[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-assen-insolvency-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":63,"limit":64},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},80,"Assen","nl","assen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},32,"insolvency-law-nl","Insolvency Law","NL","2026-07-08T16:53:14.213Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2025-12-22T00:00:00.000Z","2026-06-22T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,47,56],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"886","ECLI:NL:RBNNE:2026:2690","ecli-nl-rbnne-2026-2690","","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F26\u002F1201 R\n\nVonnis van 22 juni 2026\n\nop het verzoek van\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],\n\nwonende aan [adres],\n\nhierna te noemen: verzoeker,\n\ntot toepassing van de schuldsaneringsregeling.\n\nSamenvatting\n\nHajjar heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. PROCESGANG\n\n1.1.. Verzoeker heeft op 4 mei 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\n1.2.. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met [schuldhulpverlener], als schuldhulpverlener werkzaam bij Stichting de Gemeentelijke Kredietbank (GKB).\n\n2. RECHTSOVERWEGINGEN\n\n2.1.. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.\n\n2.2.. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.\n\n2.3.. Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.2.4.. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.2.5.. Verzoeker is 35 jaar en heeft een eenmanszaak gehad handelend onder de naam [bedrijf]. Verzoeker dreef deze onderneming vanaf 11 december 2020. Volgens verzoeker heeft hij de onderneming in 2022 laten uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en heeft hij de Belastingdienst op de hoogte gesteld van het eindigen van de onderneming. De schuldenlast van verzoeker bedraagt € 50.817,23. Een groot deel van de schulden zijn ontstaan uit de onderneming van verzoeker, waaronder een deel van de belastingschulden. Verder heeft verzoeker schulden laten ontstaan aan het CJIB.\n\n2.6.. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de onderneming door de Corona maatregelen niet meer liep en dat hij daardoor niet meer aan zijn financiële verplichten kon voldoen. Ook lag verzoeker ten tijde van het ontstaan van zijn schulden in echtscheiding. Dit alles bij elkaar bezorgde verzoeker veel stress. Verzoeker is nu in rustiger vaarwater beland, zodat het naar omstandigheden goed met hem gaat. Verzoeker wil graag weer aan het werk, maar kampt met lichamelijke klachten waardoor werken momenteel niet lukt.\n\n2.7.. De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat de belastingschulden ouder zijn dan uit het verzoekschrift volgt. Wellicht dat er op een later moment iets is geregistreerd, maar schulden zijn van voor de start van het budgetbeheer. Verzoeker is gemotiveerd om van zijn schulden af te komen. Het budgetbeheer verloopt prima en nieuwe schulden zijn al geruime tijd niet meer ontstaan.\n\n2.8.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.\n\n2.9.. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).\n\n2.10.. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.\n\n2.11.. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoeker heeft aangetoond dat van de situatie zoals die was ten tijde van het ontstaan van zijn schulden geen sprake meer is. Zo heeft verzoeker zijn bedrijfsactiviteiten gestaakt en zijn er na het starten van het budgetbeheer bij de GKB op 4 januari 2024 alleen in het begin nog wat schulden ontstaan. Het budgetbeheer verloopt nu goed. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen.\n\n2.12.. De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.\n\n2.13.. De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.\n\n3. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:\n\n [verzoeker],\n\n geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],\n\n wonende aan [adres];\n\n3.2.. \n\nstelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van\n\n dit vonnis;\n\n3.3.. \n\nbenoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen,\n\nen tot bewindvoerder [bewindvoerder],\n\ngevestigd te [adres];\n\n3.4.. \n\ngeeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte\n\n brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2690","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:52.991Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"880","ECLI:NL:RBNNE:2026:2688","ecli-nl-rbnne-2026-2688","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F26\u002F1199 R\n\nVonnis van 22 juni 2026\n\nop het verzoek van\n\n [verzoekster],\n\ngeboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],\n\nwonende aan [adres],\n\nhierna te noemen verzoekster,\n\ntot toepassing van de schuldsaneringsregeling.\n\nSamenvatting\n\n [verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. PROCESGANG\n\n1.1.. Verzoekster heeft op 5 maart 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\n1.2.. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met [beschermingsbewindvoerders namens bewindvoeringsbedrijf] B.V., beschermingsbewindvoerder.\n\n2. RECHTSOVERWEGINGEN\n\n2.1.. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.\n\n2.2.. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.\n\n2.3.. Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.2.4.. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.2.5.. Verzoekster heeft een schuldenlast van in totaal € 27.202,57, waaronder schulden aan het UWV, de Belastingdienst en het CJIB. De schulden van verzoekster zijn ontstaan in de periode van januari 2022 tot en met juli 2024. Door het overlijden van haar opa, die als een tweede vader voor haar was, is verzoekster in een depressie geraakt. Door haar depressie kon het haar allemaal niet meer schelen en is zij goederen gaan bestellen zonder te betalen, wat mede geleid heeft tot het ontstaan van haar schulden. Verzoekster zag op enig moment door de bomen het bos niet meer en heeft ingezien dat het zo niet langer kon en is in 2024 hulp gaan zoeken bij de gemeente voor haar financiële problemen.\n\n2.6.. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij momenteel alles weer goed op de rit heeft en dat zij inmiddels voor 32 uur in de week aan het werk is.\n\n2.7.. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat er sinds het uitspreken van het beschermingsbewind op 9 augustus 2024 geen nieuwe schulden zijn ontstaan en dat verzoekster de afgelopen jaren geen bestellingen meer heeft gedaan bij postorderbedrijven. Het beschermingsbewind verloopt mede door de opstelling van verzoekster goed.\n\n2.8.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de schulden aan het UWV, de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.\n\n2.9.. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).\n\n2.10.. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.\n\n2.11.. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekster heeft aangetoond dat van de situatie zoals die was ten tijde van het ontstaan van haar schulden geen sprake meer is. Sinds het uitspreken van het beschermings-bewind op 9 augustus 2024 zijn er geen schulden meer ontstaan en het beschermingsbewind loopt goed. Ook de omstandigheid dat verzoekster momenteel werkzaam is, waardoor er meer ruimte in het budget is ontstaan, maakt dat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.\n\n2.12.. De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.\n\n2.13.. \n\nVerzoekster heeft verzocht om de Wsnp eerder in te laten gaan, te weten vanaf\n\n9 januari 2025 omdat zij vanaf dat moment heeft afgedragen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de ingangsdatum op de verzochte datum te bepalen, omdat ter zitting is gebleken dat verzoekster gedurende het minnelijk traject niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht. Om die reden voldoet zij niet aan de vereisten voor een eerdere toelating en zal het verzoek daartoe worden afgewezen.\n\n3. 3. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:\n\n [verzoekster],\n\n geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],\n\n wonende aan [adres];\n\n3.2.. stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;\n\n3.3.. wijst het verzoek om een eerdere toelatingsdatum af;\n\n3.4.. \n\nbenoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,\n\nen tot bewindvoerder [bewindvoerder],\n\ngevestigd te [adres];\n\n3.5.. geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2688","2026-07-13T00:28:52.609Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":46},"890","ECLI:NL:RBNNE:2026:2691","ecli-nl-rbnne-2026-2691","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F26\u002F1198 R\n\nVonnis van 22 juni 2026\n\nop het verzoek van\n\n [verzoekster],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],\n\nwonende aan [adres],\n\nhierna te noemen: verzoekster,\n\ntot toepassing van de schuldsaneringsregeling.\n\nSamenvatting\n\nHutten heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. PROCESGANG\n\n1.1.. Verzoekster heeft op 23 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\n1.2.. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met [schuldhulpverlener], als schuldhulpverlener werkzaam bij Stichting de Gemeentelijke Kredietbank (GKB).\n\n2. RECHTSOVERWEGINGEN\n\n2.1.. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.\n\n2.2.. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.\n\n2.3.. Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.2.4.. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.2.5.. Verzoekster heeft een schuldenlast van in totaal € 15.988,98, waaronder schulden aan de Belastingdienst en het CJIB. De schulden van verzoekster zijn ontstaan in de periode van april 2024 tot en met mei 2025. Door een turbulente periode in haar privéleven is verzoekster mentaal langzaam bergafwaarts gegleden. Verzoekster is verslaafd geraakt en is haar fulltimebaan verloren, waardoor de schulden zijn ontstaan.\n\n2.6.. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat de schuld aan de Belastingdienst middels verrekening met een teruggave is opgelost. Zij is inmiddels meer dan vier maanden clean en gaat binnenkort in behandeling voor haar problemen uit het verleden, ook om een herhaling te voorkomen. Daarna wil zij zo snel mogelijk weer aan het werk. Met een oud-werkgever heeft zij inmiddels contact gelegd.\n\n2.7.. De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat verzoekster goed bezig is geweest om alles weer op de rit te krijgen. Het budgetbeheer verloopt goed en er zijn sindsdien geen nieuwe schulden ontstaan. De schuldhulpverlener heeft er vertrouwen in dat de behandeling bij de verslavingszorg goed zal uitpakken. Hij heeft er alle vertrouwen in dat verzoekster de Wsnp met goed gevolg zal doorlopen, ook omdat verzoekster in het verleden een goede baan heeft gehad en dus verdiencapaciteit heeft.\n\n2.8.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.\n\n2.9.. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).\n\n2.10.. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.\n\n2.11.. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekster heeft hard aan zichzelf gewerkt, wat ertoe heeft geleid dat zij inmiddels clean en stabiel is. Het budgetbeheer verloopt goed, waardoor er al geruime tijd geen nieuwe schulden meer zijn ontstaan. Ook de omstandigheid dat verzoekster binnenkort weer werkzaam zal zijn, waardoor er meer ruimte in het budget zal ontstaan, maakt dat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.\n\n2.12.. De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.\n\n2.13.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen, temeer nu verzoekster gedurende het minnelijk traject niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht.\n\n3. 3. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:\n\n [verzoekster],\n\n geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],\n\n wonende aan [adres];\n\n3.2.. stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;\n\n3.3.. \n\nbenoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,\n\nen tot bewindvoerder [bewindvoerder],\n\ngevestigd te [adres];\n\n3.4.. geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2691","2026-07-13T00:28:53.132Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":52,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":31,"updatedAt":55},"1055","ECLI:NL:RBNNE:2026:2634","ecli-nl-rbnne-2026-2634","2026-05-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Assen\n\nzaaknummer: C\u002F18\u002F26\u002F1128 R\n\nvonnis van 4 mei 2026\n\n in de zaak van:\n\n [verzoekster],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],\n\nwonende te [adres],\n\nhierna te noemen verzoekster\n\nPROCESGANG\n\nVerzoekster heeft op 13 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\nHet verzoekschrift is behandeld ter zitting van 20 april 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met haar echtgenoot [echtgenoot] en haar schuldhulpverlener mevrouw [schuldhulpverlener].\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nDe rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.\n\nHet verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.\n\nGebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.\n\nDe Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.\n\nVerzoekster heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw. Verzoekster heeft verzocht om haar Wsnp in te laten gaan op 9 december 2025, zijnde de datum waarop haar echtgenoot is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Verzoekster heeft gesteld dat zij een oproepcontract heeft en 16 uur per week werkzaam. Haar zoon van 16 heeft ernstige gedragsproblemen en zijn verblijf is onduidelijk. Dit zorgt voor veel stress en beïnvloedt haar dagelijkse functioneren zodanig dat meer werken er niet in zat.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op de door verzoekster verzochte datum, omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek tot het vaststellen van een eerdere ingangsdatum afwijzen, omdat uit zowel het verzoekschrift als uit de nadien toegezonden aanvullende stukken is gebleken dat er de periode vanaf 9 december 2025 tot nu niet voldoende (vier keer per maand) is gesolliciteerd en niet voldoende is aangetoond dat verzoekster niet in staat is om meer uren per week te werken dan de 16 uur per week die zij feitelijk heeft gewerkt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het feit dat haar zoon ernstige gedragsproblemen heeft op zich genomen niet direct een ontheffing om te werken of te solliciteren voor 20 uur per week met zich meebrengt.\n\n BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:\n\n [verzoekster],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],\n\nwonende te [adres],\n\n- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;\n\n- benoemt tot rechter-commissaris mr. D.J. Klijn,\n\nen tot bewindvoerder mevrouw [schuldhulpverlener],\n\ngevestigd te [adres]\n\n;\n\n- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2634","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:01.862Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":60,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":31,"updatedAt":62},"1012","ECLI:NL:RBNNE:2025:5933","ecli-nl-rbnne-2025-5933","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Assen\n\nzaaknummer: C\u002F18\u002F241761 \u002F FT RK 25\u002F57 faillissementsnummer: C\u002F18\u002F24\u002F404 F\n\nvonnis van 22 december 2025\n\nin het faillissement van:\n\n [schuldenaar], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , voorheen handelend onder de naam [handelsnaam] . gevestigd te [adres] , KvK-nummer [nummer] , hierna te noemen: de schuldenaar.\n\nPROCESGANG\n\nBij vonnis van deze rechtbank van 24 december 2024 is ten aanzien van de schuldenaar het faillissement uitgesproken met benoeming van mr. H.J. Idzenga tot rechter-commissaris en aanstelling van mrs. P. van Rossum en C. Bergmans tot curatoren.\n\nOp 17 januari 2025 heeft de schuldenaar een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp).\n\nNa afronding van het rechtmatigheidsonderzoek in het faillissement hebben de curatoren op 17 oktober 2025 advies uitgebracht over het omzettingsverzoek.\n\nNaar aanleiding van het advies heeft de rechter-commissaris op 21 oktober 2025 bepaald dat het omzettingsverzoek op zitting dient te worden behandeld alsmede de rechtbank voorgedragen om het faillissement op te heffen.\n\nDe rechtbank heeft de voordracht en het omzettingsverzoek behandeld op de zitting van\n\n8 december 2025 in aanwezigheid van de schuldenaar en curator mr. C. Bergmans.\n\nTen slotte is vonnis bepaald op heden.\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nDe schuldenlastUit het verslag van de curatoren en de voordracht van de rechter-commissaris is gebleken dat de schuldenaar een schuldenlast heeft van € 415.943,35, waaronder belastingschulden van in totaal € 189.879,18. De belastingschulden hebben betrekking hebben op zorgtoeslag, omzetbelasting, loonheffing, motorrijtuigenbelasting en bijdrage zorgverzekeringswet en zijn in de periode 2019 tot en met 2024 ontstaan. Verder is er sprake van een schuld bij Het Pensioenfonds van € 19.160,19 die betrekking heeft op onbetaalde premies uit de periode 2019 tot en met 2023. Voor 2024 gaat betreft het met name opgelegde boetes die het gevolg zijn van de onbetaalde premies uit de voorgaande jaren en premies die zijn opgelegd en waarschijnlijk zien op een werknemer die een paar maanden bij de schuldenaar in dienst is geweest. Tot slot is er een vordering van het UWV van € 8.643,29 die betrekking heeft op het salaris en het vakantiegeld van de voormalig werknemer in de periode juni tot september 2024. De werknemer is voor een groot deel van zijn dienstverband niet uitbetaald en heeft uiteindelijk het faillissement van de schuldenaar aangevraagd.\n\nHet advies van de curatoren op het verzoek\n\nDe curatoren hebben negatief over het omzettingsverzoek geadviseerd. Kort samengevat hebben de curator aan hun advies ten grondslag gelegd dat de schuldenaar op 31 mei 2024 (een half jaar voor faillissementsdatum) via de notaris een bedrag van € 202.588,11 aan overwaarde heeft ontvangen na de verkoop van zijn woning. Uit de bankafschriften van de schuldenaar is de curatoren gebleken dat een groot deel van de overwaarde vervolgens is uitgegeven aan kansspelen. De recente bankmutaties tonen volgens de curatoren aan dat de schuldenaar nog steeds aanzienlijke bedragen aan gokken besteedt, wat de curatoren duiden als indicatie van een gokverslaving die niet onder controle is. Hierdoor is niet voldaan aan het criterium dat de schuldenaar te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de afgelopen drie jaar voorafgaand aan het faillissement en ook niet aan het criterium dat aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de WSNP voortvloeiende verplichtingen zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.\n\nDe schuldenaar heeft op de zitting erkend dat hij de overwaarde van zijn woning heeft vergokt. Dit is mede gekomen onder druk van zijn toenmalige vriendin. De relatie is nu uit. Volgens de schuldenaar is de gokverslaving nu niet meer aan de orde. Hij heeft via de huisarts hulp gezocht en staat ingeschreven bij [instelling] . De schuldenaar is op dit moment niet aan het werk. Hij ontvangt een uitkering van ongeveer € 700,00 per maand vanwege een bedrijfsongeval dat hij in het verleden heeft gehad. De schuldenaar verwacht dat hij met zijn achtergrond als chefkok op korte termijn een baan met een goed salaris kan vinden, waarmee hij kan afdragen voor zijn schuldeisers.\n\nDe curator heeft op de zitting het standpunt van de curatoren herhaald. Desgevraagd heeft zij aangegeven dat van een keer ten goede is vooralsnog geen sprake is, omdat de schuldenaar niet werkt en daardoor in het faillissement tot op heden niet heeft afgedragen voor zijn schuldeisers.\n\nBEOORDELING\n\nOp grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Bij de beoordeling daarvan kan de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden, waaronder de aard en de omvang van de vorderingen, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten alsmede het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat verzoeker een hoge schuldenlast heeft, waarvan een groot deel in de afgelopen drie jaar voorafgaand aan het omzettingsverzoek ontstaan. Vaststaat dat de schulden bij de Belastingdienst, het UWV en het Pensioenfonds niet als te goeder trouw kunnen worden aangemerkt. Vaststaat ook dat de schuldenaar ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, nu hij de overwaarde van zijn woning volledig heeft opgesoupeerd in plaats van die ten goede te laten komen van zijn schuldeisers. De rechtbank overweegt dat van een keer ten goede nog niet kan gesproken, mede omdat de schuldenaar tot op heden nog niets heeft gespaard voor zijn schuldeisers. Een beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw strandt reeds om die reden. Het omzettingsverzoek zal daarom worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank zal de schuldenaar eerst minimaal een half jaar moeten laten zien dat hij zich tot het uiterste inspant voor zijn schuldeisers, waarna hij opnieuw een verzoek ter beoordeling aan de rechtbank zal kunnen voorleggen.\n\nBESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het omzettingsverzoek af;\n\n- wijst het verzoek tot opheffing van het faillissement af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:5933","2026-07-13T00:28:59.004Z",1,20]