[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-planning-enforcement-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":40,"limit":41},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},105,"planning-enforcement-nl","Planning Enforcement","NL","2026-07-08T16:56:40.793Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-05-01T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,32],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"589","ECLI:NL:RBGEL:2026:5367","ecli-nl-rbgel-2026-5367","","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 26\u002F2749 en 26\u002F2822uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nop het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] )\n\nAls derde-partij nemen aan de zaken deel: [naam 1] en [naam 2] uit [plaats] .\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde last onder dwangsom wegens het plaatsen van vier chalets op het perceel aan de [adres] in Nijkerk (kadastraal bekend als gemeente Nijkerk Gelderland, sectie [sectie] perceelnummer [nummer] ) zonder benodigde omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom heeft mogen opleggen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dan ook ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij wijze van voorlopige voorziening de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen tot zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Bij besluit van 16 december 2025 heeft het college de last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 22 mei 2026 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van het college en de derde-partij hebben deelgenomen aan de zitting.\n\n2.2.. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Daarna zet zij het wettelijk kader uiteen. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n4. Op 1 september 2025 heeft het college een handhavingsverzoek van de derde-partij ontvangen in verband met vier geplaatste chalets op het perceel van eiser. De derde-partij heeft verzocht om deze chalets te (laten) verwijderen aangezien deze illegaal zijn geplaatst. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft een toezichthouder van het college een controle verricht op het perceel. De toezichthouder heeft geconstateerd dat vier\n\nchalets zijn geplaatst op het perceel binnen vijf meter van de perceelsgrens. Dit is een overtreding van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan van de gemeente Nijkerk . Eiser heeft geen omgevingsvergunning om van het omgevingsplan af te wijken. Op 16 december 2025 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd waarin hij gelast is om de geplaatste chalets te verwijderen of om de chalets vergunningvrij uit te voeren.\n\n4.1.. Tegen het besluit van 16 december 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt. Voordat het college een beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft het advies ingewonnen bij de bezwaarschriftencommissie. Bij besluit van 22 mei 2026 heeft het college, in navolging van het advies van de commissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de last onder dwangsom in stand gelaten.\n\nWettelijk kader\n\n5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de chalets staan, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nijkerk 2017, veegplan 2’ van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Nijkerk . Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt (onder meer) een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.\n\n5.1.. Op het perceel geldt de bestemming ‘Recreatie’ met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - 6’. Volgens artikel 17.2.2 onder b van het bestemmingsplan is het uitsluitend toegestaan om ‘andere bouwwerken’ te bouwen binnen een afstand van vijf meter tot enige perceelsgrens.\n\nBeginselplicht tot handhaving\n\n6. Eiser betwist niet dat sprake is van een overtreding. Tussen partijen is dan ook niet in geschil dat sprake is van een overtreding.\n\n6.1.. Als sprake is van een overtreding, dan is het college bevoegd om daar handhavend tegen op te treden. Als uitgangspunt geldt dat het college ook gebruik moet maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. Dit wordt ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving.\n\n6.2.. In bepaalde gevallen mag van het college toch worden verwacht dat het afziet van handhavend optreden. Dat is bijvoorbeeld het geval als handhavend optreden onevenredig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel zijn.\n\nIs handhavend optreden onevenredig omdat sprake is van concreet zicht op legalisatie?\n\n7. Eiser wijst erop dat hij een omgevingsvergunning heeft aangevraagd en dat er daarom sprake is van concreet zicht op legalisatie.\n\n7.1.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Dat legt zij hieronder uit.\n\n7.2.. \n\nDe voorzieningenrechter stelt voorop dat vaststaat dat eiser op 10 februari 2026 (opnieuw) een omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Het enkele feit dat een aanvraag is ingediend is echter niet voldoende om concreet zicht op legalisatie aan te nemen. Van concreet zicht op legalisatie is bij strijd met het omgevingsplan immers pas sprake als het college te kennen heeft gegeven bereid te zijn om de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het omgevingsplan. Het college heeft daar in het verweerschrift over opgemerkt dat het nieuw ingediende plan overeenkomt met een eerder ingediend plan uit 2023. Dit plan is in strijd met het omgevingsplan en het college is niet bereid om een omgevingsvergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan. Reeds om die reden is geen sprake van concreet zicht op legalisatie.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs handhavend optreden om andere redenen onevenredig?\n\n8. Eiser voert aan dat hij te maken heeft met aanzienlijke financiële druk en schuldeisers. De gevolgen van onmiddellijke handhaving zijn voor hem daarom zeer ingrijpend en mogelijk onomkeerbaar. De chalets zijn momenteel niet in gebruik en worden dus niet verhuurd. Er is daarom geen sprake van aantoonbare overlast. Ook wijst eiser erop dat er in de vergunningzaak, die op dit moment ook bij de rechtbank loopt, nog geen duidelijkheid is verschaft over een juridische houdbare oplossing. Volgens eiser is het redelijk om eerst de uitkomst van die procedure af te wachten. Ook heeft eiser aangevoerd dat de situatie eerst gedoogd werd en dat hij verwachtte dat er in overleg met de gemeente een oplossing gevonden zou worden. Die verwachting was ook logisch, omdat ondertussen gedurende meerdere jaren gesprekken zijn gevoerd over legalisatie, aangepaste plannen en alternatieve situeri ngen.\n\n8.1.. Voor wat betreft de gestelde de financiële gevolgen voor eiser merkt de voorzieningenrechter allereerst op dat eiser niet per se gelast is om de chalets te verwijderen. Zoals eerder aangegeven kan eiser (een deel van de) chalets vergunningvrij plaatsen op het perceel. Gehele verwijdering, verkoop of transport van de chalets is daarom niet per definitie aan de orde. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt verder dat het feit dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene ten laste van wie wordt gehandhaafd, niet maakt dat handhavend optreden daardoor zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het bestuursorgaan daarvan om die reden behoort af te zien.Dat geen sprake is van overlast, maakt ook niet dan het college om die reden van handhaving had behoren af te zien. Dit is namelijk geen bijzondere omstandigheid om van handhavend optreden af te zien. Ook als er geen overlast zou worden ervaren, wat door de derde-partij overigens wordt betwist, is het college in beginsel nog steeds verplicht om handhavend op te treden. Handhavend optreden kan in voorkomende gevallen wel onevenredig zijn bij een overtreding van geringe aard en omvang, maar daar is in dit geval geen sprake van.\n\n8.2.. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet onevenredig is dat het college de uitkomst van het beroep over de aangevraagde omgevingsvergunning bij de rechtbank niet af wil wachten. In die zaak gaat het over een aangevraagde omgevingsvergunning voor de plaatsing van vier chalets op het perceel. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat dit bouwplan volgens het college vergunningvrij is. Eiser heeft op zitting toegelicht dat dit bouwplan in de praktijk niet verwezenlijkt kan worden, omdat het plan betrekking heeft op kleinere chalets dan de chalets die nu aanwezig zijn op het perceel. De voorzieningenrechter is gelet daarop van oordeel dat de uitkomst in die zaak weinig tot geen betekenis heeft voor deze handhavingszaak. Dat bouwplan biedt namelijk geen reële mogelijkheid om de overtreding te beëindigen. Het is dan ook niet onredelijk dat het college de uitkomst in die zaak niet wil afwachten. Daar merkt de voorzieningenrechter nog bij op dat het naar haar oordeel voldoende duidelijk is hoe eiser aan de last kan voldoen; ofwel door de chalets af te breken, of door ze zo te plaatsen dat ze vergunningvrij zijn. Dat zou ook kunnen betekenen dat niet alle vier de chalets kunnen blijven staan, maar dat één of meerdere chalets verwijderd moeten worden. Het college heeft eiser terecht de vrijheid geboden om zelf te bepalen hoe hij aan de last kan voldoen, en dus ook op welke manier hij de chalets vergunningvrij kan plaatsen. Het is niet aan het college om daar alle mogelijke opties voor aan te dragen.\n\n8.3.. \n\nTen slotte overweegt de voorzieningenrechter dat de omstandigheid dat de situatie eerst gedoogd werd, niet maakt dat handhavend optreden onevenredig is. Het college erkent dat destijds is aangegeven dat de situatie tijdelijk gedoogd werd, maar daar is wel uitdrukkelijk bij aangegeven dat dit niet betekent dat het college nooit meer handhavend zou kunnen optreden. Toen er een handhavingsverzoek werd ingediend, was het college gehouden om daarop te beslissen en om uiteindelijk tot handhavend optreden over te gaan. Eiser heeft er niet gerechtvaardigd op kunnen vertrouwen dat het college niet handhavend op zou treden.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de begunstigingstermijn te kort?\n\n9. Eiser voert aan dat de hem geboden begunstigingstermijn van 6 weken te kort is.\n\n9.1.. In het primaire besluit heeft eiser een termijn gekregen tot 11 maart 2026. Vervolgens heeft het college deze termijn verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat het als uitgangspunt heeft genomen dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen en dat de termijn in overeenstemming is met Uitvoerings- en Handhavingsstrategie van het college. Het college heeft dus toegelicht waar de begunstigingstermijn op gebaseerd is. Eiser heeft daarentegen enkel in algemene zin gesteld dat dat de opgelegde begunstigingstermijn van zes weken naar zijn mening niet realistisch is, maar heeft in zijn geheel niet onderbouwd waarom dat zo is. De voorzieningenrechter heeft dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de begunstigingstermijn te kort was.\n\n9.2.. Op dit moment is de begunstigingstermijn al verstreken. De voorzieningenrechter heeft op zitting aangegeven in deze uitspraak met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen en de begunstigingsstermijn (uit coulance) te verlengen, om eiser op die manier nog een mogelijkheid te bieden om aan de last te voldoen zonder dat hij een dwangsom verbeurt. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen tot zes weken na verzending van deze uitspraak.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep beslist, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Zoals onder 9.2 is overwogen, wordt de begunstigingstermijn wel met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb (uit coulance) verlengd tot zes weken na verzending van deze uitspraak.\n\n10.1.. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;\n\n- verlengt bij wijze van voorlopige voorziening de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht tot zes weken na verzending van deze uitspraak.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n ABRvS 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1467 en ABRvS 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:614.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5367","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:38.266Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":30,"updatedAt":39},"1133","ECLI:NL:RBGEL:2026:3432","ecli-nl-rbgel-2026-3432","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8524uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n [eiseres] en [eiser] , uit [plaats] , eisers\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigde: mr. M. Litjens).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een last onder dwangsom aan eisers wegens het zonder vergunning uitvoeren van grondwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van een grotere serre aan hun woning. Eisers zijn het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zicht terecht op het standpunt heeft gesteld dat de werkzaamheden niet omgevingsvergunningvrij zijn en dat eisers ook niet hebben aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig waren, zodat eisers een vergunning nodig hadden. Nu ze daarover niet beschikten was sprake van een overtreding van het facetbestemmingsplan Archeologie 2023 en was het college bevoegd om handhavend op te treden. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat dit handhavend optreden niet onevenredig was. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. In de bijlage bij de uitspraak staat de voor deze uitspraak van belang zijnde wet- en regelgeving.\n\nProcesverloop\n\n2. In het besluit van 8 juli 2024 heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. In de beslissing op bezwaar van 18 oktober 2024 heeft het college het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard en de grondslag van het besluit aangepast.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers met hun gemachtigde en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van de beslissing op bezwaar\n\n3. Eisers wonen op het adres [adres 1] in [plaats] . Eisers willen de bestaande uitbouw (serre) achter hun woning vervangen en uitbreiden. Ze hebben in februari 2023 laten beoordelen of er voor dat bouwplan een omgevingsvergunning nodig was. Uit de vergunningscheck op [website 1] bleek dat op dat moment niet het geval.\n\n3.1.. Eisers hebben op 17 mei 2024 een melding gedaan bij de gemeente voor de sloop van de bestaande uitbouw. Op 13 juni 2024 heeft de gemeente akkoord gegeven. Vervolgens is de aannemer van eisers aan het werk gegaan. Daarbij heeft de aannemer ook graafwerkzaamheden uitgevoerd. Op donderdag 4 juli 2024 is door de toezichthouder van de gemeente Nijmegen aan eisers telefonisch te kennen gegeven dat de grondwerkzaamheden met onmiddellijke ingang dienden te worden gestaakt en gestaakt te blijven op last van een dwangsom, in verband met een overtreding van het op 29 november 2023 in werking getreden bestemmingsplan “Facetbestemmingsplan Archeologie 2023” (verder: facetbestemmingsplan). In het besluit van 8 juli 2024 heeft het college de opgelegde last onder dwangsom schriftelijk bevestigd. In het besluit is aangegeven dat sprake was van een overtreding van artikel 3.1 van het facetbestemmingsplan omdat er grondwerkzaamheden zijn uitgevoerd zonder omgevingsvergunning.\n\n3.2.. In de beslissing op bezwaar heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten. Wel heeft het college de wettelijke grondslag gewijzigd. Aangegeven is dat de last niet op artikel 3.1 van het facetbestemmingsplan had moeten worden gebaseerd maar op artikel 3.4.1 van het facetbestemmingsplan, gelezen in combinatie met artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet, waar staat dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.\n\n3.3.. Tijdens de zitting bij de rechtbank hebben eisers aangegeven dat zij in november 2024 een omgevingsvergunning hebben aangevraagd voor de uitbouw en dat deze omgevingsvergunning eind december 2024 is verleend. Vervolgens is de verbouwing op 22 mei 2025 gestart en is de verbouwing aan het eind van 2025 afgerond. Eiser hebben dus uiteindelijk de uitbouw kunnen realiseren, met een aanpassing van het bouwplan. Zij hebben echter nog wel een belang bij het beroep omdat zij van mening zijn dat het college ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd en van hen heeft verlangd een omgevingsvergunning aan te vragen. Volgens eisers kon het oorspronkelijke bouwplan zonder omgevingsvergunning worden gerealiseerd. Zij geven aan dat de procedure hen veel tijd en geld heeft gekost. Eiser vragen daarom een schadevergoeding van ongeveer € 76.000.\n\nToetsingskader\n\n4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Daarmee kreeg elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Voor het perceel van eisers zijn de bestemmingsplannen “ Nijmegen -Oost” en “Facetbestemmingsplan Archeologie 2023” van toepassing. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan. Gemeenten hebben tot eind 2031 de tijd om deze tijdelijke delen om te zetten in hun omgevingsplan. Tijdens de periode tot 2031 kan het zo zijn dat voor dezelfde situatie artikelen van toepassing zijn uit zowel de bruidsschat als de bestemmingsplannen. Daarom is in de bruidsschat, in artikel 22.1 van het omgevingsplan, een voorrangsbepaling opgenomen waaruit volgt welk artikel in zo’n situatie van toepassing is.\n\n4.1.. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meer een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.\n\n4.2.. Op het perceel geldt op grond van het bestemmingsplan “ Nijmegen Oost” aan de achterzijde van de woning de bestemming “Wonen” en op grond van het “Facetbestemmingsplan archeologie 2023” de bestemming “Waarde-Archeologie 1”.\n\n5. Het college stelt zich op het standpunt dat uit het facetbestemmingsplan volgt dat het verboden is om zonder vergunning grondwerkzaamheden te verrichten op gronden met de bestemming “Waarde-Archeologie 1”, tenzij op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Volgens het college is niet aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn, terwijl er evenmin een vergunning is verleend, zodat sprake is van een overtreding. Het college heeft ook geen aanleiding gezien om van handhavend optreden af te zien.\n\nIs sprake van een overtreding?\n\n6. Eisers betogen dat geen sprake is van een overtreding. Ten eerste voeren zij daartoe aan dat het facetbestemmingsplan niet op hen van toepassing is omdat zij bij de voorbereiding van de gewenste werkzaamheden in 2023 al hebben geconstateerd dat volgens de vergunningscheck op [website 1] voor de werkzaamheden geen omgevingsvergunning nodig was. Daarbij vallen de werkzaamheden ook onder het overgangsrecht van het nadien vastgestelde facetbestemmingsplan. Voor zover de werkzaamheden wel onder de werking van het nieuwe facetbestemmingsplan zouden vallen betogen eisers dat de bouw niet in strijd is met dat bestemmingsplan en dat het bouwen van de serre sowieso omgevingsvergunningvrij is op grond van de bruidsschat van het omgevingsplan.\n\nKunnen eisers rechten ontlenen aan een vergunningcheck in februari 2023?\n\n7. Eisers stellen dat zij in februari 2023 aan de hand van een vergunningcheck hebben vastgesteld dat geen omgevingsvergunning nodig was voor het bouwplan. Eisers vinden dat het toen geldende planologische kader nog steeds op hen van toepassing is, zeker nu het college hen ten onrechte niet op de hoogte heeft gesteld van de inwerkingtreding van het facetbestemmingsplan in november van dat jaar. Daarbij doen zij ook een beroep op het overgangsrecht van het facetbestemmingsplan.\n\n7.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Nog daargelaten of een vergunningcheck op [website 1] kan leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen dat inderdaad geen vergunning nodig is, zegt een check alleen iets over de situatie op dat moment. Als later nieuwe regels worden vastgesteld kan aan zo’n check dus geen waarde meer worden gehecht. Toen eisers ruim een jaar later, ná de inwerkingtreding van het facetbestemmingsplan in november 2023, begonnen met de grondwerkzaamheden konden zij dus niet meer afgaan op die eerdere check. Het betoog van eisers dat het college hen op de hoogte had moeten stellen van de vaststelling van het facetbestemmingsplan maakt dat ook niet anders. Niet gebleken is dat de gemeenteraad van de gemeente Nijmegen het facetbestemmingsplan op onjuiste wijze bekend heeft gemaakt. Het is niet gebruikelijk dat een nieuw bestemmingsplan aan elke betrokken inwoner van de gemeente persoonlijk wordt toegezonden. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van burgers om in de gaten te houden welke wet- en regelgeving van toepassing is op hun perceel.\n\n7.2.. De werkzaamheden vallen evenmin onder het overgangsrecht van het facetbestemmingsplan. In artikel 12.1.1. van de planvoorschriften staat dat een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, onder het overgangsrecht valt. De bouw van de nieuwe serre valt niet onder een van deze voorwaarden, omdat het op 29 november 2023 nog niet gebouwd of in uitvoering was en er evenmin een vergunning voor was verleend. Een enkele gestelde check op internet valt namelijk niet gelijk te stellen met een verkregen omgevingsvergunning. Evenmin kan worden gesteld dat de werkzaamheden toen al in uitvoering waren. Het overgangsrecht is dus niet van toepassing. De verwijzing van eisers naar artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet slaagt evenmin. Dit overgangsrecht ziet ook op bouwwerkzaamheden die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren gestart.\n\n7.3.. Het voorgaande betekent dat deze zaak moet worden beoordeeld aan de hand van het facetbestemmingsplan en de overige regels in het omgevingsplan.\n\nZijn de werkzaamheden omgevingsvergunningvrij?\n\n8. De rechtbank stelt vast dat het facetbestemmingsplan voor zover van belang twee verbodsbepalingen bevat. Artikel 3.2.1. van de planvoorschriften bepaalt dat op gronden met ‘Waarde - Archeologie 1’, zoals het perceel van eisers, niet mag worden gebouwd, met dien verstande dat (delen van) een bouwwerk dat geen bodemingreep met zich meebrengt, zijn toegestaan. Op grond van artikel 3.3.1. van het facetbestemmingsplan kan een vergunning worden verleend om van artikel 3.2.1. af te wijken. Een omgevingsvergunning kan worden verleend als op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Artikel 3.4.1. van de planvoorschriften bepaalt dat het verboden is op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren, waartoe onder meer worden gerekend het afgraven, woelen of mengen van gronden, alsmede het aanleggen van drainage en het verwijderen van bestaande funderingen. Artikel 3.4.2. bepaalt dat dit verbod niet van toepassing is als op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.\n\n8.1.. Niet in geschil is dat ten behoeve van de bouw van de serre grondwerkzaamheden hebben plaatsgevonden waarbij een andere en grotere fundering werd aangebracht dan die van de oorspronkelijke serre, zodat sprake is van strijd met deze verbodsbepalingen. In het bestreden besluit is het college ingegaan op zowel de strijd met artikel 3.2.1. als met artikel 3.4.1 van de planregels. Zoals op de zitting toegelicht heeft het college uiteindelijk de bepaling van artikel 3.4.1 van de planregels tegengeworpen om duidelijk te maken dat het verbod ziet op de grondwerkzaamheden, niet het bovengronds bouwen van de serre. Het college heeft in dat kader in het bestreden besluit verwezen naar de toelichting bij het facetbestemmingsplan, met een verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling.\n\n8.2.. Eisers hebben geen punt gemaakt van de vraag welke van de twee verbodsbepalingen gehanteerd moet worden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om daar verder op in te gaan omdat het duidelijk is dat ofwel beide verbodsbepalingen, ofwel één van die bepalingen van toepassing is en de gronden die eisers aanvoeren in gelijke mate van toepassing zijn op beide verbodsbepalingen. Eisers voeren namelijk aan dat aan de verbodsbepalingen van het facetbestemmingsplan geen waarde toekomt omdat het bouwplan en de grondwerkzaamheden op grond van de bruidsschat van het omgevingsplan vergunningvrij zijn. Op grond van artikel 22.22 van het omgevingsplan, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold,is sprake van een vrijstelling van archeologisch onderzoek omdat de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. Volgens eisers gaat dit artikel voor op de bepalingen in het facetbestemmingsplan. Eisers wijzen verder op artikel 22.27, artikel 22.28, vierde lid, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold,en artikel 22.36 van het omgevingsplan. Op grond van die bepalingen is het bouwplan, waaronder ook de daarbij behorende grondwerkzaamheden, omgevingsvergunningvrij. Ook deze bepalingen gaan voor op het facetbestemmingsplan zodat het bouwplan zonder omgevingsvergunning mag worden gerealiseerd, ongeacht wat er in het facetbestemmingsplan is opgenomen.\n\n8.3.. Dit betoog slaagt niet. In artikel 22.22 van het omgevingsplan is kort samengevat bepaald dat regels over het verrichten van archeologisch onderzoek voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, niet van toepassing zijn als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2, of een afwijkende andere oppervlakte als die in het bestemmingsplan is opgenomen. Ten eerste volgt uit het facetbestemmingsplan dat bij de bestemming “Waarde - Archeologie 1” voor alle activiteiten waarbij sprake is van een bodemingreep, hoe beperkt ook, een omgevingsvergunning nodig is. Dit is anders bij de bestemmingen “Waarde - Archeologie 2” en “Waarde - Archeologie 3” waar wel een aantal m2 is opgenomen waarbinnen geen omgevingsvergunning nodig is. In de zin van artikel 22.22 van het omgevingsplan geldt binnen de bestemming “Waarde – Archeologie 1” dus een afwijkende oppervlakte, namelijk 0 m2, zodat geen sprake is van strijd met dit artikel. Ten tweede is van belang dat als wél sprake zou zijn van strijd met artikel 22.22 van het omgevingsplan, sprake zou zijn van strijd tussen die bepaling en de bepalingen in het facetbestemmingsplan. Op dat moment wordt de voorrangsbepaling in artikel 22.1, eerste lid van het omgevingsplan van belang.In die voorrangsbepaling staat kort samengevat dat als de regels van de bruidsschat in strijd zijn met het facetbestemmingsplan, de regels van het facetbestemmingsplan in de meeste gevallen voorgaan. Artikel 22.22 valt onder deze hoofdregel, zodat in dit geval de verbodsbepalingen van het facetbestemmingsplan voorrang krijgen en blijven gelden. In zoverre is dus geen sprake van omgevingsvergunningvrije activiteiten.\n\n8.4.. Ditzelfde geldt voor artikel 22.27 van het omgevingsplan, waarin criteria zijn opgenomen wanneer een bijbehorend bouwwerk zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd. Ook voor artikel 22.27 geldt de hoofdregel dat bij strijdigheid het facetbestemmingsplan voorgaat. Artikel 22.27 doet daarom dus al niet af aan de tegengeworpen verbodsbepaling. Daarbij heeft het college er ook terecht op gewezen dat in artikel 22.28, vierde lid, van het omgevingsplan een uitzondering is opgenomen op het omgevingsvergunningvrije bouwen. Daarin is bepaald dat artikel 22.27 niet van toepassing is als in het tijdelijke deel van het omgevingsplan regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 van het omgevingsplan, tenzij, onder meer, dat tijdelijke deel een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Uit de toelichting bij deze bepaling volgt dat bedoeld is dat een eventuele vrijstelling voor een vergunning om te bouwen, een bestaande vergunningplicht voor de grondwerkzaamheden wegens archeologische onderzoek, onverlet laat. De toelichting bij de bruidsschat verwijst daarbij naar de hiervoor al aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014. Het college heeft dan ook terecht overwogen dat uit (deze toelichting bij) de bruidsschat volgt dat de grondwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van de serre sowieso niet onder de werking van artikel 22.27 van het omgevingsplan vallen.\n\n8.5.. Nu de grondwerkzaamheden niet onder vrijstelling van artikel 22.27 van het omgevingsplan vallen, vallen ze evenmin onder de werking van artikel 22.36 van het omgevingsplan. Dat artikel ziet namelijk op de in artikel 22.27 van het omgevingsplan bedoelde gevallen. Nu artikel 22.27 niet op de grondwerkzaamheden ziet, slaagt het beroep op artikel 22.36 ook niet.\n\n8.6.. Het voorgaande betekent dat de grondwerkzaamheden niet vergunningvrij zijn op grond van de bepalingen van het omgevingsplan.\n\nHebben eisers aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn?\n\n9. Vervolgens hebben eisers betoogd dat het verbod om de grondwerkzaamheden uit te voeren in hun geval niet geldt, omdat zij hebben aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn en deze waarden dus ook niet onevenredig kunnen worden geschaad.\n\n9.1.. Ook dit betoog faalt. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers ten tijde van het opleggen van de last geen archeologisch onderzoek of andere stukken hadden overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat dat er geen archeologische waarden meer aanwezig waren. Zij hebben er nadien wel op gewezen dat de betrokken gronden bij de bouw in 1914 en bij de bouw van de serre in 1994 flink zijn geroerd. Vast staat echter dat het bouwplan een uitbreiding van de serre omvat zodat uit die eerdere werkzaamheden niet volgt dat ook op de plaats van de uitbreiding geen archeologische waarden meer aanwezig zijn.9.2.. Verder betogen eisers dat in 2017 archeologisch onderzoekis gedaan en dat toen is geconstateerd dat ter plaatse sprake is van een verstoorde en gewoelde grond. Eisers geven echter zelf al aan dat het onderzoek uit 2017 ziet op de voorzijde van de woning. Het is niet in geschil dat juist de achterzijde van het perceel boven een voormalige Romeinse gracht ligt, zodat de situatie daar weer anders kan zijn dan aan de voorzijde van het perceel. Daarbij heeft het college er terecht op gewezen dat, juist omdat het gaat om een archeologisch bijzonder gebied, de bevindingen op elk perceel weer anders kunnen zijn. Daarom zeggen bevindingen op andere locaties in de omgeving niet zonder meer iets over de situatie ter plaatse van de uitbreiding van de serre.\n\n9.3.. \n\nNa het opleggen van de last hebben eisers een archeoloog van [naam bedrijf] B.V. opdracht gegeven onderzoek te verrichten. Deze heeft op 1 augustus 2024 een programma van eisen opgesteld, waarna het [naam bureau] grondboringen heeft verricht en op 5 november 2024 een advies heeft opgesteld. Daarin is geconcludeerd dat de bodem ter hoogte van de meeste boringen tot grote diepte was verstoord, maar dat op twee punten op 95 cm onder maainiveau onverstoorde zandafzettingen aanwezig waren met daarin een donker spoor dat betreft ligging en oriëntatie overeenkomt met een van de spitsgrachten van het Romeinse legioensfort. Geadviseerd wordt om een zandlaag van 30 cm boven het spoor van de spitsgracht in acht te nemen.\n\nEisers hebben het onderzoek van [naam bedrijf] bekritiseerd en ook het advies van [naam bureau]. Zij hebben daartoe onder meer een rapport van hun architect, [naam architect] van september 2024 overgelegd. Wel hebben ze hun bouwplan zodanig aangepast dat een zandlaag van 30 cm boven de spitsgracht in acht werd gehouden.\n\n9.4.. De rechtbank stelt voorop dat deze onderzoeken dateren van na de last, het advies van [naam bureau] zelfs van na de beslissing op bezwaar. Daarnaast volgt uit het advies van [naam bedrijf] dat nader onderzoek plaats moet vinden en komt uit dat nader onderzoek door [naam bureau] naar voren dat het bouwplan enigszins aangepast moet worden om de nog aanwezige sporen van de Romeinse gracht te beschermen. Eisers betwisten deze rapporten wel en ook de noodzaak van het behouden van een zandlaag van 30 cm, maar daarmee hebben zij nog niet aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.\n\n9.5.. Het voorgaande betekent dat eisers niet hebben aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Nu zij ten tijde van het opleggen van de last en ook ten tijde van de beslissing op bezwaar evenmin een vergunning hadden voor de grondwerkzaamheden, was sprake van een overtreding van de bepalingen van het facetbestemmingsplan.\n\nIs sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien?\n\n10. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, moet in geval van een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik maken. Handhavend optreden is alleen onevenredig, als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.\n\n10.1.. Eisers voeren aan dat sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en wijzen op het vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Eisers vinden het belang van archeologisch onderzoek van een klein stukje grond dat volgens hen zeker verstoord is (gelet op eerdere onderzoeken) niet in verhouding staan tot het dwingen van burgers om maandenlang in een gesloopt huis zonder achtergevel te bivakkeren.\n\nIs handhaving evenredig?\n\n11. De rechtbank stelt vast dat het college heeft gehandeld overeenkomstig het facetbestemmingsplan. De kritiek van eisers komt er voor een groot deel ook op neer dat zij vinden dat het facetbestemmingsplan te streng is, omdat nu voor alle activiteiten waarbij grondwerkzaamheden nodig zijn, een omgevingsvergunning nodig is. Ook als de (bouw)activiteiten op minder dan 50 m2 zien.\n\n11.1.. Als eisers het niet eens waren met het facetbestemmingsplan, hadden zij rechtsmiddelen moeten indienen tegen de vaststelling van het facetbestemmingsplan. Die mogelijkheid hebben zij ook gehad. Het facetbestemmingsplan is nu echter onherroepelijk en de inhoud van het facetbestemmingsplan kan daarom niet aan de orde komen.\n\n11.2.. Uit dat facetbestemmingsplan volgt dat onderzoek plaats moest vinden. Als het college daarop niet zou handhaven dan zou dit facetbestemmingsplan een lege huls zijn. Daarmee is geen sprake van een relatief gering belang van de gemeente, dat niet zou opwegen tegen gevolgen voor eisers. Dat in het geval van eisers niet alleen dat onderzoek nodig was, maar dat het ook heeft geleid tot vertraging van de bouw en stress, maakt dat niet anders. Dat is immers niet het gevolg van de plicht om het onderzoek te verrichten, maar van het feit dat eisers dat niet vóór de werkzaamheden hadden gedaan. Zoals hiervoor overwogen mocht het college van eisers verwachten dat zij op de hoogte waren van (wijzigingen in) de regels die voor hun perceel gelden. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de handelswijze van het college niet onevenredig is. Om diezelfde redenen kan het betoog van eisers dat een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden, evenmin slagen.\n\nIs sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel?\n\n12. Voor zover eisers aanvoeren dat de opgelegde last onder dwangsom in strijd is met het gelijkheidsbeginsel volgt de rechtbank dat niet. Volgens eisers hebben de bewoners van het pand [adres 2] in [plaats] op 16 februari 2024 een brief gekregen van het college waarin staat dat eenzelfde soort verbouwing (vervanging en uitbreiding van een aanbouw buiten de bestaande fundering) zonder omgevingsvergunning is toegestaan. Het college heeft aangegeven dat bij [adres 2] een fout is gemaakt omdat het college een verkeerde uitleg van de Omgevingswet had gevolgd. Het college wil deze fout niet herhalen. Ook is aangegeven dat het college de gemaakte fout zal herstellen door te beoordelen of er voor die situatie alsnog een omgevingsvergunning verleend kan worden. De rechtbank is het met het college eens dat daarom geen sprake is van een gelijk geval waar een dergelijke uitbouw wel is toegestaan zonder omgevingsvergunning.\n\nIs sprake van schending van vertrouwensbeginsel door de acceptatie van de sloopmelding?\n\n13. Eisers voeren verder aan dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel omdat het college akkoord heeft gegeven op de melding voor de sloopwerkzaamheden. Het moet voor het college toen bekend zijn geweest dat onderdeel van de sloopwerkzaamheden het uitgraven van de fundering was. Dit betekent dat het college impliciet een omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouwwerkzaamheden.\n\n13.1.. Ook dit betoog faalt. Als eerste geldt voor de sloopmelding een ander toetsingskader, afdeling 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. De grondwerkzaamheden waarvoor de last is opgelegd betreffen daarnaast een groter oppervlak dan alleen de bestaande serre, zodat ook in zoverre de sloopmelding geen vertrouwen kon opleveren dat alle grondwerkzaamheden akkoord waren.\n\n14. Eisers voeren ook aan dat er tijdens de procedure veel onduidelijkheid is geweest in de communicatie van de gemeente. Telkens werden door ambtenaren, juristen en andere vertegenwoordigers van de gemeente over de bepalingen uit het facetbestemmingsplan andere interpretaties gegeven en andere verwachtingen gewekt. De adviseur rechtsbescherming heeft volgens eisers aan hen medegedeeld dat de afdeling juridische zaken aan de handhavingsambtenaar zou adviseren om de last onder dwangsom in te trekken omdat het bouwplan zonder omgevingsvergunning zou kunnen worden gerealiseerd. Later bleek dit niet zo te zijn. Daarnaast wijzen eisers erop dat in de beslissing op bezwaar de grondslag van de last onder dwangsom is gewijzigd.\n\n14.1.. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat er bij de gemeente onduidelijkheid bestond over de toepassing van het omgevingsplan en het facetbestemmingsplan. Dit is ook naar eisers toe geuit. Eisers hebben daarom langere tijd in onzekerheid verkeerd over hun situatie. De rechtbank merkt daarbij wel op dat deze onduidelijkheid niet zozeer was gelegen in het facetbestemmingsplan. Dat schrijft duidelijk voor dat bij deze bestemming voor alle grondwerkzaamheden, al dan niet in combinatie met bouwactiviteiten, archeologisch onderzoek nodig is. De onduidelijkheid zag op de vraag of dit door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan door de bruidsschat opzij werd gezet. Dat ook binnen de gemeente over die landelijke regelgeving onduidelijkheid bestond, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat de adviseur rechtsbescherming zou hebben aangegeven dat geadviseerd is om de last onder dwangsom in te trekken kan niet worden aangemerkt dat als een ondubbelzinnige toezegging van een daartoe bevoegde ambtenaar dat zonder omgevingsvergunning gebouwd mocht worden. Daarbij wijst de rechtbank erop dat een wijziging van de grondslag van een last onder dwangsom in de beslissing op bezwaar mogelijk is omdat de bezwaarschriftenprocedure een algehele heroverweging van het primaire besluit inhoudt.In de bezwaarschriftenprocedure kunnen daarom gemaakte fouten worden hersteld. Het college heeft weliswaar een andere grondslag aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd, dit maakt de gevolgen van het primaire besluit niet anders.\n\nZorgvuldigheidsbeginsel\n\n15. Voor zover eisers aanvoeren dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat zij bij de oplegging van de last onder dwangsom niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze tegen dit besluit kenbaar te maken volgt de rechtbank dat niet. Er was sprake van een spoedeisende situatie waarbij de werkzaamheden direct stil moesten worden gelegd om mogelijke schade aan archeologische waarden te voorkomen. In geval van een spoedeisende situatie kan op grond van artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het vragen van een zienswijze achterwege worden gelaten. Daarnaast blijkt uit de last onder dwangsom dat eisers door de toezichthouder van de gemeente Nijmegen telefonisch in de gelegenheid zijn gesteld om een zienswijze te geven.\n\n16. Gelet op voorgaande oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en dat er voor het college geen grond was om af te zien van handhaving.\n\nConclusie en gevolgen\n\n17. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Om die reden is er ook geen aanleiding om het college te veroordelen in door eisers gemaakte en te maken kosten voor archeologisch onderzoek, extra kosten als gevolg van de vertraging van de bouw en de aanpassingen aan het bouwplan, of proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid\n\nvan mr. M.H. Dijkman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage\n\nInvoeringswet Omgevingswet\n\nArtikel 4.6.\n\n1. Als deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, gelden:\n\n(...)\n\ng. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening,\n\n(...)\n\nArtikel 4.14\n\nAls een activiteit voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van die wet voor die activiteit een verbod als bedoeld in artikel 5.1, 5.3 of 5.4 van de Omgevingswet van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die wet een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die wet. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor daarbij aangegeven activiteiten worden bepaald dat:\n\na. een omgevingsvergunning van rechtswege geldt voor een andere daarbij aangegeven termijn,\n\nb. aan de geldigheid van een omgevingsvergunning van rechtswege geen termijn is verbonden.\n\nOmgevingsplan Nijmegen\n\nArtikel 22.1. Voorrangsbepaling\n\n1. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.\n\n(...)\n\nArtikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek\n\n1. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.\n\n2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.\n\nArtikel 22.26\n\nHet is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.\n\nArtikel 22.27\n\nHet verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:\n\na. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:\n\n1. op de grond staand;\n\n2. gelegen in achtererfgebied;\n\n3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;\n\n4. niet hoger dan 5 m;\n\n5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en\n\n6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;\n\n(...)\n\nArtikel 22.28\n\n(...)\n\n4. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:\n\na. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of\n\nb. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.\n\nArtikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan\n\nOnverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:\n\na. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:\n\n1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:\n\ni. 5 m;\n\nii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en\n\niii. het hoofdgebouw;\n\n(...)\n\nFacetbestemmingsplan Archeologie 2023\n\nArtikel 3 Waarde - Archeologie 13.1. \n\nBestemmingsomschrijving\n\nDe voor Waarde - Archeologie 1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.\n\n3.2. Bouwregels3.2.1. \n\nAlgemene bouwregels\n\nOp deze gronden mag niet worden gebouwd, met dien verstande dat (delen van) een bouwwerk dat geen bodemingreep met zich meebrengt, zijn toegestaan.\n\n3.3. Afwijken van de bouwregels3.3.1. \n\nAfwijkingsbevoegdheid\n\nHet bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.1 voor bouwwerken ten behoeve van deze dubbelbestemming en van de overige voor deze gronden geldende bestemmingen.\n\n3.3.2. \n\nToelaatbaarheid\n\nEen omgevingsvergunning kan worden verleend indien op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.\n\n3.3.3. \n\nAdviesprocedure voor afwijkingen\n\nAlvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.3.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast en welke voorschriften, ter bescherming van de archeologische waarden, aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden zoals:\n\nde verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals: alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;\n\ntot het doen van een opgraving in de zin van artikel 1.1 lid c Erfgoedwet;\n\nhet begeleiden van de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend door een daarvoor aangewezen archeologisch deskundige;\n\nhet doen van nader archeologisch onderzoek.\n\n3.4. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden\n\n3.4.1. \n\nWerken en werkzaamheden\n\nHet is verboden op of in de in lid 3.1 bedoelde grond zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren:\n\ngrondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en het verwijderen van bestaande funderingen;\n\nhet ophogen van de bodem met meer dan 1 meter;\n\nhet tot stand brengen en\u002Fof in exploitatie brengen van boor-en pompputten;\n\nhet aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen,\n\nhet uitvoeren van heiwerkzaamheden en\u002Fof het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;\n\nhet verlagen van het grondwaterpeil, buiten de bandbreedte van de natuurlijke fluctuatie;\n\nhet aanleggen of rooien van houtopstand(en) waarbij stobben worden verwijderd;\n\net omzetten van grasland in bouwland;\n\nhet aanleggen van nieuwe ondergrondse transport-, energie-,of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.\n\n3.4.2. \n\nUitzonderingen\n\nHet in lid 3.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden indien aan een van onderstaande voorwaarden wordt voldaan:\n\nop basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;\n\nde werken en werkzaamheden:\n\n1. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;\n\n2. reeds als bestaand gebruik in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;\n\n3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;\n\n4. het archeologisch onderzoek betreffen.\n\n3.4.3. \n\nToelaatbaarheid\n\nDe werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.4.1 zijn slechts toelaatbaar voor zover op grond van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.\n\n3.4.4. \n\nAdviesprocedure voor omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden\n\nAlvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast en welke voorschriften, ter bescherming van de archeologische waarden, aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.\n\n12.1. Overgangsrecht bouwwerken12.1.1. \n\nAlgemeen\n\nEen bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,\n\na. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;\n\nb. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.\n\n Uitspraak van 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2066\n\n Artikel 22.22 van het omgevingsplan van de gemeente Nijmegen is per 13 april 2026 geschrapt.\n\n Artikel 22.28 is per 13 april 2026 van het omgevingsplan van de gemeente Nijmegen is per 13 april 2026 gewijzigd.\n\n In artikel 22.1, eerste lid van het Omgevingsplan staat: “De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.” Dit betekent dat een bestemmingsplan in zo’n geval voorgaat op de artikelen 22.4 t\u002Fm 22.35 en de artikelen 22.41 t\u002Fm 22.270 als deze in strijd zijn met het Omgevingsplan. Dit geldt niet voor de artikelen 22.36 t\u002Fm 22.40.\n\n [website 2]\n\n Zie artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3432","2026-04-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.865Z",1,20]