle relevante informatie aan de bewindvoerder zal verstrekken. Zij heeft daarbij verklaard dat zij nu ook steeds alle relevante informatie aan de betrokken hulpverleners verstrekt en dat zij dit ook logisch vindt om te doen. Ook heeft zij toegelicht dat zij gebruik zal blijven maken van de budgetcoach om te voorkomen dat er nieuwe schulden ontstaan. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zal doen wat binnen haar vermogen ligt om aan haar verplichtingen uit de wsnp te voldoen.\n\nHet alternatieve aanvangsmoment\n\n4.6.. De termijn van de wsnp bedraagt anderhalf jaar (artikel 349a lid 1 Fw). Die termijn begint (a) op de dag van de uitspraak tot toepassing van de wsnp of (b) de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de minnelijke schuldregeling (het alternatieve aanvangsmoment). Het gaat bij het bepalen van het alternatieve aanvangsmoment om de dag waarop de eerste aflossing is gedaan tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening. Als ‘eerste aflossing’ is onder andere aan te merken een aflossing die ten goede is gekomen aan de gezamenlijke schuldeisers. Een aflossing aan één of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag kan ook als een eerste aflossing worden aangemerkt. Dat geldt ook voor een eerste bedrag dat wordt gespaard tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening.\n\n4.7.. Om in aanmerking te komen voor het alternatieve aanvangsmoment, moet de schuldenaar tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening hebben voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag, moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Als aan de geldende voorwaarden is voldaan moet de rechter het alternatieve aanvangsmoment ambtshalve toepassen, aldus de Hoge Raad.\n\n4.8.. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat [appellant] tussen 30 juni 2025 en 30 november 2025 op basis van het vrij te laten bedrag maximaal heeft gespaard voor haar schuldeisers. Op 30 januari 2026 kon [appellant] niet meer sparen voor de schuldeisers, omdat op die datum beslag gelegd is op haar Wajong-uitkering inzake haar schuld aan de zorgverzekeraar. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] verklaard dat de door haar ontvangen belastingteruggave ook volledig is gespaard. Het hof kan op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, vaststellen dat [appellant] vanaf 30 juni 2025 begon met sparen voor haar schuldeisers en dat zij vervolgens de aflossing heeft voortgezet via het beslag. Het hof is van oordeel dat [appellant] zich daarmee maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor haar schuldeisers te verwerven en dat [appellant] tijdens het minnelijk traject van schuldhulpverlening heeft voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien.\n\n4.9.. Het voorgaande brengt mee dat [appellant] zal worden toegelaten tot de wsnp. Het aanvangsmoment wordt vastgesteld op 30 juni 2025.\n\nConclusie\n\n4.10.. Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 mei 2026 en beslist als volgt:\n\n5.2.. verklaart de wsnp van toepassing ten aanzien van [appellant] , met 30 juni 2025 als aanvangsmoment;\n\n5.3.. verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, ter uitvoering van die regeling.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, G.P. Oosterhoff en J.G.B. Pikkemaat en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026.\n\n Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4281","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.225Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":39},"287","ECLI:NL:GHARL:2026:3925","ecli-nl-gharl-2026-3925","2026-06-15T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.369.189\n\nfaillissementsnummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo [zaaknummer]\n\narrest van 15 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [appellant] ( [appellant] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats]\n\nadvocaat: mr. G. de Gelder\n\ntegen\n\n1. Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid\n\ndie is gevestigd in Amsterdam2. Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra\n\ndie is gevestigd in Harderwijk3. Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra\n\ndie is gevestigd in Harderwijk\n\nhierna gezamenlijk: de aanvragers\n\nadvocaat: mr. S.K. Tuithof\n\n1. De procedure bij de rechtbank\n\nBij vonnis van 13 mei 2026 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, [appellant] in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. G.W. Weenink tot curator.\n\n2. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n2.1.. \n [appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het hof tegen dat vonnis. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet tijdig ingediend beroepschrift met bijlagen;\n\nde brief van de curator van 4 juni 2026 met het boedelverslag en een reactie op het beroepschrift, met bijlagen;\n\nde brief van 5 juni 2026 van mr. De Gelder met bijlage;\n\nhet e-mailbericht van 8 juni 2026 van mr. Tuithof; en\n\nde brief van 8 juni 2026 van mr. De Gelder met bijlagen.\n\n2.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Hierbij zijn verschenen:\n\nnamens [appellant] de heer [bestuurder van appellant] , bijgestaan door mr. De Gelder;\n\nnamens de aanvragers mr. Tuithof via Teams-verbinding; en\n\nde curator.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n3.1.. De rechtbank heeft [appellant] in staat van faillissement verklaard omdat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van de aanvragers en van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [appellant] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.\n\nHet juridisch kader\n\n3.2.. Het hof stelt voorop dat een faillietverklaring kan worden uitgesproken als summierlijk is gebleken van een ten tijde van de faillietverklaring bestaand vorderingsrecht van de aanvrager en ook van het (op het moment van het wijzen van dit arrest) bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Dat de schuldenaar meer schuldeisers heeft (het zogenoemde pluraliteitsvereiste) is een noodzakelijke, maar niet een voldoende, voorwaarde voor het aannemen van de hiervoor bedoelde toestand. Ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, moet worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.\n\nHet vorderingsrecht en pluraliteit van schuldeisers\n\n3.3.. In hoger beroep staat vast dat ieder van de aanvragers een vordering op [appellant] heeft en die drie vorderingen samen zijn inmiddels opgelopen tot een totaalbedrag van ongeveer € 90.000,- inclusief rente en kosten. Daarmee is voldaan aan het pluraliteitsvereiste, terwijl uit het door de curator in hoger beroep overgelegde crediteurenoverzicht overigens blijkt dat [appellant] een schuldenlast heeft van € 32.881,62, bij diverse andere schuldeisers.\n\nDe toestand van te hebben opgehouden te betalen\n\n3.4.. Het hof stelt voorop dat per het moment van het wijzen van dit arrest (ex nunc) moet worden beoordeeld of [appellant] in de toestand van te hebben opgehouden te betalen verkeert. Daarbij is van belang of op dat moment voldoende middelen beschikbaar zijn om de vorderingen van de aanvragers, de vorderingen van de geverifieerde schuldeisers en de kosten van het faillissement te voldoen.\n\n3.5.. \n [appellant] heeft ter zitting verklaard en met bankafschriften onderbouwd, dat een bedrag van € 50.000,- is overgeboekt op de derdengeldenrekening van haar advocaat. Dit bedrag zal bij vernietiging van het faillissement worden aangewend om haar schuldeisers te voldoen, aldus [appellant] . Daarnaast volgt uit het boedelverslag en de verklaringen van de curator en [appellant] dat het saldo op de boedelrekening ongeveer € 80.000,- bedraagt en dat deel van het saldo op de g-rekening dat in de boedel valt ongeveer € 10.000,- bedraagt. Dit betekent dat er een saldo van ongeveer € 140.000,- beschikbaar is om de schuldeisers te voldoen. Afgezet tegen het totaalbedrag van de vorderingen van de aanvragers ter hoogte van ongeveer € 90.000,- inclusief rente en kosten, de bij de curator ingediende vorderingen van in totaal € 32.881,62 en de kosten van het faillissement ter hoogte van € 11.500,- exclusief btw volgt hieruit dat voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de schuldeisers af te kunnen lossen. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat de curator [appellant] beschouwt als een levensvatbare onderneming met voldoende verdiencapaciteit. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellant] niet (meer) in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.\n\nDe conclusie\n\n3.6.. Het vonnis zal worden vernietigd. Daarbij wordt [appellant] veroordeeld om de faillissementskosten zoals opgenomen in het dictum te voldoen.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 13 mei 2026 en beslist als volgt:\n\n4.2.. wijst het verzoek tot faillietverklaring ten aanzien van [appellant] af;\n\n4.3.. veroordeelt [appellant] in de faillissementskosten, vastgesteld op € 11.500,- exclusief btw voor het salaris van de curator.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, G.J. Meijer, en N.M. Brouwer en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2026.\n\n HR 7 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2743, NJ2001\u002F550 (Blase\u002FNoort, Meynhof\u002FSplíet); HR 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1995,NJ2004\u002F321 (De Bok.\u002FGunnewijk); HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681,NJ2014\u002F407 (ABN AMRO\u002FBerzona).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3925","2026-07-13T00:28:22.788Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":30,"updatedAt":46},"682","ECLI:NL:GHARL:2026:3739","ecli-nl-gharl-2026-3739","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.367.988\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 2604692\n\narrest van 9 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld\n\nhierna: [de schuldenaar]\n\nadvocaat: mr. E.R. Butin Bik\n\n1. De procedure bij de rechtbank\n\n1.1.. De Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg (het pensioenfonds) heeft een verzoek ingediend tot faillietverklaring van [de schuldenaar] . Hierop heeft [de schuldenaar] op 12 februari 2026 bij de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht een voorwaardelijk verzoek ingediend om ten aanzien van hem de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) uit te spreken. De faillissementsprocedure is geschorst totdat onherroepelijk is beslist op het schuldsaneringsverzoek.\n\n1.2.. Bij vonnis van 17 april 2026 heeft de rechtbank [de schuldenaar] niet-ontvankelijk verklaard in zijn (voorwaardelijke) verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp.\n\n2. De procedure bij het hof\n\n2.1.. Door middel van een op 27 april 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [de schuldenaar] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 april 2026. [de schuldenaar] wil met zijn hoger beroep bereiken dat zijn (voorwaardelijke) verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp alsnog wordt toegewezen. Het verzoek van [de schuldenaar] tot toelating tot de wsnp is voorwaardelijk, namelijk op voorwaarde dat is komen vast te staan dat zijn poging om een minnelijke schuldregeling tot stand te brengen niet is geslaagd.\n\n2.2.. Het hof heeft naast het beroepschrift met producties kennisgenomen van de tijdens de mondelinge behandeling bij het hof overgelegde brief van 24 april 2026 aan de belastingdienst.\n\n2.3.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Hierbij is [de schuldenaar] verschenen, bijgestaan door mr. Butin Bik .\n\n3. De motivering van de beslissing in hoger beroep\n\nDe feiten\n\n3.1.. \n [de schuldenaar] heeft in de vorm van een eenmanszaak een transportbedrijf onder de naam [naam1] . Vanuit deze eenmanszaak verzorgt [de schuldenaar] als zzp-er transportopdrachten voor diverse bedrijven. Naast zijn werkzaamheden als zzp-er is [de schuldenaar] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gedurende 32 uur per week werkzaam als nachtplanner. [de vof] , waarvan [de schuldenaar] vennoot was, is niet meer actief en de onderneming is uitgeschreven bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.\n\n3.2.. \n [de schuldenaar] heeft een aanzienlijke schuldenlast. Hiervoor heeft hij in augustus 2025 de hulp ingeschakeld van Advocatenkantoor Moerdijk als schuldbemiddelaar. Mr. Butin Bik is als advocaat verbonden aan dit kantoor. In een poging om een minnelijke schuldsaneringsregeling tot stand te brengen heeft [de schuldenaar] op 22 januari 2026, via zijn schuldbemiddelaar, een betalingsvoorstel gedaan aan de bij hem bekende schuldeisers waaronder het pensioenfonds en de belastingdienst.\n\n3.3.. In haar reactie op het betalingsvoorstel heeft het pensioenfonds, naar [de schuldenaar] heeft verklaard, op 28 januari 2026 aan de schuldbemiddelaar laten weten in plaats van het in het betalingsvoorstel opgenomen percentage van 13,21%, een bedrag gelijk aan een percentage van 20% van haar vordering te willen ontvangen.\n\n3.4.. Kort daarvoor had het pensioenfonds een verzoekschrift tot faillietverklaring van [de schuldenaar] ingediend. Vervolgens heeft [de schuldenaar] op 12 februari 2026 zijn (voorwaardelijke) verzoek om toelating tot de wsnp gedaan.\n\n3.5.. Op 17 februari 2026 heeft de rechtbank [de schuldenaar] in de gelegenheid gesteld om in verband met zijn (voorwaardelijke) toelatingsverzoek nadere stukken aan te leveren. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 30 maart 2026, heeft (de raadsman van) [de schuldenaar] om uitstel gevraagd om een minnelijke regeling met zijn schuldeisers te kunnen bereiken. In reactie hierop heeft de rechtbank [de schuldenaar] en zijn raadsman erop gewezen dat het verzoek om toelating tot de wsnp moest worden aangevuld met de noodzakelijke stukken. Op 13 april 2026 heeft (de raadsman van) [de schuldenaar] opnieuw een verzoek ingediend om de behandeling van zijn toelatingsverzoek uit te stellen.\n\n3.6.. De belastingdienst heeft in reactie op het betalingsvoorstel van [de schuldenaar] met zijn brief van 3 april 2026 om aanvullende informatie verzocht. Met zijn brief van 24 april 2026 heeft (de schuldbemiddelaar van) [de schuldenaar] deze nadere gegevens aan de belastingdienst verstrekt. Op 29 mei 2026 heeft de belastingdienst aan de schuldbemiddelaar laten weten nog zo’n zes tot acht weken nodig te hebben om op het betalingsvoorstel te kunnen reageren.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n3.7.. De rechtbank heeft [de schuldenaar] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp omdat [de schuldenaar] , ondanks dat de rechtbank hem meerdere keren heeft gevraagd de ontbrekende stukken aan te vullen, geen compleet toelatingsverzoek heeft ingediend. Daar komt bij dat het naar het oordeel van de rechtbank niet past bij het karakter van de faillissementsprocedure en het in verband daarmee ingediende verzoek tot toepassing van de wsnp om de termijn die is bestemd voor het indienen van nadere stukken ten behoeve van de behandeling van het wsnp-verzoek te gebruiken om een minnelijke regeling te treffen, en met het oog op zo’n regeling, nogmaals nader uitstel te vragen.\n\nDe grieven van [de schuldenaar]\n\n3.8.. \n [de schuldenaar] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. Gelet op het feit dat hij op 26 maart en 13 april 2026 aanvullende stukken heeft ingediend, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de ontbrekende stukken waar zij [de schuldenaar] om heeft gevraagd niet zijn ontvangen. Daar komt bij dat de rechtbank het verzoek ook zonder de ontbrekende stukken had kunnen beoordelen althans dat zij had moeten aangeven welke bijlagen essentieel waren om het verzoek inhoudelijk te kunnen beoordelen, aldus [de schuldenaar] . Volgens [de schuldenaar] was zijn aanhoudingsverzoek gerechtvaardigd omdat het minnelijk traject nog niet was afgerond. Bovendien heeft de rechtbank nagelaten te omschrijven wat met ‘het karakter van de faillissementsprocedure’ wordt bedoeld en heeft zij dit karakter miskent door toe te staan dat het pensioenfonds de faillissementsaanvraag als oneigenlijk pressiemiddel en \u002Fof incassomiddel heeft gebruikt, aldus [de schuldenaar] . Ook voert [de schuldenaar] aan dat rechtbank het voorwaardelijke karakter van het toelatingsverzoek ten onrechte niet in acht heeft genomen door dit niet pas te behandelen nadat het minnelijk traject is afgerond.\n\nHet oordeel van het hof\n\n3.9.. Het hof zal de beslissing van de rechtbank om [de schuldenaar] niet-ontvankelijk te verklaren bekrachtigen en licht hierna toe hoe het tot dat oordeel komt.\n\n3.10.. Het hof stelt vast dat het toelatingsverzoek van [de schuldenaar] ook in hoger beroep nog niet compleet is doordat [de schuldenaar] niet alle informatie heeft verstrekt die is voorgeschreven in artikel 285 lid 1 Faillissementswet (Fw). Zo ontbreken in elk geval een gespecificeerde opgave van de inkomsten van [de schuldenaar] als zzp-er (artikel 285 lid 1 onder c Fw) en een gespecificeerde opgave van zijn vaste lasten (artikel 285 lid 1 onder d Fw). Overigens ontbreken ook zijn bankafschriften van de laatste drie maanden en de financiële informatie over de onderneming(en) van [de schuldenaar] in het licht van artikel 285 lid 1 onder i Fw.\n\n3.11.. Onder de ontbrekende gegevens valt ook een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen zoals opgenomen in artikel 285 lid 1 onder f Fw. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [de schuldenaar] toegelicht dat hij zo’n groot mogelijk deel van zijn schulden wil aflossen. Om die reden wil hij een minnelijke regeling treffen waarbij zijn schuldeisers een groter deel van hun vordering vergoed krijgen dan zij bij toelating van [de schuldenaar] tot de wsnp zullen ontvangen, doordat hij langer dan 18 maanden zal sparen en aflossen. Zo’n minnelijke regeling zal gelet op de mededeling van de belastingdienst van 29 mei 2026 nog tenminste zes weken op zich laten wachten. Voor die tijd kan hij geen verklaring zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 onder f Fw overleggen, aldus [de schuldenaar] .\n\n3.12.. \n [de schuldenaar] heeft verklaard dat hij met deze procedure wil bereiken dat hij voldoende tijd krijgt om een minnelijke regeling tot stand te brengen. Dat is de reden waarom hij om aanhouding van zijn wsnp-verzoek heeft gevraagd zodat hierop pas wordt beslist als duidelijk is dat er geen minnelijke regeling kan worden gerealiseerd.\n\n3.13.. Het hof ziet en begrijpt de goede intentie van [de schuldenaar] om zoveel mogelijk te willen aflossen. De oplossing die [de schuldenaar] voorstaat past echter niet in het systeem van de Faillissementswet. De behandeling van een faillissementsaanvraag, die met de meeste spoed moet plaatsvinden, wordt geschorst totdat (onherroepelijk) is beslist op een door de schuldenaar (tijdig) gedaan verzoek om toelating tot de wsnp (artikelen 3 en 3a Fw). Daarbij is het de verantwoordelijkheid van de schuldenaar om zijn verzoek te voorzien van de informatie vermeld in artikel 285 lid 1 Fw. Verstrekt de schuldenaar in (de bijlagen bij) zijn verzoekschrift niet al deze gegevens dan kan de rechter hem een termijn van ten hoogste een maand bieden om zijn verzoekschrift aan te vullen. Is het verzoek ook daarna niet compleet, dan wordt de schuldenaar niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om toelating tot de wsnp (artikel 287 lid 2 Fw). De wet voorziet niet in de mogelijkheid om de schuldenaar na het indienen van zijn wsnp-verzoek een termijn te gunnen voor het beproeven van een minnelijke regeling. Dit betekent dat wat [de schuldenaar] wil bereiken, te weten het aanhouden van de toelatingsprocedure, en daarmee dus ook de faillissementsprocedure, voor de periode die nodig is om duidelijkheid te verkrijgen over de haalbaarheid van de minnelijke regeling, niet kan worden bereikt in deze procedure.\n\n3.14.. Ook het bezwaar dat [de schuldenaar] aanvoert tegen het gebruik (en handhaving) van de faillissementsaanvraag door het pensioenfonds als middel om in de betalingsregeling een hoger percentage van haar vordering vergoed te krijgen, leidt niet tot een ander oordeel. Dit argument van misbruik van recht hoort thuis in de faillissementsprocedure waarin, anders dan in deze wsnp-procedure, ook het pensioenfonds de gelegenheid heeft op het verwijt van [de schuldenaar] te reageren.\n\n3.15.. Uit het voorgaande blijkt, en [de schuldenaar] erkent dat ook, dat [de schuldenaar] tot op heden niet alle gegevens zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 Fw heeft verstrekt. [de schuldenaar] is daarom niet-ontvankelijk in zijn wsnp-verzoek. Een nadere motivering met betrekking tot de ontbrekende informatie is daarvoor, anders dan [de schuldenaar] aanvoert, niet vereist.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof, recht doende in hoger beroep:\n\nbekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 april 2026.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. N.M. Brouwer, G.P. Oosterhoff en M.P.M. Hennekens en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3739","2026-07-13T00:28:43.035Z",1,20]