[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-bergen-op-zoom-landlord-tenant-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":28,"total":16,"page":24,"limit":47},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},85,"Bergen op Zoom","nl","bergen-op-zoom",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},88,"landlord-tenant-nl","Landlord and Tenant","NL","2026-07-08T16:55:44.370Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},2,{"min":18,"max":18},"2026-05-06T00:00:00.000Z",[20,25],{"provisionId":21,"code":22,"article":23,"count":24},"124190","Burgerlijk Wetboek","art. 7:209",1,{"provisionId":26,"code":22,"article":27,"count":24},"124192","art. 7:207",[29,40],{"id":30,"ecli":31,"slug":32,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":34,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":36,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":38,"updatedAt":39},"1694","ECLI:NL:RBZWB:2026:5279","ecli-nl-rbzwb-2026-5279","","RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Bergen op Zoom\n\nZaaknummer: 12196593 \\ VV EXPL 26-20\n\nVonnis in kort geding van 6 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte zonder vaste woon- of verblijfplaats,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens,\n\ntegen\n\nSTICHTING ALWEL,\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Alwel,\n\ngemachtigde: mr. B. Boos, LAVG.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 22 april 2026 met producties, - de akte van Alwel met producties, - de mondelinge behandeling van 28 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2. De feiten in het kort\n\n2.1.. Alwel heeft de woning aan de [adres] aan [eiser] verhuurd. Bij verstekvonnis van 15 februari 2023 is de huurovereenkomst ontbonden wegens een huurachterstand, waarbij [eiser] is veroordeeld tot ontruiming van de woning en tot betaling van de huurachterstand, een gebruiksvergoeding, rente en kosten. Na dit vonnis heeft [eiser] maandelijks een (gebruiks)vergoeding, vermeerderd met € 25,00 aan aflossing, aan Alwel voldaan. In de periode van 28 december 2025 tot en met 24 maart 2026 verbleef [eiser] in Congo. Gedurende zijn afwezigheid heeft Alwel bij exploot van 9 januari 2026 de ontruiming van de woning aangezegd, waarbij [eiser] is gesommeerd de woning binnen veertien dagen te verlaten. Vervolgens heeft Alwel hem op 20 januari 2026 per e-mail verzocht contact op te nemen in verband met de geplande ontruiming op 27 januari 2026. De woning is na de ontruiming door Alwel aan nieuwe huurders verhuurd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert - samengevat en uitvoerbaar bij voorraad -:\n\nI. gedaagde te veroordelen:\n\na. het aanbieden van een woning in [plaats] binnen zes weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis, gelijkwaardig wat betreft het aantal kamers en het (grond)oppervlak,\n\nb. het ter beschikking stellen van een hotelkamer ter waarde van € 150,00 per nacht, totdat [eiser] weer over een woning beschikt,\n\nc. het vervoeren van de goederen van [eiser] naar de (nieuwe) woning,\n\nII. dat aan het onder I gevorderde een dwangsom wordt verbonden van € 250,00 per dag voor iedere dag dat gedaagde niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 30.000,00\n\nIII. te veroordelen in de kosten van de procedure.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Alwel, hoewel zij beschikte over een geldige titel voor de ontruiming, in de gegeven omstandigheden niet tot ontruiming had mogen overgaan. Volgens hem is die maatregel, gelet op zijn persoonlijke situatie, te vergaand. Hij wijst er verder op dat hij na het verstekvonnis steeds de gebruiksvergoeding heeft betaald en daarnaast maandelijks € 25,00 heeft afgelost op de achterstand. Daarmee is hij de betalingsregeling blijven nakomen. Tegen die achtergrond en gezien zijn omstandigheden, had Alwel volgens hem niet tot ontruiming mogen overgaan.\n\n3.3.. Alwel voert gemotiveerd verweer en voert daarbij het volgende aan. Allereerst betwist zij dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Verder wijst zij erop dat in juli 2025 de gebruiksverhoging is verhoogd. [eiser] heeft deze verhoging één keer betaald, maar heeft daarna de ‘oude’ gebruiksvergoeding betaald. Alwel heeft [eiser] hier meermaals op geattendeerd, maar er was geen contact met hem te krijgen.\n\n3.4.. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. \n\nVolgens Alwel heeft [eiser] geen spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat de woning al in januari 2026 is ontruimd en het kort geding pas in april 2026 is ingesteld. De kantonrechter volgt dit verweer niet.\n\nHet spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering zelf. [eiser] beschikt thans niet over woonruimte en leeft daardoor op straat. Gelet hierop kan van hem niet worden verlangd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Daarmee is voldoende aannemelijk dat sprake is van een spoedeisend belang.\n\nDe ontruiming\n\n4.2.. De kantonrechter oordeelt dat de ontruiming niet was gerechtvaardigd. Zij overweegt hiertoe het volgende.\n\n4.2.1.. Alwel heeft het verstekvonnis pas na geruime tijd ten uitvoer gelegd, namelijk bijna drie jaar na de uitspraak. Hoewel de bevoegdheid tot executie niet is verjaard, brengt de ontruiming mee dat een belangenafweging dient plaats te vinden. In dat kader ligt het op de weg van Alwel om te motiveren waarom tot ontruiming is overgegaan. Als reden voor de ontruiming heeft Alwel aangevoerd dat [eiser] de huurverhoging per juli 2025 niet heeft voldaan en dat hij daarnaast gedurende langere tijd slechts € 25,00 per maand heeft afgelost, terwijl de betalingsregeling een looptijd van zes maanden had. Zij heeft hem meermaals gevraagd de afspraken behoorlijk na te komen, maar heeft geen reactie ontvangen.\n\n4.2.2.. Daartegenover staat het belang van [eiser] . Hij bevindt zich in een zeer kwetsbare positie, nu hij momenteel op straat leeft en kampt met zowel fysieke als mentale klachten. Daarnaast beheerst hij de Nederlandse taal niet, hetgeen zijn vermogen om zelfstandig te functioneren en passende hulp of voorzieningen te vinden aanzienlijk belemmert. Dit maakt dat hij in sterke mate afhankelijk is van derden en beperkt zelfredzaam is. Het verlies van woonruimte heeft voor hem dan ook ingrijpende en ontwrichtende gevolgen. De reden dat hij ruim twee maanden niet bereikbaar was komt doordat hij bij zijn zieke vrouw in Congo was. Tijdens zijn verblijf daar is zijn vrouw overleden.\n\n4.2.3.. Tegen deze achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat het belang van Alwel bij tenuitvoerlegging van het verstekvonnis in dit geval niet zwaarder weegt dan het belang van [eiser] . Daarbij weegt mee dat de tekortkoming aan de zijde van [eiser] in essentie beperkt is gebleven tot het niet voldoen van de huurverhoging per juli 2025 en daarmee van relatief geringe aard is. Hoewel vaststaat dat de overeengekomen betalingsregeling na zes maanden had moeten worden herzien, heeft [eiser] wel structureel afgelost en de lopende (oude) gebruiksvergoeding voldaan, zodat er geen sprake is van een situatie waarbij zonder ontruiming de schuld verder zal oplopen. Daarnaast kan de kantonrechter zich niet aan de indruk onttrekken dat [eiser] onvoldoende heeft begrepen dat hij de verhoogde gebruiksvergoeding diende te betalen.\n\n4.2.4.. Voorts acht de kantonrechter van belang dat Alwel, als sociale verhuurder, een bijzondere verantwoordelijkheid draagt in de omgang met haar huurders. In een situatie als de onderhavige, waarin sprake is van een huurder met beperkte taalvaardigheid en aantoonbare kwetsbaarheid, mocht van Alwel een meer actieve en zorgvuldige opstelling worden verwacht. Het had op haar weg gelegen om [eiser] op begrijpelijke wijze te wijzen op de dreigende ontruiming en de gevolgen daarvan, en om zo nodig telefonisch contact met hem op te nemen teneinde escalatie te voorkomen. Alwel heeft slechts niet aangetekende brieven gestuurd en één keer gemaild met met [eiser] . Volgens Okombi Obata heeft hij een ander emailadres, zodat die email hem niet heeft bereikt. Voorts heeft [eiser] onwweersproken gesteld dat hij geen brieven heeft ontvangen omdat de brievenbus kapot was. Dat het verstekvonnis als waarschuwing kan gelden, maakt dit in de gegeven omstandigheden niet anders, nu ter zitting is gebleken dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat [eiser] de reikwijdte en consequenties daarvan daadwerkelijk heeft begrepen, zeker gelet op het feit dat hij na dat verstekvonnis nog drie jaar in de woning heeft gewoond.\n\n4.3.. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voorshands van oordeel dat Alwel jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis over te gaan. De nadelige gevolgen daarvan dienen door Alwel te worden hersteld. Dit brengt mee dat Alwel gehouden is [eiser] passende vervangende woonruimte aan te bieden, die wat betreft omvang en aard aansluit bij de eerder gehuurde woning.\n\n4.4.. Aan deze verplichting zal een dwangsom worden verbonden voor het geval Alwel hiermee in gebreke blijft. De dwangsom zal worden toegekend zoals in de beslissing is vermeld.\n\n4.5.. De vordering met betrekking tot het beschikbaar stellen van een hotelkamer ter waarde van € 150,00 per nacht zal in die zin worden toegewezen dat Alwel veroordeeld wordt tot het ter beschikking stellen van een overnachtingsmogelijkheid met wasgelegenheid. Dat kan een hotel zijn, maar het kan ook een tijdelijke ander onderkomen zijn. De gevorderde vergoeding voor hotelovernachtingen zal, bij gebreke van een onderbouwing, worden afgewezen. De kantonrechter merkt daarbij op dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. Dit brengt mee dat Alwel, ongeacht een eventueel rechtsmiddel of het verdere verloop van de procedure, gehouden is om aan de veroordeling te voldoen.\n\nDe proceskosten\n\n4.6.. Alwel is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n151,94\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n965,94\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Alwel om binnen zes weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis een woning in [plaats] aan [eiser] aan te bieden welke gelijk is aan de woning gelegen te [plaats] op het gebied van het aantal kamers en (grond)oppervlak,\n\n5.2.. veroordeelt Alwel om aan [eiser] een overnachtingsmogelijkheid met wasgelegenheid ter beschikking te stellen totdat hij weer over een woning beschikt.\n\n5.3.. veroordeelt Alwel tot het vervoeren van de goederen van [eiser] vanuit de plaats waar zij de goederen heeft doen opslaan naar de woning bedoeld onder 5.1.,\n\n5.4.. veroordeelt Alwel om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 200,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,\n\n5.5.. veroordeelt Alwel in de proceskosten van € 965,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Alwel niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van Spronssen en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5279","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:34.010Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":44,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":38,"updatedAt":46},"1697","ECLI:NL:RBZWB:2026:5289","ecli-nl-rbzwb-2026-5289",",RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Bergen op Zoom\n\nZaaknummer: 11668103 \\ CV EXPL 25-1369\n\nVonnis van 6 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [huurder 1] ,\n\nte [plaats] , 2. [huurder 2],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nhierna samen te noemen: [huurders] ,\n\ngemachtigde: mr. T.M. Kools,\n\ntegen\n\nSTART HOME RENTALS B.V.,\n\nte Rotterdam,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: SHR,\n\ngemachtigde: mr. P. Smit.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 3 december 2025 en de daarin genoemde stukken, - de akte van [huurders] , - de akte van SHR.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nTussenvonnis\n\n2.1.. In het tussenvonnis van 3 december is vastgesteld dat SHR recht heeft op huurprijsvermindering doordat [huurders] niet een toereikende vergunning heeft aangevraagd, wat een gebrek oplevert. Over de omvang van de huurprijsvermindering was nog niet voldoende gedebatteerd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich in een akte uit te laten over wat volgens hen de omvang van de huurprijsvermindering dient te zijn.\n\nAktes\n\n2.2.. \n [huurders] heeft in zijn akte geprotesteerd tegen de vastgestelde huurprijsvermindering. Hoewel de plicht om de vergunning aan te vragen op [huurders] rust, is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onredelijk dat SHR zich hierop beroept. Zij wist volgens [huurders] dat een vergunning verplicht was, maar heeft [huurders] daar niet van op de hoogte gesteld. Voorts beroept [huurders] zich, gelet op het voorgaande, op eigen schuld uit artikel 6:101 BW. Ook zou SHR niet hebben voldaan aan haar stelplicht.\n\n2.3.. SHR heeft zich in haar akte uitgelaten over haar standpunt met betrekking tot de omvang van de huurprijsvermindering. Dit standpunt komt in essentie overeen met hetgeen zij reeds in haar conclusie van antwoord naar voren heeft gebracht. Waar zij voorheen een maandelijkse huurprijs van € 3.150,00 aan haar onderhuurders in rekening bracht, verhuurt zij de woning thans voor € 1.750,00 per maand. Dit betekent dat zij maandelijks € 1.400,00 minder aan huurinkomsten ontvangt. Niettemin heeft SHR, uit coulance, niet het volledige bedrag van € 1.400,00 opgeschort, maar een bedrag van € 1.181,83. Zij heeft daarbij aansluiting gezocht bij een puntentelling op basis van het woningwaarderingsstelsel. Uit deze berekening volgt een huurprijs van € 860,17 per maand, welke zij als een redelijke huurprijs beschouwt.\n\nBeoordeling huurprijsvermindering\n\n2.4.. Nu partijen zich bij akte hebben uitgelaten, dient de kantonrechter de omvang van de huurprijsvermindering te beoordelen. De kantonrechter zal daartoe eerst de standpunten in de aktes bespreken, waarna de huurprijsvermindering wordt vastgesteld.\n\n2.5.. \n [huurders] heeft in zijn akte diverse verweren aangevoerd. Deze zien met name op de vraag of een huurprijsvermindering aan de orde is. Die vraag staat echter niet meer ter beoordeling, nu bij tussenvonnis reeds is geoordeeld dat SHR recht heeft op huurprijsvermindering. Deze verweren blijven daarom in beginsel buiten beschouwing. Niettemin overweegt de kantonrechter, ten overvloede, het volgende.\n\nDwingend recht en redelijkheid & billijkheid\n\n2.5.1.. \n\nArtikel 7:209 BW is van dwingend recht en bepaalt dat van de artikelen 7:206 lid 1 en 2, 7:207 en 7:208 BW niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken, voor zover het gebreken betreft die de verhuurder bij het aangaan van de huurovereenkomst kende of behoorde te kennen. Daarvan is hier sprake. De op het gehuurde rustende vergunningsplicht bestond reeds ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst, zodat deze voor [huurders] kenbaar was, dan wel had behoren te zijn. Daarmee is sprake van een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW, waarop artikel 7:209 BW dus van toepassing is. Voor de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is daarom geen plaats. Toepassing daarvan zou namelijk neerkomen op het doorbreken van dwingend huurbeschermingsrecht, terwijl artikel 7:209 BW juist strekt tot bescherming van de huurder tegen nadelige afwijkingen. Dat strookt dus niet met het doel van de regeling en is slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk, waarvan hier geen sprake is.\n\nEigen schuld\n\n2.5.2.. Het beroep van [huurders] op eigen schuld is niet aan de orde. Dat artikel geldt alleen bij schadevergoeding en niet bij huurprijsvermindering. Huurprijsvermindering heeft een eigen wettelijke grondslag en hangt niet af van een verdeling van schuld\u002Fverwijtbaarheid.\n\nOmvang huurprijsvermindering\n\n2.6.. SHR heeft haar standpunt, dat € 860,17 per maand een redelijke huurprijs is, onderbouwd met een puntentelling op grond van het woningwaarderingsstelsel. SHR heeft aangevoerd dat de puntentelling uitkomt op 140 punten, hetgeen resulteert in een maximale huurprijs van € 860,17. [huurders] heeft zowel ter zitting als in zijn akte gelegenheid gehad om op deze puntentelling te reageren, maar heeft daarop geen inhoudelijk verweer gevoerd. De kantonrechter sluit aan bij de door SHR aangevoerde huurprijs, nu deze onvoldoende gemotiveerd is betwist en ook niet onredelijk voorkomt. De kantonrechter acht deze huurprijs passend bij een dergelijke woning in een omgeving zoals hier aan de orde is. De huurprijs zal daarom tot € 860,17 worden verminderd.\n\n2.7.. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord vanaf welke datum de huurprijsvermindering geldt. Op grond van artikel 7:207 BW heeft de huurder recht op huurprijsvermindering vanaf het moment dat sprake is van een gebrek dat het huurgenot vermindert, en zolang dat gebrek voortduurt. De huurprijsvermindering geldt dus voor de periode waarin het gebrek bestaat. In dit geval is het gebrek het ontbreken van een toereikende omgevingsvergunning voor het overeengekomen gebruik. Dit gebrek bestaat sinds september 2024, het moment waarop SHR is gestart met de onderverhuur van de woning aan één huishouden. SHR vordert echter huurprijsvermindering met ingang van 1 december 2024, tot het moment waarop het gebrek is hersteld, te weten het moment waarop een toereikende omgevingsvergunning voor dat gebruik is verkregen. De huurprijsvermindering zal daarom ingaan per 1 december 2024 en gelden tot het moment waarop dit gebrek is verholpen.\n\nBeoordeling huurachterstand en nevenvorderingen\n\n2.8.. De kantonrechter stelt vast dat na toepassing van de huurprijsvermindering een huur van € 860,17 per maand verschuldigd is. Vaststaat dat SHR dit bedrag steeds correct heeft voldaan, zodat van een huurachterstand geen sprake is. Het beroep van [huurders] op het alsnog bestaan van een achterstand wegens een contractueel opschortingsverbod wordt verworpen, omdat de huurprijsvermindering voortvloeit uit artikel 7:209 BW en dwingendrechtelijk van aard is, zodat daarvan niet contractueel kan worden afgedaan.\n\n2.9.. De huurprijs wordt derhalve vastgesteld op € 860,17 per maand met ingang van 1 december 2024, en blijft gelden zolang het gebrek voortduurt, te weten totdat een toereikende omgevingsvergunning is verkregen.\n\n2.10.. De nevenvorderingen worden afgewezen, aangezien SHR niet tekort is geschoten in haar betalingsverplichting voor wat betreft de huurprijs en dus niet in verzuim verkeert.\n\nProceskosten\n\nin conventie\n\n2.11.. \n [huurders] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SHR worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n900,00\n\n(2,5 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.044,00\n\nin reconventie\n\n2.12.. \n [huurders] is in reconventie is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [huurders] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n360,00\n\n(1 punt × € 360,00)\n\nTotaal\n\n€\n\n360,00\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n3.1.. wijst de vorderingen van [huurders] af,\n\n3.2.. veroordeelt [huurders] in de proceskosten van € 1.044,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n3.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin reconventie\n\n3.4.. stelt de huurprijs voor de woonruimte aan de [adres] vast op € 860,17 per maand, met ingang van 1 december 2024 en voortdurend totdat het gebrek is verholpen, te weten totdat een toereikende omgevingsvergunning is verkregen,\n\n3.5.. veroordeelt [huurders] in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n3.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.7.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin conventie en in reconventie\n\n3.8.. veroordeelt [huurders] tot betaling van de kosten van betekening als [huurders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.\n\n(MA)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5289","2026-07-13T00:29:34.127Z",20]