[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-parental-responsibility-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":63,"limit":64},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},64,"parental-responsibility-nl","Parental Responsibility","NL","2026-07-08T16:54:19.202Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2026-01-20T00:00:00.000Z","2026-06-23T00:00:00.000Z",[],[22,32,40,48,56],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"923","ECLI:NL:GHARL:2026:4130","ecli-nl-gharl-2026-4130","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.364.780\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 328127\n\nbeschikking van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [Verzoeker](de vader),\n\ndie woont in [woonplaats1] , [land1] ,\n\nadvocaat: mr. H. Versluis,\n\nen\n\n [verweerster](de moeder), die woont in [woonplaats2] ( [gemeente1] ), advocaat: mr. P. van der Zalm.\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft op 13 november 2025 een zorg- en feestdagenregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld. Het hof stelt een andere zorgregeling vast dan de rechtbank en laat de feestdagenregeling in stand. Het hof legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [in] 2014.\n\n2.2.. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . Zij woont bij de moeder.\n\n2.3.. In het ouderschapsplan [van] 2017 hebben de ouders afgesproken dat [de minderjarige] een weekend in de twee weken bij de vader verblijft. [in] 2019 hebben de ouders een aanvullend ouderschapsplan ondertekend met daarin een wijziging van de zorgregeling. De zorgregeling zou worden opgebouwd van één middag per twee weken naar de ene week een dag en een nacht bij de vader en de andere week een middag bij de vader.\n\n2.4.. In het ouderschapsplan [van] 2022 hebben de ouders weer een andere zorgregeling afgesproken. [de minderjarige] heeft eens in de twee weken contact met haar vader op zaterdag van 10:30 uur tot 16:30 uur in het huis van de vader. Het overdrachtsmoment vindt plaats op de carpoolplaats in [woonplaats3] . De omgang tijdens de kerstdagen bepalen de ouders in overleg met elkaar en de omgang tijdens oud en nieuw blijft zoals het is.\n\n2.5.. In de beschikking van 6 december 2022 heeft de rechtbank het ouderschapsplan [van] 2017 gewijzigd en bepaald dat de inhoud van het door de ouders [in] 2022 ondertekende ouderschapsplan daarvoor in de plaats komt.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De vader heeft de rechtbank gevraagd de zorgregeling te wijzigen. Hij wil dat:\n\n- de rechtbank bepaalt dat de vader eens per twee weken op zaterdag contact heeft met [de minderjarige] van 8:30 uur tot na het avondeten, rond 19:00 uur. De vader brengt [de minderjarige] terug naar de moeder;\n\n- [de minderjarige] in het contactweekend bij hem mag overnachten, wanneer [de minderjarige] aangeeft dat zij dit wil. Wanneer dit twee nachten goed gaat, moet het contactweekend worden uitgebreid met een overnachting, waarbij de vader [de minderjarige] op zondag om 11:00 uur weer naar de moeder brengt;\n\n- [de minderjarige] met de kerstdagen, oud en nieuw, Pasen en Pinksteren in de oneven jaren telkens op de eerste dag bij de vader is en in de even jaren telkens op de tweede dag, van 8:30 uur tot 19:00 uur;\n\n- [de minderjarige] in de zomervakantie een aaneengesloten week contact heeft met de vader.\n\n3.2.. De rechtbank heeft op 23 april 2025 een voorlopige zorgregeling vastgesteld. [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag contact met de vader van 9:30 uur tot 19:00 uur, waarbij het overdrachtsmoment op de carpoolplaats in [woonplaats3] plaatsvindt. De rechtbank heeft de definitieve beslissing over de zorg- en vakantieregeling aangehouden.\n\n3.3.. \n\nDe rechtbank heeft op 13 november 2025 een definitieve zorg- en feestdagenregeling vastgesteld. [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag contact met de vader van 9:30 uur tot 19:00 uur, waarbij het overdrachtsmoment op de carpoolplaats in [woonplaats3] plaatsvindt.\n\nVerder heeft de rechtbank bepaald dat [de minderjarige] en de vader contact hebben in de oneven jaren op eerste kerstdag, oudejaarsdag, eerste paasdag en eerste pinksterdag. In de even jaren hebben zij contact op tweede kerstdag, nieuwjaarsdag, tweede paasdag en tweede pinsterdag. Voor de feestdagen gelden dezelfde tijden en overdrachtslocatie als voor de reguliere zorgregeling. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de ouders hun eigen proceskosten moeten betalen.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. \n\nDe vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de reguliere zorgregeling. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel ongedaan maakt en bepaalt dat [de minderjarige] en de vader eens per twee weken van zaterdag 9:30 uur tot zondag 11:00 uur contact hebben.\n\nDe vader wil dat de moeder [de minderjarige] op zaterdag naar hem brengt en dat hij [de minderjarige] op zondag weer naar de moeder brengt. Verder wil de vader dat [de minderjarige] en hij in de zomervakantie een week aaneengesloten contact hebben. De vader is het wel eens met de feestdagenregeling, zoals door de rechtbank is vastgesteld.\n\n4.2.. De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ontvangen op 9 februari 2026;\n\nhet verweerschrift.\n\n4.4.. \n [de minderjarige] heeft op 18 mei 2026 gesproken met een rechter en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de zorgregeling.\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 26 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\neen vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad).\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1.. De zaak heeft een internationaal karakter, omdat de vader in [land1] woont. Het hof zal dan ook eerst moeten beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om de verzoeken te beoordelen.\n\n5.2.. Het verzoek van de vader gaat over de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter (Verordening (EU) 2019\u002F1111) is de Nederlandse rechter in zaken over de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd als een kind op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank zijn of haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op 30 januari 2025 heeft de vader het verzoekschrift bij de rechtbank ingediend. [de minderjarige] had toen haar gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter heeft daarom rechtsmacht en is bevoegd het verzoek te beoordelen.\n\n5.3.. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. De ouders hebben daartegen geen bezwaren aangevoerd. Het hof zal daarom bij de beoordeling van de verzoeken ook het Nederlandse recht toepassen.\n\nWat in de wet staat\n\n5.4.. Op grond van artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing over de uitoefening van het ouderlijk gezag of een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen, wanneer de omstandigheden zijn gewijzigd of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan gaan over een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders.\n\nDe standpunten van de vader en de moeder\n\n5.5.. \n\nDe vader voert aan dat de huidige zorgregeling te beperkt is. Uitbreiding van de zorgregeling met een overnachting zal bijdragen aan de hechting tussen [de minderjarige] , de vader en zijn gezin. Dit is in het belang van [de minderjarige] . Volgens de vader wil [de minderjarige] bij hem overnachten, maar geeft de moeder haar hier geen emotionele toestemming voor. Wanneer de overdracht\n\nop de carpoolplaats wordt vervangen door een regeling waarin de ouders [de minderjarige] brengen en halen, zal [de minderjarige] die emotionele toestemming meer ervaren.5.6.. De moeder voert aan dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om de zorgregeling uit te breiden met een overnachting. De vader heeft geen echte interesse in [de minderjarige] . Hij informeert nergens naar en onderneemt niets met [de minderjarige] als ze bij hem is. [de minderjarige] moet zichzelf dan vermaken. De moeder staat niet onwelwillend tegenover een overnachting, maar alleen als dit in het belang van [de minderjarige] is. Dat is het op dit moment niet. [de minderjarige] wil niet overnachten bij de vader en haar wens moet worden gevolgd. Er is een risico dat uitbreiding van de zorgregeling leidt tot spanningen en een afnemende bereidheid tot contact, omdat uitbreiding niet aansluit bij de draagkracht van [de minderjarige] .\n\nHet advies van de raad\n\n5.7.. De raad heeft geadviseerd om de zorgregeling niet te wijzigen. De raad benadrukt dat [de minderjarige] een broos meisje is dat richting de puberteit gaat. De huidige zorgregeling loopt en lijkt het maximale te zijn dat [de minderjarige] op dit moment aankan. Wanneer zij tegen haar zin in bij de vader moet overnachten, kan zij dit haar ouders kwalijk gaan nemen.\n\nHet oordeel van het hof\n\n5.8.. Het hof is van oordeel dat uit de aangevoerde feiten volgt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Het hof komt vervolgens toe aan het oordeel over de zorgregeling.\n\n5.9.. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij en de vader na een korte opbouwperiode eens per twee weken van zaterdag 9:30 uur tot zondag 11:00 uur contact hebben. Het hof zal daarom op dit onderdeel de beslissing van de rechtbank vernietigen en dit verzoek van de vader alsnog toewijzen. Voor het overige laat het hof de beslissing van de rechtbank in stand.\n\n5.10.. Het hof vindt uitbreiding van deze zorgregeling met één overnachting in het belang van [de minderjarige] om de volgende redenen. Voor [de minderjarige] is het belangrijk dat de band met haar vader zich verder ontwikkelt. Het algemene uitgangspunt is namelijk dat het in het belang van kinderen is om met beide ouders een goede en stabiele relatie op te bouwen. De band tussen [de minderjarige] en de vader is in het verleden beschadigd. Dat komt enerzijds omdat de vader drie jaar afwezig is geweest in het leven van [de minderjarige] . Anderzijds hebben [de minderjarige] en haar vader ook weinig contact gehad, omdat het de ouders na hun scheiding niet lukte met elkaar daarover te overleggen. De ouders hebben hun communicatie, ondanks de hulpverlening, niet kunnen verbeteren. De huidige zorgregeling van één dag per twee weken is te beperkt om de band met haar vader te versterken. De uitbreiding met één overnachting biedt daartoe meer rust en tijd. Ook krijgt [de minderjarige] meer ruimte om haar plek in het gezin van haar vader te vinden. Het belang van [de minderjarige] bij het opbouwen van een goede relatie met de vader weegt zwaarder dan de reden die [de minderjarige] heeft om niet bij haar vader te overnachten, namelijk dat zij het spannend vindt en dat ze zich soms ook eenzaam voelt bij haar vader thuis. Dat geldt ook voor het advies van de raad dat de huidige zorgregeling het maximale lijkt te zijn wat [de minderjarige] op dit moment aankan. Daarbij weegt het hof mee dat onvoldoende is gebleken dat de uitbreiding van de zorgregeling, zoals deze in de bestreden beschikking is vastgesteld, negatief heeft uitgepakt voor [de minderjarige] . Verder zijn er geen signalen dat een overnachting bij de vader niet veilig is. Tot slot betrekt het hof in zijn oordeel dat [de minderjarige] het ook regelmatig leuk heeft bij haar vader, bijvoorbeeld als zij samen activiteiten ondernemen. Zo gaan zij regelmatig naar de speeltuin en soms naar de dierentuin. Het hof zal de reguliere regeling niet direct in laten gaan, zodat [de minderjarige] de tijd heeft om te wennen aan het idee van de overnachting. Daarom zal het hof bepalen dat [de minderjarige] het eerste contactweekend na deze beslissing nog niet bij haar vader overnacht, het contactweekend daarna wel, het contactweekend daarna niet en dat daarna de reguliere contactregeling zal gaan gelden.\n\n5.11.. Gelet op de draagkracht van [de minderjarige] heeft de vader een belangrijke rol en verantwoordelijkheid bij het versterken van hun band, zodat [de minderjarige] zich op haar gemak zal gaan voelen bij de overnachting en in het gezin van de vader. Daarbij is het belangrijk dat [de minderjarige] voldoende één op één tijd met de vader heeft. [de minderjarige] heeft hier behoefte aan. Het is ook belangrijk dat [de minderjarige] een eigen plek bij de vader heeft. Het helpt als de vader de slaapkamer klaarmaakt, voordat het eerste contactweekend met de overnachting plaatsvindt.\n\n5.12.. Het hof wijst het verzoek van de vader over het halen en brengen af. Dat betekent dat de carpoolplaats de haal- en brenglocatie blijft. Deze locatie is destijds afgesproken om escalatie aan de deur te vermijden. De ouders delen het halen en brengen en de carpoolplaats is een bekende plek voor [de minderjarige] . Het hof is niet gebleken dat [de minderjarige] moeite heeft met deze haal- en brenglocatie. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel.\n\n5.13.. Het hof wijst het verzoek van de vader over de aaneengesloten week contact in de zomervakantie ook af. Voor [de minderjarige] is het al een grote stap om eens per twee weken bij de vader te overnachten. Gelet op de draagkracht van [de minderjarige] is het niet in haar belang om direct een week in de zomervakantie bij de vader te overnachten, die stap is te groot. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 13 november 2025, voor zover de beslissing over de reguliere zorgregeling, en:\n\nstelt als zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader vast:\n\n- [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag van 9:30 uur tot zondag 11:00 uur\n\n contact met de vader;\n\nbepaalt dat de zorgregeling als volgt wordt opgebouwd:\n\n- het eerste contactweekend na deze beschikking heeft [de minderjarige] contact met de vader op\n\n zaterdag van 9:30 uur tot 19:00 uur;\n\nhet volgende contactweekend heeft [de minderjarige] contact met de vader op zaterdag van 9:30 uur tot zondag 11:00 uur;\n\nhet daarop volgende contactweekend heeft [de minderjarige] contact met de vader op zaterdag van 9:30 uur tot 19:00 uur;\n\nvervolgens geldt de reguliere zorgregeling.\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 13 november 2025 voor het overige;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. L.R. Davila Talavera, E. de Boer en, D.J.M. van de Voort, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4130","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:54.700Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":39},"1910","ECLI:NL:GHARL:2026:4020","ecli-nl-gharl-2026-4020","2026-06-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummers gerechtshof 200.366.553\u002F01 en 200.366.553\u002F02\n\nzaaknummers rechtbank Midden-Nederland 602451 en 602454\n\nbeschikking van 18 juni 2026\n\nover de zorgregeling en het gezag\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker](de vader)\n\ndie nu verblijft in [verblijfplaats] in [plaats1] , gemeente [gemeentenaam]\n\nadvocaat: mr. K.W. van Nieuwkerk\n\nen\n\n [verweerster](de moeder) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. J.X.C. Peters\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) heeft het gezag van de vader over van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geschorst en bepaald dat er voorlopig geen omgang plaatsvindt tussen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de vader. Het hof beslist dat de beslissing over het gezag niet zo moet blijven en de beslissing over de omgangsregeling wel zo moet blijven, en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn met elkaar getrouwd. De moeder heeft bij de rechtbank een verzoek tot echtscheiding ingediend.\n\n2.2.. Zowel de ouders als de kinderen hebben de Poolse nationaliteit.\n\n2.3.. De ouders hebben samen twee kinderen:\n\n- [de minderjarige1] , die is geboren [in] 2014 in [plaats2] (Polen) en,\n\n- [de minderjarige2] , die is geboren [in] 2016 in [plaats2] (Polen).\n\n2.4.. \n [de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij de moeder. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.\n\n2.5.. De vader is sinds mei 2025 gedetineerd.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De vader heeft de rechtbank gevraagd een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen tweemaal per week met hem bellen (eenmaal doordeweeks en eenmaal in het weekend) en maandelijks met hem beeldbellen en bij hem in de Penitentiaire inrichting (PI) op bezoek komen.\n\n3.2.. De moeder heeft de rechtbank bij wege van zelfstandig verzoek gevraagd het gezamenlijke gezag van de ouders te beëindigen en haar alleen met het gezag over de kinderen te belasten.\n\n3.3.. De rechtbank heeft het gezag van de vader geschorst totdat hier definitief op is beslist en bepaald dat er voorlopig geen omgang plaatsvindt tussen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en de vader. De rechtbank heeft de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) verzocht te onderzoeken welke beslissing over het gezag in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is en wat de mogelijkheden zijn ten aanzien van het contact tussen de vader en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De definitieve beslissing heeft de rechtbank aangehouden tot 18 februari 2027.\n\n3.4.. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 18 februari 2026.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De vaderis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank over het schorsen van zijn gezag ongedaan maakt en dat het hof een (voorlopige) zorgregeling tussen hem en de kinderen vaststelt; die zorgregeling moet dan inhouden dat de kinderen tweemaal per week met hem bellen (eenmaal doordeweeks en eenmaal in het weekend) en maandelijks met hem beeldbellen, en dat ze bij hem in de PI op bezoek komen (tijdens vader-kinddag). De vader vraagt het hof ook voor de duur van het hoger beroep de werking van de bestreden beschikking te schorsen (de beslissing over het gezag).\n\n4.2.. De moederis het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat. De moeder vraagt het hof bij wege van zelfstandig verzoek het gezamenlijk gezag van partijen te schorsen voor de duur van de procedure in eerste aanleg totdat de rechtbank heeft beslist over het gezag, althans voor de duur van één jaar, en de moeder in deze periode alleen met het gezag te belasten.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ontvangen op 18 maart 2026\n\nhet verweerschrift\n\nde stukken van de vader, ingediend op 22 mei 2026\n\n4.4.. \n [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben allebei een brief geschreven. Zij hebben hierin verteld wat zij ervan vinden om contact te hebben met de vader.\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde vader met zijn advocaat\n\nde moeder met haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming\n\nBeide ouders werden bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1.. Zowel de ouders als de kinderen hebben de Poolse nationaliteit. Daarom dient het hof eerst ambtshalve te beoordelen of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Het geschil heeft betrekking op de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van artikel 7 lid 1 van de Verordening Brussel II-ter (EU 2019\u002F1111) is de Nederlandse rechter bevoegd van dit geschil kennis te nemen omdat de kinderen op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.\n\n5.2.. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven opgeworpen, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.\n\nOntvankelijkheid\n\n5.3. De beschikking van de rechtbank is een zogenoemde deelbeschikking: ten aanzien van een deel van het verzochte (over de schorsing van het gezag van de vader en de bepaling dat er voorlopig geen omgang plaatsvindt) is uitdrukkelijk beslist. Tegen dat deel staat hoger beroep open. De vader is dus ontvankelijk in zijn hoger beroep.\n\nWat staat in de wet?\n\nGezag5.4.. \n\nIn artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter na ontbinding van het huwelijk op verzoek van de ouders of van een van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:\n\na. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nOmgang5.5.. \n\nDe rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien: a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van\n\n het kind, of b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang\n\n met zijn ouder heeft doen blijken, of d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.\n\nIn het incident: de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.6.. De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissingen van de rechtbank meteen werking hebben, ook als – zoals nu – hoger beroep is ingesteld. De (advocaat van de) vader heeft verzocht om ten aanzien van de gezagsbeslissing de directe werking van de beschikking te schorsen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat dat verzoek ingetrokken, indien het hof een eindbeslissing neemt over het gezag. Het hof neemt een eindbeslissing. Dit betekent dat het verzoek is ingetrokken waarmee het hof aanneemt dat de vader de gronden van het hoger beroep die zien op het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de vader in dit verzoek niet-ontvankelijk zal verklaren.\n\nIn de hoofdzaak: de standpunten van de ouders\n\n5.7.. Volgens de vader was de rechtbank niet bevoegd om het gezag van de vader ambtshalve te schorsen. De beslissing was bovendien niet nodig omdat de ouders volgens de vader samen het gezag kunnen blijven uitoefenen, ook nu de vader gedetineerd zit. De vader mist [de minderjarige1] en [de minderjarige2] heel erg. Hij heeft ze al ruim een jaar niet gezien en wil graag dat het contact hersteld wordt. De vader vreest dat de band tussen de beide kinderen en hem anders verder zal verwateren en dat het contactherstel steeds lastiger zal worden.\n\n5.8.. Volgens de moeder kon de rechtbank het gezag van de vader wel ambtshalve schorsen. Zij stelt dat de rechtbank op grond van artikel 1:253a BW ook ‘het mindere’ (schorsing van het gezag) kan toewijzen. Volgens de moeder kunnen de ouders niet overleggen over de kinderen omdat de vader gedetineerd zit en de moeder getraumatiseerd is door het geweld dat tijdens het huwelijk heeft plaatsgehad.. De vader heeft bovendien een contact- en gebiedsverbod tot maart 2027. De kinderen hebben volgens de moeder ook veel meegekregen van de gebeurtenissen tijdens het huwelijk. Zij zijn als gevolg daarvan nog niet klaar voor contactherstel. Volgens de moeder is het van belang dat de hulpverlening voor de kinderen wordt opgestart en het tempo van de kinderen wordt gevolgd.\n\n5.9.. De raad heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de beschikking van de rechtbank in stand te laten. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben volgens de raad veel meegemaakt. Zij hebben hulp nodig om dit te verwerken en te werken aan hun herstel. De raad hoopt dat de kinderen de nare herinneringen kunnen verwerken en weer ruimte krijgen voor de fijne herinneringen aan hun vader. Ook de ouders hebben volgens de raad hulp nodig. De vader moet proberen te erkennen dat de kinderen door de gebeurtenissen zijn getraumatiseerd. Hij moet tevens zijn eigen emoties weghouden bij de kinderen en de kaartjes die hij aan de kinderen stuurt, luchtig houden. Ook de moeder moet de gebeurtenissen uit het verleden verwerken. Op grond van het bovenstaande is er op dit moment volgens de raad geen ruimte voor contactherstel.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\nGezag5.10.. \n\nHet hof zal eerst beoordelen of de rechtbank bevoegd was het gezag van de vader ambtshalve tijdelijk te schorsen. Naar het oordeel van het hof was de rechtbank hiertoe niet bevoegd.\n\nDe Hoge Raad heeft geoordeeld dat de wet geen mogelijkheid biedt om ambtshalve het gezag van de vader tijdelijk te schorsen. Schorsing van het gezag is mogelijk op grond van de artikelen 1:267 en 1:268 BW. De schorsing kan echter slechts worden uitgesproken op verzoek van een overheidsorgaan (de raad of het OM) of de pleegouders, niet door de ouders zelf. Omdat er geen schorsing door een overheidsorgaan is verzocht en er geen pleegouders betrokken zijn, kan de schorsing van het gezag niet worden uitgesproken.\n\n5.11.. Het hof volgt de moeder niet in haar standpunt dat op grond van haar verzoek op basis van artikel 1:253a BW de rechtbank het gezag van de vader tijdelijk kon schorsen. Artikel 1:253a BW is een geschillenregeling en biedt geen grond om de beslissing over het gezag zelf te wijzigen, in die zin dat alsnog een van de ouders met het gezag wordt belast.\n\n5.12.. Het hof zal dit deel van de beslissing van de rechtbank ongedaan maken (vernietigen).\n\nOmgang5.13.. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat contactherstel met de vader op dit moment niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is. De raad heeft in dezelfde zin geadviseerd. Op dit moment is de weerstand tegen contact met de vader die de kinderen laten zien, groot en hebben zij geen enkele ruimte om op een positieve manier aan de vader terug te denken. De kinderen zijn veelvuldig getuige geweest van huiselijk geweld en zij moeten eerst de tijd en rust krijgen om te verwerken wat zij hebben gezien en meegemaakt. Pas nadat zij de gepaste hulp hebben gekregen ontstaat er mogelijk ruimte voor een positiever beeld van hun vader, waaruit een interesse in hem kan groeien. Met de hulpverlening kan dan gekeken worden of contactherstel met de vader in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is. Ook de regeling die de vader voorstelt, beeldbellen of een video opnemen waarin de vader een boek voorleest, vindt het hof om deze reden nu nog niet in het belang van de kinderen.\n\n5.14.. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank afgesproken dat de moeder aan de vader, via een tussenpersoon, eens in de twee maanden een e-mail stuurt met informatie over de kinderen. Het hof benadrukt dat de moeder verplicht is om deze informatieregeling na te komen en dat zij – vooral omdat er nu geen omgang is – de vader ruim en volledig van informatie over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] moet voorzien. Het blijven informeren van de vader is belangrijk zodat de vader op de hoogte blijft van hoe het met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gaat. Dit is nodig om goed te kunnen aansluiten bij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] als de omgang in de toekomst mogelijk weer wordt opgestart, maar ook reeds omdat hij de vader is en het recht heeft om betrokken te blijven bij het wel en weer van zijn kinderen.\n\n5.15.. Het hof zal de beslissing van de rechtbank over de omgangsregeling in stand laten (bekrachtigen).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1.. \n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van\n\n18 februari 2026, voor zover die ziet op de schorsing van het ouderlijk gezag van de vader;\n\n6.2.. bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 februari 2026, ten aanzien van de omgangsregeling;\n\n6.3.. verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad in hoger beroep\n\n6.4.. wijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Feunekes en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier en in het openbaar uitgesproken op\n\n18 juni 2026.\n\n HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:684","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4020","2026-07-13T00:29:45.010Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":30,"updatedAt":47},"924","ECLI:NL:GHARL:2026:3706","ecli-nl-gharl-2026-3706","2026-06-09T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.111\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 452763)\n\nbeschikking van 9 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoekster](de moeder),\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\nadvocaat: mr. S.L. Fronik\n\nen\n\n [verweerder](de vader),\n\ndie woont in [woonplaats2] ,\n\nadvocaat: mr. W.G.A. van Hoogstraten\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Gelderland heeft het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te krijgen voor een verhuizing met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar [woonplaats1] afgewezen. De rechtbank Gelderland heeft ook de zorgregeling gewijzigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven, zij het met een uitbreiding van de zorgregeling voor de moeder op dinsdag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn [in] 2016 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Zij zijn de ouders van:\n\n- [de minderjarige1] , die is geboren [in] 2016, en\n\n- [de minderjarige2] , die is geboren [in] 2019,\n\nover wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen.\n\n2.2. Door de rechtbank Limburg is bij beschikking van 22 april 2022 de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van de ouders uitgesproken. In deze beschikking is ook bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan, dat door de ouders op 25 maart 2022 is ondertekend, deel uitmaakt van de beschikking.\n\n2.3.. De ouders woonden ten tijde van het uiteengaan in [woonplaats2] . De vader is daar blijven wonen. De moeder is na de breuk in eerste instantie in [woonplaats3] gaan wonen. De kinderen gaan in [woonplaats2] naar school. In het ouderschapsplan is daarvan uitgaande bepaald dat [de minderjarige1] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en dat [de minderjarige2] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Ook is de volgende regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) vastgelegd:\n\n2.4.. \n\nDe wisselmomenten zijn als volgt:\n\n‘Oneven week: woensdag brengt moeder de kinderen naar school en haalt vader de\n\nkinderen uit school op. Even week: maandag brengt vader ze naar school,\n\nmoeder uit school. Donderdag moeder naar school, vader haalt ze op. Op zaterdag\n\nzal het wisselmoment plaats vinden om 14:00. '\n\n2.5.. In afwijking van het ouderschapsplan verblijven de kinderen elke maandag, dinsdag en woensdag voor school bij de moeder en elke woensdag na school, donderdag en vrijdag naar school bij de vader. De weekenden, vanaf vrijdag na school, worden om de week gedeeld. Hierbij haalt de moeder de kinderen op maandag van school, brengt zij ze op dinsdag en woensdag naar school en haalt zij de kinderen op de vrijdag dat de kinderen bij haar in het weekend verblijven, bij grootouders van vaderszijde op.\n\n2.6.. De moeder heeft een nieuwe partner. De partner van de moeder woont in [woonplaats1] in [gemeente1] . De moeder en haar partner hebben samen een dochter: [de minderjarige3] , die is geboren [in] 2025.\n\n2.7.. \n\nDe voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in het vonnis in kort geding van\n\n23 mei 2025 onder meer:\n\n- de vordering van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met\n\n de kinderen naar [woonplaats1] te verhuizen, afgewezen;\n\n- de primaire vordering van de vader om de moeder te verbieden met de kinderen naar\n\n [woonplaats1] te verhuizen, althans de moeder te bevelen te blijven wonen in\n\n [woonplaats3] en daar ook daadwerkelijk te verblijven, afgewezen;\n\n- de subsidiaire vordering van de vader om de moeder te bevelen in [woonplaats3] te\n\n verblijven conform de doordeweekse zorgregeling (van zondagavond tot woensdag\n\n naar school) en aldus wanneer de moeder de zorg voor de kinderen heeft,\n\n toegewezen;\n\n- de vordering van de vader om de moeder een dwangsom op te leggen per dag(deel)\n\n dat zij in gebreke blijft het vonnis na te komen, afgewezen.\n\n2.8.. Door de moeder is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 23 mei 2025. In het arrest in kort geding van 22 juli 2025 van dit hof is het vonnis van 23 mei 2025 bekrachtigd.\n\n2.9.. De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft in het vonnis in kort geding van 10 juli 2025:\n\n- de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling uit het vonnis van 23 mei\n\n 2025, in die zin dat zij verplicht is om in [woonplaats3] te verblijven conform de\n\n doordeweekse zorgregeling op de dagen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar school\n\n moeten;\n\n- de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 500,- voor\n\n iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 1.\n\n voldoet, tot een maximum van € 15.000,- is bereikt;\n\n- de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere\n\n partij de eigen kosten draagt.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De moeder heeft de rechtbank verzocht om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [woonplaats1] . Voor het geval de rechtbank de toestemming niet zou geven heeft de moeder gevraagd om een aanpassing van de zorgregeling, waarbij:\n\n- de kinderen elke week vanaf dinsdag 17.00 uur tot vrijdag naar school bij de vader en elke maandag (hele dag en nacht) en dinsdag tot 17.00 uur bij de moeder zijn, en de weekenden (vanaf vrijdag na school tot maandag naar school) om en om, of\n\n- de kinderen op de doordeweekse dagen bij de moeder zijn (en zij zullen dan in [woonplaats1] naar school gaan) en elk weekend van vrijdag na school tot maandag naar school (of tot zondagavond) bij de vader zijn, of\n\n- de kinderen op doordeweekse dagen bij de vader zijn en elk weekend van vrijdag na school tot maandag naar school bij de moeder.\n\n3.2.. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder afgewezen en de beschikking van de rechtbank Limburg van 22 april 2022 en het van die beschikking deel uitmakende ouderschapsplan gewijzigd en als zorgregeling vastgesteld dat de kinderen:\n\n- om de week in het weekend bij de moeder verblijven vanaf vrijdag na school waarbij de moeder de kinderen uit school ophaalt tot zondag waarbij de moeder de kinderen om 19.30 uur terugbrengt naar de vader;\n\n- tijdens de vakanties die één week duren, bij de moeder verblijven;\n\n- tijdens de overige vakanties bij de ouders zijn, bij helfte tussen de ouders te verdelen.\n\n3.3.. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 21 oktober 2025.\n\n3.4. De moeder heeft er vervolgens voor gekozen om haar woonruimte in [woonplaats3] op te zeggen en zelf te verhuizen naar [woonplaats1] , om daar te gaan samenwonen met haar nieuwe partner en [de minderjarige3] . Zij voert de zorgregeling uit vanuit [woonplaats1] .\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ter zake van de zorgregeling ongedaan maakt en bepaalt dat:\n\nPrimair:\n\nde kinderen bij de moeder zijn elke maandag van 8.30 uur tot dinsdag 17.00 uur en bij de vader elke dinsdag van 17.00 uur tot vrijdag 08.30 uur, waarbij de kinderen het ene weekend vanaf vrijdag 08.30 uur bij de vader zijn en de andere week het weekend vanaf vrijdag 08.30 uur bij de moeder en de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld;\n\nSubsidiair:\n\nde kinderen bij de vader zijn elke maandag van 08.30 uur tot vrijdag 08.30 uur en bij de moeder elke vrijdag van 08.30 uur tot maandag 08.30 uur en de vakanties bij helfte worden gedeeld, en de kinderen en de moeder twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben.\n\nMeer subsidiair (voorwaardelijk):\n\nindien het hof bepaalt dat de door de rechtbank bepaalde zorgregeling grotendeels in stand blijft, verzoekt de moeder de kinderen in haar weekend naar school te brengen (in de plaats van zondagavond), voor de schoolvakanties te bepalen dat de kinderen iedere vakantie bij de moeder zijn, met uitzondering van twee weken in de zomervakantie en voor de feestdagen te bepalen dat deze bij helfte worden verdeeld. En de kinderen en de moeder twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben.\n\n4.2.. De vaderis het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 30 december 2025\n\nhet verweerschrift\n\nde stukken van de vader ingediend op 28 april 2026\n\nde stukken van de moeder ingediend op 7 mei 2026\n\n4.4.. \n [de minderjarige1] heeft op 11 mei 2026 gesproken met een rechter in hoger beroep en een griffier van het hof.\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 12 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde moeder met haar advocaat\n\nde vader met zijn advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1.. Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.\n\nStandpunten\n\n5.2.. De moeder vindt de door de rechtbank bepaalde zorgregeling niet in het belang van de kinderen. De rechtbank heeft bij de regeling de reisafstand [woonplaats1] - [woonplaats2] betrokken. De moeder denkt daar anders over. Volgens de moeder is het voor de kinderen niet schadelijk om heen en terug steeds anderhalf uur in de auto te zitten. De kinderen hoeven volgens de moeder ook niet heel veel eerder op te staan om vanuit [woonplaats1] in [woonplaats2] naar school te worden gebracht. Zij staan nu om half zeven op en toen de moeder nog in [woonplaats3] woonde stonden ze om kwart voor zeven op. De moeder kan de kinderen zelf naar school brengen en in de auto hebben zij extra tijd samen. Bij de vader moeten de kinderen op de maandag en de dinsdag naar de BSO of naar de ouders van de vader. De moeder kan de kinderen zelf opvangen. De moeder vindt het niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij hun moeder maar eenmaal in de twee weken zien. Zij zijn hierdoor ook maar heel weinig bij hun halfzusje, [de minderjarige3] . Volgens de moeder weegt de lange reistijd niet op tegen het verlies aan contact en is het beter voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] als zij de moeder vaker zien.\n\n5.3.. De vader vindt de reistijd van en naar de moeder belastend voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Hij vindt dat dit ten koste gaat van de rust, de hersteltijd en de regelmaat die de kinderen nodig hebben. De vader begrijpt dat de moeder de kinderen graag meer wil zien en dat de kinderen hier ook behoefte aan hebben. Volgens de vader heeft de moeder deze situatie zelf veroorzaakt door te verhuizen naar [woonplaats1] . De kinderen zijn inmiddels gewend aan de zorgregeling en de vader heeft zijn werkuren hierop afgestemd. De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling is volgens de vader praktisch uitvoerbaar en duurzaam. De regeling sluit aan bij de bestaande schoolgang, het sociale leven en het dagelijkse ritme van de kinderen en vereist geen structurele lange reistijden of complexe logistiek. De vader vindt het daarom niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om de zorgregeling opnieuw te wijzigen. De vader heeft ter zitting aangegeven dat de moeder doordeweeks zondermeer welkom is in [woonplaats2] om daar met de kinderen een aantal uur omgang te kunnen hebben.\n\n5.4.. De raad heeft de ouders tijdens de mondelinge behandeling bij het hof geadviseerd om te werken aan hun onderlinge communicatie. De raad begrijpt dat de moeder de kinderen vaker wil zien, maar vindt het niet in het belang van de kinderen om ze op de maandag heen en weer te laten reizen en dan dinsdag weer heen. De raad vindt de afstand daarvoor te groot. De raad stelt voor dat de weekenden die de kinderen bij de moeder verblijven worden uitgebreid met de maandagmiddag. De moeder kan de kinderen dan op maandagochtend naar school brengen en de kinderen op maandagmiddag van school ophalen. De moeder moet volgens de raad op maandagmiddag wel met de kinderen in de omgeving van [woonplaats2] blijven, zodat de kinderen niet tweemaal op een dag de lange afstand hoeven af te leggen.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.5.. \n\nHet hof vindt het niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om de zorgregeling met de moeder uit te breiden met de maandag en de dinsdag. Dit zou namelijk betekenen dat de moeder de kinderen iedere maandagmorgen en dinsdagmorgen vanuit [woonplaats1] naar de school van de kinderen in [woonplaats2] moet brengen, en ze in de middag weer moet ophalen. De extra tijd die de kinderen dan doorbrengen met de moeder vindt het hof niet opwegen tegen de afstand en met name de reistijd, van anderhalf uur enkele reis, die hiermee gepaard gaat. Hierin neemt het hof ook mee dat [de minderjarige1] verteld heeft dat zij snel wagenziek wordt en hierdoor geen ontbijt kan eten in de auto. Het hof vindt het in het belang van\n\n [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij hun schooldag rustig op kunnen starten en uitgerust en met genoeg energie aan hun dag kunnen beginnen. De reisafstand die zij moeten overbruggen van de moeder naar school maakt dit voor hen onmogelijk.\n\n5.6.. Het hof begrijpt dat de moeder de kinderen mist. Ook de kinderen geven aan graag meer tijd door te brengen met de moeder. Feit is echter dat de moeder er de voorkeur aan heeft gegeven te verhuizen naar [woonplaats1] in plaats van veel dichter bij de kinderen te gaan wonen. Door deze keuze heeft de moeder een situatie gecreëerd waarbij vaker en\u002Fof langer contact met de kinderen veel van de kinderen vraagt, omdat zij dan steeds een grote afstand moeten overbruggen. Om tegemoet te komen aan de wens van de kinderen, om de moeder vaker te zien, zal het hof de zorgregeling aanvullen in die zin dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ook op de dinsdagmiddag na school tot 17.00 uur bij de moeder in de buurt van [woonplaats2] verblijven. De moeder kan op de dinsdagmiddag na school iets met de kinderen ondernemen in de buurt van [woonplaats2] . [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zien de moeder dan een extra middag in de week, zonder dat zij een grote afstand moeten afleggen.\n\n5.7.. \n\nHet subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de moeder, onder andere inhoudende dat de kinderen ieder weekend bij de moeder zijn, acht het hof niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Integendeel, het hof vindt het belangrijk voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij ook weekenden en vakanties bij de vader kunnen doorbrengen. Het hof betrekt daarbij wederom dat het de eigen keuze van de moeder is geweest waardoor deze situatie is ontstaan. Die keuze hoeft er niet toe te leiden dat de vader moet interen op de weekenden en vakanties. Bij toewijzing van het subsidiaire verzoek van de moeder zullen de kinderen nooit meer in de weekenden en vakanties bij de vader zijn. Dit vindt het hof niet in hun belang.\n\nHet hof zal wel bepalen dat de moeder en de kinderen twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vader verteld dat dit al een periode is gebeurd. Het hof maakt hieruit op dat de vader geen bezwaar heeft tegen toewijzing van dit deel van het verzoek van de moeder. Nu het hof het ook in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vindt dat zij kunnen videobellen met de moeder, zal het hof dit deel van het verzoek van de moeder toewijzen.\n\n5.8.. Het hof zal de beslissing van de rechtbank bevestigen (bekrachtigen) en aanvullen in die zin dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ook op de dinsdagmiddag vanuit school tot 17.00 uur bij de moeder in de omgeving van [woonplaats2] verblijven en dat zij tweemaal in de week op een door de vader en de kinderen te bepalen moment videobelcontact met de moeder hebben.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van\n\n21 oktober 2025, waarin is bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] :\n\n- om de week in het weekend bij de moeder verblijven vanaf vrijdag na school waarbij de moeder de kinderen uit school ophaalt tot zondag waarbij de moeder de kinderen om 19.30 uur terugbrengt naar de vader;\n\n- tijdens de vakanties die één week duren, bij de moeder verblijven;\n\n- tijdens de overige vakanties bij de ouders zijn, bij helfte tussen de ouders te verdelen.\n\nen vult deze regeling als volgt aan:\n\n- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven iedere dinsdag uit school tot 17.00 uur bij de moeder in de omgeving van [woonplaats2] ;\n\n- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben tweemaal in de week videobelcontact met de moeder op een door de vader en de kinderen te bepalen moment;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, D.J.M. van de Voort en\n\nE.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op\n\n9 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3706","2026-07-13T00:28:54.764Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":30,"updatedAt":55},"633","ECLI:NL:GHARL:2026:819","ecli-nl-gharl-2026-819","2026-02-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.360.610\u002F02\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 594545)\n\nbeschikking van 12 februari 2026 inzake voorlopige voorzieningen\n\ninzake\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats1] , verzoekster, verder te noemen: de moeder,\n\nadvocaat: mr. R. Vermeer te Utrecht\n\nen\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats2] ,\n\nverweerder, verder te noemen: de vader,\n\nadvocaat: mr. M.A. Kale\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 juli 2025. Die beschikking wordt hierna ook genoemd: de bestreden beschikking.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift, ingekomen op 24 oktober 2025;\n\n- het verweerschrift tevens verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;\n\n- een verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, en\n\n- een e-mail van mr. Vermeer van 23 januari 2026 met een brief van mr. Vermeer van dezelfde datum en producties.\n\n2.2. De zitting was op 2 februari 2026. De moeder en de vader zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is niemand verschenen.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nDe moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in]\n\n 2021, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.3.2. \n\nBij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen de moeder en de vader voor hun dochter [minderjarige] , die beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de definitieve beslissing over de zorgregeling aangehouden in afwachting van het verloop van het uniform hulpaanbod.\n\nIn die voorlopige zorgregeling is bepaald dat de vader de zorg heeft voor [minderjarige] in drie weekenden per maand en in een deel van de vakanties en de feest- en studiedagen. De moeder heeft de zorg voor [minderjarige] op de dagen dat zij niet bij de vader is.\n\n3.3. De vader heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld van de bestreden beschikking.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. De moeder vraagt het hof een voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv te treffen en te bepalen dat de vader de (voorlopige) zorgregeling dient na te komen op straffe van een dwangsom van € 500 per dagdeel dat hij daarin in gebreke blijft met een maximum van € 10.000.\n\n4.2. De vader voert gemotiveerd verweer en verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen.\n\n5. De beoordeling van het verzoek\n\n5.1. Artikel 223 Rv is van overeenkomstige toepassing op verzoekschriftproceduresen houdt in dat tijdens een aanhangig geding iedere partij kan verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Die voorlopige voorziening moet samenhangen met het verzoek in de hoofdzaak en zich ervoor lenen als voorlopige voorziening te worden gegeven. Nadere eisen worden niet gesteld.\n\n5.2. Het verzoek in de hoofdzaak is bij dit hof aanhangig. Dat verzoek gaat om de vraag waar [minderjarige] verblijft en wie wanneer voor haar zorgt; het gaat dus om een zorgregeling voor [minderjarige] . De voorlopige voorziening gaat over de vraag of de vader moet worden veroordeeld een dwangsom te betalen als hij die zorgregeling voor [minderjarige] niet nakomt. De voorlopige voorziening hangt samen met het verzoek in de hoofdzaak en leent zich ervoor als voorlopige voorziening te worden gegeven. Als het hof de voorlopige voorziening geeft, geldt deze (slechts) voor de duur van de procedure in de hoofdzaak, dat wil zeggen totdat de einduitspraak van dit hof in kracht van gewijsde is gegaan.\n\n5.3. De moeder verzoekt als gezegd aan de nakoming van de zorgregeling door de vader een dwangsom te verbinden. De rechter kan een partij op verzoek van de andere partij veroordelen tot betaling van een dwangsom, als deze niet aan de hoofdveroordeling voldoet (artikel 611a Rv). Als het een zorgregeling betreft, vormen de belangen van het kind de eerste overweging (artikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kind).\n\n5.4. \n\nHet hof zal het verzoek van de moeder toewijzen en aan de nakoming van de (voorlopige) zorgregeling door de vader een dwangsom verbinden. Gebleken is dat de vader verschillende keren, zonder daarover in (constructief) overleg te treden met de moeder, de zorgregeling niet is nagekomen door [minderjarige] na een verblijf bij de vader niet terug te brengen bij de moeder en zo te onttrekken aan de zorg van de moeder. De vader heeft [minderjarige] op\n\n10 november 2025 niet naar de moeder teruggebracht en haar meerdere dagen bij zich gehouden. Na het weekend van 22 november 2025 heeft de vader [minderjarige] opnieuw niet teruggebracht naar de moeder en [minderjarige] een dag en nacht langer bij zich gehouden dan volgens de zorgregeling bepaald. Op maandag 8 december 2025 heeft de vader [minderjarige] opnieuw tegen de zorgregeling in niet naar de moeder gebracht en haar een dag en een nacht langer bij zich gehouden. Op maandag 15 december 2025 heeft de vader [minderjarige] , tegen de zorgregeling in, niet naar school gebracht en haar pas om 14.00 uur bij de moeder teruggebracht. Op vrijdag 19 december 2025 zou [minderjarige] volgens de zorgregeling uit school naar de moeder moeten worden gebracht. De vader heeft haar die dag niet naar school laten gaan en pas om 19.00 uur ’s avonds bij de moeder gebracht. Daarmee staat vast dat de vader de zorgregeling niet nakomt en [minderjarige] veelvuldig aan de zorg van de moeder heeft onttrokken. De vader zegt dat hij daarvoor een goede reden heeft. Hij zegt grote zorgen te hebben over de gezondheid van [minderjarige] en dat zij vaak bleek en met opkomende koorts bij hem komt. Kennelijk acht hij zich vrij de zorgregeling niet te hoeven nakomen als volgens hem de gezondheidstoestand van [minderjarige] niet toelaat dat hij haar naar school brengt of terugbrengt naar de moeder. Daarmee miskent de vader de betekenis van de zorgregeling en een zorgvuldige uitvoering daarvan. Ook als [minderjarige] ziek, verzwakt of vermoeid zou zijn, moet de vader haar terugbrengen naar de moeder op het moment dat zij weer de zorg voor [minderjarige] heeft volgens de zorgregeling. Niet is gebleken dat de toestand van [minderjarige] zodanig slecht was dat zij niet vervoerd kon worden. Bovendien ligt het op de weg van de vader om in het geval [minderjarige] ziek is, in constructief overleg te treden met de moeder. Uit de overgelegde correspondentie blijkt echter dat de vader dat niet doet. De vader beslist steeds eigenmachtig wanneer en waarom [minderjarige] , tegen de zorgregeling in, bij hem moet blijven. Ook bepaalt hij zonder overleg met de moeder of [minderjarige] al dan niet kan worden vervoerd naar de moeder. Het is allerminst in het belang van [minderjarige] dat de vader haar aan de zorg van de moeder onttrekt en zo de zorgregeling frustreert die nu juist in het belang van [minderjarige] is vastgesteld. Het hof acht een dwangsom van € 500 per dagdeel dat de vader zich niet houdt aan de bij de bestreden beschikking vastgestelde (voorlopige) zorgregeling, met een maximum van € 10.000, zoals door de moeder is verzocht, passend bij het inkomen van de vader van ongeveer € 3.000 per maand. Dat is voor hem een voldoende prikkel de zorgregeling na te leven.\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\nwijst het verzoek van de moeder toe;\n\nbepaalt dat de vader de (voorlopige) zorgregeling dient na te komen op straffe van een dwangsom van € 500 per dagdeel dat hij daarin in gebreke blijft met een maximum van € 10.000;\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.H. Lieber en M.H.F. van Vugt en is op 12 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533, NJ2016\u002F261.\n\n HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2624, NJ2017\u002F397.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:819","2026-07-13T00:28:40.276Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":60,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":30,"updatedAt":62},"889","ECLI:NL:GHARL:2026:268","ecli-nl-gharl-2026-268","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.355.945\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Overijssel 311830)\n\nbeschikking van 20 januari 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats1] , verzoeker in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vader,\n\nadvocaat: mr. R. Westendorp-Hertgers,\n\nen\n\n [verweerster],\n\nwonende te [woonplaats2] ,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de moeder,\n\nadvocaat: mr. G.A.P. Avontuur.\n\n1. 1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 24 april 2024, van 21 oktober 2024 en van 18 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De laatstgemelde beschikking wordt hierna ook aangeduid als ‘de bestreden beschikking’.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift tevens houdende verzoek tot voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv,\n\n met producties 1 tot en met 7, ingekomen op 28 juni 2025;\n\n- het verweerschrift in hoger beroep, met producties 1 tot en met 20;\n\n- een journaalbericht van mr. Avontuur van 17 november 2025 met producties 21 tot en\n\n met 30;\n\n- een journaalbericht van mr. Westendorp-Hertgers van 17 november 2025 met producties 8\n\n tot en met 11;\n\n- een journaalbericht van mr. Avontuur van 17 november 2025 met productie 31;\n\n- een journaalbericht van mr. Westendorp-Hertgers van 25 november 2025 met productie 12.\n\n2.2. Op 4 augustus 2025 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek om voorlopige voorzieningen te treffen plaatsgevonden. Bij beschikking van 21 augustus 2025 is dat verzoek afgewezen.\n\n2.3. De mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft op 27 november 2025 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn daar verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vader en de moeder hebben van juni 2022 tot januari 2024 een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] .\n\n3.2. In de beschikking van 24 april 2024 heeft de rechtbank de moeder vervangende toestemming verleend voor een vakantie naar Turkije en een voorlopige (begeleide) zorg- en contactregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] . Iedere verdere beslissing is aangehouden.\n\n3.3. In de beschikking van 21 oktober 2024 heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad en tot nader wordt beslist of overeengekomen, bepaald dat de vader met ingang van 21 oktober 2024 aan de moeder € 455 per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (kinderalimentatie). De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om de achternaam van [de minderjarige] te wijzigen. Verder heeft de rechtbank de raad verzocht om de rapporteren en te adviseren over de zorg- en contactregeling, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en het gezag.\n\n3.4. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder met ingang 18 maart 2025 alleen belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . De door de vader te betalen kinderalimentatie is gewijzigd in die zin dat de vader vanaf 18 maart 2025 aan de moeder € 625 per maand moet voldoen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Verder is bepaald dat met ingang van 18 maart 2025 geen omgangsregeling zal gelden tussen de vader en [de minderjarige] . De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de kosten van de procedure zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere ouder de eigen kosten draagt. Het meer of anders verzochte is afgewezen.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. Tussen partijen is geschil:\n\na. het gezag;\n\nb. de verdeling van de zorg- en opvoedtaken dan wel een omgangsregeling; en\n\nc. (voorwaardelijk) de kinderalimentatie.\n\n4.2. De vader is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zijn derde grief is een voorwaardelijke grief, voor het geval het hof de bestreden beschikking vernietigt en een zorgregeling vaststelt. Hij verzoekt het hof:\n\nte bepalen dat de ouders met ingang van heden gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag;\n\neen verdeling van de zorg- en opvoedtaken dan wel een omgangsregeling vast te stellen zoals hij die voor staat;\n\nde door hem te betalen kinderalimentatie, afhankelijk van de vast te leggen zorgregeling en de daarbij behorende zorgkorting, vast te stellen op € 484,58 dan wel € 405 dan wel € 317 per maand.\n\nVerder bevat het verzoek van de vader de woorden ‘kosten rechtens’.\n\n4.3. De moeder voert verweer en verzoekt het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren. Ook zij vermeldt in haar verweerschrift: ’kosten rechtens’.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\na. gezag\n\n5.1. De ouders hadden gezamenlijk het gezag. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de moeder vanaf de datum van die beschikking alleen het gezag heeft. De vader is het met die beslissing niet eens. Hij verzoekt het hof daarom die beslissing te vernietigen, zodat de vader en de moeder weer gezamenlijk het gezag hebben.\n\n5.2. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:\n\ner een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of\n\nwijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n5.3. De rechtbank heeft het gezag op grond van het hiervoor onder b. vermelde criterium alleen aan de moeder toegekend. Het hof zal het gezag bij de moeder laten, zoals ook de raad heeft geadviseerd. Gezamenlijk gezag houdt in dat de ouders [de minderjarige] samen moeten verzorgen en opvoeden. Het hof ziet niet in hoe partijen dat samen zouden kunnen doen. Uit het hele procesdossier blijkt dat de situatie tussen de ouders zodanig is geëscaleerd en dat zij zodanig tegenover elkaar staan dat samenwerken tussen hen op dit moment volstrekt niet mogelijk is. Om in dat geval het gezamenlijk gezag te herstellen zou niet in het belang van [de minderjarige] zijn. Het verzoek van vader daartoe zal daarom worden afgewezen.\n\nb. omgangsregeling\n\n5.4. In de (tussen)beschikking van de rechtbank van 24 april 2024 is een voorlopige zorg- en contactregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] . Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat die regeling begeleid moest zijn. Aanvankelijk hebben de ouders van de vader de omgang begeleid, op enig moment is dat overgenomen door [naam] . In de bestreden beschikking is bepaald dat er geen omgangsregeling zal gelden tussen de vader en [de minderjarige] . De vader is het met die beslissing niet eens. Hij verzoekt het hof een nader te bepalen opbouwregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] (uiteindelijk) in de ene week bij de vader verblijft en de andere week bij de moeder, en de wisseling plaats vindt op vrijdagavond. Voor de vakanties en feestdagen heeft de vader zelf een regeling opgesteld en hij verzoekt het hof die vast te leggen.\n\n5.5. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. In deze zaak heeft de rechtbank overwogen dat nu de vader niet wilde meewerken aan een veiligheidsonderzoek, niet duidelijk is wat de risico’s zijn terwijl er ernstige zorgen zijn over de mogelijkheid van veilig contact met [de minderjarige] . Onder die omstandigheden is niet duidelijk of contact in het belang van [de minderjarige] is.\n\n5.6. Het hof stelt voorop dat op 1 maart 2016 voor Nederland in werking is getreden het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul). Verdragspartijen moeten wetgevende of andere maatregelen nemen om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag (artikel 31 van het Verdrag van Istanbul). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft duidelijke richtlijnen gegeven voor situaties van huiselijk geweld en drie noodzakelijke stappen voorgeschreven: onmiddellijke actie, adequate inschatting van de risico’s (ook voor de kinderen) en het op basis van die inschatting nemen van adequate en proportionele maatregelen. Ook uit artikel 19 van het Verdrag Inzake de Rechten van het Kind en het daarbij behorende General Comment volgt dat als er signalen zijn van partnergeweld deze nader moeten worden onderzocht, omdat dit direct een belangrijke aanwijzing oplevert dat ook de kinderen slachtoffer kunnen zijn of worden van geweld. In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang wordt niet expliciet genoemd dat geweld tegen vrouwen\u002Fmannen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar vanzelfsprekend is dat de Nederlandse rechter dat wel (expliciet) moet doen; de veiligheid van de ouder en het kind zal centraal moeten staan bij de vraag welke gezagsbeslissing en\u002Fof zorg- of omgangsregeling in het belang van het kind is.\n\n5.7. Inmiddels heeft toch het veiligheidsonderzoek (MASIC) plaatsgevonden en heeft de vader daaraan meegewerkt. De vader heeft het concept MASIC-rapport overgelegd. De moeder heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat dit volgens haar nog een aantal (feitelijke) onjuistheden bevat. Ook de vader heeft overigens een aantal bezwaren tegen feitelijke vaststellingen in het concept-rapport. De conclusie uit het rapport is dat sprake is van partnergeweld in de vorm van dwingende controle die zich uit in een structurele onveiligheid in het communicatiepatroon tussen de ouders. Van acute onveiligheid lijkt op dit moment geen sprake, aldus het rapport. Daarmee kan niet gezegd worden dat verder werken aan de totstandkoming van een ruimere omgang tussen de vader en [de minderjarige] niet tot de mogelijkheden behoort.\n\n5.8. In het concept MASIC rapport wordt een dringend advies gegeven om bij zowel de vader als de moeder en persoonlijkheidsonderzoek af te nemen. Beiden dienen vervolgens met behulp van de uitkomsten uit het persoonlijkheidsonderzoek en de hulpverlening bij Parallel Solo Ouderschap zicht te krijgen op hun triggers en emoties en deze te herkennen. De onderzoekers zien zorgen in het gedrag van beide ouders en het effect daarvan op [de minderjarige] en vinden het daarom passend, in het kader van de opstart van omgang tussen de vader en [de minderjarige] , om OKI-B in te zetten (OKI-B staat voor Ouder Kind Interactie Bewegingsspel en is een therapeutische methode voor ouders\u002Fverzorgers en kinderen). Het komt het hof bijzonder wenselijk voor dat beide ouders een persoonlijkheidsonderzoek dienen te ondergaan en het Parallel Solo Ouderschapstraject allebei volledig afronden. Het hof ziet dat dan ook als een absolute voorwaarde om tot een definitieve omgangsregeling te komen.\n\n5.9. Omdat de hulpverlening en de onderzoeken niet op korte termijn zullen zijn afgerond zal het hof voorlopig, dus tot het moment dat de persoonlijkheidsonderzoeken zijn afgerond en het Parallel Solo Ouderschapstraject door beiden volledig is doorlopen en de definitieve resultaten daarvan zijn vastgesteld, of tot het moment dat een rechter anders beslist of partijen zelf andere afspraken maken, bepalen dat de vader eenmaal per twee weken, op zaterdag van 11.00 uur tot 13.00 uur, [de minderjarige] mag zien bij - en onder begeleiding van de grootouders vaderzijde. [de minderjarige] luncht daar dan ook.\n\n5.10. Op de mondelinge behandeling is namens de vader verzocht om aan de moeder een dwangsom op te leggen voor het geval zij niet zou meewerken aan omgang. Daar gaat het hof aan voorbij. Dit verzoek is te laat gedaan en daarmee in strijd met de goede procesorde. Bovendien heeft de moeder op de zitting toegezegd te zullen meewerken aan een regeling als die door het hof zou worden opgelegd.\n\nc. kinderalimentatie (zorgkorting)\n\n5.11. Aan de inhoudelijke behandeling van de derde grief van de vader komt het hof niet meer toe. De voorlopige regeling zoals hiervoor vermeld is zodanig dat geen sprake is van zorgkosten als de vader [de minderjarige] ziet. Een zorgkorting is dan ook nog niet aan de orde.\n\n6. De slotsom\n\n6.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en aanvullend beslissen als hierna vermeld.\n\n6.2. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu het een familiezaak betreft omtrent de minderjarige dochter van partijen. Daarbij past een compensatie van kosten.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\n7.1. bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 18 maart 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en bepaalt aanvullend als volgt:\n\n7.2. bepaalt dat de vader en de moeder beiden een persoonlijkheidsonderzoek dienen te ondergaan zoals vermeld in het MASIC-rapport;\n\n7.3. bepaalt dat, tot het moment dat het Parallel Solo Ouderschapstraject door beiden volledig is doorlopen en de persoonlijkheidsonderzoeken van de vader en de moeder zijn afgerond en de definitieve resultaten daarvan zijn vastgesteld of tot het moment dat een rechter anders beslist of partijen zelf andere afspraken maken, de vader eenmaal per twee weken, op zaterdag van 11.00 uur tot 13.00 uur, [de minderjarige] mag zien bij - en onder begeleiding van de grootouders vaderzijde en [de minderjarige] luncht daar dan ook;\n\n7.4. verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;\n\n7.5. compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n7.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, J.H. Lieber en M.L. van der Bel, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 20 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:268","2026-07-13T00:28:53.094Z",1,20]