[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-value-added-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":59},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},78,"value-added-tax-nl","Value Added Tax","NL","2026-07-08T16:55:03.373Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2025-05-30T00:00:00.000Z","2026-07-01T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121970","Wet op de omzetbelasting","",1,[27,36,43,51],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":35},"1343","ECLI:NL:RBGEL:2026:5169","ecli-nl-rbgel-2026-5169","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F3061 en 24\u002F4796\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 1 juli 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [vestigingsplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 december 2023 en 22 januari 2024.\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 11 december 2021 een navorderingsaanslag Vpb 2016 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 30.868 en gelijktijdig een belastingrentebeschikking genomen van € 237 en een vergrijpboete opgelegd van € 490.\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 29 december 2021 een naheffingsaanslag OB over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 15.885 en gelijktijdig een belastingrentebeschikking genomen van € 2.351 en een vergrijpboete opgelegd van € 5.345.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van 21 december 2021 tegen de navorderingsaanslag Vpb 2016 met dagtekening 7 december 2023 gegrond verklaard en de navorderingsaanslag, belastingrentebeschikking en vergrijpboete vernietigd.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van 31 december 2021 tegen de naheffingsaanslag OB met dagtekening 22 januari 2024 gegrond verklaard, het te betalen bedrag verminderd met € 2.066 tot € 13.819, de vergrijpboete verminderd met € 1.033 tot € 4.312 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en mr. [gemachtigde 2] en, namens de inspecteur, mr. drs. [gemachtigde 3] , drs. [gemachtigde 4] , mr. [gemachtigde 5] , [gemachtigde 6] en mr. [gemachtigde 7] .\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is opgericht op 5 december 2016 en is een 100% dochtervennootschap van [belanghebbende] ( [belanghebbende] )., waarvan de enig aandeelhouder en bestuurder was de heer [gemachtigde 2] .\n\n2. Tot eind 2016 was de bestuurder van [belanghebbende] namens [belanghebbende] werkzaam voor het advocatenkantoor van [bedrijf] . Vanaf 2017 was de bestuurder namens belanghebbende werkzaam voor [bedrijf] .\n\nNavorderingsaanslag Vpb 2016\n\n3. Belanghebbende heeft aangifte Vpb 2016 gedaan over een verlengd boekjaar van 5 december 2016 tot en met 31 december 2017 naar een belastbare winst en tevens belastbaar bedrag van € 25.103.\n\n4. De inspecteur heeft de aanslag Vpb 2016 overeenkomstig de aangifte opgelegd en gelijktijdig een belastingrentebeschikking genomen naar een te betalen bedrag van € 400.\n\n5. De inspecteur heeft met dagtekening 11 december 2021 een navorderingsaanslag Vpb 2016 opgelegd naar een belastbare winst en tevens belastbaar bedrag van € 30.868 en gelijktijdig opgelegd een vergrijpboete van € 490 en een belastingrentebeschikking genomen naar een te betalen bedrag van € 237.\n\n6. De inspecteur is bij uitspraak op bezwaar volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar en heeft de navorderingsaanslag Vpb 2016 en de gelijktijdig opgelegde vergrijpboete en genomen belastingrentebeschikking vernietigd. Hij heeft een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend. In de uitspraak op bezwaar is het volgende vermeld omtrent het terugnemen van de correctie:\n\n “(…) In het boekenonderzoek is aangegeven dat [belanghebbende] in het jaar 2017 uren heeft gemaakt voor een cliënt die ten onrechte niet als omzet of als onderhanden werk zijn aangegeven. Daarnaast is in het boekenonderzoek aangegeven dat de cliënt waarvoor de uren zijn gemaakt een auto ter beschikking heeft gesteld aan [belanghebbende] Het gebruik van de auto door [belanghebbende] is verrekend met de gemaakte uren voor deze cliënt.\n\nIk ben van mening dat in het boekenonderzoek voldoende aannemelijk is gemaakt dat [belanghebbende] uren heeft gemaakt voor de betreffende cliënt en dat zij deze uren niet heeft gefactureerd. Ook is naar mijn mening aannemelijk gemaakt dat er een auto ter beschikking is gesteld door cliënt aan [belanghebbende] en\u002Fof de heer en mevrouw [gemachtigde 2] . Tijdens het behandelen van uw bezwaarschrift heb ik geconstateerd dat [belanghebbende] en de heer [naam] en zijn vennootschappen overeengekomen zijn om de verrekening van de vordering van [belanghebbende] en het ter beschikking stellen van de auto met gesloten beurzen af te wikkelen. Hierdoor is, per saldo geen sprake van een te belasten winst in [belanghebbende] De in het boekenonderzoek toegepaste correctie ad € 5.765 kan dan ook niet in stand blijven. (…)”\n\nNaheffingsaanslag OB\n\n7. De inspecteur heeft onderzoek gedaan naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017. De bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport.\n\n8. Hoofdstuk 4 van het controlerapport bevat correcties die betrekking hebben op de omzetbelasting. Punt 4.12 van het controlerapport bevat de correcties voor de omzetbelasting met betrekking tot het privégebruik van de auto. Daarin staat:\n\n[afbeelding gepseudonimiseerd]\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n9. De rechtbank beoordeelt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslag Vpb 2016 en naheffingsaanslag OB 2017. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n10. Belanghebbende voert aan dat in verband met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2016 ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding is toegekend en dat de naheffingsaanslag OB 2017 te hoog is vastgesteld.\n\n11. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding en dat de naheffingsaanslag OB 2017 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nIntegrale proceskostenvergoeding\n\n12. Belanghebbende stelt dat de inspecteur bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding na de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2016 ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding heeft toegekend. Volgens haar was het van tevoren al duidelijk dat de correcties waarop de navorderingsaanslag was gebaseerd geen stand konden houden.\n\n12. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat door de inspecteur geen aanslag is opgelegd tegen beter weten in en dat evenmin door de inspecteur in de aanslagregelende\n\nfase of de bezwaarfase onzorgvuldig is gehandeld. Zo al onzorgvuldig is gehandeld –\n\nhetgeen hij betwist – is dit handelen niet zodanig onzorgvuldig dat dit een\n\nintegrale vergoeding van de kosten rechtvaardigt.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank is voor een integrale proceskostenvergoeding geen plaats omdat eerst in de bezwaarfase duidelijk is geworden dat de correctie van € 5.765 (zie 6.) geen stand kon houden, omdat toen pas is gebleken dat belanghebbende en de client beoogden de door belanghebbende gemaakte uren te verrekenen met de terbeschikkingstelling door client van een auto aan belanghebbende. Van een handelen tegen beter weten in of verregaande onzorgvuldigheid is geen sprake. De rechtbank wijst het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding af.\n\nNaheffingsaanslag OB\n\n15. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ter zake van het privégebruik van verschillende auto’s ten onrechte naheffingsaanslagen heeft opgelegd. Volgens haar is geen sprake geweest van privégebruik. Zij stelt dat voor alle jaren een sluitende kilometeradministratie is aangeleverd, waaruit blijkt dat er nagenoeg niet privé is gereden. Er is alleen sprake geweest van woon-werkverkeer. Een correctie van de omzetbelasting is daarom niet aan de orde. Voor zover een correctie wel aan de orde is moet rekening gehouden worden met de verhouding tussen de zakelijk gereden kilometers en de in privé gereden kilometers in samenhang met de werkelijk in vooraftrek genomen omzetbelasting. Op 12 september 2025 heeft belanghebbende een overzicht verstrekt van de in aftrek gebrachte omzetbelasting. Met deze elementen heeft de inspecteur, aldus belanghebbende, geen rekening gehouden. Belanghebbende verwijst verder naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017, waaruit volgens haar blijkt dat de omvang van het privégebruik van een bedrijfsauto in beginsel moet berusten op de werkelijke verhouding tussen de categorieën zakelijk\u002Fprivé.\n\n16. De inspecteur heeft de btw die verschuldigd is met betrekking tot de auto’s die tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende behoren vastgesteld met toepassing van het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 11 juli 2012. Uit het controlerapport voor de loonheffingen blijkt dat de onder 12. genoemde auto’s ter beschikking zijn gesteld en dat er privé mee is gereden. Uit het controlerapport en het verweerschrift voor de loonheffingen blijkt volgens de inspecteur ook duidelijk dat er geen sluitende kilometeradministratie is bijgehouden. Ten aanzien van het door belanghebbende verstrekte overzicht heeft de inspecteur ter zitting aangegeven dat in de bezwaarfase ook al een overzicht is verstrekt met andere cijfers, dat er geen onderbouwing van de cijfers is, dat hij niet kan vaststellen of de cijfers kloppen, dat hij het overzicht niet betrouwbaar vindt en dat hij verder verwijst naar de correcties die in de loonheffingen zijn aangebracht.\n\n17. Het gebruik van een tot een het bedrijf behorende auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel.De vergoeding waarover vervolgens omzetbelasting verschuldigd is wordt gesteld op de door de ondernemer voor het verrichten van de diensten gemaakte uitgaven.Als uit de kilometeradministratie niet blijkt in hoeverre de auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden is gebruikt en\u002Fof welke kosten daaraan zijn toe te rekenen, is onder voorwaarden onderdeel 2.2 van het Besluit van 11 juli 2012 van toepassing. Daarin is bepaald dat de btw verschuldigd als gevolg van de toepassing van artikel 4, tweede lid, letter a, van de Wet OB wordt vastgesteld op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm) van de desbetreffende auto.\n\n18. In het door belanghebbende genoemde arrest (punt 15) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omvang van het privégebruik niet uitsluitend is vast te stellen aan de hand van een kilometeradministratie. Ingeval de administratie van een ondernemer geen gegevens bevat waaruit is af te leiden in hoeverre een goed voor privédoeleinden is gebruikt, moet de omvang van het privégebruik met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid worden bepaald. Bij deze beoordeling moeten omstandigheden in aanmerking worden genomen zoals de aard van de onderneming, de zakelijke doeleinden waarvoor het aangeschafte goed binnen die onderneming bruikbaar is, alsmede de positie en de werkzaamheden binnen de onderneming van degene die het goed gebruikt, en voorts hetgeen bekend is omtrent de wijze waarop het goed voor privédoeleinden mag worden gebruikt of is gebruikt zoals bijvoorbeeld voor woonwerkverkeer. Wanneer een beroep wordt gedaan op statistische gegevens, dient aan de hand van omstandigheden als hiervoor vermeld aannemelijk te worden gemaakt dat deze gegevens in het desbetreffende geval bruikbaar zijn.\n\n19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de correctie wegens privégebruik van de auto’s terecht vastgesteld op basis van het Besluit. Uit het rapport voor de loonheffingen volgt dat belanghebbende weliswaar voor twee auto’s, te weten de Audi en de BMW een rittenadministratie in Black Box heeft bijgehouden, maar dat deze later handmatig zijn aangepast. Voor de overige drie auto’s is geen rittenadministratie bijgehouden en heeft belanghebbende wisselende verklaringen afgelegd omtrent het gebruik. Dat [gemachtigde 2] , noch zijn echtgenote in privé gebruik maken van de auto’s acht de rechtbank, mede gelet op het ontbreken van een auto in privé bij beiden, niet aannemelijk. De door belanghebbende verstrekte overzichten zijn, gelet op het ontbreken van een toelichting, op het moment dat zij zijn overgelegd en gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet bruikbaar.\n\nVergrijpboete\n\n20. Ingevolge artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet is betaald. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat aanvankelijk niet is betaald, door opzet of grove schuld van de belastingplichtige.\n\n20. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 8 april 2022dienen bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dat geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.De stelplicht met betrekking tot die feiten en omstandigheden rust op de inspecteur, die deze vervolgens overtuigend zal moeten aantonen voor zover zijn stellingen worden betwist.Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dat dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.\n\n22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende meerdere auto’s voor privédoeleinden ter beschikking heeft gesteld aan [gemachtigde 2] en zijn familieleden. Dit volgt ook uit de door [gemachtigde 2] en zijn boekhouder gegeven verklaringen. Vaststaat dat slechts voor 1 auto (BMW Cabrio [kenteken] ) in Black Box in de periode tot en met 1 november 2018 een rittenadministratie is bijgehouden, dat voor de resterende periode en de resterende auto’s geen rittenadministratie is bijgehouden en dat de rittenadministraties meerdere malen door belanghebbende zijn aangepast. Voorts heeft de inspecteur meerdere omissies in de rittenadministraties vastgesteld en aangetoond dat op jaarbasis met meerdere auto’s meer dan 500 kilometer in privé is gereden. Door deze handelwijze kan naar het oordeel van het rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat belanghebbende zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat met betrekking tot de ter beschikking gestelde auto’s ten onrechte geen omzetbelasting ter zake van het privégebruik zou worden geheven en dat hij dat gevolg niettemin bewust heeft aanvaard. Van belang is daarbij tevens dat [gemachtigde 2] zelf heeft verklaard dat hij werkzaamheden als fiscaal jurist verricht. Derhalve is sprake van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van belanghebbende. De stelling van belanghebbende dat hij zelf geen inhoudelijke administratieve handelingen heeft verricht strookt niet met de verklaring van [gemachtigde 2] tijdens het inleidend gesprek bij het boekenonderzoek, namelijk dat hij zelf de input levert voor de financiële administratie en de loonadministratie. Van schending van het nemo tenetur-beginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake omdat de boete niet uitsluitend is gebaseerd op de door belanghebbende afgelegde verklaringen, maar ook op verklaringen van de boekhouder en andere bij het onderzoek verkregen informatie, zoals de agenda en de bekeuringen. De inspecteur heeft, gelet op het bepaalde in artikel 67f van de AWR, mitsdien terecht een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd. Anders dan belanghebbende stelt kan voor elk jaar een boete worden opgelegd. De rechtbank ziet daarin wel aanleiding om de boete van 80% naar 25% te verlagen voor zover de boete ziet op het privégebruik van de auto. Deze boete wordt dan 25% van € 2.243= € 560. De totale boete is dan € 4.312 -\u002F- € 1.234 = € 3.078. Daarmee is tevens voldoende rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De boete wordt dus verminderd tot een bedrag van € 3.078.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n23. Belanghebbende heeft ter zitting een vergoeding verzocht voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.\n\n23. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016en 14 juni 2024. Op grond van het aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen.\n\n25. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaken in hoofdzaak niet betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat in beginsel per zaak afzonderlijk moet worden beoordeeld of recht bestaat op een immateriële schadevergoeding.\n\n25. De rechtbank stelt ter zake van de procedure die ziet op de navorderingsaanslag Vpb 2016 vast dat belanghebbende op 21 december 2021 bezwaar heeft gemaakt en dat de inspecteur aan dat bezwaar volledig tegemoet is gekomen en de navorderingsaanslag en de gelijktijdig genomen belastingrentebeschikking en opgelegde vergrijpboete heeft vernietigd. De door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie wordt dus geacht ten einde te zijn gekomen op het moment dat de inspecteur op het bezwaar heeft beslist, namelijk 7 december 2023. Dat is binnen een termijn van twee jaar, zodat geen recht bestaat op een immateriële schadevergoeding voor die procedure. Dat belanghebbende beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar omdat hij het niet eens is met de hoogte van de proceskostenvergoeding kan niet worden geacht een voortzetting te zijn van de eerder door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie.\n\n27. Met betrekking tot de procedure die ziet op de naheffingsaanslag OB geldt het volgende. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting op 31 december 2021 ontvangen. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is afgerond 54 maanden. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met 30 maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 3.000. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur is van 22 januari 2024. Dit is langer dan de termijn van zes maanden die voor hem geldt. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van (19\u002F30 * € 3.000 =) € 1.900 aan belanghebbende te vergoeden. De Staat moet het resterende bedrag vergoeden, namelijk € 1.100.\n\n27. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\nConclusie en gevolgen\n\n29. Het beroep dat betrekking heeft op de naheffingsaanslag OB 2017 is gegrond. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, maar uitsluitend voor zover het de boete betreft. De rechtbank zal die boete verminderen tot een bedrag van € 3.078. Het beroep over de navorderingsaanslag Vpb 2016 is ongegrond. Omdat het beroep gegrond is, krijgt belanghebbende een vergoeding van haar griffierecht. Ook moet de inspecteur de door haar gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt die vergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.200 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag OB voor het jaar 2017 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover het betrekking heeft op de vergrijpboete;\n\nvermindert de vergrijpboete tot een bedrag van € 3.078;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb 2016 ongegrond;\n\nveroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.900;\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.100;\n\nveroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 3.200;\n\nbepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 371 vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en\n\nmr. R.J.W. van der Struijk, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.\n\nUitgesproken op 1 juli 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Hoge Raad 10 maart 2017; ECLI:NL:HR:2017:392.\n\n Nr. BLKB2012\u002F639M, Staatscourant 2012, 14822.\n\n Artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).\n\n Artikel 8, zevende lid, van de Wet OB.\n\n ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063.\n\n Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n Hoge Raad 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.\n\n Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5169","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:16.914Z",{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":40,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":42},"394","ECLI:NL:RBGEL:2026:5191","ecli-nl-rbgel-2026-5191","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F3064, 24\u002F3065, 24\u002F3066, 24\u002F3067, 24\u002F4948 en 24\u002F5036\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 1 juli 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende ] B.V. , uit [vestigingsplaats ] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 december 2023 en 22 januari 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende gelijktijdig de volgende navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd en belastingrente- en boetebeschikkingen genomen:\n\nDagtekening\n\nJaar\n\nBelastbaar bedrag\n\nBelastingrente\n\nVergrijpboete\n\n30\u002F11\u002F2020\n\nVpb 2014\n\n€ 116.579\n\n€ 2.413\n\n30\u002F10\u002F2021\n\nVpb 2015\n\n€ 87.880\n\n€ 4.807\n\n€ 4.816\n\n24\u002F12\u002F2021\n\nVpb 2016\n\n€ 44.305\n\n€ 2.519\n\n€ 2.808\n\n18\u002F12\u002F2021\n\nVpb 2017\n\n€ -2.510\n\nDe inspecteur heeft daarnaast gelijktijdig de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) opgelegd en belastingrente- en boetebeschikkingen genomen:\n\nDagtekening\n\nTijdvak\n\nBelasting\n\nBelastingrente\n\nVergrijpboete\n\n30\u002F12\u002F2020\n\n01\u002F01\u002F2015 – 31\u002F12\u002F2015\n\n€ 26.002\n\n€ 4.892\n\n29\u002F12\u002F2021\n\n01\u002F01\u002F2016 – 31\u002F12\u002F2016\n\n€ 15.793\n\n€ 2.969\n\n€ 8.092\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 7 december 2023 de bezwaren van respectievelijk 29 december 2020, 8 november 2021 en 6 januari 2022 tegen de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 niet-ontvankelijk verklaard.\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 22 januari 2024 de bezwaren van 7 januari 2021 en 31 december 2021 tegen respectievelijk de naheffingsaanslagen OB 2015 en 2016 ongegrond verklaard.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en mr. [gemachtigde 2] en, namens de inspecteur,\n\nmr. drs. [gemachtigde 3] , drs. [gemachtigde 4] , mr. [gemachtigde 5] , [gemachtigde 6] en mr. [gemachtigde 7] .\n\nFeiten\n\nAlgemeen\n\n1. Belanghebbende is opgericht op 28 mei 2003. [gemachtigde 2] ( [gemachtigde 2] ) houdt 100% van de aandelen in belanghebbende. [gemachtigde 2] is tevens enig werknemer van belanghebbende.\n\n2. Op 29 december 2010 is belanghebbende certificaathouder geworden van de Stichting [stichting] en [gemachtigde 2] bestuurder van de [stichting] .\n\n3. [gemachtigde 2] verrichtte tot en met 31 december 2016 werkzaamheden als advocaat voor [bedrijf 1] .\n\n4. Op 31 mei 2018 is bij belanghebbende een boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 aangekondigd. Het onderzoek is uitgebreid met de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019, uitsluitend voor zover het de bijtelling privégebruik auto betreft. De bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport van 4 november 2021 (het rapport loonheffingen). Naar aanleiding van de bevindingen van deze controle is het onderzoek tevens uitgebreid naar onder andere de aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting. Dit onderzoek is op 7 februari 2020 aangekondigd. Tijdens het boekenonderzoek is de aanvaardbaarheid van de aangiften Vpb en OB over de jaren 2016 en 2017 onderzocht. Op 16 oktober 2020 is het onderzoek uitgebreid naar de aangiften Vpb over de jaren 2014 en 2015 en de aangiften OB over het jaar 2015. Het conceptrapport heeft als dagtekening 10 juni 2020. De definitieve bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport van 23 november 2021 (het controlerapport).\n\n5. In onderdeel 2.5.1. van het controlerapport is omtrent de financiële administratie het volgende vermeld:\n\n “De heer [naam 1] verzorgt de administratie van [belanghebbende ] B.V.\n\nDe echtgenote en de dochter van de heer [gemachtigde 2] boeken de kosten (inkoopfacturen, bonnen). (…)\n\nTot en met het jaar werd de facturering (management fees en dergelijke) verzorgd door het kantoor van advocatenkantoor [bedrijf 1] .\n\nDe adviseur, de heer [naam 1] van [bedrijf 2] , haalt in principe éénmaal per jaar de ordners op en voert de administratie in het boekhoudprogramma Snelstart in.\n\n6. In onderdeel 2.6. van het controlerapport is omtrent de adviseur het volgende vermeld:\n\n “(…)\n\n [bedrijf 2] verzorgt de jaarstukken en de aangiften omzetbelasting en\n\nvennootschapsbelasting”\n\n7. In onderdeel 3.1.5. van het controlerapport is onder het kopje “Tweede helft debiteurenregeling” het volgende vermeld:\n\n“Op 26 januari 2016 heeft [belanghebbende ] B.V. € 25.000 overgemaakt aan [bedrijf 1] met als omschrijving “Afl. Lening tbv 2e helft debiteurenregeling”\n\nDeze betaling is als volgt gejournaliseerd:\n\nAf te dragen BTW € 4.339\n\nManagementfee [bedrijf 1] (wv-rekening) € 20.661\n\nAan Rabobank € 25.000\n\n(…)”\n\n8. Belanghebbende en [bedrijf 1] hebben op 18 november 2009 een managementovereenkomst gesloten. Daarin zijn zij overeengekomen dat, indien het resultaat van [bedrijf 1] het toelaat, aan belanghebbende jaarlijks een basismanagementvergoeding toekomt van maximaal € 127.000. Indien het resultaat van [bedrijf 1] het niet toelaat komt aan belanghebbende een gelijk deel van het behaalde resultaat toe. Ook is overeengekomen dat belanghebbende maandelijks een voorschot op de haar toekomende managementfee over het desbetreffende kalenderjaar ontvangt, gerelateerd aan de naar verwachting voor [bedrijf 1] te behalen managementvergoeding over dat jaar.\n\n9. In onderdeel 3.2.3 van het controlerapport is onder het kopje “Managementfee retour” het volgende vermeld:\n\n“Op 31 december 2015 heeft [belanghebbende ] B.V. middels een memoriaalboeking de volgende journaalpost geboekt:\n\nDebet\n\nCredit\n\nManagementfee\n\n€ 41.322,31\n\nBTW af te dragen hoog\n\n€ 8.677,69\n\naan\n\nRekening-courant directie\n\n€ 50.000\n\nDe omschrijving in het grootboek is: Man fee retour [bedrijf 1] ivm debiteuren prive betaald\n\n [belanghebbende ] B.V. heeft geen inkoopfactuur, bankafschrift of andere bewijzen c.q. bescheiden aangeleverd waaruit blijkt dat deze journaalpost terecht is geboekt dan wel bewijzen\u002Fbescheiden waaruit blijkt dat de dga in privé bedragen heeft betaald voor [belanghebbende ] B.V. (…)”\n\n10. Belanghebbende heeft in de periode van 2011 tot en met 2015 de volgende auto’s gekocht:\n\nAuto\n\nDatum aankoop\n\nKostprijs\n\nAudi A8\n\n4 november 2011\n\n€ 78.979\n\nCitroën DS 3 Cabrio\n\n30 december 2013\n\n€ 17.425\n\nBMW 435D X-Drive Aut 8 Cabrio\n\n13 juni 2015\n\n€ 73.125\n\nFiat 500 Twin Air 80\n\n27 juli 2015\n\n€ 11.138\n\n11. Belanghebbende heeft een herinvesteringsreserve van € 12.985 afgeboekt op de kostprijs van de Audi en de Audi geactiveerd voor € 65.994. Zij heeft de Audi op 10 juni 2015 ingeruild voor de BMW en op die inruil een boekwinst behaald van € 26.269. Belanghebbende heeft ter zake van die boekwinst een herinvesteringsreserve gevormd en die reserve afgeboekt op de kostprijs van de BMW. De BMW is vervolgens geactiveerd voor € 46.269. Belanghebbende is voor alle auto’s uitgegaan van een levensduur van vijf jaar en een restwaarde van nihil.\n\n12. Belanghebbende heeft in de jaren 2014 tot en met 2016 op haar zakelijke rekening maandelijks € 1.500 ontvangen van [bedrijf 1] met als omschrijving “Auto- en onkostenvergoeding”.Vennootschapsbelasting\n\n13. Belanghebbende heeft de volgende aangiften vennootschapsbelasting (Vpb) gedaan:\n\nJaar\n\nBelastbare winst\n\nBelastbaar bedrag\n\n2014\n\n86.701\n\n86.701\n\n2015\n\n21.131\n\n21.131\n\n2016\n\n6.134\n\n6.134\n\n2017\n\n-5.455\n\n-5.455\n\n14. De inspecteur heeft de aanslagen Vpb 2014 tot en met 2017 met respectievelijk dagtekening 30 september 2017, 7 oktober 2017, 9 juni 2018 en 6 juli 2019 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangiften.\n\n14. In het onder 4. genoemde controlerapport wordt medegedeeld dat navorderingsaanslagen Vpb zullen worden opgelegd naar aanleiding van de volgende correcties:\n\nCorrectie\n\n2014 (€)\n\n2015 (€)\n\n2016 (€)\n\n2017 (€)\n\nAfschrijving materiële vaste activa\n\n383\n\n778\n\n2.022\n\n2.022\n\nRente rekening-courant aandeelhouder\n\n937\n\n1.920\n\n2.393\n\nTweede helft debiteurenregeling\n\n20.661\n\nOmzet auto- en onkostenvergoeding\n\n18.000\n\n18.000\n\n18.000\n\nAfschrijvingen vervoermiddelen\n\n452\n\n430\n\n430\n\nKosten motorrijtuigenbelasting [kenteken ]\n\n716\n\n143\n\nKosten douchescherm\n\n619\n\nPrivédeel administratiekosten\n\n200\n\n200\n\nOmzetbelasting privégebruik auto\n\n-6.533\n\n-6.397\n\n-2.243\n\nManagementfee retour\n\n41.322\n\nTotaal correcties\n\n18.383\n\n54.956\n\n38.171\n\n2.945\n\n16. De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 opgelegd met inachtneming van de correcties vermeld in het onderzoeksrapport. Voor die jaren heeft de inspecteur ook correcties toegepast vanwege bedragen die aan [bedrijf 3] in rekening zijn gebracht van respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De inspecteur heeft in de beroepsfase deze correcties en de daarbij behorende boetes laten vervallen omdat de bedragen al in 2018 zijn aangegeven en hij heeft de aanslagen ambtshalve verminderd.\n\nOmzetbelasting\n\n17. De inspecteur heeft de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) opgelegd.\n\nDagtekening\n\nTijdvak\n\nBelasting\n\nBelastingrente\n\nVergrijpboete\n\n30\u002F12\u002F2020\n\n01\u002F01\u002F2015 – 31\u002F12\u002F2015\n\n€ 26.002\n\n€ 4.892\n\n29\u002F12\u002F2021\n\n01\u002F01\u002F2016 – 31\u002F12\u002F2016\n\n€ 15.793\n\n€ 2.969\n\n€ 8.092\n\n18. In punt 5.1.1 van het controlerapport staat dat naheffingsaanslagen OB zullen worden opgelegd in verband met de in dat punt genoemde correcties, namelijk:\n\n2015\n\n2016\n\nCorrectie 4.1. Inruil BMW 435D voor Audi A8 TDI\n\n6.734\n\n-\n\nCorrectie 4.2. Omzetbelasting\n\n-\n\n-\n\nCorrectie 4.3. Rekening-courant\n\n-\n\n1.105\n\nCorrectie 4.5. Tweede helft debiteurenregeling\n\n-\n\n4.339\n\nCorrectie 4.6. Auto- en onkostenvergoeding\n\n-\n\n3.780\n\nCorrectie 4.7. Omzet [bedrijf 3]\n\n-\n\n0\n\nCorrectie 4.8. Managementfee retour\n\n8.677\n\n-\n\nCorrectie 4.9. Douchescherm\n\n-\n\n130\n\nCorrectie 4.10. Dubbel geboekte administratiekosten\n\n-\n\n-\n\nCorrectie 4.11. Privédeel administratiekosten\n\n-\n\n42\n\nCorrectie 4.12. Privégebruik auto\n\n6.533\n\n6.397\n\nTotaal na te heffen\n\n21.944\n\n15.793\n\n19. In punt 5.1.1. wordt voorts opgemerkt dat de naheffingsaanslag OB 2015 is opgelegd ter behoud van rechten ter grootte van € 26.002 en dat deze naheffingsaanslag ambtshalve wordt verminderd tot € 21.944.\n\n20. In punt 4.12 van het controlerapport wordt de correctie wegens privégebruik van de auto’s van belanghebbende toegelicht. In die toelichting staat:\n\n“De Citroen met kenteken [kenteken 1] is ter beschikking gesteld aan mevrouw [gemachtigde 2] .\n\nDe BMW met kenteken [kenteken 2] is ter beschikking gesteld aan de heer [gemachtigde 2] .\n\nInzake de fiat met kenteken [kenteken 3] werden tegenstrijdige verklaringen gegeven over wie in deze auto heeft gereden. In eerste instantie zou dat de dochter van de heer [gemachtigde 2] zijn. Later werd aangegeven dat de schoonzus van de heer [gemachtigde 2] in de auto heeft gereden. In 2017 is de berijder in ieder geval mevrouw [naam 2] , de schoonzus van de heer [gemachtigde 2] . In beide gevallen is de auto ter beschikking gesteld.\n\nDe Mercedes Benz met kenteken [kenteken 4] is ter beschikking gesteld aan mevrouw [gemachtigde 2] .\n\nDe Audi A8 met kenteken [kenteken 5] is ter beschikking gesteld aan de heer [gemachtigde 2] .\n\nVoor de jaren 2015 tot en met 2017 corrigeren wij tijdsgelang op basis van het forfait van 2,7%.\n\nBelanghebbende stelt in de reactie d.d. 22 september 2021 dat deze correctie moet worden berekend op basis van de door de belastingplichtige aangeleverde sluitende rittenadministratie, waarbij rekening dient te worden gehouden met de verhouding tussen de zakelijke en privé kilometers, in samenhang met de werkelijk in vooraftrek genomen omzetbelasting.\n\nBelanghebbende houdt echter geen administratie bij van de autokosten per auto. Zo wordt op de grootboekrekening autokosten niet vermeld op welke auto deze kosten betrekking hebben. Bovendien blijkt uit het rapport inzake loonheffingen dat belastingplichtige of geen rittenregistratie heeft aangeleverd (Citroen met kenteken [kenteken 1] en de Fiat met kenteken [kenteken 3] ) of dat de rittenregistratie niet betrouwbaar is (BMW [kenteken 2] , Mercedes-Benz [kenteken 4] , [kenteken 5] )\n\nUit de administratie blijkt dan ook niet in hoeverre de auto’s voor privédoeleinden zijn gebruikt. Omdat niet blijkt in hoeverre de auto’s voor privédoeleinden zijn gebruikt of welke kosten daaraan zijn toe te rekenen is het forfait als uitgangspunt genomen.”\n\n21. In punt 4.12 is de correctie wegens privégebruik auto voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 als volgt berekend:\n\n[afbeelding gepseudonimiseerd]\n\n22. In datzelfde punt is de correctie wegens privégebruik auto voor het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 als volgt berekend:\n\n[afbeelding gepseudonimiseerd]\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n23. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en of de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 en naheffingsaanslagen OB 2015 en 2016 terecht en tot de juiste hoogten zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n24. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot haar oordeel komt en welke gevolgen haar oordeel heeft.\n\nNavorderingsaanslag Vpb 2017\n\n25. Belanghebbende stelt dat de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens belanghebbende was het duidelijk dat zij ook bezwaren had met betrekking tot het jaar 2017, omdat zij bezwaren had ingediend met betrekking tot de andere jaren die in het onderzoek zijn meegenomen. Omdat het onderzoek de periode 2014 tot en met 2017 betrof, is het volgens haar logisch dat de bezwaren betrekking hadden op die hele periode. Dat de navorderingsaanslagen niet tegelijkertijd zijn verzonden kan niet aan belanghebbende worden toegerekend. Voor zover het bezwaarschrift te laat is ontvangen is de termijnoverschrijding volgens haar verschoonbaar gezien de connectie met de andere zaken.\n\n25. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit de overgelegde stukken volgt dat belanghebbende wel afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt tegen de navorderingsaanslagen 2014 tot en met 2016, maar niet tegen de navorderingsaanslag 2017. Uit die bezwaarschriften volgt ook niet dat belanghebbende mede heeft bedoeld bezwaar te maken tegen de navorderingsaanslag 2017. Daaraan doet niet af dat het volgens belanghebbende logisch is dat zij ook bezwaar had tegen de navorderingsaanslag 2017, aangezien voor het maken van bezwaar is vereist dat belanghebbende een bezwaarschrift indienten dat heeft belanghebbende ten aanzien van die navorderingsaanslag niet gedaan. Dat volgens belanghebbende sprake is van connectie met de andere jaren kan ook niet leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarvoor is vereist dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt als gevolg van een niet aan haar toe te rekenen omstandigheid. Belanghebbende heeft zelf niet de vereiste zorgvuldigheid betracht.\n\nInzage in de stukken\n\n27. Belanghebbende stelt dat zij niet in alle stukken inzage heeft gehad, omdat deze niet beschikbaar of bekend waren.\n\n27. Artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) strekt ertoe dat de gegevens die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter - en de wederpartij - beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door het bestuursorgaan moet worden overgelegd, dient aan dat verzoek te worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is.\n\n29. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. Belanghebbende heeft, mede gelet op de uitvoerige toelichting van de inspecteur, onvoldoende geconcretiseerd welke stukken die de inspecteur heeft gebruikt bij de voorbereiding van de besluitvorming ontbreken of welke informatie daaruit van belang kan zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. De rechtbank heeft alle geschilpunten kunnen beoordelen aan de hand van de (digitale) stukken die partijen in het geding hebben gebracht.\n\nEindgesprek\n\n30. Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen eindgesprek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek.\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de voorgenomen correcties en het voornemen om boetes op te leggen. Uit de stukken volgt dat belanghebbende (in de persoon van [gemachtigde 2] ) in een e-mail van 11 december 2020 heeft aangegeven dat hij geen prijs meer stelde op een eindgesprek. Daarnaast is het concept-rapport op 10 juni 2021 met begeleidend schrijven aan belanghebbende toegezonden en is belanghebbende in gelegenheid gesteld op de bevindingen in het controlerapport, waaronder het voornemen om boetes op te leggen, te reageren. Op 17 september 2021 is een bespreking over de boetes gepland op 29 september 2021. Belanghebbende heeft vervolgens op 22 september 2021 schriftelijk gereageerd, daarbij is tevens ingegaan op de aangekondigde boetes. Na overleg met belanghebbende is de bespreking van 29 september 2021 komen te vervallen.\n\nMotiveringsbeginsel\n\n32. Belanghebbende stelt dat de navorderingsaanslagen onvoldoende en onjuist zijn gemotiveerd.\n\n32. De inspecteur heeft de stelling van belanghebbende gemotiveerd betwist. Tegenover die betwisting heeft belanghebbende niks aangevoerd. Mede gelet op het controlerapport en de toelichtingen die daarin per correctie zijn opgenomen is de rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur het motiveringsbeginsel niet heeft geschonden.Managementfee retour\n\n34. Belanghebbende stelt dat zij in het verleden door [bedrijf 1] werd verplicht om boven een bepaalde debiteurenstand zelf geld bij te storten op de gemeenschappelijke rekening. [bedrijf 1] kon, zolang uitstaande facturen niet waren voldaan, de opbrengsten uit die facturen namelijk niet gebruiken als bedrijfskapitaal ter betaling van de lopende kosten. Om die reden moesten de vennoten zelf een waarborgsom betalen indien de debiteurenstand een bepaald grens\u002Fpercentage van het totaal overschreed. De waarborgsom werd pas terugbetaald zodra de openstaande facturen werden voldaan. Het betreft daarom een voorschotbetaling. De betaling van € 50.000 houdt verband met de waarborgsom die zij heeft voorgeschoten. Per saldo is met de transactie geen omzet gemaakt.\n\n34. Onder verwijzing naar de memoriaalboeking (punt 9.) stelt de inspecteur dat door de memoriaalboeking een negatief bedrag aan managementfee in aanmerking is genomen. De winst is dus verlaagd met € 41.322. Daarnaast is € 8.677 btw teruggevraagd. Ten slotte is de vordering op [gemachtigde 2] verminderd met € 50.000. Belanghebbende heeft volgens de inspecteur in 2015 een managementfee van [bedrijf 1] ontvangen. [bedrijf 1] heeft geen creditnota gezonden die betrekking heeft op de managementfee en die de memoriaalboeking verklaart.\n\n36. Uit de vastgestelde feiten volgt dat de inspecteur € 50.000 heeft gecorrigeerd in verband met een teruggeboekte management fee. Belanghebbende stelt dat zij die kosten wel daadwerkelijk heeft (terug)betaald. Deze stelling van belanghebbende vindt evenwel geen steun in de feiten. Zo is er geen creditnota die betrekking heeft op de managementfee. Het komt de rechtbank dan ook aannemelijk voor dat overboeking verband houdt met de waarborgsom. Het betreft hier een betaling, waarvan belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze in dit jaar tot aftrek kan leiden. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat zij tot een bedrag van € 50.000 een voorziening kon vormen, kan de rechtbank belanghebbende hierin evenmin volgen. Uit de overgelegde stukken volgt bijvoorbeeld niet dat tussen belanghebbende en [bedrijf 1] is gecorrespondeerd over die vergoeding en dat belanghebbende die betaling verschuldigd was. Ook op andere wijze is niet gebleken dat het waarschijnlijk is dat de uitgaven zich zullen voordoen.\n\nOmzet auto- en onkostenvergoeding\n\n37. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de auto- en onkostenvergoeding ten onrechte tot de winst heeft gerekend. Deze vergoeding was bestemd voor [gemachtigde 2] in privé. Dit is door [bedrijf 1] fiscaal afgestemd met de inspecteur en is door de accountant van [bedrijf 1] bevestigd. Daarnaast is de heffing over de vergoeding verlegd naar [bedrijf 1] . In punt 3.5.2 van het rapport loonheffingen staat “Uit praktische overwegingen hebben wij deze vergoedingen en verstrekkingen in overleg met [bedrijf 1] tot het loon bij de werkmaatschappij [bedrijf 1] gerekend”.\n\n37. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat er een geldstroom is geweest van [bedrijf 1] naar belanghebbende en dat die vergoeding niet bij [bedrijf 1] en evenmin bij belanghebbende in de heffing is betrokken. De rechtbank is van oordeel dat de auto- en onkostenvergoeding daarom terecht tot de winst is gerekend. Aan het controlerapport voor de loonheffingen kan geen vertrouwen worden ontleend, omdat de passage waarnaar belanghebbende verwijst betrekking heeft op een andere vergoeding dan de auto- en onkostenvergoeding. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel gelet op het gestelde overleg tussen [bedrijf 1] en de inspecteur kan dit evenmin slagen. Deze stelling is in het licht van de gemotiveerde betwisting door de inspecteur onvoldoende onderbouwd.\n\nAfschrijvingen vervoermiddelen\n\n39. Belanghebbende stelt dat bij de verkoop van de vervoermiddelen steeds een afwikkeling plaatsvindt met de Belastingdienst, al dan niet met gebruikmaking van de herinvesteringsreserve. Dat er geen restwaarde is gehanteerd bij de afschrijvingen leidt derhalve slechts tot een verschuiving van de belastingheffing. Het is daarnaast niet zeker dat de restwaarde van een auto 10% zou moeten zijn, omdat dat afhangt van de auto en het gebruik daarvan.\n\n39. De bewijslast om de omvang van de afschrijvingen aannemelijk te maken rust op belanghebbende. In die bewijslast is zij niet geslaagd. Belanghebbende heeft niet onderbouwd waarom de auto’s na vijf jaren geen (rest)waarde meer hebben. Dat het niet zeker is dat de restwaarde 10% zal bedragen, is daartoe onvoldoende. Bovendien heeft de inspecteur aan de hand van de inkoop- en verkoopprijzen van de Audi A8 en de BMW Roadster aannemelijk gemaakt dat een restwaarde van 10% zeker niet te hoog is.\n\nOmzet [bedrijf 3]\n\n41. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de omzet [bedrijf 3] ten onrechte tot de winst heeft gerekend.\n\n41. De inspecteur heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 tot de belastbare winst mede heeft gerekend omzet [bedrijf 3] van respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De inspecteur heeft deze correcties in beroep teruggenomen en de navorderingsaanslagen overeenkomstig ambtshalve verminderd. Daarmee is de vraag of de omzet [bedrijf 3] terecht tot de winst is gerekend niet langer in geschil. Wel zijn de beroepen om die reden gegrond en moeten de belastbare winsten en tevens de belastbaar bedragen van de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 worden verminderd met respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De opgelegde boetes moeten eveneens dienovereenkomstig worden verminderd.\n\nNaheffingsaanslagen OB 2015 en 2016: Auto- en onkostenvergoeding\n\n43. Belanghebbende betwist de correctie genoemd in punt 4.6 van het controlerapport, namelijk de correctie met betrekking tot de auto- en onkostenvergoeding. Deze kwestie hoort volgens haar thuis in de loonheffingssfeer en die vergoeding moet worden aangemerkt als een vergoeding die aan [gemachtigde 2] in privé toekomt. In overleg met [bedrijf 1] wordt die vergoeding ook al op het niveau van [bedrijf 1] belast. Om die reden is sprake van een dubbeltelling.\n\n43. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar standpunt en verwijst ter onderbouwing daarvan naar hetgeen zij daarover met betrekking tot de navorderingsaanslagen Vpb heeft overwogen (punt 38).Naheffingsaanslagen omzetbelasting 2015 en 2016: Privégebruik auto\n\n45. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ter zake van het privégebruik van verschillende auto’s ten onrechte naheffingsaanslagen heeft opgelegd. Volgens haar is geen sprake geweest van privégebruik. Zij stelt dat voor alle jaren een sluitende kilometeradministratie is aangeleverd, waaruit blijkt dat er nagenoeg niet privé is gereden. Er is alleen sprake geweest van woon-werkverkeer. Een correctie van de omzetbelasting is daarom niet aan de orde. Voor zover een correctie wel aan de orde is moet rekening gehouden worden met de verhouding tussen de zakelijk gereden kilometers en de in privé gereden kilometers in samenhang met de werkelijk in vooraftrek genomen omzetbelasting. Op 12 september 2025 heeft belanghebbende een overzicht verstrekt van de in aftrek gebrachte omzetbelasting. Met deze elementen heeft de inspecteur geen rekening gehouden. Belanghebbende verwijst verder naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017, waaruit volgens haar blijkt dat de omvang van het privégebruik van een bedrijfsauto in beginsel moet berusten op de werkelijke verhouding tussen de categorieën zakelijk\u002Fprivé.\n\n46. De inspecteur heeft de btw die verschuldigd is met betrekking tot de auto’s die tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende behoren vastgesteld met toepassing van het Besluit van 11 juli 2012. Uit het controlerapport voor de loonheffingen blijkt dat de onder 22. en 23. genoemde auto’s ter beschikking zijn gesteld en dat er privé mee is gereden. Uit het rapport loonheffingen en het verweerschrift voor de loonheffingen blijkt volgens de inspecteur ook duidelijk dat er geen sluitende kilometeradministratie is bijgehouden. Ten aanzien van het door belanghebbende verstrekte overzicht heeft de inspecteur ter zitting aangegeven dat in de bezwaarfase ook al een overzicht is verstrekt met andere cijfers, dat er geen onderbouwing van de cijfers is, dat hij niet kan vaststellen of de cijfers kloppen, dat hij het overzicht niet betrouwbaar vindt en dat hij verder verwijst naar de correcties die in de loonheffingen zijn aangebracht.\n\n47. Het gebruik van een tot een het bedrijf behorende auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel.De vergoeding waarover vervolgens omzetbelasting verschuldigd is wordt gesteld op de door de ondernemer voor het verrichten van de diensten gemaakte uitgaven.Als uit de kilometeradministratie niet blijkt in hoeverre de auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden is gebruikt en\u002Fof welke kosten daaraan zijn toe te rekenen, is onder voorwaarden onderdeel 2.2 van het Besluit van 11 juli 2012 van toepassing. Daarin is bepaald dat de btw verschuldigd als gevolg van de toepassing van artikel 4, tweede lid, letter a, van de Wet OB wordt vastgesteld op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm) van de desbetreffende auto.\n\n48. In het door belanghebbende genoemde arrest (punt 45.) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omvang van het privégebruik niet uitsluitend is vast te stellen aan de hand van een kilometeradministratie. Ingeval de administratie van een ondernemer geen gegevens bevat waaruit is af te leiden in hoeverre een goed voor privédoeleinden is gebruikt, moet de omvang van het privégebruik met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid worden bepaald. Bij deze beoordeling moeten omstandigheden in aanmerking worden genomen zoals de aard van de onderneming, de zakelijke doeleinden waarvoor het aangeschafte goed binnen die onderneming bruikbaar is, alsmede de positie en de werkzaamheden binnen de onderneming van degene die het goed gebruikt, en voorts hetgeen bekend is omtrent de wijze waarop het goed voor privédoeleinden mag worden gebruikt of is gebruikt zoals bijvoorbeeld voor woonwerkverkeer. Wanneer een beroep wordt gedaan op statistische gegevens, dient aan de hand van omstandigheden als hiervoor vermeld aannemelijk te worden gemaakt dat deze gegevens in het desbetreffende geval bruikbaar zijn.\n\n49. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de correctie wegens privégebruik van de auto’s terecht vastgesteld op basis van het Besluit. Uit het rapport loonheffingen, volgt dat belanghebbende weliswaar voor twee auto’s, te weten de Audi en de BMW, een rittenadministratie in Black Box heeft bijgehouden, maar dat deze later handmatig is aangepast. Voor de overige drie auto’s is geen rittenadministratie bijgehouden en heeft belanghebbende wisselende verklaringen afgelegd omtrent het gebruik. Dat [gemachtigde 2] , noch zijn echtgenote in privé gebruik maken van de auto’s acht de rechtbank, mede gelet op het ontbreken van een auto in privé bij beiden, niet aannemelijk. De door belanghebbende verstrekte overzichten zijn, gelet op het ontbreken van een toelichting, op het moment dat zij zijn overgelegd en op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet bruikbaar.\n\nZijn aan belanghebbende terecht boetes opgelegd?\n\nWettelijk kader\n\n50. Ingevolge artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Ingevolge artikel 67f van de AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet is betaald.\n\n51. In paragraaf 28, zesde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) is bepaald dat indien de bijtelling in verband met privégebruik niet heeft plaatsgevonden, de inspecteur een boete oplegt van 40% in geval van grove schuld en 80% in geval van opzet. In paragraaf 28, zevende lid, van het BBBB staat dat de boete indien sprake is van een onjuiste of onvolledige rittenadministratie wordt verhoogd naar 100% van de grondslag.\n\n52. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 8 april 2022⁷ dienen bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dat geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) . Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond. De stelplicht met betrekking tot die feiten en omstandigheden rust op de inspecteur, die deze vervolgens overtuigend zal moeten aantonen voor zover zijn stellingen worden betwist. Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.Daarvoor moet vaststaan (i) dat hij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).\n\nVergrijpboetes Vpb en OB\n\n53. Bij beschikking zijn de volgende vergrijpboetes Vpb opgelegd:\n\nVpb 2015\n\nOmzet [bedrijf 3] 50% van 20% van € 9.500 = € 950\n\nAuto-\u002Fonkostenvergoeding 50% van 20% van € 18.000 = € 1.800\n\nManagementfee retour 25% van 20% van € 41.322 = € 2.066\n\nVpb 2016\n\nAuto-\u002Fonkostenvergoeding 50% van 20% van € 18.000 = € 1.800\n\nTweede helft debiteurenregeling 25% van € 4.034 = € 1.008\n\nOmdat de correctie [bedrijf 3] is vervallen, is ook de daarbij behorende boete vervallen. Volgens de inspecteur moet de boete in verband met “Managementfee retour” tevens worden verminderd met € 104 tot € 1.962.\n\n54. Bij beschikking is de volgende vergrijpboete OB 2016 opgelegd:\n\nAuto-\u002Fonkostenvergoeding 50% van € 3.780 = € 1.890\n\nPrivégebruik auto 80% van € 6.397 = € 5.117\n\nTweede helft debiteurenregeling 25% van €4.334 = € 1.085\n\n55. Belanghebbende stelt dat de inspecteur voor de jaren 2015 en 2016 ten onrechte vergrijpboetes Vpb en OB heeft opgelegd. Hij heeft voor beide middelen de volgende gronden aangevoerd en de inspecteur heeft op deze gronden gereageerd.\n\nUna via en ne bis in idem\n\n56. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur handelt in strijd met het una via-beginsel en ne bis in idem-beginsel.\n\n57. Het una via-beginsel vindt zijn grondslag vindt in artikel 5:44 van de Awb. Op grond van die bepaling legt de inspecteur geen bestuurlijke boete op indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd. Uit het dossier volgt niet dat belanghebbende strafrechtelijk is\u002Fwordt vervolgd. Van schending van het una via beginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.\n\n58. Het ne bis in idem-beginsel vindt zijn grondslag in artikel 5:43 van de Awb. Op grond van die bepaling legt de inspecteur niet wegens dezelfde overtreding meerdere bestuurlijke boetes op. Uit het dossier volgt niet dat aan belanghebbende voor 2015 en 2016 andere bestuurlijke boetes zijn opgelegd dan de vergrijpboetes. Van schending van het ne bis in idem beginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Op cumulatie van de boetes zal hierna worden ingegaan.\n\nOnschuldpresumptie en nemo tenetur\n\n59. De vergrijpboete is volgens belanghebbende in strijd met het arrest Melo Tadeauopgelegd. Het uitgangspunt is de onschuldpresumptie. De inspecteur heeft die presumptie geschonden, omdat de inspecteur al bij het tweede gesprek uitging van schuld\u002Fverwijt. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur ook het nemo tenetur-beginsel geschonden, omdat niemand gehouden is bewijs tegen zichzelf te regelen. Belanghebbende is ondervraagd door de inspecteur, de heer [naam 3] , zonder voorafgaande melding en zonder belanghebbende te wijzen op het zwijgrecht. Vervolgens heeft de inspecteur een verdenking geuit en heeft hij besloten om het onderzoek uit te breiden. Het materiaal dat is verkregen is wilsafhankelijk materiaal. Dat materiaal is dus ten onrechte verkregen en mag niet worden meegenomen in de beoordeling of de vergrijpboete terecht is opgelegd.\n\n60. De inspecteur stelt dat de heer [naam 3] niet belast is geweest met het onderzoek in de Vpb en evenmin bij het vaststellen van de boeten in de Vpb en OB. Dit was de heer [gemachtigde 4] . De informatie waarop de boetes zijn gebaseerd, betreft volgens de inspecteur allemaal wilsonafhankelijke informatie. Het gaat hierbij om facturen, boekingen in de administratie, etc. Deze informatie betreft informatie die de belanghebbende op grond van artikel 47 van de AWR dient te verstrekken. Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat het nemo tenetur beginsel niet in de weg staat aan de verplichting om informatie te verschaffen voor een juiste belastingheffing.\n\n61. Naar het oordeel van de rechtbank is het Melo Tadeau-arrest niet van toepassing, omdat het arrest slechts van belang is wanneer zich een samenloop voordoet tussen een strafrechtelijke uitspraak en een fiscale procedure. Zoals eerder opgemerkt is belanghebbende niet strafrechtelijk vervolgd.\n\n62. De Hoge Raad heeft in het arrest van 8 augustus 2014het volgende overwogen:\n\n“2.4. (…)\n\nDit brengt mee dat de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal op grond van een wettelijke informatieverplichting (…) ter zake daarvan geen schending van artikel 6 opleveren, (…)\n\n2.5.\n\nVoor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (hierna: wilsafhankelijk materiaal), geldt het volgende. Voorop staat dat de verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal tevens in verband met een “criminal charge” tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt (vgl. EHRM 3 mei 2001, no. 31827\u002F96, J.B. tegen Zwitserland, BNB2002\u002F26), zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien. (...)”\n\n63. Voor zover door belanghebbende stukken uit de administratie heeft verstrekt, is sprake van wilsonafhankelijk materiaal en is het nemo tenetur- beginsel niet van toepassing.\n\nIn het controlerapport wordt ten aanzien van het privégebruik auto verwezen naar het rapport loonheffingen. Uit het rapport loonheffingen\n\nvolgt dat op 29 oktober 2018 een inleidend gesprek is gevoerd met de heer [gemachtigde 2] . In dat gesprek heeft [gemachtigde 2] over het privégebruik van de aanwezige auto’s een verklaring gegeven. Op 30 november 2018 heeft belanghebbende ordners met bankgegevens en rittenadministraties verstrekt. Op 30 november 2018 heeft de heer [naam 1] per e-mail aangegeven welke bijtelling voor privégebruik auto is toegepast en -voor zover bekend- welke auto’s het betreft. Tevens heeft de heer [naam 1] bericht omtrent de aanwezige auto’s en het gebruik. Op pagina 5 van het rapport is het volgende vermeld: “De aangeleverde rittenregistraties leverden de nodige vragen op”. De heer [gemachtigde 2] heeft op 10 december 2018 verklaard dat zijn vrouw in beide Mercedessen heeft gereden. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring Van de heer [gemachtigde 2] van 10 november 2018 en de verklaringen daarna als wilsafhankelijk materiaal moeten worden aangemerkt. Dat de verklaringen zijn afgelegd in het kader van het onderzoek naar de loonheffingen maakt dat niet anders, voor zover de verklaringen ook zijn gebruikt in het kader van het opleggen van de boete ten aanzien van het privégebruik auto voor de OB. Gelet op hetgeen op pagina 5 van het controlerapport is vermeld, had het op de weg van de inspecteur gelegen om belanghebbende op dat moment te wijzen op de gerezen twijfels en de mogelijke gevolgen daarvan, namelijk de mogelijkheid dat boetes zouden worden opgelegd. Op de gevolgen hiervan zal hierna worden ingegaan.\n\nBoete Vpb 2015 en 2016 en OB 2016: auto-\u002Fonkostenvergoeding\n\n64. De inspecteur stelt dat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , wist dat de vergoeding voor belanghebbende en niet voor [gemachtigde 2] bestemd was. Dat een medewerker van [bedrijf 1] een andersluidende verklaring zou hebben gegeven acht de inspecteur niet aannemelijk. Door de fiscale verwerking, te weten het verwerken van de vergoeding in rekening-courant met de aandeelhouder in plaats van als omzet, aan de administrateur voor te schrijven, heeft belanghebbende zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven. Subsidiair is sprake van grove schuld, omdat belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten of kunnen begrijpen dat haar handelen zou kunnen leiden tot het heffen van te weinig belasting. Dit geldt temeer gelet op de bij belanghebbende aanwezige kennis van het fiscale recht.\n\n65. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er in geslaagd overtuigend aan te tonen dat bij belanghebbende sprake was van opzet. Daarbij is van belang dat de bewijslast dat sprake was van opzet op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat zij niet heeft geweten dat het door haar behaalde resultaat niet in de heffing zou moeten worden betrokken. Belanghebbende heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de vergoedingen daadwerkelijk aan [gemachtigde 2] toekwamen. De enkele door de administrateur afgelegde verklaring maakt dat niet anders omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , wist dat deze verklaring niet kon kloppen. Door desalniettemin de administrateur de opdracht te geven de vergoedingen in rekening-courant met de aandeelhouder te verwerken, heeft belanghebbende geweten dat te weinig belasting zou worden geheven. Onder deze omstandigheden is het aan de opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven.\n\n66. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2015 moet worden verminderd tot € 1.530 , de boete Vpb 2016 moet worden verminderd tot € 1.530 en de boete OB 2016 tot €1.606.\n\nBoete Vpb 2015 managementfee retour\n\n67. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van grove schuld. Aangezien aan de memoriaalboeking geen facturen, bankafschriften of andere bescheiden ten grondslag liggen, is het volgens de inspecteur uitgesloten dat de administrateur deze boeking op eigen initiatief is gemaakt. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om aan de administrateur duidelijke instructies te geven over de boeking. Nu hij dit heeft verzuimd, is sprake van grove schuld.\n\n68. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van grove schuld. Omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , zich als fiscaal advocaat had kunnen realiseren dat de managementfee slechts mocht worden teruggeboekt als onderliggende stukken, zoals creditnota’s van [bedrijf 1] en\u002Fof betalingen door [gemachtigde 2] namens belanghebbende aan [bedrijf 1] , daartoe aanleiding gaven, maar zich verder niet de moeite heeft getroost de onderliggende stukken te vergaren en zich ook verder niet heeft vergewist van de juistheid van haar handelwijze, had zij redelijkerwijs kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg zou kunnen hebben dat te weinig belasting zou worden geheven.\n\n69. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2015 moet worden verminderd tot € 1.667 (85% van € 1.962).\n\nBoete Vpb en OB 2016 tweede helft debiteurenregeling\n\n70. De inspecteur stelt dat sprake is van grove schuld. Door de onder punt 7. vermelde boeking is de winst verlaagd met € 20.661, terwijl aan de boeking geen facturen of andere bescheiden ten grondslag liggen. Bij de bankafschrijving staat “afl. lening”. Dit kan volgens de inspecteur niets anders betekenen dan “aflossing lening”. De inspecteur acht het uitgesloten dat de administrateur dit op eigen houtje op de winst- en verliesrekening heeft geboekt, dit moet op initiatief van belanghebbende zijn gebeurd. De verklaring van belanghebbende dat de boeking in overleg met [bedrijf 1] is geschied en op basis van een creditnota, acht de inspecteur niet aannemelijk.\n\n71. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van grove schuld. Omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , zich als fiscaal advocaat had kunnen realiseren dat de managementfee slechts mocht worden teruggeboekt als onderliggende stukken, zoals creditnota’s van [bedrijf 1] , daartoe aanleiding gaven, maar zich verder niet de moeite heeft getroost de onderliggende stukken te vergaren en zich ook verder niet heeft vergewist van de juistheid van haar handelwijze, had zij redelijkerwijs kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg zou kunnen hebben dat te weinig belasting zou worden geheven.\n\n72. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2016 moet worden verminderd tot € 856 en de boete OB 2016 moet worden verminderd tot € 922.\n\nBoete OB privégebruik auto\n\n73. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende meerdere auto’s voor privédoeleinden ter beschikking heeft gesteld aan [gemachtigde 2] en zijn familieleden. Uit het rapport loonheffingen volgt dat belanghebbende weliswaar voor twee auto’s, te weten de Audi en de BMW een rittenadministratie in Black Box heeft bijgehouden, maar dat deze later handmatig zijn aangepast, dat voor de resterende auto’s geen rittenadministratie is bijgehouden en dat de rittenadministraties meerdere malen door belanghebbende zijn aangepast. Voorts heeft de inspecteur meerdere omissies in de rittenadministraties vastgesteld en aangetoond dat op jaarbasis met meerdere auto’s meer dan 500 kilometer in privé is gereden. Door deze handelwijze kan naar het oordeel van het rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat [gemachtigde 2] zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat met betrekking tot de ter beschikking gestelde auto’s ten onrechte geen loonheffing ter zake van het privégebruik zou worden geheven en dat hij dat gevolg niettemin bewust heeft aanvaard. Van belang is daarbij tevens dat [gemachtigde 2] zelf heeft verklaard dat hij werkzaamheden als fiscaal jurist verricht. Derhalve is sprake van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van belanghebbende. De stelling van belanghebbende dat hij zelf geen inhoudelijke administratieve handelingen heeft verricht strookt niet met de verklaring van [gemachtigde 2] tijdens het inleidend gesprek bij het boekenonderzoek, namelijk dat hij zelf de input levert voor de financiële administratie en de loonadministratie. De in punt 64. geconstateerde schending van het nemo tenetur-beginsel heeft geen gevolgen voor de boete omdat de boeteoplegging voornamelijk is gebaseerd op verklaringen van de boekhouder en andere bij het onderzoek verkregen informatie, zoals de agenda en de bekeuringen. De inspecteur heeft, gelet op het bepaalde in artikel 67f van de AWR, mitsdien terecht een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd. Anders dan belanghebbende stelt kan voor elk jaar en voor meerdere middelen een boete worden opgelegd. De rechtbank ziet daarin wel aanleiding om de boete van 80% naar 25% te verlagen. Daarmee is tevens voldoende rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De boete wordt dus verminderd van € 5.117 met € 3.518 tot een bedrag van € 1.599.\n\nBelastingrente\n\n74. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Omdat de beroepen inzake de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 gegrond zijn in verband met het vervallen van de correcties [bedrijf 3] , moeten de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig worden verminderd. De beschikkingen belastingrente inzake de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 moeten eveneens worden verminderd overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n75. Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van de door haar geleden immateriële schade in verband met de lange behandelingsduur van haar zaken.\n\n76. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016en 14 juni 2024. Op grond van het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen.\n\n77. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat voor alle zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar moet worden gehanteerd. Omdat de rechtsmiddelen niet tegelijkertijd zijn aangewend rekent de rechtbank voor de mate van overschrijding van de redelijke termijn vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dat is in dit geval het bezwaar van 29 december 2020 tegen de navorderingsaanslag Vpb 2014. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is afgerond 66 maanden. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met 42 maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 3.500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur is van 7 december 2023. Dit is langer dan de termijn van zes maanden die voor hem geldt. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 2.500 (30\u002F42 x € 3.500). aan belanghebbende te vergoeden. De Staat moet het resterende bedrag vergoeden, namelijk € 1.000 (12\u002F42 x € 3.500).\n\n Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\nConclusie en gevolgen\n\n78. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar inzake de Vpb over de jaren 2014 tot en met 2016 zijn gegrond. De navorderingsaanslag Vpb 2014 wordt verminderd tot naar een belastbare winst van (€ 116.579 -\u002F- € 11.495=) € 105.084. De navorderingsaanslag Vpb 2015 wordt verminderd tot naar een belastbare winst van (€ 87.880 -\u002F- € 9.500=) € 78.380. De beschikkingen belastingrente worden dienovereenkomstig verminderd. De vergrijpboete Vpb 2015 wordt verminderd tot € 1.667. De vergrijpboete 2016 wordt verminderd tot € 2.386. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de Vbp over het jaar 2017 is ongegrond. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de OB over het jaar 2016 is gegrond, uitsluitend voor zover het boete betreft. De rechtbank vermindert de boete tot een bedrag van € 4.127. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de OB over het jaar 2015 is ongegrond. Omdat de beroepen (deels) gegrond zijn, krijgt belanghebbende een vergoeding van haar griffierecht. Ook moet de inspecteur de door haar gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt die vergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.800 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1,5 vanwege vier of meer samenhangende zaken).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2014 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvermindert de navorderingsaanslag Vpb 2014 tot naar een belastbare winst van € 105.084;\n\nbepaalt dat de beschikking belastingrente overeenkomstig wordt verminderd;\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2015 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvermindert de navorderingsaanslag Vpb 2015 tot naar een belastbare winst van € 78.380;\n\nbepaalt dat de beschikking belastingrente overeenkomstig wordt verminderd;\n\nvermindert de vergrijpboete Vpb 2015 tot € 1.667;\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2016 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar, maar uitsluitend voor zover het de boete betreft;\n\nvermindert de vergrijpboete Vpb 2016 tot € 2.386;\n\nverklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag OB voor het jaar 2016 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar, maar uitsluitend voor zover het de boete betreft;\n\nvermindert de vergrijpboete OB 2016 tot € 4.127;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde (delen van de) uitspraken op bezwaar;\n\nverklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\nveroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2.500;\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;\n\nveroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 4.800;\n\nbepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 371 vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en mr. R. van der Struijk, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.\n\nUitgesproken op 1 juli 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 6:4 van de Awb.\n\n Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.\n\n³ ECLI:NL:HR:2017:711\n\n Nr. BLKB 2012\u002F639M, Staatscourant 2012, 14822.\n\n⁵ Artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).\n\n⁶ Artikel 8, zevende lid, van de Wet OB.\n\n⁷ ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n EVRM 23 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510.\n\n EHRM 10 september 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0910DEC00765401.\n\n ECLI:NL:HR:2014:2144.\n\n ECLI:NL:HR:2026:59.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5191","2026-07-13T00:28:27.623Z",{"id":44,"ecli":45,"slug":46,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":47,"fullText":48,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":34,"updatedAt":50},"743","ECLI:NL:RBGEL:2026:2380","ecli-nl-rbgel-2026-2380","2026-03-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F6904\n\nuitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 maart 2026\n\nin de zaak tussen\n\n [belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende\n\n(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 mei 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende een teruggaafbeschikking omzetbelasting (OB) voor het tweede kwartaal 2023 gegeven van € 31.041.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de teruggaafbeschikking gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Hierop heeft belanghebbende gereageerd bij nader stuk van 15 februari 2026.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [persoon A], alsmede haar gemachtigden. Namens de inspecteur hebben deelgenomen, [persoon B], [persoon C] en [persoon D].\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is een instelling die zich richt op het tegen vergoeding bieden van opvang en ondersteuning aan mensen met een verstandelijke beperking (de cliënten). Belanghebbende houdt zich tevens bezig met het tegen een zakelijke vergoeding verkopen en leveren van goederen aan derden, bijvoorbeeld vogelhuisjes, tassen, sjaals, en bakkerijproducten. Daarnaast verricht belanghebbende tegen een zakelijke vergoeding diensten aan derden, zoals verpakkings-, montage- en sorteerwerkzaamheden. Belanghebbende ontplooit haar activiteiten (zowel de opvang- als de commerciële activiteiten) vanuit diverse locaties. Dit kunnen zowel gehuurde locaties zijn, als locaties die zij in eigendom heeft.\n\n2. Belanghebbende heeft in 2021 opdracht gegeven aan [naam bedrijf 1] voor het ontwikkelen en realiseren van een nieuw gebouwencomplex aan de [locatie 1] in [plaats 2] (het complex). Voor de ontwikkelings- en realisatiekosten, waaronder de kosten voor de ingeschakelde aannemer, notaris, ontwerpkosten en sloopkosten (in totaliteit: de bouwkosten) heeft belanghebbende inkoopfacturen ontvangen vermeerderd met OB. De oplevering en eerste ingebruikname van het complex stond gepland voor november 2024.\n\n3. Het complex is vervaardigd op een perceel van belanghebbende en heeft een totale (binnen) vloeroppervlakte van 2.162 m2. Tijdens de bouw van het complex was het de bedoeling om ruimtes voor de volgende afdelingen te bouwen:\n\nAfdeling\n\nOppervlakte in m2\n\nPercentage\n\nZelfstandig?\n\n1\n\nIndustrieel werk\n\n411,80\n\n19,04\n\nJa\n\n2\n\nOp Maat (incl. balkon)\n\n445,30\n\n20,59\n\nJa\n\n3\n\nKleurmeesters\n\n341,90\n\n15,81\n\nJa\n\n4\n\nTextielatelier\n\n87,50\n\n4,05\n\nJa\n\n5\n\nServicebureau\n\n518,70\n\n23,99\n\nNee\n\n6\n\nAlgemene ruimten\n\n357,30\n\n16,52\n\nNee\n\nTotaal\n\n2.162,50\n\n100,00\n\nBuitenruimten\n\n7,30\n\nDe afdelingen Industrieel werk, Kleurmeesters en Textielatelier (nummers 1, 3 en 4) (de zelfstandige productieruimten) waren bestemd om de cliënten bij wijze van hun dagbesteding goederen te laten produceren voor de verkoop en\u002Fof diensten aan derden te laten verrichten.Op de afdeling ‘Op Maat’ (nummer 2) verblijven de cliënten die zich niet bezig houden met het produceren van goederen bestemd voor de verkoop en\u002Fof het verrichten van dienstverlening. Die cliënten hebben in deze ruimte een andere wijze van dagbesteding.\n\n4. Op 31 juli 2023 heeft belanghebbende aangifte OB over het tweede kwartaal 2023 gedaan. In die aangifte is een bedrag aan voorbelasting vermeld van € 56.561. Dit bedrag is bepaald aan de hand van de zogenoemde ‘omzet pro rata’. De aangifte resulteert in een verzoek om teruggaaf van € 31.041.\n\n5. Bij beschikking met dagtekening 25 augustus 2023 heeft de inspecteur de gevraagde teruggaaf verleend. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de inspecteur op 6 oktober 2023. In haar motivering van het bezwaar van 6 december 2023 heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om de teruggaaf OB over het tweede kwartaal 2023 op € 32.285 vast te stellen. Dit op basis van de in het verleden met de Belastingdienst gemaakte afspraken over de btw-handelwijze ten aanzien van andere locaties van waaruit belanghebbende haar activiteiten verrichtte. Vervolgens hebben partijen hun standpunten uitgewisseld.\n\n6. Op 28 maart 2024 heeft het hoorgesprek in bezwaar plaatsgevonden. Hiervan is een verslag met datum 11 april 2024 opgemaakt. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 18 april 2024.\n\n7. Partijen hebben de volgende op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd:\n\na. Een voorstel van belanghebbende van 18 maart 1996 inzake de aftrek van voorbelasting op de kosten van de verschillende panden van belanghebbende. Hierin is het volgende vermeld:\n\n“Geachte heer [persoon E],\n\nHierbij doen wij u een voorstel inzake de verdeling van de kosten i.v.m. de BTW toekenning naar m2 in de verschillende panden van de Stichting \"[belanghebbende]\"\n\n [naam bedrijf 2] te [plaats 3]\n\n- locatie [locatie 2], totaal 690 m2\n\n produktieruimten 270 m2 is dus 39%\n\n- locatie [locatie 3],\n\n volledig produktieruimte is dus 100%\n\n [naam bedrijf 3] te [plaats 1]\n\n - locatie [locatie 4] totaal 1302 m2\n\n produktieruimten 272 m2 is dus 21%\n\n - locatie [locatie 5] totaal 440 m2\n\n produktieruimten 222 m2 is dus 50%\n\nOp dit moment zijn wij druk doende met een opzet van 1994 en 1995 zodat wij over deze jaren zo spoedig mogelijk aangifte kunnen doen. In afwachting van uw berichten, teken ik, met vriendelijke groeten,\n\n [persoon F]\n\ndirecteur”\n\nEen akkoord van de Belastingdienst Ondernemingen, kantoor [plaats 4], van\n\n21 maart 1996 in reactie op het hiervoor genoemde voorstel. Hierin is het volgende vermeld:\n\n“Geachte heer [persoon F],\n\nNaar aanleiding van uw brief van 18 maart 1996 deel ik u het volgende mede.\n\nOndanks dat ik niet alle onroerende zaken van de stichting zelf in ogenschouw heb genomen ga ik onder voorbehoud van correctie bij later onderzoek akkoord met de voorgestelde percentages.\n\n(…)”\n\nEen rapport van het onderzoek van de Belastingdienst Ondernemingen, kantoor [plaats 4], van 19 september 1996, naar de suppletie-aangiften OB over de tijdvakken 1994 en 1995 van belanghebbende. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\nDe cijfers van de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 1994 t\u002Fm 31 december 1995 sloten geheel aan met de vervaardigde recapitulaties van de voorbelasting over de jaren 1994 en 1995. Steekproefgewijze controle op de in mindering gebrachte voorbelasting en de aanwezige facturen gaf geen aanleiding tot correcties. Met de voorgestelde aftrekpercentages die bij het gemengd gebruik werden gehanteerd kan accoord worden gegaan.\n\n(…)”\n\nEen voorstel van belanghebbende van 12 november 2007 inzake de aftrekpercentages bij gemengd gebruik. In dit voorstel is het volgende vermeld:\n\n“Geachte heer, mevrouw,\n\nIn een rapport van uw dienst d.d. 19 september 1996 opgesteld door de heer [persoon G] is aangegeven dat akkoord kon worden gegaan met de door ons voorgestelde aftrekpercentages van de voorbelasting die bij gemengd gebruik worden gehanteerd. Deze aftrekpercentages zijn gebaseerd op het percentage van het vloeroppervlak op een locatie die gebruikt wordt voor de belaste activiteiten en is van toepassing op de indirecte kosten die gemaakt zijn ten behoeve van zowel de belaste als niet belaste activiteiten.\n\nInmiddels zijn er meer dan tien jaren verstreken en hebben er een aantal wijzigingen voorgedaan bij [belanghebbende]. Er zijn met name een aantal belaste activiteiten verhuist naar een eigen locatie. Voor zover de wijzigingen van invloed waren op de aftrekbaarheid van de voorbelasting is dit verwerkt in onze administratie en de daaruit voortvloeiende aangiftes.\n\nUit hoofde van mijn verantwoordelijkheid als hoofdadministratie zou ik het prettig vinden als u opnieuw een akkoord zou willen geven voor onze huidige manier van aftrekken van voorbelasting. Als bijlage stuur ik u daarvoor een overzicht van grootboekrekeningen en kostenplaatsen (locaties) met de gehanteerde percentages van aftrek van voorbelasting.\n\nDe belaste activiteiten vinden plaats op de volgende locaties:\n\nAdres\n\nPlaats\n\nKst.pl\n\nActiviteit\n\naftrek\n\nvoor-\n\nbelasting\n\n [locatie 3]\n\n [plaats 3]\n\n [perceelnr. 1]\n\nZuivelboerderij\n\n100%\n\n [locatie 6]\n\n [plaats 3]\n\n [perceelnr. 2]\n\nWinkel met koffie corner\n\n100%\n\n [locatie 2]\n\n [plaats 3]\n\n [perceelnr. 3]\n\nWinkel\n\n100%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 4]\n\nPapierschepperij\n\n100%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 5]\n\nKaarsenmakerij\n\n100%\n\n [locatie 7]\n\n [plaats 5]\n\n [perceelnr. 6]\n\nHoutwerkplaats\n\n100%\n\n [locatie 8]\n\n [plaats 5]\n\n [perceelnr. 7]\n\nTextielatelier\n\n100%\n\n [locatie 9]\n\n [plaats 6]\n\n [perceelnr. 8]\n\nBakkerij en winkel\n\n100%\n\n [locatie 10]\n\n [plaats 1]\n\n [perceelnr. 9]\n\nKwekerij [naam kwekerij]\n\n100%\n\n [locatie 11]\n\n [plaats 1]\n\n [perceelnr. 10]\n\nIndustrieel werk\n\n100%\n\n [locatie 4]\n\n [plaats 1]\n\n [perceelnr. 11]\n\nWinkel\n\n34%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 12]\n\nCreatief atelier\n\n34%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 13]\n\nStofbedrukken\n\n34%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 14]\n\nWasserette\n\n34%\n\n [naam bedrijf 2] aan de [locatie 2] te [plaats 3] is gesplitst in een logeerhuis, productieruimten en een winkeltje. In het dagactiviteitencentrum vinden geen onbelaste activiteiten meer plaats.\n\nHoogachtend,\n\n [persoon H]\n\nHoofd administratie\n\nBijlagen:\n\n- Overzicht grootboekrekeningen\n\n- Berekening 34% oppervlakte locatie [locatie 4] is t.b.v. productie\n\n- Rapport Belastingdienst d.d. 19 september 1996 akkoord percentages\n\n- Brief Belastingdienst d.d. 21 maart 1996 akkoord onder voorbehoud\n\n- Brief [belanghebbende] d.d. 18 maart 1996 met voorstel percentages\n\n- Brief Belastingdienst d.d. 29 september 1995 vaststelling belastingplicht”\n\nEen controlerapport van een boekenonderzoek onder belanghebbende. Het rapport is van de Belastingdienst Oost, kantoor [plaats 4], en heeft datum 18 maart 2009. In het rapport is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\n2 Beperkingen boekenonderzoek\n\nVoor de omzetbelasting heeft het boekenonderzoek zich beperkt tot het:\n\n- Waarnemen van de actuele bedrijfsactiviteiten;\n\n- Inwinnen van informatie die van belang is voor de beoordeling van het percentage van aftrekbaarheid van de voorbelasting.\n\nDe juistheid van de voorbelasting en de volledigheid van de afgedragen omzetbelasting is derhalve niet beoordeeld.\n\n2.1 Rechtsvorm\n\nHet betreft een stichting, genaamd [belanghebbende] met als doelstelling de opvang en begeleiding van verstandelijk gehandicapten in zuidwest [plaats 7]. In het kader van deze opvang worden diverse bedrijfjes geëxploiteerd, zowel op de hoofdvestiging in [plaats 1] als in de regio. Hierna is een opsomming van de verschillende locaties met haar hoofdactiviteit opgenomen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de website van de Stichting, [website].\n\n(…)3. Omzetbelasting\n\nDe hoofdactiviteiten van de stichting, de opvang en begeleiding van verstandelijk gehandicapten, zijn vrijgesteld ingevolge artikel 11 lid 1, letter f, Wet Omzetbelasting samen met artikel 7 lid 1 besluit bijlage B post b12. Het produceren, verkopen en bezorgen van allerlei producten aan diverse afnemers is geen prestatie die valt onder de vrijstelling. Dit standpunt van de Belastingdienst is verwoord in de brief van 29 september 1995 aan de Stichting t.a.v. de heer [persoon F].\n\n3.1. Verzoek\n\nIn de brief van 12 november 2007 verzoekt de Stichting om bevestiging van de toentertijd gemaakte afspraak voor wat betreft het aftrekbare deel voorbelasting met betrekking tot het gemengd gebruik. De aftrekpercentages zijn hierbij gebaseerd op het vloeroppervlak van een locatie met belaste activiteiten. Ter toelichting zijn volgende bescheiden door de Stichting verstrekt:\n\n- Jaarrekening 2007;\n\n- Btw-berekening 2007;\n\n- Gedetailleerde \"aansluiting afdracht BTW met omzet 2007\";\n\n- \"Overzicht voor bepaling voorbelasting [belanghebbende]\".\n\n3.2. Conclusie\n\nOp basis van bovengenoemde specificaties en de gepresenteerde cijfers wordt toegestaan dat de toegepaste percentages bij ongewijzigde omstandigheden tot nadere afspraak worden gehanteerd.\n\n(…)”\n\n Een plattegrond van het complex met oppervlakten en benamingen van de diverse ruimten (bijlage 15 bij het verweerschrift).\n\n De jaarrekening 2023 van belanghebbende. De toelichting op de resultaatsrekening bij die jaarrekening luidt voor zover relevant als volgt:\n\n“(…)\n\nBEDRIJFSOPBRENGSTEN\n\n13. Netto omzet 2023 2022\n\nDe specificatie is als volgt: € €\n\nWet langdurige zorg 19.795.617 17.991.371\n\nWet maatschappelijke ondersteuning 1.824.048 2.060.882\n\nJeugdwet 1.786.735 1.546.393\n\nZorggerelateerde coronacompensatie 0 479.223\n\nBaten uit onderaanneming 89.133 93.763\n\nOverige baten uit beroeps- of bedrijfsmatige zorgverlening 80.994 90.976\n\nTotaal 23.576.527 22.262.608\n\n(…)\n\n14. Overige bedrijfsopbrengsten\n\nDe specificatie is als volgt: 2023 2022\n\n € €\n\nOpbrengsten uit Winkelverkopen 757.752 736.849\n\nVerhuuropbrengsten 5.772 2.774\n\nOverige baten 7.864 188\n\nBeschikbaarheidsbijdragen Opleidingen 79.575 49.903\n\nOverige subsidies 109.354 29.799\n\nTotaal 960.317 819.513\n\n(…)”\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n8. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een hogere teruggaaf dan de teruggaaf die is verleend naar aanleiding van de aangifte over het tweede kwartaal van 2023. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. De hoogte van de pro rata is in geschil, waarbij in de kern de vraag is of de zelfstandige productieruimten uitsluitend voor belaste prestaties worden gebruikt en dus volledig recht geven op aftrek van de omzetbelasting op de bouwkosten daarvan.\n\nVooraf\n\n9. Belanghebbende maakt een onderscheid tussen de zelfstandige productieruimten ‘Industrieel werk’, ‘Kleurmeesters’ en ‘Textielatelier’ (de nummers 1,3 en 4 op de lijst bij punt 3.) en de niet-zelfstandige ruimten, ‘Service bureau’ en ‘Algemene ruimten’ (de nummers 5 en 6 op de lijst bij punt 3.). De inspecteur volgt het door belanghebbende gemaakte onderscheid tussen zelfstandige productieruimten en niet-zelfstandige ruimten. De kwalificaties ‘zelfstandig’ en ‘niet-zelfstandig’ zijn voor de toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet OB) ook niet in geschil. Evenmin is in geschil dat voor de afdeling ‘Op Maat’ (nummer 2 op die lijst) in het geheel geen recht op aftrek van voorbelasting op de bouwkosten bestaat. Die ruimte wordt volledig gebezigd voor vrijgestelde prestaties. Ten slotte is niet in geschil dat de niet-zelfstandige ruimten als ‘gemengde’ ruimten in de zin van de Wet OB en de daarop gebaseerde regelgeving dienen te worden aangemerkt.\n\n10. In haar nader stuk van 15 februari 2026 heeft belanghebbende aangegeven dat (in afwijking van het beoogd gebruik) na oplevering en ingebruikneming van het complex het ‘Textielatelier’ is veranderd in ‘Medialab’ en dat deze ruimte vooralsnog niet wordt gebruikt voor belaste (commerciële) prestaties. Voor de voorliggende procedure is die wijziging echter niet van belang, omdat het bij de beoordeling van de hoogte van het teruggaafverzoek gaat om het beoogd gebruik ten tijde van het doen van aangifte OB over het tweede kwartaal 2023.\n\nWettelijk kader\n\n11. Artikel 168, aanhef en onderdeel a, van de BTW-richtlijnbepaalt als volgt:\n\n“Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken:\n\na) de BTW die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht;\n\n(…)”\n\n12. Artikel 173, eerste lid, van de BTW-richtlijn bepaalt als volgt:\n\n“Voor goederen en diensten die door een belastingplichtige zowel worden gebruikt voor de in de artikelen 168, 169 en 170 bedoelde handelingen, waarvoor recht op aftrek bestaat, als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, wordt aftrek slechts toegestaan voor het gedeelte van de BTW dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen (evenredige aftrek).\n\nHet aftrekbare gedeelte wordt overeenkomstig de artikelen 174 en 175 bepaald voor het totaal van de door de belastingplichtige verrichte handelingen.”\n\n13. Artikel 15 van de Wet OB luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“1. De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is:\n\na. de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur; (…) een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.\n\n(…)\n\n6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de aftrek van belasting, ingeval goederen en diensten door de ondernemer mede worden gebruikt anders dan voor belaste handelingen of anders dan voor de handelingen, bedoeld in het tweede lid. Daarbij wordt tevens rekening gehouden met wijzigingen in het gebruik van onroerende zaken, bedoeld in het eerste lid, laatste alinea. Voorts kan daarbij worden bepaald dat het afstoten van goederen welke de ondernemer in zijn bedrijf heeft gebruikt, buiten aanmerking wordt gelaten.”\n\n14. Artikel 11 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (de uitvoeringsbeschikking) luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“1. De aftrek van de in artikel 15 van de wet bedoelde belasting (voorbelasting) geschiedt, ingeval de ondernemer zowel handelingen verricht waarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat als handelingen verricht waarvoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, met inachtneming van het volgende:\n\na. van goederen en diensten, die uitsluitend worden gebruikt voor handelingen waarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat, komt de voorbelasting geheel voor aftrek in aanmerking;\n\nb. van goederen en diensten, die uitsluitend worden gebruikt voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, komt de voorbelasting in het geheel niet voor aftrek in aanmerking;\n\nc. met betrekking tot goederen en diensten die zowel voor de onder a als voor de onder b bedoelde handelingen worden gebruikt, komt voor aftrek in aanmerking het gedeelte van de voorbelasting dat in dezelfde verhouding staat tot die belasting als het totaal van de vergoedingen voor de handelingen bedoeld onder a staat tot het totaal van de vergoedingen voor de handelingen bedoeld onder a en onder b.\n\n2. Indien aannemelijk is dat het werkelijke gebruik van de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goederen en diensten, als geheel genomen, niet overeenkomt met de aldaar bedoelde verhouding, wordt het voor aftrek in aanmerking komende gedeelte van de voorbelasting van die goederen en diensten berekend op basis van het werkelijke gebruik.\n\n(…)”\n\n15. Artikel 12 van de uitvoeringsbeschikking luidt:\n\n“1. De in artikel 11 voorgeschreven berekeningswijze geschiedt op basis van de gegevens van het belastingtijdvak waarin de belasting aan de ondernemer in rekening wordt gebracht dan wel de belasting wordt verschuldigd.\n\n2. De herziening, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de wet, geschiedt op basis van de gegevens van het belastingtijdvak waarin de ondernemer de goederen of diensten is gaan gebruiken.\n\n3. Bij de aangifte over het laatste belastingtijdvak van het boekjaar vindt herziening van de aftrek plaats op basis van de voor het gehele boekjaar geldende gegevens.”\n\n16. Artikel 13, eerste lid, van de uitvoeringsbeschikking luidt:\n\n“In afwijking van artikel 11 worden voor de toepassing van de aftrek afzonderlijk in aanmerking genomen:\n\na. onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen;\n\nb. roerende zaken waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft, of waarop hij zou kunnen afschrijven indien hij aan een zodanige belasting zou zijn onderworpen;\n\nc. investeringsdiensten waarvan de vergoeding ten minste € 30.000 bedraagt.”\n\nZelfstandige productieruimten\n\n17. De rechtbank zal hierna eerst de standpunten van partijen over de omvang van het recht op aftrek van voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten (de nummers 1,3 en 4 op de lijst bij punt 3.) behandelen en een oordeel daarover geven.\n\nPrimaire standpunt belanghebbende – volledig recht op aftrek\n\n18. Volgens belanghebbende worden de zelfstandige productieruimten gebruikt met als doel het verrichten van belaste activiteiten, zijnde het tegen vergoeding verkopen en leveren van goederen, zoals vogelhuisjes, tassen, sjaals, en bakkerijproducten, en het tegen vergoeding verrichten van diensten, zoals montage-, sorteer-, en verpakkingswerkzaamheden. De productieruimten zijn volgens belanghebbende ontworpen en ingericht om deze belaste activiteiten te kunnen uitvoeren en worden ook als zodanig feitelijk gebruikt. Volgens belanghebbende worden de bouwkosten van de productieruimten bovendien feitelijk doorberekend in de vergoedingen aan derden-afnemers die belanghebbende voor deze commerciële activiteiten ontvangt van die derden. Gelet op het voorgaande is belanghebbende van mening dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de gemaakte bouwkosten van de zelfstandige productieruimten en de belaste prestaties die vanuit deze productieruimten worden verricht. De desbetreffende bouwkosten zouden door belanghebbende niet zijn gemaakt, indien de belaste commerciële activiteiten niet (vrijwillig) door haar zouden zijn ontplooid. Dat er cliënten werkzaam zijn in die ruimten maakt niet uit, aldus belanghebbende.\n\n19. De inspecteur betwist dat belanghebbende de productielocaties uitsluitend gebruikt met als doel het verrichten van belaste activiteiten. Het hoofddoel van de productieruimten is immers de dagbesteding van cliënten. De voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten is zowel toerekenbaar aan belaste prestaties, als aan vrijgestelde prestaties en daarom is die voorbelasting slechts gedeeltelijk aftrekbaar, aldus de inspecteur. Die aftrek is door de inspecteur berekend op 4% op basis van de pro rata naar omzetverhoudingen.\n\n20. In zijn arrest van 15 juni 2012heeft de Hoge Raad het volgende overwogen (r.o. 3.3):\n\n“(…)Voorts rust in het algemeen op de ondernemer de last feiten te stellen en in geval van gemotiveerde betwisting te bewijzen waaruit met toepassing van de relevante rechtsregels volgt of en zo ja in hoeverre goederen of diensten door hem worden gebezigd voor belaste handelingen in de zin van artikel 15, lid 1, van de Wet.”\n\n21. De rechtbank is van oordeel dat op belanghebbende de bewijslast rust van haar primaire stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur. Belanghebbende moet dus aannemelijk maken dat zij recht heeft op volledige aftrek van voorbelasting op de bouwkosten doordat de zelfstandige productieruimten uitsluitend zullen worden gebruikt voor belaste prestaties. Zij is daarin niet geslaagd, omdat vast staat dat in deze ruimtes ook cliënten (zullen) worden begeleid in het kader van hun dagbesteding. Die dagbestedingsdienst aan de cliënten is een vrijgestelde prestatie en hiervoor ontvangt belanghebbende een vergoeding vanuit de Wlz, de WMO en\u002Fof de Jeugdwet. Er is dus sprake van gebruik voor twee verschillende prestaties van de zelfstandige productieruimten: een belaste prestatie aan derden bij de verkoop van producten en het verrichten van diensten en een vrijgestelde prestatie aan de eigen cliënten bestaande uit dagopvang. Aannemelijk is dat de bouwkosten toerekenbaar zijn aan beide prestaties, zodat sprake is van kosten voor gemengd gebruik. Een volledig recht op aftrek op die kosten is dan niet mogelijk.\n\n22. De conclusie luidt dat het primaire standpunt van belanghebbende faalt, omdat sprake is van gemengd gebruik. De voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten is op grond van de Wet OB, en bijbehorende lagere regelgeving, dus niet volledig aftrekbaar.\n\nSubsidiaire standpunt belanghebbende – beroep op vertrouwensbeginsel\n\n23. Belanghebbende is subsidiair van mening dat zij mocht vertrouwen op de toezeggingen van de Belastingdienst die inhouden dat deze akkoord is met de door belanghebbende gehanteerde handelswijze ter zake van de aftrek van voorbelasting op bepaalde kosten. De Belastingdienst heeft volgens belanghebbende in 1996 en in 2009, na inhoudelijke beoordelingen, het standpunt ingenomen dat de door belanghebbende gehanteerde handelswijze akkoord is (zie punt 7.). Deze handelswijze hield onder meer in dat belanghebbende de voorbelasting die toerekenbaar is aan de productielocaties volledig in aftrek mag brengen. De relevante feiten en omstandigheden zijn niet gewijzigd ten opzichte van de situatie zoals die in het verleden gold. Het enige verschil is dat een aantal productielocaties binnen één complex worden samengevoegd. In haar nader stuk van 15 februari 2025 heeft belanghebbende geëxpliciteerd dat de uitlatingen van de inspecteur wat haar betreft niet complex-gebonden zijn, maar zien op de aard van de activiteiten. In die activiteiten is geen verandering gekomen, aldus belanghebbende.\n\n24. De inspecteur is van mening dat de eerdere afspraken golden voor de voorbelasting die zag op kosten van bestaande gebouwen en dat deze niet kunnen worden doorgetrokken naar het nieuw te bouwen complex. Er is namelijk sprake van een nieuw investeringsgoed (het complex) en daarvoor gelden de afspraken niet, aldus de inspecteur.\n\n25. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.Meer specifiek, met betrekking tot uitlatingen van de inspecteur in een controlerapport, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 10 december 2021onder meer het volgende beslist (onder weglating van voetnoten):\n\n“3.3.2. Voor een geval als dit, waarin de inspecteur zich in het controlerapport expliciet heeft uitgelaten, geldt het volgende. Indien het gaat om als toezeggingen op te vatten expliciete uitlatingen van de inspecteur, kan de belastingplichtige zich onder voorwaarden met succes beroepen op daarmee door de inspecteur gewekt vertrouwen. Daartoe is vereist dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan door de inspecteur na kennisneming van alle daartoe benodigde feiten en omstandigheden van het geval, en de belastingplichtige aan die toezeggingen het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de fiscus in zijn geval aan wettelijke, dan wel andere door hem in acht te nemen algemene regels een bepaalde toepassing zal geven. Daarbij is bovendien vereist dat die toezeggingen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige redelijkerwijs hun onjuistheid had kunnen en moeten beseffen, en daarom op nakoming van die toezeggingen in redelijkheid niet mocht rekenen.”\n\n26. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt. Redengevend voor dit oordeel is het volgende. Het is niet in geschil dat de activiteiten zoals belanghebbende die ontplooide ten tijde van de briefwisselingen in 1996 en in 2007 dezelfde zijn gebleven. Eveneens ongewijzigd is dat die activiteiten worden ontplooid vanuit verschillende (productie)locaties. Verder geldt dat de inspecteur kennis heeft genomen, dan wel heeft kunnen nemen, van de informatie die nodig is om de voorliggende kwestie op haar fiscale merites te kunnen beoordelen. Het voorstel van belanghebbende van 12 november 2007 (zie punt 7.d.) bevat alle in dat kader benodigde informatie. De akkoordverklaring met de beschreven handelswijze is daarom te zien als een toezegging. Die toezegging is niet zo duidelijk in strijd met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende redelijkerwijs de onjuistheid ervan had kunnen en moeten beseffen, en daarom op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen. Het enkele gegeven dat sprake is van een nieuw complex, en daarmee van een nieuw investeringsgoed, is onvoldoende reden om belanghebbende een beroep op de gemaakte afspraken te ontzeggen. Het had op de weg van de inspecteur gelegen een duidelijker voorbehoud te maken in die zin dat de gemaakte afspraken niet gelden voor nieuwe investeringsgoederen. Dat heeft de inspecteur echter niet gedaan en dat komt voor zijn rekening. Verder is gesteld noch gebleken dat de toezeggingen die voortvloeien uit het controlerapport van\n\n18 maart 2009 (zie punt 7.e.) door de inspecteur zijn opgezegd. De afspraken uit 2009 kunnen dus worden doorgetrokken naar het nieuwe complex.\n\n27. De conclusie luidt dat belanghebbende een beroep toekomt op door de inspecteur opgewekt vertrouwen. De voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten is dus om die reden toch volledig aftrekbaar.\n\nMeer subsidiaire standpunt belanghebbende – pro rata op basis van tijdsbesteding\n\n28. Omdat het subsidiaire standpunt van belanghebbende slaagt, behoeft het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende, inhoudende een pro rata aftrek op basis van werkelijk gebruik (meer in het bijzonder: tijdsbesteding), geen behandeling meer.\n\nNiet-zelfstandige ruimten\n\n29. Belanghebbende is van mening dat de omvang van de aftrek van de voorbelasting op de bouwkosten van de niet-zelfstandige ruimten (de nummers 5 en 6 op de lijst bij punt 3.) moet worden bepaald op basis van het werkelijke gebruik van deze niet-zelfstandige ruimten. De verdeelsleutel om het werkelijke gebruik te berekenen moet worden bepaald op basis van het (voorgenomen) gebruik en de oppervlakteverhoudingen van de zelfstandige ruimten binnen het complex. De vloeroppervlakte van de zelfstandige ruimten die uitsluitend worden gebruikt voor btw-belaste activiteiten bedraagt volgens belanghebbende 841 m2 (‘Industrieel werk’ 441,8 m2, ‘Kleurmeesters’ 341,9 m2 en ‘Textielatelier’ 87,5 m2). De totale vloeroppervlakte van alle zelfstandige ruimten binnen het complex bedraagt 1.286 m2. Dit resulteert in een pro rata op grond van werkelijk gebruik van 66% (841 m2 \u002F 1.286 m2 * 100%). Voorgaande berekening is objectief en nauwkeurig, aldus belanghebbende, waaraan zij toevoegt dat op deze berekeningswijze de niet-zelfstandige ruimten ‘delen in het lot’ van de zelfstandige ruimten. Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat voor wat betreft de niet-zelfstandige ruimten geen beroep wordt gedaan op het vertrouwensbeginsel.\n\n30. De inspecteur is van mening dat de omvang van de aftrek van de voorbelasting op de bouwkosten van de niet-zelfstandige ruimten moet worden bepaald op basis van de hoofdregel: de omzet pro rata. Voor een uitzondering daarop, dat wil zeggen een pro rata gebaseerd op het werkelijk gebruik, is volgens de inspecteur geen plaats. Hij is van mening dat de vaststelling van het werkelijk gebruik, zoals belanghebbende dat voorstaat, niet berust op objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens. Het is volgens de inspecteur voor de gemengde ruimten onmogelijk om uit te gaan van het gebruik (btw-belast\u002Fbtw-vrijgesteld) in relatie tot de vierkante meters van de zelfstandige ruimten.\n\n31. In beginsel dient op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de uitvoeringsbeschikking de verdeelsleutel voor de evenredige aftrek van voorbelasting op kosten van gemengd gebruikte goederen en diensten te worden bepaald naar omzetverhouding. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken indien aannemelijk is dat het werkelijke gebruik van bedoelde goederen en diensten, als geheel genomen, niet overeenkomt met de omzetverhouding. In dat geval kan het voor aftrek in aanmerking komende gedeelte van de voorbelasting van die goederen en diensten worden berekend op basis van het werkelijk gebruik, aldus het tweede lid van artikel 11 van de uitvoeringsbeschikking. Het werkelijke gebruik dient op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aannemelijk te worden gemaakt aan de hand van objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens.De last het bedoelde werkelijke gebruik te bewijzen, rust op degene die van de hoofdregel wil afwijken.\n\n32. De rechtbank stelt aan de hand van de bouwtekening (bijlage 15 bij het verweerschrift) vast dat het bij de niet-zelfstandige ruimten met name gaat om trappenhuizen, een ontvangsthal, gangen, een servicebureau en opslagruimte.\n\n33. De rechtbank is van oordeel dat de aftrek van voorbelasting op de bouwkosten van de niet-zelfstandige ruimten moet worden bepaald op basis van de hoofdregel, de omzet pro rata. Belanghebbende is er namelijk niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het werkelijk gebruik van de niet-zelfstandige ruimten, als geheel genomen, niet overeenkomt met de omzetverhouding. Gelet op de aard van de ruimten is het niet mogelijk het werkelijk gebruik van die ruimten objectief en nauwkeurig vast te stellen, ook niet op basis van vierkante meters, zoals belanghebbende betoogt. Het gaat namelijk om gemengd gebruik van deze ruimten. Het standpunt van belanghebbende berust in wezen op haar primaire stelling dat de zelfstandige productieruimten voor 100% belast worden gebruikt. Zoals hiervoor is geoordeeld, volgt de rechtbank dit standpunt niet, waardoor de basis onder het betoog van belanghebbende is uitgevallen. De omstandigheid dat belanghebbende wel 100% aftrekrecht krijgt voor de zelfstandige productieruimten op basis van het vertrouwensbeginsel, maakt dit niet anders. De toezegging waarop het vertrouwen is gebaseerd, betreft namelijk niet de niet-zelfstandige ruimten. Voor de niet-zelfstandige ruimte geldt dus de omzet pro-rata. Niet in geschil is dat die omzet pro-rata leidt tot een aftrek van voorbelasting op de bouwkosten van 4%.Tussenconclusie\n\n34. De tussenconclusie luidt dat belanghebbende recht heeft op een aanvullende teruggaaf, omdat op basis van het vertrouwensbeginsel voor de zelfstandige productieruimten een volledig recht op aftrek van voorbelasting op de bouwkosten bestaat. Voor de niet-zelfstandige ruimten geldt de hoofdregel: aftrek van voorbelasting op basis van de omzet pro-rata. Dit leidt tot een aftrek van voorbelasting op de bouwkosten van 4%.\n\nVerzoek om vergoeding van immateriële schade\n\n35. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens heeft zij verzocht om vergoeding van wettelijke rente over het bedrag van die schadevergoeding, en om vergoeding van wettelijke rente over een toe te kennen proceskostenvergoeding.\n\n36. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.\n\n37. Op grond van een beleidsregel van de minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.\n\n38. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op\n\n6 oktober 2023. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 6 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) zes maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat een keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 17 mei 2024. De periode gelegen tussen 6 oktober 2023 en 17 mei 2024 is (afgerond) twee maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van twee maanden gedeeld door zes maanden keer € 500 is (afgerond) € 167. De Staat moet de rest betalen, dus € 333. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n39. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een aanvullende teruggaaf OB over het tweede kwartaal van 2023. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar van de inspecteur vernietigen.\n\n40. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Een verzoek voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase kan niet voor het eerst in beroep worden gedaan.Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding de inspecteur, eveneens met toepassing van het Bpb, te veroordelen in de reiskosten van [persoon A], tot een bedrag van € 30,40. Voor vergoeding van verletkosten ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat [persoon A] geen verlof heeft hoeven opnemen voor het bijwonen van de zitting. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om de vergoeding van € 1.898,40 (€ 1.868 plus € 30,40) aan belanghebbende te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.\n\n41. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoedt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n- wijzigt de teruggaafbeschikking en verleent een aanvullende teruggaaf zoals hiervoor bij punt 34. is bepaald;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 167 te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333 te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.898,40 aan proceskosten aan belanghebbende, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, en mr. P.J. Tikken en\n\nmr. J.A.L. Heldens, leden, in aanwezigheid van mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.\n\nUitgesproken op 25 maart 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Na oplevering en ingebruikneming van het complex is de afdeling met de naam ‘Textielatelier’ omgedoopt in ‘Medialab’. Deze ruimte wordt vooralsnog niet gebruikt als productieruimte.\n\n Richtlijn 2006\u002F112\u002FEG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde, PbEU2006, L 347.\n\n ECLI:NL:HR:2012:BU1929.\n\n Zie Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.\n\n ECLI:NL:HR:2021:1849.\n\n Zie Hoge Raad 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1608, Hoge Raad 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:267 en Hoge Raad 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU1929.\n\n Zie Hoge Raad 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:267, r.o. 2.4.2.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n Zie artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2380","2026-07-13T00:28:46.090Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":55,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":34,"updatedAt":58},"1284","ECLI:NL:RBGEL:2025:4182","ecli-nl-rbgel-2025-4182","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 20\u002F946\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , te [plaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Maastricht, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nVoor het procesverloop tot 6 oktober 2022 verwijst de rechtbank naar de beslissing van die datum.\n\nIn die beslissing heeft de rechtbank prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ). Bij arrest van 5 september 2024 heeft het HvJ de prejudiciële vragen beantwoord.\n\nPartijen hebben schriftelijk gereageerd op het arrest van het HvJ en nadere stukken ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2025 op een nadere zitting behandeld.\n\nNamens belanghebbende hebben deelgenomen [persoon A] en [persoon B] , bijgestaan door de gemachtigde, [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] , [persoon F] , [persoon G] en [persoon H] .\n\nNamens de inspecteur hebben deelgenomen [persoon I] , [persoon J] , [persoon K] , [persoon L] , [persoon M] , [persoon N] , [persoon O] , [persoon P] , [persoon Q] , [persoon R] en [persoon S] .\n\nFeiten\n\n1. Voor een uiteenzetting van de feiten verwijst de rechtbank naar de punten 17. tot en met 27. van haar beslissing van 6 oktober 2022.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. In geschil is of belanghebbende ten onrechte € 31.085 aan omzetbelasting heeft voldaan over het vierde kwartaal 2017 en de voor dat tijdvak afgegeven teruggaafbeschikking daarom te laag is vastgesteld. Daarvoor is van belang of de vermogensbeheerdiensten die door buitenlandse dienstverleners aan belanghebbende zijn verricht, zijn vrijgesteld van omzetbelasting omdat sprake is van het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogensdan wel het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.\n\n3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende is aan te merken als een gemeenschappelijk beleggingsfonds en in het bijzonder of de deelnemers beleggingsrisico lopen. Indien dit niet het geval is, is in geschil of belanghebbende moet worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, omdat belanghebbende vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die door de Nederlandse staat wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt.\n\n4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij is aan te merken als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, omdat de deelnemers beleggingsrisico dragen. Ook stelt belanghebbende zich op het standpunt dat zij vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt, gelet op de juridische en financiële situatie van de deelnemers ten opzichte van belanghebbende. De inspecteur stelt zich op de tegenovergestelde standpunten.\n\n5. De rechtbank komt tot het oordeel dat de vrijstelling niet van toepassing is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nBeantwoording van de prejudiciële vraag\n\n6. De rechtbank heeft in de zaak van belanghebbende de volgende prejudiciële vraag gesteld aan het HvJ:\n\nDient artikel 135, eerste lid, letter g, van de Btw-richtlijn aldus te worden uitgelegd dat deelnemers aan een pensioenfonds zoals in het hoofdgeding aan de orde is, kunnen worden geacht beleggingsrisico te lopen, en brengt dit mee dat het pensioenfonds een ‘gemeenschappelijke beleggingsfonds’ in de zin van deze bepaling vormt? Is daarbij van belang:\n\n- of deelnemers een individueel beleggingsrisico lopen, of is het voldoende dat de deelnemers als collectief, en niemand anders, de gevolgen dragen van de resultaten van de beleggingen?\n\n- wat de omvang van het collectieve dan wel het individuele beleggingsrisico is?\n\n- in hoeverre de hoogte van de pensioenuitkering mede afhankelijk is van andere factoren, zoals het aantal jaren van pensioenopbouw, de hoogte van het salaris en de rekenrente?\n\n7. Het HvJ heeft voor recht verklaard:\n\n1) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006\u002F112\u002FEG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde,\n\nmoet aldus moet worden uitgelegd dat de deelnemers aan een pensioenfonds dat uit hoofde van een collectieve pensioenregeling uitvoering geeft aan een pensioenovereenkomst die voorziet in pensioenrechten en pensioenuitkeringen waarvan het bedrag, hoewel het wordt bepaald op basis van een referentiepensioen of van de arbeidsinkomsten en het aantal dienstjaren van elke deelnemer, onder bepaalde voorwaarden kan variëren als gevolg van de resultaten van de beleggingen van dat pensioenfonds, slechts kunnen worden geacht het beleggingsrisico te dragen wanneer dat bedrag in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen. Bij een dergelijke beoordeling is noch het aantal jaren dat een deelnemer pensioenrechten heeft opgebouwd, noch het feit dat de opbouw van pensioenrechten bij een pensioenfonds op een bepaald moment is onderbroken, relevant. De omstandigheden dat het risico individueel dan wel collectief wordt gedragen, met name in geval van faillissement, en dat een werkgever zich gedurende een bepaalde periode garant heeft gesteld voor de verwachte opbouw van de pensioenrechten, zijn wel relevante factoren, die als zodanig echter niet doorslaggevend zijn.\n\n2) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006\u002F112, gelezen in het licht van het beginsel van fiscale neutraliteit, moet aldus moet worden uitgelegd dat, om te bepalen of een pensioenfonds dat geen instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) is in aanmerking komt voor de vrijstelling van deze bepaling, niet alleen een vergelijking met een dergelijke instelling moet worden gemaakt, maar ook moet worden beoordeeld of dit pensioenfonds vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer ten opzichte van het pensioenfonds vergelijkbaar is met andere fondsen die geen instellingen voor collectieve belegging in effecten zijn maar door de betrokken lidstaat worden beschouwd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepaling.\n\nHet beleggingsrisico\n\n8. Volgens het pensioenreglement van belanghebbende bedraagt het jaarlijks op te bouwen ouderdomspensioen van de deelnemers 0,57% (in loondienst) of 0,41% (zelfstandigen) van de jaarlijks vast te stellen pensioengrondslag. De pensioengrondslag is het beroepsinkomen van de deelnemer verminderd met een franchise. Op de opgebouwde pensioenaanspraken en ingegane pensioenrechten wordt jaarlijks een toeslag van 2% verleend. Afhankelijk van de financiële positie van eiseres kan het bestuur van belanghebbende besluiten een extra toeslag te verlenen. De toeslagverlening wordt gedeeltelijk uit de premie en gedeeltelijk uit overrendement gefinancierd. Bij ingang van het ouderdomspensioen kan de (gewezen) deelnemer kiezen voor een verhoogde uitkering waarbij reeds rekening is gehouden met toekomstige toeslagen (conversie). In ruil hiervoor wordt een afwijkende toeslagverlening toegepast. Een korting op de pensioenuitkeringen en de pensioenaanspraken kan alleen plaatsvinden als is voldaan aan de in de pensioenwetgeving gestelde voorwaarden. In een voorkomend geval worden alle pensioenaanspraken en pensioenrechten met een gelijk percentage verlaagd. Het gaat in de zaak van belanghebbende dus om een pensioen op basis van arbeidsinkomen en dienstjaren, waarop aanpassingen plaats kunnen vinden.\n\n9. De deelnemers van het pensioenfonds van belanghebbende kunnen slechts worden geacht beleggingsrisico te dragen, indien het bedrag van de pensioenrechten en de pensioenuitkeringen in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van de beleggingen. Om aannemelijk te maken dat dit het geval is, heeft belanghebbende actuariële berekeningen overgelegd. Bij deze berekeningen is gebruik gemaakt van een scenario-set van De Nederlandsche Bank met 2.000 scenario’s. Deze berekeningen laten zien dat gemiddeld over alle scenario’s de pensioenuitkeringen voor 83% worden bekostigd uit beleggingsresultaat. De inspecteur heeft de uitkomsten van de berekeningen betwist, omdat hij niet in staat is deze te controleren. De rechtbank ziet echter geen reden om aan de berekeningen te twijfelen.\n\n10. Met de actuariële berekeningen heeft belanghebbende aangetoond dat het beleggingsresultaat noodzakelijk is om alle pensioenuitkeringen te kunnen financieren. Uit het arrest van 5 september 2024 valt echter niet af te leiden dat de wijze van financiering een criterium is waaraan moet worden getoetst. Dit leidt de rechtbank met name af uit de derde volzin van overweging 50 van het arrest, waar het HvJ onder ogen ziet dat de toekenning van toeslagen in bepaalde gevallen volledig wordt gefinancierd door de resultaten van de beleggingen van het pensioenfonds, en tegelijk benoemt dat het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen afhankelijk lijkt te zijn van verschillende factoren. Uit het feit dat het beleggingsresultaat noodzakelijk is om alle pensioenuitkeringen te kunnen financieren, volgt nog niet dat het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen in de eerste plaats afhankelijk is van het beleggingsresultaat. Het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen wordt bij belanghebbende bepaald op basis van het beroepsinkomen, werkbare jaren, een standaard toeslag van 2% en eventuele extra toeslagen. De extra toeslagen zijn afhankelijk van de financiële positie van belanghebbende. Belanghebbende heeft met hetgeen zij naar voren heeft gebracht niet aannemelijk gemaakt dat en in welke mate het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen wordt aangepast al naar gelang de beleggingsresultaten. De rechtbank merkt daarbij op dat de toeslagen die plaatsvinden op het uitgangspunt van 0,57% (in loondienst) of 0,41% (zelfstandigen) van de pensioengrondslag voor elk opbouwjaar, niet een dusdanige omvang lijken te hebben dat dit uitgangspunt niet meer de belangrijkste factor is, nog daargelaten dat de toeslagen ook niet uitsluitend het gevolg zijn van beleggingsrendement.\n\n11. De rechtbank concludeert dan ook dat het bedrag van de pensioenrechten en de pensioenuitkeringen niet in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van de beleggingen. De deelnemers van belanghebbende lopen daarom geen beleggingsrisico. Belanghebbende kan daarom in zoverre niet worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds.\n\nVergelijking met andere pensioenfondsen\n\n12. Om te bepalen of belanghebbende kan worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, moet volgens het HvJ niet alleen een vergelijking met een icbe worden gemaakt, maar ook met andere (pensioen)fondsen die in Nederland als gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt. Daarbij moet worden beoordeeld of belanghebbende, vanuit het oogpunt van de juridische en de financiële situatie van de deelnemer ten opzichte van belanghebbende, vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die worden beschouwd als gemeenschappelijk beleggingsfonds.\n\n13. Naar aanleiding van het arrest van 5 september 2024 heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende, vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer, vergelijkbaar is met een pensioenfonds met een Defined Contribution regeling (DC-regeling), zoals bedoeld in het de brief van de staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer van 19 september 2014 met kenmerk DGB\u002F2014\u002F5116 U.\n\n14. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de juridische en financiële positie van de deelnemers onvergelijkbaar is met een deelnemer in een DC-regeling en dat een verschil in behandeling daarom gerechtvaardigd is.\n\n15. Het ligt op de weg van belanghebbende om de relevante feiten te stellen, en bij betwisting te bewijzen, die kunnen leiden tot een oordeel dat belanghebbende vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die wel worden beschouwd als gemeenschappelijk beleggingsfonds.\n\n16. Belanghebbende heeft echter geen concrete feiten gesteld over de juridische en financiële positie van deelnemers in één of meerdere andere pensioenfondsen die wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt. Belanghebbende heeft gesteld dat zij uitvoering geeft aan een collectieve DC-regeling, dat de verschillende regelingen met elkaar concurreren doordat ze vanuit juridisch en financieel oogpunt dezelfde eigenschappen hebben, dat deze regelingen voor de deelnemer in dezelfde behoeften voorzien en dat tussen beide regelingen geen verschillen bestaan die de keuze van de gemiddelde pensioendeelnemer aanmerkelijk beïnvloeden. Gelet op de betwisting door de inspecteur zijn deze (blote) stellingen onvoldoende om tot het oordeel te komen dat belanghebbende (bezien vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer) vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt.\n\n17. Omdat belanghebbende niet vergelijkbaar is met een icbe en ook niet vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt, is belanghebbende geen gemeenschappelijk beleggingsfonds.\n\n18. Omdat belanghebbende geen gemeenschappelijk beleggingsfonds is, is de vrijstelling niet van toepassing. Belanghebbende heeft over het vierde kwartaal 2017 dan ook terecht het in geschil zijnde bedrag aan omzetbelasting van € 31.085 voldaan en de teruggaafbeschikking is daarom niet te laag vastgesteld.\n\nConclusie en gevolgen\n\n19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar en de teruggaafbeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. R.A. Eskes en mr. J.J.J. Engel, leden, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2022:5654.\n\n ECLI:EU:C:2024:688.\n\n Artikel 11, eerste lid, letter i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).\n\n Artikel 135, eerste lid, letter g, van richtlijn 2006\u002F112\u002FEG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Btw-richtlijn).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:4182","2025-06-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:13.891Z",20]