[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-social-welfare-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":53},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},33,"social-welfare-law-nl","Social Welfare Law","NL","2026-07-08T16:53:14.246Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2025-11-07T00:00:00.000Z","2026-07-02T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123101","Pensioenwet","art. 16",1,[27,38,45],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"650","ECLI:NL:RBGEL:2026:5207","ecli-nl-rbgel-2026-5207","","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F6306uitspraak van de enkelvoudige kamer\n\nin de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: J.J. Timmermans),\n\nen\n\nhet CAK\n\n(gemachtigde: mr. S.J.Y Römer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de aan eiseres verleende zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiseres is het niet eens de ingangsdatum waar het CAK van uitgaat. Zij heeft beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CAK uit heeft mogen gaan van de zorggegevens, die door het zorgkantoor zijn doorgegeven. Het beroep is daarom ongegrond en eiseres krijgt daarom geen gelijk. Dit betekent dat de zorggegevens en de eigen bijdrage niet veranderen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de factuur van het CAK waarbij een eigen bijdrage in rekening is gebracht voor zorg die aan eiseres is verleend op grond van de Wlz. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft het CAK de zorggegevens gecontroleerd. Met het besluit 16 april 2024 heeft het CAK besloten de zorggegevens niet aan te passen. Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het CAK bij dat besluit gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het CAK heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CAK.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3. Eiseres is op 15 december 2023 opgenomen in het [herstelcentrum] te [vestigingsplaats 1] (het Herstelcentrum). Op 18 december 2023 is voor eiseres zorg op grond van de Wlz aangevraagd. Met het indicatiebesluit van 22 december 2023 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) bepaald dat eiseres per 15 december 2023 recht heeft op zorg op grond van de Wlz. Op 23 januari 2024 is eiseres overgebracht naar woonzorglocatie [woonzorglocatie] in [vestigingsplaats 2] ( [woonzorglocatie] ).\n\n4. Met het besluit van 2 februari 2024 heeft het CAK de (lage) eigen bijdrage van eiseres voor zorg in de vorm van een Wlz-verblijf voor de periode van 15 december 2023 tot en met 31 december 2023 vastgesteld op € 500,74 per (hele) maand. Daarnaast is de (lage) eigen bijdrage voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 22 januari 2024 vastgesteld op € 718,56. Vanaf 23 januari 2024 heeft eiseres zorg in de vorm van een volledig pakket thuis (vpt) ontvangen.\n\nTotstandkoming van het (bestreden) besluit\n\n5. Met het besluit van 16 april 2024 heeft het CAK besloten de zorggegevens niet aan te passen. Het CAK krijgt de zorggegevens van het zorgkantoor. Dat heeft aan het CAK doorgegeven dat er vanaf 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 sprake is van een verblijf in een zorginstelling. Vanaf 23 januari 2024 is sprake van een vpt.\n\nHet zorgkantoor heeft desgevraagd de zorggegevens gecontroleerd. Het zorgkantoor heeft op zijn beurt contact op genomen met de zorgaanbieder, die heeft bevestigd dat vanaf 15 december 2023 zorg is verleend op grond van de Wlz. Het CAK kan daarom de gegevens niet aanpassen in zijn administratie. Eiseres is dus vanaf 15 december 2023 een eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wlz verschuldigd.\n\n5.1.. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\nHeeft eiseres in de periode van 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 Wlz-zorg ontvangen en is zij (daarom) vanaf die datum een eigen bijdrage onder de Wlz verschuldigd?\n\n6. In geschil is of eiseres in de periode 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 zorg op grond van de Wlz heeft ontvangen en zij (daarom) een eigen bijdrage op grond van die wet is verschuldigd.\n\n6.1.. Eiseres heeft – kort gezegd – aangevoerd dat zij (pas) vanaf 23 januari 2024 Wlz-zorg heeft ontvangen. Het verblijf in het Herstelcentrum van 15 december 2023 tot en met 22 januari was op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw), zodat zij in die periode geen eigen bijdrage verschuldigd is in het kader van de Wlz.\n\n6.2.. Het CAK heeft – kort gezegd – aangevoerd dat het vaste rechtspraak is dat zij in beginsel uit mag gaan van de zorggegevens die het zorgkantoor heeft verstrekt over de geleverde zorg, tenzij uit een gemotiveerde betwisting blijkt dat de gegevens kennelijk onjuist zijn. Eiseres heeft geen bewijsstukken aangeleverd, waaruit volgt dat de gegevens van het zorgkantoor kennelijk fout zijn.\n\n6.3.. De rechtbank oordeelt als volgt.\n\n6.4.. De wetgever heeft van belang geacht dat er een duidelijke afbakening tussen de Wlz en de Zvw is, om te voorkomen dat bepaalde zorg voor één persoon dubbel gedekt is. Daarom zijn in de Wlz en (artikel 2.1 van) het Besluit zorgverzekering (Bzv) voorrangsregels vastgelegd. De hoofdregel is dat voor zover iemand op grond van de Wlz recht heeft op bepaalde zorg, dat recht niet ook bestaat op grond van de Zvw. De Wlz is daarmee voorliggend op de Zvw. Deze bedoeling van de wetgever blijkt uit de memorie van toelichting.\n\n6.5.. Het CAK mag op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij de vaststelling van de eigen bijdrage in beginsel uitgaan van de door het zorgkantoor verstrekte gegevens.Als eiseres echter gemotiveerd stelt dat sprake is van een kennelijke fout van het zorgkantoor, dan ligt het op de weg van het CAK om vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid te onderzoeken of het zorgkantoor op goede gronden heeft geconcludeerd dat betrokkene zorg heeft ontvangen onder de Wlz. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat sprake is van een kennelijke fout van het zorgkantoor. De enkele verwijzing naar eerder verkeerd door het zorgkantoor genoteerde gegevens is daartoe onvoldoende. Uit het indicatiebesluit volgt dat eiseres met ingang van 15 december 2023 recht heeft op zorg op grond van de Wlz. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit artikel 2.1 van het Bzv dat voor zover iemand op grond van de Wlz recht heeft op bepaalde zorg, dat recht niet ook bestaat op grond van de Zvw. Tijdens de zitting is door de gemachtigde van eiseres nog benadrukt dat eiseres in het Herstelcentrum was opgenomen om te herstellen, dat daarom sprake was van een tijdelijke situatie en dat de Wlz dan niet van toepassing is. Deze redenering wordt door de rechtbank niet gevolgd. Gelet op het indicatiebesluit moet ervan uitgegaan worden dat eiseres vanaf 15 december 2023 zorg op grond van de Wlz heeft ontvangen. Indien eiseres het niet eens was geweest met de ingangsdatum van het indicatiebesluit had zij daartegen bezwaar moeten maken. De beroepsgronden slagen niet.\n\n6.6.. Uit het voorgaande volgt dat eiseres vanaf 15 december 2023 een eigen bijdrage op grond van de Wlz is verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat het CAK terecht de zorggegevens niet heeft aangepast. Een gevolg daarvan is dat eiseres in de periode van 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 een eigen bijdrage verschuldigd is op grond van de Wlz. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Er bestaat ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Kamerstukken II 2013-2014, 33891, nr. 3, blz. 73.\n\n Zie de uitspraken van het CRvB van 29 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1869 en 26 februari 2020,\n\nECLI:NL:CRVB:2020:455.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5207","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.265Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":44},"651","ECLI:NL:RBGEL:2026:5194","ecli-nl-rbgel-2026-5194","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F7054uitspraak van de enkelvoudige kamer\n\nin de zaak tussen\n [eiseres], uit [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.I. Bal),\n\nen\n\nVGZ Zorgkantoor B.V., het zorgkantoor\n\n(gemachtigde: mr. A. Gohari).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een pgb. Het zorgkantoor heeft deze aanvraag met het besluit van 2 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 september 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het zorgkantoor.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3. Eiseres heeft in oktober 2015 een herseninfarct gehad. Aan eiseres is een pgb op grond van de Wlz toegekend. Met de beëindigingsbeschikking 24 april 2017 is dit pgb per 1 mei 2017 beëindigd, omdat er geen gewaarborgde hulp was. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Ook heeft eiseres een nieuwe aanvraag ingediend voor een pgb op grond van de Wlz. Die aanvraag is afgewezen met het besluit van 26 juli 2017. Eiseres heeft (ook) bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het besluit op bezwaar van 17 oktober 2017 is het bezwaar tegen het beëindigingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard en tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard.\n\n3.1.. Eiseres heeft op 30 maart 2023 opnieuw een pgb aangevraagd. Met het besluit van 19 mei 2023 is de aanvraag van eiseres om een pgb afgewezen. Met het besluit van 23 november 2023 is het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.\n\n3.2.. Eiseres heeft op 1 februari 2024 opnieuw een pgb aangevraagd.\n\nTotstandkoming van het (bestreden) besluit\n\n4. Met het besluit van 2 mei 2024 is de aanvraag voor een pgb afgewezen, omdat eiseres eerder niet heeft voldaan aan de verplichtingen van een pgb.\n\n4.1.. \n\nMet het besluit van 3 september 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daaraan heeft het zorgkantoor het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz wordt een aanvraag in ieder geval geweigerd, indien de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Hier kan alleen een uitzondering op worden gemaakt indien zorg in natura (ZIN) absoluut niet mogelijk is voor betrokkene. Dit dient met objectief medische stukken te worden onderbouwd.\n\nOmdat sprake is van een gebonden bevoegdheid uit een wet in formele zin, staat het toetsingsverbod in de weg aan toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Van bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn verdisconteerd in de afweging, is niet gebleken. Uit de verklaring van de huisarts volgt niet zonder meer dat eiseres (slechts) beperkt in haar zorgbehoefte kan worden voorzien, indien zij niet wordt verzorgd door een bekende. In de brief staat namelijk alleen dat eiseres sterke behoefte heeft aan een vaste huisarts en verzorgenden. Die vaste verzorgenden kunnen ook worden geleverd via ZIN. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is om zorg via ZIN te ontvangen.\n\nWat vindt eiseres?\n\n5. Eiseres heeft – kort gezegd – aangevoerd dat er wel sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor moet worden afgeweken van de bevoegdheid in artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz. De belangenafweging van het zorgkantoor is onzorgvuldig geweest. De (medische) situatie van eiseres is sinds 2017 veranderd. Haar partner is in 2023 overleden. Zij is inmiddels 86 jaar oud en ervaart wantrouwen en angst jegens onbekenden. Haar zorgbehoefte neemt toe met de tijd. Zij weigert (daarom) zorg van vreemden te accepteren. De huisarts onderschrijft dit. ZIN kan daarom niet in de zorgbehoefte van eiseres voorzien. Verder is niet meegewogen dat er nu sprake is van een andere zorgverlener en gewaarborgde hulp.\n\nIs ZIN (g)een mogelijkheid?\n\n6. Het pgb wordt in ieder geval geweigerd als de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een persoonsgebonden budget niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Dit is dwingend bepaald in artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz, een bepaling van formele wetgeving.\n\n6.1.. Eiseres heeft niet bestreden dat zij zich eerder niet aan de verplichtingen verbonden aan een pgb en volgend uit de Wlz heeft gehouden. Het zorgkantoor was daarom in beginsel gehouden om de aanvraag af te wijzen.\n\n6.2.. Eiseres heeft – kortgezegd – aangevoerd dat zij geen zorg van vreemden accepteert. ZIN kan daarom niet in de zorgbehoefte van eiseres voorzien. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst eiseres naar een brief van de huisarts.\n\n6.3.. Wat eiseres heeft aangevoerd komt er in de kern op neer dat het zorgkantoor ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel. Volgens vaste rechtspraak verzet het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet zich tegen toetsing van een formeel wettelijke bepaling aan algemene rechtsbeginselen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die leiden tot gevolgen die niet overeenkomen met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien. Als dit het geval is, kan de rechter een wettelijke bepaling als 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz buiten toepassing laten. Hiervoor is wel vereist dat de door eiseres gestelde bijzondere omstandigheden meebrengen, dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Zulke bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. Zo’n uitzondering doet zich hier niet voor. Daarvoor is het volgende van belang.\n\n6.4.. Er kan aanleiding bestaan om artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz buiten toepassing te laten, indien objectief kan worden vastgesteld dat ZIN vanwege het ziektebeeld geen mogelijkheid is en betrokkene daarom bij weigering van een pgb geen passende zorg meer kan krijgen.Uit de door eiseres overgelegde brief van 8 december 2023 van de huisarts blijkt enkel dat eiseres sterke behoefte aan een vaste huisarts en verzorgenden heeft. Uit de brief blijkt dus niet dat anderen dan bekenden van eiseres de benodigde zorg niet zouden kunnen leveren. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat met ZIN niet in haar zorgbehoefte kan worden voorzien. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank daarom geen aanleiding voor een contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres geen pgb krijgt. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1005.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5194","2026-07-13T00:28:41.303Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":49,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":36,"updatedAt":52},"1084","ECLI:NL:RBGEL:2025:9472","ecli-nl-rbgel-2025-9472","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8055\n uitspraak van de enkelvoudige kamer\n [eiser] , uit [plaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. E. Düsünceli),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, het college\n\n(gemachtigde: F. de Gama).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van twee aanvragen van eiser om bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met deze afwijzingen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvragen van eiser voor bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de betaling van de maandelijkse kosten van een parkeerplaats voor zijn auto. Het college heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 10 juni 2024 afgewezen. Daarnaast heeft eiser een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van de APKvan de auto. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 21 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 september 2024 op de bezwaren van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Eiser was niet aanwezig.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe omvang van het geschil\n\n3. Nu eiser het beroep, voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van een APK, tijdens de zitting heeft ingetrokken zal de rechtbank daar niet over oordelen. Daarom zal de rechtbank alleen het beroep, voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van een parkeerplaats, ten behoeve van eiser beoordelen.\n\nHet bestreden besluit3.1.. In de Pw wordt onderscheid gemaakt tussen algemene bijstand en bijzondere bijstand. Algemene bijstand is bedoeld om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, dat wil zeggen kosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. Bijzondere bijstand is bedoeld om te voorzien in de kosten van bestaan die in het individuele geval noodzakelijk zijn en die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.\n\n3.2.. Bijzondere bijstand kan worden verstrekt op grond van artikel 35, eerste lid, van van de Pw. Uit vaste rechtspraak volgt dat bij de toepassing van deze bepaling eerst beoordeeld moet worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen. Vervolgens moet beoordeeld worden of die kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet de vraag worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.Op dit punt heeft het college een zekere beoordelingsvrijheid.\n\n3.3.. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet degene die een aanvraag doet voor bijzondere bijstand aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand.\n\nZijn de kosten noodzakelijk?\n\nWat vindt eiser?3.4.. Eiser stelt dat de maandelijkse kosten voor de parkeerplaats noodzakelijke kosten zijn. De noodzaak is gelegen in zijn medische gezondheid. Met name zijn loopbeperking, maar ook zijn hartklachten maken het gebruik van de auto noodzakelijk. Om zijn standpunt te onderbouwen heeft hij verklaringen van zijn huisarts gedateerd 9 augustus 2023, 19 maart 2024 en 17 april 2024 ingebracht. Eiser had op zijn vorig woonadres een gehandicaptenparkeerplaats. Sinds zijn verhuizing beschikt hij enkel nog over de gehandicaptenparkeerkaart. Eiser stelt dat de gehandicaptenparkeerplaatsen in de buurt van zijn woning bestemd zijn voor bezoekers van het gezondheidscentrum en stelt dat hij die niet kan gebruiken. Daarom is hij genoodzaakt gebruik te maken van een parkeerplaats in de ondergrondse parkeergarage onder zijn appartement. Eiser voert aan dat hij de kosten daarvan niet zelf kan voldoen, omdat hij onvoldoende middelen heeft en hiervoor niet kan reserveren. Hij heeft schulden en staat aangemeld bij schuldhulpverlening Verdergroep.\n\nWat vindt het college?3.5.. Het college wijst de bijzondere bijstand voor de kosten voor een parkeerplaats in de ondergrondse parkeergarage af, omdat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten voor hem noodzakelijk zijn. Het college stelt dat eiser in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart op kenteken, omdat hij een loopbeperking heeft en dat deze parkeerkaart juist bedoeld is om eiser in staat te stellen vlakbij de woning te parkeren. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser in overleg kan treden met de Afdeling Vergunningen Openbare Ruimte om weer gebruik te maken van deze voorziening op zijn huidige adres. Ook, zo stelt het college, kan eiser gebruik maken van een loophulpmiddel zoals een loopstok of een rollator. Daarnaast kan eiser gebruik maken van een boodschappenservice voor de boodschappen en voor vervoer naar bijvoorbeeld het ziekenhuis kan hij gebruik maken van een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).\n\nWat vindt de rechtbank?3.6.. Zoals hierboven ook al is overwogen, moet degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de parkeerplaats in de ondergrondse parkeergarage onder zijn woning noodzakelijk is voor hem. De rechtbank legt hierna uit waarom zij tot die conclusie komt.\n\n3.7.. Uit de medische stukken die zijn ingebracht volgt dat eiser een loopbeperking heeft. Dit wordt niet betwist door het college. Uit hetgeen ter zitting is aangevoerd en ook uit de stukken volgt niet dat eiser niet of vrijwel niet kan lopen en dat zijn gehandicaptenparkeerkaart onvoldoende tegemoet komt aan zijn loopbeperking. Het college heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld, dat er andere mogelijkheden zijn waar eiser gebruik van kan maken. Zo kan eiser een gehandicaptenparkeerplaats aanvragen nu hij deze in het verleden ook had. Ook heeft eiser niet, of onvoldoende, betwist dat hij gebruik kan maken van een loophulpmiddel zoals een loopstok of een rollator. Ook heeft eiser niet betwist dat hij voor de boodschappen gebruik kan maken van een boodschappenservice en voor vervoer gebruik kan maken van een voorziening op grond van de Wmo 2015.\n\nIs sprake van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16 Pw?3.8.. Eiser betoogt dat in zijn geval sprake is van zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16 van de Pw, zodat ook om die reden toch tot bijstandsverlening overgegaan had moeten worden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit artikel 16 Pw volgt dat deze bepaling alleen van toepassing is op personen die geen algemene bijstand ontvangen. Eiser ontvangt wel een Pw-uitkering. Daarom is deze bepaling in de situatie van eiser niet van toepassing.\n\nAlgemene beginselen van behoorlijk bestuur3.9.. Eiser stelt dat het besluit tot stand is gekomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel althans het algemene beginsel van behoorlijk bestuur en beroept zich op artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 Awb.\n\nIs het besluit voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd?3.10.. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. De rechtbank overweegt daarbij als volgt. Eiser is in zijn bezwaar is ontvangen en op de hoorzitting van 26 augustus 2024 gehoord. De door eiser ingebrachte stukken zijn meegenomen in de beoordeling van de aanvraag en in bezwaar. Het college gaat in bestreden besluit gemotiveerd in op de stellingen van eiser. Nu eiser niet nader heeft onderbouwd waar de onzorgvuldigheid in zit, is onvoldoende aanknoping voor het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd zou zijn.\n\nIs het bestreden besluit strijdig met het evenredigheidsbeginsel?3.11.. Eiser heeft zijn beroepsgrond, dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, niet nader toegelicht of onderbouwd in het licht van de rechtspraak over dit beginsel.Er is niet gesteld door eiser welke bijzondere omstandigheden zich voordeden bij hem, die de wetgever niet of niet ten volle heeft verdisconteerd en die de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Pw zozeer in strijd doen zijn met het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing achterwege moet blijven.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier is verhinderd te tekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Algemene Periodieke Keuring.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:850.\n\n Zie de uitspraak van de CRvB van 21 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:988.\n\n Zie de uitspraak van de CRvB 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059 en van 7 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:94.\n\n Vergelijk de uitspraken van de CRvB van 20 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:942 en 7 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:94.\n\n Zie de uitspraak van de CRvB van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:9472","2025-11-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.205Z",20]