[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-criminal-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":57,"limit":58},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},84,"criminal-procedure-nl","Criminal Procedure","NL","2026-07-08T16:55:34.252Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2024-04-04T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,50],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1197","ECLI:NL:RBZWB:2026:6059","ecli-nl-rbzwb-2026-6059","","Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nParketnummer: 02-162374-23\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres\n\n [adres] ,\n\nraadsman mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda.1. Onderzoek op de terechtzitting\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Kikkert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de handel in verdovende middelen (feiten 1, 2 en 3) en het bezit van ketamine (feit 4).3. De procesafspraken\n\nDeze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging zogeheten procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst gedateerd 17 juni 2026, die zij voorafgaand aan de inhoudelijke zitting, en voorzien van de handtekeningen van zowel de officier van justitie als die van verdachte en zijn raadsman, hebben overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.\n\nHet afdoeningsvoorstel houdt, samengevat en voor zover hier relevant, het volgende in:\n\nDe verdediging\n\n- verdachte zal geen (nadere) onderzoekswensen indienen en\u002Fof (inhoudelijke) verweren voeren. De reeds ingediende onderzoekswensen zullen per ommegaande, na het ondertekenen van de overeenkomst, schriftelijk worden ingetrokken;\n\n- verdachte erkent geen schuld en legt geen bekennende verklaring af; doch de verdediging en verdachte geven door ondertekening van de procesafspraken richting rechtbank en het Openbaar Ministerie aan dat de feiten en kwalificaties zoals tussen het Openbaar Ministerie en verdediging vastgesteld in de bijlage A, (juridisch gezien) bewezen kunnen worden verklaard en dat er geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd. Verdachte bevestigt door deze procesafspraken daarmee niet de juistheid van de door het Openbaar Ministerie in bijlage A geschetste bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van de zijde van het Openbaar Ministerie;\n\n- verdachte doet schriftelijk afstand van de in bijlage B benoemde (klassiek) in beslag genomen goederen, conform de als bijlage C bijgevoegde schriftelijke afstandsverklaring;\n\n- verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging (hoogstwaarschijnlijk) zal leiden tot een veroordeling van de strafbare feiten als omschreven in de tenlastelegging;\n\n- de verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudingsverzoeken indienen, tenzij onvoorziene omstandigheden\u002Feen acute situatie van persoonlijke aard ontstaat die niet wordt voorzien;\n\n- verdachte zal bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aanwezig zijn, zodat hij kan worden gehoord over de procesafspraken;\n\n- verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken en meewerken aan de tenuitvoerlegging van de op te leggen straf.\n\nHet Openbaar Ministerie\n\n- het Openbaar Ministerie zal ter zitting requireren tot:\n\n - bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten (conform de\n\n inhoud van bijlage A);\n\n - een strafoplegging als hieronder weergegeven:\n\n • een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden (met aftrek);\n\n • een geldboete ter hoogte van € 22.500,-, bij niet betalen te vervangen door 147\n\n dagen vervangende hechtenis;\n\n • onttrekking aan het verkeer van de goederen waarvan verdachte afstand heeft\n\n gedaan;\n\n- het Openbaar Ministerie heeft geen ontnemingsvordering tegen de verdachte aanhangig gemaakt en zal dat – indien aan de termen van de schikking wordt voldaan en de gezamenlijke procesafspraken door de rechtbank worden gevolgd – ook niet meer doen;\n\n- het Openbaar Ministerie zal zich ter zitting refereren aan het (nog in te dienen) verzoek van de verdediging tot hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis.\n\nVerder is onderdeel van de overeenkomst dat door de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep zal worden ingesteld, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de gemaakte procesafspraken.\n\nDe gehele overeenkomst is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nBeoordeling van de procesafspraken door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (vgl. ECLI:NL:HR:2022:1252).\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 23 juni 2026, waar de inhoud van het afdoeningsvoorstel is besproken.\n\nDe rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank heeft immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen conform artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.\n\nDe officier van justitie, de raadsman en verdachte hebben ter zitting allen bevestigd achter de procesafspraken te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij deze met zijn raadsman heeft besproken en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank de procesafspraken volgt – in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten – en hij accepteert de op te leggen straf zoals deze is voorgesteld.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.4. De voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig.\n\nDe rechtbank is bevoegd.\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.\n\nEr is geen reden voor schorsing van de vervolging.5. De beoordeling van het bewijs5.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals neergelegd in de procesafspraken.5.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om de procesafspraken te volgen en heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.5.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nNu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen, die tevens kort samengevat zijn voorgehouden ter zitting, wettig en overtuigend bewezen acht, zullen de feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.5.4.. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte\n\nfeit 1\n\nop tijdstippen in de periode van 8 juni 2020 tot en met 11 juni 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een of meer hoeveelheden cocaïne te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\nfeit 2\n\nop tijdstippen in de periode van 4 april 2020 tot en met 20 mei 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder apaan en\n\nN-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder apaan en N-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot het opzetten en\u002Fof inrichten van een (productie)laboratorium en\u002Fof de verdeling van de productiekosten en\u002Fof winst en\u002Fof betaling\u002Fverdeling daarvan,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een (mogelijke) loods\u002Flocatie voor het opzetten van een (productie)laboratorium en een tekening waarin de ruimtes van die loods\u002Flocatie zijn ingedeeld te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\nfeit 3\n\nop tijdstippen in de periode van 1 oktober 2022 tot en met 3 februari 2023 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (meth)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie\n\nfeit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Exclu account ( [account 2] (gebruikersnaam [gebruikersnaam] )),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en metanol en zoutzuur en aceton en caustic soda en citroenzuur,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en metanol en zoutzuur en aceton en caustic soda en citroenzuur;\n\nfeit 4\n\nop 26 februari 2024 te Breda opzettelijk, zonder registratie een of meer hoeveelheden ketamine in voorraad heeft gehad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.6. De strafbaarheid\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.\n\nVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.7. De strafoplegging7.1.. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert, conform de procesafspraken, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 32 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete ter hoogte van € 22.500,-.7.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de procesafspraken.7.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVerdachte heeft zich samen met anderen beziggehouden met het plegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de handel in en productie van harddrugs. De wetgever beschouwt de productie van harddrugs als een ernstig strafbaar feit. Het is immers algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs kan leiden tot een geestelijke of lichamelijke verslaving en bij overdosis zelfs tot de dood van de gebruiker. Daarnaast wordt het chemisch afval dat ontstaat bij de productie vrijwel altijd illegaal gedumpt, waardoor het milieu schade ondervindt en belast wordt en waarbij er in de regel veel geld, tijd en energie geïnvesteerd moet worden om de negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien legt het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van synthetische drugs een fors beslag op het opsporingsapparaat, als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het gedrang komt. Kortom, de productie van synthetische drugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed. Door deel te nemen aan een samenwerkingsverband dat zich hiermee bezighoudt, heeft verdachte zijn eigen geldelijk gewin boven het maatschappelijk belang en de daarop gebaseerde wettelijke normen gesteld. Daarbij heeft verdachte gedurende enkele dagen getracht blokken cocaïne te verhandelen (als tussenpersoon) en had verdachte op 26 februari 2024 een grote hoeveelheid ketamine in zijn bezit.\n\nGelet op de aard en ernst van deze feiten kan naar het oordeel van de rechtbank, in beginsel, niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur heeft de rechtbank allereerst acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze feiten vallen echter buiten de recidivetermijn. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), straffen in soortgelijke zaken en de rol van verdachte.\n\nDe rechtbank acht gelet op het voorgaande, evenals de officier van justitie, in beginsel een gevangenisstraf van 54 maanden onvoorwaardelijk passend en geboden. Ten voordele van verdachte wordt meegewogen dat de feiten een korte(re) pleegperiode kennen en dat wat betreft de feiten 1, 2 en 3 niet is gebleken dat verdachte tot voltooide feiten is gekomen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de procesafspraken in onderhavige zaak nopen tot een andere afweging. Zij overweegt daartoe als volgt. Er is sprake van een groot tijdsverloop waardoor de redelijke termijn is geschonden. Daarnaast heeft verdachte meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De verdediging heeft geen (nieuwe) onderzoekswensen ingediend, waardoor de rechter-commissaris geen verder onderzoek heeft moeten verrichten. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert veel tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.\n\nUit de procesafspraken volgt dat de verdediging en de officier van justitie een gevangenisstraf van 32 maanden zijn overeengekomen. Dat komt neer op een strafvermindering van 10% voor het overschrijden van de redelijke termijn en vervolgens een strafvermindering van een derde deel. Gelet op de stand van zaken van de procedure komt onderhavige zaak wat het Openbaar Ministerie betreft niet (zonder) meer in aanmerking voor strafkorting. Om die reden, en omdat de door verdachte gepleegde delicten in de regel geld gedreven zijn, zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie overeengekomen dat er een (aanzienlijke) financiële prikkel aan de overeengekomen gevangenisstraf wordt toegevoegd, in de vorm van een geldboete van € 22.500,-. Deze geldboete wordt (direct) geëffectueerd vanuit het conservatoir beslag. De door de verdediging en de officier van justitie overeengekomen gevangenisstraf en geldboete zijn bij procesafspraken (zowel in nationaal als in internationaal verband) geen uitzondering en wordt door de rechtbank in deze zaak als een passende vorm van strafafdoening beschouwd.\n\nDe rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de in de procesafspraken overeengekomen straf onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. De rechtbank legt dan ook aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht. Daarnaast legt zij aan verdachte op een geldboete van € 22.500,-.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 46, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10a van de Opiumwet, artikel 38 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.9. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven;\n\n- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nfeit 1:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 2:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 3:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 4:opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid,\n\n van de Geneesmiddelenwet;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nStrafoplegging\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 32 maanden;\n\n- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;\n\n- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 22.500,-;\n\n- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechteniszal worden toegepast van147 dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\n- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, en mr. C.H.M. Pastoors en mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\n1\n\nVoorbereidingshandelingen, Sky-ECC feiten D en E\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 juni 2020 tot en met 11 juni 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een of meer hoeveelheden cocaïne te ontvangen en\u002Fof versturen\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 alinea Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2\n\nVoorbereidingshandelingen, Sky-ECC feiten C en F\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 april 2020 tot en met 20 mei 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder apaan en\n\nN-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder apaan en N-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot het opzetten en\u002Fof inrichten van een (productie)laboratorium en\u002Fof de verdeling van de productiekosten en\u002Fof winst en\u002Fof betaling\u002Fverdeling daarvan,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een (mogelijke) loods\u002Flocatie voor het opzetten van een (productie)laboratorium en\u002Fof een tekening waarin de ruimtes van die loods\u002Flocatie zijn ingedeeld te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 alinea Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3\n\nVoorbereidingshandelingen EXCLU feiten A en B\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 september 2022 tot en met 3 februari 2023 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (meth)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie\n\nfeit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Exclu account ( [account 2] (gebruikersnaam [gebruikersnaam] )),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en\u002Fof metanol en\u002Fof zoutzuur en\u002Fof aceton en\u002Fof caustic soda en\u002Fof citroenzuur,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en\u002Fof metanol en\u002Fof zoutzuur en\u002Fof aceton en\u002Fof caustic soda en\u002Fof citroenzuur;\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n4\n\nBezit ketamine ( [garage] )\n\nhij op of omstreeks 26 februari 2024 te Breda , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, zonder registratie een of meer hoeveelheden ketamine, in elk geval een werkzame stof, in voorraad heeft gehad en\u002Fof heeft bereid en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof te koop aan geboden en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof uitgevoerd of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied gebracht, dan wel in werkzame stoffen een groothandel gedreven;\n\n( art 38 lid 1 Geneesmiddelenwet )","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6059","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:09.467Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1701","ECLI:NL:GHSHE:2026:1756","ecli-nl-ghshe-2026-1756","2026-07-01T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000832-25\n\nUitspraak : 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof’s-Hertogenbosch\n\ngewezen, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 25 maart 2025, nr. 22\u002F03957, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 februari 2021 met parketnummer 02-257907-20, in de strafzaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nDe politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij vonnis van 22 februari 2021 (parketnummer 02-257907-20) de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Namens de verdachte is op 22 februari 2021 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nBij arrest van 21 oktober 2022 (parketnummer 20-000461-21) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de politierechter bevestigd met aanvulling van gronden. Namens de verdachte is op 25 oktober 2022 tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.\n\nHet cassatiemiddel, dat onder meer klaagde dat de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van [aangeefster] als getuige, althans het gebruik van de eerder door deze getuige afgelegde verklaring voor het bewijs, niet verenigbaar is met het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces, slaagt volgens de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft vervolgens bij arrest van 25 maart 2025 (zaaknummer 22\u002F03957) de uitspraak van het hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.\n\nNa terugwijzing door de Hoge Raad zijn de getuigen [aangeefster] en [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris gehoord.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, onder aanvulling van de bewijsmiddelen en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Bergen op Zoom op\u002Faan De Boulevard Noord, op of omstreeks 21 maart 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangeefster] ) letsel en\u002Fof schade was toegebracht.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Bergen op Zoom op\u002Faan De Boulevard Noord, op 21 maart 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangeefster] ) schade was toegebracht.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district De Markiezaten, basisteam Bergen op Zoom, zaakregistratienummer PL2000-2020167376, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] en gesloten d.d. 29 juni 2020, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen, doorgenummerde dossierpagina’s 1-29.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-2, dossierpagina’s 5-7, voor zover inhoudende de verklaring van [aangeefster] :\n\nIn de nacht van 20 op 21 maart 2020, omstreeks 01.45 uur, reed ik de [bedrijf] aan de Boulevard Noord te Bergen op Zoom uit. Bij het uitrijden voelde ik dat mijn auto van achteren aangetikt werd door een andere auto, die ook de [bedrijf] uit kwam rijden. Ik zag dat er in deze auto, zijnde een Opel Astra, twee Marokkaanse jongens zaten. Het kenteken van deze auto, wat ik later heb opgenomen op de telefoon, is [kenteken] . Mijn vrienden zeiden dat ik moest stoppen. Echter toen ik gestopt was, voelde en zag ik dat de Opel Astra opzettelijk meerdere keren tegen mijn portier aan de linkerzijkant reed. Ik hoorde ook dat zij iedere keer een stukje gas bijgaven, waardoor mijn auto als het ware steeds een beetje meer opschoof richting de stoep. Daarna zag ik dat er een andere auto aan kwam rijden met een andere Marokkaanse jongen erin, die zich ook met de situatie ging bemoeien.\n\nIk heb deuk- en lakschade aan de linkerzijkant van mijn auto en het portier. Vervolgens is de bestuurder van de Opel Astra en (het hof leest – gelet op de woorden ‘zijn’ en ‘is’, alsmede de hierna volgende zin – in plaats van ‘en’ het woord ‘zijnde’)degene die tegen mijn auto aan is gereden in zijn auto gestapt en is hij weggereden. De bijrijder en de andere jongen bleven over. Op het filmpje staat de dader (de bestuurder van de Opel Astra) op beeld. De bijrijder staat helaas niet op beeld.\n\n2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-7, dossierpagina’s 9-10, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :\n\nOp 21 maart 2020, omstreeks 02.00 uur, was ik werkzaam in de omgeving van Bergen op Zoom. Wij kregen het verzoek van het Operationeel Centrum te gaan naar de Boulevard ter hoogte van de [bedrijf] . Daar zou zich een conflict hebben afgespeeld. Collega’s [verbalisant 3] en [verbalisant 4] werden ook naar deze melding gestuurd. Zij waren al ter plaatse op het moment dat wij ter plaatse kwamen. Ik hoorde dat zij ons verzochten uit te gaan kijken naar een Opel Astra, voorzien van het kenteken [kenteken] . De tenaamgestelde van de Opel Astra betrof [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] . Op 21 maart 2020, omstreeks 02.15 uur, zag ik in een parkeervak aan de Rijtuigweg-Zuid bovengenoemd voertuig geparkeerd staan. Ik zag dat er één persoon op de bijrijderstoel in het voertuig zat. Ik vroeg hem zijn identiteitsbewijs. Ik zag dat hij mij op gaf te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] . Ik hoorde dat hij mij vertelde dat er wat op de Boulevard was gebeurd, maar hij daar niets over wilde vertellen.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-11, dossierpagina 16, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :\n\nOp 21 maart 2020, omstreeks 02.00 uur, kregen wij van het Operationeel Centrum de melding te rijden naar de Boulevard te Bergen op Zoom. Ik hoorde en zag dat de melder (het hof begrijpt: [aangeefster] )mij een video toonde vanaf een smartphone. Ik zag dat er op dit beeld een man naast een auto stond. Ik zag dat er een kenteken zichtbaar was welke overeenkomt zoals beschreven in de aangifte.\n\n4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-10, dossierpagina 15, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] :\n\nIk heb op 31 maart 2020 telefonisch contact gehad met aangeefster [aangeefster] . In het gesprek heb ik haar gevraagd om mij de beelden door te sturen die zij en de getuigen hebben gemaakt om hier eventuele strafbare feiten of een herkenning uit te halen. Ik heb drie filmpjes doorgestuurd gekregen van aangeefster [aangeefster] .\n\n5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-12, dossierpagina 17, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :\n\nOp 2 april ontving ik beelden van een filmpje gemaakt op een mobiele telefoon, van collega [verbalisant 5] . Van deze beelden heeft collega [verbalisant 5] een proces-verbaal van bevindingen gemaakt onder 2020071615-10. Mij werd gevraagd of ik de persoon die je op het filmpje ziet herken. Ik herken deze persoon als: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] . Ik herken hem omdat ik hem kort na dit incident in het betrokken voertuig heb gecontroleerd.\n\n6. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-6, dossierpagina’s 24-25, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 3] :\n\nWij waren op 21 maart 2020 bij de drive-in van de [bedrijf] aan de Boulevard Noord in Bergen op Zoom geweest en reden daarna via de afrit van de [bedrijf] rechtsaf de Boulevard Noord op. Op dat moment voelde ik een tik en ik keek om. Ik zag een auto achter ons staan, ergens links achter. Die stond heel kort nabij. Nog voordat [aangeefster] (het hof begrijpt telkens: aangeefster [aangeefster] )naar rechts ging, voelde en zag ik dat de auto achter ons voor de tweede maal tegen de auto van [aangeefster] aanreed. Ik zag dat de auto tegen de auto van [aangeefster] aan bleef duwen en hoorde dat de bestuurder van die auto gas bleef geven. Die auto duwde de auto van [aangeefster] tot tegen de stoeprand aan. Ik hoorde dat de zijkant van de auto ingedrukt werd. Ik ben vervolgens uitgestapt en zag dat in de auto achter die van [aangeefster] een personenauto, een Opel Astra, was. Het kenteken heb ik later genoteerd. Ik zag dat in de auto twee personen zaten. De bestuurder was wat groter en ouder, rond de 1.85 lang. Hij was licht getint, ik denk een Marokkaanse jongen. Hij had een slank postuur. De andere persoon was kleiner, ook licht getint, vermoedelijk ook een Marokkaan, slank postuur en rond de 1.75 tot 1.80 lang. Ik zag toen dat er nog een auto aangereden kwam (…) dat er een persoon in zat en dat die uitstapte.\n\nIk zag toen dat de bestuurder van de Opel in zijn auto stapte. Ik hoorde dat hij de Opel startte. Ik zag dat hij vervolgens met slippende banden wegreed. Ik zag dat de andere twee bleven staan. De bestuurder heeft aan niemand kenbaar gemaakt hoe hij heette en is eigenlijk gewoon gevlucht voordat de politie kwam.\n\n7. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 maart 2020, procesverbaalnummer PL2000-2020071615-8, dossierpagina’s 20-21, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 2] :\n\nOp 21 maart 2020, omstreeks 01.45 uur, gingen we naar de [bedrijf] in Bergen op Zoom. We waren met zijn vieren. We hadden bij de drive-in van de [bedrijf] eten gehaald. Nadat we weg reden voelde ik dat we aangereden werden aan de achterzijde van de auto. Ik zat naast de bestuurder. De bestuurder heet [aangeefster] van het hof (het hof begrijpt: [aangeefster] ). Ik keek om en zag twee jongens in een auto zitten. Ik zag dat [aangeefster] iets naar rechts stuurde om te gaan parkeren op de parkeerstrook. Ik wilde uitstappen, maar voordat ik dat kon voelde ik dat we aan de linkerzijde nogmaals aangereden werden. Ik hoorde dat de jongen extra gas gaf tijdens dat hij tegen ons aan reed.\n\nIk kan het volgende signalement van de bestuurder geven: een jongen, getinte huidskleur, Marokkaans of Turks uiterlijk, hij was ongeveer 1,85 lang, donker kort stijl haar, zijkanten waren opgeschoren, hij had een beetje een snor, hij droeg donkere kleding. Zijn postuur was gemiddeld.\n\nToen we allemaal uitgestapt waren ontstond een ruzie tussen [getuige 4] , [getuige 3] en de twee jongens van de andere auto. De bestuurder vertelde dat hij in wilde stappen om zijn auto te parkeren. De bestuurder is toen in zijn auto gestapt en reed weg.\n\nDe auto van de jongens had het kenteken [kenteken] .\n\n8. De eigen waarneming van dit hof ten aanzien van de foto van de verdachte op de hem betreffende ID-staat d.d. 3 juni 2020 op dossierpagina 3, zoals gedaan in raadkamer naar aanleiding van de terechtzitting van 17 juni 2026, voor zover inhoudende:\n\nHet hof neemt op de foto waar dat de verdachte een licht getinte huidskleur heeft en dat hij kort donker haar heeft dat aan de zijkant deels is opgeschoren. Voorts neemt het hof op de foto waar dat de verdachte een beginnende snor heeft.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat op grond van het politiedossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de bestuurder van de Opel Astra is geweest die tegen de auto van aangeefster [aangeefster] heeft gereden.\n\nHet hof overweegt dienaangaande het volgende.\n\nHet hof is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Aangeefster [aangeefster] en getuigen [getuige 3] en [getuige 2] hebben verklaard dat de auto van aangeefster op 21 maart 2020 bij de [bedrijf] aan de Boulevard Noord te Bergen op Zoom meerdere keren is aangereden door een Opel Astra voorzien van het kenteken [kenteken] , waarin twee Marokkaanse jongens zaten. Aangeefster en voormelde getuigen hebben gezien dat de bestuurder van de Opel Astra na het incident in zijn auto is gestapt en is weggereden, zonder zijn gegevens achter te laten. Ongeveer dertig minuten na het ongeval trof verbalisant [verbalisant 2] de verdachte aan op de bijrijdersstoel van de Opel Astra. De verdachte vertelde dat er wat was gebeurd op de Boulevard en dat hij de verbalisant daar niets over wilde vertellen.\n\nDoor een getuige is kort na het incident een filmpje opgenomen, waarvan aangeefster heeft verklaard dat daarop de bestuurder van de auto die haar auto had aangereden is te zien. Verbalisant [verbalisant 2] wordt gevraagd of hij de persoon op het filmpje herkent. De verbalisant herkent deze persoon als zijnde de verdachte, omdat hij hem kort na het incident in het betrokken voertuig heeft gecontroleerd. Het signalement van de verdachte komt bovendien overeen met de omschrijving door de getuigen.\n\nGelet op de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bestuurder van de Opel Astra is geweest die op 21 maart 2020 meermalen tegen de auto van aangeefster heeft gereden, waarna hij de plaats van het ongeval heeft verlaten. Uit deze bewijsmiddelen, met name het feit dat hij zich uit de voeten maakt en de verbalisant die hem in de Opel Astra aantreft wel mededeelt dat er ter plekke iets is gebeurd, maar hij niet wil zeggen wat, leidt het hof af dat de verdachte wist, en in ieder geval redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat hij de auto van aangeefster meermalen had aangereden waardoor schade was ontstaan.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\novertreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft daarbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard hij zich op 21 maart 2020 schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van een ongeval, nadat hij als bestuurder van een motorvoertuig de auto van aangeefster [aangeefster] meermalen had aangereden. Door de aanrijding is er schade ontstaan aan de auto van aangeefster. De verdachte wist dat of had dit in ieder geval redelijkerwijs moeten vermoeden en had de plaats van het ongeval derhalve niet als een dief in de nacht mogen verlaten. De verdachte heeft met zijn handelen zich onvoldoende rekenschap gegeven van de geldende gedragsnormen in het verkeer en van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof acht de omstandigheden waaronder de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan strafverzwarend. Uit de aangifte blijkt immers dat de verdachte ter plaatse zou hebben gezegd: ‘Ik maak jullie allemaal kankerdood’ of woorden van gelijke strekking. Aangeefster hoorde ook dat één van de aanwezige jongens zei: ‘Ik ga een pistool halen.’ Volgens een van de andere drie inzittenden van haar auto, [getuige 4] (dossierpagina 22) was dat de verdachte. Daarnaast blijkt uit het politiedossier dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde als bestuurder van de auto lachgasballonnen gebruikte en onder invloed was.\n\nHet hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Uit voornoemd uittreksel blijkt tevens dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De raadsman heeft in dat kader ter terechtzitting naar voren gebracht dat de verdachte een omgangsregeling heeft met zijn kinderen en dat hij als bezorger in dienstverband werkzaam is.\n\nGelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder de verdachte het feit heeft gepleegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de door de politierechter dan wel de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis passend en geboden.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nHet hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.\n\nNaar aanleiding van het ingestelde cassatieberoep namens de verdachte op 25 oktober 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan op 25 maart 2025. Daarmee is niet binnen twee jaren na het instellen van cassatie arrest gewezen, zodat de redelijke termijn in deze fase met vijf maanden is overschreden.\n\nNa terugwijzing door de Hoge Raad op 25 maart 2025 zal het hof bij arrest van heden op 1 juli 2026 uitspraak doen. Daarmee is de redelijke termijn in deze fase niet overschreden.\n\nGezien de hoogte van de op te leggen straf ziet het hof geen aanleiding om tot strafvermindering over te gaan en zal het hof volstaan met de constatering dat bij de strafvervolging van de verdachte sprake is van een inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vervatte recht van de verdachte op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.M. Hilverda, voorzitter,\n\nmr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,\n\nen op 1 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nmr. Van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1756","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:34.306Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":31,"updatedAt":49},"970","ECLI:NL:RBZWB:2026:5824","ecli-nl-rbzwb-2026-5824","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F1016 Vuitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 op het verzet van\n\n [opposante], uit [woonplaats] , opposante\n\nen uitspraak in de beroepszaak tussen\n\nin het geding tussen\n\nopposante, tevens eiseres\n\nen\n\nCollege van procureurs-generaal, het College.\n\nInleiding en procesverloop\n\n1. Opposante heeft beroep ingesteld omdat het College volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoeken uit de periode van mei tot en met december 2025.\n\n1.1.. Bij uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank dat beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht.\n\n1.2.. Opposante heeft op 26 maart 2026 een verzetschrift tegen de uitspraak ingediend. Opposante heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het verzet op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft opposante deelgenomen en vanuit het college heeft er niemand deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank van het verzet\n\n2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 19 maart 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfelis dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.\n\n2.1.. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nDe uitspraak van 19 maart 2026\n\n3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het verzoek is gericht op het handelen van het Openbaar Ministerie (OM) of de officier van justitie (OvJ) bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten zoals bedoeld in artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb. Gelet op dit artikel zijn onder meer de regels over bezwaar en beroep uit de Awb niet van toepassing. Dit betekent dat tegen een reactie op het verzoek van eiseres, dan wel tegen het uitblijven daarvan, geen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter.\n\n3.1.. Opposante voert – kort samengevat - aan dat de rechtbank het verzoek onterecht heeft gekwalificeerd als strafrechtelijk, aangezien er geen sprake is van een verzoek over de toetsing van opsporing, de beoordeling van vervolgbeslissingen of het ingrijpen in een strafzaak.\n\n3.2.. Tijdens de zitting heeft opposante haar verzetschrift toegelicht. Zij heeft aangegeven dat de procedure is beperkt tot het verzoek dat zij doet op grond van artikel 130 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) van 12 december 2025. Opposante stelt dat de rechtbank nooit een procedure heeft gestart en dat de procedure van art. 8:42 van de Awb niet is gevolgd. Er heeft geen debat plaatsgevonden, zodat er geen sprake is geweest van hoor en wederhoor.\n\n3.3.. Opposante benadrukt dat zij niet aan de rechtbank heeft gevraagd om iets over een strafzaak te beslissen. Haar verzoek is een bestuurlijk verzoek aan het College om in te grijpen. Opposante vindt dat het een bestuurlijke verantwoordelijkheid van het College betreft, waarop alleen een bestuurder antwoord kan geven. Haar verzoek is een bestuurlijke vraag en geen inhoudelijke vraag, het verzoek ziet namelijk puur op de processen in de strafrechtketen.\n\n3.4.. Opposante heeft op zitting verteld over haar ervaringen met het College. Zij heeft aangegeven dat de proceshouding van het College haar zeer frustreert. Met haar verzoek wil opposante de belangen van minderjarigen beschermen in een strafrechtelijk traject. Opposante wil graag een gemotiveerd antwoord krijgen op haar verzoek dat kan leiden tot een open gesprek. In dit gesprek wil opposante bespreken waarom zij dit verzoek bij het College heeft neergelegd. Tot op heden heeft opposante geen reactie gekregen, waardoor zij openheid vanuit het College mist.\n\nHet toetsingskader\n\n4. Er is een College van procureurs-generaal.Het College staat aan het hoofd van het OM.Het College kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het OM.\n\n4.1.. Dit artikel creëert de vereiste wettelijke grondslag voor het bestaan van het College. Ook wordt er tot uitdrukking gebracht welke plaats het College inneemt: het staat aan het hoofd van het OM. In het vierde lid van het artikel worden de wettelijke instrumenten van het College nader uitgewerkt. Het College krijgt de bevoegdheid toegekend om algemene en bijzondere aanwijzingen te geven betreffende de taken en bevoegdheden van het OM. Deze bevoegdheid is onbeperkt: zij strekt zich uit tot alle taken en bevoegdheden op het terrein van de strafrechtelijke rechtshandhaving, alsmede tot de andere taken waarmee het OM bij of krachtens de wet is belast. Een aanwijzing van het College kan zowel betrekking hebben op beleidsaangelegenheden als op individuele zaken. Zij kan gericht zijn tot alle leden van het OM die de taken en bevoegdheden van het OM uitoefenen.\n\n5. In de Awb is bepaald dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van de Awb niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen.\n\n5.1.. Dit betekent dat de typisch in de sfeer van de strafvordering en de executie gelegen besluiten en handelingen van de betrokken bestuursorganen niet onder het bereik van de Awb vallen. Gelet op de eigenstandige positie van het (materiële en formele) strafrecht en op het feit dat de strafrechtelijke regelgeving uitputtend is bedoeld, zou dat anders tot een ongewenste vermenging van rechtssferen leiden.\n\n5.2.. De strafrechtelijke procedures inzake de opsporing zijn primair neergelegd in het Wetboek van Strafvordering. Zij dienen daarin ook neergelegd te blijven, omdat de opsporing een wezenlijk onderdeel vormt van de strafrechtelijke procedure. Vandaar dat in artikel 1:6 van de Awb de opsporing van strafbare feiten is uitgezonderd van de werking van deze wet.\n\n6. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is.\n\nIs artikel 1:6, eerste lid, onder a, van de Awb van toepassing?\n\n7. Opposante is werkzaam als bestuurder van een ziekenhuis. Zij heeft op zitting verteld dat als zij als bestuurder een verzoek of vraag ontvangt, dit verzoek een medisch inhoudelijke en een procedurele kant heeft. Deze twee gebieden kunnen gescheiden van elkaar worden beoordeeld. Opposante wil dat haar verzoek over strafrechtelijke procedures ook gescheiden wordt gezien van het inhoudelijke strafrecht. Daarnaast wil opposante, wanneer de scheiding gemaakt is, dat haar verzoek onder het bestuursrecht wordt behandeld, omdat haar verzoek ziet op het besturen (het leiding geven) van het OM door het College.\n\n7.1.. De verzetrechter oordeelt dat opposante haar verzoek binnen de kaders van het strafrecht valt. Het materiële strafrecht (de inhoudelijke strafbepalingen) en het formele strafrecht (het strafprocesrecht) vallen namelijk allebei in de sfeer van het strafrecht. De verzetrechter begrijpt dat opposante zich op het standpunt stelt dat haar verzoek niet ziet op een specifieke strafzaak, maar dat betekent niet dat artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb buiten beschouwing kan worden gelaten. Het artikel heeft namelijk een bredere strekking dan opposante in haar verzetschrift stelt, want het ziet op besluitenen handelingen die zijn gelegen in de typische sfeer van de strafvordering. Opposante wil graag een gemotiveerde bevestiging of afwijzing van het College op haar verzoek dat gebaseerd is op artikel 130, vierde lid, van de Wet RO. De verzetrechter overweegt dat artikel 130, vierde lid, van de Wet RO een strafrechtelijk karakter heeft. Het betreft namelijk de instrumenten die het College heeft om op het terrein van de strafrechtelijke rechtshandhaving te handelen en te besluiten. Het is voor de verzetrechter dan ook evident dat opposante haar verzoek valt in de typische sfeer van de strafvordering als bedoeld in artikel 1:6 van de Awb.\n\n7.2.. Ook oordeelt de verzetrechter dat de procedurele kant van het strafrecht niet los kan worden beschouwd en op grond van het bestuursrecht kan worden beoordeeld. Het OM wordt inderdaad bestuurd door het College, maar dit betekent niet dat zijn handelingen en besluiten onder het bestuursrecht vallen. Deze besluiten en handelingen kunnen namelijk niet los worden gezien van de opsporing en vervolging van strafbare feiten door het OM. Dit betekent, zoals is geoordeeld in de uitspraak van 19 maart 2026, dat artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb van toepassing is op de procedure van opposante. De verzetsgrond faalt.\n\nHeeft de rechtbank de zaak kennelijk mogen afdoen?\n\n8. Op de zitting heeft opposante de uitspraak van 19 maart 2026 met drie vragen betwist. Zij vraagt zich als eerste af hoe de rechtbank uitspraak kon doen zonder eerst te beantwoorden of er sprake is van een aanvraag. Ten tweede heeft zij gevraagd wat de gevolgen zijn als een bestuursorgaan weigert te beslissen. Als laatste vraagt opposante of haar verzoek wel werkelijk buiten het bestuursrecht valt. Zij voert aan dat de rechtbank in de uitspraak van 19 maart 2026 niet is ingegaan op de eerste twee vragen. Uit de uitspraak en de procedureverloop blijkt dat de rechtbank geen zaak heeft gestart.\n\n8.1.. De verzetrechter begrijpt dat opposante graag een antwoord wil ontvangen op haar twee onbesproken gebleven vragen. De door haar gestelde vragen worden echter op grond van artikel 8:54 van de Awb in een bepaalde volgorde beantwoord. Voordat de bestuursrechter over de inhoud van een beroepschrift en haar beroepsgronden kan oordelen, moet de bestuursrechter eerst vaststellen of zij bevoegd is en vervolgens of het beroep ontvankelijk is. Om te oordelen of de bestuursrechter bevoegd is, heeft de bestuursrechter eerst besproken of artikel 1:6, eerste lid, onder a, van de Awb van toepassing is op het beroepschrift en het verzoek van opposante. De verzetrechter oordeelt dat in de uitspraak van 19 maart 2026 juist is vastgesteld dat in verband hiermee de regels over beroep uit de Awb niet van toepassing zijn. Dit betekent dat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd was om over de inhoud, de eerste twee vragen die opposante op zitting heeft gesteld, van het beroepschrift te oordelen. Omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd was, heeft de bestuursrechter ook mogen afgezien van het volgen van de procedure zoals omschreven in afdeling 8.2.2. van de Awb. De verzetsgrond faalt.\n\nConclusie over het verzet\n\n9. Het voorgaande betekent dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 van de Awb niet van toepassing zijn. Artikel 1:6 van de Awb bevat dwingend recht. Wanneer er sprake is van een beroep waarop artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb van toepassing is, dient de bestuursrechter zich onbevoegd te verklaren. Dit betekent dat het dictum van de uitspraak van 19 maart 2026 niet aansluit bij de motivering van de uitspraak. Het verzet slaagt daarom op dit punt. De uitspraak vervalt voor zover het dictum niet aansluit bij de motivering van de uitspraak. Dit betekent dat de uitspraak van 19 maart 2026 voor het overige in stand blijft.\n\nBeoordeling door de rechtbank van het beroep\n\n10. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.\n\n11. De rechtbank oordeelt dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 van de Awb niet van toepassing zijn.Dit betekent dat tegen een reactie op het verzoek van eiseres, dan wel tegen het uitblijven daarvan, geen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Zij zal zich dan ook onbevoegd verklaren.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. De rechtbank is onbevoegd. Zij mag de zaak dus niet inhoudelijk behandelen. Omdat er geen griffierecht is geheven, kan dit niet worden teruggestort. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het verzet gegrond;\n\n- verklaart dat de uitspraak van 19 maart 2026 vervalt voor zover het dictum niet aansluit bij de motivering van de uitspraak;\n\n- verklaart zich onbevoegd.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.I van Term, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open. Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.\n\n Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Dit staat in artikel 130, eerste lid, van de Wet RO.\n\n Dit staat in artikel 130, tweede lid, van de Wet RO.\n\n Dit staat in artikel 130, vierde lid, van de Wet RO.\n\n Kamerstukken II 1996\u002F97, 25392, nr. 3, p. 9 en 10.\n\n Artikel 1:6, eerste lid, onder a, van de Awb.\n\n Kamerstukken II, 1988\u002F89, 21221, nr. 3, p. 43.\n\n Kamerstukken II, 1988\u002F89, 21221, nr. 3, p. 44.\n\n Dit staat in artikel 8:54, eerste lid, onder a, van de Awb.\n\n De bewoording besluit(en) betekent niet direct een besluit in de zin van de Awb. Zie ook onder 5.1.\n\n Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.\n\n Dit staat in artikel 1:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5824","2026-07-13T00:28:56.979Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":54,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":31,"updatedAt":56},"1516","ECLI:NL:RBZWB:2024:2165","ecli-nl-rbzwb-2024-2165","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nparketnummer: 02\u002F111820-23, 02\u002F252905-22 (tul)\n\nvonnis van de meervoudige kamer van 4 april 2024\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag 1] 1990 te [geboorteplaats] ,\n\nwonende te [woonadres] ,\n\nraadsman mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Roosendaal.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 maart 2024. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie,\n\nmr. G. Smid, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage I bij dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk, weergegeven op neer dat verdachte\n\nfeit 1: [slachtoffer] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd;\n\nfeit 2: [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel dat hij haar heeft mishandeld.\n\n3. De voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig.\n\nDe rechtbank is bevoegd.\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.\n\nEr is geen reden voor schorsing van de vervolging.\n\n4. De beoordeling van het bewijs4.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert vrijspraak voor feit 1, omdat in het dossier onvoldoende ondersteuning zit voor de aangifte van [slachtoffer] . De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde onder feit 2 bewezen en baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer] , haar letsel en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] .4.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging bepleit vrijspraak voor beide feiten, omdat de verklaring van [slachtoffer] onbetrouwbaar is en niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel.4.3. Het oordeel van de rechtbank4.3.1. \n\nDe bewijsmiddelen\n\nDe bewijsmiddelen zijn in bijlage II bij dit vonnis opgenomen.4.3.2. \n\nDe bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nFeit 1\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat hij op 3 en 4 maart 2023 [slachtoffer] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd. Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] op die data bij verdachte in de auto heeft gezeten en dat zij enige tijd hebben rondgereden. Op basis van het dossier kan echter niet worden vastgesteld dat dit tegen de wil van [slachtoffer] was. De verklaring van [slachtoffer] wordt weersproken door verdachte en op dit punt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van feit 1.\n\nFeit 2\n\n [slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij op 4 maart 2023 met verdachte in een auto zat op een parkeerplaats in Rotterdam. Verdachte heeft toen meerdere keren met zijn vuist op haar hoofd geslagen. Vervolgens is [slachtoffer] uit de auto gestapt en is naar een geparkeerd busje gelopen, waar getuigen [getuige 2] en [getuige 1] in zaten. Getuigen [getuige 2] en [getuige 1] hebben gezien dat verdachte en [slachtoffer] ruzie hadden in de auto en dat [slachtoffer] uit de auto is gestapt. Ze zagen dat er bloed uit het oor van [slachtoffer] kwam en dat er bloed boven haar oor en op haar hand zat. [getuige 2] heeft verder gezien dat [slachtoffer] haar hoofd vasthield toen ze uit de auto stapte. Getuigen [getuige 2] en [getuige 1] hebben haar vervolgens afgezet bij [naam] , een vriendin van [slachtoffer] . [naam] heeft toen gezien dat het rechteroor van [slachtoffer] onder het bloed zat, dat er bloed op haar slaap en kleding zat en op haar voorhoofd een grote bult. [naam] heeft foto’s gemaakt van het letsel en heeft [slachtoffer] na ongeveer twee uur naar huis gebracht. De foto’s zijn niet pas twaalf uur later gemaakt, zoals door de verdediging naar voren is gebracht. Daarnaast past het letsel ook niet bij de verklaring van verdachte, dat [slachtoffer] bij het uit de auto stappen is gevallen. Dit is ook niet door de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] gezien, terwijl [getuige 2] verklaard dat hij haar zag uitstappen.\n\nUit de geneeskundige verklaring van 15 maart 2023 blijkt dat [slachtoffer] een bult op haar voorhoofd en een piep in haar oor heeft. Voor de piep in haar oor is ze verwezen naar een KNO-arts. [slachtoffer] is op 18 april 2023 in het Bravis ziekenhuis geweest. Daar is gebleken dat [slachtoffer] ernstige traumatische tinnitus en gehoorvermindering heeft. Voor dit letsel is het plaatsen van een hoortoestel noodzakelijk geweest.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [slachtoffer] onbetrouwbaar is. De rechtbank is echter van oordeel dat haar verklaring door drie getuigen en de foto’s van het letsel wordt ondersteund. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meerdere keren op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde op zitting kan niet worden afgeleid dat [slachtoffer] een verleden kent met tinnitus en gehoorverlies. De rechtbank stelt vast dat het letsel is ontstaan doordat verdachte meerdere keren op haar hoofd heeft geslagen. Dat de geneeskundige verklaringen van enige tijd na het toebrengen van het letsel zijn, zoals door de verdediging naar voren gebracht, doet aan dat oordeel niets af. Het door de artsen geconstateerde letsel past bij de door verdachte verrichte geweldshandelingen en ook bij het letsel dat te zien is op de foto’s die [naam] kort na het incident heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank dient te beoordelen of sprake is van zwaar lichamelijk letsel en vervolgens of verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] .\n\nZwaar lichamelijk letsel\n\n [slachtoffer] heeft ernstige traumatische tinnitus en gehoorverlies opgelopen en daarvoor was het plaatsen van een hoortoestel noodzakelijk. Tinnitus heeft naar algemene ervaringsregels een beperkende en storende invloed op het gehoor, wat zijn weerslag heeft op het (beroepsmatig) functioneren en op het algehele welbevinden. Daarnaast is er geen uitzicht op (volledig) herstel. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat dit letsel naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Daarnaast is er voor wat betreft het gehoorverlies volgens de verklaringen het gebruik van een gehoorapparaat nodig en is er geen melding van mogelijkheid tot verbetering. Ook dit gehoorverlies wordt aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.\n\n(voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel\n\nUit het dossier blijkt niet dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . Er kan echter ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet.\n\n De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte meermalen met de vuist op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gezicht en het hoofd kwetsbare onderdelen zijn van het lichaam, door de zich daar bevindende (vitale) onderdelen zoals de slaap en de hersenen. Ook aan ogen en oren kan eenvoudig blijvend letsel worden toegebracht. De kans dat iemand die meermalen met de vuist op het hoofd wordt geslagen zwaar lichamelijk letsel oploopt, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. De handelingen van verdachte moeten naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm dan ook worden geacht daarop gericht te zijn geweest, aangezien verdachte meermalen met zijn vuist op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Door zo te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer] en dat verdachte hier voorwaardelijk opzet op heeft gehad. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan zware mishandeling, zoals onder feit 2 primair ten laste is gelegd.4.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte\n\n2\n\nop 4 maart 2023 te Rotterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten perceptief gehoorverlies en traumatische tinnitus, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen met de vuist op\u002Ftegen het hoofd te stompen.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n5. De strafbaarheid\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.\n\nVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.\n\n6. De strafoplegging6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vier maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert hij aan verdachte op te leggen een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] voor twee jaar.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging verzoekt rekening te houden met de toepassing van artikel 63 Sr en de omstandigheid dat verdachte werk heeft.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVerdachte heeft zich op 4 maart 2023 schuldig gemaakt aan zware mishandeling van zijn ex-partner [slachtoffer] . Terwijl zij samen in de auto zaten, heeft hij meerdere keren met zijn vuist op haar hoofd gestompt. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] tinnitus en gehoorverlies opgelopen. Zij draagt daarom inmiddels een hoortoestel. Uit het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat [slachtoffer] nog dagelijks last heeft van hoofdpijn, oorsuizen en dat zij moeite heeft met focussen. Daarnaast kan ze slecht slapen, heeft ze last van depressieve gevoelens en voelt zich onveilig. Volgens de GZ-psycholoog is sprake van een posttraumatische stressreactie en wordt er EMDR-therapie ingezet.\n\nDe rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de houding van verdachte. Hij heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Daarnaast blijkt uit zijn strafblad dat hij na deze mishandeling is veroordeeld voor een eerder gepleegd geweldsincident met een andere ex-partner. Hoewel van recidive strikt genomen geen sprake is, houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte vaker gewelddadig is geweest richting (ex-)partners en niet leert van optreden door politie en justitie. Artikel 63 Sr is voorts van toepassing.\n\nOok heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 12 maart 2024, waarin wordt geadviseerd aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd en een contactverbod met [slachtoffer] . Uit het rapport volgt dat de reclassering bij verdachte een patroon ziet ontstaan, waarbij hij gewelddadig gedrag laat zien richting ex-partners na het verbreken van een relatie. Het risico op geweldsrecidive wordt dan ook als gemiddeld tot hoog ingeschat. Volgens de reclassering is verdachte van mening dat het goed gaat in zijn leven en dat hij geen hulp nodig heeft. Zo heeft verdachte verteld dat hij met succes twee jaar onder schorsingstoezicht heeft gestaan en er geen problemen zijn op het gebied van middelengebruik. Na onderzoek van de reclassering blijkt echter dat het toezicht maar zeven maanden heeft geduurd, waarbij er in de laatste maanden zorgen waren over een terugval in alcohol- en drugsgebruik. Ook raakte verdachte uit beeld bij de reclassering en gaf hij slechts beperkt openheid over zijn sociaal netwerk en financiën. De afspraken rondom het inzetten van hulpverlening werden door verdachte afgehouden. Door de houding van verdachte ziet de reclassering geen mogelijkheid om met reclasseringstoezicht te werken aan gedragsverandering of verlaging van recidive. Het voortzetten van het contactverbod met [slachtoffer] is wenselijk.\n\nGelet op de aard en de ernst van het feit en de straffen die hiervoor in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. Alles overziend acht de rechtbank een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. Zij zal als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] opleggen.\n\nDe rechtbank zal niet overgaan tot de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] . Deze maatregel strekt ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten. Vereist is dat er sprake is van herhalingsgevaar. Nu uit het reclasseringsadvies blijkt dat verdachte zich al een geruime tijd aan het contactverbod met [slachtoffer] heeft gehouden, is de rechtbank van oordeel dat het herhalingsgevaar als in dit wetsartikel vereist niet kan worden vastgesteld. Omdat een contactverbod wel nodig is voor de rust van [slachtoffer] wordt het contactverbod wel als bijzondere voorwaarde, als hiervoor vermeld, opgelegd.\n\n7. De benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 8.964,59, bestaande uit € 964,59 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit:\n\nreiskosten: € 459,69;\n\nkosten fysiotherapie: € 295,00;\n\ntoekomstige kosten fysiotherapie: € 200,00;\n\ntoekomstige reiskosten: € 9,90.\n\nMateriële schade\n\nDe gevorderde kosten voor de fysiotherapie en de reiskosten zijn voldoende onderbouwd en een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal het bedrag van\n\n€ 754,69 dan ook toewijzen.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de toekomstige fysiokosten en reiskosten niet-ontvankelijk verklaren, nu dit onzekere toekomstige schade zou betreffen en beoordeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces met zich meebrengt. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij zwaar is mishandeld door haar ex-partner. Hij heeft meerdere keren met zijn vuist op haar hoofd geslagen. Hierdoor heeft de benadeelde partij ernstige tinnitus en gehoorverlies opgelopen en moet zij inmiddels een hoortoestel dragen. Tinnitus is een hinderlijke aandoening. Het heeft een beperkende en storende invloed op het gehoor, waardoor deze aandoening grote gevolgen heeft voor het dagelijks leven en het algehele welbevinden. Er is bij deze aandoening geen zicht op volledig herstel. Ook de afhankelijkheid van een gehoorapparaat is ingrijpend. Dit alles terwijl de benadeelde partij pas 29 jaar oud is.\n\nNaast lichamelijk letsel heeft de benadeelde partij ook geestelijk letsel. Er is sprake van een posttraumatische stressreactie, waarvoor EMDR wordt ingezet. De aard en de ernst van de normschending door verdachte brengt mee dat de relevante nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in de eer of goede naam. Dit betekent dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt.\n\nGelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank de gevorderde vergoeding van een bedrag van € 8.000,00 billijk. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.\n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van de toegewezen schade (in totaal € 8.754,69) de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 4 maart 2023. De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging\n\nDe officier van justitie heeft bij vordering van 20 februari 2024 gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van 12 juni 2023, ten uitvoer zal worden gelegd.\n\nOp zitting heeft de officier van justitie gevorderd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging, omdat deze voorwaardelijke straf al ten uitvoer is gelegd.\n\nDe rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie en zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.\n\n9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreekt verdachte vrijvan het onder 1 tenlastegelegde feit;\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het tenlastegelegde feit 2 primair bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;\n\n- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:\n\nfeit 2 primair:zware mishandeling;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nStrafoplegging\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;\n\n- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt als algemene voorwaarden:\n\n* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1995 te [geboorteplaats] , zo lang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;\n\n- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;\n\nVordering tenuitvoerlegging (02\u002F252905-22)\n\n- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak onder parketnummer 02\u002F252905-22;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer]\n\n- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van\n\n€ 8.754,69, waarvan € 754,69 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2023 tot aan de dag der voldoening;\n\n- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;\n\n- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\n- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 8.754,69 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2023 tot aan de dag der voldoening;\n\n- bepaalt dat bij niet betaling 78 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;\n\n- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.E. de Boer, voorzitter, mr. M.E.I. Beudeker en\n\nmr. L.H. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 april 2024.\n\nDe voorzitter en oudste rechter zijn niet in staat dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:2165","2026-07-13T00:29:24.977Z",1,20]