[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-drug-law-enforcement-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":40,"limit":41},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},41,"drug-law-enforcement-nl","Drug Law Enforcement","NL","2026-07-08T16:53:39.763Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1197","ECLI:NL:RBZWB:2026:6059","ecli-nl-rbzwb-2026-6059","","Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nParketnummer: 02-162374-23\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres\n\n [adres] ,\n\nraadsman mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda.1. Onderzoek op de terechtzitting\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Kikkert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de handel in verdovende middelen (feiten 1, 2 en 3) en het bezit van ketamine (feit 4).3. De procesafspraken\n\nDeze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging zogeheten procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst gedateerd 17 juni 2026, die zij voorafgaand aan de inhoudelijke zitting, en voorzien van de handtekeningen van zowel de officier van justitie als die van verdachte en zijn raadsman, hebben overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.\n\nHet afdoeningsvoorstel houdt, samengevat en voor zover hier relevant, het volgende in:\n\nDe verdediging\n\n- verdachte zal geen (nadere) onderzoekswensen indienen en\u002Fof (inhoudelijke) verweren voeren. De reeds ingediende onderzoekswensen zullen per ommegaande, na het ondertekenen van de overeenkomst, schriftelijk worden ingetrokken;\n\n- verdachte erkent geen schuld en legt geen bekennende verklaring af; doch de verdediging en verdachte geven door ondertekening van de procesafspraken richting rechtbank en het Openbaar Ministerie aan dat de feiten en kwalificaties zoals tussen het Openbaar Ministerie en verdediging vastgesteld in de bijlage A, (juridisch gezien) bewezen kunnen worden verklaard en dat er geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd. Verdachte bevestigt door deze procesafspraken daarmee niet de juistheid van de door het Openbaar Ministerie in bijlage A geschetste bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van de zijde van het Openbaar Ministerie;\n\n- verdachte doet schriftelijk afstand van de in bijlage B benoemde (klassiek) in beslag genomen goederen, conform de als bijlage C bijgevoegde schriftelijke afstandsverklaring;\n\n- verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging (hoogstwaarschijnlijk) zal leiden tot een veroordeling van de strafbare feiten als omschreven in de tenlastelegging;\n\n- de verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudingsverzoeken indienen, tenzij onvoorziene omstandigheden\u002Feen acute situatie van persoonlijke aard ontstaat die niet wordt voorzien;\n\n- verdachte zal bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aanwezig zijn, zodat hij kan worden gehoord over de procesafspraken;\n\n- verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken en meewerken aan de tenuitvoerlegging van de op te leggen straf.\n\nHet Openbaar Ministerie\n\n- het Openbaar Ministerie zal ter zitting requireren tot:\n\n - bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten (conform de\n\n inhoud van bijlage A);\n\n - een strafoplegging als hieronder weergegeven:\n\n • een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden (met aftrek);\n\n • een geldboete ter hoogte van € 22.500,-, bij niet betalen te vervangen door 147\n\n dagen vervangende hechtenis;\n\n • onttrekking aan het verkeer van de goederen waarvan verdachte afstand heeft\n\n gedaan;\n\n- het Openbaar Ministerie heeft geen ontnemingsvordering tegen de verdachte aanhangig gemaakt en zal dat – indien aan de termen van de schikking wordt voldaan en de gezamenlijke procesafspraken door de rechtbank worden gevolgd – ook niet meer doen;\n\n- het Openbaar Ministerie zal zich ter zitting refereren aan het (nog in te dienen) verzoek van de verdediging tot hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis.\n\nVerder is onderdeel van de overeenkomst dat door de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep zal worden ingesteld, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de gemaakte procesafspraken.\n\nDe gehele overeenkomst is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nBeoordeling van de procesafspraken door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (vgl. ECLI:NL:HR:2022:1252).\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 23 juni 2026, waar de inhoud van het afdoeningsvoorstel is besproken.\n\nDe rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank heeft immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen conform artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.\n\nDe officier van justitie, de raadsman en verdachte hebben ter zitting allen bevestigd achter de procesafspraken te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij deze met zijn raadsman heeft besproken en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank de procesafspraken volgt – in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten – en hij accepteert de op te leggen straf zoals deze is voorgesteld.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.4. De voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig.\n\nDe rechtbank is bevoegd.\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.\n\nEr is geen reden voor schorsing van de vervolging.5. De beoordeling van het bewijs5.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals neergelegd in de procesafspraken.5.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om de procesafspraken te volgen en heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.5.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nNu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen, die tevens kort samengevat zijn voorgehouden ter zitting, wettig en overtuigend bewezen acht, zullen de feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.5.4.. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte\n\nfeit 1\n\nop tijdstippen in de periode van 8 juni 2020 tot en met 11 juni 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een of meer hoeveelheden cocaïne te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\nfeit 2\n\nop tijdstippen in de periode van 4 april 2020 tot en met 20 mei 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder apaan en\n\nN-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder apaan en N-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot het opzetten en\u002Fof inrichten van een (productie)laboratorium en\u002Fof de verdeling van de productiekosten en\u002Fof winst en\u002Fof betaling\u002Fverdeling daarvan,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een (mogelijke) loods\u002Flocatie voor het opzetten van een (productie)laboratorium en een tekening waarin de ruimtes van die loods\u002Flocatie zijn ingedeeld te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\nfeit 3\n\nop tijdstippen in de periode van 1 oktober 2022 tot en met 3 februari 2023 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (meth)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie\n\nfeit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Exclu account ( [account 2] (gebruikersnaam [gebruikersnaam] )),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en metanol en zoutzuur en aceton en caustic soda en citroenzuur,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en metanol en zoutzuur en aceton en caustic soda en citroenzuur;\n\nfeit 4\n\nop 26 februari 2024 te Breda opzettelijk, zonder registratie een of meer hoeveelheden ketamine in voorraad heeft gehad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.6. De strafbaarheid\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.\n\nVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.7. De strafoplegging7.1.. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert, conform de procesafspraken, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 32 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete ter hoogte van € 22.500,-.7.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de procesafspraken.7.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVerdachte heeft zich samen met anderen beziggehouden met het plegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de handel in en productie van harddrugs. De wetgever beschouwt de productie van harddrugs als een ernstig strafbaar feit. Het is immers algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs kan leiden tot een geestelijke of lichamelijke verslaving en bij overdosis zelfs tot de dood van de gebruiker. Daarnaast wordt het chemisch afval dat ontstaat bij de productie vrijwel altijd illegaal gedumpt, waardoor het milieu schade ondervindt en belast wordt en waarbij er in de regel veel geld, tijd en energie geïnvesteerd moet worden om de negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien legt het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van synthetische drugs een fors beslag op het opsporingsapparaat, als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het gedrang komt. Kortom, de productie van synthetische drugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed. Door deel te nemen aan een samenwerkingsverband dat zich hiermee bezighoudt, heeft verdachte zijn eigen geldelijk gewin boven het maatschappelijk belang en de daarop gebaseerde wettelijke normen gesteld. Daarbij heeft verdachte gedurende enkele dagen getracht blokken cocaïne te verhandelen (als tussenpersoon) en had verdachte op 26 februari 2024 een grote hoeveelheid ketamine in zijn bezit.\n\nGelet op de aard en ernst van deze feiten kan naar het oordeel van de rechtbank, in beginsel, niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur heeft de rechtbank allereerst acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze feiten vallen echter buiten de recidivetermijn. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), straffen in soortgelijke zaken en de rol van verdachte.\n\nDe rechtbank acht gelet op het voorgaande, evenals de officier van justitie, in beginsel een gevangenisstraf van 54 maanden onvoorwaardelijk passend en geboden. Ten voordele van verdachte wordt meegewogen dat de feiten een korte(re) pleegperiode kennen en dat wat betreft de feiten 1, 2 en 3 niet is gebleken dat verdachte tot voltooide feiten is gekomen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de procesafspraken in onderhavige zaak nopen tot een andere afweging. Zij overweegt daartoe als volgt. Er is sprake van een groot tijdsverloop waardoor de redelijke termijn is geschonden. Daarnaast heeft verdachte meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De verdediging heeft geen (nieuwe) onderzoekswensen ingediend, waardoor de rechter-commissaris geen verder onderzoek heeft moeten verrichten. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert veel tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.\n\nUit de procesafspraken volgt dat de verdediging en de officier van justitie een gevangenisstraf van 32 maanden zijn overeengekomen. Dat komt neer op een strafvermindering van 10% voor het overschrijden van de redelijke termijn en vervolgens een strafvermindering van een derde deel. Gelet op de stand van zaken van de procedure komt onderhavige zaak wat het Openbaar Ministerie betreft niet (zonder) meer in aanmerking voor strafkorting. Om die reden, en omdat de door verdachte gepleegde delicten in de regel geld gedreven zijn, zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie overeengekomen dat er een (aanzienlijke) financiële prikkel aan de overeengekomen gevangenisstraf wordt toegevoegd, in de vorm van een geldboete van € 22.500,-. Deze geldboete wordt (direct) geëffectueerd vanuit het conservatoir beslag. De door de verdediging en de officier van justitie overeengekomen gevangenisstraf en geldboete zijn bij procesafspraken (zowel in nationaal als in internationaal verband) geen uitzondering en wordt door de rechtbank in deze zaak als een passende vorm van strafafdoening beschouwd.\n\nDe rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de in de procesafspraken overeengekomen straf onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. De rechtbank legt dan ook aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht. Daarnaast legt zij aan verdachte op een geldboete van € 22.500,-.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 46, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10a van de Opiumwet, artikel 38 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.9. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven;\n\n- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nfeit 1:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 2:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 3:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 4:opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid,\n\n van de Geneesmiddelenwet;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nStrafoplegging\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 32 maanden;\n\n- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;\n\n- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 22.500,-;\n\n- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechteniszal worden toegepast van147 dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\n- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, en mr. C.H.M. Pastoors en mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\n1\n\nVoorbereidingshandelingen, Sky-ECC feiten D en E\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 juni 2020 tot en met 11 juni 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een of meer hoeveelheden cocaïne te ontvangen en\u002Fof versturen\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 alinea Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2\n\nVoorbereidingshandelingen, Sky-ECC feiten C en F\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 april 2020 tot en met 20 mei 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder apaan en\n\nN-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder apaan en N-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot het opzetten en\u002Fof inrichten van een (productie)laboratorium en\u002Fof de verdeling van de productiekosten en\u002Fof winst en\u002Fof betaling\u002Fverdeling daarvan,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een (mogelijke) loods\u002Flocatie voor het opzetten van een (productie)laboratorium en\u002Fof een tekening waarin de ruimtes van die loods\u002Flocatie zijn ingedeeld te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 alinea Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3\n\nVoorbereidingshandelingen EXCLU feiten A en B\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 september 2022 tot en met 3 februari 2023 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (meth)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie\n\nfeit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Exclu account ( [account 2] (gebruikersnaam [gebruikersnaam] )),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en\u002Fof metanol en\u002Fof zoutzuur en\u002Fof aceton en\u002Fof caustic soda en\u002Fof citroenzuur,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en\u002Fof metanol en\u002Fof zoutzuur en\u002Fof aceton en\u002Fof caustic soda en\u002Fof citroenzuur;\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n4\n\nBezit ketamine ( [garage] )\n\nhij op of omstreeks 26 februari 2024 te Breda , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, zonder registratie een of meer hoeveelheden ketamine, in elk geval een werkzame stof, in voorraad heeft gehad en\u002Fof heeft bereid en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof te koop aan geboden en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof uitgevoerd of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied gebracht, dan wel in werkzame stoffen een groothandel gedreven;\n\n( art 38 lid 1 Geneesmiddelenwet )","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6059","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:09.467Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"966","ECLI:NL:RBZWB:2026:5779","ecli-nl-rbzwb-2026-5779","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2970 OPIUMW VV\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Zundert.\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Thuisvester uit Oosterhout (de woningstichting).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker aan de [adres] te [woonplaats] (de woning) voor de duur van drie maanden op grond van de Opiumwet. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 20 mei 2026 (bestreden besluit) heeft de burgemeester verzoeker op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gelast om de woning per 2 juni 2026 te sluiten en gesloten te houden voor een periode van drie maanden. De woning is op die datum gesloten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningen-rechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld door zijn begeleider [persoon] ( [zorgorganisatie] ) en bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. M.M.A.J. Braspenning, mr. N. Kajdiç en [gemachtigde 1] namens de burgemeester en [gemachtigde 2] en mr. S. van den Elshout namens de woningstichting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat zijn de feiten?\n\n3. Verzoeker is huurder van de bovenwoning, waar hij alleen woont. De woningstichting is eigenaar van de woning.\n\n3.1.. Uit een bestuurlijke rapportage van de politie van 20 maart 2026 blijkt dat de politie voorafgaand aan het binnentreden van de woning een persoon die verdacht wordt van de handel in verdovende middelen (verdachte 2) regelmatig de woning van verzoeker zag betreden. Ook zou door een (anonieme) getuige zijn gezien dat er veel aanloop was bij de woning en er meerdere overdrachten van verdovende middelen plaatsvonden. Nadat uit eerder onderzoek bleek dat er mogelijk een grote hoeveelheid verdovende middelen zou worden opgeslagen en verhandeld in de woning, is de politie op 14 januari 2026 de woning binnengetreden. Vrijwel gelijk na het betreden van de woning werd een tas met een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Bij de doorzoeking van de woning werd het volgende aangetroffen:\n\n- 595 gram 2-Methylmethcathinone (2-MMC)\n\n- 362 gram Cocaïne\n\n- 1 liter Gamma-hydroxyboterzuur (GHB)\n\n- airsoftwapen\n\n- 95 gram hash\n\n- groot aantal plastic gripzakjes ten behoeve van het verpakken naar handelshoeveelheden\n\n- groot aantal wikkels ten behoeve van het verpakken van Cocaïne\n\n- jerrycan 5 liter aceton\n\n- diverse weegschalen met witte poederresten\n\n- diverse vacumeermachines en zakken\n\n- blenders\u002Fvermalers met witte poederresten\n\n- diverse chemicaliën ten behoeve van de productie van GHB.\n\nDe genoemde drugs zijn indicatief getest. Verzoeker en verdachte 2 waren in de woning aanwezig en werden als verdachten aangehouden. Verzoeker is verslaafd aan GHB en leeft van een uitkering. Hij heeft verklaard dat hij zijn woning al enkele maanden ter beschikking stelt aan verdachte 2 tegen een kleine vergoeding, zodat hij zijn verdovende middelen kan opslaan, verpakken en verhandelen.\n\n3.2.. De burgemeester heeft bij brieven van 6 mei 2026 haar voornemen kenbaar gemaakt aan verzoeker en de woningstichting om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden.\n\n3.3.. Bij brief van 13 mei 2026 heeft verzoeker zijn zienswijze kenbaar gemaakt.\n\n3.4.. Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoeker gelast om de woning per 2 juni 2026 te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van drie maanden. De woning is op die datum gesloten.\n\nWat is het wettelijk kader?\n\n4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.\n\nHeeft verzoeker een spoedeisend belang?\n\n5. Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.\n\n5.1.. Als gevolg van het bestreden besluit is de door verzoeker gehuurde woning gesloten voor de duur van drie maanden. Gelet op de aard van de zaak en het in geding zijnde huisrechtvan verzoeker is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken van een spoedeisend belang bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit.\n\nWelke gronden heeft verzoeker aangevoerd?\n\n6. Verzoeker heeft aangevoerd dat de burgemeester ten onrechte heeft besloten tot sluiting van de woning. Daartoe heeft verzoeker gesteld dat de sluiting van de woning niet geschikt is, niet noodzakelijk en niet evenwichtig. De sluiting van de woning is in strijd met artikel 8 van het EVRM en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Tevens is het bestreden besluit volgens verzoeker onvoldoende gemotiveerd.\n\nWat is het oordeel van de voorzieningenrechter?\n\n7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in de uitspraak van 16 juli 2025de uitgangspunten weergegeven waar zij van uitgaat bij de beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. In navolging van de uitspraak van 2 februari 2022over de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel gaat de ABRvS daarbij ook in op het karakter van deze bevoegdheid en de intensiteit waarmee de bestuursrechter dergelijke besluiten toetst.\n\n7.1.. De voorzieningenrechter beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de uitgangspunten in voornoemde rechtspraak.\n\nIs de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?\n\n8. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning een middel als bedoeld in lijst I, IA of II, behorend bij de Opiumwet (harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Doorgaans houdt de last in dat de woning voor een bepaalde periode wordt gesloten.\n\n8.1.. De burgemeester kan artikel 13b van de Opiumwet toepassen als er in of vanuit een woning in drugs wordt gehandeld (verkopen, afleveren, verstrekken) of als drugs met het oog op die handel in de woning aanwezig zijn. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs, 5,0 g softdrugs of vijf (hennep)planten (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.\n\n8.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat in de woning 595 gram 2-MMC, 362 gram cocaïne, 1 liter GHB en 95 gram hash (middelen in lijst I, IA en II) zijn aangetroffen. Daarmee wordt de toegestane hoeveelheid ruim overschreden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom sprake van de situatie dat de aangetroffen hoeveelheid drugs voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. De burgemeester was dan ook bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan. Verzoeker heeft de bevoegdheid van de burgemeester niet betwist.\n\nMag de burgemeester zijn bevoegdheid toepassen?\n\n9. De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. De burgemeester heeft hiervoor beleid geformuleerd en vastgesteld in de Beleidsregels handhaving op artikel 13b Opiumwet in de gemeente Zundert 2022 (Beleidsregels). De voorzieningenrechter constateert dat het bestreden besluit conform de Beleidsregels is. De Beleidsregels schrijven namelijk een sluiting voor de duur van drie maanden voor bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning.\n\nIs sluiting van de woning een geschikt en noodzakelijk middel?\n\n10. Verzoeker meent dat sluiting van de woning niet geschikt en noodzakelijk is. Voor zover de burgemeester beoogt herhaling te voorkomen, valt niet in te zien waarom een woningsluiting effectiever zou zijn dan de reeds ingezette zorg- en begeleidingsmaatregelen. Ook is niet onderzocht of kon worden volstaan met minder ingrijpende maatregelen.\n\n10.1.. Volgens de burgemeester is de sluiting van de woning een geschikt middel om het doel te bereiken dat zij voor ogen heeft, namelijk herhaling van de aanwezigheid van drugs en drugstransacties in de woning en overlast rondom de woning voorkomen, preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de veiligheid en volksgezondheid, het voorkomen van nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en het weghalen van de loop naar de woning. Daarnaast is een zichtbare sluiting voor drugscriminelen en buurtbewoners een duidelijk signaal dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in de woning. Ook het tijdsverloop tussen de constateringen en het bestreden besluit is niet dermate lang dat dit afbreuk kan doen aan de geschiktheid en noodzaak van de sluiting.\n\n10.2.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sluiting van de woning in beginsel een geschikt middel om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft. Rekening houdend met het moment van ontvangst van de bestuurlijke rapportage van 20 maart 2026, het versturen van een voornemen tot sluiting (6 mei 2026) en gelegenheid tot het indienen van een zienswijze daartegen (ontvangen op 13 mei 2026), is het tijdsverloop in dit geval niet dusdanig lang dat het doel dat de burgemeester voor ogen heeft niet meer kan worden bereikt.\n\n10.3.. De voorzieningenrechter overweegt dat in het bestreden besluit is verwezen naar de informatie in de bestuurlijke rapportage. Vast staat dat op 14 januari 2026 sprake was van een ernstig drugsincident, gezien de grote hoeveelheid aangetroffen drugs. Verzoeker heeft verklaard dat hij zijn woning als opslagplaats beschikbaar heeft gesteld onder druk van verdachte 2. Volgens de rapportage zou er toeloop zijn geweest naar de woning van verzoeker. Niet duidelijk wordt echter wie, wanneer (dag en tijdstip) en met welk doel de trap naar de bovenwoning is opgelopen en evenmin of en wanneer er spullen zijn verplaatst. Met de enkele vermelding dat de politie heeft waargenomen dat verdachte 2 de woning van verzoeker regelmatig betrad, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat sprake was van een loop naar de woning door drugsgebruikers of ten behoeve van drugstransacties. De vermelding in de rapportage dat door een anonieme getuige zou zijn gezien dat er meerdere overdrachten van verdovende middelen plaatsvonden, is kennelijk niet nader onderzocht en is evenmin onderbouwd. Van een aanwijzing dat de drugshandel vanuit de woning plaats heeft gevonden, is dus (vooralsnog) geen sprake. Het standpunt van de burgemeester in het verweerschrift dat de woning gelegen is in een kwetsbare buurt en dat er voor de inval in januari 2026 door buurtbewoners (anonieme) meldingen over overlast zijn ingediend, dat de woning bekend staat als locatie waar drugshandel plaatsvindt en dat dit blijkt uit de waarnemingen van de politie, is niet aannemelijk gemaakt noch onderbouwd.\n\n10.4.. De voorzieningenrechter maakt daarnaast uit de thans in het dossier aanwezige stukken niet op dat na het constateren en beëindigen van de overtreding op 14 januari 2026 iets relevants is voorgevallen op grond waarvan moet worden vastgesteld dat de negatieve effecten van de overtreding (nog) niet ongedaan zijn gemaakt. De burgemeester heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt noch onderbouwd dat na 14 januari 2026 nog sprake is geweest van loop naar de woning of merkbare overlast, waaronder openbare ordeverstoringen vanuit of rond de woning. Ter zitting is gesproken over een enkele vechtpartij op straat, waarvan verzoeker betwist dat hij de veroorzaker was. De woningstichting heeft ter zitting verklaard dat uit een na de inval door haar gehouden buurtonderzoek gebleken zou zijn dat er meerdere kwetsbare bewoners en probleemgevallen in de straat wonen. Buiten een melding over de vechtpartij, zijn echter geen meldingen van overlast door verzoeker ontvangen.\n\n10.5.. Gezien het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat rondom de woning en het herstel van de openbare orde en waarom niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting kon worden volstaan.\n\nIs sluiting van de woning evenwichtig?\n\n11. Als sluiting van de woning al noodzakelijk wordt geacht, betekent dit nog niet dat de burgemeester hiertoe steeds mag overgaan. Daarvoor moet zij zich ervan vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is.\n\n11.1.. Verzoeker voert aan dat de evenwichtigheid ontbreekt, omdat de gevolgen voor hem bijzonder zwaar zijn. Niet alleen dreigt hij zijn woning te verliezen, wat een schending is van zijn huisrecht op grond van artikel 8 EVRM, maar tevens wordt het fundament onder zijn herstelproces weggenomen. Hij kampt al jarenlang met verslavingsproblematiek, die heeft geleid tot beperkingen in zijn zelfredzaamheid, zijn beoordelingsvermogen en het vermogen om de gevolgen van zijn handelen adequaat te overzien. Zijn woning biedt hem de noodzakelijke stabiliteit en zekerheid van hulpverlening. Hij verwijst daartoe naar de verklaring van zijn ambulant begeleider. Het risico op herhaling wordt juist beperkt door zorg, behandeling en toezicht. Verlies van de woning vergroot de kans op terugval en maatschappelijke ontwrichting. Op de overheid rust, naast de bescherming van de openbare orde, de verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met kwetsbare burgers.\n\n11.2.. De burgemeester is in het bestreden besluit en haar verweerschrift ten aanzien van de evenwichtigheid ingegaan op de verwijtbaarheid van verzoeker, op het ontbreken van een bijzondere binding met de woning en op de mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst door de woningstichting. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de burgemeester de kwetsbaarheid van verzoeker onvoldoende heeft meegewogen. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat verzoeker bij de politie bekend staat als kwetsbaar persoon, die verslaafd is aan GHB en een uitkering geniet. Ook is bij de burgemeester bekend dat verzoeker contact heeft met team bemoeizorg van Novadic-Kentron en dat hij vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ambulante begeleiding heeft. De begeleider van verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de ambulante zorg stopt zodra verzoeker geen vast woonadres meer heeft. Daar komt bij dat verzoeker weliswaar sinds de sluiting van zijn woning bij zijn moeder heeft verbleven, maar dat dit geen houdbare situatie is, gelet op de door verzoeker ter zitting gegeven verklaring over de medische situatie van zijn moeder. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring. Gezien deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de woningsluiting in dit geval niet onevenwichtig is.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan. Het bestreden besluit is echter ten aanzien van de noodzaak en de evenwichtigheid onvoldoende gemotiveerd. Hieruit volgt dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de burgemeester verzoeker weer moet toelaten in zijn woning.\n\n12.1.. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt hij een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling met een waarde van € 934,- per proceshandeling. Omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen, leidt dit tot een totaal van € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;\n\n- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen\n\n beslissing op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van\n\n € 200,- dient te vergoeden;\n\n- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van\n\n € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage\n\nOpiumwet\n\nArtikel 13b, eerste lid\n\n1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:\n\na. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;\n\nb. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, artikel 10c, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.\n\nCocaïne en GHB staan in lijst I, hash in lijst II en 2-MMC in lijst IA van de Opiumwet.\n\nBeleidsregels handhaving op artikel 13b Opiumwet in de gemeente Zundert 2022\n\n3.3.\n\nDrugshandel in of vanuit woningen\n\nDe burgemeester verstaat in het kader van de bestuurlijke handhaving van de Opiumwet onder een woning: een pand dat (of ruimte die) in de aangetroffen staat op een normale wijze voor bewoning kan worden gebruikt en dat\u002Fdie daarvoor ook mag worden gebruikt (woongenot). Of een woning wordt gebruikt als woonruimte en er dan ook sprake is van het hebben van woongenot, blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse, zoals dat veelal wordt verwoord in het rapport van bevindingen van de politie. Wat betreft het sluiten van woningen moet rekening worden gehouden met artikel 8 van het EVRM.\n\nTekst artikel 8 EVRM:\n\n1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.\n\n2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale vrijheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\nUit artikel 8 EVRM volgt dat de toepassing van de bestuursdwang op basis van artikel 13b Opiumwet niet er toe mag leiden dat het recht op respect voor het privéleven, het familie- en gezinsleven en de woning onevenredig wordt aangetast. De in het algemeen belang nagestreefde doeleinden, voor zover die onder het bereik van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM vallen, moeten worden afgewogen tegen de belangen als bedoeld in het eerste lid. Deze taak is op de eerste plaats aan de burgemeester. Gelet op deze afweging is voor de drugshandel in of vanuit woningen een afzonderlijke handhavingmatrix vastgesteld waarin recht wordt gedaan aan hetgeen is bepaald aan artikel 8 van het EVRM. Zoals in de inleiding bij 3.1 is aangegeven wordt in onderstaande matrix onderscheid gemaakt naar hard- en softdrugs.\n\nHarddrugs\n\nBij overtreding artikel 2 Opiumwet jo artikel 13b Opiumwet lid 1 (handel in harddrugs) in of vanuit een woning of daarbij behorende erven wordt als volgt gehandeld:\n\n1e constatering\n\nSluiting voor een periode van 3 maanden\n\n2e constatering\n\nSluiting voor een periode van 6 maanden\n\n3e constatering\n\nSluiting voor onbepaalde tijd\n\nVan deze overtreding is in ieder geval (het betreft dus geen limitatieve opsomming) sprake in de volgende gevallen:\n\n-Verkoop van harddrugs door eigenaar\u002Fhuurder\u002Fbewoner;\n\n-Aanwezigheid van harddrugs in de woning in een handelshoeveelheid (> 0,5 gram harddrugs \u002F voor GHB > 5 ml).\n\nSoftdrugs\n\nBij overtreding artikel 3 Opiumwet jo artikel 13b Opiumwet lid 1 (handel in softdrugs) in of vanuit een woning of daarbij horende erven wordt als volgt gehandeld:\n\n1e constatering\n\nSluiting voor een periode van 3 maanden\n\n2e constatering\n\nSluiting voor 6 maanden\n\n3e constatering\n\nSluiting voor 12 maanden\n\nVan deze overtreding is in ieder geval sprake (het betreft dus geen limitatieve opsomming) in de volgende gevallen:\n\n• Verkoop van softdrugs door eigenaar\u002Fhuurder\u002Fbewoner;\n\n• Aanwezigheid van softdrugs in de woning in een handelshoeveelheid (> 5 gram softdrugs);\n\n• Aanwezigheid van een bedrijfsmatige hennepkwekerij (> 5 hennepplanten).\n\n(…)\n\n5. Afwijkingsbevoegdheid\n\nIn beginsel wordt er overeenkomstig de bovenstaande beleidsregel besloten waarbij de getrapte sanctionering in de matrixen is weergegeven. Er kunnen zich echter situaties voordoen die dermate ernstig zijn dat van de matrix afgeweken moet kunnen worden.\n\nOok indien niet dezelfde overtreding voor de tweede of derde keer is begaan, maar een overtreding uit een andere (matrix) categorie kan er aanleiding zijn van de matrix af te wijken. Van het in de matrix vervatte arrangement kan door de burgemeester dan ook gemotiveerd worden afgeweken. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat bij zeer ernstige overtredingen een stap wordt overgeslagen of voor een langere periode wordt gesloten.\n\n Artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).\n\nECLI:NL:RVS:2025:2922\n\n ECLI:NL:RVS:2022:285\n\nGemeenteblad 2022, nr. 286345.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5779","2026-07-13T00:28:56.840Z",1,20]