[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-planning-and-zoning-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":76,"limit":77},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},91,"planning-and-zoning-nl","Planning and Zoning","NL","2026-07-08T16:55:59.488Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},6,{"min":18,"max":19},"2025-11-27T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,32,41,50,59,68],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"626","ECLI:NL:RBGEL:2026:5368","ecli-nl-rbgel-2026-5368","","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 26\u002F3156uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nin de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigden: mr. H. Doornhof en mr. J.M. Luttge),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigde: mr. M. Litjens en J. Bannink).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college waarin het handhavingsverzoek van verzoeker is afgewezen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college het handhavingsverzoek namelijk terecht afgewezen en heeft het bezwaar dus geen redelijke kans van slagen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 26 mei 2026 heeft verzoeker een handhavingsverzoek ingediend, waarin hij het college vraagt om handhavend op te treden tegen de zonder omgevingsvergunning aangevangen bouw en het beoogde gebruik van een tijdelijke opvanglocatie voor dak- en thuislozen aan het [adres] te [plaats] . Bij besluit van 16 juni 2026 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen, omdat volgens het college sprake is van concreet zicht op legalisatie.\n\n2.1.. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die – kort samengevat – inhoudt dat de gemeente de opvanglocatie voorlopig niet in gebruik mag nemen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker, de gemachtigden van verzoeker en de gemachtigden van het college hebben deelgenomen aan de zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om een voorlopige voorziening te treffen. Of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\nIs het handhavingsverzoek terecht afgewezen?\n\n4. Het college heeft aan de afwijzing van het handhavingsverzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van concreet zicht op legalisatie. Verzoeker betwist dit. Verzoeker wijst erop dat het op voorhand niet aannemelijk is dat de aangevraagde vergunning zal worden verleend. Hij draagt daar een aantal argumenten voor aan, die er samengevat op neerkomen dat de opvang niet strekt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo is bijvoorbeeld onvoldoende onderzoek gedaan naar de sociale veiligheid en eventuele overlast.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, naar aanleiding van een verzoek om handhaving in de regel een toereikende motivering zal moeten geven waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik wil maken. Dat geldt nog meer in een situatie dat, zoals hier het geval, een overheidsorgaan de overtreder is. Uit de motivering moet blijken van bijzondere omstandigheden waarom het bestuursorgaan meent dat handhaving niet kan worden gevergd. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie van de onrechtmatige situatie bestaat.\n\n4.2.. Het college heeft in het bestreden besluit de aanvraag afgewezen omdat volgens hem sprake is van concreet zicht op legalisatie. Concreet zicht op legalisatie is er, in een geval als hier aan de orde, als een aanvraag is ingediend en het college bereid is om de omgevingsvergunning te verlenen. Vast staat en niet in geschil is dat de gemeente een aanvraag heeft ingediend voor een (legaliserende) omgevingsvergunning. Ook heeft het college op zitting toegelicht dat er bereidheid is om deze omgevingsvergunning te verlenen, en dat de vergunning ook elk moment verleend kan worden. Onder die omstandigheden is dus sprake van concreet zicht op legalisatie. Reeds daarom is het handhavingsverzoek van verzoeker terecht afgewezen. Dit is door het college ook voldoende begrijpelijk gemotiveerd in het bestreden besluit.\n\n4.3.. Het betoog van verzoeker komt er in feite op neer dat de nog te verlenen omgevingsvergunning in een eventueel bezwaar of beroep geen stand zal houden, omdat van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen sprake is en dat daarom de ingebruikname van de daklozenopvang bij wijze van voorlopige voorziening zou moeten worden verboden. De voorzieningenrechter kan er in deze handhavingszaak niet op vooruit lopen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter heeft namelijk geen inzicht in de door het college verrichte onderzoeken en de afwegingen en motivering die aan de omgevingsvergunning ten grondslag zullen liggen. Het voert om die reden in het kader van deze procedure dan ook te ver om, vooruitlopend op deze omgevingsvergunning, de ingebruikname bij wijze van voorlopige voorziening te verbieden. Het college heeft op zitting toegezegd dat het twee dagen zal wachten met de ingebruikname van de daklozenopvang ná het verlenen van de omgevingsvergunning. Verzoeker heeft dan de mogelijkheid om tegen dat besluit bezwaar te maken en om (eventueel) een verzoek om een voorlopige voorziening hangende dat bezwaar in te dienen bij de voorzieningenrechter. In die procedure kan beoordeeld worden of het college in redelijkheid heeft kunnen menen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Mocht dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zo zijn, dan zou in die zaak de omgevingsvergunning bij wijze van voorlopige voorziening geschorst kunnen worden. Daar kan nu niet op vooruit worden gelopen.\n\n4.4.. Omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5368","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:39.894Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":30,"updatedAt":40},"612","ECLI:NL:RBGEL:2026:5371","ecli-nl-rbgel-2026-5371","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 26\u002F3061\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigden: mr. M. Litjens en J. Bannink).\n\nInleiding\n\n1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijk weergave van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek.\n\n1.1.. Verzoeker heeft op 8 juni 2026 bij het college een handhavingsverzoek ingediend tegen een aantal activiteiten (bouw-, aanleg- en kapwerkzaamheden) ten behoeve van een tijdelijke daklozenopvang op het terrein gelegen bij het [adres] in [plaats] . Het college heeft dit verzoek op 15 juni 2026 afgewezen omdat verzoeker geen belanghebbende is bij deze activiteiten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en de gemachtigden van het college hebben hieraan deelgenomen.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die mondelinge uitspraak luidt zakelijk weergegeven als volgt.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarin hij de voorzieningenrechter – kort samengevat – verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat alle werkzaamheden worden gestaakt, dat de feitelijke ingebruikname van de locatie als tijdelijke daklozenopvang wordt verboden en dat het college wordt opgedragen een inhoudelijk besluit op het handhavingsverzoek te nemen.\n\n2.1.. Uit artikel 8:81, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1 en artikel 7:1 van de Awb, vloeit voort dat de voorzieningenrechter (behoudens hier niet van belang zijnde uitzonderingen) alleen bevoegd is om een voorlopige voorziening te treffen als sprake is van een besluit. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald wat een besluit is, namelijk een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.\n\n2.2.. Uit vaste rechtspraak volgt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit in beginsel belanghebbende is bij een besluit daarover. Wel moeten deze gevolgen van enige betekenis zijn. Daarbij wordt gekeken naar de afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en de milieugevolgen (zoals geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit waar het besluit op ziet.\n\n2.3.. Verzoeker woont op 209 meter afstand van de tijdelijke daklozenopvang. Verzoeker heeft op zitting erkend dat hij geen zicht heeft op de bebouwing. Gelet op deze afstand en het feit dat verzoeker geen zicht heeft op de daklozenopvang is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker in beginsel geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten waar zijn handhavingsverzoek op ziet. Verzoeker heeft op zitting toegelicht dat hij naar zijn mening wel een voldoende persoonlijk belang heeft, omdat hij zich onveiliger zal voelen als hij wandelt in het park. Ook verwacht hij dat er mogelijk gedeald zal worden in zijn straat.\n\n2.4.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het pand nog niet in gebruik is genomen als daklozenopvang en dat het handhavingsverzoek daar ook geen betrekking op heeft. Dat handhavingsverzoek ging over bouw-, kap- en aanlegwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de daklozenopvang. Aan de gestelde toekomstige gevolgen van de ingebruikname van het pand kan verzoeker geen belang ontlenen dat relevant is voor de beoordeling van de belanghebbendheid bij de activiteiten waar zijn handhavingsverzoek op ziet. Die gevolgen vallen immers buiten de reikwijdte van zijn handhavingsverzoek.\n\n2.5.. Verder merkt de voorzieningenrechter nog op dat een eventueel toekomstig subjectief onveiligheidsgevoel, wat daar ook van zij, onvoldoende is om aan te nemen dat verzoeker gevolgen van enige betekenis ondervindt. Daarbij is ook van belang dat verzoeker zich onvoldoende onderscheidt van andere mensen die van het park gebruik maken. Het is de voorzieningenrechter daarnaast niet op voorhand gebleken dat er in zijn straat gedeald zal gaan worden. Dat zou ook geen direct (ruimtelijk) gevolg zijn van de ingebruikname van het pand als daklozenopvang.\n\n2.6.. Het is dus niet aannemelijk dat verzoeker gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten waartegen hij een handhavingsverzoek heeft ingediend. Verzoeker is daarom geen belanghebbende. Dit betekent dat er geen sprake is van een aanvraag. De afwijzing van 15 juni 2026 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter is gelet daarop niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit betekent niet dat er helemaal geen rechtsbescherming openstaat voor verzoeker. Verzoeker kan zich als hij dat wil met deze zaak tot de burgerlijke rechter wenden.\n\n2.7.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat de voorzieningenrechter onbevoegd is, hoeft verzoeker voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening geen griffierecht te betalen.\n\n2.8.. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart zich onbevoegd;\n\n- bepaalt dat de griffier van de rechtbank aan verzoeker het griffierecht terugbetaalt.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026 door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.\n\nDe griffier is verhinderd om dit proces-verbaal te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2923, r.o. 3.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5371","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.270Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":30,"updatedAt":49},"1007","ECLI:NL:RBGEL:2026:4890","ecli-nl-rbgel-2026-4890","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 25\u002F1372 en 25\u002F1384uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n [eiseres] ,\n\nen\n\n [eiser] , beide wonend in [plaats 1] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem\n\n(gemachtigde: mr. M.M. Mintjes).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Gemeente Arnhem\n\n(gemachtigde: mr. T. de Boer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning\n\nvoor het realiseren van 3 padelbanen op sportpark [naam sportpark] in [plaats 1] . Eisers zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. De derde-partij heeft op 22 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 3 padelbanen naast de al aanwezige tennisbanen op sportpark [naam sportpark] in [plaats 1] . Het college heeft deze omgevingsvergunning in het besluit van 7 februari 2025 verleend.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de derde-partij.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOvergangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet\n\n3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).\n\nDe aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend op 22 september 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n4. De derde-partij is eigenaar van de gronden die horen bij sportpark [naam sportpark] . Het sportpark is gevestigd aan de [locatie 1] in [plaats 1] . Op het sportpark ligt onder andere een tennispark. De derde-partij heeft op 22 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 3 padelbanen.De aanvraag is in strijd met het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”, omdat het bouwplan buiten het bouwvlak ligt. Dit is in strijd met artikel 1.2, eerste lid van de planvoorschriften. Het bouwplan past ook niet binnen de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, omdat de aangevraagde hekwerken en lichtmasten hoger zijn dan toegestaan. Om het bouwplan toch mogelijk te maken is afgeweken van het bestemmingsplan.\n\n4.1.. \n\nAan de aanvraag ligt de ruimtelijke onderbouwing “Padelbanen [locatie 2] en [locatie 1] ” van 6 juni 2024 ten grondslag.\n\nHet bouwplan valt ook onder het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ”. In artikel 3.1 van dat bestemmingsplan is de verplichting opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen slechts wordt verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's. De derde-partij heeft een parkeeronderzoek overgelegd waaruit blijkt dat er voldoende parkeerplaatsen zijn. Het college heeft het ruimtelijk aanvaardbaar geacht om op basis van de ruimtelijke onderbouwing de omgevingsvergunning voor de afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. Het college heeft vervolgens de omgevingsvergunning in het besluit van 7 februari 2025 verleend.4.2.. Eisers wonen allebei in de directe omgeving van het sportpark.\n\nParticipatie\n\n5. Eisers voeren aan dat omwonenden niet zijn betrokken bij de planvorming. Hierdoor zijn de belangen van de omwonenden volgens eisers onvoldoende meegewogen. Volgens eisers is geen sprake geweest van participatie. Dit terwijl dit wel was aangekondigd in de raadsbrief van 27 augustus 2024. Eisers geven aan dat in eerste instantie door de wethouder is verklaard dat voor de locatie [locatie 1] geen maatwerkvoorschriften nodig zouden zijn omdat de geluidsnormen niet worden overschreden. Uiteindelijk zijn er wel maatwerkvoorschriften vastgesteld. Omwonenden zijn daardoor verkeerd voorgelicht en op oneigenlijke wijze buitengesloten van tijdige inspraak en bezwaar, hetgeen hun recht op effectieve rechtsbescherming ernstig heeft aangetast. Volgens eisers heeft het college door omwonenden onvolledig en onjuist te informeren, niet alleen gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar ook met het rechtszekerheidsbeginsel.\n\n5.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is participatie een verplichte stap. De aanvraag is echter ingediend voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Omgevingswet en de (wettelijk) verplichte participatie is dus niet van toepassing op deze aanvraag. Wel is het zo dat in 2019 de gemeenteraad het college heeft opgeroepen om inzicht te geven in de wijze waarop omwonenden zijn betrokken en over de planvorming zijn geïnformeerd. In dat verband heeft de tennisvereniging een verslag van de buurtparticipatie aangeleverd. Dat eisers vinden dat hun belangen onvoldoende zijn meewogen in het participatieproces, maakt niet dat de participatie tekortschoot. Het college heeft bij het verweerschrift stukken toegevoegd over de participatie. Er is een informatieavond geweest op 19 augustus 2024 en in de brief van 5 juli 2024 van de secretaris van de tennisvereniging [plaats 2] staat dat er regelmatig contact geweest is met onder andere Wijkplatform [wijkplatform 1] , [wijkplatform 2] en [wijkplatform 3] en bewoners die wonen aan de rand van sportpark [naam sportpark] . Hieruit volgt dat de omwonenden zijn meegenomen in de plannen.\n\n5.2.. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat er onduidelijkheid was over het genomen maatwerkbesluit stelt de rechtbank vast dat in eerste instantie is aangegeven dat er geen maatwerkbesluit nodig zou zijn. Bij de beoordeling van de aanvraag is later gebleken dat dit wel nodig is. Dit is niet per definitie onzorgvuldig maar kan ook een gevolg zijn van voortschrijdend inzicht. Daarnaast is gebleken dat eisers, maar ook andere mensen, tijdig een bezwaarschrift hebben ingediend tegen dat besluit zodat zij niet door de handelswijze van het college in hun belangen zijn geschaad. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.\n\nRuimtelijke onderbouwing\n\n6. Eisers voeren aan dat de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning onvoldoende is. Er wordt volgens eisers op veel aspecten waarop getoetst moet worden vrij summier gesteld dat aan de normen wordt voldaan. Eisers wijzen erop dat het gaat om de aantasting van hun woon- en leefklimaat. De argumenten die eisers daaraan ten grondslag leggen zijn gericht tegen de volgende onderdelen van de ruimtelijke onderbouwing; geluid, lichthinder, provinciaal beleid en verkeer en parkeren\n\nGeluid6.1.. \n\nEisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de geluidssituatie na realisatie van de padelbanen aanvaardbaar zal zijn en geen nadelige gevolgen zal hebben voor het woon- en leefklimaat van de omwonenden. Volgens eisers heeft het college geen rekening gehouden met de belangen van de directe omwonenden en ook niet met de belangen van kwetsbare groepen, zoals onder meer de bewoners van de penitentiaire inrichting, de bewoners van de flat [naam flatgebouw] (bestaande uit ouderen en zorgbehoevenden), en de bewoners van de focuswoningen. Volgens eisers is in de huidige situatie ook al sprake van overschrijdingen van de geluidsnormen op de bestaande tennisbanen. Deze overschrijdingen zijn door het college bestempeld als een “onvoorziene situatie”. Voor de nieuwe situatie met de padelbanen staat vast dat, zonder aanvullende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm of beperking van de gebruikstijden, opnieuw niet zal worden voldaan aan de geluidsnormen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt een geluidscherm voorgesteld om de geluidsoverlast te beperken maar dit wordt niet uitgevoerd omdat dat in strijd is met het bestemmingsplan. Ook is indirecte hinder, zoals de toename van verkeersbewegingen en de daarmee gepaard gaande geluidsoverlast, ten onrechte buiten beschouwing gelaten, terwijl deze hinder volgens eisers reëel en relevant is. Het college is bij de beoordeling ten onrechte uitgegaan van de aanduiding “gemengd gebied”. De aanwezigheid van enkele wegen rechtvaardigt niet de kwalificatie als gemengd gebied, zeker niet gezien de directe nabijheid van woonwijken, een verzorgingshuis en een\n\npenitentiaire inrichting. Eisers verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar de publicatie “Handreiking Padel en Geluid”.\n\n6.1.1.. \n\nDe derde-partij heeft op 15 februari 2023 een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend. Op 3 april 2024 heeft het college besloten maatwerkvoorschriften op te stellen voor het aspect geluid. Op 17 september 2024 is dit besluit gewijzigd omdat er een fout stond in het besluit van 3 april 2024. In het maatwerkvoorschrift geeft het college aan het redelijk te vinden om een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (inclusief 5 dB toeslag) van ten hoogste 49 dB(A) toe te staan.\n\nHet maatwerkvoorschrift ziet niet op de woningen van eisers waardoor voor deze woningen de norm van 45 dB(A) blijft gelden. Het college heeft er dus voor gekozen om het op deze manier toe te staan en niet te kiezen voor een geluidswal of iets dergelijks. Daarmee wordt volgens het college voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Volgens het college wordt op deze manier voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.\n\n6.1.2.. Eisers hebben allebei een bezwaarschrift ingediend tegen het maatwerkbesluit. In de beslissing op bezwaar van 27 maart 2025 zijn hun bezwaren ongegrond verklaard. In de beslissing op bezwaar heeft het college naar aanleiding van het advies van de commissie bezwaarschriften nader onderbouwd waarom voor een maatwerkvoorschrift van maximaal 49 dB(a) gekozen is en niet voor een geluidsabsorberend scherm in combinatie met de beperking van de openingstijden van de tennis-\u002Fpadelbanen.\n\n6.1.3.. \n\nTijdens de zitting bij de rechtbank hebben eisers desgevraagd bevestigd geen beroep te hebben ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting aangegeven dat er ook door anderen geen beroep is ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat het maatwerkbesluit onherroepelijk is en hier in de voorliggende procedure van uit gegaan dient te worden.\n\nVoor zover eisers hebben aangevoerd dat het college bij de beoordeling niet heeft kunnen uitgaan van een gemengd gebied, mist dit betoog feitelijke grondslag. In de reactie op de zienswijzen staat namelijk dat het tennispark en haar omgeving overeenkomstig het gemeentelijke geluidbeleid is gelegen binnen het gebied \"Stadswijk\" en dat de algemene kwalificatie voor de geluidsambities in de stadswijk \"overwegend rustig\" (45 dB(A)) is. Volgens het akoestisch onderzoek, waarin de reactie op de zienswijzen naar wordt verwezen, wordt die norm gehaald ter plaatse van de woningen van eisers. Eisers hebben geen deskundig tegenrapport ingediend waaruit blijkt dat de geluidsbeoordeling niet juist is. Het enkele feit dat in de Handreiking Padel en Geluid wordt uitgegaan van een langere afstand tot omliggende woningen doet daar niet aan af. Met toepassing van het maatwerkvoorschrift is alleen voor enkele andere woningen dan de woningen van eisers redelijk geacht om een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (inclusief 5 dB toeslag) van ten hoogste 49 dB(A) toe te staan. Daargelaten dat eisers zich bij de bestuursrechter niet met succes kunnen beroepen op normen die niet strekken ter bescherming van hun belangen, ziet de rechtbank in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze afweging redelijkerwijs niet heeft kunnen maken. Het college heeft ook in het kader van het bestreden besluit de geluidsbelasting in beeld gebracht en geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLichthinder6.2.. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van lichthinder. Hoewel gesteld wordt dat een onderzoek naar lichthinder is uitgevoerd, blijkt uit de bij de omgevingsvergunning gevoegde stukken niet op welke wijze dit onderzoek heeft plaatsgevonden, noch welke toetsingscriteria zijn gehanteerd. Evenmin wordt inzichtelijk gemaakt hoe is beoordeeld of, en in hoeverre, omwonenden hinder zullen ondervinden van de verlichting van de padelbanen. Gelet op het feit dat de padelbanen naar verwachting zullen worden voorzien van felle verlichting ten behoeve van gebruik dagelijks tot ongeveer 23:00 uur, is het volgens eisers aannemelijk dat sprake zal zijn van lichtoverlast en lichtvervuiling. De omgevingsvergunning maakt niet inzichtelijk welke onderzoeksresultaten zijn gehanteerd bij de beoordeling van deze lichthinder, waardoor niet kan worden vastgesteld dat het besluit zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd. Dit is volgens eisers in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n6.2.1.. \n\nDe beroepsgrond slaagt niet. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat geen normen voor het beoordelen van lichthinder. Er is alleen opgenomen wanneer de lampen moeten zijn uitgeschakeld. Dat is tussen 23.00 uur en 7.00 uur. Daarnaast moet de verlichting uitgeschakeld zijn als er geen sport wordt beoefend en als er geen onderhoud\n\nplaatsvindt. Het college heeft aansluiting gezocht bij de criteria van de commissie Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSW). Volgens de richtlijn Lichthinder uit 2021 ligt het sportpark in zone E3 stedelijk gebied. De grenswaarden op de gevel voor E3 is voor de verticale verlichtingssterkte (Ev)10 lux in de dag en avondperiode (7.00-23.00) en 2 lux in de nachtperiode. Uit het lichtonderzoek “Padelbanen TV [plaats 2] - lichthinderplan” van 13 februari 2023 volgt bovendien dat de verlichtingssterkte bij de woning 0,15 Lux is. Dat is veel lager dan de grenswaarde van 10 Lux. Verder is gekeken naar de verlichtingssterke van het armatuur. Ook die blijf ruim binnen de maximale grenswaarde.Eisers hebben geen tegenrapport in geding gebracht die de conclusie van het college bestrijdt. Op grond daarvan heeft het college kunnen aannemen dat er geen lichthinder zal optreden die maakt dat geen sprake meer is van een goed woon- en leefklimaat.\n\nProvinciaal beleid6.3.. Eisers voeren aan dat de ontwikkeling niet in overeenstemming is met het provinciaal beleid, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie “Gaaf Gelderland” en de Omgevingsverordening Gelderland.\n\n6.3.1.. De beroepsgrond slaagt niet. In paragraaf 3.2 van de ruimtelijke onderbouwing is uitvoerig ingegaan op het van toepassing zijnde provinciale beleid en is tot de conclusie gekomen dat de padelbaan in overeenstemming is met het provinciale beleid. Daarbij is concluderend overwogen dat:\n\n“Met de realisatie van de padelbanen wordt een impuls gegeven aan het sportvoorzieningenniveau en het verenigingsleven in [plaats 3] en [plaats 2] . Doordat de padelbanen op bestaande sportparken worden gerealiseerd, vindt er geen nieuw ruimtebeslag plaats en kan er gebruik worden gemaakt van reeds aanwezige faciliteiten.\n\nDe initiatieven voorzien niet in de winning van fossiele energie en er is ook geen sprake van het toevoegen of onttrekken van warmte aan de bodem of het grondwater.\n\nIn het kader van klimaatadaptie wordt opgemerkt dat de bodem van de padelbanen bestaan uit een drainbeton fundering. Deze heeft goede waterdoorlatende eigenschappen waardoor wateroverlast wordt voorkomen. De aspecten waterveiligheid, droogte en hitte zijn gezien de aard en ligging van de initiatieven niet van toepassing.”\n\nDe enkele stelling van eisers dat de ruimtelijke onderbouwing in strijd is met het provinciale beleid is onvoldoende om aan deze conclusie te twijfelen.\n\nVerkeer en parkeren6.4.. \n\nEisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de omgevingsvergunning niet zal leiden tot een substantiële toename van verkeers- en parkeerproblemen in de omgeving. Uit de eigen onderbouwing van het college blijkt dat de\n\nrealisatie van de padelbanen zal resulteren in circa 84 extra verkeersbewegingen per dag. Gelet op de al bestaande situatie, waarin sprake is van aanzienlijke overlast als gevolg van verkeersdrukte en de aanwezigheid van rondhangende jongeren op het parkeerterrein, is deze toename zorgwekkend. Daarnaast zal de toename van bezoekers onvermijdelijk leiden tot een verhoogde parkeerdruk in de omliggende woonwijken. De [locatie 1] en de aanliggende straten bieden slechts beperkte parkeergelegenheid. Door de extra bezoekers zullen automobilisten uitwijken naar woonstraten. Dit zal leiden tot parkeerproblemen, verkeersoverlast en een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Ten slotte ontbreekt in de ruimtelijke onderbouwing iedere bespreking van het gemeentelijke mobiliteitsbeleid, waaronder het Mobiliteitsplan [plaats 1] . In dit beleid wordt onder meer ingezet op een verlaging van de parkeernormen in de stad. Dit kan direct gevolgen hebben voor de beoordeling van de parkeerbehoefte van nieuwe ontwikkelingen zoals de aanleg van de padelbanen.\n\n6.4.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft er terecht op gewezen dat het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” aan het hele sportpark al een sportbestemming toekent. De ruimtelijke effecten van het sportpark (waaronder verkeer\u002Fparkeren) zijn al beoordeeld toen dit bestemmingsplan werd voorbereid. Alle percelen met de bestemming “Sport” kunnen zonder aparte vergunning (dus zonder parkeeronderzoek) in gebruik worden genomen als sportveld, ook de stukken grond die nu nog niet als sportveld zijn ingericht, zoals de beoogde plek voor de padelbanen. De bestemmingsplanafwijking waar nu een vergunning voor wordt gevraagd (het toestaan van een grotere bouwhoogte) veroorzaakt op zichzelf dus geen grotere parkeerbehoefte of extra verkeersbewegingen dan waar in het bestemmingsplan al rekening mee is gehouden. Op pagina 40 van de ruimtelijke onderbouwing is uitgewerkt hoeveel parkeerplaatsen feitelijk meer zullen worden benut ten opzichte van de bestaande situatie. Dat zijn er 7,5, waarmee het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen voor het sportpark op 118,8 uitkomt. Er zijn op het parkeerterrein 213 parkeerplaatsen aanwezig. Dat betekent dat sprake is van een overschot van 94 parkeerplaatsen. Hieruit volgt dat de vrees van eisers dat in de omliggende straten geparkeerd zal worden ongegrond is. In de reactie op de zienswijze staat verder dat het Mobiliteitsplan ten tijde van de verlening van de vergunning in voorbereiding is en nog niet is vastgesteld. Eisers hebben in beroep niet gesteld dat dit onjuist is of toegelicht waarom de vergunning desondanks vanwege het (in voorbereiding zijnde) Mobiliteitsplan had moeten worden geweigerd. In de reactie op de zienswijzen staat verder dat de ontsluitingsweg [locatie 1] ook voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen te kunnen verwerken. Eisers hebben hun standpunten dat dit toch ontoereikend is niet onderbouwd. Het feit dat eisers overlast ervaren als gevolg de aanwezigheid van rondhangende jongeren op het parkeerterrein maakt het voorgaande ten slotte niet anders. Eventuele bestaande overlast staat los staat van het bestreden besluit dat nu voorligt.\n\n7. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de beroepsgronden geen aanleiding geven voor het oordeel dat het college de ruimtelijke onderbouwing niet aan de omgevingsvergunning ten grondslag heeft kunnen leggen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid\n\nvan mr. M.H. Dijkman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Het gaat om de activiteiten: het (ver)bouwen van een bouwwerk, het uitvoeren van een werk, (…)\n\nen het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…). Zoals opgenomen in artikel 2.1., eerste lid, onder a, b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).\n\n Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo.\n\n De besluitvorming is voorbereid met toepassing van de openbare uniforme voorbereidingsprocedure op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).\n\n Gelet op artikel 4.8 van de Omgevingswet en artikel 22.45 van het Omgevingsplan van de gemeente Arnhem (geldend vanaf 31 januari 2024) stellen wij maatwerkvoorschriften op.\n\n Op grond van artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht.\n\n Die mag maximaal 10.000 Cd (Candela) zijn. Bij een verlichtingssterkte bij de woning van 0,15 Lux betekent dit een lichtsterkte (Cd) van de armatuur van ongeveer 0,15 *(afstand woning in het kwadraat) 95*95= 1353. 1353 is fors lager dan 10.000 Cd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4890","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.656Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":55,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":30,"updatedAt":58},"1061","ECLI:NL:RBGEL:2026:4765","ecli-nl-rbgel-2026-4765","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 23\u002F3607, ARN 23\u002F3543 en 23\u002F4010\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n\n [eiseres 1], uit [plaats], eiseres 1\n\n(gemachtigde: mr. E.H.M. Teeuw),\n\n [eiser (als onderdeel van eisers 2)] en [eiseres (als onderdeel van eisers 2)], uit [plaats], samen: eisers 2\n\n(gemachtigde: mr. M. van Hoorne),\n\n [villapark (eisers 3)], uit [plaats],\n\n [recreatiepark (eisers 3)], uit [plaats]\n\n [resort (eisers 3)], uit [plaats], samen: eisers 3\n\n(gemachtigden: mr. J.J. Molenaar en J.P.H. de Bruijn),\n\nallen gezamenlijk eisers,\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal\n\n(gemachtigde: mr. M.L. van Kalsbeek).\n\nAls derde-partijen nemen aan de zaak deel:\n\n [derde-partij]\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]); en\n\nde Staat der Nederlanden(de minister van Veiligheid en Justitie).\n\nSamenvatting\n\n1. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het college met de aanvullende motivering het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. De beroepen van eisers zijn gegrond omdat er een motiveringsgebrek in de beslissing op bezwaar zit. Toch maakt dit de uitkomst niet anders, omdat de rechtbank de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023 in stand laat. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.Procesverloop\n\n2. Het college heeft op 26 september 2022 een omgevingsvergunning verleend aan de derde-partij voor het realiseren van twee padelbanen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Met de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten.\n\n2.1.. Eisers hebben (afzonderlijk) beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een (gezamenlijk) verweerschrift. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2025.\n\n2.2.. In de tussenuitspraak van 27 november 2025 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.\n\n2.3.. Het college heeft op 3 februari 2026, op basis van een deskundigennotitie van Peutz van 23 januari 2026 (hierna: de aanvullende notitie van Peutz), een aanvullende motivering van het bestreden besluit ingediend.\n\n2.4.. Eiseres 1 en eisers 3 hebben hierop op 20 februari 2026 respectievelijk 11 maart 2026 schriftelijk gereageerd (hierna: de zienswijzen). Eisers 2 hebben niet gereageerd.\n\n2.5.. De rechtbank heeft het college vervolgens nog gelegenheid geboden om te reageren op de zienswijze van eisers 3. Het college heeft daarvan gebruik gemaakt; zijn reactie is op 8 april 2026 bij de rechtbank binnengekomen. Voor eisers 3 was dit aanleiding om op 4 mei 2026 nog een aanvullende reactie naar de rechtbank te sturen.\n\n2.6.. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.\n\n2.7.. De tennisvereniging heeft geklaagd over de duur van de procedure.\n\nOverwegingen\n\n3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak.\n\nWelk gebrek heeft de rechtbank geconstateerd?\n\n3.1.. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd en voor zover hier van belang, overwogen dat de padelkooi (uitsluitend) aan de kopse kanten, de bouwvoorschriften met één meter overschrijdt. Door de plaatsing van een balustrade krijgt de padelkooi daar namelijk een hoogte van vier meter. Het college heeft de extra geluidbelasting als gevolg van de balustrade ten onrechte niet meegenomen in de ruimtelijke afweging en heeft onvoldoende gemotiveerd dat het toestaan van een hogere bouwhoogte (vanwege de balustrade) uitsluitend stedenbouwkundige gevolgen heeft. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college gelegen om te motiveren waarom een toename van de geluidsbelasting ten gevolge van de balustrade niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is daarom gegrond en het besluit moet daarom in zoverre worden vernietigd.\n\n3.2.. Het college is in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen door te motiveren wat de gevolgen van de balustrade zijn voor de geluidbelasting op de omgeving. Het college heeft met de brief van 3 februari 2026 van die gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank moet daarom nu alleen nog beoordelen of het gebrek met de brief is hersteld en of door de aanvullende motivering de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank doet dat aan de hand van de zienswijzen van eisers. In die zienswijzen voeren eisers, samengevat, de volgende twee punten aan: (1) de toegepaste voorbereidingsprocedure; en (2) de kwaliteit van het aanvullende onderzoek.\n\nIs er aanleiding om terug te komen op de in de tussenuitspraak gegeven oordelen?\n\n4. Eisers 3 kunnen zich niet vinden in de in de tussenuitspraak van 27 november 2025 gegeven oordelen over de strijdigheden met het bestemmingsplan en de reikwijdte van de te maken afweging. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 mei 2025betogen eisers 3 dat de vergunning niet met toepassing van de kruimelgevallenregeling,en daarmee de reguliere voorbereidingsprocedure, vergund had kunnen worden. Volgens eiser is de zaak die voorligt namelijk vergelijkbaar met de zaak waarin de Afdeling die uitspraak heeft gedaan. Daar ging het namelijk (ook) om een verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van padelbanen, waarbij de glazen wanden van 4 meter hoog niet in overeenstemming waren met de planregels én er een aanlegvergunning nodig was voor het aanbrengen van de verhardingen voor de padelbanen. Eisers 3 stellen dat de situatie dat de Afdeling na de zitting in een vergelijkbare zaak een andersluidende uitspraak heeft gedaan, zo uitzonderlijk is dat kan en moet worden teruggekomen van de in de tussenuitspraak gegeven oordelen. Eisers betogen daarom dat het geding zoals dat na de tussenuitspraak wordt gevoerd, in tegenstelling tot wat de rechtbank daarover in rechtsoverweging 9 van de tussenuitspraak heeft gezegd, over meer dient te gaan dan de eventuele geluidsbelasting die de balustrade meebrengt en de aanvullende motivering van het college in deze.\n\n4.1.. Het college stelt zich primair op het standpunt dat in deze zaak artikel 4, onderdeel 3, van bijlage II van het Bor en daarmee ook de reguliere voorbereidingsprocedure terecht is toegepast. Daarnaast voert het college aan dat van een uitzonderlijke situatie geen sprake is, omdat de Afdelingsuitspraak van eerdere datum is dan de tussenuitspraak en verondersteld mag worden dat de oordelen in de tussenuitspraak zijn gegeven naar de stand van de rechtspraak op dat moment. Inhoudelijk gezien brengt het college nog naar voren dat de Afdelingsuitspraak niet toepasbaar is in de voorliggende zaak.\n\n4.2.. Volgens vaste rechtspraak mag de rechtbank slechts in uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel.Daarvan is in dit geval geen sprake.\n\n4.3.. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het geding zoals dat na die tussenuitspraak kan worden gevoerd in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in die tussenuitspraak. Daarbij heeft de rechtbank aangekondigd dat zij het in beginsel in strijd met de goede procesorde acht als na de tussenuitspraak nieuwe geschilpunten worden ingebracht. Specifiek voor deze zaak heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat het geschil dus alleen nog gaat over de eventuele geluidsbelasting die de balustrade meebrengt en de aanvullende motivering van het college op dit punt, omdat op alle andere onderwerpen in de tussenuitspraak al is ingegaan.\n\n4.4.. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van dit in de tussenuitspraak geformuleerde uitgangspunt. Daarvoor is van belang dat de Afdelingsuitspraak waar eisers 3 naar verwijzen weliswaar dateert van ná de zitting in de voorliggende zaak, maar dat de tussenuitspraak van weer latere datum is. Dat betekent dat de Afdelingsuitspraak is meegenomen in de oordeelsvorming van de rechtbank, omdat als uitgangspunt geldt dat de rechtbank uitspraak doet naar de stand van de rechtspraak op het moment van de (tussen)uitspraak. Overigens hadden eisers 3 naar aanleiding van de Afdelingsuitspraak om heropening van het onderzoek kunnen verzoeken,vóórdat de rechtbank uitspraak zou doen. Zij hebben daarvan afgezien, ondanks dat daar ruimschoots tijd voor was.\n\n4.5.. Ook in de beroepsgrond die eisers 3 aanvoeren en die gaat over de onterechte toepassing van de kruimelgevallenregeling en de reguliere voorbereidingsprocedure, ziet de rechtbank geen aanleiding om terug te komen op de tussenuitspraak. Deze beroepsgrond is namelijk niet nieuw en in wezen al beoordeeld in de tussenuitspraak van 27 november 2025. Omdat de rechtbank in de tussenuitspraak tot het oordeel is gekomen dat padel op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, is zij niet toegekomen aan het betoog van eisers 3 dat vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan het gebruik van de gronden voor padel met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure had moeten worden vergund.Ook ambtshalve heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college ten onrechte de reguliere voorbereidingsprocedure heeft toegepast.\n\nHeeft het college het gebrek hersteld?\n\n5. Eiseres 1 betoogt dat het college het gebrek niet heeft hersteld en dat de aanvullende notitie van Peutz de conclusie van het college dat de geluidsbijdrage van de balustrade op de totale geluidsemissie van de padelbanen akoestisch verwaarloosbaar is, niet kan dragen. Daartoe voert eiseres 1 aan dat:\n\nde frequentie van het contact van de bal met de balustrade is onderschat, omdat geen rekening is gehouden met het gebrek aan balcontrole van recreanten en incidentele padelspelers;\n\nde focus op het geluidniveau van het balcontact met de balustrade te beperkt is, omdat juist de tonaliteit en het impulsieve karakter van het geluid binnen de context van een camping (waarin enkel een tentdoek als scheidingswand met de omgeving dient) belastend is;\n\nde balustrade een hogere spelintensiteit faciliteert; en\n\ndat de gegevens waarmee het college de stellingen vergelijkt, dateren uit 2019 en daarmee verouderd zijn.\n\n5.1.. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.\n\n5.2.. \n\nIn de aanvullende notitie concludeert adviesbureau Peutz “dat het aantal keer dat de bal de balustrade raakt (gecombineerd - zowel rechtstreeks als via de grond) minder dan 1% van het aantal slagen tijdens het padellen bedraagt. De geluidemissie die hierdoor wordt veroorzaakt, is bovendien lager dan de geluidemissie van het gemiddelde padelspel (alle slagen gecombineerd). Daaruit volgt dat de geluidbijdrage van de balustrade minder dan 1% bedraagt van de totale geluidemissie van de padelbaan. Dit kan als akoestisch verwaarloosbaar beschouwd worden.”Het college heeft mogen afgaan op dit advies nu er door eiseres 1 geen tegenadvies is ingediend van een deskundige met een andersluidende conclusie. De opsomming van niet nader onderbouwde tekortkomingen die eiseres 1 aan de notitie verbindt zijn daarmee niet gelijk te stellen. Daarvoor acht de rechtbank bijvoorbeeld van belang dat niet is komen vast te staan dat adviesbureau Peutz bij de berekening van de frequentie van het balcontact geen rekening heeft gehouden met de vaardigheid van de padelspelers. Hoewel gebruik is gemaakt van spelanalysegegevens van spelers uit de Italiaanse sub-elite competitie, is in het rapport wel degelijk erkend dat de contactfrequentie afhangt van het niveau van de spelers. De rechtbank verwijst daarvoor naar de volgende passages in de aanvullende notitie van Peutz:\n\n“Hierbij is uiteraard sprake van enige mate van spreiding, die mede afhangt van het niveau van de spelers.”\n\n“Naast het literatuuronderzoek zijn ook meerdere recreatieve padelspelers geraadpleegd, om een inschatting te vragen van het aantal keer dat de bal de balustrade raakt tijdens hun spel (op welke wijze dan ook). De consensus uit deze steekproef is dat de balustrade “enkele malen” per uur geraakt wordt.”\n\nDaarnaast heeft eiseres 1 onvoldoende onderbouwd dat het college de aard van het geluid met de aanvullende notitie van Peutz heeft genegeerd. De stelling van eiseres 1 dat het contact van een ‘harige’ bal met een ijzeren balustrade leidt tot een schel rinkelend geluid, volgt de rechtbank niet. Dit zou voorstelbaar zijn in geval van twee metalen objecten die met elkaar in aanraking komen, maar daar is in dit geval geen sprake van. Wat eiseres 1 verder nog naar voren brengt over het impulsieve karakter van het geluid en de context van de camping waarin de geluidsbelasting wordt ervaren, merkt de rechtbank op dat dat voor het contact van de bal met de balustrade niet anders geldt dan voor het contact van de bal met de glazen wand. En dat laatste is in principe binnen de kaders van het bestemmingsplan toegestaan. In wat eiseres 1 hierover heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding om te oordelen dat de aard of de contact van het geluid onterecht onderbelicht is door het college.\n\nDe opmerking van eiseres 1 dat de balustrade een hogere spelintensiteit faciliteert is voor de rechtbank ook geen aanleiding om te twijfelen aan de aanvullende notitie van Peutz. Daarvoor is van belang dat de balustrade weliswaar ballen binnen het speelveld houdt, maar dat dat niet betekent dat het spel ongestoord en met een hoge spelintensiteit doorgang kan vinden. Dat is af te leiden uit de (relevante) spelregels die het college in zijn aanvullende motivering benoemt:\n\n“Een bal mag namelijk niet rechtstreeks het metalen hekwerk (waartoe ook de balustrade behoort) raken. De bal is dan ‘uit’. Een bal mag ook niet teruggespeeld worden via het hekwerk. Spelers zullen een dergelijke slag in het spel daarom zo veel mogelijk proberen te voorkomen. Wel mag de bal na één keer stuiteren op de grond het hekwerk raken. Om echter in die situatie tot aan de balustrade te komen, moet de bal na één keer stuiteren op de grond nog zoveel kracht hebben dat de bal meer dan 3 meter hoog opveert. De meeste ballen halen dit niet.”\n\nTot slot acht de rechtbank de opmerking dat het college verouderde gegevens betrekt bij de waardering van de stellingen van adviesbureau Peutz over de ruimtelijke aanvaardbaarheid, onvoldoende om aan de aanvullende notitie van Peutz of de aanvullende motivering van het college te twijfelen. Vooral omdat eiseres 1 daar zelf geen recentere gegevens tegenover zet, en zij in haar formulering eigenlijk laat doorschemeren dat de gegevens uit 2019 ook wel zouden kunnen voldoen. Zo voert eiseres 1 aan:\n\n“Het is onzorgvuldig om de ruimtelijke aanvaardbaarheid in 2026 te baseren op meetgegevens uit 2019, diemogelijk (onderstreping: rechtbank) niet voldoen aan de huidige stand der techniek qua meting van impuls- en tonaal geluid.”\n\n5.3.. Gelet op wat de rechtbank onder 5.2 heeft overwogen slaagt het betoog van eiseres 1 niet.\n\n5.4.. Daarnaast hebben eisers 3 in hun reactie op de brief van het college aangegeven geen op- of aanmerkingen te hebben over de aanvullende notitie van Peutz of de gegeven motivering van het college en hebben eisers 2 helemaal niet meer gereageerd op de brief van het college. De rechtbank oordeelt daarom dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename van de geluidsbelasting op de directe omgeving ten gevolge van de balustrade van de padelbaan verwaarloosbaar is en dat de balustrade dus enkel stedenbouwkundige gevolgen heeft.\n\nSchadevergoeding overschrijding redelijke termijn\n\n6. De rechtbank ziet in de klacht van de tennisvereniging over de lange duur van de procedure een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarvoor is niet vereist dat iemand beroep bij de rechtbank heeft ingesteld.Over het verzoek om schadevergoeding van de tennisvereniging oordeelt de rechtbank als volgt.\n\n6.1.. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een zaak waarbij het besluit is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, begint de redelijke termijn op het moment dat bezwaar is gemaakt tegen het besluit. De behandeling van de zaak tot en met de uitspraak in beroep mag maximaal twee jaar duren.De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond.\n\n6.2.. Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het college respectievelijk aan de rechtbank. De schadevergoeding moet vervolgens naar evenredigheid ten laste van het college respectievelijk de Staat worden uitgesproken. De regel die daarbij geldt is dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.\n\n6.3.. In een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het college toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak ten hoogste anderhalf jaar heeft geduurd en de rechtbank vervolgens binnen één jaar einduitspraak doet na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld.\n\n6.4.. In deze zaak is het eerste bezwaarschrift, dat van eisers 3, ingediend op 24 oktober 2022. Daarna volgden de twee bezwaarschriften van eiseres 1 en eisers 2 op 1 november 2022. Dat betekent dat inmiddels 43 maanden zijn verstreken en de redelijke termijn met 19 maanden is overschreden.\n\n6.5.. De schadevergoeding bedraagt € 500,- voor ieder half jaar dat de termijn is overschreden. Van het moment van het indienen van het bezwaar tot deze uitspraak komt dat neer op een overschrijding van 19 maanden. Dat betekent dat de tennisvereniging aanspraak maakt op een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn van € 2.000,-. Voor dit verzoek krijgt de tennisvereniging een proceskostenvergoeding van 1 punt (€ 934,- per punt) met een wegingsfactor 0,5.Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 467,-.\n\n6.6.. De behandeling door de rechtbank van het beroep tegen het besluit van 22 mei 2023 heeft vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 16 juni 2023 tot de tussenuitspraak op 27 november 2025 afgerond naar boven 30 maanden geduurd. Dit is 12 maanden langer dan de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Vervolgens heeft de rechtbank binnen één jaar einduitspraak gedaan. Hieruit volgt dat een overschrijding van 7 maanden aan het college is toe te rekenen en 12 maanden aan de rechtbank. Het bedrag van € 2.000,- zal naar evenredigheid worden toegerekend aan het college en de Staat. De rechtbank zal het college veroordelen tot betaling van een bedrag van totaal € 908,89,- (7\u002F19 x € 2.000,- en 7\u002F19 x € 467,-) en de Staat tot betaling van een bedrag van totaal € 1.558,11 (12\u002F19 x € 2.000,- en 12\u002F19 x € 467,-).\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, zijn de beroepen van eisers gegrond. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.\n\n7.1.. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgen eisers een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De bijstand door een gemachtigde levert punten op voor de verschillende proceshandelingen: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus. Dat betekent dat voor eisers de volgende vergoedingen aan de orde zijn:\n\npunten\n\nvergoeding\n\neiseres 1\n\n2,5\n\n€ 2.335, -\n\neisers 2\n\n2\n\n€ 1.868, -\n\neisers 3\n\n2,5\n\n€ 2.335, -\n\nDe vergoeding bedraagt in totaal dus € 6.538, -.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand blijven;\n\ndraagt het college op het betaalde griffierecht van € 365,- aan eiseres 1, van € 184,- aan eisers 2 en van € 365,- aan eisers 3 te vergoeden;\n\nveroordeelt het college in de proceskosten van eiseres 1 tot een bedrag van € 2.335,- , van eisers 2 tot een bedrag van € 1.868,- en eisers 3 tot een bedrag van € 2.335,- ;\n\nveroordeelt het college tot het betalen van een schadevergoeding van € 908,89,- aan de tennisvereniging;\n\nveroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.558,11 aan de tennisvereniging.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n De minister ziet af van het voeren van verweer, zie de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stc.2014, 20210.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:2163.\n\n Artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) samen met artikel 4, derde onderdeel, van bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor).\n\n Uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3481.\n\n Deze mogelijkheid vloeit voort uit de bevoegdheid van de rechtbank om op grond van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek te heropenen.\n\n Eisers 3 verwijzen hierbij naar artikel 2.1 onder c in samenhang gelezen met artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2029, ECLI:NL:RVS:2019:3031 r.o. 3.2\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1182.\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4040, r.o. 10.2.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.3.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5367, r.o. 2.3.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4765","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.106Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":63,"fullText":64,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":30,"updatedAt":67},"1890","ECLI:NL:RBGEL:2026:3759","ecli-nl-rbgel-2026-3759","2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F4119uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n [eiser 1] en [eiseres]\n\n [eiser 2],\n\n [eiser 3],\n\nallen uit [plaats], gezamenlijk: eisers\n\n(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Scherpenzeel\n\n(gemachtigde: mr. N.L.H. Teijema).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], uit [plaats] (de tennisvereniging)\n\n(gemachtigde: mr. M. Bekooy).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het aanleggen van drie padelbanen met reclame en lichtmasten. Eisers zijn het niet eens met omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning kon verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 1 december 2023 heeft het college aan de tennisvereniging een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van drie padelbanen met reclame en lichtmasten. Met de beslissing op bezwaar van 12 juni 2024 is het college bij deze omgevingsvergunning gebleven.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Eisers hebben ook verzocht om een voorlopige voorziening.\n\n2.2.. Met de uitspraak van 22 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter de beslissing op bezwaar geschorst.\n\n2.3.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben een nader schriftelijk stuk ingediend.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers samen met [persoon A] (geluidsdeskundige van [naam bedrijf] B.V.), de gemachtigde van het college samen met [persoon B] en [persoon C] (geluidsdeskundige van het college), [persoon D] en [persoon E] namens de tennisvereniging en de gemachtigde van de tennisvereniging.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. De tennisvereniging heeft op 14 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de aanleg van drie padelbanen met reclame en lichtmasten aan de [locatie] in [plaats]. Op 1 december 2023 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen”en “het maken of voeren van handelsreclame”.\n\n3.1.. Eisers wonen in de buurt van de tennisvereniging en vrezen voor geluidsoverlast door de beoogde padelbanen.\n\n3.2.. Het bestemmingsplan “Noord” is van toepassing en het perceel heeft de bestemming “Sport – 1”. De gronden zijn bestemd voor sportvoorzieningen. Onder gebruik in strijd met het bestemmingsplan valt in ieder geval het gebruik van gronden en bouwwerken voor lawaaisporten.\n\n3.3.. Met de beslissing op bezwaar van 12 juni 2024 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. In aanvulling daarop heeft het college ook voor de activiteit “strijdig gebruik” de omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van twee geluidsschermen van vier meter hoog.\n\n3.4.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar en hebben gelijktijdig verzocht om een voorlopige voorziening om de omgevingsvergunning te schorsen in afwachting van de uitspraak op hun beroep.\n\n3.5.. Met de uitspraak van 22 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland de beslissing op bezwaar geschorst.De voorzieningenrechter is van oordeel dat padel in dit geval een lawaaisport is, als bedoeld in het bestemmingsplan. Het college had daarom ook moeten beoordelen of hij voor die activiteit ook wilde afwijken van het bestemmingsplan.\n\nStukken buiten beschouwing\n\n4. Op de zitting heeft de rechtbank besloten de door eisers op 13 februari 2026 ingediende stukken buiten beschouwing te laten. Deze stukken zijn weliswaar meer dan tien dagen voor de zittingingediend, maar ze zijn dusdanig uitgebreid en voorzien van een geluidsadvies, dat het college en de tennisvereniging onvoldoende tijd hebben gehad hierop te reageren. Bovendien is het een reactie op het verweerschrift van het college, dat op 17 april 2025 door de rechtbank is ontvangen. Niet valt in te zien waarom eisers zo lang gewacht hebben met het indienen van de nadere stukken.\n\nIs padel een lawaaisport?\n\n5. Eisers betogen dat de padelbanen niet voldoen aan de regels van het bestemmingsplan. Op het perceel is volgens het bestemmingsplan lawaaisport niet toegestaan. In het bestemmingsplan is geen definitie van lawaaisport opgenomen. Volgens eisers mocht het college niet aansluiten bij de definitie uit het voorgaande bestemmingsplan. Die definitie luidde: schietsporten, waarbij de sport ook bovengronds wordt uitgeoefend, en motorische sporten. Aan een definitie van een eerder bestemmingsplan komt volgens eisers geen betekenis toe. Omdat het begrip lawaaisporten niet gedefinieerd is, moet worden aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Volgens eisers heeft padel een hoog geluidbronvermogen van gemiddeld 91 dB(A), met pieken van 108 dB(A). De ruimtelijke uitstraling is niet vergelijkbaar met die van tennis. Padel maakt als brongeluid 8 dB(A) meer aan geluid dan tennis. De ruimtelijke uitstraling is hierdoor een factor 9 groter dan tennis, dat wil zeggen dat één padelbaan net zoveel geluid uitstraalt als negen tennisbanen. De commissie bezwaarschriften heeft ook geadviseerd dat padel onder lawaaisport valt. Ook heeft de voorzieningenrechter dit geoordeeld.\n\n5.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat padel geen lawaaisport is. Omdat lawaaisport niet in het bestemmingsplan is gedefinieerd, heeft het college aansluiting gezocht bij het normaal spraakgebruik. In het “Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal” (Van Dale) is lawaaisport gedefinieerd als: een sport waarbij veel lawaai wordt gemaakt (zoals motorcross en autosport). Volgens het college wordt deze definitie nader ingekleurd door definities die in de (ruimtelijke ordenings)praktijk gebruikt worden. Het college heeft daarom ook gekeken naar begripsomschrijvingen van de VNG en Infomil. De VNG omschrijft lawaaisport als: “de autosport, de motorsport, de modelvliegsport, karting en soortgelijk geluid producerende sporten”. Volgens de uitleg van Infomil horen bij lawaaisporten ook sporten waarbij explosies in de vorm van schieten voorkomen:“lawaaisporten zijn bijvoorbeeld schietsporten, zoals kleiduifschieten, motor- en autocross of modelvliegen”. Volgens het college zijn de voorbeelden van Van Dale niet-limitatief, maar het college vindt dat er wel belang moet worden gehecht aan de voorbeelden. De genoemde sporten zijn namelijk sporten waarbij hulpmiddelen (denk aan motoren) worden gebruikt. Padel is een sport die volledig met behulp van spierkracht wordt uitgeoefend. Volgens het college ligt dat in lijn met sporten als honkbal, hockey, tennis, golf en voetbal. De opvatting dat padel meer vergelijkbaar is met tennis dan met één van de genoemde voorbeelden van lawaaisporten, wordt volgens het college ook gedeeld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).\n\n5.2.. Het college stelt zich verder op het standpunt dat het oordeel van de voorzieningenrechter dat bij 91 dB(A) sprake is van onaangenaam en hard geluid niet juist is. Het bronvermogen van padel is niet doorslaggevend om tot de conclusie te komen dat padel een lawaaisport is. Er moet volgens het college ook gekeken worden naar de immissie en niet alleen naar de emissie. De emissie (het bronvermogen) wordt gebruikt om onder andere de immissie te berekenen. Dat is gedaan met het akoestisch onderzoek. In het akoestisch onderzoek is aangetoond dat door het plaatsen van een geluidsscherm de situatie voldoet aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. De immissiewaarde voldoet dus aan de wet- en regelgeving en het bronvermogen wordt enkel als rekenmiddel gebruikt. Als er wel naar het bronvermogen wordt gekeken, dan is padel volgens het college ook niet te kwalificeren als lawaaisport. Daarvoor verwijst het college naar de onderstaande schematische weergave:\n\nBijlage schematische vergelijking bij verweerschrift\n\n5.3.. Op de plek waar de padelbanen zijn gepland, geldt “Bestemmingsplan Noord” met de bestemming “Sport-1”. Die gronden zijn bestemd voor “sportvoorzieningen” en “vrijetijdsvoorzieningen”en het is verboden deze gronden te gebruiken of laten gebruiken voor en\u002Fof als “lawaaisporten”.\n\n5.4.. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe lawaaisport moet worden uitgelegd. In de planregels is geen definitie opgenomen van het begrip “lawaaisporten”. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan volgt ook niet wat kan worden verstaan onder “lawaaisporten”. De stelling van het college dat betekenis toekomt aan het begrip uit het vorige bestemmingsplan vanwege de conserverende aard van het geldende bestemmingsplan, volgt de rechtbank niet. Dat een bestemmingsplan in algemene zin conserverend van aard is, betekent namelijk niet dat de planwetgever ook specifieke bestemmingsplanbegrippen heeft willen overnemen. In dat geval had het op de weg van de gemeenteraad gelegen om daarover een bestemmingsplanbegrip op te nemen.\n\n5.5.. Dit betekent dat aansluiting moet worden gezocht bij het algemene spraakgebruik. In dat geval kan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling worden gekeken naar de betekenis in de Van Dale. De Van Dale definieert lawaaisport als “sport waarbij veel lawaai wordt gemaakt (zoals motorcross en autosport)”. Hoewel de voorbeelden uit de Van Dale niet limitatief zijn, begrijpt de rechtbank hier wel uit dat het moet gaan om een sport waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd. Dat geluid moet zodanig zijn dat er lawaai wordt gemaakt. De Van Dale definieert lawaai als “hard, onaangenaam geluid”. Dat padel als hinderlijk wordt ervaren, betekent niet dat er ook sprake is van lawaai. Anders dan de voorzieningenrechter is de rechtbank daarom van oordeel dat padel geen lawaaisport is. Het is daarom ook niet in strijd met de regels van het bestemmingsplan.\n\n5.2.. Op de zitting is uitvoerig gesproken over het bronvermogen en het maximale geluidniveau van padel. Volgens eisers heeft het college in het verweerschrift het gemiddelde geluidniveau van padel vergeleken met geluidbronvermogens van een crossmotor, schietsport en een modelvliegtuig. Dat is volgens eisers een verkeerde vergelijking, omdat padel een hoge slagfrequentie heeft van 30 tot 40 slagen per minuut met meer dan 108 dB(A) per slag. Dat had het college volgens eisers ook moeten verwerken in de tabel. De rechtbank stelt vast dat het college in de schematische vergelijking is uitgegaan van het gemiddeld geluidniveau. Daarin is padel te vergelijken met bijvoorbeeld hockey of voetbal. Volgens normaal spraakgebruik worden die sporten ook niet als lawaaisport beschouwd. Ook in het bronvermogen van padel ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat padel een lawaaisport is.\n\n5.3.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs er sprake van onevenredige geluidhinder?\n\n6. Eisers betogen dat het college bij de omgevingsvergunning voor de geluidschermen ten onrechte niet gekeken heeft naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het totale aangevraagde project, inclusief de voor de omgeving te verwachten geluidhinder. De padelbanen kunnen niet worden gebruikt zonder de geluidschermen. Dat blijkt ook uit het geluidsrapport dat bij de vergunningaanvraag is gevoegd. Het college had daarom ook moeten ingaan op het akoestisch onderzoek van bureau [naam bedrijf] van 10 januari 2024. Eisers hebben dit in de bezwaarfase al in gebracht.\n\n6.1.. Zoals hiervoor is overwogen, past padel binnen het bestemmingsplan en, zoals ook volgt uit de door de omwonenden genoemde uitspraak, betekent dat dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van padel zelf niet ter discussie kan staan. Weliswaar wijkt het college voor de geluidschermen zelf wel af van het bestemmingsplan, maar daarvan heeft het college de ruimtelijke aanvaardbaarheid beoordeeld. Geluidsoverlast is daar geen onderdeel van. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van de geluidschermen hebben eisers niet bestreden met andere gronden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).\n\n Artikel 2.2, eerste lid, onder h, van de Wabo.\n\n Artikel 6.3.1 onder d van het bestemmingsplan.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, onder c, en artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo in combinatie met artikel 4, onderdeel 3, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2024:4717.\n\n Artikel 8:58 van de Awb.\n\n Het college verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1746.\n\n Artikel 6.1 van de planregels van Bestemmingsplan Noord.\n\n Artikel 6.3.1, onder d, van de planregels van Bestemmingsplan Noord.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3759","2026-05-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.022Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":72,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":30,"updatedAt":75},"1051","ECLI:NL:RBGEL:2025:10204","ecli-nl-rbgel-2025-10204","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 23\u002F3607, ARN 23\u002F3543 en 23\u002F4010tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n\n [eiseres 1], uit [plaats], eiseres 1\n\n(gemachtigde: mr. R. Sahin),\n\n [eiser (als onderdeel van eisers 2)] en [eiseres (als onderdeel van eisers 2)], uit [plaats], samen: eisers 2\n\n(gemachtigde: mr. M. van Hoorne),\n\n [villapark (eisers 3)], uit [plaats],\n\n [recreatiepark (eisers 3)], uit [plaats]\n\n [resort (eisers 3)], uit [plaats], samen: eisers 3\n\n(gemachtigden: mr. J.J. Molenaar en J.P.H. de Bruijn),\n\nallen gezamenlijk eisers,\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal\n\n(gemachtigde: mr. M.L. van Kalsbeek).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij]\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van twee padelbanen. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning een motiveringsgebrek kent met betrekking tot de beoordeling van het aspect geluid in het kader van de goede ruimtelijke ordening.Omdat de rechtbank zoveel mogelijk definitief moet beslissen over een geschil, doet de rechtbank een tussenuitspraak. Met deze tussenuitspraak krijgt het college de kans om het motiveringsgebrek te herstellen. De rechtbank licht dat hierna toe en gaat daarbij in op de beroepsgronden van eiseres.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 22 mei 2023 op de bezwaren van eisers heeft het college, in afwijking van het advies van de Commissie Bezwaarschriften, het bezwaar ongegrond verklaard en de toestemming voor het realiseren van twee padelbanen dus in stand gelaten.\n\n2.1.. Eisers hebben (afzonderlijke) beroepen ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het college heeft met één gezamenlijk verweerschrift op de beroepen gereageerd.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 3 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:\n\ndhr. [persoon A], namens eiseres 1;\n\nmw. mr. [persoon B] (waarnemend voor mr. Sahin), gemachtigde van eiseres 1;\n\ndhr. [eiser (als onderdeel van eisers 2)], namens eisers 2;\n\ndhr. mr. M. van Hoorne, gemachtigde van eisers 2;\n\ndhr. [persoon C] en dhr. [persoon D], namens eisers 3;\n\nmw. mr. J.P.H. de Bruijn, gemachtigde van eisers 3;\n\nmw. mr. M.L. van Kalsbeek, gemachtigde van het college;\n\ndhr. [gemachtigde], gemachtigde van de derde-partij.\n\nDaarnaast was namens het college nog de heer [persoon E], geluidsdeskundige, aanwezig.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaan deze zaken over?\n\n3. Aan de derde-partij is op 26 september 2022 een omgevingsvergunning verleend om, in aanvulling op de al aanwezige tennisbanen, twee padelbanen te realiseren op het perceel [locatie] in [plaats] (hierna: het perceel). De vergunning is verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’. Dit laatste vanwege de hoogte van het hekwerk van de padelkooi van vier meter. Die overschrijdt de in het bestemmingplan bepaalde maximale hoogte van andere bouwwerken. Op grond van de kruimelgevallenregeling heeft het college de afwijking van de hoogte toegestaan.\n\n3.1.. Eisers 3 zijn op 24 oktober 2022 en eiseres 1 en eisers 2 zijn op 1 november 2022 in bezwaar gekomen tegen de omgevingsvergunning. De bezwaren zijn tegelijkertijd behandeld bij de Commissie Bezwaarschriften tijdens een hoorzitting op 24 januari 2023. De commissie heeft het college geadviseerd om de bezwaren van eisers gegrond te verklaren, omdat het gebruik van twee padelbanen niet in overeenstemming is met de bestemming van het perceel.\n\n3.2.. Het college is met het bestreden besluit van 22 mei 2023 afgeweken van dit advies. Op basis van een andere uitleg van de bestemming, zijn de bezwaren van eiseres 1 en van eisers 2 ongegrond verklaard, en is het bezwaar van eisers 3 deels gegrond verklaard.Het college heeft de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten, de grondslag voor het toestaan van de afwijking gewijzigd en tevens vergunning verleend voor de activiteit ‘het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden’.Eisers zijn het hier niet mee eens.\n\nIs padel op het perceel in strijd met het bestemmingsplan?\n\n4. Voor het perceel waar de padelbanen zijn gepland geldt het bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’ (hierna: het bestemmingsplan). De gronden zijn aangewezen voor ‘maatschappelijke doeleinden’. Uit artikel 7.1 van de planregels volgt dat ze zijn bestemd voor “maatschappelijke voorzieningen, zoals voorzieningen ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, cultuur, recreatie, lichamelijke en\u002Fof geestelijke volksgezondheid en bijzondere woondoeleinden met de daarbij behorende voorzieningen zoals tuinen, terrassen, erven, achterpaden, opritten, parkeerplaatsen en bouwwerken.”\n\n4.1.. Eisers betogen dat padel op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan. De bestemming ‘maatschappelijke doeleinden’ laat hier geen ruimte voor. Ter onderbouwing van hun betoog verwijzen eisers naar de toelichting op het bestemmingsplan (hierna: de plantoelichting) waaruit volgt dat de tennisbanen als uitzondering zijn vergund omdat ze er al lagen ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, maar dat er geen ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen. Op de plankaart is nauwkeurig aangegeven waar de tennisbanen zich bevinden. Daarnaast, zo betogen eisers 3 nog, is padel een relatief nieuwe sport die pas sinds kort in Nederland wordt uitgeoefend. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan in 2008 bestond padel als sport nog niet, althans was dit een onbekende activiteit. De planwetgever kan daarom bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet voor ogen hebben gehad om padel onder de noemer van voorziening ten behoeve van het verenigingsleven, recreatie of lichamelijke volksgezondheid te scharen.\n\n4.2.. Het college stelt zich op het standpunt dat padel wel past binnen de bestemmingsomschrijving ‘maatschappelijke doeleinden’, en dan met name de onderdelen ‘verenigingsleven’, ‘recreatie’ en ‘lichamelijke gezondheid’. Volgens het college wordt niet toegekomen aan raadpleging van de plantoelichting, omdat de planvoorschriften duidelijk zijn. Als de rechtbank daar anders over zou oordelen, stelt het college dat uit de plantoelichting niet volgt dat padel buiten de bestemmingsomschrijving valt of dat er sprake zou zijn van een beperking van het toegelaten gebruik tot de feitelijk bestaande activiteiten.\n\n4.3.. De beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend voor het antwoord op de vraag of een activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Wanneer een planregel duidelijk is dient deze omwille van de rechtszekerheid letterlijk te worden uitgelegd, omdat de rechtszekerheid vereist dat van wat in een plan is bepaald kan worden uitgegaan.Ook als het bestemmingsplan zoals eisers stellen een conserverend karakter heeft, zijn de bestemming en daarbij behorende planregels daarom bepalend voor de vraag of padel is toegestaan.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat in de doeleindenomschrijving onder 7.1 van het bestemmingsplan staat dat de als maatschappelijke doeleinden op de plankaart aangegeven gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, zoals voorzieningen ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, cultuur, recreatie, lichamelijke en\u002Fof geestelijke volksgezondheid en bijzondere woondoeleinden met de daarbij behorende voorzieningen zoals tuinen, terrassen, erven, achterpaden, opritten, parkeerplaatsen en bouwwerken. Op grond van letterlijke lezing van deze omschrijving oordeelt de rechtbank dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat het beoefenen van padel, al dan niet in verenigingsverband, is aan te merken als het gebruik van de gronden ten behoeve van recreatie, lichamelijke volksgezondheid en (in voorkomende gevallen ook) verenigingsleven. Uit de planregels blijkt dus al dat padel op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Het betoog dat padel een relatief nieuwe sport is maakt dit oordeel niet anders. Het ligt op de weg van de raad om het bestemmingsplan aan nieuwe ontwikkelingen aan te passen als die nieuwe ontwikkelingen daarvoor aanleiding geven. Dat is in dit geval niet gebeurd.\n\n4.5.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college daarom terecht uitsluitend vanwege de hoogte van de balustrade van de padelkooi van vier meter een vergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ verleend (zie onder 3). De rechtbank oordeelt hierna aan de hand van de beroepsgronden van eisers of het college voor die afwijking een omgevingsvergunning kon verlenen.\n\nHeeft het college de belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening goed afgewogen?\n\n5. Eisers betogen dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend om de bouw van de padelkooi tot een hoogte van vier meter mogelijk te maken. Eisers voeren daartoe aan dat het college de belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet goed heeft afgewogen. Met name geluid is een aspect dat het college in dat kader had behoren te beoordelen en zorgvuldig af te wegen en dat is niet gebeurd. Eisers stellen dat zij ongeoorloofde geluidhinder van de padelbanen zullen ervaren. Het geluid is namelijk niet te vergelijken met het geluid van tennissport en aanzienlijk meer aanwezig. Dit zou in de afwegingen voor het verlenen van de omgevingsvergunning meegenomen moeten worden. Aangesloten moet worden bij de huidige inzichten over het geluidsaspect van padel, zoals verwoord in de Handreiking Padel en Geluid van de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB; hierna: Handreiking Padel en Geluid). Verder is weinig inzichtelijk waar de representatieve bedrijfssituatie en de daaraan gekoppelde bezettingsgraad van de tennis- en padelvelden op gebaseerd zijn. Voor de dag- en avondsituatie is uitgegaan van percentages van respectievelijk 40% en 75% bezettingsgraad van de padelbaan. Ook is ten onrechte het (stem)geluid van bezoekers niet betrokken. Daarnaast bevinden de woningen van eisers zich binnen de richtafstand van 100 meter van het plangebied, zoals opgenomen in de Handreiking Padel en Geluid. Het trekkersveld van de camping bevindt zich op 60 meter van de padelbanen. De balkons van [resort (eisers 3)] zijn op minder dan 15 meter afstand van de padelbaan gelegen en ook direct aansluitend aan de padelbaan liggen de groepstuin\u002Fbuitenverblijven, de wellnesstuin, een zwembad en een grondstrook met toekomstige ligweide van [resort (eisers 3)]. De geluidsoverlast die gepaard gaat met het spelen van padel zal ervoor zorgen dat de gasten niet meer in rust kunnen genieten van hun verblijf en de voorzieningen van [resort (eisers 3)]. Met het in afwijking van het bestemmingsplan toestaan van een hogere bouwhoogte wordt niet uitsluitend de extra meter bouwhoogte mogelijk gemaakt, maar worden de facto twee padelbanen mogelijk gemaakt en dat heeft het college in het bestreden besluit niet onderkend. Eisers 3 voeren hierbij nog aan dat een padelkooi met een maximale hoogte van drie meter niet voldoet aan de kwaliteitseisen zodat de omgevingsvergunning de gehele kooi mogelijk maakt en niet uitsluitend de balustrade die aan de kopse kanten op de glazen kooi wordt geplaatst om de bal tegen te houden (hierna: de balustrade). Eisers 3 wijzen ter onderbouwing op de “Accommodatiebepalingen Padel” van de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB) van februari 2021 en het normblad “Kooi Padelbaan” van NOC*NSF van 1 april 2021. En ook op de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 juni 2023.\n\n5.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat de afwijking in de bouwhoogte waarvoor het een vergunning heeft verleend niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De geluidbelasting van padelbanen is al opgenomen in de maximaal planologisch toegelaten gebruiksmogelijkheden. De gestelde geluidbelasting kan namelijk ook optreden binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het college stelt verder dat het contactgeluid tussen de bal en het racket en het contactgeluid tussen de bal en de (dichte) glazen wanden de maatgevende geluiden van het padelspel zijn. Dat blijkt volgens het college uit geluidsonderzoeken. Binnen het gemiddelde padelspel komt de bal maar beperkt tegen de bovenste balustrade en veroorzaakt daar geen significante bijdrage aan de geluidsbelasting van het spel. Het toestaan van een hogere bouwhoogte vanwege de balustrade heeft uitsluitend stedenbouwkundige gevolgen en die gevolgen worden op deze locatie niet bezwarend gevonden.\n\n5.2.. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.\n\n5.3.. De beroepsgrond slaagt. Het bouwwerk, de padelkooi, overschrijdt (uitsluitend) aan de kopse kanten de bouwvoorschriften met één meter (zie afbeelding).\n\nAfbeelding: uitsluitend de rood gearceerde balustrade overschrijdt de voorgeschreven maximale bouwhoogte uit het bestemmingsplan.\n\nDe balustrade krijgt dus een hoogte van vier meter, terwijl de toegestane hoogte op grond van het bestemmingsplan drie meter is. Om te kunnen vaststellen of het toestaan van een hoogte van vier meter in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, zo stelt het college terecht, moeten de gevolgen van de afwijking worden vergeleken met de gevolgen die reeds uit het bestemmingsplan voortvloeien. Volgens het college is de geluidbelasting van padelbanen namelijk reeds opgenomen in de maximaal planologisch toegelaten gebruiksmogelijkheden. Immers, ook binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, kan de bestreden geluidbelasting optreden. Het college stelt daarbij voldoende gemotiveerd dat het mogelijk is om een padelbaan te realiseren met wanden tot maximaal drie meter hoog en de balustrade op de kopse kanten achterwege te laten. Zo’n baan kan weliswaar niet meedoen in officiële competities, maar kan wel recreatief worden bespeeld.\n\nIn zoverre volgt de rechtbank het standpunt van het college. De rechtbank volgt het college niet in haar standpunt dat het aspect geluid daarom bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening geen rol speelt. Met het plaatsen van de balustrade wordt mogelijk dat de bal tijdens het spel niet alleen de wanden of de rackets, maar ook de balustrade raakt waar de bal zonder balustrade immers (geluidloos) over de glazen wanden uit het veld zou worden gespeeld. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college gelegen om (nader) te motiveren en onderbouwen welke gevolgen qua geluid de balustrade heeft op de omgeving. De stelling van het college dat de maatgevende geluiden van het padelspel het contactgeluid tussen de bal en het racket en het contactgeluid tussen de bal en de (dichte) glazen wanden zijn heeft zij niet onderbouwd. Het college heeft de geluidbelasting dus ten onrechte niet meegenomen in de ruimtelijke afweging en stelt zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt dat het toestaan van een hogere bouwhoogte vanwege de balustrade uitsluitend stedenbouwkundige gevolgen heeft. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak (onder 7) ingaan op de gevolgen van de hiervoor genoemde gebreken.\n\n5.4.. Het college heeft nog aangevoerd dat de tennisvereniging moet voldoen aan de milieuregels en dat het college in dat kader bij maatwerkbesluit van 19 januari 2023 voorschriften aan het uitvoeren van de activiteit heeft opgelegd. Het moeten voldoen aan de milieuregels maakt niet dat het college bij de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening kan volstaan met een verwijzing naar het maatwerkbesluit. Het college dient bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening het aspect geluid mee te wegen en te motiveren waarom een toename van de geluidbelasting niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.\n\nIs het gehele bouwwerk hoger dan toegestaan op grond van het bestemmingsplan?\n\n6. Eisers 3 betogen dat het gehele bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het bouwwerk van drie meter op een vloer wordt geplaatst die 12cm boven het maaiveld uitkomt. Dit betekent dat het gehele bouwwerk hoger is dan de hoogte die het bestemmingsplan toestaat (dat is: een bouwhoogte van drie meter) en het college ten onrechte uitsluitend voor de balustrade een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ heeft verleend.\n\n6.1.. \n\nDe beroepsgrond slaagt niet. Uit de omgevingsvergunning blijkt dat het college als strijdig gebruik heeft vergund ‘het hogere deel van het hekwerk’, namelijk de balustrade. De hoogte van die balustrade zal vier meter zijn en het is die afwijking die het college heeft vergund. Het college is bij de toetsing aan het bestemmingsplan, zo heeft het in verweer nog nader toegelicht, afgegaan op de aanzichttekening waaruit blijkt dat de wanden aan de lange zijde drie meter hoog worden en de balustrades vier meter hoog.\n\nDat de hoogtes van de wanden in de praktijk niet toenemen door een onderlaag waarop de wanden worden geplaatst heeft het college als volgt toegelicht. Op grond van het bestemmingsplan wordt de bouwhoogte van het bouwwerk gemeten als “de hoogte in meters vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw, (...)”. Het peil is in dit geval gedefinieerd als “de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte terrein dat het bouwwerk omgeeft (maaiveld)”. Het gaat hierbij, zo stelt het college terecht, om (de gemiddelde hoogte) van het aansluitend afgewerkt terrein, na voltooiing van de bouwwerkzaamheden. Op de plaats waar de padelbanen worden gerealiseerd, is\u002Fwas een midgetgolfbaan aanwezig in sterk geaccidenteerd terrein. Voor het kunnen realiseren van de padelbanen dient de midgetgolfbaan te worden verwijderd en de grond te worden geëgaliseerd. De vloer van de padelbanen komt, zo blijkt uit de aanzichttekening, te liggen in een verdiepte bak in het maaiveld. De gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkt maaiveld dat het bouwwerk omgeeft, komt dus minimaal op de hoogte van de vloer van de padelkooi te liggen en komt overeen met het aangeduide maaiveld op de aanzichttekening. Het college stelt zich daarmee terecht op het standpunt dat het uitsluitend een omgevingsvergunning voor de balustrades heeft hoeven verlenen.\n\nAls na voltooiing van de werkzaamheden in de praktijk een andere hoogte van het afgewerkte maaiveld blijkt, waardoor de bouwhoogte op meer plaatsen boven de maximaal voorgeschreven bouwhoogte in het bestemmingsplan uitkomt, is dit een handhavingskwestie die niet aan vergunningverlening in de weg staat, zo stelt het college ook terecht.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Zoals is overwogen onder 5.3 is het bestreden besluit in strijd met het vereiste van een deugdelijke motivering (artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen moet het college motiveren wat de gevolgen van de balustrade zijn voor de geluidbelasting op de omgeving. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak. Na de ontvangst van de nadere motivering zal de rechtbank eiseres en vergunninghouder in de gelegenheid stellen om hierop te reageren.\n\n8. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college.\n\nIn beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.\n\n9. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. Na deze tussenuitspraak gaat het geschil dus nog alleen over de eventuele geluidbelasting die de balustrade meebrengt en de aanvullende motivering van het college op dit punt. Op alle andere onderwerpen is de rechtbank in de tussenuitspraak al ingegaan.\n\n10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;\n\n- stelt het college in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\n- houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, sub a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).\n\n Artikel 2.1, eerste lid, sub c, van de Wabo.\n\n De afwijking is gebaseerd op artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2o van de Wabo en artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\n De gegrondverklaring ziet op het vereiste van een vergunning voor de activiteit ‘het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden’, in verband met de dubbelbestemming ‘Verwachtginsgebieden archeologie waarden’). Zie hiervoor artikel 10.2.1 van het bestemmingsplan.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2998 en van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2860\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2998 en van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2860\n\n ECLI:NL:RBOBR:2023:2818.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5429.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:10204","2025-11-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:01.708Z",1,20]