[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-administrative-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":72,"limit":73},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},97,"administrative-law-nl","Administrative Law","NL","2026-07-08T16:56:40.686Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},6,{"min":18,"max":19},"2026-06-03T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[],[22,32,39,48,56,65],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"974","ECLI:NL:RBZWB:2026:5793","ecli-nl-rbzwb-2026-5793","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F4858uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [eisers] , uit [woonplaats] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een beslissing van het college op het bezwaar van eisers tegen de brief van 8 november 2024, waarin de openbaarmaking is opgeschort niet-ontvankelijk is verklaard. Eisers voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bezwaar op goede gronden niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen de opschorting niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n1.2.. Eisers hebben gevraagd documenten openbaar te maken over de vergunningaanvraag van hun buren, de vergunninghouders. Het college heeft met het besluit van 3 oktober 2024 de openbaarmaking gedeeltelijk toegewezen. Met de beslissing op bezwaar van 12 augustus 2025 op de bezwaren van eisers heeft het college dit besluit deels herroepen en besloten meer gegevens openbaar te maken. Eisers en de vergunninghouders hebben ieder beroep ingesteld tegen dit besluit.\n\n1.3.. In verband met het bezwaar van vergunninghouders schort het college op 8 november 2024 de openbaarmaking van de documenten op. Eisers maken bezwaar tegen de opschorting van de openbaarmaking. Het college heeft het bezwaar van eisers tegen deze opschorting van de openbaarmaking bij het bestreden besluit van 12 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 8 november 2024 volgens het college niet op rechtsgevolg is gericht en er dus geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers hebben hier beroep tegen ingesteld.\n\n1.4.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld, tegelijkertijd met de beroepen tegen de inhoudelijke beslissing op bezwaar.Hieraan hebben deelgenomen: eisers, [gemachtigde 1] als gemachtigde van de vergunninghouders en mr. M. Roels, [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] namens van het college.\n\n1.6.. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.\n\nTotstandkoming van de bestreden besluiten\n\n2. Eisers dienen op 7 maart 2024 een Woo-verzoek in waarin zij vragen om alle documenten over het vergunningverleningsproces op het adres [adres] te [woonplaats] . Dat betreft de vergunning die vergunninghouders hebben aangevraagd en verkregen.\n\n2.1.. Eisers en vergunninghouders wordt om een zienswijze gevraagd. Op 3 oktober 2024 besluit het college de documenten, deels gelakt, openbaar te maken.\n\n2.2.. Op 14 oktober 2024 stuurt het college vergunninghouders een mail waarin is aangegeven dat per abuis een verkeerd e-mail adres is gebruikt waardoor zij geen zienswijze in hebben kunnen dienen.\n\n2.3.. Op 28 oktober 2024 dienen vergunninghouders een bezwaarschrift in. Op 8 november 2024 stuurt het college een brief aan eisers waarin staat vermeld dat zij door een onjuiste adressering een derde-belanghebbende (vergunninghouders) niet in de gelegenheid hebben gesteld om een zienswijze in te dienen. Gelet hierop schort het college de openbaarmaking van de documenten op tot twee weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar. Eisers hebben de documenten die vrij zijn gegeven al gekregen, maar mogen van het college deze documenten wegens de opschorting van de openbaarmaking niet gebruiken of verspreiden.\n\n2.4.. Op 13 november 2024 maken eisers bezwaar tegen het besluit op het Woo-verzoek van 3 oktober 2024. Op 18 december 2024 maken zij ook bezwaar tegen de brief van 8 november 2024 over de opschorting van de feitelijke openbaarmaking.\n\n2.5.. Met de beslissingen op bezwaar van 12 augustus 2025 is op de bezwaren van eisers en vergunninghouders beslist.\n\n2.6.. Vergunninghouders hebben (evenals eisers) beroep ingesteld tegen dit besluit en daarnaast een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.\n\n2.7.. Op 14 oktober 2025 beslist de voorzieningenrechter dat geen openbaarmaking zal plaatsvinden tot twee weken nadat in de bodemprocedure is beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nInhoudelijke beoordeling van de opschorting\n\n3. Eisers stellen dat het college hun bezwaar tegen de brief waarin is aangegeven dat de openbaarmaking is opgeschort ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze brief bevatte een besluit, want het had als rechtsgevolg dat een aantal documenten niet is ontvangen en zij deze stukken niet in juridische procedures hebben kunnen gebruiken. Door op te schorten is de rechtsbescherming van eisers geschaad. Het gaat daarbij met name (maar niet uitsluitend) om de laatste drie documenten met de nummers 98, 99 en 100. De opschorting duurt voort.\n\n3.1.. De rechtbank komt tot het oordeel dat eisers geen procesbelang meer hebben bij het aanvechten van het opschorten van de openbaarmaking van de documenten. Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom dat het doel dat diegene voor ogen staat met het beroep kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Enkel een principieel belang is onvoldoende.\n\n3.2.. Uit het voorgaande volgt dat de opschorting van 8 november 2024 gold tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Daarna heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat openbaarmaking niet eerder mag geschieden dan twee weken na de uitspraak in de bodemprocedure. De opschorting van 8 november 2024 door het college heeft dus geen werking meer. Eisers kunnen met deze procedure, gericht tegen de opschorting van de openbaarmaking door het college, niet bereiken dat de stukken openbaar worden gemaakt. Eisers hebben dus geen procesbelang, omdat feitelijke betekenis van deze procedure ontbreekt.\n\n3.3.. Het belang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit kan ook nog zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel betrokken kan worden bij toekomstige besluitvorming. Dat daarvan sprake is, is echter niet gebleken. Indien iemand stelt schade te hebben geleden door een besluit en dit tot op zekere hoogte aannemelijk maakt kan eveneens sprake zijn van procesbelang. Eisers hebben expliciet gesteld geen verzoek tot schadevergoeding te beogen, zodat dit niet tot procesbelang kan leiden.\n\n3.4.. Bovendien geldt voor de stukken 98, 99 en 100 dat de openbaarmaking hiervan niet met het bestreden besluit was opgeschort. De opschorting gaat over de documenten die met het primaire besluit van 3 oktober 2024 openbaar zouden worden gemaakt. Bij die stukken zaten de documenten 98, 99 en 100 nog niet. Deze zijn pas in de bezwaarfase aan de inventarislijst met openbaar te maken documenten toegevoegd. Opschorting van openbaarmaking van deze documenten is uitsluitend het gevolg van het toekennen van de voorlopige voorziening.\n\n3.5.. Het beroep van Woo-verzoekers zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep van eisers is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.\n\n4.1.. Eisers hebben gevraagd om teruggave van hun griffierecht en een veroordeling van het college in de proceskosten. Omdat het beroep van eisers niet-ontvankelijk is, komen zij hiervoor niet in aanmerking.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\n Dat zijn de beroepen met de nummers 25\u002F1467 en 25\u002F4856.\n\n Het gaat om de beroepen van eisers en vergunninghouders met de nummers 25\u002F1467 en 25\u002F4856.\n\n Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7237.\n\n Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7237.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5793","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:57.123Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"965","ECLI:NL:RBZWB:2026:5805","ecli-nl-rbzwb-2026-5805","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F3199\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoekers] , uit [woonplaats] , verzoekers, (gemachtigde mr. P.E.M. Meijer),\n\n en\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg(college), verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers met betrekking tot het niet-ontvankelijk verklaren van hun bezwaarschrift van 10 maart 2026.\n\n1.1.. Op 4 februari 2026 is er namens de gemeente Geertruidenberg door het Baronie Interventieteam (BIT) een onaangekondigde controle uitgevoerd bij de winkel van verzoekers, [winkel] . Verzoekers hebben het college op 16 februari 2026 een brief gestuurd over die controle. Het college heeft op 10 maart 2026 op de brief van verzoekers gereageerd. Verzoekers hebben op 10 maart 2026 een bezwaarschrift ingediend tegen deze brief.\n\n1.2.. Bij beslissing op bezwaar van 11 mei 2026 heeft het college het bezwaar van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 10 maart 2026 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat daar geen bezwaar tegen mogelijk is.\n\n1.3.. Verzoekers hebben tegen deze beslissing beroep ingesteld. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij is onder meer verzocht om een voorschot op de geleden schades vast te stellen.\n\n1.4.. Op grond van artikel 8:83, derde lid van de Awb is een zitting achterwege gebleven.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n2.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.\n\n2.2.. De griffier heeft verzoekers bij brief van 17 juni 2026 gevraagd om binnen een week het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening nader toe te lichten.\n\n2.3.. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers niet op de brief van 17 juni 2026 hebben gereageerd. Daardoor is de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden waarom verzoekers de uitkomst van de bezwaarprocedure niet zouden kunnen afwachten. Dat blijkt ook niet uit het verzoek-\u002Fberoepschrift.\n\nConclusie en gevolgen\n\n3. Omdat niet is gebleken van een spoedeisend belang, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.\n\n3.1.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5805","2026-07-13T00:28:56.803Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":43,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":30,"updatedAt":47},"1855","ECLI:NL:RBZWB:2026:5583","ecli-nl-rbzwb-2026-5583","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: 26\u002F2571\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoeker 1] , uit [plaats 1] ,\n\n [verzoeker 2], uit [plaats 2] ,\n\nsamen, verzoekers,\n\n(gemachtigde: mr. A.A.M. van Beek),\n\nen\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, het college.\n\nInleiding\n\nVerzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 21 april 2026 (bestreden besluit), over het opleggen van een last onder dwangsom vanwege het huisvesten van arbeidsmigranten op percelen aan de [adres] . Verzoekers hebben de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening.\n\nDe voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoekers waren samen met hun gemachtigde aanwezig. Namens het college was [vertegenwoordiger college] aanwezig.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n1. Feiten\n\n1.1. Verzoekers zijn eigenaar van de percelen aan de [adres] (hierna: de percelen).\n\n1.2. Op 14 oktober 2025 heeft een toezichthouder van de gemeente een controle uitgevoerd bij de bedrijfswoning op die percelen. De bevindingen zijn opgenomen in een controlerapport van 15 oktober 2025. Tijdens de controle is door de huismeester verklaard dat vijftien personen verbleven in de bedrijfswoning. Die vijftien personen werkten voor hetzelfde uitzendbureau. Daarnaast is geconstateerd dat op de begane grond elf slaapkamers, twee badkamers en twee keukens zijn gerealiseerd. Op de eerste verdieping zijn acht slaapkamers en twee badkamers gerealiseerd.\n\n1.3. In brieven van 24 december 2025 heeft het college verzoekers een waarschuwing gegeven, vanwege de huisvesting van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. Verzoekers hebben daar op 9 februari 2026 op gereageerd.1.4. In afzonderlijke brieven van 4 maart 2026 heeft het college verzoekers medegedeeld voornemens te zijn om een last onder dwangsom op te leggen. Verzoekers hebben daar met een zienswijze op gereageerd.\n\n1.5. Op 17 april 2026 heeft een toezichthouder van de gemeente een controle uitgevoerd bij de bedrijfswoning op de percelen. De bevindingen zijn opgenomen in een controlerapport van 17 april 2026. Tijdens de controle is geconstateerd dat nagenoeg alle kamers in het gebouw in gebruik waren door arbeidsmigranten.\n\n1.6. Bij bestreden besluit heeft het college aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd, vanwege de volgende overtredingen:\n\nhet zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gebruiken van de bedrijfswoning voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Dit is volgens het college in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) in samenhang met artikel 6.1 van het omgevingsplan;\n\nhet zonder gebruiksmelding in gebruik nemen of gebruiken van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur. Dit is volgens het college in strijd met artikel 6.6 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in samenhang met artikel 6.7, eerste lid, van het Bbl.\n\nHet college heeft verzoekers gelast om de overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden binnen vier weken na verzending van het bestreden besluit. Het college heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 20.000,- per vier weken, met een maximum van € 60.000,-.\n\n1.7. Op 4 mei 2026 hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Op diezelfde dag hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.\n\n1.8. In een e-mailbericht van 7 mei 2026 heeft het college aan verzoekers medegedeeld dat de begunstigingstermijn wordt opgeschort tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.\n\n2. Wettelijk kader\n\n2.1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.\n\nOmgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit\n\n2.2. In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een omgevingsplanactiviteit wordt in de bijlage bij de Ow onder andere gedefinieerd als een activiteit in strijd met het omgevingsplan.\n\n2.3. De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige (‘zonder onevenredige gevolgen voor de fysieke leefomgeving’) toedeling van functies aan locaties.2.4. Op dit moment bestaat het omgevingsplan van de gemeente Drimmelen onder andere uit ‘een tijdelijk deel’.Dat tijdelijk deel wordt (voor zover voor deze zaak relevant) gevormd door de kaarten en regels uit het bestemmingsplan dat vóór 1 januari 2024 op de percelen van toepassing was.Dit was het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’, waarin aan de relevante delen van de percelen (voor zover daarop de bedrijfswoning is gelegen) de functie ‘bedrijventerrein’ en de aanduidingen ‘bedrijf tot en met categorie 2’ en ‘bedrijfswoning’ zijn toegekend.\n\nBesluit bouwwerken leefomgeving\n\n2.5. Het is op grond van artikel 6.7, eerste lid, van het Bbl in samenhang met artikel 6.6, eerste lid, van het Bbl verboden een bouwwerk met een woonfunctie te gebruiken voor kamergewijze verhuur, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van het gebruik van het bouwwerk te melden bij het college.\n\n3. Spoedeisend belang\n\n3.1. Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen.\n\n3.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers een spoedeisend belang bij hun verzoek om verzoek om een voorlopige voorziening. Aan hen is een last onder dwangsom opgelegd, met een begunstigingstermijn die loopt tot twee weken na deze uitspraak van de voorzieningenrechter.\n\n4. Gronden\n\n4.1. Verzoekers hebben hun gronden digitaal aangevuld op 12 juni 2026, als reactie op het verweerschrift. Ter zitting heeft het college gesteld dat dit stuk buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het indienen van een omvangrijke aanvulling op zo’n korte termijn voor de zitting in strijd is met de goede procesorde. De voorzieningenrechter stelt vast dat in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb staat dat partijen tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Verzoekers hebben het stuk op vrijdag 12 juni 2026 (10:20 uur) digitaal ingediend bij de rechtbank en het verzoek om een voorlopige voorziening is op 15 juni 2026 (15:30 uur) op zitting behandeld. Gelet daarop hebben verzoekers het aanvullend stuk tijdig ingediend. Hoewel verzoekers al eerder hadden kunnen reageren op het verweerschrift, zal de voorzieningenrechter het stuk niet wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten. Het stuk is niet van een zodanige omvang of inhoud dat (het voorbereiden van) een adequate reactie daarop door het college na de ontvangst niet mogelijk zou zijn. Op zitting heeft het college er ook inhoudelijk op kunnen reageren.\n\n4.2. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Volgens verzoekers heeft het college de last onder dwangsom ten onrechte opgelegd. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben zij verschillende argumenten aangevoerd. Volgens verzoekers is geen sprake van overtreding van artikel 6.6 en 6.7 van het Bbl. Verzoekers hebben daarnaast verschillende argumenten aangevoerd die herleid kunnen worden tot het standpunt dat een uitzondering moet worden gemaakt op de beginselplicht tot handhaving. Verzoekers hebben aangevoerd dat het college af had moeten zien van handhavend optreden, omdat sprake is van strijd met het verbod van détournement de pouvoir, het gelijkheidsbeginsel, omdat het huisvesten van arbeidsmigranten was toegestaan op grond van oud beleid, omdat het huidige beleid over de huisvesting van arbeidsmigranten onrechtmatig is, omdat handhaving onevenredig is en omdat het in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Daarnaast hebben verzoekers aangevoerd dat de begunstigingstermijn onredelijk en onuitvoerbaar is en dat de dwangsom te hoog is vastgesteld.\n\n5. Omvang van het geding\n\n5.1. Aan de voorzieningenrechter is een bestreden besluit ter toetsing voorgelegd waarin een last onder dwangsom is opgelegd aan verzoekers. De omvang van het geding wordt bepaald door het bestreden besluit.\n\n5.2. Verzoekers hebben in hun verzoek om voorlopige voorziening verschillende gronden aangevoerd die zien op het ‘verbod’ om arbeidsmigranten te huisvesten op de percelen. De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat verzoekers daarmee bedoelen aan te voeren dat ze het niet eens zijn met de functie ‘Bedrijventerrein’ en daarbij behorende aanduidingen die in het bestemmingsplan – dat onderdeel is van het omgevingsplan – aan de percelen zijn toegekend. De voorzieningenrechter zal die gronden niet beoordelen, omdat deze gronden buiten de omvang van het geding vallen. Het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ is onherroepelijk vastgesteld. De door verzoekers aangevoerde gronden dienden na de vaststelling van het bestemmingsplan te worden aangevoerd in een tegen die vaststelling gerichte procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling). In tegenstelling tot wat in het verzoek om een voorlopige voorziening staat, hebben verzoekers op zitting aangegeven dat zij niet hebben bedoeld aan te voeren dat het omgevingsplan in strijd is met de Dienstenrichtlijn.\n\n5.3. Verzoekers hebben verder verschillende argumenten aangevoerd die zien op het standpunt dat op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verleend, voor het huisvesten van de arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. Die argumenten zal de voorzieningenrechter uitsluitend beoordelen voor zover zij binnen de omvang van dit geding vallen. Meer specifiek is dat voor zover de argumenten kunnen worden vertaald naar het standpunt dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Het ligt op de weg van verzoekers om een aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen. In het kader van die procedure kan dan worden beoordeeld of en worden geprocedeerd over de vraag of een omgevingsvergunning kan worden verleend.\n\n6. Overtreding\n\n6.1. Het college was alleen bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen, wanneer sprake was van een overtreding.6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat het huisvesten van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning in strijd is met het omgevingsplan en dat daar geen omgevingsvergunning voor is verleend aan verzoekers. Uit de planregels in samenhang met de Staat van bedrijfsactiviteiten, blijkt dat een bedrijf voor het huisvesten van arbeidsmigranten niet past binnen de functie ‘Bedrijventerrein’.Daarnaast kan het gebruiken van het pand voor het huisvesten van arbeidsmigranten ook niet worden aangemerkt als het gebruiken van het pand als bedrijfswoning.\n\n6.3. Gelet daarop was het college bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Of ook sprake is van een overtreding van artikel 6.6 en 6.7 van het Bbl behoeft daarom geen bespreking meer. Te meer, omdat verzoekers op zitting hebben aangegeven dat die overtreding inmiddels is beëindigd door alsnog een melding te doen. Gelet daarop is het ook aan het college om in het kader van de heroverweging in bezwaar te beoordelen of die overtreding al dan niet als grondslag voor de last onder dwangsom wegvalt. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het eventueel wegvallen van deze overtreding geen gevolgen heeft voor de hoogte van de gestelde dwangsom, omdat die voornamelijk is gebaseerd op de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow.\n\n7. Beginselplicht tot handhaving\n\n7.1. Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Deze beginselplicht geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.\n\n7.2. In een uitspraak van 3 maart 2025 heeft de Afdelingoverwogen dat voor de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.\n\n7.3. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.\n\n7.4. Détournement de pouvoir\n\n7.4.1. Verzoekers hebben aangevoerd dat sprake is van een oneigenlijk gebruik (détournement de pouvoir) van handhavingsbevoegdheden. Het college stelt dat een bedrijventerrein ongeschikt is voor bewoning vanwege milieuzonering en een nabijgelegen geitenhouderij. Planologisch is een bedrijfswoning toegestaan en is daarmee reeds erkend dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is.\n\n7.4.2. In artikel 3:3 van de Awb staat dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.\n\n7.4.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het college het bestreden besluit in strijd met het verbod van détournement de pouvoir heeft vastgesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college handhavend optreedt, omdat in de bedrijfswoning – in strijd met het omgevingsplan en zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit – arbeidsmigranten worden gehuisvest. De voorzieningenrechter is niet gebleken van feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit is genomen om een ander doel te dienen dan de handhaving van het omgevingsplan. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat uit pagina 26 van de Handreiking Activiteiten en milieuzonering van de VNG uit 2024 blijkt dat bij een bedrijfswoning een lager kwaliteitsniveau voor het woon- en leefklimaat wordt aanvaard dan dat wordt aanvaard voor een woonbestemming.\n\n7.5. Gelijkheidsbeginsel\n\n7.5.1. Volgens verzoekers is daarnaast sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het college faciliteert op dit moment de opvang van een grote groep personen (asielzoekers) in een bedrijfsgebouw zonder woonfunctie op het bedrijventerrein Brieltjenspolder voor een periode van acht jaar. Het is juridisch onhoudbaar en een verboden onderscheid naar doelgroep, om voor de ene doelgroep (asielzoekers) te oordelen dat een bedrijventerrein een aanvaardbaar woon- en leefklimaat biedt, terwijl dit voor een andere doelgroep (arbeidsmigranten) categorisch wordt uitgesloten.\n\n7.5.2. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Een besluit is in strijd met dit beginsel vastgesteld, wanneer sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld en wanneer voor die ongelijke behandeling geen voldoende objectieve rechtvaardiging bestaat.\n\n7.5.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Het college heeft in het verweerschrift voldoende toegelicht dat geen sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen, omdat voor de opvang van de asielzoekers een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend. In dat geval is dus geen sprake van een overtreding waartegen handhavend opgetreden kan worden. Aan verzoekers is een dergelijke omgevingsvergunning niet verleend.\n\n7.6. Toegestaan op grond van het oude beleid\n\n7.6.1. Verzoekers hebben daarnaast aangevoerd dat het huisvesten van arbeidsmigranten op deze percelen was toegestaan op grond van het oude beleid. Omdat het gaat om een woning in de kern van [plaats 3] , hoefde daar op grond van artikel 2.1 van het Beleid logies\u002Fhuisvesting arbeidsmigranten (herzien in 2020)(hierna: oude beleid) geen omgevingsvergunning voor te worden aangevraagd. Volgens het beleid kon worden volstaan met een melding, die verzoekers hebben gedaan.\n\n7.6.2. De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat verzoekers hebben bedoeld aan te voeren dat het opleggen van de last onder dwangsom om de onder 7.6.1 genoemde redenen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.\n\n7.6.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken dat op grond van het oude beleid geen omgevingsvergunning was vereist voor het huisvesten van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. Vanaf 2013 was het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ op de percelen van toepassing. Op dat moment was dus in het bestemmingsplan al aan de percelen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ toegekend en de aanduidingen ‘bedrijfswoning’ en ‘bedrijf tot en met categorie 2’. Op dat moment was het huisvesten van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning dus ook al in strijd met het bestemmingsplan. Daar was in ieder geval vanaf 2013 een omgevingsvergunning voor vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Het oude beleid waar verzoekers naar verwijzen is daarná vastgesteld in 2016. In beleidsregels kan niet van een wettelijke vergunningplicht worden afgeweken. Een beleidsregel is een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, over de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.De voorzieningenrechter is ook niet gebleken dat in het door verzoekers genoemde oude beleid was bepaald dat geen omgevingsvergunning was vereist voor het in strijd met het bestemmingsplan huisvesten van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. In het oude beleid stond volgens verzoekers ‘Als huisvesting of logies plaatsvindt in een woning in de kern, hoeft hier geen omgevingsvergunning aangevraagd te worden. De bestemming wonen voorziet ook in logies’.Uit die zinssnede leidt de voorzieningenrechter af dat die bepaling uit het oude beleid uitsluitend van toepassing was op een woning met een woonbestemming. Dat deel van het oude beleid kan niet van toepassing zijn geweest op de percelen van verzoekers, omdat zich daar een bedrijfswoning bevindt met de bestemming ‘Bedrijventerrein’.\n\n7.7. Concreet zicht op legalisatie\n\n7.7.1. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat het nieuwe beleid – de Beleidsregel Huisvesting Arbeidsmigranten gemeente Drimmelen – in strijd is met hoger recht. In het nieuwe beleid staat dat minimaal 80% van de gehuisveste personen werkzaam moet zijn bij het eigen bedrijf. Dit is volgens de Afdeling in strijd met het vrij verkeer van diensten. Het dwingen van ondernemers om alleen eigen personeel te huisvesten bevordert ook de ongewenste afhankelijkheid die de wetgever met de Wet goed verhuurderschap wil tegengaan. De Afdeling heeft daarnaast bepaald dat een migrant niet zijn huis mag verliezen, omdat diegene met het werk stopt. Door deze eis dwingt het beleid de ondernemer tot het plegen van een onrechtmatige daad: als een bewoner ontslag neemt, mag hij er officieel niet meer wonen volgens het beleid, maar mag de ondernemer hem er niet uitzetten volgens de rechter.\n\n7.7.2. De voorzieningenrechter begrijpt deze grond van verzoekers zo dat zij bedoelen aan te voeren dat het college een omgevingsvergunning voor het in strijd met het omgevingsplan huisvesten van de arbeidsmigranten niet kan weigeren op grond van het nieuwe beleid. De voorzieningenrechter heeft onder 5.3 overwogen dat een dergelijke grond buiten de omvang van dit geding valt. Voor zover verzoekers hebben bedoeld om aan te voeren dat sprake is van concreet zicht op legalisatie, is de voorzieningenrechter van oordeel dat daar niet van is gebleken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie, wanneer geen aanvraag voor een omgevingsvergunning is gedaan voor het gebruiken van de percelen in strijd met het omgevingsplan.\n\n7.8. Evenredigheidsbeginsel\n\n7.8.1. Verzoekers hebben aangevoerd dat handhaving in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.Handhavend optreden is niet geschikt, noodzakelijk of evenwichtig. Het verbod om arbeidsmigranten te mogen huisvesten, draagt niet bij aan het door de gemeente gestelde doel. De logiesfunctie leidt niet tot een inperking van de milieuruimte van omliggende bedrijven. Daarnaast is het niet noodzakelijk, omdat minder ingrijpende middelen mogelijk zijn, zoals het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning. Daarnaast is geen sprake van evenwichtigheid. Het algemeen belang van handhaving weegt niet op tegen de financiële belangen van verzoekers en de bewoners. Verzoekers hebben substantiële kosten gemaakt om de huisvesting te realiseren. Er is ook geen sprake van overlast en er is een veilig woonklimaat. Het pand is vanwege de specifieke inrichting met 19 kamers ook fysiek ongeschikt voor reguliere bedrijvigheid. De huisvesting voldoet aan de SNF-normen van Stichting Normering Flexwonen en daarnaast is deze locatie specifiek ingericht zonder de reguliere woningvoorraad te belasten.\n\n7.8.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat handhavend optreden niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het college heeft het algemene belang van de beëindiging van het met het omgevingsplan strijdige gebruik zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van verzoekers. Verzoekers hebben niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd waarom handhavend optreden hen onevenredig raakt. Dat zij kosten hebben gemaakt voor het realiseren van de huisvesting, is een louter financieel belang, dat wordt gerelativeerd door het gegeven dat verzoekers al enige tijd lang geld verdienen aan de illegale verhuur van de bedrijfswoning aan arbeidsmigranten. Verzoekers hebben ook zelf het risico genomen om de bedrijfswoning om te bouwen tot huisvesting voor arbeidsmigranten, zonder eerst te controleren of die huisvesting in overeenstemming is met het planologisch regime. De door hen gestelde kosten komen dus voor hun eigen rekening en risico. Daarnaast was het pand voorafgaand aan het huidige gebruik wél fysiek geschikt voor reguliere bedrijvigheid en kan het pand wederom in die staat hersteld worden.\n\n7.9. Vertrouwensbeginsel\n\n7.9.1. Volgens verzoekers is het opleggen van de last onder dwangsom ook in strijd met het vertrouwensbeginsel. Telefonisch heeft een medewerker van de gemeente aan verzoekers medegedeeld dat geen omgevingsvergunning was vereist voor het huisvesten van de arbeidsmigranten. Het college heeft daarnaast tijdens controles in oktober 2023 en op 24 september 2024 de schijn van legaliteit gewekt. Tijdens die controles is door de toezichthouder verklaard dat het er goed uit zag. Het college heeft die schijn ook opgewekt door na die controles geen sancties op te leggen.\n\n7.9.2. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij\u002Fzij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.\n\n7.9.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van een dergelijke toezegging niet is gebleken. Verzoekers hebben niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat door een medewerker van de gemeente – en namens het college – is toegezegd dat geen omgevingsvergunning was vereist voor het huisvesten van de arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. Een toezegging kan ook niet worden gevonden in het gedurende een aantal jaren niet handhavend optreden. Dat geldt ook als het college gedurende die tijd – als gevolg van in dit geval verschillende controlemomenten – wel op de hoogte was van de overtreding of kon zijn.Dat is geen gedraging waarmee de indruk kan worden gewekt van een welbewuste standpuntbepaling dat er niet handhavend zou worden opgetreden.\n\n8. Begunstigingstermijn\n\n8.1. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat de begunstigingstermijn onredelijk en onuitvoerbaar is. In de huidige krappe woningmarkt is het uitgesloten om alternatieve legale huisvesting te vinden voor de bewoners binnen vier weken. De lopende contracten kunnen binnen die termijn ook niet worden beëindigd. Minimaal 26 weken is in de rechtspraak noodzakelijk geacht voor een zorgvuldige uitplaatsing.\n\n8.2. In artikel 5:32a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat: bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. De begunstigingstermijn strekt ertoe de overtreding op te heffen, waarbij als uitgangspunt geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen.Een begunstigingstermijn moet wel lang genoeg zijn om de overtreding te kunnen beëindigen.Het college komt beleidsruimte toe bij het vaststellen van de tijdseenheid die geldt voor het verbeuren van dwangsommen.\n\n8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de begunstigingstermijn redelijkerwijs niet te kort heeft vastgesteld. Voor de vraag of een begunstigingstermijn in redelijkheid kan worden gesteld is slechts van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan en niet of de overtreder dat op een vanuit bedrijfseconomisch opzicht zo gunstig mogelijke wijze kan doen.De voorzieningenrechter ziet geen reden waarom verzoekers de overtreding niet binnen de gestelde – en inmiddels tot twee weken na deze uitspraak verlengde – begunstigingstermijn ongedaan kan maken. Binnen die termijn kunnen de arbeidsmigranten elders (bijvoorbeeld in een hotel) gehuisvest worden en kan het strijdig gebruik worden beëindigd. De door verzoekers genoemde jurisprudentie van de Afdeling acht de voorzieningenrechter niet relevant, omdat die uitspraken geen betrekking hebben op een last onder dwangsom of een daaraan verbonden begunstigingstermijn. De voorzieningenrechter leest in die uitspraken niet wat verzoekers daarin lezen. Die uitspraken zien op een kapvergunning, planschade en de vaststelling van een bestemmingsplan.\n\n9. Hoogte dwangsom\n\n9.1. De dwangsom is volgens verzoekers ook onredelijk hoog vastgesteld. Het is gebaseerd op een onjuiste bruto-omzetberekening, zonder aftrek van exploitatiekosten. Bovendien heeft de verdubbeling van dit bedrag een punitief karakter.\n\n9.2. Artikel 5:32b, derde lid, van de Awb bepaalt dat de bedragen van de dwangsom in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels.\n\n9.3. De opgelegde last onder dwangsom strekt er toe de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Het gaat daarmee om een herstelsanctie en niet om een bestraffende sanctie. Dat verzoekers dit anders hebben ervaren, is niet van belang voor de vraag of de sanctie een bestraffend karakter heeft. In het aangevoerde worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de last louter vanwege de hoogte van de dwangsom als een bestraffende sanctie zou moeten worden aangemerkt.Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college namelijk kunnen besluiten dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van de overtreding en de beoogde effectieve werking van de lasten. In wat verzoekers hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen grond om te oordelen dat de opgelegde dwangsom daarmee niet in overeenstemming is. De omstandigheid dat verzoekers exploitatiekosten hebben moeten maken, leidt niet tot het oordeel dat het college de dwangsom naar beneden had moeten bijstellen. Het college heeft de dwangsom niet te hoog vastgesteld door niet exact te bekijken wat het economische voordeel van verzoekers is als gevolg van de overtreding. Daarbij is van belang dat van een dwangsom een afdoende prikkel tot normconform gedrag dient uit te gaan en het college daarbij kon volstaan met een globale schatting van de te verwachten winst bij het niet voldoen aan de last. Het in mindering brengen van deze exploitatiekosten op de dwangsom kan afbreuk doen aan deze beoogde werking van de dwangsom.\n\n10. Conclusie\n\n10.1. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.\n\n10.2. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.\n\nDe beslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.Wettelijk kader\n\nOmgevingswet (Ow)\n\nArtikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow\n\nHet is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten een omgevingsplanactiviteit.\n\nOmgevingsplan\n\nArtikel 6.1, onder b, van de planregels (Bestemmingsplan [bestemmingsplan] )\n\nDe voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2': bedrijven in ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.\n\nArtikel 6.1, onder f, van de planregels (Bestemmingsplan [bestemmingsplan] )\n\nDe voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning': een bedrijfswoning en aan-huis-verbonden beroepen.\n\n Artikel 2.4 van de Ow.\n\n Artikel 4.2, eerste lid, van de Ow.\n\n Artikel 22.1 van de Ow.\n\n Artikel 22.1, onder a en b, van de Ow.\n\n Artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 5:2, eerste lid, onder b, jo. artikel 5:21 van de Awb.\n\n Artikel 6.1, onder b, van de planregels.\n\n Artikel 6.1, onder f en artikel 1.13 van de planregels.\n\n ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.\n\n ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.\n\n Artikel 1:3, vierde lid, van de Awb.\n\n ABRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2081, r.o. 9.1.\n\n ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.\n\n ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.\n\n ABRvS 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2976, r.o. 3.1 en ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:117, r.o. 5.1.\n\n ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:117, r.o. 4.2.\n\n ABRvS 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2282; ABRvS 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1882 en ABRvS 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3286.\n\n ABRvS 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1407, r.o. 8.1.\n\n ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4233, r.o. 10 en ABRvS 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1038, r.o. 22.1.\n\n ABRvS 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:274, r.o. 10.3\n\n ABRvS 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3860, r.o. 8.1.\n\n ABRvS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:235, r.o. 11.2.\n\n ABRvS 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3954, r.o. 6.1.\n\n ABRvS 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3942, r.o. 4.2.\n\n ABRvS 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3954, r.o. 6.1 en ABRvS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1234, r.o. 4.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5583","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.217Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":30,"updatedAt":55},"1892","ECLI:NL:RBZWB:2026:5364","ecli-nl-rbzwb-2026-5364","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 24\u002F7297\n\nbeslissing als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nHet verzoek\n\n1. De inspecteur heeft bij brief met dagtekening 20 mei 2026 een aanvullend stuk genaamd bijlage 18 ingediend en daarbij een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb gedaan. In de brief van 20 mei 2026 is het verzoek om geheimhouding toegelicht. De rechtbank heeft een afschrift daarvan aan de gemachtigde toegezonden.\n\n1.1.. Bij brief van 20 mei 2026, ingekomen bij de rechtbank op 26 mei 2026, heeft de inspecteur een gesloten envelop aan de rechtbank overgelegd met daarin een ongeschoonde versie van bijlage 18. De reden van het verzoek om geheimhouding voor de betreffende passages is gebaseerd op – kort gezegd – het belang van privacy van persoonsgegevens van derden.\n\n1.2.. De rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 2 juni 2026, per post verzonden aan het adres van de gemachtigde, verzocht om uiterlijk op 15 juni 2026 aan te geven of hij akkoord gaat met geheimhouding van het stuk. Indien hij niet akkoord gaat met geheimhouding heeft de rechtbank belanghebbende verzocht om aan te geven wat zijn belang is bij kennisname van de ongeschoonde passages in het stuk. Ook is hem verzocht om aan te geven of hij een zitting van de geheimhoudingskamer op prijs stelt. Belanghebbende heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd.\n\nOverwegingen\n\nGeen zitting\n\n2. Omdat belanghebbende in het geheel niet heeft gereageerd, gaat de geheimhoudingskamer ervan uit dat hij niet akkoord gaat met geheimhouding en dat hij geen zitting wenst. De geheimhoudingskamer ziet ook overigens geen aanleiding voor een zitting. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen.De geheimhoudingskamer heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat belanghebbende niet heeft verzocht om een zitting, nadat de rechtbank hem de mogelijkheid had geboden om te melden of hij prijs stelt op een zitting.\n\nKader voor beoordeling artikel 8:29 van de Awb\n\n3. De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb brengt niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).\n\n3.1.. Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om geheimhouding en het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming is als volgt:\n\nGeheimhouding: (delen van de) stukken mogen door een partij worden onthouden aan de rechter die de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding).\n\nBeperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).\n\n3.2.. Uit de toelichting van de inspecteur begrijpt de geheimhoudingskamer dat de inspecteur verzoekt om toepassing van variant a.\n\n3.3.. Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid wordt betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.\n\nBeoordeling van het verzoek3.4.. De geheimhoudingskamer stelt vast dat de inspecteur uitsluitend op pagina 5 en pagina 6 van bijlage 18 adresgegevens, woonplaatsgegevens, handtekeningen en burgerservicenummers van vier personen heeft geschoond. De namen en geboortedata van de betrokken personen zijn zichtbaar gebleven, zodat voor belanghebbende duidelijk is op welke personen de geschoonde passages betrekking hebben. Deze personen zijn niet betrokken bij de onderhavige procedure. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer weegt het belang van bescherming van hun persoonsgegevens en persoonlijke levenssfeer zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van deze gegevens. Daarbij neemt de geheimhoudingskamer in aanmerking dat belanghebbende door geheimhouding ook niet wezenlijk in zijn procesvoering wordt belemmerd. De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding daarom toe.\n\nBeslissing\n\nDe geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding toe.\n\nDeze beslissing is genomen door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDeze beslissing is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze beslissing aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.\n\n Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, r.o. 3.31.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5364","2026-07-13T00:29:44.130Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":60,"fullText":61,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":30,"updatedAt":64},"832","ECLI:NL:RBZWB:2026:5271","ecli-nl-rbzwb-2026-5271","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2227\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n\nStichting \" [eiseres] ”, uit [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: drs. [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 26 augustus 2025 tot herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van [ex-werkneemster] , een (ex-)werkneemster van eiseres.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiseres heeft het UWV op 13 januari 2026 in gebreke gesteld. Het UWV heeft de ingebrekestelling op 14 januari 2026 ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.\n\nWelke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?\n\n4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. Het UWV heeft in het verweerschrift van 30 april 2026 aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn het tekort aan verzekeringsartsen is. Tevens geeft het UWV aan dat het momenteel nog onduidelijk is wanneer er een besluit afgegeven kan worden.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op de aanvraag.\n\nWelke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van\n\nI. Ambachtsheer, griffier, op 17 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5271","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.194Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":69,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":30,"updatedAt":71},"849","ECLI:NL:RBZWB:2026:5762","ecli-nl-rbzwb-2026-5762","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F6320\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussenmr. [eiser] , uit [plaats] , eiser\n\nen\n\nde minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de minister.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar van 3 november 2025 (bestreden besluit) waarin de minister het bezwaar van eiser ongegrond heeft verklaard. Het bezwaar was gericht tegen het besluit van 31 juli 2025 (primaire besluit) waarin de minister een beslissing heeft genomen op het verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het er niet mee eens dat zijn verzoek gedeeltelijk is afgewezen en gedeeltelijk niet in behandeling is genomen. Ook vindt hij dat de minister in strijd heeft gehandeld met procedurele beginselen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de behandeling van het Woo-verzoek.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het Woo-verzoek op goede gronden gedeeltelijk heeft afgewezen en gedeeltelijk niet in behandeling heeft genomen.Ook is niet gebleken dat de minister in strijd heeft gehandeld met procedurele beginselen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 11 juni 2025 heeft eiser een verzoek ingediend op grond van de Woo bij de minister. De minister heeft met het primaire besluit van 31 juli 2025 drie documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt en heeft besloten het Woo-verzoek verder niet in behandeling te nemen. Met het bestreden besluit van 3 november 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de minister mr. J.W.T. Berg.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3. Het Woo-verzoek van 11 juni 2025 strekt tot openbaarmaking van alle Woo-verzoeken die sinds de inwerkingtreding van de Woo op 1 mei 2022 zijn ingediend bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) of bij de minister, die hebben geleid tot een Woo-besluit waarbij documenten (gedeeltelijk) openbaar zijn gemaakt. Hierbij heeft eiser gevraagd om openbaarmaking van de volgende informatie:\n\nEen overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp.\n\nDe oorspronkelijke tekst van de Woo-verzoeken, zoals ingediend door de verzoekers.\n\nDe gelakte en geanonimiseerde versies van de Woo-verzoeken.\n\nInterne beleidsnotities of instructies over het publiceren van Woo-verzoeken of Woo-besluiten.\n\nAls laatste punt heeft eiser in zijn Woo-verzoek op het volgende gewezen:\n\n5. Op de datum van zijn Woo-verzoek las eiser op de website ‘www.rijksoverheid.nl’ dat het digitale archief op filter Woo-besluit circa 6092 documenten zou bevatten en dat slechts 500 documenten zijn getoond.\n\n3.1.. Met het primaire besluit heeft de minister besloten om onderdeel 1 van het Woo-verzoek niet in te willigen en geen overzicht openbaar te maken van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp. De minister heeft onderdeel 4 van het verzoek wel ingewilligd en heeft drie interne documenten over het publiceren van Woo-verzoeken gedeeltelijk openbaar gemaakt. De minister heeft onderdelen 2, 3 en 5 van het Woo-verzoek niet in behandeling genomen omdat een duidelijke aangelegenheid ontbreekt. Tegen het primaire besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.\n\n3.2.. Op 12 september 2025 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen eiser en een vertegenwoordiger van de minister. De minister heeft dit telefoongesprek aangemerkt als (telefonische) hoorzitting zoals bedoeld in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft met het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. De minister stelt voorop dat hij van mening is dat met het telefoongesprek van 12 september 2025 is voldaan aan de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb, omdat eiser tijdens dit gesprek zijn bezwaargronden nader heeft kunnen toelichten en omdat antwoord is gegeven op zijn vragen. Over onderdeel 1 van het verzoek heeft de minister na een interne, mondelinge consultatie bij het betrokken onderdeel van het ministerie geconstateerd dat een overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp niet bestaat. Over onderdelen 2 en 3 blijft de minister erbij dat eiser geen onderliggende aangelegenheid heeft gespecificeerd, maar alleen een doel heeft gesteld van zijn verzoek waardoor niet is voldaan aan artikel 4.1, vierde lid, van de Woo. Subsidiair stelt de minister dat de teksten van de Woo-verzoeken openbare informatie zijn. In de gepubliceerde beslissingen op deze verzoeken (de Woo-besluiten) is al een samenvatting van het verzoek opgenomen.\n\nToetsingskader\n\n5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n5.1.. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek. Dit staat in artikel 4.1, eerste lid, van de Woo. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de verzoeker bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document vermeldt, waarover hij informatie wenst te ontvangen.\n\n5.2.. Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid. Dit staat in artikel 2:4 van de Awb. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat het bestuursorgaan ertegen waakt dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.\n\n5.3.. Een bestuursorgaan stelt een belanghebbende in de gelegenheid om te worden gehoord voordat een beslissing op bezwaar wordt genomen. Alleen in de gevallen die zijn genoemd in art. 7:3 van de Awb kan worden afgezien van het horen. Dit betreft een limitatieve opsomming. Dit staat in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.\n\n5.4.. Op grondslag van het bezwaar vindt een volledige heroverweging van het besluit plaats. Dit staat in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb.\n\nOmvang van het geschil\n\n6. De rechtbank stelt vast dat de minister drie documenten gedeeltelijk openbaar heeft gemaakt (onderdeel 4 van het verzoek). Eiser heeft geen gronden aangevoerd over het weglakken van informatie in deze documenten. De rechtbank stelt ook vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen het niet in behandeling nemen van onderdeel 5 van zijn verzoek. Het bestreden besluit voor zover dat ziet op de onderdelen 4 en 5, zal de rechtbank daarom niet bespreken. Ten slotte zijn partijen het eens dat de bij de minister ingediende originele Woo-verzoeken documenten zijn zoals bedoeld in artikel 2.1 van de Woo. Dit punt behoeft dus ook geen verdere bespreking.\n\n6.1.. De beslissing van de minister op de onderdelen 1, 2 en 3 van het Woo-verzoek is wel in geschil. Partijen verschillen immers van mening over het bestaan van een overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp (onderdeel 1). Partijen zijn het ook niet eens over het al dan niet ontbreken van een aangelegenheid bij het Woo-verzoek en over de vraag of de originele Woo-verzoeken openbare informatie betreffen. Eiser vindt dat de minister niet had mogen bepalen dat onderdelen 2 en 3 om deze redenen niet in behandeling zijn genomen. Deze punten zal de rechtbank hieronder bespreken.\n\nHeeft de minister een onafhankelijke heroverweging uitgevoerd?\n\n7. Eiser voert aan dat geen sprake is geweest van een onafhankelijke integrale heroverweging en dat de minister in strijd heeft gehandeld met de hoorplicht door hem niet te horen. Daarom heeft de minister in strijd gehandeld met de artikelen 7:3 en 7:11 van de Awb.De minister heeft het telefoongesprek met de behandelaar van het bezwaar achteraf ten onrechte als hoorzitting bestempeld. Dit gesprek had alleen een procedureel karakter en er was geen ruimte om over de inhoud te praten of om invloed uit te oefenen op de besluitvorming. Ook wordt in het verslag van het telefoongesprek ten onrechte gesuggereerd dat dit gesprek was gevoerd met de Directeur-Generaal of de minister zelf. De behandelaar van het bezwaar was bovendien niet onafhankelijk omdat hij betrokken is geweest bij de totstandkoming van de Rijksbrede instructie voor het behandelen van Woo-verzoeken én bij andere beroepen en hoger beroepen van eiser. Het is echter onverenigbaar met artikel 2:4, van de Awb dat dezelfde functionaris optreedt als interne verdediger van het standpunt van de minister en later als bezwaarbehandelaar in deze zaak.\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het bestreden besluit tot stand is gekomen met vooringenomen of partijdig handelen. Dus is niet gebleken dat de minister heeft gehandeld in strijd met artikel 2:4, 7:3 en 7:11, van de Awb.\n\n8.1.. \n\nAnders dan eiser stelt, mocht de minister naar het oordeel van de rechtbank het telefoongesprek van 12 september 2025 in de eerste plaats wel aanmerken als hoorgesprek en heeft de minister hiermee voldaan aan de hoorplicht van artikel 7:2, van de Awb. In het dossier zit een e-mail van de behandelend ambtenaar aan eiser waarin een samenvatting staat van het telefoongesprek. Aan het begin van de e-mail staat dat de primaire inzet van het gesprek was om te bezien of een andere hoorzitting noodzakelijk was. In deze mail staat daarna echter ook dat eiser tijdens het telefoongesprek zijn bezwaargronden heeft kunnen toelichten en dat ruimte was gegeven voor het stellen van vragen. Uit de samenvatting blijkt dat eiser het doel van zijn Woo-verzoek heeft toegelicht.\n\nEiser heeft de inhoud van deze samenvatting van het gesprek niet betwist en dus heeft de rechtbank geen reden om aan de inhoud van die samenvatting te twijfelen. Daarom staat vast dat eiser de gelegenheid heeft gekregen om zijn bezwaar inhoudelijk toe te lichten en dat (ook) over de inhoud is gesproken. Het verslag spreekt de stelling van eiser dat het gesprek uitsluitend zag op een formele afhandeling zonder enige ruimte voor een inhoudelijke bespreking of wezenlijke beïnvloeding van de uitkomst van de beslissing op bezwaar, dus tegen.\n\n8.2.. \n\nDe rechtbank ziet ten tweede geen aanleiding voor het oordeel dat de minister bij het nemen van het bestreden besluit zijn taak vooringenomen zou hebben verricht in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb. Het bestuursorgaan waakt op basis van het tweede lid ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. Daartoe wordt, niet aan de in de bepaling bedoelde personen individueel, maar aan het tot besluiten bevoegd bestuursorgaan, een zorgplicht opgelegd. Die zorgplicht houdt in elk geval in dat door het orgaan wordt voorkomen dat de besluitvorming niet meer voldoet aan de in het eerste lid neergelegde norm. Met het begrip \"persoonlijk\" is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 2:4 van de Awb gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een persoonlijk belang bij de uitkomst van een beslissing op bezwaar tegen een Woo-besluit, niet zonder meer volgt uit de enkele omstandigheid dat de behandelaar van dat bezwaar betrokken zou zijn geweest bij de totstandkoming van de Rijksbrede instructie voor het behandelen van Woo-verzoeken. Ook het betoog dat de behandelaar van het bestreden besluit (in beroep) betrokken is geweest bij andere procedures over Woo-verzoeken van eiser, kan niet zonder meer leiden tot het oordeel dat sprake is van een persoonlijk belang of vooringenomenheid. De Awb verzet zich er immers niet tegen dat binnen één procedure een primair besluit of een beslissing op bezwaar door dezelfde ambtenaar zijn voorbereid en dat hij het bestuursorgaan tijdens een zitting bij de bestuursrechter heeft vertegenwoordigd.Datzelfde moet ook gelden voor het optreden in verschillende fases in aparte procedures. De rechtbank stelt vast dat eiser geen (andere) omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou volgen dat sprake is van vooringenomen handelen. Nu de rechtbank van oordeel is dat de minister niet in strijd heeft gehandeld met artikel 2:4, van de Awb, slaagt ook het betoog dat de minister in strijd zou hebben gehandeld met artikel 7:3 en 7:11 van de Awb door geen onafhankelijke hoorzitting te houden, niet.\n\nIs de stelling geloofwaardig dat een overzicht van Woo-verzoeken niet bestaat?\n\n9. Eiser stelt dat de minister geen enkel onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van de het gevraagde overzicht bij onderdeel 1 van zijn verzoek. De minister heeft namelijk niet toegelicht in welke systemen zijn gezocht en met welke zoekslag. Daardoor heeft de minister niet aannemelijk gemaakt dat het overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp niet zou bestaan.\n\n10. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de minister dat een overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp niet bij hem berust, niet ongeloofwaardig is. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust.Een bestuursorgaan dient zijn mededeling te onderbouwen door inzichtelijk te maken op welke wijze is gezocht naar gevraagde documenten.\n\n10.1.. De rechtbank stelt op basis van de stukken allereerst vast dat de stelling van eiser onjuist is dat de minister geen enkel onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van een overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp. De minister heeft immers toegelicht dat is gezocht in het digitale archiefsysteem en dat een mondelinge consultatie heeft plaatsgevonden bij het betrokken onderdeel van het ministerie. Gelet op deze motivering komt de mededeling van de minister niet ongeloofwaardig over dat het overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp niet bestaat. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat dit overzicht wel zou bestaan. Daar is eiser niet in geslaagd. Eiser betoogt dat een overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp zou moeten bestaan, omdat een overzicht van de Woo-besluiten die op deze verzoeken zijn genomen wel bestaat. Bovendien beschikt de minister over een intern registratiesysteem en door de metadata van deze registraties samen te nemen, is sprake van een overzicht. De rechtbank volgt dit betoog van eiser niet. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser aldus dat eiser met ‘overzicht van de Woo-besluiten die op deze Woo-verzoeken zijn genomen’, doelt op de website van de rijksoverheid waar Woo-besluiten worden gepubliceerd. Dit is een openbaar archiefsysteem van gepubliceerde Woo-besluiten. Een soortgelijk openbaar archief specifiek voor de Woo-verzoeken die binnen zijn gekomen bij het ministerie van BZK, bestaat echter niet. Dat Woo-verzoeken worden geregistreerd en opgeslagen in het interne archiefsysteem van het ministerie, leidt niet tot de conclusie dat daardoor automatisch een totaaloverzicht wordt gegenereerd van alle Woo-verzoeken. Ten slotte is de minister op grond van de Woo niet verplicht om een overzicht de produceren.\n\nMocht de minister het verzoek om Woo-verzoeken te publiceren buiten behandeling laten?\n\n11. Eiser is het er niet mee eens dat de minister zijn verzoek om de originele Woo-verzoeken (gedeeltelijk) openbaar de maken, niet in behandeling te nemen.Zijn Woo-verzoek heeft namelijk wel een onderliggende aangelegenheid. Die aangelegenheid is het bestaan van de originele Woo-verzoeken en de verplichting om die documenten te lokaliseren en te beoordelen. Het verzoek is concreet omdat het ziet op Woo-verzoeken die hebben geleid tot een Woo-besluit in een begrensde periode. Deze context blijkt voldoende duidelijk uit de tekst van het Woo-verzoek, maar de minister heeft essentiële passages weggelaten die de inhoud, strekking en wettelijke relevantie van het verzoek bepalen. Juist uit die passages blijkt dat wel sprake is van een aangelegenheid. Op grond van artikel 4.1, vierde lid van de Woo had de minister feitelijk onderzoek moeten uitvoeren als hij had gevonden dat het verzoek onvoldoende specifiek was. Ten slotte maken andere ministeries de originele Woo-verzoeken wel bekend. Daardoor is sprake van ongelijke behandeling en strijd met de rechtszekerheid.\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat de minister het verzoek om openbaarmaking van alle Woo-verzoeken buiten behandeling heeft mogen laten omdat dit verzoek niet is gericht op een aangelegenheid zoals bedoeld in de Woo. Wel is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek, omdat uit de stukken niet blijkt dat de minister na ontvangst van het Woo-verzoek bij eiser heeft nagevraagd om de aangelegenheid te specificeren zoals bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo. Uit de stukken blijkt dat de minister pas tijdens de bezwaarprocedure heeft gevraagd om de aangelegenheid van het verzoek te specificeren. Hoewel de minister hiermee dus te laat was en daardoor onzorgvuldig heeft gehandeld, heeft hij deze gelegenheid uiteindelijk wel geboden. Dit betekent dat het zorgvuldigheidsgebrek tijdens de primaire fase is hersteld met het bestreden besluit waardoor dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22, van de Awb omdat eiser hierdoor niet is benadeeld.\n\n12.1.. \n\nIn een uitspraak van 26 november 2025 heeft de ABRvS uitgesproken dat de verzoeker bij zijn verzoek het daarop betrekking hebbend document of de daarop betrekking hebbende documenten moet vermelden en de aangelegenheid waarover het verzoek gaat duidelijk moet zijn, op grond artikel 4.1, vierde lid, van de Woo.Dat betekent dat als de verzoeker bij zijn verzoek de betreffende aangelegenheid niet noemt, hij bij zijn verzoek alleen kan volstaan met het noemen van een specifiek document als uit het verzoek of de naam of inhoud van dat document duidelijk blijkt welk document wordt bedoeld en daaruit ook al zelf de aangelegenheid blijkt waarover het verzoek gaat. Als dat niet het geval is en het specifiek genoemde document bijvoorbeeld over meerdere aangelegenheden gaat, mag van verzoeker worden verwacht dat hij of zij desgevraagd te kennen geeft over welke aangelegenheid hij of zij wenst dat informatie openbaar wordt gemaakt.\n\nOm te kunnen spreken van een aangelegenheid is het nodig de rol of het optreden van de overheid in het kader van een gebeurtenis, casus, kwestie, voorval of op z’n minst een situatie van overheidshandelen als zodanig te noemen.De rechtbank stelt vast dat eiser heeft gevraagd om openbaarmaking van alle originele Woo-verzoeken die sinds de inwerkingtreding van de Woo op 1 mei 2022 zijn ingediend bij het ministerie van BZK of bij de minister, die hebben geleid tot een Woo-besluit waarbij documenten (gedeeltelijk) openbaar zijn gemaakt. Daarmee heeft hij een begrenzing gegeven van de periode, het verantwoordelijke bestuursorgaan en de categorie van informatie. Deze begrenzing maakt naar oordeel van de rechtbank echter niet dat sprake is van een specifieke aangelegenheid, omdat eiser daarmee geen onderwerp of kwestie genoemd heeft waar zijn verzoek over gaat. Hij heeft dus geen aangelegenheid genoemd zoals bedoeld in artikel 4.1, vierde lid van de Woo want zijn verzoek raakt een onbegrensd aantal onderwerpen.\n\nDe stelling van eiser dat de aangelegenheid moet worden bezien in het verlengde van het doel van zijn Woo-verzoek, maakt het oordeel niet anders. Dat doel is het verifiëren van het bestaan van de originele Woo-verzoeken en het controleren van de verplichting om die documenten te lokaliseren en te beoordelen. Uit het doel blijkt geen aangelegenheid. Bovendien hoeft een verzoeker voor zijn Woo-verzoek geen belang te stellen. Het betoog slaagt dus niet. De stelling van eiser dat andere ministeries wel de originele Woo-verzoeken openbaar maken, betekent ook nog niet dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel. Dat zou namelijk dan gaan om andere bestuursorganen en zij hebben de discretionaire bevoegdheid om andere keuzes te maken.\n\nTen slotte is naar oordeel van de rechtbank ook niet gebleken dat de minister essentiële passages zou hebben weggelaten waaruit de aangelegenheid zou blijken. De minister heeft gelet op de tekst van het primaire besluit juist de kern van het verzoek letterlijk overgenomen. Dit heeft de minister als basis genomen voor de behandeling. De rechtbank leest in de overige tekst van het verzoek ook geen casus, kwestie, voorval of specifiek onderwerp.\n\n13. Omdat de rechtbank tot de conclusie komt dat de minister het verzoek om openbaarmaking van alle Woo-verzoeken buiten de reikwijdte heeft mogen laten vanwege het ontbreken van een aangelegenheid, komt de rechtbank niet meer aan de vraag toe of sprake is van reeds openbare informatie.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is ongegrond. Omdat de rechtbank het onder overweging 12 geconstateerde gebrek heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22, van de Awb, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 3 juni 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nGriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 2:4\n\nHet bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.\n\nHet bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.\n\nArtikel 7:2\n\nVoordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.\n\nHet bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.\n\nArtikel 7:11\n\nIndien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.\n\nVoor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.\n\nWet open overheid\n\nArtikel 2.1\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\ndocument: een door een orgaan, persoon of college als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, opgemaakt of ontvangen schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens dat naar zijn aard verband houdt met de publieke taak van dat orgaan, die persoon of dat college;\n\n[…]\n\nArtikel 2.4, derde lid\n\nIndien een bestuursorgaan overeenkomstig deze wet informatie openbaar maakt, geschiedt dat op zodanige wijze dat de belanghebbende en belangstellende burger zoveel mogelijk wordt bereikt en op de volgende algemeen toegankelijke wijze:\n\nin een voor hergebruik beschikbare vorm die voldoet aan de voorwaarden van de Wet hergebruik van overheidsinformatie;\n\nof, indien verstrekking in een machinaal leesbaar open formaat redelijkerwijs niet gevergd kan worden, in andere elektronisch doorzoekbare vorm;\n\nof, indien elektronische verschaffing redelijkerwijs niet gevergd kan worden, door verstrekking van een kopie van de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken;\n\nof, indien verstrekking van een kopie of de letterlijke inhoud redelijkerwijs niet gevergd kan worden, door een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, inlichtingen daaruit te verschaffen of door terinzagelegging.\n\nArtikel 3.1, eerste lid\n\nHet bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, maakt bij de uitvoering van zijn taak uit eigen beweging de bij het bestuursorgaan berustende informatie neergelegd in documenten voor eenieder openbaar, indien dit zonder onevenredige inspanning of kosten redelijkerwijs mogelijk is, behoudens voor zover de artikelen 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 aan openbaarmaking in de weg staan of met de openbaarmaking geen redelijk belang wordt gediend. Deze informatie betreft in ieder geval informatie over het beleid, inclusief de voorbereiding, uitvoering, naleving, handhaving en evaluatie.\n\nArtikel 3.3\n\nEen bestuursorgaan maakt in ieder geval uit eigen beweging openbaar:\n\nwetten en andere algemeen verbindende voorschriften;\n\noverige besluiten van algemene strekking;\n\n[Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]\n\ninzicht in zijn organisatie en werkwijze, waaronder de taken en bevoegdheden van de organisatieonderdelen;\n\nde bereikbaarheid van het bestuursorgaan en zijn organisatieonderdelen en de wijze waarop een verzoek om informatie kan worden ingediend.\n\nBehoudens voor zover de artikelen 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 daaraan in de weg staan, maakt het bestuursorgaan voorts uit eigen beweging openbaar:\n\n[Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]\n\nvergaderstukken en verslagen van de Kamers en de verenigde vergadering der Staten-Generaal en hun commissies, tenzij deze betrekking hebben op door de regering vertrouwelijk aan de Staten-Generaal verstrekte informatie;\n\n[Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]\n\n[…]\n\n[Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden.]Artikel 4.1\n\nEenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.\n\nEen verzoek kan mondeling of schriftelijk worden ingediend en kan elektronisch worden verzonden op de door het bestuursorgaan aangegeven wijze.\n\nDe verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.\n\nDe verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.\n\nIndien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.\n\nHet bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.\n\nEen verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 5.Artikel 4.5\n\nHet bestuursorgaan verstrekt de informatie in de door verzoeker verzochte vorm of, indien dit redelijkerwijs niet gevergd kan worden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.4, derde lid.\n\nIndien de informatie reeds in een voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is, wijst het bestuursorgaan de verzoeker daarop.\n\n Kamerstukken II, 1988\u002F89, 21 221, nr. 3, blz. 55.\n\n Vergelijk: ABRvS 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2643, r.o. 4.1\n\n ABRvS 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:348, r.o. 9.1.\n\n Onderdeel 2 en 3 van het Woo-verzoek.\n\n ABRvS 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5734, r.o. 5.\n\n Rechtbank Noord-Holland 8 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3668, r.o. 8","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5762","2026-07-13T00:28:51.096Z",1,20]