[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-income-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":146},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},35,"income-tax-nl","Income Tax","NL","2026-07-08T16:53:25.892Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},15,{"min":18,"max":19},"2022-06-29T00:00:00.000Z","2026-06-26T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123046","Algemene wet inzake rijksbelastingen","art. 55",1,[27,38,45,53,60,68,76,83,90,98,105,113,121,130,138],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1963","ECLI:NL:RBZWB:2026:5580","ecli-nl-rbzwb-2026-5580","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F476\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gesteld gemachtigde: [persoon] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 januari 2026. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2024 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.46.01.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gesteld gemachtigde geen machtiging heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nToetsingskader\n\n3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen.Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.\n\nIs een machtiging overgelegd?\n\n4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om dit beroep in te stellen namens belanghebbende. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 26 februari 2026 gesteld gemachtigde in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 28 februari 2026 om 14:00 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. Gesteld gemachtigde heeft geen machtiging ingediend.\n\nIs het niet tijdig indienen van een machtiging verontschuldigbaar?\n\n5. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van\n\nR.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5580","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:47.571Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":36,"updatedAt":44},"1965","ECLI:NL:RBZWB:2026:5643","ecli-nl-rbzwb-2026-5643","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F606\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. T.G.M. Scheers),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2024. Het beroep ziet op de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) over het jaar 2019 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.97.01 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente en revisierente.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nToetsingskader\n\n3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken.Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.\n\nEen beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.\n\n3.1.. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.\n\nIs het beroep te laat ingediend?\n\n4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 30 oktober 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 11 december 2024.\n\n4.1.. Belanghebbende heeft op 30 januari 2025 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.\n\nIs het te laat indienen verontschuldigbaar?4.2.. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende heeft een aanmaning ontvangen welke betrekking heeft op de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2019. Belanghebbende stelt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat hij na kennisneming van de aanmaning gelijk beroep heeft ingesteld bij de rechtbank.\n\n4.3.. De rechtbank constateert dat het beroep van belanghebbende ziet op de uitspraak op bezwaar en niet op de aanmaning. Belanghebbende had daarom beroep moeten instellen binnen zes weken na de uitspraak op bezwaar en niet pas actie moeten ondernemen na de aanmaning. Wat belanghebbende aanvoert leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de termijnoverschrijding niet aan belanghebbende is toe te rekenen. Het had op zijn weg gelegen op een eerder moment zijn beroep op de juiste manier kenbaar te maken. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Het te laat indienen is dus niet verontschuldigbaar.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5643","2026-07-13T00:29:47.652Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":49,"fullText":50,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":52},"1723","ECLI:NL:RBZWB:2026:5608","ecli-nl-rbzwb-2026-5608","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 21\u002F3677 tot en met 21\u002F3679\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 juni 2026 in de zaken tussen\n de erven van [maat 1] , belanghebbenden\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbenden tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 juli 2021.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan [maat 1] ( [maat 1] ) de volgende aanslagen opgelegd en daarbij de volgende beschikkingen vastgesteld:\n\neen navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) voor het jaar 2011 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.737, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 8.385 en in rekening gebrachte heffingsrente van € 3.531;\n\neen navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 261.259, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 44.654 en in rekening gebrachte belastingrente van € 16.467;\n\neen navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2013 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 173.493, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 40.541 en in rekening gebrachte belastingrente van € 11.952;\n\n1.2.. Bij uitspraken op bezwaar is de vergrijpboete die is opgelegd bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2013 verminderd tot € 39.346. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard. Aan [maat 1] is een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.\n\n1.3.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.\n\n1.5.. De inspecteur heeft een verzoek om geheimhouding van delen van stukken gedaan. De rechtbank heeft het verzoek gedeeltelijk toegewezen.De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft de inspecteur opgedragen ongeschoonde versies te overleggen van delen van bijlagen 3, 4 en 99 bij het verweerschrift. Bij brief van 18 maart 2025 heeft de inspecteur deze beslissing gevolgd.\n\n1.6.. De rechtbank heeft op 28 januari 2026 een brief ontvangen van mr. C.J. van der Have (voormalig gemachtigde) waarin hij aangeeft dat hij zich heeft teruggetrokken als gemachtigde.\n\n1.7.. Omdat de rechtbank niet over (al) de adresgegevens van belanghebbenden beschikte, is op 11 februari 2026 de oproep voor de zitting geplaatst in de Staatscourant.\n\n1.8.. Daarnaast is de oproep voor de zitting op 10 maart 2026 doorgezonden aan het enige bij de rechtbank bekende recente adres van (één van) belanghebbenden.\n\n1.9.. Bij brief van 23 maart 2026 heeft mr. A.W. Hooijen zich als gemachtigde gesteld.\n\n1.10.. Belanghebbenden hebben op 23 maart 2026 en op 30 maart 2026 verzocht om uitstel van de zitting. De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen en heeft daarbij gemotiveerd waarom de zitting niet wordt uitgesteld.\n\n1.11.. De rechtbank heeft de beroepen op 10 april 2026 op zitting behandeld. Als gemachtigde heeft deelgenomen mr. G.P. Polders. Namens de inspecteur zijn verschenen: mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .\n\n1.12.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft partijen de gelegenheid gegeven om met elkaar in overleg te treden.\n\n1.13.. De inspecteur heeft op 24 april 2026 aan de rechtbank laten weten dat geen overeenstemming is bereikt. Daarnaast geeft de inspecteur een nadere onderbouwing van een door hem ingenomen standpunt.\n\n1.14.. Op 1 mei 2026 heeft de inspecteur nog een aanvulling gegeven op het stuk van 24 april 2026.\n\n1.15.. Belanghebbenden hebben op 4 mei 2026 gereageerd op de stukken van de inspecteur van 24 april 2026 en van 1 mei 2026.\n\n1.16.. De rechtbank heeft op 11 mei 2026 het onderzoek ter zitting gesloten en een uitspraak aangekondigd binnen zes weken.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2011 tot en met 2013 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Daarbij komt eerst de vraag aan de orde of het verdedigingsbeginsel is geschonden. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Tenslotte gaat de rechtbank in op de vraag of de inspecteur de (hoogte van de) door hem doorgevoerde correcties in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2011 tot en met 2013 aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbenden.\n\n2.1.. Niet in geschil is dat de opgelegde vergrijpboetes dienen te worden vernietigd omdat [maat 1] is overleden. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.\n\n2.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is het verdedigingsbeginsel niet geschonden. De rechtbank is verder van oordeel dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 niet tijdig is opgelegd. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 zijn terecht en niet tot te hoge bedragen aan [maat 1] opgelegd. De vergrijpboetes worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. [maat 1] is overleden op [datum] 2021.\n\n3.1.. \n [maat 1] maakte in de jaren 2011 tot en met 2013 deel uit van de [maatschap] (de maatschap). De andere maat in de maatschap was [maat 2] ( [maat 2] ).\n\n3.2.. De maatschap exploiteerde het [motortankschip] (hierna ook: [motortankschip] ). Het schip heeft een lengte van 99,84 meter en een breedte van 9,5 meter. Het schip beschikt over een totaal laadvermogen van 1.893 m3. Daarnaast heeft het schip twee zogenoemde sloptanks met elk een laadvermogen van 30 m3.\n\n3.3.. De [motortankschip] vervoerde in de jaren 2011 tot en met 2013 bedrijfsmatig plantaardige oliën. [maat 1] was kapitein op het schip. [maat 2] hield de administratie van de maatschap bij.\n\n3.4.. \n [motortankschip] werd gedurende de jaren 2011 tot en met 2013 bevracht door [bevrachter] B.V. te [plaats] .\n\n3.5.. Na elk transport van olie ontstaat in een schip bedrijfsafval, ook wel slops genoemd. Deze slops worden verzameld in de sloptanks. In die slops zit een percentage vocht\u002Fvuil en een percentage olie.\n\n3.6.. De oliecomponent in de slops heeft een waarde. Of de slops als geheel een positieve of negatieve waarde vertegenwoordigen, is afhankelijk van het vocht\u002Fvuilpercentage: des te hoger dat percentage, des te eerder zullen de kosten van het scheiden van de olie van het vocht\u002Fvuil niet opwegen tegen de opbrengst van de olie.\n\n3.7.. Op 5 december 2011 heeft een afvalstoffencontrole plaatsgevonden door de Dienst Waterpolitie aan boord van een motortankschip dat plantaardige olie vervoerde. Dit was de aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek dat zich richtte op de opsporing van vermoedelijk strafbare feiten die werden gepleegd bij het ontvangen, vervoeren en afgeven van plantaardige oliën en vetten middels binnenvaartschepen en daarmee gepaard gaande (al dan niet gefingeerde) afvalstromen. Dit strafrechtelijk onderzoek heeft uiteindelijk de naam Flip gekregen (hierna: het strafrechtelijk onderzoek).\n\n3.8.. Tot de stukken van het strafrechtelijk onderzoek behoort het zogeheten Basis Proces-Verbaal Flip (Basis PV). Dit proces-verbaal bevat een beschrijving van het gehele strafrechtelijke onderzoek, waarin ook verklaringen zijn opgenomen van verdachten en andere betrokken personen.\n\n3.9.. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is het vermoeden ontstaan dat door ongeveer vijftig schippers gedurende langere tijd, maar in ieder geval in de jaren 2011, 2012 en 2013 van verschillende Nederlandse motortankschepen partijen plantaardige olie vanuit de lading zijn verduisterd. Deze partijen plantaardige olie werden als slops aangeboden aan vethandel [vethandel] B.V. ( [vethandel] ) die deze slops met tankwagens naar [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ) vervoerde.\n\n3.10.. In het strafrechtelijk onderzoek is de volgende werkwijze beschreven. Wanneer de olie door [vethandel] bij het schip werd opgehaald werden door [vethandel] en de schipper zogeheten s-formulieren en begeleidingsbrieven ingevuld. Hierop werd onder meer de datum van de ontdoening ingevuld en in de meeste gevallen ook de geschatte totale hoeveelheid van de slop en het geschatte percentage vocht\u002Fvuil. De schipper kreeg een doorslag van deze formulieren. Bij aflevering van de slops door [vethandel] aan [bedrijf] werden door [bedrijf] gegevens op de begeleidingsbrieven en s-formulieren afgedrukt. Dit betrof een zogenoemde weegbrugstempel. Op de weegbrugstempel stonden onder meer de datum, het volgnummer van de weegbon en het tarra en netto gewicht van de slops, dat werd bepaald aan de hand van de weegbrug. [vethandel] overhandigde een (doorslag) van deze begeleidingsbrieven en s-formulieren – in de meeste gevallen voorzien van het exacte vocht\u002Fvuil percentage – aan de schipper. Van de betalingen door [vethandel] aan de schippers werden door [vethandel] inkoopfacturen opgemaakt op naam van het betreffende schip.\n\n3.11.. In het strafrechtelijk onderzoek zijn onder andere [vethandel] en [maat 1] als verdachte aangemerkt. [maat 1] is tot aan zijn overlijden verdachte geweest in het strafrechtelijk onderzoek.\n\n3.12.. De Belastingdienst heeft op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de informatie die volgt uit het strafrechtelijk onderzoek ontvangen. Daaropvolgend heeft de Belastingdienst de inbeslaggenomen administratie van [vethandel] ingezien. Ook heeft de Belastingdienst op 30 november 2017 een boekenonderzoek bij [vethandel] uitgevoerd en op 13 maart 2018 heeft er een bespreking tussen de Belastingdienst en [vethandel] plaatsgevonden.\n\n3.13.. Van de bespreking op 13 maart 2018 is een gespreksverslag opgemaakt wat behoort tot de gedingstukken.\n\n3.14.. Op grond van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek en het fiscale onderzoek heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat de financiële administratie van [vethandel] op het punt van de van de schippers ingekochte slops sluitend is. Dat wil zeggen dat de bedragen op alle inkoopfacturen als zodanig zijn verantwoord in het grootboek, dat in het kasboek de betreffende betalingen per kas zijn geregistreerd en dat in het bankboek de bijbehorende kasopnames (op totaalniveau) zijn terug te vinden.\n\n3.15.. In de administratie van [vethandel] zijn genummerde inkoopfacturen aangetroffen op naam van de maatschap ter zake van ingekochte slops door [vethandel] (de inkoopfacturen). Daarnaast zijn er ook s-formulieren en begeleidingsbrieven met betrekking tot [motortankschip] aangetroffen, voorzien van weegbrugstempels.\n\n3.16.. Verder zijn er in de administratie van [vethandel] een maandkalender van 2011 en twee weekkalenders van het jaar 2013 aangetroffen. Op de kalenders staan namen genoteerd van in het strafrechtelijk onderzoek betrokken motortankschepen met daarachter een getal.\n\n3.17.. In de administratie van [vethandel] bevindt zich ten slotte nog een aantal (klad)kasboeken. In de kasboeken werd door [vethandel] bijgehouden op welke data er bankbiljetten werden besteld bij de bank. In de kasboeken werden daarbij door [vethandel] de betreffende inkoopfactuurnummers genoteerd.\n\n3.18.. In de jaarstukken van de maatschap zijn in de jaren 2011 tot en met 2013 geen opbrengsten van slops verantwoord.\n\n3.19.. Op basis van de bevindingen tijdens het strafrechtelijk onderzoek en de in beslag genomen administratie van [vethandel] is door de Politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant, Team opsporing Milieu een Excel-spreadsheet opgesteld. In deze spreadsheet zijn de bevindingen samengevat over de goederenstromen en de geldstromen met betrekking tot de afgifte van de betreffende slops. In de Excel-spreadsheet is per inkoopfactuur een overzicht gemaakt van de datum en de afgegeven hoeveelheid slops, de prijs per kilogram, het contant door [vethandel] betaalde bedrag en het nummer van de betreffende begeleidingsbrief. Ook zijn er gegevens uit de administratie van [bedrijf] in opgenomen zoals onder andere het weegbonnummer, de datum van weging, het aantal kilogram olie en het vocht\u002Fvuil percentage.\n\n3.20.. \n [maat 1] heeft voor het jaar 2011 aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen van € 78.661. Voor het jaar 2012 heeft [maat 1] een aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.514. De aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2011 en 2012 zijn conform de aangiften opgelegd.\n\n3.21.. Voor het jaar 2013 is [maat 1] uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV. Hij heeft geen aangifte ingediend. De inspecteur heeft een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.000.\n\n3.22.. Per brief van 14 september 2017 heeft de inspecteur aan [maat 1] medegedeeld dat hij zich op basis van de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek op het standpunt stelt dat [maat 1] in de jaren 2011 tot en met 2013 olie heeft geleverd aan [vethandel] waarvoor hij contante betalingen heeft ontvangen. De inspecteur heeft [maat 1] in de gelegenheid gesteld om aan te tonen hoe hij de veronderstelde ontvangen contante betalingen op inkoopfacturen van [vethandel] heeft verantwoord in zijn aangiften IB\u002FPVV.\n\n3.23.. Bij de brief van 14 september 2017 is een overzicht verstrekt van de gestelde contante betalingen, de afgegeven slops (aantal kilogram) en de betreffende factuurnummers op de inkoopfacturen van [vethandel] . De ontvangen contante betalingen bedragen volgens de inspecteur: voor het jaar 2011 € 36.650, voor het jaar 2012 € 233.105 en voor het jaar 2013 € 84.500.\n\n3.24.. \n [maat 1] heeft op 21 september 2017 op deze brief gereageerd. Hij geeft daarbij aan dat hij geen administratie heeft van de maatschap. De administratie is altijd gevoerd door [maat 2] . Volgens [maat 1] moet de inspecteur bij [maat 2] zijn voor de gevraagde informatie.\n\n3.25.. De inspecteur heeft [maat 2] ook gevraagd naar de inkomsten uit de slops. [maat 2] stelt zich op het standpunt dat de heer [maat 1] buiten het zicht van de maatschap ontvangsten heeft gehad uit de verkoop van de slops en dat hij dit niet aan de maatschap heeft medegedeeld.\n\n3.26.. Mevrouw [woordvoerster] heeft namens [maat 2] verklaard dat zij gedurende de jaren 2002 tot 2015 de administratie heeft gevoerd van de maatschap en dat er gedurende deze periode geen inkomsten uit verkopen van slops zijn ontvangen op de bankrekening van de maatschap.\n\n3.27.. Bij brief van 3 november 2017 heeft de inspecteur [maat 1] ervan op de hoogte gesteld dat hij navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en boetes voor de jaren 2011 tot en met 2013 gaat opleggen. Daarbij heeft de inspecteur de inkoopfacturen die ten grondslag liggen aan de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV overgelegd.\n\n3.28.. Met dagtekening 15 december 2017 is de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 aan [maat 1] opgelegd.\n\n3.29.. Met dagtekening 17 maart 2018 zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 aan [maat 1] opgelegd.\n\n3.30.. Het belastbaar inkomen uit werk en woning in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2011 tot en met 2013 bestaat uit de vermeende contant ontvangen bedragen (zie 3.23). Voor de jaren 2012 en 2013 heeft de inspecteur de bedragen verminderd met de omzetbelasting die over deze bedragen is berekend.Voor het jaar 2013 is bovendien bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB\u002FPVV nog rekening gehouden met een belastbaar resultaat uit de maatschap en een negatief inkomen uit eigen woning.\n\n3.31.. Op 3 februari 2020 heeft een inzage in het dossier van de inspecteur plaatsgevonden door de gemachtigde. Op 12 februari 2020 zijn aanvullend nog stukken aan de gemachtigde opgestuurd.\n\n3.32.. Bij uitspraken op bezwaar is de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2013 verminderd tot € 39.346 omdat deze niet op de juiste grondslag was berekend. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard.\n\nMotivering\n\nVerdedigingsbeginsel\n\n3.33.. Belanghebbenden hebben zich in de bezwaarfaseop het standpunt gesteld dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat geen inzage is gegeven in het (boete)dossier. In de beroepsfase hebben belanghebbenden verzocht om de standpunten uit bezwaar als herhaald en ingelast te beschouwen.\n\n3.34.. Naar het oordeel van de rechtbank is van een schending van het verdedigingsbeginsel – voor zover van toepassing – geen sprake. Er bestaat geen rechtsregel die de inspecteur verplicht om bij vragenbrieven (3.22 en 3.23) volledige inzage te geven in de stukken die hem ter beschikking staan. In de bezwaarfase is inzage gegeven in de op de zaak betrekking hebbende stukken.Daarbij is aan gemachtigde gelegenheid geboden om aan te geven als er volgens hem stukken missen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.\n\nTijdigheid navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2011\n\n3.35.. Op grond van artikel 16, derde lid van de AWR vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte kenbaar uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van het uitstel verlengd.\n\n3.36.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is omdat aan [maat 1] kenbaar 13 maanden uitstel is verleend op grond van de uitstelregeling belastingconsulenten (de Becon-regeling).\n\n3.37.. Belanghebbenden betwisten dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Volgens hen is aan [maat 1] geen kenbaar uitstel voor het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011 verleend.\n\n3.38.. \n\nDesgevraagd heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat zich in het dossier geen stukken bevinden die een verleend Becon-uitstel onderbouwen. In de stukken die de inspecteur na afloop van de zitting heeft ingediend (1.13 en 1.14) voert de inspecteur aan dat Becon-uitstel destijds standaard 13 maanden bedroeg. Volgens de inspecteur heeft de gemachtigde van [maat 1] in de bezwaarfase bovendien erkend dat Becon-uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011.\n\n De inspecteur heeft na afloop van de zitting informatie opgevraagd bij een collega met betrekking tot de vraag of aan [maat 1] Becon-uitstel is verleend. De betreffende collega heeft de inspecteur geantwoord dat volgens het door haar geraadpleegde systeem [maat 1] geen Becon-uitstel heeft gehad voor de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011. Ook geeft de collega aan dat gegevens over uitstel voor het indienen van de aangifte niet worden geschoond. De inspecteur heeft zijn standpunt over de tijdigheid van de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 niet bijgesteld naar aanleiding van de verkregen informatie van zijn collega.\n\n3.39.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Uit geen van de overgelegde bescheiden volgt dat daadwerkelijk Becon-uitstel voor de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011 kenbaar is verleend. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 met dagtekening 15 december 2017 is buiten de navorderingstermijn van 5 jaar opgelegd. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 en daarbij opgelegde vergrijpboete en heffingsrentebeschikking daarom vernietigen. Gelet hierop behoeft de stelling van belanghebbenden over de plichten van de inspecteur in het licht van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) geen verdere behandeling, aangezien daar op dit punt geen belang meer bij is.\n\nCorrecties in verband met contante betalingen aan [maat 1] door [vethandel]\n\n3.40.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat [maat 1] contante betalingen van [vethandel] heeft ontvangen voor verkochte slops, die hij niet heeft opgenomen in zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013. Ter onderbouwing verwijst de inspecteur onder meer naar de gegevens uit de administratie van [vethandel] , de verklaringen van de heer [vethandel] en de vastleggingen in het basis PV van het strafrechtelijk onderzoek.\n\n3.41.. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat [maat 1] de contante betalingen van [vethandel] nooit heeft ontvangen. Belanghebbenden stellen dat de administratie van [vethandel] geen overtuigend bewijs bevat, omdat [vethandel] heeft geprobeerd om zijn eigen straat schoon te vegen. Belanghebbenden stellen dat ook moet worden gekeken naar de betrokkenheid van [maat 2] .\n\n3.42.. De bewijslast dat [maat 1] in de jaren 2012 en 2013 meer inkomen heeft genoten dan hij in zijn aangiften IB\u002FPVV voor die jaren heeft aangegeven rust op de inspecteur.\n\n3.43.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat [maat 1] de gestelde contante betalingen heeft ontvangen. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.\n\n De inspecteur heeft gegevens uit de administratie van [vethandel] overgelegd. Daaronder bevinden zich de inkoopfacturen. De inspecteur heeft alle inkoopfacturen die ten grondslag liggen aan de correcties in de navorderingsaanslagen overgelegd. De inspecteur heeft voor een aantal inkoopfacturen in het verweerschrift uitgewerkt hoe de inkoopfacturen zich verhouden tot de begeleidingsbrieven en weegbrugstempels. De gegevens in de inkoopfacturen sluiten aan met de gegevens van de bijbehorende begeleidingsbrieven en weegbrugstempels. Het gewicht dat op de inkoopfacturen staat vermeld, komt bijvoorbeeld overeen met de gegevens op de weegbon van [bedrijf] . Dat geldt ook voor het daarop vermelde vuil\u002Fvochtpercentage. De bescheiden uit de administratie van [vethandel] bevestigen dat de werkwijze zoals omschreven in overweging 3.10 ook in geval van [maat 1] heeft plaatsgevonden. In de Excel-spreadsheet (3.19) zijn voor alle inkoopfacturen de gegevens van de begeleidingsbrieven en de weegbrugstempels aan de inkoopfacturen gekoppeld.\n\n Ook de door de inspecteur overgelegde week- en maandkalenders en (klad)kasboeken onderbouwen de door de inspecteur gestelde facturenstroom. De inspecteur heeft voorbeelden aangedragen waarbij inkoopfacturen ten aanzien van [maat 1] te herleiden zijn naar vermeldingen van contante bedragen op de kalenders.\n\n Ten slotte acht de rechtbank van belang dat door de maatschap in de jaren 2012 en 2013 in het geheel geen ontvangsten voor de slops zijn verantwoord in de jaarrekeningen en dat degene die de administratie voerde ook heeft verklaard dat door de maatschap geen inkomsten van de verkoop van slops zijn verantwoord. Belanghebbenden hebben de ontvangst van de contante betalingen betwist, maar niet de leveringen van slops als zodanig. Uit de door de inspecteur overgelegde stukken blijkt dat de slops een behoorlijke waarde vertegenwoordigen.\n\nDe rechtbank acht gelet op al het voorgaande aannemelijk dat [maat 1] de contante betalingen voor de leveringen van de slops heeft ontvangen. De door belanghebbenden ingenomen stellingen zijn niet onderbouwd door bewijs en brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. De na de zitting ingenomen stelling van belanghebbenden over de schending van artikel 21 van het Rv. kan ook niet leiden tot een vernietiging van de aanslagen zoals belanghebbenden bepleiten. Nog daargelaten of artikel 21 van het Rv. toepasbaar is in dit geval, ziet de niet-verstrekte informatie niet op de jaren 2012 en 2013. De stelling treft dus geen doel.\n\n3.44.. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift gesteld dat de omkering van de bewijslast moet worden toegepast. De rechtbank ziet voor de toepassing van de omkering van de bewijslast geen aanleiding. De inspecteur heeft met toepassing van de reguliere bewijslast zijn correcties al aannemelijk gemaakt. Verder gaat het hier niet om een geval waarin de omvang van de correctie onduidelijk is. De inspecteur heeft de omvang van de correctie aannemelijk gemaakt op basis van de hem ter beschikking staande inkoopfacturen.\n\n3.45.. De rechtbank concludeert dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 en 2013 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd.\n\nVergrijpboeten\n\n3.46.. Partijen zijn het erover eens dat de aan [maat 1] opgelegde vergrijpboeten dienen te worden vernietigd. De rechtbank beslist overeenkomstig. De rechtbank volstaat verder met de constatering dat de redelijke behandeltermijn voor de boetezaken is overschreden.\n\nBelastingrente\n\n3.47.. Belanghebbenden hebben geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Het bedrag van de belastingrente volgt het bedrag van de aanslagen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente en vernietigt die aanslag en beschikkingen.\n\n4.1.. De beroepen tegen de vergrijpboetes voor de jaren 2012 en 2013 zijn ook gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes en vernietigt die vergrijpboetes.4.2.. De resterende beroepen zijn ongegrond. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 en bijbehorende belastingrentebeschikkingen blijven in stand.\n\n4.3.. Omdat de in 4 en 4.1 genoemde beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbenden vergoeden en krijgen belanghebbenden ook een vergoeding van hun proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.\n\n4.4.. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen belanghebbenden een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 en in beroep van € 934. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhang tussen de zaken. De zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde van belanghebbenden konden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek zijn. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en deelgenomen aan de zitting (1 punt). De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 1. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868. De rechtbank kent geen kostenvergoeding toe voor de bezwaarfase, omdat bij uitspraak op bezwaar reeds een kostenvergoeding is toegekend die niet in geschil is.\n\n4.5.. Belanghebbenden hebben zich in het schrijven van 4 mei 2026 op het standpunt gesteld dat er aanleiding bestaat voor een hogere proceskostenvergoeding. De inspecteur heeft in het stuk van 1 mei 2026 namelijk een andere voorstelling van de feiten gegeven dan in het stuk van 24 april 2026. Dit heeft gemachtigde onnodig extra werk opgeleverd.\n\n4.6.. De rechtbank ziet voor een hogere proceskostenvergoeding geen aanleiding. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de nieuwe informatie die de inspecteur in het stuk van 1 mei 2026 heeft gedeeld voor de gemachtigde tot veel extra werk heeft geleid.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 en de daarbij opgelegde vergrijpboete en beschikking heffingsrente gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente;\n\n- vernietigt de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente; - verklaart de beroepen tegen de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes;\n\n- vernietigt de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes;\n\n- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbenden moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbenden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. drs. P.E.C. Vossenberg en mr. M.A.M. van Meer, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier.\n\nDe griffier is verhinderd\n\ndeze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nWegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak getekend door de jongste rechter.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nAan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.Informatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 februari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1075.\n\n Staatscourant 11 februari 2026, nr. 6572.\n\n Voor het jaar 2011 is de omzetbelasting niet in mindering gebracht op de vermeende contant ontvangen bedragen, omdat de inspecteur de omzetbelasting voor dat jaar niet meer kon naheffen.\n\n Aanvullend bezwaarschrift van 27 februari 2018.\n\n Conform artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5608","2026-07-13T00:29:35.870Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":49,"fullText":57,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":36,"updatedAt":59},"1105","ECLI:NL:RBZWB:2026:5513","ecli-nl-rbzwb-2026-5513","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 24\u002F4181\n\nBeslissing als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] (Italië), belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. L.H.E. Møller),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nHet verzoek\n\n1. De hoofdzaak heeft betrekking op de vraag of de inspecteur terecht een informatiebeschikking aan belanghebbende heeft uitgereikt.\n\n1.1.. De inspecteur heeft op 4 oktober 2024 een verweerschrift in de hoofdzaak ingediend. In dit verweerschrift heeft de inspecteur zowel een verzoek om geheimhouding als een verzoek om beperkte kennisneming ingediend, als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. De inspecteur heeft vervolgens bij afzonderlijke brief met dagtekening 4 oktober 2024 de verzoeken gemotiveerd en twee gesloten enveloppen overgelegd met daarin de stukken die volgens de inspecteur geheel – dan wel deels – geheimgehouden moeten worden.\n\n1.2.. Het verzoek om beperkte kennisneming ziet op bijlagen 21, 33 en 34a bij het verweerschrift.\n\n1.3.. Voor wat betreft de redenen voor zijn verzoek om beperkte kennisneming heeft de inspecteur verwezen naar bijlage 21 van het verweerschrift. De redenen genoemd in bijlage 21 van het verweerschrift zijn – in de kern – als volgt te omschrijven:\n\n- Reden A: het belang van privacy van individuele ambtenaren;\n\n- Reden B: het belang van privacy van derden;\n\n- Reden C: het belang van de Belastingdienst bij een effectieve controle en controlestrategie (C1), waaronder begrepen een effectieve en efficiënte interne werkwijze (C2) en het voorkomen van calculerend en\u002Fof anticiperend gedrag van belastingplichtigen (C3);\n\n- Reden D: persoonlijke opvattingen\u002Fvrije meningsvorming.\n\n1.4.. In de geschoonde stukken die ten behoeve van het verzoek om beperkte kennisneming aan de geheimhoudingskamer zijn overgelegd, is steeds per zwartgelakte passage aangegeven om welke reden als genoemd in 1.3 de desbetreffende passage is zwartgelakt.\n\n1.5.. Het verzoek om volledige geheimhouding ziet op bijlage 35 van het verweerschrift en bestaat volgens de inspecteur uit stukken die afkomstig zijn uit een dossier van een derde. De inspecteur geeft als redenen voor het verzoek om geheimhouding enerzijds het belang van de Belastingdienst bij effectieve controle en controlestrategie en het voorkomen van calculerend en\u002Fof anticiperend gedrag van belastingplichtige en anderzijds de bescherming van de gegevens van derden. Deze redenen komen overeen met de in 1.3 vermelde redenen B en C. De inspecteur heeft geen geschoonde versie van bijlage 35 overgelegd omdat hij zich met betrekking tot het gehele document beroept op geheimhouding.\n\n1.6.. De rechtbank heeft de brief met het verzoek om beperkte kennisneming\u002Fgeheimhouding met als dagtekening 4 oktober 2024 aan de gemachtigde van belanghebbende verstrekt. De geschoonde stukken die zien op het verzoek om beperkte kennisneming (zie 1.3), zijn als bijlagen bij het verweerschrift aan gemachtigde verstrekt. In de versie die aan belanghebbende is overgelegd is – in tegenstelling tot de versie die aan de geheimhoudingskamer is overgelegd (zie 1.4) – niet inzichtelijk gemaakt om welke reden een bepaalde passage is zwartgelakt.\n\n1.7.. De gemachtigde heeft, bij brief van 1 november 2024, gereageerd op de verzoeken van de inspecteur. Belanghebbende verzet zich tegen beperkte kennisname door de hoofdkamer. Belanghebbende verzet zich niet tegen het weglakken van de namen van individuele ambtenaren (reden A). Voor het overige gaat belanghebbende niet akkoord met het verzoek om beperkte kennisneming dan wel geheimhouding.\n\nGeen zitting\n\n2. De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen.De geheimhoudingskamer heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de gemachtigde niet heeft verzocht om een zitting, nadat de rechtbank hem de mogelijkheid had geboden om te melden of hij prijs stelt op een zitting.\n\nKader voor de beoordeling van artikel 8:29 van de Awb\n\n3. De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb brengt niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).\n\n3.1.. Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om geheimhouding en het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming is als volgt:\n\nGeheimhouding: (delen van de) stukken mogen door een partij worden onthouden aan de rechter die de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding).\n\nBeperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).\n\n3.2.. In artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is bepaald dat variant b. alleen is toegestaan met toestemming van de belanghebbende. Belanghebbende heeft geen toestemming gegeven voor beperkte kennisneming. De geheimhoudingskamer neemt, mede uit het oogpunt van een doelmatige procesgang, aan dat de inspecteur voor het geval belanghebbende zich niet in het verzoek tot beperkte kennisneming kan vinden – hetgeen het geval is – alsdan verzoekt om toepassing van variant a, geheimhouding.\n\n3.3.. Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbenden bij onbeperkte kennisneming van (delen) van die stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.\n\nVooraf\n\n4. Belanghebbende heeft in zijn reactie op de verzoeken van de inspecteur om geheimhouding dan wel beperkte kennisneming aangegeven dat in de door hem ontvangen geschoonde versies van de gedeeltelijk geheimgehouden stukken niet inzichtelijk is gemaakt welke passage om welke reden is zwartgelakt. De geheimhoudingskamer overweegt dat er geen verplichting bestaat voor de inspecteur om bij een geheimhoudingsverzoek (of verzoek tot beperkte kennisneming) per zwartgelakte passage richting een belanghebbende inzichtelijk te maken om welke reden hij deze heeft zwartgelakt. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is het voldoende dat belanghebbende weet welke redenen de inspecteur heeft voor geheimhouding en dat de geheimhoudingskamer per passage kan beoordelen of de betreffende reden voldoende is voor geheimhouding van die passage.\n\n4.1.. Verder heeft belanghebbende zich in de reactie op de verzoeken van de inspecteur om beperkte kennisneming\u002Fgeheimhouding op het standpunt gesteld dat de geschoonde versie van bijlage 34a van het verweerschrift in de aan hem verstrekte stukken ontbreekt. De geheimhoudingskamer heeft op grond van de aan haar verstrekte geschoonde stukken vastgesteld dat met bijlage 34a het document wordt bedoeld met als titel ‘Pandora paper evaluatieformulier’. In tegenstelling tot de versie die belanghebbende heeft verkregen is op het document dat aan de geheimhoudingskamer is verstrekt, de tekst geschreven ‘bijlage 34A’. De geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat dit (geschoonde) document in het digitale dossier van de hoofdzaak is opgenomen onder bijlage 34 van het verweerschrift. De geheimhoudingskamer gaat er daarom van uit dat met bijlage 34a wordt bedoeld het eerste deel van bijlage 34, namelijk de vijf pagina’s voorafgaand aan het document met de titel ‘Memo Checklist dossiervorming [belanghebbende] ’.Belanghebbende heeft dus wel toegang tot het geschoonde document van bijlage 34a.\n\n4.2.. Voor wat betreft de overige gronden die belanghebbende met betrekking tot de vormgeving van het verzoek tot geheimhouding\u002Fbeperkte kennisneming heeft aangevoerd, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat deze gronden niet slagen. Het verzoek van de inspecteur voldoet namelijk aan de daaraan gestelde voorschriftenen het is voor de geheimhoudingskamer – die op het geheimhoudingsverzoek dient te beslissen – voldoende duidelijk welke passage of welk stuk om welke reden volgens de inspecteur geheimgehouden dient te worden. Met betrekking tot de opmerkingen van belanghebbende betreffende bijlage 16A van het verweerschrift merkt de geheimhoudingskamer op dat het geheimhoudingsverzoek van de inspecteur hier niet op ziet, zodat de geheimhoudingskamer hierover ook geen oordeel kan geven.\n\nArtikel 8:42 van de Awb en het geheimhoudingsverzoek\n\n5. De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de beoordeling of een stuk is aan te merken als een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 van de Awb en door de inspecteur moet worden overgelegd in beginsel toebehoort aan de hoofdkamer.\n\n5.1.. De beoordeling of de inhoud van een bepaald stuk voor de besluitvorming in de zaak van belang is (geweest), kan echter in beginsel niet geschieden zonder kennisneming van die inhoud.Gelet op het verzoek tot geheimhouding van de volledige bijlage 35 van het verweerschrift, ziet de geheimhoudingskamer zich voor de vraag geplaatst of dit stuk als een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42, lid 1 van de Awb kan worden aangemerkt. Indien het verzoek om geheimhouding van de volledige bijlage 35 wordt toegewezen, krijgt de hoofdkamer dit stuk namelijk in zijn geheel niet te zien.\n\n5.2.. De geheimhoudingskamer acht, gelet op de inhoud van bijlage 35 het aannemelijk dat de inspecteur heeft beschikt over deze stukken ten tijden van het opmaken en opleggen van de informatiebeschikking, dan wel in de periode die heeft geleid tot het doen van uitspraak op bezwaar. De geheimhoudingskamer merkt bijlage 35 van het verweerschrift daarom aan als een op de zaak betrekking hebbend stuk.\n\nBeoordeling van de verzoeken om geheimhouding\n\n6. De geheimhoudingskamer heeft kennisgenomen van de geheimgehouden stukken en van de stukken van de hoofdzaak. De geheimgehouden stukken zijn vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbenden bij onbeperkte kennisneming tegenover de afweging van de inspecteur om (delen van) de stukken geheim te houden.\n\nReden A: namen van individuele belastingambtenaren\n\n6.1.. Ten aanzien van de geheimhouding van de namen van individuele ambtenaren heeft belanghebbende aangegeven dat hij zich niet verzet tegen het weglakken van deze namen. De geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat de zwartgelakte passages die zijn aangeduid met een A of met een NN-nummer inderdaad de persoonsgegevens van belastingambtenaren bevatten. De geheimhoudingskamer zal het verzoek om geheimhouding op grond van reden A (zie 1.1) toewijzen.\n\nReden B: het belang van privacy van derden\n\n6.2.. Op verschillende pagina’s van de geschoonde stukken zijn (persoons)gegevens van derden, waaronder namen van natuurlijke personen en rechtspersonen en adressen om redenen van privacy zwartgelakt. De geheimhoudingskamer overweegt dat het belang bij bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze gegevens. De omstandigheid dat andere namen van derden wel zichtbaar zijn in het dossier, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De kenbaarheid van deze gegevens is ook niet direct van belang voor de beslissing in de hoofdzaak. De geheimhoudingskamer is dan ook van oordeel dat voor deze passages sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb rechtvaardigen.\n\nRedenen C1, C2 en C3: controle(strategie), interne werkwijze en calculerend gedrag\n\n6.3.. Voor zowel de geheimhouding van de zwartgelakte passages als de geheimhouding van bijlage 35 van het verweerschrift motiveert de inspecteur zijn verzoek tot geheimhouding met de redenen het belang van een effectieve controle en controlestrategie (C1) een effectieve en efficiënte interne werkwijze (C2) en het voorkomen van calculerend en anticiperend gedrag van belastingplichtigen (C3). De geheimhoudingskamer zal deze redenen tot geheimhouding gezamenlijk behandelen omdat deze door de inspecteur in zijn verzoek ook gezamenlijk worden aangedragen als motivering van de geheimhouding van een bepaalde passage of bijlage.\n\n6.4.. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat – in het licht van de informatiebeschikking die in geschil is in de hoofdprocedure – het van belang is de betreffende (delen van) stukken geheim te houden om zo calculerend of anticiperend gedrag bij belanghebbende te voorkomen. Het delen van de betreffende stukken staat namelijk op gespannen voet met de informatiebeschikking, omdat het doel van de informatiebeschikking nu juist is het verkrijgen van informatie van belanghebbende.\n\n6.5.. De geheimhoudingskamer volgt de opvatting van Hof ’s-Hertogenboschdat in het kader van een procedure over de informatiebeschikking, het belang van de inspecteur bij geheimhouding anders moet worden gewogen dan wanneer, na het onherroepelijk worden van de informatiebeschikking, belastingaanslagen worden opgelegd. Bij de uitspraak op bezwaar tegen de belastingaanslag zal de inspecteur belanghebbende in beginsel volledig op de hoogte moeten brengen van de informatie die hem bij zijn besluitvorming ter beschikking heeft gestaan. In de context van de informatiebeschikking is de geheimhoudingskamer in algemene zin van oordeel, dat bij de afweging van belangen meer gewicht dient te worden toegekend aan het belang van de inspecteur om belanghebbende niet bekend te maken met de informatie waarover de inspecteur beschikt. Immers kan dit het gevolg hebben dat belanghebbende de door hem te verstrekken informatie daarop afstemt en wordt het bovenvermelde doel van de informatiebeschikking in dat opzicht tenietgedaan.\n\n6.6.. Bijlage 35 van het verweerschrift bestaat volgens de inspecteur uit stukken die afkomstig zijn uit een dossier van een derde. De geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat de laatste pagina van deze bijlage een stuk uit het jaar 2016 betreft, dat is verzonden aan belanghebbende. Het betreft derhalve informatie die aan belanghebbende bekend is gemaakt. Niet valt in te zien wat dan het zwaarwegende belang van geheimhouding is. Bovendien zijn de door de inspecteur genoemde redenen voor geheimhouding van bijlage 35 (zie 6.3) naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet op de laatste pagina van bijlage 35 van toepassing. Gelet op het voorgaande wijst de geheimhoudingskamer het verzoek om geheimhouding voor wat betreft de laatste pagina van bijlage 35 af.\n\n6.7.. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat voor zowel het resterende gedeelte van bijlage 35 als de passages die zijn zwartgelakt geldt dat het belang van geheimhouding door de inspecteur zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij volledige kennisneming. De stelling van belanghebbende dat zijn belang bij kennisneming van de geheimgehouden (delen van) stukken zwaarder weegt dan het belang van de inspecteur bij geheimhouding in het geval zich daarin aanwijzingen bevinden voor belanghebbende om er achter te komen waar hij de in de informatiebeschikking opgevraagde stukken kan krijgen, slaagt niet. Voorwerp van geschil in de hoofdzaak is het verstrekken van informatie door belanghebbende. De stelling van belanghebbende hangt samen met de in de hoofdzaak te beantwoorden vraag of belanghebbende kan beschikken over de in de informatiebeschikking opgevraagde stukken. Indien belanghebbende weet over welke informatie de inspecteur beschikt bestaat het risico van calculerend gedrag van belanghebbende. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer zijn de door de inspecteur genoemde redenen C1, C2 en C3 gewichtige redenen die geheimhouding van de betreffende (delen) van stukken rechtvaardigen.\n\nReden D: persoonlijke opvattingen\u002Fvrije meningsvorming\n\n6.8.. De in 1.3. opgenomen ‘Reden D’ is door de inspecteur in het geheel niet vermeld bij de door hem zwartgelakte passages. De geheimhoudingskamer hoeft deze reden daarom niet te beoordelen.\n\nBeslissing\n\nDe geheimhoudingskamer:\n\nwijst het verzoek om geheimhouding af voor zover het betreft de laatste pagina van bijlage 35 van het verweerschrift;\n\nwijst het verzoek om geheimhouding voor het overige toe;\n\nverzoekt de inspecteur om binnen vier weken na verzending van deze beslissing aan de rechtbank te berichten of hij bereid is het gedeelte van het stuk ten aanzien waarvan het verzoek om geheimhouding is afgewezen in het geding te brengen en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van vier weken na verzending van deze beslissing.\n\nDeze beslissing is genomen door mr. J.A. den Braber-Riemens rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier, op 22 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe griffier is verhinderd deze beslissing mede te ondertekenen.\n\nDe beslissing is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze beslissing aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593.\n\n De geheimhoudingskamer merkt daarbij op dat de geheel blanco pagina’s in bijlage 34a moeten zijn ontstaan door het dubbelzijdig kopiëren van enkelzijdige stukken. De blanco pagina’s betreffen dus geen geheimgehouden tekst.\n\n Paragraaf 2.8 procesreglement bestuursrecht rechtbanken.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2017 r.o.3.11.2., ECLI:NL:GHSHE:2017:3630 en HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3632, r.o. 3.18.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5513","2026-07-13T00:29:04.267Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":49,"fullText":64,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":36,"updatedAt":67},"1495","ECLI:NL:RBZWB:2026:5556","ecli-nl-rbzwb-2026-5556","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 22\u002F2350, 22\u002F2351, 23\u002F1243 en 23\u002F1244\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 juni 2026 in de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 24 maart 2022 en 7 februari 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de volgende jaren naar de volgende inkomens (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en naar de volgende premie-inkomens (navorderings)aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, de volgende boeten opgelegd (de boetebeschikkingen) en tot de volgende bedragen belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen):\n\n Navorderingsaanslag 2017\n\nAanslag 2018\n\nIB\u002FPVV inkomen uit werk en woning\n\n€ 735.681\n\n€ 1.357.971\n\nIB\u002FPVV inkomen uit sparen en beleggen\n\n€ 35.637\n\n€ 7.019\n\nVergrijpboete\n\n€ 188.446\n\n€ 354.590\n\nVerzuimboete\n\n-\n\n€ 369\n\nBelastingrente\n\n€ 62.489\n\n€ 64.926\n\nZvw premie-inkomen\n\n€ 53.701\n\n€ 53.750\n\nVergrijpboete\n\n€ 1.449\n\n€ 1.548\n\nBelastingrente\n\n€ 476\n\n€ 282\n\n1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard, behalve voor zover het de verzuimboetebeschikking IB\u002FPVV 2018 betreft, welke hij heeft vernietigd.\n\n1.3.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Partijen zijn uitgenodigd om op 17 januari 2025 op zitting te verschijnen. Deze zitting is wegens organisatorische redenen niet doorgegaan. Belanghebbende heeft de rechtbank vervolgens bericht dat de zaken zonder mondelinge behandeling ter zitting kunnen worden afgedaan. Daarop heeft de inspecteur de rechtbank laten weten dat een zitting ook wat hem betreft achterwege kan blijven. Omdat ook de rechtbank een zitting niet nodig vond, heeft zij het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting.Bij bericht van 11 mei 2026 heeft de rechtbank een schriftelijke uitspraak binnen zes weken aangekondigd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikkingen en de belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Ook beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. De rechtbank zal de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB\u002FPVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de boetebeschikkingen gegrond verklaren. Voor het overige zal de rechtbank de beroepen ongegrond verklaren. Verder heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is gehuwd geweest met [ex-echtgenote] (de ex-echtgenote).\n\n3.1.. In de Basisregistratie Personen (BRP) stond belanghebbende in de volgende perioden op de volgende adressen ingeschreven:\n\nvan 30 januari 2004 tot 16 maart 2015 en van 11 september 2015 tot 30 november 2015 op het adres [adres 1] te [plaats 1] (de woning);\n\nvan 20 maart 2017 tot 18 mei 2018 op het adres [adres 2] te [plaats 1] ;\n\nvanaf 18 mei 2018 op het adres [adres 3] te [plaats 2] (Curaçao).\n\nDe ex-echtgenote staat sinds 30 januari 2004 in de BRP ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 1] (de woning).\n\n3.2.. Belanghebbende is uitgenodigd voor het doen van aangifte IB\u002FPVV over de jaren 2017 en 2018. Voor 2018 betrof het een M-aangifte, omdat hij in dat jaar is uitgeschreven in Nederland. Belanghebbende heeft in de aangiften de volgende inkomsten aangegeven:\n\n2017\n\n2018\n\nLoon\n\n-\n\n€ 864\n\nInkomsten uit eigen woning\n\n-\u002F- € 20.009\n\n-\n\nGrondslag sparen en beleggen binnenlandse periode\n\n€ 802.877\n\n€ 186.000\n\nGrondslag sparen en beleggen buitenlandse periode\n\n-\n\n€ 52.523\n\n3.3.. In zijn aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2017 en 2019 heeft belanghebbende de woning als eigen woning aangegeven.\n\n3.4.. In het jaar 2018 beschikte belanghebbende over zes bankrekeningen en een beleggingsrekening in Nederland.\n\n3.5.. In 2018 had belanghebbende in Nederland een auto op zijn naam staan, voor welke auto hij de motorrijtuigenbelasting betaalde.\n\n3.6.. In de periode van 21 mei 2018 tot en met 31 december 2018 was belanghebbende twee keer op Curaçao. De verblijfsduur op Curaçao bedroeg 6 dagen tot maximaal 14 dagen.\n\n3.7.. Op 2 november 2018 is de woning doorzocht door de politie. Op dat moment waren belanghebbende en de ex-echtgenote in de woning aanwezig.\n\n3.8.. Tijdens de in 3.7 bedoelde doorzoeking is een mobiele telefoon aangetroffen. Met dat toestel werd onder andere een telefoonnummer op naam van belanghebbende gebruikt. Gezien de locaties van de aangestraalde telefoonmasten heeft de politie geconcludeerd dat de mobiele telefoon van belanghebbende zich het grootste deel van de periode van 29 mei 2018 tot en met 1 november 2018 in de woning bevond en wanneer belanghebbende op Curaçao was, de telefoon geen telefoonmasten in Nederland aanstraalde.\n\n3.9.. Met dagtekening 20 november 2018 en 10 maart 2021 heeft de inspecteur, op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Officier van Justitie verzocht om alle gegevens te verstrekken uit het strafrechtelijk onderzoek, genaamd 26Bothell, tegen onder meer belanghebbende en de ex-echtgenote.\n\n3.10.. De inspecteur heeft van de Officier van Justitie een afschrift ontvangen van het dossier 26Bothell.\n\n3.11.. Op 5 mei 2019 werden belanghebbende en [persoon 1] te [plaats 3] als verdachten gehoord door de politie vanwege het aantreffen van een gestolen\u002Fverduisterde personenauto in een garagebox aan de [adres 4] te [plaats 1] . Belanghebbende verklaarde dat hij al een tijdje niet met die auto reed omdat de sleutel bij de doorzoeking (zie 3.7) in beslag was genomen. [persoon 1] verklaarde daarbij dat hij de garagebox vanaf 28 februari 2018 aan belanghebbende verhuurde en dat belanghebbende in de woning woonde.\n\n3.12.. Volgens het Team Criminele Inlichtingen heeft een informant in oktober 2018 onder meer de informatie verstrekt dat belanghebbende in de woning verblijft als hij in Nederland is.\n\n3.13.. Uit gevorderde gegevens van diverse bouw- en installatiebedrijven heeft de politie afgeleid dat in de periode januari 2017 tot en met november 2018 grootschalige (verbouw)werkzaamheden hebben plaatsgevonden aan de woning. Belanghebbende heeft ter zake daarvan de volgende facturen contant betaald:\n\nBetreft\n\nBedrag\n\n(Factuur)datum\n\n [bedrijf 1]\n\n€ 8.000,00\n\n21-01-2017\n\nOrder [nummer 1] [bedrijf 2]\n\n€ 40.453,79\n\n26-01-2017\n\nFactuur [nummer 2] [bedrijf 3]\n\n€ 2.020,23\n\n10 -02-2017\n\nFactuur [nummer 3] [bedrijf 4]\n\n€ 3.056,05\n\n20-04-2017\n\nFactuur [nummer 4] [bedrijf 3]\n\n€ 6.655,00\n\n21-04-2017\n\nFactuur [nummer 5] [bedrijf 5]\n\n€ 2.580,12\n\n15-06-2017\n\nFactuur [nummer 6] [bedrijf 6]\n\n€ 33.471,07\n\n20-07-2017\n\nFactuur [nummer 7] [bedrijf 5]\n\n€ 4.250,75\n\n03-08-2017\n\nFactuur [nummer 8] [bedrijf 3]\n\n€ 2.100,00\n\n12-09-2017\n\nOvername inboedel [adres 3]\n\n€ 50.000,00\n\n17-01-2018\n\nOrder [nummer 9] [bedrijf 2]\n\n€ 10 .932,00\n\n28-02-2018\n\nOrder [nummer 10] [bedrijf 2]\n\n€ 56.000,00\n\n03-03-3018\n\nOrder [nummer 11] [bedrijf 2]\n\n€ 1.280,00\n\n03-03-2018\n\nFactuur [nummer 12] [bedrijf 7]\n\n€ 17.575,01\n\n23-04-2018\n\nFactuur [nummer 13] [bedrijf 7]\n\n€ 21.968,76\n\n25-04-2018\n\nFactuur [nummer 14] [bedrijf 5]\n\n€ 7.431,32\n\n02-05-2018\n\nFactuur [nummer 15] [bedrijf 8]\n\n€ 1.125,30\n\n07-09-2018\n\nFactuur [nummer 16] [bedrijf 9]\n\n€ 2.120,00\n\n13-09-2018\n\nFactuur [nummer 16] [bedrijf 9]\n\n€ 3.445,00\n\n25-09-2018\n\nFactuur [nummer 17] [bedrijf 10]\n\n€ 1.000,00\n\n02- 10 -2018\n\nFactuur [nummer 18] [bedrijf 8]\n\n€ 955,90\n\n08- 10 -2018\n\nFactuur [nummer 16] [bedrijf 9]\n\n€ 2.755,00\n\n01-11-2018\n\n [bedrijf 11]\n\n€ 75,00\n\nonbekend\n\nTotaal\n\n€ 279.250,30\n\n3.14.. \n\nTot de dossiers behoort onder meer een proces-verbaal van de Landelijke Eenheid Dienst Landelijke Recherche, Team FinEc-Fraude 2, van 12 oktober 2020, waarin onder meer staat:\n\n“Naar aanleiding van een proces-verbaal met restinformatie uit het onderzoek 26Staaldiep, (…) werd een voorbereidend en oriënterend onderzoek gestart. In een in 26Staaldiep opgenomen telefoongesprek (…) werd gesproken over [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende]. Zij zouden een Spaanse onderneming genaamd [onderneming] hebben en zouden een bestaande woning in [plaats 1] willen laten voorzien van, onder meer, kogelwerende deuren. (…) Verder zouden ze bulken van het geld.\n\n(…)\n\nZowel [belanghebbende] als [de zoon van belanghebbende] bleken gekend in de politiesystemen als verdachten van deelneming aan een criminele organisatie, overtreding Opiumwet en geweldsdelicten.\n\n(…)\n\nDoor de Financial Intelligence Unit (FIU) bleken 4 recente (2017-2018) transacties als verdachte transacties aangemerkt die betrekking hadden op [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende], (…) Hieruit bleek dat er via diverse vennootschappen in verschillende landen werd betaald alsook dat er sprake was van contante betaling en storting.\n\n(…)\n\n(…) Verder werd op 29 oktober 2018 door de TCI Zuid West Brabant informatie verstrekt inhoudende dat [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende] zich op grote schaal bezig houden met drugshandel en dat ze daar bakken met geld mee verdienen.\n\nBesloten werd tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek, genaamd 26Bothell, naar witwassen door [de zoon van belanghebbende] en [belanghebbende]. Zij werden er van verdacht geldbedragen wit te hebben gewassen en daaruit voordeel te hebben getrokken (…)\n\nOp 31 oktober 2018 werd van het Team Criminele Inlichtingen de navolgende informatie ontvangen: “Als [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende] in Nederland zijn, verblijven zij op de adressen [adres 2] en [adres 1] te [plaats 1] . Deze huizen zijn recentelijk voor een kapitaal verbouwd. (…)\n\nUit bij de Belastingdienst opgevraagde gegevens over het inkomen van [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende] en dat van hun partners bleek dat het niet aannemelijk was dat de verbouwingen met geld uit een legale inkomstenbron (…) was gefinancierd.\n\n(…)\n\nIn het kader van het strafrechtelijk onderzoek werden gegevens opgevraagd bij de Belastingdienst, banken, een autohandelaar, bouwondernemingen, leveranciers van bouwmaterialen, keukens, woninginrichting, luxe goederen en vonden getuigenverhoren plaats.\n\nMet deze gegevens werd een zogenaamde eenvoudige kasopstelling samengesteld. (…)\n\nVerder stuitte het politieteam op een aantal verdachte geldstromen waar [belanghebbende] bij betrokken was.\n\n(…)\n\n2. BETROKKENEN IN HET DOSSIER\n\n(…)2.1 [. \n\nBelanghebbende]\n\n[Belanghebbende] staat als niet-ingezetene geregistreerd en is geëmigreerd sinds 18 mei 2018 met verblijfadres [adres 3] te [plaats 2] Curaçao. Daarvoor stond hij ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats 1] . Dit betreft de woning van zijn zoon (…) en niet de woning [adres 1] waar [belanghebbende] verblijft wanneer hij in Nederland is.\n\nVan [belanghebbende] is bekend dat hij omvangrijke uitgaven heeft gedaan, onder meer voor de aankoop van onroerend goed in Nederland en het buitenland, ter verbetering van dat onroerend goed en voor de aanschaf van luxe goederen en auto’s, terwijl daar geen regelmatig legaal inkomen tegenover staat. Hij wordt ervan verdacht geld, dat afkomstig is uit gepleegde misdrijven, te hebben witgewassen.\n\n2.2. \n\nDe ex-echtgenote\n\n[De ex-echtgenote] is de partner van [belanghebbende]. Zij staat als enige persoon ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 1] .\n\nHoewel het huwelijk tussen haar en [belanghebbende] is ontbonden (…), wordt door vastgestelde feiten en omstandigheden in dit verband bij hen uitgegaan van een economische eenheid en een gezamenlijke huishouding.\n\n(…)2.6. \n\nHandelsonderneming [B.V.]\n\n(…) Vermoedelijk wordt deze vennootschap gebruikt voor het aan [belanghebbende] overdragen van geld waarbij de werkelijke herkomst daarvan wordt verhuld.\n\n(…)2.8. \n\n [onderneming]\n\n(…)\n\nUit onderzoek blijkt dat een deel van de geleverde goederen en diensten voor de verbouwing van de woning van [belanghebbende] is gefactureerd aan de Spaanse vennootschap [onderneming] . Een groot deel van deze facturen is contant voldaan. (…)2.9. \n\n [rechtspersoon 1]\n\nDeze rechtspersoon naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten is gevestigd in [plaats 4] en is te relateren aan de Nederlander [persoon 2] .\n\n2.10.. \n\n [persoon 2]\n\n , (…), treedt op als verlener van fiscale en financiële diensten en adviezen voor [belanghebbende].\n\n3. WITWASHANDELINGEN\n\n(…)\n\nWerkelijke contante uitgaven\n\nUit de kasopstelling blijkt dat [belanghebbende] en [de ex-echtgenote] een bedrag van €1.387.359,26hebben besteed aan contante uitgaven en contante stortingen op de privé bankrekeningen van [belanghebbende] en [de ex-echtgenote].\n\ncontante uitgaven en contante stortingen op de privé\n\nbankrekeningen\n\n 2.4.1. Contante stortingen rekeningnummer: (…)\n\n€ 185.700,00\n\n 2.4.2. Contante stortingen rekeningnummer: (…)\n\n€ 28.350,00\n\n 2.4.3. Contante stortingen rekeningnummer: (…)\n\n€ 18.100,00\n\n 2.4.4. Contante stortingen rekeningnummer: (…)\n\n€ 1.200,00\n\n 2.4.5. Contante storting [NV] NV (Prepaid card)\n\n€ 3.018,01\n\n 2.4.6. Contante betaling [BV 1]\n\n€ 247.511,65\n\n 2.4.7. Contante betaling [bedrijf 12]\n\n € 20.202,00\n\n 2.4.8. Contante lening aan [bedrijf 13]\n\n€ 60.000,00\n\n 2.4.9. Contante betaling [bedrijf 14]\n\n€ 13.000,00\n\n 2.4.10. Contante betaling [bedrijf 1]\n\n€ 8.000,00\n\n 2.4.11. Contante betaling [bedrijf 15]\n\n€ 3.056,05\n\n 2.4.12. Contante betaling [bedrijf 2]\n\n€ 330.633,03\n\n 2.4.13. Contante betaling [bedrijf 5]\n\n€ 14.262,19\n\n 2.4.14. Contante betaling [bedrijf 16]\n\n€ 41.529,53\n\n 2.4.15. Contante betaling [bedrijf 7] BV\n\n€ 87.824,72\n\n 2.4.16. Contante betaling [bedrijf 17]\n\n€ 90.000,00\n\n 2.4.17. Contante betaling [bedrijf 6]\n\n€ 69.971,07\n\n 2.4.18. Contante betaling [bedrijf 18]\n\n€ 78.518,00\n\n 2.4.19. Contante betaling [bedrijf 9] B.V.\n\n€ 8.320,00\n\n 2.4.20. Contante betaling [bedrijf 8]\n\n€ 2.081,20\n\n 2.4.21. Contante betaling [bedrijf 19]\n\n€ 1.000,00\n\n 2.4.22. Contante betaling [bedrijf 20]\n\n€ 1.025,00\n\n 2.4.23. Contante betaling [BV 2]\n\n€ 11.980,00\n\n 2.4.24. Contante betaling inboedel Curaçao\n\n€ 50.000,00\n\n 2.4.25. Contante betaling huur garagebox\n\n€ 800,00\n\n 2.4.26. Contante betaling [bedrijf 21]\n\n€ 11.276,81\n\nTotaal\n\n€ 1.387.359,26\n\nIn een kasopstelling wordt uitgegaan van het beginsaldo van het contante geld dat de verdachten voorhanden hadden bij aanvang van de onderzoeksperiode waarbij de legale contante ontvangsten, inclusief opnamen van contant geld van bankrekeningen, worden opgeteld. Van die uitkomst wordt het contante geldbedrag dat de verdachten ter beschikking hadden aan het einde van de onderzoeksperiode afgetrokken. (…)\n\nVoor wat betreft [belanghebbende] en [de ex-echtgenote] is deze opstelling als volgt:\n\n Beginsaldo contant geld\n\n€ 0,00\n\n+\u002F+ Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen\n\n€ 10.780,00\n\n -\u002F- Eindsaldo contant geld\n\n € 1.255,00\n\n Beschikbaar voor het doen van uitgaven\n\n€ 9.525,00\n\n -\u002F- Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen\n\n€ 1.387.359,26\n\n Verschil (niet legale contante inkomstenbron)\n\n€ -1.377.834,26\n\n (…)3.2. \n\nInleiding woning aan het [adres 5] te [plaats 1]\n\nUit gegevens van de Belastingdienst en het Kadaster blijkt dat op 16 februari 2018 een woning aan het [adres 5] te [plaats 1] is aangekocht door [de ex-echtgenote] voor het bedrag van€ 162.500,-.\n\n(…)\n\nUit onderzoek is gebleken dat noch [de ex-echtgenote], noch [belanghebbende], over voldoende legale middelen konden beschikken om deze aankoop te doen, waardoor het vermoeden is dat dit met van misdrijf afkomstig geld is betaald.3.3. \n\nInleiding woning [adres 3] op Curaçao\n\nIn 2018 werd door de rechtspersoon (…) [rechtspersoon 1] (hierna: [rechtspersoon 1] ) de rechtspersoon naar het recht van Curaçao [rechtspersoon 2] (…) gekocht voor een bedrag van € 375.000. [rechtspersoon 2] heeft de woning gelegen aan [adres 3] op Curaçao in zijn bezit en met deze verkooptransactie werd [rechtspersoon 1] eigenaar van deze woning. In het kader van het onderzoek (…) van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst werden onder meer emailverkeer berichten van de heer [persoon 2] in beslag genomen (…) Hieruit bleek dat de heer [persoon 2] namens [rechtspersoon 1] heeft onderhandeld en in berichtenverkeer via e-mail vertelde hij dat hij optrad namens [belanghebbende].\n\n(…)\n\n(…) Er kan dan ook vanuit worden gegaan dat het gehele bedrag van€ 375.000,- namens [belanghebbende] door [rechtspersoon 1] is betaald.\n\n(…)\n\nUit onderzoek is niet gebleken dat [belanghebbende] over voldoende legale middelen kon beschikken om deze aankoop te doen, waardoor het niet anders kan zijn dat dat de woning – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.\n\n(…)3.4. \n\nInleiding provisie [B.V.] uit overeenkomsten [bedrijf 22] GmbH\n\nUit documenten die (…) in beslag zijn genomen en uit documenten die door de boekhouder van de Duitse onderneming [bedrijf 22] GmbH (hierna: [bedrijf 22] ) zijn verstrekt, werd bekend dat [bedrijf 22] op grond van provisieovereenkomsten met het Duitse [B.V.] GmbH en de Nederlandse Handelsonderneming [B.V.] BV, geldbedragen overmaakt naar de laatstgenoemde ondernemingen (…) Op haar beurt maakt Handelsonderneming [B.V.] BV een gedeelte van deze bedragen over naar [belanghebbende] en aan hem gelieerde natuurlijke personen en worden betalingen verricht in het belang van [belanghebbende] en [de zoon van belanghebbende].\n\n(…)\n\nIn totaal werd aldus€ 290.106,01naar of ten gunste van [belanghebbende] of aan hem te relateren (rechts)personen doorbetaald. (…)\n\n(…)\n\nGelet op het voorgaande is de verdenking ontstaan dat door middel van valse provisieovereenkomsten en valse facturen wordt voorgewend dat er diensten en\u002Fof werkzaamheden van [belanghebbende] staan tegenover de betalingen van geld van [bedrijf 22] via Handelsonderneming [B.V.] BV, dat uiteindelijk ook naar of ten gunste van [belanghebbende] is overgemaakt.\n\nGelet op deze verhullingshandelingen en het feit dat tegenover de betalingen geen legale werkzaamheden of diensten hebben gestaan, kan het, ook in aanmerking genomen de vele legaal niet te verklaren contante uitgaven van [belanghebbende] in die periode, niet anders zijn dan dat de giraal door Handelsonderneming [B.V.] BV aan of voor [belanghebbende] gedane betalingen – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn.\n\n(…)\n\nUit het financiële rechercheonderzoek blijkt dat [belanghebbende] en [de ex-echtgenote] de beschikking hadden over een bedrag van€ 1.377.834,26aan contanten dat niet kan worden verklaard aan de hand van legaal verkregen inkomsten.\n\nHet onderzoek bracht eveneens de verhulling van de eigendom van de woningen aan het [adres 5] in [plaats 1] en [adres 3] op Curaçao en het ontvangen provisiegeld van [bedrijf 22] GmbH, met een totaalbedrag van€ 827.606,01aan het licht.\n\nHiermee komt het totaalbedrag van het witgewassen geld op € 2.205.440,27.”\n\n3.15.. Bij het opleggen van de onderhavige (navorderings)aanslagen is het hiervoor genoemde bedrag van € 2.205.440,27 voor het overgrote deel bij het belastbaar inkomen uit werk en woning \u002F het bijdrage-inkomen opgeteld. De (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV zijn naar de volgende belastbare inkomens uit werk en woning berekend:\n\n2017\n\n2018\n\nAangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning\n\n€ -20.009\n\n€ 864\n\nBijtelling\n\n+ € 755.690\n\n+ € 1.377.116\n\nVerrekening verlies uit voorafgaande jaren\n\n€ 20.009\n\nBelastbaar inkomen uit werk en woning volgens (navorderings)aanslag\n\n€ 735.681\n\n€ 1.357.971\n\n3.16.. Tot het dossier behoort het vonnis van de meervoudige kamer voor behandeling van strafzaken van de rechtbank Oost-Brabant van 8 februari 2023 tegen belanghebbende. Daarin is belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden voor het medeplegen van, van het plegen van witwassen een gewoonte maken, gedurende de periode 1 januari 2011 tot en met 2 november 2018. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.\n\n3.17.. Bij e-mail van 14 maart 2022 heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek, waarbij drie data, telkens onder vermelding van een tijdstip, zijn voorgesteld. In de e-mail staat dat het hoorgesprek ten kantore van de inspecteur (te [locatie] ), telefonisch of via een Webex-vergadering kan plaatsvinden. Verder staat in de e-mail dat, mocht geen van de drie data schikken, een concreet tegenvoorstel voor een datum kan worden gedaan.\n\n3.18.. Bij e-mails van 15 maart 2022 en 16 maart 2022 heeft de inspecteur niet ingestemd om het hoorgesprek op de door de gemachtigde genoemde locaties te houden en voorgesteld om het hoorgesprek te voeren op een kantoor van de Belastingdienst dat dichter in de buurt ligt bij het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende en is nogmaals de mogelijkheid geboden om het gesprek telefonisch te laten plaatsvinden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHeeft de inspecteur het motiveringsbeginsel geschonden?\n\n4. Belanghebbende stelt dat de uitspraken op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd omdat niet of onvoldoende is ingegaan op een aantal van de door hem in bezwaar aangevoerde gronden.\n\n4.1.. De rechtbank overweegt dat schending van artikel 3:2 van de Awb – zo daar al sprake van is – in beginsel niet leidt tot vernietiging van de (navorderings)aanslagen en beschikkingen. Het gaat uiteindelijk om de vraag of deze naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de uitspraken op bezwaar niet onvoldoende gemotiveerd. In de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur inzichtelijk gemaakt hoe hij tot zijn beslissingen is gekomen. Dat de inspecteur niet, of niet uitgebreid, heeft gereageerd op elke stelling van belanghebbende, maakt nog niet dat de uitspraken op bezwaar onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of onvoldoende zijn gemotiveerd.\n\nHet oproepen van getuigen?\n\n4.2.. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om getuigen te horen.\n\n4.3.. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het verzoek om zelf getuigen op te roepen en te horen, te honoreren.Het oproepen van een of meer getuigen komt de rechtbank in het kader van de op haar rustende taak niet zinvol voor. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende zelf geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuigen bij de initieel geplande zitting aanwezig zouden zijn (althans dat is niet gebleken), hoewel de griffier in de uitnodiging voor de zitting belanghebbende heeft gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of bij aangetekende brief of door inschakeling van een deurwaarder op te roepen. Belanghebbende heeft voorts zelf afgezien van het recht om op zitting te worden gehoord.\n\n4.4.. Belanghebbende heeft verder naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verwezen.Dit leidt niet tot een andere afweging. Voor zover het verzoek betrekking heeft op het oproepen van getuigen die voor belanghebbende belastende verklaringen hebben afgelegd die door de rechter voor het bewijs van de boeten zouden kunnen worden gebruikt, wordt weliswaar het belang van belanghebbende bij het horen van die getuigen voorondersteld, maar dat neemt niet weg dat het in de eerste plaats op de weg van belanghebbende ligt om die getuigen op te roepen. Naar het oordeel van de rechtbank schaadt de daarvoor in de Awb voorgeschreven werkwijze voor het oproepen van getuigen en de daaraan door de Hoge Raad gegeven uitleg niet de verdedigingsbelangen van belanghebbende. Hierdoor is belanghebbende ook niet het recht ontzegd om getuigen op te roepen. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de onderhavige procedure ook zonder het (nader) horen van de getuigen aan de vereisten van een eerlijk proces.\n\nSchending van de onschuldpresumptie?\n\n4.5.. Belanghebbende stelt in het beroepschrift dat hij strafrechtelijk niet is vervolgd, laat staan veroordeeld, waardoor het door de inspecteur gebezigde bewijs – dat ook in het strafrechtelijk onderzoek een rol heeft gespeeld – niet in de onderhavige procedures gebruikt zou mogen worden.\n\n4.6.. De rechtbank overweegt dat deze stelling van belanghebbende feitelijke grondslag mist, nu belanghebbende inmiddels strafrechtelijk is vervolgd en bovendien is veroordeeld door de rechtbank (zie 3.16). Bovendien brengt de omstandigheid dat iemand na afloop van een strafrechtelijk onderzoek niet is vervolgd of niet wordt veroordeeld, niet mee dat het door de inspecteur gebruikte bewijs uit het strafrechtelijk onderzoek automatisch niet mag worden meegewogen in belastingprocedures. De belastingkamer van de rechtbank moet de zaken zelfstandig beoordelen en hanteert daarbij een ander beoordelings- en bewijskader dan de strafrechter.\n\nHeeft de inspecteur artikel 8:42 van de Awb geschonden?\n\n4.7.. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Hierdoor heeft de inspecteur volgens belanghebbende artikel 8:42 van de Awb en het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden. Belanghebbende wijst erop dat de volgende stukken niet zijn overgelegd:\n\nhet EOB aan Luxemburg van 23 juni 2021;\n\nhet EOB van 27 juli 2020;\n\nhet EBB van 27 juni 2021;\n\nhet PV met [PV-nummer 1] ;\n\nhet PV met [PV-nummer 2] ; en\n\nde stukken uit de strafrechtelijke onderzoeken ‘Centurion’ en ‘26Bothell’.\n\n4.8.. De rechtbank overweegt dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) bij de besluitvorming in zijn zaak.\n\n4.9.. De rechtbank heeft geconstateerd dat de in 4.7 onder de letters a tot en met e bedoelde stukken zijn overgelegd. Voorts behoort het dossier ‘26Bothell’ tot de stukken van het geding. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er geen aanwijzingen – die draagt belanghebbende ook niet aan – dat de verklaring van de inspecteur dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en dat hij niet beschikt en ook niet heeft beschikt, over de stukken uit het strafrechtelijk onderzoek ‘Centurion’, onjuist zou zijn.\n\n4.10.. Ook als stukken uit het strafrechtelijk onderzoek ‘Centurion’ wel tot de stukken van het geding zouden behoren – hetgeen naar het oordeel van de rechtbank dus niet het geval is – zou de rechtbank niet zonder meer gevolgen verbinden aan het alsdan niet overleggen van deze stukken door de inspecteur. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift tegen de over het jaar 2018 opgelegde aanslagen IB\u002FPVV en Zvw zelf uit stukken van het onderzoek ‘Centurion’ citeert, hetgeen erop duidt dat hij zelf over deze stukken beschikt. Hij had deze stukken dus zelf in het geding kunnen inbrengen.\n\n4.11.. Voorts overweegt de rechtbank dat belanghebbende niets heeft aangevoerd over de vraag voor welk resterend geschilpunt de door hem genoemde stukken mogelijk van belang zouden kunnen zijn en de rechtbank ziet dat ook zelfstandig niet in.\n\n4.12.. Verder overweegt de rechtbank dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel in deze zaken niet van toepassing is, aangezien er geen sprake is van bezwarende besluiten die zijn gebaseerd op nationale bepalingen die uitvoering geven aan Unierechtelijke voorschriften en evenmin aan de orde is of de toepassing van de nationale wetgeving een – al dan niet gerechtvaardigde – beperking inhoudt van de Unierechtelijke verkeersvrijheden.\n\n4.13.. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank artikel 8:42 van de Awb niet geschonden.\n\nHeeft de inspecteur het hoorrecht geschonden?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt dat het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden en beklaagt zich er onder meer over dat de inspecteur het hoorgesprek niet bij een [hotel] heeft willen voeren.\n\n4.15.. De rechtbank overweegt dat de inspecteur belanghebbende voldoende gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord in zijn bezwaren (zie 3.17 en 3.18). De inspecteur heeft immers meerdere data voor een hoorgesprek voorgesteld en de mogelijkheid geboden om op verschillende kantoren van de Belastingdienst, telefonisch of digitaal te worden gehoord. Het is aan de inspecteur om de locatie voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht te kiezen.De inspecteur heeft daarbij in dit geval niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld en voldoende rekening gehouden met de belangen van belanghebbende. Dat de regie voor het plannen van een hoorgesprek bij de inspecteur ligt, kan tevens worden afgeleid uit de omstandigheid dat belanghebbenden worden opgeroepen voor het horen.\n\nZijn de (navorderings)aanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen opgelegd?\n\nVooraf\n\n4.16.. Belanghebbende heeft geen gronden aangevoerd tegen de in de onderhavige (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV begrepen belastbare inkomens uit sparen en beleggen.\n\n4.17.. Ten aanzien van de voor het jaar 2018 opgelegde aanslag IB\u002FPVV concludeert de inspecteur dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dient te worden verminderd van € 7.019 naar € 2.080.\n\n4.18.. De rechtbank zal het beroep tegen de voor het jaar 2018 opgelegde aanslag IB\u002FPVV dan ook gegrond verklaren en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vaststellen op € 2.080.\n\nWas belanghebbende vanaf medio mei 2018 buitenlands belastingplichtige?\n\n4.19.. Belanghebbende voert aan dat hij op 24 mei 2018 is verhuisd naar Curaçao en dat hij vanaf dat moment moet worden aangemerkt als buitenlands belastingplichtige.\n\n4.20.. De inspecteur stelt dat belanghebbende in het gehele jaar 2018 binnenlands belastingplichtige was.\n\n4.21.. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 4, eerste lid, van de AWR naar omstandigheden beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Daarbij komt het erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt.De bewijslast van het fiscale inwonerschap in Nederland rust in beginsel, bij de normale bewijslastverdeling, op de inspecteur.\n\n4.22.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende gedurende het gehele jaar 2018 fiscaal inwoner was van Nederland. De rechtbank neemt daarbij het volgende, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking:\n\nbelanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit (zie 3);\n\nin zijn aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2017 en 2019 heeft belanghebbende de woning als eigen woning aangegeven (zie 3.2);\n\nin 2018 beschikte belanghebbende over zes bankrekeningen en een beleggingsrekening in Nederland (zie 3.4);\n\nin 2018 beschikte belanghebbende in Nederland over een auto, waarvoor hij motorrijtuigenbelasting betaalde (zie 3.5);\n\nde rechtbank acht aannemelijk geworden dat belanghebbende in heel 2018 in Nederland beschikte over een woning, te weten de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] , en daar ook met grote regelmaat verbleef. De rechtbank acht daarbij van belang dat belanghebbende in de BRP op dit adres ingeschreven stond van 30 januari 2004 tot 16 maart 2015 en van 11 september 2015 tot 30 november 2015 (zie 3.1), dat belanghebbende en de ex-echtgenote bij de doorzoeking van de woning op 2 november 2018 aldaar aanwezig waren (zie 3.7), dat de mobiele telefoon van belanghebbende zich het grootste deel van de periode van 29 mei 2018 tot en met 1 november 2018 in de woning bevond (zie 3.8), dat twee personen hebben verklaard dat belanghebbende in de woning woonde\u002Fverbleef (zie 3.11 en 3.12) en dat belanghebbende in 2017 en 2018 ruim € 275.000 heeft betaald voor (verbouw)werkzaamheden aan de woning (zie 3.13).\n\nHet voorgaande sluit, zoals hiervoor ook overwogen, niet uit dat belanghebbende eveneens een band van persoonlijke aard met Curaçao, [plaats 4] of Spanje had.\n\n4.23.. Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dat belanghebbende in het gehele jaar 2018 in Nederland woonde in de zin van artikel 4 van de AWR. Voorts is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende ook op grond van de tie-breaker voor toepassing van de Belastingregeling Nederland Curaçaoals inwoner van Nederland moet worden aangemerkt. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat belanghebbende op Curaçao weliswaar een woning ter beschikking had, maar dat hij in 2018 gedurende maximaal 14 dagen op Curaçao verbleef (zie 3.6). Verder heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden gesteld – laat staan aannemelijk gemaakt – die duiden op een band van persoonlijke aard met Curaçao. Hetzelfde geldt ten aanzien van de mogelijke woonplaats in [plaats 4] en Spanje, hoewel belanghebbende vaag blijft over wat nu exact wordt aangevoerd op dit punt. Ook op grond van de tie-breaker opgenomen in het Belastingverdrag Nederland – Verenigde Arabische Emiratenen het Belastingverdrag Nederland – Spanjezou, als belanghebbende daar al een beroep op doet, belanghebbende als inwoner van Nederland worden aangemerkt.\n\n4.24.. Naar het oordeel van de rechtbank moet belanghebbende zich, gelet op wat hiervoor is overwogen, ook bewust zijn geweest van zijn fiscale woonplaats in Nederland. Dit met name gelet op de langdurige aanwezigheid in Nederland en het geringe aantal dagen dat belanghebbende op Curaçao of elders verbleef.\n\n4.25.. Gelet op wat hiervoor is overwogen, was belanghebbende in het gehele jaar 2018 binnenlands belastingplichtige.\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast\n\n4.26.. De inspecteur stelt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende over de onderhavige jaren niet de vereiste aangiften IB\u002FPVV en Zvw heeft gedaan omdat belanghebbende (contante) inkomsten niet heeft aangegeven, waardoor aanzienlijke bedragen aan verschuldigde belasting niet zijn betaald.\n\n4.27.. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast, waardoor de bewijslast hiervoor rust op de inspecteur.\n\n4.28.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in de jaren 2017 en 2018 forse bedragen aan niet-aangegeven inkomen heeft genoten.\n\n4.29.. De rechtbank neemt daarbij allereerst in aanmerking dat alleen al de voor de grootschalige verbouwingswerkzaamheden aan de woning benodigde bedragen aanzienlijk zijn (zie 3.13), en die niet kunnen zijn bekostigd uit de door belanghebbende aangegeven inkomsten (zie 3.15). Bovendien heeft belanghebbende niet bestreden dat hij het in 3.14 genoemde bedrag van € 290.106,01 van Handelonderneming [B.V.] ( [B.V.] ) in de onderhavige jaren heeft genoten. Daarnaast heeft belanghebbende aanzienlijke bedragen contant uitgegeven, ook als geen rekening wordt gehouden met de door belanghebbende betwiste bedragen.\n\n4.30.. Belanghebbende erkent ook dat hij in de onderhavige jaren veel uitgaven heeft gedaan, maar betwist dat hij die uitgaven heeft bekostigd met inkomsten die zijn verdiend in 2017 en 2018, zonder concreet en verifieerbaar inzicht te geven wanneer die inkomsten dan wel zouden zijn verdiend. Hoewel het kan zijn dat (bepaalde) uitgaven zijn gedaan met in andere jaren gespaarde inkomsten, is het als uitgangspunt aannemelijk dat ingeval meerdere jaren achtereen aanzienlijke uitgaven worden gedaan, daar ook inkomsten in die jaren tegenover staan. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om dit uitgangspunt te ontkrachten en een gemotiveerde en onderbouwde verklaring te geven hoe de uitgaven zijn bekostigd. Belanghebbende heeft mogelijke, vage, verklaringen gegeven, maar hij heeft geen bewijs overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij het hiervoor benodigde geld gespaard zou hebben. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende in elk geval een fors deel van de uitgaven heeft gedaan uit inkomen genoten in 2017 en 2018. Belanghebbende heeft echter over 2017 geen positieve inkomsten uit werk en woning aangegeven en voor 2018 slechts € 864. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat zodanige inkomsten zijn genoten dat de volgens de aangiften verschuldigde IB\u002FPVV en Zvw zowel in absolute als in relatieve zin aanzienlijk lager zijn dan de werkelijk verschuldigde IB\u002FPVV en Zvw.\n\n4.31.. De rechtbank acht ook aannemelijk dat belanghebbende zich er, ten tijde van het indienen van de aangiften, van bewust was dat aanzienlijke bedragen aan verschuldigde belasting en premies niet zouden worden geheven door het niet vermelden van de door hem genoten inkomsten in de aangiften. Belanghebbende stelt dat hij de van [B.V.] genoten inkomsten in 2018 niet hoefde aan te geven omdat hij buitenlands belastingplichtige was, maar dat doet, gelet op wat is overwogen in 4.24, niet af aan het vorenstaande.\n\n4.32.. Omdat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dit geldt voor zowel de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV als de (navorderings)aanslagen Zvw.\n\nRedelijke schatting\n\n4.33.. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.\n\n4.34.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur, met de uitleg in het verweerschrift en de informatie uit het in 3.14 bedoelde proces-verbaal, een redelijke schatting gemaakt van de door belanghebbende niet aangegeven (contante) inkomsten. Hij heeft dus voldaan aan de adstructie- en stelplicht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door de inspecteur bijgetelde inkomsten concrete (contante) ontvangsten en betalingen door belanghebbende en aan hem gelieerde (rechts)personen betreffen.\n\n4.35.. Belanghebbende heeft vervolgens niet doen blijken dat het belastbaar inkomen uit werk en woning zoals vastgesteld in de (navorderings)aanslagen te hoog is. Belanghebbende heeft een aantal uitgaven concreet betwist, maar heeft niet overtuigend aangetoond aan de hand van bewijsstukken dat deze niet kloppen. Hetzelfde geldt voor zijn verklaringen voor de herkomst van de contante gelden waarmee de uitgaven zijn gedaan.\n\n4.36.. Voorgaande betekent dat de belastbare inkomens uit werk en woning en de premie-inkomens die zijn vervat in de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017 en 2018 worden gehandhaafd,\n\nZijn de boetebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?\n\n4.37.. Op grond van artikel 67d, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een boete van ten hoogste 100% opleggen indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat de aangifte IB\u002FPVV niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan een boete worden opgelegd indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. In paragraaf 25, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst is bepaald dat, indien sprake is van opzet, de inspecteur een vergrijpboete kan opleggen van 50%. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het beboetbare feit zich zal voordoen.\n\n4.38.. De bewijslast dat sprake is van opzet rust op de inspecteur. Hij dient te doen blijken – overtuigend aantonen – dat aan belanghebbende kan worden verweten dat hij niet, onjuist of onvolledig aangifte heeft gedaan of dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.\n\n4.39.. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft doen blijken dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting, premies voor de volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet is geheven. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen is overwogen in 4.24 en 4.28 en acht de inspecteur op die punten ook in zijn verzwaarde bewijslast geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank is het buiten redelijke twijfel dat belanghebbende bewust onjuist belastingaangifte deed, wat voor 2017 het gevolg had dat de aanslag te laag is vastgesteld. Er zijn dan ook terecht boeten van 50% opgelegd.\n\n4.40.. Bij het opleggen van de aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018 is de inspecteur ten onrechte uitgegaan van de veronderstelling dat belanghebbende geen aangifte had gedaan. Hierdoor is de vergrijpboete tevens berekend over de verschuldigde belasting over het wel door belanghebbende aangegeven inkomen uit sparen en beleggen. De inspecteur concludeert, naar het oordeel van de rechtbank terecht, dat dit onjuist is. De inspecteur stelt dat de boete om deze reden moet worden verminderd met € 3.158. De rechtbank zal de inspecteur hierin volgen.\n\n4.41.. De rechtbank moet beoordelen of de boeten passend en geboden zijn. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, door het opleggen van boeten bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV én Zvw ter zake van dezelfde inkomenscorrecties, ter zake van dezelfde feiten, tweemaal in zijn vermogen wordt getroffen. De rechtbank zal daarom de boeten Zvw vernietigen.\n\n4.42.. De Hoge Raad heeft overwogen dat bij de beoordeling of een boete passend en geboden is, rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat de boetegrondslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast. Dit betekent niet dat de vaststelling met omkering van de bewijslast in alle gevallen leidt tot matiging van de boete.De rechtbank ziet in dit geval echter wel reden om de boeten opgelegd bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV te matigen omdat de aanslagen met omkering van de bewijslast zijn vastgesteld gelet op de enigszins grofmazige schatting. De rechtbank zal de boeten (verder) matigen met 10 %.\n\n4.43.. Voorts vormt de duur van de procedures voor de rechtbank aanleiding de boeten verder te matigen, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn (undue delay). De rechtbank stelt vast dat voor de boete IB\u002FPVV 2017 als aanvangstermijn van de redelijke termijn geldt 3 augustus 2022, terwijl dat voor de boete IB\u002FPVV 2018 4 november 2020 is. De rechtbank doet uitspraak op 22 juni 2026. Sinds de aankondiging van de boete IB\u002FPVV 2017 is dus afgerond drie jaar en elf maanden verstreken en sinds de aankondiging van de boete IB\u002FPVV 2018 is afgerond vijf jaar en acht maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met afgerond 1 jaar en elf maanden respectievelijk drie jaar en acht maanden.De boeten zullen daarom verder worden gematigd met 15% respectievelijk 20%, maar maximaal met € 10 .000 respectievelijk € 20.000.\n\n4.44.. Overige omstandigheden op basis waarvan de boeten (verder) moeten worden gematigd zijn gesteld noch aannemelijk geworden.\n\n4.45.. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende berekening van de boeten:\n\n2017\n\n2018\n\nVastgestelde boete\n\n€ 188.446\n\n€ 354.590\n\nVermindering i.v.m. inkomen uit sparen en beleggen\n\n € -3.158\n\n€ 351.432\n\nMatiging i.v.m. omkering van de bewijslast\n\n € 18.845\n\n € 35.144\n\n€ 169.601\n\n€ 316.288\n\nMatiging i.v.m. undue delay\n\n € 10 .000\n\n € 20.000\n\nResterende boete\n\n€ 159.601\n\n€ 296.288\n\n4.46.. De rechtbank acht boeten van € 159.601 respectievelijk € 296.288 passend en geboden.\n\nZijn de belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?\n\n4.47.. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De belastingrentebeschikking opgelegd bij de aanslag IB\u002FPVV 2018 wordt verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de overige belastingrentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de (navorderings)aanslag volgt.\n\nSlagen de overige gronden van belanghebbende?\n\n4.48.. Belanghebbende is zeer uitvoerig geweest in zijn stellingen en heeft zich daarbij op diverse rechtsbeginselen beroepen. De rechtbank heeft deze stellingen beoordeeld. Voor een deel is hierboven in de uitspraak ingegaan op deze stellingen. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel dan hiervoor is weergegeven.\n\nHeeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade?\n\n4.49.. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en de beroepsprocedures.\n\n4.50.. De rechtbank ziet aanleiding om een vergoeding toe te kennen. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltijd voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade van € 500 per half jaar overschrijding.\n\n4.51.. De rechtbank stelt vast dat alle zaken in hoofdzaak betrekking hebben op voorwerpen van geschil die met elkaar samenhangen. De motivering van de bezwaren en beroepen is in alle zaken nagenoeg identiek, dan wel vergelijkbaar. Gelet hierop bestaat er voor alle fasen van de procedure samenhang. Dit heeft tot gevolg dat ter vaststelling van het bedrag van de immateriële schadevergoeding éénmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd.\n\n4.52.. De inspecteur heeft het oudste bezwaarschrift ontvangen op 28 december 2021. Omdat de rechtbank uitspraak doet op 22 juni 2026, heeft de procedure in totaal (afgerond) 54 maanden geduurd. De redelijke termijn is daarmee met 30 maanden overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 2.500. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarfase voor zowel 2017 als 2018 niet langer dan zes maanden heeft geduurd. De schadevergoeding komt daarom geheel voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in het geding.\n\n4.53.. \n\nNu de boeten opgelegd bij de navorderingsaanslag Zvw 2017 (€ 1.449) en de aanslag Zvw 2018 (1.548) worden vernietigd, kan compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet worden verleend door vermindering van die boeten.Aangezien elke boete meer dan € 1.000 bedraagt, zal de rechtbank hiervoor compensatie voor de verdragsschending verlenen in vorm van een vergoeding van immateriële schade.De schadevergoeding bedraagt € 2.000 voor de boete over het jaar 2017, waarbij rekening is gehouden met de aankondiging van de boete op 3 augustus 2022 (23 maanden overschrijding). Tussen de aankondiging van de boete en de uitspraak op bezwaar is afgerond 7 maanden verstreken. Daarom komt 1\u002F23e (€ 86,95) voor rekening van de inspecteur en het overige (€ 1.913,05) voor rekening van de Staat.\n\n Voor de boete over het jaar 2018 is de schadevergoeding € 3.000, waarbij rekening is gehouden met de aankondiging van de boete op 4 november 2021 (32 maanden overschrijding). Dit bedrag komt volledig voor rekening van de Staat.\n\n4.54.. In totaal bedraagt de schadevergoeding daarom € 7.500, waarvan € 86,95 voor rekening van de inspecteur komt en € 7.413,05 voor rekening van de Staat.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB\u002FPVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de vergrijpboeten zijn gegrond. Dat betekent dat de inspecteur het griffierecht van twee maal € 50, in totaal dus € 100, aan belanghebbende moet vergoeden. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.\n\n5.1.. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.\n\n5.2.. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 en in beroep van € 934. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhang tussen de zaken. De zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde van belanghebbende konden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek zijn. Nu sprake is van twee samenhangende zaken, waarin het beroep gegrond is, zal een factor van 1 worden toegepast. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend (1 punt) en heeft een beroepschrift ingediend (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.600.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen gericht tegen de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB\u002FPVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de boetebeschikkingen gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar over de aanslag IB\u002FPVV 2018, de daarbij gegeven belastingrentebeschikking en de boetebeschikkingen;\n\n- vermindert de aanslag IB\u002FPVV 2018 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.357.971 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.080 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;\n\n- vermindert de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 tot € 159.601;\n\n- vernietigt de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag Zvw 2017;\n\n- vermindert de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 tot € 296.288;\n\n- vernietigt de boetebeschikking bij de aanslag Zvw 2018;\n\n- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 86,95;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 7.413,05;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 100 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.600 aan proceskosten aan belanghebbende.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en mr. J.A. den Braber-Riemens, leden, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nAan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.\n\n Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Hoge Raad 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786, r.o. 2.4.3 en 2.4.4.\n\n EHRM 19 januari 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0119JUD000220516 ( [naam 1] tegen Nederland) en EHRM 15 maart 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609 ( [naam 2] tegen Nederland).\n\n Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140, r.o. 3.3.\n\n Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, r.o. 3.5.2.\n\n Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1319, r.o. 2.2.\n\n Hoge Raad 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2082, r.o. 2.5.3.\n\n Hoge Raad 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1597, r.o. 2.4.\n\n Artikel 7:4, derde lid, van de Awb.\n\n Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824, r.o. 3.2.2.\n\n Artikel 4, vierde lid, van de Belastingregeling Nederland Curaçao.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen.\n\n Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Spaanse Staat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen.\n\n Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.1 en 3.3.2.\n\n Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2.\n\n Vgl. Hoge Raad 10 maart 1993, BNB 1993\u002F198, r.o. 3.3.\n\n Hoge Raad 18 januari 2008:ECLI:NL:HR:2008:BC1962, r.o. 3.6.8.\n\n Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, r.o. 4.3.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713, r.o. 4.16.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3. 10 .1.\n\n Hoge Raad 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1.\n\n Vgl. Hoge Raad 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279.\n\n Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5556","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:23.944Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":72,"fullText":73,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":36,"updatedAt":75},"1102","ECLI:NL:RBZWB:2026:5365","ecli-nl-rbzwb-2026-5365","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F1842\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 maart 2025.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) voor het jaar 2023 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.599. Daarbij heeft de inspecteur geen jonggehandicaptenkorting toegepast. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 16 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB\u002FPVV 2023, omdat daarbij geen jonggehandicaptenkorting is toegepast. Verder heeft belanghebbende verzocht om toekenning van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.\n\n1.3.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de jonggehandicaptenkorting alsnog toegepast. De inspecteur heeft daarbij geen beslissing genomen op het verzoek om een kostenvergoeding.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Namens belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nNiet-tijdig beslissen op verzoek om kostenvergoeding\n\n2. De rechtbank vat het beroep zo op dat het (mede) is gericht tegen het niet-tijdig beslissen door de inspecteur op het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.\n\n2.1.. Het beroep slaagt in zoverre niet. De inspecteur moet namelijk eerst in gebreke worden gesteld voordat beroep kan worden ingesteld vanwege het niet-tijdig beslissen op het verzoek om een kostenvergoeding.Niet gesteld en ook niet gebleken is dat belanghebbende dit heeft gedaan. De rechtbank verklaart het beroep wegens niet-tijdig beslissen daarom niet-ontvankelijk.\n\nKostenvergoeding2.2.. De rechtbank begrijpt uit het beroepschrift dat belanghebbende graag een antwoord wil op de vraag of hij recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De rechtbank heeft daarom ter zitting met partijen afgestemd dat het verweerschrift ook kan worden opgevat als een afwijzende beslissing op het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Op deze manier kan de rechtbank toch een beslissing nemen over de kostenvergoeding.\n\n2.3.. Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.\n\n2.4.. De inspecteur stelt dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding. Hij voert daartoe aan dat de aanslag IB\u002FPVV 2023 bij uitspraak op bezwaar naar blijkt ten onrechte is verminderd, omdat belanghebbende feitelijk geen recht heeft op jonggehandicaptenkorting. Volgens de inspecteur is reeds daarom geen sprake van een aan hem te wijten onrechtmatigheid, nu de aanslag achteraf bezien juist blijkt te zijn vastgesteld en niet had moeten worden verminderd.\n\n2.5.. De rechtbank is het met de inspecteur eens. De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) recht heeft op toekenning van een uitkering of op arbeidsondersteuning, tenzij voor hem de ouderenkorting geldt.Vast staat dat belanghebbende in 2023 geen Wajong-uitkering heeft ontvangen. Belanghebbende stelt zonder onderbouwing dat hij in 2023 wel een slapend recht had op een Wajong-uitkering. Dat belanghebbende daadwerkelijk recht had op een Wajong-uiterking heeft hij naar het oordeel van de rechtbank – tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de inspecteur bij de aanslag IB\u002FPVV 2023 terecht initieel geen jonggehandicaptenkorting heeft toegekend en eigenlijk het bezwaar niet gegrond had hoeven te verklaren. Er is daarom geen sprake van een situatie waarin de bestreden aanslag is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid bij het opleggen van die aanslag.Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het beroep is in zoverre dus ongegrond.\n\nConclusie en gevolgen\n\n3. Het beroep wegens niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en voor het overige is het beroep ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.\n\n3.1.. Omdat het beroep ongegrond is heeft belanghebbende als uitgangspunt ook geen recht op vergoeding van het griffierecht en een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. De rechtbank ziet in dit geval echter aanleiding om te bepalen dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem moet vergoeden. Door het bezwaar gegrond te verklaren en geen beslissing te nemen om het verzoek om een kostenvergoeding, heeft de inspecteur een onduidelijke situatie doen ontstaan die belanghebbende noopte tot het instellen van beroep. Onder die omstandigheden acht de rechtbank een vergoeding van het griffierecht passend.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep wegens niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;\n\nverklaart het beroep voor het overige ongegrond;\n\nbepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nAan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Artikel 8.16a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).\n\n Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3079; en Gerechtshof Amsterdam 12 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1316.\n\n Artikel 8:75 van de Awb.\n\n Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid Algemene wet inzake rijksbelastingen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5365","2026-07-13T00:29:04.149Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":72,"fullText":80,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":36,"updatedAt":82},"1536","ECLI:NL:RBZWB:2026:5368","ecli-nl-rbzwb-2026-5368","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 22\u002F4395\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 augustus 2022.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.453. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 714 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\nFeiten\n\n2. Belanghebbende stond in 2018 in de Basisregistratie personen ingeschreven op een Nederlands adres.\n\n2.1.. Belanghebbende is vanaf 10 oktober 2017 als piloot in loondienst werkzaam voor [werkgever] AS. Zijn standplaats is in 2018 [standplaats] in Oslo (Noorwegen).\n\n2.2.. In het kader van internationale gegevensuitwisseling heeft de Nederlandse belastingdienst van de Noorse fiscale autoriteit gegevens ontvangen waaruit blijkt dat belanghebbende in 2018 een bedrag van in totaal 795.794 Noorse Kronen, omgerekend € 82.921, van [werkgever] AS heeft ontvangen.\n\n2.3.. Verder heeft de inspecteur een renseignement ontvangen van [stichting] waaruit blijkt dat belanghebbende in 2018 € 575 heeft ontvangen.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft aangifte IB voor het jaar 2018 gedaan naar belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.799, volledig bestaande uit resultaat uit overige werkzaamheid. Verder heeft belanghebbende aangegeven gedurende heel 2018 niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen.\n\n2.5.. De inspecteur heeft bij brief van 6 oktober 2021 zijn voornemen aan belanghebbende kenbaar gemaakt om af te wijken van de aangifte in verband met de gerenseigneerde inkomensgegevens.\n\n2.6.. Belanghebbende heeft daarop gereageerd en onder meer de loonstroken voor alle maanden van 2018 en de jaaropgaaf 2018 van [werkgever] AS overgelegd.\n\n2.7.. De inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende een herzien voornemen tot afwijking van de aangifte IB 2018 gestuurd.\n\n2.8.. De inspecteur heeft vervolgens de aanslag IB 2018 – in afwijking van de aangifte en conform zijn herziene voornemen – vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.453, bestaande uit een loon van € 72.728 en een resultaat uit overige werkzaamheid van € 575.\n\n2.9.. Op alle overgelegde loonstroken voor het jaar 2018 staan de posten “ [post 1] ”voor een bedrag van 105,42 Noorse Kronen,“ [post 2] ”voor een bedrag van 2.695,58 Noorse Kronen en“ [post 3] ”voor een bedrag van 288,75 Noorse Kronen vermeld.\n\n2.10.. Op de loonstroken voor de maanden juli, augustus en november van het jaar 2018 staat de post “ [post 4] ”voor een bedrag van 542 (juli), 937 (augustus) respectievelijk 873 (november) Noorse Kronen vermeld.\n\n2.11.. \n\nOp de jaaropgaaf staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:\n\n“\n\nBeskrivelse\n\nBeløp\n\nAnt.\n\nTrekkpl.\n\nDetaljer\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\nUtgiftsgodtgjørelse\n\n [naam]\n\n15 170\n\nNei\n\n [naam]\n\n4 124\n\nJa\n\nReise kost\n\n57 927\n\nJa\n\nReise kost med overnatting ps hotell\n\n59 631\n\n99\n\nNei\n\n”\n\n2.12.. \n\nIn de Collective Agreement no. 544 van [werkgever] AS die ziet op de periode 1 november 2011 tot 31 oktober 2020 (de cao) staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:\n\n“Clause 10 - Travel and subsistence provisions\n\nSub-clause 1 Personnel shall be compensated for extra expenses linked to board and lodging in accordance with sub-clauses 2-9 below.\n\nSub-clause 2 Hotel accommodation\n\n (…)\n\nSub-clause 3 The Company shall pay a daily allowance in accordance with Annex D in connection with official travel, flying and training.\n\nSub-clause 4 In the case of foreign travel, standard Norwegian government subsistence allowances shall be paid if these are higher than the subsistence allowance specified in Annex D.\n\nSub-clause 5 The allowance amount shall be calculated per day (24 hours) from the ordered time of appearance at the base until check-out at the base. (…)\n\nSub-clause 6 The Company shall cover special expenses incurred in connection with the performance of duties, provided that these are documented by means of a bill or receipt and certified by the Pilot Manager or a person authorised by him or her.\n\n(…)”\n\nEn:\n\n“Clause 11 - Insurance cover\n\n(…)\n\nSub-clause 1Loss of License (LOL)\n\nThe Company is at all times obliged to maintain LOL insurance for all pilots who have not reached the age of 62 years and who earn income that gives rise to pension benefits. The policy shall cover all medical (somatic and psychological) conditions relevant to the pilot’s medical certificate (issued by an aviation medical examiner). The insurance premium shall be paid in full by the Company. Payment under such insurance shall be made upon loss of the pilot’s licence as a result of such a medical condition.\n\nWhen the pilot has received an order from the aviation authorities declaring a permanent loss of his or her pilot’s licence, he or she shall send a copy of the medical order to the Company without undue delay.\n\nThe Company shall, without undue delay and no later than upon giving notice of termination of employment, inform the insurance company\u002Fcompanies with which the Company has taken out LOL insurance of the medical order.\n\nSection 13(2) and (3) of the Working Environment Act shall apply in such cases.\n\nThe Loss of License payout sum, specified as multiples of G (the base amount under the national insurance scheme), is as follows:\n\nUp to and including\n\n52 years\n\n30\n\n53 years\n\n27\n\n54 years\n\n24\n\n55 years\n\n21\n\n56 years\n\n18\n\n57 years\n\n15\n\n58 years\n\n12\n\n59 years\n\n9\n\n60 years\n\n6\n\n61 years\n\n3\n\nFrom the age of\n\n62 years\n\n0\n\n(From the age of 62 years onwards, employees shall not be taxed on the benefit provided by the scheme.)\n\nIn addition, a lump-sum payment shall be made via operations equal to 1.65 x salary grade (current annual salary as at the payment date). This amount shall not be reduced in line with age.\n\n(…)\n\nSub-clause 3Group insurance\n\nThe Company maintains full-time group insurance via an insurance company, which covers: (…)”\n\nEn:\n\n“Annex D - Salary and allowances\n\nSalary, subsistence allowance and other allowances shall be paid on the 25th of each month, as follows:\n\nA: Salary shall be paid for the current month.\n\nB: Subsistence allowance and other documented expenses shall be paid\u002Freimbursed in arrears in accordance with completed and certified forms.\n\n(…)\n\nIV GENERAL ALLOWANCES\n\nTo be adjusted by the same %age as the salary scale applicable as of 1 November 2017.\n\nTelephone allowance:\n\nNOK 342 per month to cover a landline subscription.\n\nEach captain shall receive a mobile telephone allowance of NOK 338 per month, provided that all captains have their own mobile telephone that can be used for duty purposes, including availability during ground stops.\n\nUniform allowance:\n\nPayable at NOK 1,258 per month.\n\nThe above allowances shall be adjusted according to the employment percentage worked by the pilot.\n\nUniform cleaning:\n\nExpenses shall be covered as billed.\n\nGlasses:\n\nCosts shall be covered in accordance with sub-clause 1.2 if ordered by an aviation medical examiner.\n\nPassport and visa:\n\nCovered as billed.\n\nRate of subsistence\n\nallowance per 1\u002F1 day\n\n(24-hour period):\n\nNOK 825\n\n”\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n3.1.. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nMotivering\n\n4. Partijen houdt verdeeld of de inspecteur het (belaste) fiscaal loon bij de aanslag IB 2018 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Meer specifiek gaat het om de vraag of de inspecteur de post “ [post 4] ”van in totaal 2.352 Noorse Kronen, omgerekend € 245, terecht tot het loon heeft gerekend en om de vraag of sprake is van een gerichte vrijstellingof vrijgesteld loonmet betrekking tot de volgende loonbestanddelen:\n\nTotaal bedrag\n\nOmgerekend naar euro’s\n\nReise kost\n\n NOK 108.558\n\n € 12.247\n\n [post 2]\n\n NOK 32.347\n\n € 3.362\n\n [post 3]\n\n NOK 3.465\n\n € 361\n\n [post 1]\n\n NOK 1.265\n\n € 132\n\n4.1.. De rechtbank zal het geschil hierna per post beoordelen.\n\nPost “ [post 4] ”4.2.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 2.352 Noorse Kronen, omgerekend € 245, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 4] ,door de inspecteur ten onrechte tot het loon is gerekend. Het is belanghebbende niet duidelijk wat deze post inhoudt. Belanghebbende wijst erop dat de post niet op de jaaropgaaf 2018 staat vermeld. Verder bevreemd het belanghebbende dat de post maar op een beperkt aantal loonstroken is vermeld. Volgens belanghebbende zijn de bedragen onder de noemer“ [post 4] ”nooit aan hem uitbetaald.\n\n4.3.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in samenhang met artikel 10 Wet LB loon al hetgeen is dat uit een dienstbetrekking wordt genoten. Het genietingstijdstip van de looninkomsten is op grond van artikel 3.146, eerste lid, van de Wet IB 2001 mede het tijdstip waarop het loon is ontvangen dan wel het loon vorderbaar en inbaar is geworden.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de bedragen die onder de noemer “ [post 4] ”op een aantal loonstroken staan vermeld terecht tot het loon gerekend. De rechtbank stelt vast dat partijen geen duidelijkheid hebben kunnen verschaffen over de precieze aard van deze post. Vast staat evenwel dat de post voorkomt op door de werkgever opgemaakte loonstroken. Tegen die achtergrond acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is van een uit de dienstbetrekking voortvloeiend voordeel. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd op basis waarvan aannemelijk is dat de vermelde bedragen hem niet op enigerlei wijze ten goede zijn gekomen. De enkele omstandigheid dat de post niet afzonderlijk op de jaaropgaaf staat vermeld kan verschillende oorzaken hebben en wil nog niet zonder meer zeggen dat het naar Nederlandse maatstaven geen loonbestanddeel vormt.\n\nPost [post 2]4.5.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 32.347 Noorse Kronen, omgerekend € 3.362, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 2] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Primair voert belanghebbende aan dat de premies zijn betaald voor een verzekering die kan worden getypeerd als ongevallenverzekering. Deze verzekering geeft volgens belanghebbende recht op een aanspraak die is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Subsidiair voert belanghebbende aan dat de verzekering recht geeft op een aanspraak die naar aard en strekking overeenkomst met aanspraken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB, zodat de vrijstelling artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB van toepassing is. De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd bestreden.\n\n4.6.. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn primaire stelling. In artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB is opgenomen dat aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval vrijgesteld zijn van de heffing van loonbelasting. Uit de beschikbare gegevens (zie 2.12) volgt dat het gaat om door de werkgever betaalde premies voor een zogenoemde ‘Loss of License-verzekering’. Deze verzekering geeft – kort gezegd – aanspraak op een uitkering bij verlies van een vliegbrevet. Dat is naar het oordeel van de rechtbank geen aanspraak als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Dat een verlies van vliegbrevet onder omstandigheden het gevolg kan zijn van invaliditeit, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders want het kan ook een scala aan andere oorzaken hebben.\n\n4.7.. De rechtbank volgt belanghebbende evenmin in zijn subsidiaire stelling. In artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB is opgenomen dat aanspraken die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel e, vrijgesteld zijn van heffing van loonbelasting. Aanspraken als bedoeld in onderdeel e zijn aanspraken ingevolge de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet. Belanghebbende maakt – tegenover de stelling van de inspecteur – niet aannemelijk dat de ‘Loss of License-verzekering’ een risico dekt dat in het Nederlandse sociale verzekeringsstelsel ook door een werknemersverzekering wordt gedekt.\n\n4.8.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur een bedrag van in totaal 32.347 Noorse Kronen, omgerekend € 3.362, terecht niet heeft vrijgesteld van het loon.\n\nPost [post 3]4.9.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 3.465 Noorse Kronen, omgerekend € 361, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 3] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Primair voert belanghebbende aan dat de premies zijn betaald voor een verzekering die kan worden getypeerd als voltijds groepsverzekering voor – kort gezegd – arbeidsongevallen, arbeidsziekte, vrije tijd letsel en overige ziekte. Deze verzekering geeft volgens belanghebbende recht op een aanspraak die is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Subsidiair voert belanghebbende aan dat de verzekering recht geeft op een aanspraak die naar aard en strekking overeenkomst met aanspraken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB, zodat de vrijstelling artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB van toepassing is.\n\n4.10.. Belanghebbende stelt dat deze vergoeding van de werkgever niet als loon kan worden aangemerkt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, met verwijzing naar de collective agreement, lag het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van belanghebbende om meer inzicht te verstrekken over de vraag wat hier nou precies is afgesproken en waar deze vergoeding op ziet. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank tot de conclusie dat de inspecteur terecht de vrijstelling niet heeft toegepast.\n\nPost [post 1]4.11.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 1.265 Noorse Kronen, omgerekend € 132, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 1] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Het is belanghebbende niet precies duidelijk wat deze post inhoudt. Belanghebbende denkt dat het gaat om een verzekering die prioriteit geeft in de wachtrij wanneer een behandeling of gezondheidszorg noodzakelijk is. Volgens belanghebbende is daarop de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB van toepassing.\n\n4.12.. Ter zitting is namens belanghebbende desgevraagd bevestigd dat hij zich enkel beroept op de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB. Deze bepaling ziet op aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding. De door belanghebbende gegeven toelichting op deze post wijst er niet op dat het gaat om een dergelijke regeling. Ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat van een dergelijke regeling sprake is.\n\n4.13.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur een bedrag van in totaal 1.265 Noorse Kronen, omgerekend € 132, terecht niet heeft vrijgesteld van het loon.\n\nPost reise kost4.14.. Belanghebbende stelt dat de door hem ontvangen vergoedingen van 57.927 Noorse Kronen en 59.631 Noorse Kronen, in totaal omgerekend € 12.247, ten onrechte niet gericht zijn vrijgesteld op grond van artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB 2001. Volgens belanghebbende betreffen en reis- en verblijfkosten.\n\n4.15.. Vast staat dat de vergoedingen zijn ontvangen van een niet-inhoudingsplichtige werkgever. Een vergoeding of verstrekking kan in zo’n geval worden vrijgesteld op basis van artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB voor zover zij voldoet aan de eisen die artikel 31a, tweede, van de Wet LB aan de desbetreffende gerichte vrijstelling stelt, maar zonder dat een aanwijzing als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB nodig is.\n\n4.16.. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de betreffende vergoedingen kunnen worden aangemerkt als een met belanghebbende overeengekomen vergoeding, zoals bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB. De stukken van het geding laten voor dat geval geen andere slotsom toe dan dat het een vaste kostenvergoeding betreft. Bij een vaste kostenvergoeding is voor een gerichte vrijstelling volgens artikel 31a, derde lid, van de Wet LB (wettekst 2018) vereist dat aan die vergoeding een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt. De eis dat het onderzoek aan de vergoeding ‘ten grondslag ligt’, brengt mee dat het onderzoek moet hebben plaatsgevonden voordat de vergoeding wordt betaald. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat in een geval als dit, waarin de werkgever niet inhoudingsplichtig is, in redelijkheid niet kan worden verwacht dat die werkgever zich richt naar het systeem van de Nederlandse loonbelasting. De Hoge Raad heeft artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB zo uitgelegd dat in deze gevallen voor toepassing van de gerichte vrijstelling ook kan worden volstaan met een onderzoek naar de werkelijke kosten dat door de werknemer is gedaan zonder dat de werkgever daarbij betrokken was. Daarbij kan in redelijkheid van een werknemer niet worden verlangd dat hij dit onderzoek al heeft verricht voordat hij de vergoeding van zijn werkgever krijgt.\n\n4.17.. Belanghebbende heeft bij zijn aanvullende stuk van 12 mei 2026 een door hem opgesteld kostenonderzoek verstrekt. De inspecteur betwist dat dit een afdoende kostenonderzoek is. De inspecteur vindt het kostenonderzoek onder meer te algemeen van aard en wijst erop dat onderbouwende stukken ontbreken.\n\n4.18.. Naar het oordeel van de rechtbank is met het door belanghebbende gepresenteerde overzicht van beperkte omvang niet voldaan aan de voorwaarde dat aan de vergoedingen een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt. Het overzicht is qua aard van de kosten en tijdspanne te algemeen en bevat bovendien kosten die in de cao, in het bijzonder ‘Annex D’, niet tot vaste kostenvergoeding zijn gerekend. Op grond van dit overzicht kan niet worden vastgesteld welke kosten aan belanghebbende worden vergoed en of de hoogte van de vergoeding gebruikelijk is.\n\n4.19.. Bij gebrek aan dit onderzoek is de gerichte vrijstelling op grond van artikel 31a, derde lid, van de Wet LB (wettekst 2018) niet van toepassing. De inspecteur heeft de gerichte vrijstelling voor deze post dus terecht niet toegepast.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 31, lid 1, onderdeel f in samenhang met artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB).\n\n Artikel 11 van de Wet LB.\n\n Vgl. Hoge Raad 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1236.\n\n Vgl. Hoge Raad 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1236.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5368","2026-07-13T00:29:25.978Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":72,"fullText":87,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":36,"updatedAt":89},"1851","ECLI:NL:RBZWB:2026:5366","ecli-nl-rbzwb-2026-5366","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F2745\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 mei 2025.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.504. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur € 3.613 revisierente en € 84 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2023 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de rentebeschikkingen gegrond verklaard. De inspecteur heeft de revisierente verminderd tot € 3.513 en de belastingrente tot € 81.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld van zijn [echtgenote] en ter bijstand ondersteund door [persoon] , en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB\u002FPVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslag IB\u002FPVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende heeft een spaarkasovereenkomst afgesloten bij [verzekeringsmaatschappij] N.V. met [nummer] . Deze spaarkasovereenkomst is ingegaan op 1 april 1999.\n\n3.1.. Volgens het clausuleblad van 26 maart 1999 betreft de spaarkasovereenkomst een lijfrente als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Volgens het clausuleblad van 3 december 2003 betreft de spaarovereenkomst een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).\n\n3.2.. De polis is per 1 november 2012 premievrij gemaakt.\n\n3.3.. Op 4 oktober 2023 heeft belanghebbende de spaarkasovereenkomst afgekocht voor een bedrag van € 18.065. Bij deze afkoop is een bedrag van € 9.395 (52%) aan loonheffing ingehouden.\n\n3.4.. De inspecteur heeft een saldoverklaring verstrekt aan belanghebbende. Hierin is verklaard dat de betaalde premies uit 2012 van € 500 niet zijn afgetrokken in de aangifte IB\u002FPVV 2012.\n\n3.5.. Belanghebbende heeft de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2023 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.504, bestaande uit € 32.475 belastbare winst uit onderneming, € 17.565 afkoopsom lijfrente, en een negatief saldo aan inkomsten eigen woning voor een bedrag van € 3.536. Verder heeft belanghebbende een bedrag van € 3.613 aan revisierente in de betreffende aangifte vermeld.\n\n3.6.. De inspecteur heeft de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2023 vastgesteld conform de ingediende aangifte (zie 1.1). Voor de berekening van de revisierente is de inspecteur uitgegaan van een bruto afkoopsom van € 18.065.\n\n3.7.. Bij uitspraak op bezwaar is de inspecteur voor de berekening van de uitgegaan van een bruto afkoopsom van € 17.565.\n\nMotivering\n\n4. Belanghebbende stelt in de kern dat hij naar verhouding te veel belasting moet betalen ter zake van de afkoop van zijn lijfrente. Hij wijst erop dat de spaarkasovereenkomst een zogenoemde woekerpolis is gebleken en aanzienlijk minder heeft opgeleverd dan bij het aangaan van de spaarkasovereenkomst werd verwacht. Volgens belanghebbende had hij bovendien feitelijk geen andere keuze dan de lijfrente af te kopen, omdat deze anders op de einddatum zonder uitkering zou eindigen. Mede tegen die achtergrond vindt belanghebbende de verschuldigde belasting en revisierente disproportioneel en niet redelijk of billijk.\n\n4.1.. De rechtbank heeft in eerste plaats gekeken of de inspecteur de verschuldigde belasting ter zake van de afkoop van de lijfrente juist heeft berekend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de inspecteur de geldende wet- en regelgevingjuist heeft toegepast en de belasting tot het juiste bedrag heeft berekend. De rechtbank merkt daarbij op dat de inspecteur in zijn berekening er rekening mee heeft gehouden dat na 1 november 2012 geen premieaftrek door belanghebbende meer is genoten. Ook de revisierente, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, is naar het oordeel van de rechtbank overeenkomstig de geldende wet- en regelgevingtot het juiste bedrag berekend.\n\n4.2.. De rechtbank heeft begrip voor het standpunt van belanghebbende dat toepassing van de wet- en regelgeving in zijn situatie tot een belastingpercentage leidt, wat hij niet had voorzien. De wetgever heeft er echter voor gekozen om geen uitzonderingen te maken op de (fiscale) gevolgen die de wet verbindt aan de afkoop van een lijfrente. Bij afkoop worden de fiscale voordelen die gedurende de looptijd van de lijfrente konden worden genoten weer teruggenomen. Verder wordt over het achteraf ten onrechte genoten belastinguitstel een rentevergoeding verschuldigd.De rechtbank dient recht te spreken volgens de wet en het staat haar niet vrij om formele wetgeving te toetsen op haar innerlijke waarde of billijkheid.De rechtbank kan bepalingen die zien op de afkoop van een lijfrente ook niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, aangezien de Wet IB en de AWR, waarin die bepalingen staan, wetten in formele zin zijn en het verdisconteerde omstandigheden betreft.Dat betekent dat de rechtbank de keuze van de wetgever hier heeft te respecteren, ongeacht de persoonlijke omstandigheden die tot afkoop van de lijfrente hebben geleid.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB\u002FPVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Afdeling 3.8. van de Wet IB 2001.\n\n Artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).\n\n Vgl. bijv. Kamerstukken II1988\u002F89, 21198, nr. 3, p. 42.\n\n Artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28).\n\n Vgl. ook Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5366","2026-07-13T00:29:42.053Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":36,"updatedAt":97},"745","ECLI:NL:RBZWB:2026:2749","ecli-nl-rbzwb-2026-2749","2026-04-09T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 24\u002F7160\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 april 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. S.B.M.A. Engelen),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 september 2024.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.629.\n\n1.2.. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 200 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd.\n\n1.3.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar behandeld als verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft de verzuimboete verminderd naar € 60.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] deelgenomen. Belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank beoordeelt tevens of de inspecteur op juiste grond een aanslag IB\u002FPVV 2020 heeft opgelegd aan belanghebbende. Daarbij is ook in geschil of de verzuimboete- en belastingrentebeschikking terecht en naar de juiste hoogten zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De aanslag IB\u002FPVV 2020, de verzuimboete- en belastingrentebeschikking zijn terecht en naar de juiste hoogte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n4. Belanghebbende verbleef in de onderhavige periode achtereenvolgens in een penitentiaire inrichting en een tbs-kliniek.\n\n4.1.. Uit de informatie van het UWV volgt dat belanghebbende in 2020 een Wajong-uitkering heeft genoten van € 21.629. Op deze uitkering is een bedrag van € 2.521 aan loonheffing ingehouden.\n\n4.2.. De inspecteur heeft een uitnodiging, herinnering en aanmaning tot doen van aangifte verzonden naar het adres Carl Barksweg 3 te Almere.\n\n4.3.. Namens belanghebbende is bij brief met dagtekening 16 augustus 2023 verzocht om vrijstelling van de aangifteplicht. De inspecteur heeft per brief met dagtekening 26 september 2023 laten weten onder voorbehoud aan dit verzoek tegemoet gekomen met ingang van het jaar 2021.\n\nMotivering\n\nIs het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard?\n\n5. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken.Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.\n\n5.1.. Vast staat dat de dagtekening van de aanslag 9 augustus 2023 is. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift eindigde dus op 20 september 2023. Belanghebbende stelt in augustus 2023 tijdig in bezwaar te zijn gegaan tegen de aanslag IB\u002FPVV 2020. De inspecteur stelt dat het bericht van augustus 2023 niet aangemerkt kon worden als bezwaarschrift. Het bezwaarschrift tegen de aanslag IB\u002FPVV 2020 is, aldus de inspecteur, ontvangen op 6 december 2023. Dit is ruim twee maanden na het verstrijken van de bezwaartermijn.\n\n5.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 16 augustus 2023 alleen een verzoek om vrijstelling van de aangifteplicht. Het onderwerp van de brief is: “Bezwaar tegen het doen van aangifte inkomstenbelasting”. De brief heeft de inspecteur terecht niet opgevat als bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2020 omdat de brief daar niet over gaat.\n\n5.3.. Het bericht van 6 december 2023 kan wel als bezwaarschrift tegen de aanslag IB\u002FPVV 2020 aangemerkt worden. Dit bezwaarschrift is naar het oordeel van de rechtbank onverschoonbaar te laat ingediend. Het bezwaarschrift is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.\n\nRechtsstreek beroep beschikking ambtshalve vermindering aanslag IB\u002FPVV 2020\n\n6. Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank dan als rechtstreeks beroep kan oordelen over de afwijzende beschikking ambtshalve vermindering. Belanghebbende stelt dat de aanslag IB\u002FPVV 2020 vernietigd moet worden omdat met de inspecteur overeen is gekomen dat de aanslagen over de tijdvakken 2019 tot en met 2023 worden vernietigd, althans op nihil gesteld zullen worden. Daarnaast stelt belanghebbende sinds 2014 gedetineerd te zijn waardoor hij al tien jaar geen inkomsten heeft. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende aangegeven dat boven tafel is gekomen dat het UWV de betaling later heeft gedaan waardoor het genietingsmoment later is. De inspecteur voert aan dat uit de ter beschikking staande gegevens voldoende reden volgt om te vermoeden dat belanghebbende meer IB\u002FPVV verschuldigd zou zijn in 2020 dan aan voorheffingen is ingehouden.\n\n6.1.. De rechtbank stelt vast dat het UWV een nabetaling in één keer heeft uitbetaald. Het genietingsmoment van het gehele bedrag is daardoor volgens de wet in 2020. Dit pakt voor belanghebbende ‘onder de streep’ nadeliger uit dan wanneer het bedrag per jaar was uitbetaald. Dat is tussen partijen niet in geschil. Uit de renseignementen volgt dat de inspecteur het juiste bedrag van de Wajong-uitkering heeft opgenomen in de aanslag IB\u002FPVV 2020. De aanslag IB\u002FPVV 2020 is naar het oordeel van de rechtbank naar de juiste grond en naar de juiste hoogte opgelegd en belanghebbende heeft dus niet doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld.\n\n6.2.. De rechtbank begrijpt van de inspecteur dat hij soortgelijke zaken ziet waarin het UWV het ‘nadeel’ van de betaling in een keer, compenseert. De rechtbank overweegt dat binnen de wettelijke kaders van het belastingrecht daar geen mogelijkheid voor is. Voor een eventuele compensatie zou een verzoek aan het UWV kunnen worden gericht.\n\n6.3.. De stelling van belanghebbende dat overeen is gekomen dat de aanslagen over de tijdvakken 2019 tot en met 2023 zouden worden vernietigd of op nihil zouden worden gesteld wordt naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende onderbouwt deze stelling niet en reeds daarom blijkt daar niet uit dat de aanslag te hoog is vastgesteld.\n\nIs sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?\n\n7. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de uitspraken op bezwaar onvoldoende deugdelijk en begrijpelijk heeft gemotiveerd. Hierdoor heeft, aldus belanghebbende, geen integrale heroverweging van het primaire besluit plaatsgevonden.\n\n7.1.. Een uitspraak op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de uitspraak op bezwaar deugdelijk gemotiveerd. Zo heeft de inspecteur uitgelegd waarom het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Verder heeft de inspecteur het bezwaarschrift aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur is deels tegemoet gekomen aan het verzoek en dit is deugdelijk gemotiveerd. Ondanks dat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, heeft er een integrale heroverweging van het primaire besluit plaatsgevonden.\n\n7.2.. Voor zover belanghebbende stelt dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel omdat belanghebbende erop mocht vertrouwen dat hij geen aangifte hoefde te doen voor het jaar 2020, slaagt dit beroep niet. Uit de stukken blijkt niet dat een dergelijke toezegging aan belanghebbende is gedaan.\n\nIs de boetebeschikking terecht en naar de juiste hoogte opgelegd?\n\n8. De inspecteur kan een verzuimboete opleggen als de belastingplichtige geen aangifte heeft gedaan binnen een in de aanmaning gestelde termijn.\n\n8.1.. Belanghebbende heeft de aangifte IB\u002FPVV 2020 niet tijdig ingediend, ondanks dat hij daartoe is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand. De verzuimboete is in beginsel dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende stelt echter dat sprake is van afwezigheid van alle schuld.\n\n8.2.. Naar het oordeel van de rechtbank had belanghebbende geen vrijstelling voor het doen van aangifte voor het jaar 2020 (zie ook punt 6.3). Van afwezigheid van alle schuld is daarom geen sprake. Belanghebbende heeft geen aangifte gedaan terwijl hij hiervoor wel was uitgenodigd, herinnerd en aangemaand waardoor de verzuimboete terecht opgelegd is.\n\n8.3.. De inspecteur heeft de verzuimboete in bezwaar verminderd van € 385 naar € 60. Deze verminderde verzuimboete is naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden.\n\nUndue delay\n\n9. De rechtbank constateert ambtshalve dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie. De boete is minder dan € 1.000 waardoor de verdragsschending met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden naar het oordeel van de rechtbank voldoende is gecompenseerd.\n\nBelastingrente\n\n10. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB\u002FPVV 2020, de verzuimboete- en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Dit volgt uit artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 67a, eerste lid, van de AWR.\n\n Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, r.o. 4.2.3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2749","2026-07-13T00:28:46.173Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":102,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":36,"updatedAt":104},"729","ECLI:NL:RBZWB:2026:2744","ecli-nl-rbzwb-2026-2744","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 24\u002F6232 en 24\u002F6233\n\nuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 april 2026 in de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. N. Idrissi),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 18 juli 2024.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.838. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende bij beschikking € 491 belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.104. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende bij beschikking € 687 belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.3.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.\n\n1.4.. De rechtbank heeft de beroepen op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en zijn gemachtigde. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. drs. [inspecteur 2] deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en 2020 naar de juiste hoogten zijn opgelegd. Daarvoor beoordeelt de rechtbank of de inspecteur ten onrechte gebruikelijk loon in aanmerking heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en 2020 naar de juiste hoogten opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n4. Belanghebbende is bestuurder en 100% aandeelhouder van [bv1] en [bv2] .\n\n4.1.. De onderneming [bv1] is bestuurder en 100% aandeelhouder van [bv3] en [bv4] . [bv2] is bestuurder en 100% aandeelhouder van [bv5] .\n\n4.2.. Uit de renseignementen volgt dat belanghebbende de volgende inkomsten heeft genoten in 2019:\n\nInhoudingsplichtige\n\nLoon\n\nLoonheffing\n\n [bv6]\n\n€ 31.704\n\n€ 6.493\n\n [bv2]\n\n€ 45.000\n\n€ 16.840\n\n4.3.. Uit de renseignementen volgt dat belanghebbende de volgende inkomsten heeft genoten in 2020:\n\nInhoudingsplichtige\n\nLoon\n\nLoonheffing\n\n [bv6]\n\n€ 6.462\n\n€ 1.485\n\n [bv2]\n\n€ 45.000\n\n€ 16.800\n\n [bv7]\n\n€ 30.418\n\n€ 6.750\n\n4.4.. \n [bv2] heeft in haar aangiften loonbelasting een bedrag aan loon opgenomen van € 45.000. Belanghebbende is de enige persoon in de loonadministratie.\n\n4.5.. Belanghebbende heeft het loon van [bv2] niet opgenomen in de aangiften IB\u002FPVV 2019 en 2020.\n\nMotivering\n\nHeeft de inspecteur ten onrechte gebruikelijk loon in aanmerking gebracht?\n\n5. Belanghebbende stelt geen arbeid verricht te hebben voor [bv2] waardoor de gebruikelijk-loonregeling niet van toepassing is. De inspecteur voert aan dat belanghebbende wel arbeid heeft verricht. Dit volgt onder meer uit de loonaangifte van [bv2] , aldus de inspecteur.\n\n5.1.. De gebruikelijk-loonregeling van artikel 12a Wet LB 1964 is van toepassing ten aanzien van de werknemer die arbeid heeft verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende een aanmerkelijk belang heeft in [bv2] . In geschil is de vraag of belanghebbende arbeid verricht heeft voor [bv2] .\n\n5.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht gebruikelijk loon in aanmerkingen genomen voor de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en 2020. Aan belanghebbende zijn significante lonen verloond vanuit [bv2] en op basis daarvan acht de rechtbank door de inspecteur aannemelijk gemaakt dat er gewerkt is voor dat loon. Belanghebbende was directeur-grootaandeelhouder van meerdere besloten vennootschappen en werd ook verloond vanuit deze andere vennootschappen. De inspecteur heeft hier rekening mee gehouden door maar één keer gebruikelijk loon in aanmerking te nemen. Tegenover de met stukken onderbouwde stellingen van de inspecteur is enkel de blote stelling dat belanghebbende een katvanger is, onvoldoende om te kunnen oordelen dat er geen gebruikelijk loon in aanmerking moet worden genomen.\n\nBelastingrente\n\n6. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en IB\u002FPVV 2020 in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2744","2026-07-13T00:28:45.212Z",{"id":106,"ecli":107,"slug":108,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":109,"fullText":110,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":111,"sourceTimestamp":109,"parsedAt":36,"updatedAt":112},"1060","ECLI:NL:RBZWB:2025:1528","ecli-nl-rbzwb-2025-1528","2025-03-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F3556, 23\u002F3557 en 23\u002F3558\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2025 in de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. M.C.J. Schoenmakers),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 juni 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2017 aan belanghebbende opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur een aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2019 aan belanghebbende opgelegd. Bij gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019 genomen beschikkingen heeft de inspecteur boetes aan belanghebbende opgenomen. Verder heeft de inspecteur bij gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen genomen beschikkingen belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht. Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven:\n\nJaar\n\nSoort\n\nDagtekening\n\nAanslagnummer\n\nBelasting\n\nBoete\n\nRente\n\n2017\n\nIB\u002FPVV\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .H.77.01\n\n€ 5.599\n\n€ 2.799\n\n€ 828\n\n2017\n\nZvw\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .W.77.01.4\n\n€ 1.526\n\n-\n\n€ 225\n\n2019\n\nIB\u002FPVV\n\n10 mei 2022\n\n [BSN] .H.96.01\n\n€ 100.991\n\n€ 50.495\n\n€ 1\n\n1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019, de navorderingsaanslag Zvw 2017 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen gegrond verklaard en deze verminderd tot de volgende bedragen:\n\nJaar\n\nSoort\n\nDagtekening\n\nAanslagnummer\n\nBelasting\n\nBoete\n\nRente\n\n2017\n\nIB\u002FPVV\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .H.77.01\n\n€ 4.455\n\n€ 1.782\n\n€ 658\n\n2017\n\nZvw\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .W.77.01.4\n\n€ 1.390\n\n-\n\n€ 204\n\n2019\n\nIB\u002FPVV\n\n10 mei 2022\n\n [BSN] .H.96.01\n\n€ 100.164\n\n€ 40.065\n\n€ 0\n\n1.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 6 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde, en namens de inspecteur drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019, de navorderingsaanslag Zvw 2017, en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019, de navorderingsaanslag Zvw 2017, en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende opgelegd. Ook de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019 zijn terecht aan belanghebbende opgelegd.De boetes moeten wel worden verminderd in verband met ‘undue delay’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende heeft in 2017 en in 2019 geen fiscaal partner. Belanghebbende staat sinds 6 april 2011 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het [adres 1] te [plaats 1] .\n\n3.1.. Belanghebbende drijft sinds 1 juli 2017 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [naam bedrijf] . De activiteiten van de eenmanszaak bestaan – kort gezegd – uit het drijven van een autohandel.\n\n3.2.. Belanghebbende huurt een gedeelte van een loods aan [adres 2] te [plaats 2] , alwaar hij zijn autohandel drijft. Verder beschikt belanghebbende samen met zijn vader over een woning [in land] .\n\nVoorafgaand3.3.. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017. De aanmaningstermijn eindigde op 27 juli 2018.\n\n3.4.. Belanghebbende heeft op 26 maart 2019 een aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017 ingediend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 573. De aanslag IB\u002FPVV 2017 is – overeenkomstig de aangifte – vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 573. De aanslag Zvw 2017 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van nihil.\n\n3.5.. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2019. Belanghebbende heeft op 30 april 2020 een aangifte IB\u002FPVV 2019 ingediend naar een verzamelinkomen van nihil.\n\nStrafrechtelijk onderzoek3.6.. Op 31 januari 2019 is een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘Exeter’ gestart naar onder meer belanghebbende vanwege grootschalige import van en handel in cocaïne.\n\n3.7.. Op 23 april 2019 heeft door de politie een doorzoeking van de loods in [plaats 2] plaatsgevonden. Op een aantal niet direct zichtbare plaatsen in de loods zijn door de politie onder meer blokken cocaïne, hoeveelheden hennep en een hoeveelheid hasjiesj aangetroffen. Daarnaast is door de politie in de loods een kluis met daarin drie vuurwapens en munitie aangetroffen.\n\n3.8.. Op 24 april 2019 is de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] doorzocht. In de woning is door de politie onder meer een stoffen etui met daarin € 1.700, een fles met daarin papier- en muntgeld van in totaal € 1.520,34, een zwart\u002Fgele doos van het merk Breitling en een ring met sleutels aangetroffen.\n\n3.9.. Op 24 april 2019 zijn ook een aantal garageboxen in [plaats 1] doorzocht die in eigendom waren van de overleden grootvader van belanghebbende en door belanghebbende regelmatig werden gebruikt. In de garageboxen is door de politie onder meer een aantal lampen, een groot aantal plantenpotten, een blok hasjiesj en een zak met vijftig driehoekige pillen aangetroffen.\n\n3.10.. \n\nBelanghebbende is bij vonnis van 6 november 2019 door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot een gevangenisstraf van eenenveertig maanden. De rechtbank Oost-Brabant acht onder meer bewezenverklaard dat belanghebbende:\n\n“1.\n\n- omstreeks 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] ) ongeveer 6 kilo van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst\n\n- op 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze, opzettelijk heeft bewerkt en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] ) ongeveer 1 kilo, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1.\n\n2.\n\nop 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] een hoeveelheid van in totaal 9.435 gram hennep en 43 gram hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\n3.\n\nop 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze,\n\nBrief wapens en munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:\n\n- een vuurwapen (revolver) van het merk\u002Ftype Smith & Wesson Sw9v en\n\n- een vuurwapen (pistool) van het merk\u002Ftype Sig Sauer Mosquito en\n\n- een vuurwapen (pistool) van het merk\u002Ftype Smith & Wesson Magnum 357 en\n\n- meerdere patronen Winchester.22 en Settler en Bellot 9 mm en Magnum 357. voorhanden heeft gehad”\n\n3.11.. Het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant staat onherroepelijk vast.\n\nFiscaal onderzoek3.12.. De inspecteur heeft naar aanleiding van persberichten over de inval in het garagebedrijf in [plaats 2] aan de officier van justitie op grond van artikel 55 van de AWR om gegevens en inlichtingen gevraagd uit het strafrechtelijk onderzoek (artikel 55 AWR-verzoek). De inspecteur heeft op 20 juni 2019 gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende ontvangen. Later heeft de inspecteur ook het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 6 november 2019 ontvangen.\n\n3.13.. De inspecteur heeft bij brief van 28 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat hij een onderzoek is gestart naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019.\n\n3.14.. De inspecteur heeft op 12 mei 2021 de administratie opgevraagd van [B.V.] . Van [B.V.] zijn geen gegevens ontvangen.\n\n3.15.. De inspecteur heeft op 26 mei 2021 gegevens opgevraagd bij de verhuurder van de loods te [plaats 2] . De gevraagde gegevens zijn verstrekt.\n\n3.16.. De inspecteur heeft op 28 juni 2021 om gegevens van de bankrekeningen van belanghebbende bij de Rabobank, ABN-AMRO en SNS Bank opgevraagd. De Rabobank en de ABN-AMRO hebben de gevraagde gegevens verstrekt.\n\n3.17.. \n\nDe bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat op 2 maart 2022 aan belanghebbende is toegestuurd. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:\n\n“6 Inkopen\n\nDe vastgestelde prijs voor onversneden cocaïne bedraagt aan importwaarde ongeveer € 25.000 per kilo, de eindgebruiker betaalt het dubbele hiervan. De inkoopwaarde van cannabis bedraagt € 2.000 per kilo. Dit volgens de website drugsinfo.nl.\n\nInkoop:\n\n6, 978 X € 25.000 = € 174.450\n\n9, 478 X € 2.000 = € 18.956\n\nTotaal = € 193.406\n\nDoor belastingplichtige is een investering gepleegd van € 193.406. Belastingplichtige geeft aan bij zijn aangifte IB 2019 niet over enig inkomen of vermogen te beschikken, hij geeft nul\u002Fnihil aan. Met andere woorden, er is over drie jaar geen winst uit onderneming genoten. Kosten gaan vaak voor de baten, dus mogelijk zijn er wel uitgaven geweest. Indien er geen fiscaal inkomen bekend is dan dringt natuurlijk direct de vraag op waarmee wordt dan in het levensonderhoud voorzien. Het is immers ook een algemeen bekend feit dat in het criminele milieu bij overdracht van de waar het \"boter bij de vis” principe geldt, namelijk een levering gevolgd door een contante betaling.\n\n(…)\n\nDoor ons is de inkoop 2019 vastgesteld op € 193.406.\n\n(gebaseerd op de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen met een inkoopprijs tegen een vastgestelde prijs).”\n\nEn:\n\n“7.3. Recapitulatie vermogensvergelijking\n\nHet resultaat van de vermogensvergelijking toont aan dat belanghebbende structureel meer uitgaven heeft dan uit het fiscaal bekende inkomen van nul kan worden voldaan.\n\n”\n\nVerdere verloop3.18.. De inspecteur heeft – conform zijn bevindingen in het controlerapport – de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017, de aanslag IB\u002FPVV 2019 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen vastgesteld (zie 1.1.).\n\n3.19.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen en beschikkingen. De inspecteur heeft de bezwaren gegrond verklaard en de aanslagen, boete- en belastingrentebeschikkingen verminderd.\n\nMotivering\n\n2017\n\nOmkering en verzwaring bewijslast\n\n4. De inspecteur beroept zich op de omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende volgens hem niet de vereiste aangifte IB\u002FPVV 2017 heeft gedaan.\n\n4.1.. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op de bezwaren onjuist zijn (omkering en verzwaring van de bewijslast).\n\n4.2.. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. De hiervoor bedoelde bewijslast rust op de inspecteur omdat hij stelt dat belanghebbende meer belastbare inkomsten heeft genoten dan aangegeven in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017.\n\n4.3.. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking voor het jaar 2017 overgelegd, welke in de bezwaarfase door de inspecteur is gecorrigeerd en stelt zich op grond van de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking op het standpunt dat belanghebbende € 25.751 meer aan inkomsten moet hebben genoten dan is aangegeven in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017. Uit de vermogensvergelijking blijkt volgens de inspecteur dat belanghebbende meer uitgaven heeft gedaan dan hij met de door hem aangegeven inkomsten had kunnen doen. Belanghebbende heeft dus inkomen gehad en dat niet aangegeven. Verder stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden.\n\n4.4.. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast en overweegt daartoe als volgt. Een vermogensvergelijking kan een geschikte methode zijn om aannemelijk te maken dat er niet-aangegeven inkomen is. Indien een adequaat opgestelde vermogensvergelijking erin resulteert dat er sprake is van een negatief netto privé, betekent dat immers dat er nog een andere bron moet zijn die een verklaring vormt voor het ter beschikking hebben van deze gelden waar iemand de beschikking over moet hebben gehad. Een negatief netto privé is namelijk uit de aard van de zaak niet mogelijk; belanghebbende beschikt dan over meer geld dan waarover hij zou moeten kunnen beschikken als zijn belastingaangiften zouden kloppen. Indien er geen andere plausibele bron is, is als uitgangspunt aannemelijk dat werkzaamheden zijn verricht waarmee inkomen is verdiend. De (gecorrigeerde) vermogensvergelijking van de inspecteur is naar het oordeel van de rechtbank adequaat. Aan de in de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking opgenomen bedragen liggen namelijk concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag. Deze bedragen vormen het negatieve saldo van de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en laten zien dat belanghebbende meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017 heeft aangegeven. Belanghebbende heeft de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking niet betwist. Belanghebbende stelt wel dat er in de vermogensvergelijking ook rekening had moeten worden gehouden met de waarde van zijn auto’s op 1 januari 2017. De rechtbank volgt belanghebbende daarin niet. In een vermogensvergelijking wordt alleen rekening gehouden met de inkomsten en uitgaven in het betreffende jaar. De inspecteur heeft met de verkoopopbrengst van twee auto’s in 2017 reeds rekening gehouden en de vermogensvergelijking in de bezwaarfase daarop gecorrigeerd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gedurende het jaar 2017 nog andere auto’s heeft verkocht. Er is dan ook ten aanzien van de auto’s geen resultaat waarmee nog rekening moet worden gehouden in de vermogensvergelijking. Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven voor het beschikken over het onverklaarde geld, het negatief netto privé. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende in 2017 inkomsten heeft genoten ter grootte van het (gecorrigeerde) negatief netto privé van € 25.751.\n\n4.5.. De rechtbank stelt vast dat, nu belanghebbende in zijn aangifte in het geheel geen inkomsten uit werk en woning heeft verantwoord, belanghebbende in 2017 in ieder geval aanzienlijke inkomsten heeft genoten die hij niet heeft aangegeven. Dit heeft ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is van oordeel, gelet op de hoogte van de uitgaven zonder dat daar in de aangifte inkomen of liquide vermogen tegenover staat, dat belanghebbende zich bij het doen van aangifte bewust moet zijn van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Dat betekent dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De bewijslast kan in dat geval worden omgekeerd en verzwaard en dat acht de rechtbank ook aangewezen. Dat geldt voor zowel de navorderingsaanslag IB\u002FPVV als de navorderingsaanslag Zvw 2017.\n\nRedelijke schatting4.6.. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017 onjuist zijn.\n\n4.7.. De rechtbank acht de schatting van de inspecteur redelijk. De inspecteur heeft de berekening van het belastbare inkomen gebaseerd op de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking en die vermogensvergelijking is voldoende onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens om als redelijk en niet willekeurig te worden aangemerkt.\n\n4.8.. Belanghebbende stelt nog dat het inkomen moet worden aangemerkt als winst uit onderneming. Als gevolg van de omkering en verzwaring van de bewijslast rust op belanghebbende de last om te doen blijken dat de inkomsten moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming. Belanghebbende heeft in het geheel geen onderbouwing gegeven met concrete verifieerbare stukken voor zijn stelling dat de aanslag te hoog is. Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat belanghebbende niet voldoet aan de in dit kader op hem rustende bewijslast en de inspecteur de inkomsten terecht heeft aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheid.\n\n4.9.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur de ROW-correctie van € 25.751 terecht heeft aangebracht. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw voor het jaar 2017 blijven daarom in stand. Voor dat geval blijven ook de bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand.\n\nBoete4.10.. Aan belanghebbende is bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende ertoe geleid dat de aanslag IB\u002FPVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld. De inspecteur heeft de boete bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 1.782. Daarbij heeft de inspecteur het boetepercentage verminderd tot 40% van de verschuldigde belasting en de boete nog verder verminderd met 20% om rekening te houden met het feit dat de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering van de bewijslast.\n\n4.11.. De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’.De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende de aanslag IB\u002FPVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld.\n\n4.12.. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).\n\n4.13.. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat sprake is van ten minste voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het aan het voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten is dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld. Belanghebbende heeft aanmerkelijk meer geld uitgegeven dan uit het aangegeven inkomen en vermogen verklaard kan worden. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende in zijn aangiften geen inkomensbron vermeldt die deze uitgaven heeft kunnen voeden, concludeert de rechtbank dat hij dit inkomen bewust buiten het zicht van de belastingdienst heeft gehouden om hierover geen belasting te betalen. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat het een feit van algemene bekendheid is dat genoten inkomsten en aanwezig vermogen moeten worden aangegeven. Het gaat verder om bedragen van een substantiële omvang. De inspecteur heeft de boete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.\n\n4.14.. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een boete van € 1.782 passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden dat de inspecteur de boete reeds heeft verminderd met 20% omdat de boetegrondslag is vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat acht de rechtbank voldoende omdat de boetegrondslag voor 2017 is gebaseerd op de vermogensvergelijking, waaraan concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag liggen.\n\n4.15.. De duur van de procedure vormt voor de rechtbank aanleiding om de boete te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 2 februari 2022 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het concept controlerapport waarin de boete is aangekondigd aan belanghebbende is toegezonden. De rechtbank doet uitspraak op 17 maart 2025. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) drie jaar en twee maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met één jaar en twee maanden.De boete wordt daarom verder worden gematigd met 15% tot € 1.514.\n\n2019\n\nOmkering en verzwaring bewijslast\n\n5. De inspecteur beroept zich op de omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende volgens hem niet de vereiste aangifte IB\u002FPVV 2019 heeft gedaan. De inspecteur dient dat – zoals hiervoor onder 4.1. en 4.2. overwogen – aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken.\n\n5.1.. De inspecteur heeft ook voor het jaar 2019 een vermogensvergelijking overgelegd, welke in de bezwaarfase door de inspecteur is gecorrigeerd en de inspecteur stelt zich thans op grond van de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking op het standpunt dat belanghebbende ten minste € 18.794 meer aan inkomsten moet hebben genoten dan aangegeven in zijn aangifte IB\u002FPVV 2019. Uit de vermogensvergelijking blijkt volgens de inspecteur dat belanghebbende meer uitgaven heeft gedaan dan hij met de door hem aangegeven inkomsten had kunnen doen. Verder stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden.\n\n5.2.. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast en overweegt daartoe als volgt. De (gecorrigeerde) vermogensvergelijking van de inspecteur is naar het oordeel van de rechtbank adequaat. Aan de in de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking opgenomen bedragen liggen namelijk concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag. Deze bedragen vormen het negatieve saldo van de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en laten zien dat belanghebbende meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangifte IB\u002FPVV 2019 heeft aangegeven. Belanghebbende heeft de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking niet betwist. Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven voor het beschikken over deze gelden, het negatief netto privé. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende in 2019 inkomsten heeft genoten ter grootte van het (gecorrigeerde) negatief netto privé van € 18.794.\n\n5.3.. De rechtbank stelt vast dat, nu belanghebbende in zijn aangifte in het geheel geen inkomsten uit werk en woning heeft verantwoord, belanghebbende in 2019 in ieder geval aanzienlijke inkomsten heeft genoten die hij niet heeft aangegeven. Dit heeft ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is van oordeel, gelet op de hoogte van de uitgaven zonder dat daar in de aangifte inkomen of liquide vermogen tegenover staat, dat belanghebbende zich bij het doen van aangifte bewust moet zijn van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Dat betekent dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De bewijslast kan in dat geval worden omgekeerd en verzwaard, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank ook aangewezen is.\n\nRedelijke schatting5.4.. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de aanslag IB\u002FPVV 2019 onjuist is.\n\n5.5.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen uitgegaan van een redelijke schatting. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Voor zover de schatting berust op de vermogensvergelijking, is de rechtbank van oordeel dat de schatting niet onredelijk of willekeurig is. De vermogensvergelijking is voldoende onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. De inspecteur heeft het overige deel zijn schatting gebaseerd op betrokkenheid bij drugshandel en dat belanghebbende daarmee inkomen moet hebben verdiend. Dat blijkt ook uit de tijdens de doorzoeking in de loods aangetroffen hoeveelheden cocaïne (6,978 kilogram) en cannabis (9,478 kilogram), welke zaken met onverklaard geld zijn gekocht. Gelet op de stukken van het geding, in het bijzonder de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek, zijn er ook verdere aanknopingspunten dat belanghebbende betrokken is geweest bij drugshandel. Dit wordt als zodanig door belanghebbende ook niet bestreden. Belanghebbende bestrijdt wel dat hij eigenaar was van de in de loods aangetroffen drugs.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur bij deze stand van zaken er terecht vanuit gegaan dat de aangetroffen drugs wel aan belanghebbende toebehoorden, aangezien er in het strafdossier voldoende aanknopingspunten daarvoor te vinden zijn en overigens ook uit het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant blijkt dat belanghebbende op enig moment heeft erkend dat de drugs hem toebehoorden. De inspecteur heeft de schatting van het inkomen dat moet zijn verdiend om de in de loods aangetroffen drugs aan te kunnen schaffen verder gebaseerd op een berekening van de inkoopwaarde van de aangetroffen drugs. De gehanteerde inkoopprijzen heeft de inspecteur gebaseerd op gegevens van de website drugsinfo.nl. De rechtbank acht deze uitgangspunten niet onredelijk. Belanghebbende heeft verder geen openheid van zaken gegeven over het genoten inkomen vanuit deze handel. Het strafdossier bevat een aantal aanknopingspunten die erop wijzen dat belanghebbende al langer en daarmee ook in het begin van 2019, actief was in de drugshandel. De rechtbank acht de veronderstelling van de inspecteur dat belanghebbende de inkomsten met drugshandel in 2019 heeft verdiend daarom ook niet onredelijk. Verder acht de rechtbank de blote stelling van belanghebbende dat hij geen inkomsten met drugshandel heeft verdiend ook tegen de achtergrond van het kunnen beschikken over onverklaard vermogen, ongeloofwaardig en zij verwerpt daarom deze stelling.\n\n5.6.. Op belanghebbende rust de last te doen blijken dat het geschatte inkomen onjuist is. Belanghebbende heeft in dat verband aangevoerd dat er ook een medeverdachte was in het strafproces, zodat slechts € 96.703 van het geschatte inkomen aan hem kan worden toegerekend. Dit betreft enkel een blote stelling. Een blote stelling, welke gemotiveerd bestreden wordt, kan niet leiden tot het oordeel dat belanghebbende daarmee heeft doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld en slaagt reeds daarom niet.\n\n5.7.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur de ROW-correctie van € 212.200 terecht heeft aangebracht. De aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2019 blijft daarom in stand.\n\nBoete5.8.. Aan belanghebbende is bij de aanslag IB\u002FPVV 2019 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67d van de AWR en paragraaf 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk een onjuiste aangifte IB\u002FPVV 2019 gedaan. De inspecteur heeft de boete bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 40.065. Daarbij heeft de inspecteur het boetepercentage verminderd tot 40% van de verschuldigde belasting en de boete nog verder verminderd met 20% om rekening te houden met het feit dat de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering van de bewijslast.\n\n5.9.. De rechtbank zal – onder verwijzing naar het overwogene onder 4.11. en 4.12. – beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende een onjuiste aangifte IB\u002FPVV 2019 heeft gedaan.\n\n5.10.. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat sprake is van ten minste voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten is dat de aangifte IB\u002FPVV 2019 onjuist of onvolledig is gedaan. Belanghebbende heeft aanmerkelijk meer uitgegeven dan uit het aangegeven inkomen en vermogen verklaard kan worden. Daarnaast acht de rechtbank – in het bijzonder gelet op de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek in samenhang met de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant waarin staat vermeld dat belanghebbende heeft erkend dat de drugs aan hem toebehoren – ook overtuigend aangetoond dat belanghebbende in 2019 inkomsten heeft genoten om de in de loods aangetroffen drugs aan te kunnen schaffen. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs – onder andere kilo’s cocaïne en kilo’s cannabis – moet het om significante bedragen gaan waarmee dit is gekocht. Belanghebbende heeft deze inkomsten niet aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende dat bewust heeft gedaan. Daarbij neemt de rechtbank ook in ogenschouw dat het een feit van algemene bekendheid is dat genoten inkomsten en aanwezig vermogen moeten worden aangegeven en dat het gaat om bedragen van een substantiële omvang. Door deze inkomsten niet aan te geven heeft belanghebbende aldus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangifte IB\u002FPVV 2019 onjuist zou zijn.\n\n5.11.. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een boete van € 40.065 passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden dat de inspecteur de boete reeds heeft verminderd met 20% omdat de boetegrondslag is vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat acht de rechtbank voldoende omdat de boetegrondslag voor 2019 is gebaseerd op de vermogensvergelijking, waaraan concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag liggen en exact aansluit bij de in de loods aangetroffen hoeveelheden drugs wat slechts een momentopname betrof.\n\n5.12.. De duur van de procedure vormt voor de rechtbank aanleiding om de boete verder te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 2 februari 2022 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het concept controlerapport waarin de boete is aangekondigd aan belanghebbende is toegezonden. De rechtbank doet uitspraak op 17 maart 2025. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) drie jaar en twee maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met één jaar en twee maanden.De boete wordt daarom verder worden gematigd met 15% tot € 34.055.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. De beroepen zijn ongegrond.De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017, de aanslag IB\u002FPVV 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen blijven in stand. De boete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 wordt verminderd tot € 1.514 en de boete bij de aanslag IB\u002FPVV 2019 wordt verminderd tot € 34.055.\n\n6.1.. Omdat de beroepen ongegrond zijn krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten en krijgt hij ook het door hem betaalde griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019;\n\nvermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 tot € 1.514;\n\nvermindert de boete bij de aanslag IB\u002FPVV 2019 tot € 34.055.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 17 maart 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 27e, eerste lid, van de AWR.\n\n Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.\n\n Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\n Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.\n\n Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\n Ambtshalve vermindering van de boete in verband met undue delay, leidt niet tot een gegrond beroep (vgl. Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:1528","2026-07-13T00:29:02.059Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":117,"fullText":118,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":119,"sourceTimestamp":117,"parsedAt":36,"updatedAt":120},"1115","ECLI:NL:RBZWB:2024:7943","ecli-nl-rbzwb-2024-7943","2024-11-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 23\u002F9007\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2024 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. M.W.F.G. Vervoort),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 juli 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 150.666 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.896.\n\n1.2.. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 3.844 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).\n\n1.3.. \n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 142.077 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.896. De belastingrentebeschikking is verminderd naar een bedrag van\n\n€ 1.638.\n\n1.4.. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende mr. S. Sikkens en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\nFeiten\n\n2. Belanghebbende is woonachtig in Nederland. Sinds 2008 is hij als verkeersvlieger in loondienst bij [vliegtuigmaatschappij] . De werkelijke leiding van [vliegtuigmaatschappij] is gelegen in het Verenigd Koninkrijk.2.1.. Belanghebbende is gestationeerd op een luchthaven in [plaats 2] , Italië. In het jaar 2018 heeft belanghebbende 62,3% van zijn werkzaamheden op of boven het grondgebied van Italië verricht.\n\n2.2.. Belanghebbende is geen verzekerde voor de premies volksverzekeringen.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft op 31 maart 2020 aangifte inkomstenbelasting (hierna: IB) gedaan voor het jaar 2018. In de aangifte heeft belanghebbende de volgende bedragen opgenomen:\n\nBuitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking: € 83.842\n\nInkomsten uit eigen woning: -\u002F- € 3.195\n\nBelastbaar inkomen uit werk en woning: € 80.647\n\nBelastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 4.896\n\nBelanghebbende heeft voor de buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 83.842 verzocht om voorkoming van dubbele belasting.\n\n2.4.. Met dagtekening 30 mei 2020 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2018 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte.\n\n2.5.. Bij de definitieve aanslag IB\u002FPVV 2018 is de inspecteur afgeweken van de aangifte. De inspecteur heeft de volgende bedragen vastgesteld:\n\nBuitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking: € 153.861\n\nInkomsten uit eigen woning: -\u002F- € 3.195\n\nBelastbaar inkomen uit werk en woning: € 150.666\n\nBelastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 4.896\n\nDe inspecteur heeft voor 20% van het buitenlandse inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking voorkoming van dubbele belasting verleend.\n\n2.6.. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het belastbaar inkomen nader vastgesteld op het volgende:\n\nBuitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking: € 142.077\n\nBelastbaar inkomen uit werk en woning: € 142.077\n\nBelastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 4.896\n\nDe inspecteur heeft vervolgens voor 62,3% van het buitenlandse inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking voorkoming van dubbele belasting verleend.\n\n2.7.. Met betrekking tot de aangifte IB voor het eerdere belastingjaar 2016 heeft de inspecteur met dagtekening 4 december 2018 de volgende brief aan belanghebbende gestuurd:\n\n“(…)\n\nAftrek ter voorkoming van dubbele belasting\n\nUit de door u toegestuurde stukken blijkt dat u op 138 dagen in of vanuit Italië\n\ngewerkt heeft, op 5 dagen ziek bent geweest en op 6 dagen elders heeft gewerkt.\n\nHierna leest u hoe ik de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting op dit punt\n\nheb beoordeeld.\n\nZiektedagen\n\nIn totaal bent u op 5 werkdagen ziek geweest. Op grond van het commentaar op\n\nhet OESO- modelverdrag behoren ziektedagen wel bij de werkdagen indien u\n\nnormaliter op die dag ook zou werken. Omdat u normaliter in of vanuit Italië uw\n\nwerkzaamheden zou uitvoeren, zal ik de ziektedagen toerekenen aan de\n\nwerkdagen in Italië ( voor de toepassing van de werkdagen, niet voor toepassing\n\nvan de verblijfsdagen in het kader van de 183- dagen regeling) .\n\nWerkdagen Italie\n\nOp grond van artikel 14 lid 3 van het belastingverdrag met het Verenigd\n\nKoninkrijk ( [vliegtuigmaatschappij] is aldaar gevestigd) komt de heffing van inkomstenbelasting\n\nvoor de door u gemaakte vluchten toe aan Nederland. Vervolgens kan nog\n\ngekeken worden naar het belastingverdrag met Italië, daar aldaar uw homebase\n\ngelegen was. Artikel 15 lid 3 van het belastingverdrag met Italië is op u niet van\n\ntoepassing, daar de werkelijke leiding van [vliegtuigmaatschappij] is gevestigd in het Verenigd\n\nKoninkrijk. Om die reden dient beoordeeld te worden aan de hand van artikel 15\n\nlid 1 en 2 van het belastingverdrag met Italië.\n\nOp grond van artikel 15 lid 1 van het belastingverdrag met Italië vindt in beginsel\n\nde heffing van inkomstenbelasting in Nederland (het woonland) plaats. Omdat u\n\nechter de dienstbetrekking gedeeltelijk in Italië heeft uitgeoefend, mag dit\n\ngedeelte van het inkomen toch in Italië worden belast. De heffing van\n\ninkomstenbelasting kan weer toekomen aan Nederland indien u cumulatief voldoet\n\naan de voorwaarden van lid 2 van het betreffende artikel:\n\na. Indien u in Italië verblijft gedurende een tijdvak dat of tijdvakken die in het\n\ndesbetreffende belastingjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaat of\n\ngaan.\n\nb. Indien de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen\n\nInwoner van Italië is.\n\nc. Indien de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting of een\n\nvast middelpunt dat uw werkgever in Italië heeft.\n\nAd a.\n\nUit uw reactie blijken 138 fysieke werkdagen in Italië. Hiernaast zijn nog 35\n\nandere dagen waarvan aannemelijk is dat u in Italië verbleef. Het gaat om dagen\n\nvoorafgaand aan dagen waarop uw dienst vóór 12.00 uur aanving en dagen na\n\nafloop van dagen waarop uw dienst ná 20.00 uur is geëindigd (zie ook bijlage 1) .\n\nHiermee zijn 173 verblijfsdagen in Italië aannemelijk geworden. Hiermee voldoet\n\nu aan de eerste voorwaarde van artikel 15 lid 2 van het belastingverdrag met\n\nItalië.\n\nAd b.\n\nVan een werkgever is sprake als de betrokken werknemer voor de uitoefening van\n\nzijn werkzaamheden in de werkstaat tot deze werkgever in een gezagsverhouding\n\nstaat. Voorts is vereist dat de kosten van de werkzaamheden (de aan de\n\nwerknemer voor de desbetreffende werkzaamheden betaalde arbeidsbeloning)\n\nworden gedragen door die 'werkgever', alsmede dat de voordelen van de\n\nwerkzaamheden en de daaruit voortvloeiende nadelen en risico's voor diens\n\nrekening komen (Hoge Raad 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT3932) .\n\nMet betrekking tot [vliegtuigmaatschappij] is slechts sprake van een onderneming, gevestigd in\n\nhet Verenigd Koninkrijk, welke de arbeidsbeloning uitbetaalt en voor wiens\n\nrekening de voordelen van de werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende\n\nnadelen en risico's komen. Een basis op een luchthaven kan derhalve niet\n\ngekwalificeerd worden als (materieel) werkgever. Hiermee voldoet u aan de\n\ntweede voorwaarde van artikel 15 lid 2 van het belastingverdrag met Italië.\n\nAd c.\n\nRechtbank Den Haag heeft op 23 februari 2016 ECLI:NL:RBDHA:2016:3520)\n\nuitspraak gedaan waarin onder andere is geoordeeld dat [vliegtuigmaatschappij] een vaste\n\ninrichting had op een bepaalde [luchthaven] (Italië) .\n\nDe Belastingdienst deelt echter het standpunt van Rechtbank Den Haag niet. Een\n\nluchtvaartmaatschappij heeft geen vaste inrichting in landen waar basissen op\n\nluchthavens zijn ingericht. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient\n\ngekeken te worden naar de kostenallocatie aan de vaste inrichting. In dat geval\n\nkomt artikel 15 lid 2 sub c van het belastingverdrag met Italië dus niet in beeld.\n\nOp grond van artikel 8 lid 1 van het belastingverdrag met Italië wordt de winst\n\nvan de onderneming belast in de staat waar de plaats van de werkelijke leiding is\n\ngelegen, te weten het Verenigd Koninkrijk. Dit houdt in dat ik ervan uitga dat\n\n [vliegtuigmaatschappij] geen vaste inrichting heeft in Italië.\n\nU voldoet hiermee aan alle voorwaarden van lid 2 van het betreffende artikel.\n\nHierdoor komt de heffing van inkomstenbelasting weer toe aan het woonland,\n\nNederland. Om die reden heeft u geen recht op aftrek ter voorkoming van dubbele\n\nBelasting. Daarom ben ik voornemens om op dit punt van de aangifte of te wijken\n\nen voor 138 + 5 = 143 dagen geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting\n\nte verlenen.\n\nWerkdagen elders\n\nOp grond van artikel 14 lid 3 van het belastingverdrag met het Verenigd\n\nKoninkrijk ( [vliegtuigmaatschappij] is aldaar gevestigd) komt de heffing van inkomstenbelasting\n\nvoor de werkzaamheden toe aan Nederland. Mij is geen reden bekend waardoor aan u voor deze dagen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting zou toekomen. Ik ben dan ook voornemens om aan u geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen voor de 6 dagen dat u elders heeft gewerkt. (…)”\n\n2.8.. Met dagtekening 17 september 2019 heeft de inspecteur belanghebbende over het belastingjaar 2016 de volgende brief gestuurd:\n\n“(…) We hebben afgesproken de behandeling van de aangifte 2016 aan te houden totdat de\n\nprocedure bij Hof Den Bosch (ECLI:NL:RBZWB:2017:7617) is afgerond. Nu het\n\nHof uitspraak heeft gedaan en geen verdere cassatie is ingesteld, levert de\n\nuitspraak nieuwe informatie op, waardoor ik een deel van de voorgenomen\n\nafwijkingen zal herzien.(…)\n\nWerkdagen\n\nIk verwijs naar mijn brief van 4 december 2018 voor de werkdagen, die zijn\n\naangemerkt als Italiaanse werkdagen. Hierbij is geen rekening gehouden dat\n\nalleen het deel van de dag is gewerkt in of boven Italië; een vertrek- of aankomst\n\nin Italië telt als een geheel in Italië verrichte werkdag. Ik laat deze\n\nwerkdagentelling in stand voor het jaar 2016. Dit houdt in dat ik de salary split\n\nzoals omschreven in de Hof uitspraak niet toepas voor het jaar 2016, omdat de\n\ninspecteur heeft aangegeven dit ook niet te doen in de casus die beoordeeld is\n\ndoor het Hof. Voor toekomstige jaren kan aan dit standpunt echter geen\n\nvertrouwen ontleend warden.\n\nOp basis van het bovenstaande beschouw ik 143 aan Italië toe te rekenen\n\nwerkdagen, inclusief 5 ziektedagen. Uw reactie dat de (drie) trainingsdagen buiten\n\nItalië als Italiaanse werkdagen dienen te worden aangemerkt, volg ik niet. Het\n\nheffingsrecht over het inkomen gerelateerd aan deze en overige gewerkte dagen\n\nbuiten Italië komt toe aan Nederland. Het totaal aantal werkdagen is daarom 149\n\ndagen, inclusief 6 werkdagen buiten Italië.\n\nIk zal uw client daarom aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verlenen voor\n\nhet inkomen ontvangen vanuit Italië van € 155.715.\n\nOpgewekt vertrouwen\n\nHet Hof heeft in de uitspraak van 18 januari 2019 bevestigd dat er sprake is van\n\neen salary split bij de beoordeling van het heffingsrecht op grond van artikel 15 lid\n\n1. Vanaf 18 januari 2019 is deze uitspraak vaststaande jurisprudentie. Dat\n\nbetekent dat de Belastingdienst voor aanslagen die nog niet onherroepelijk\n\nvaststaan de salary split, zoals omschreven in de uitspraak, zal toepassen bij\n\nwerknemers in de luchtvaartsector waarbij lid 3 van het arbeidsartikel niet\n\ntoegepast kan warden.\n\nVoor aanslagen van uw client die, afgezien van het jaar 2016, nog niet\n\nonherroepelijk vaststaan, zal de Belastingdienst, bij toepassing van lid 1 van het\n\nbetreffende verdragsartikel, slechts aftrek ter voorkoming van dubbele belasting\n\nverlenen over het loon dat is toe te rekenen aan de werkzaamheden in of op het\n\ngrondgebied van het betreffende land. Uw client dient aannemelijk te maken welk\n\ndeel van de werkzaamheden zijn verricht in of op het grondgebied van een land. (…)”\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de voorkoming van dubbele belasting naar het juiste bedrag is berekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n3.1.. De rechtbank is van oordeel dat de voorkoming van dubbele belasting in de uitspraak op bezwaar juist is berekend.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nMotivering\n\n4. Tussen partijen is niet in geschil dat het buitenlandse inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking in het onderhavige jaar 2018 moet worden vastgesteld op € 142.077. Tevens is niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit werk en woning € 142.077 bedraagt en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 4.896. Tot slot is niet in geschil dat Italië heffingsbevoegd is over het loon dat verdiend is op of boven het grondgebied van Italië en dat Nederland daarvoor voorkoming van dubbele belasting dient te verlenen.\n\n4.1.. In het bezwaarschrift heeft belanghebbende berekend dat 62,3% van zijn werkzaamheden op of boven het grondgebied van Italië zijn verricht, zodat volgens belanghebbende voor dat percentage van de buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking voorkoming van dubbele belasting moet worden verleend. Dat is thans ook het standpunt van de inspecteur welk standpunt volgens beide partijen ook in lijn is met de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 januari 2019.\n\n4.2.. Belanghebbende heeft zich later in de procedure op een voor hem gunstiger standpunt gesteld voor de berekening van de voorkoming van dubbele belasting. Volgens belanghebbende dient de lijn van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch te worden gevolgd, maar dient op één deelonderwerp – de wijze waarop de dagen ten behoeve van de salary split worden vastgesteld – te worden afgeweken op grond van het vertrouwensbeginsel. De inspecteur heeft volgens belanghebbende namelijk het vertrouwen gewekt dat een dag waarop geheel of een deel is gewerkt in Italië moet worden aangemerkt als een volledige werkdag in Italië. Dat blijkt uit de brief van 4 december 2018 welke lijn is bestendigd in de brief van 17 september 2019 (zie 2.7 en 2.8). Van de in totaal 146 gewerkte dagen, dient aldus volgens belanghebbende voor 145 dagen voorkoming van dubbele belasting te worden verleend, in plaats van 62,3% van de 146 dagen, althans zo begrijpt de rechtbank de stelling. De rechtbank overweegt hierover het volgende.\n\n4.3.. Voor een in rechte te beschermen vertrouwen is vereist dat sprake is van een bewuste standpuntbepaling door de inspecteur na kennisneming van alle daartoe benodigde feiten en omstandigheden van het geval. Dit geldt niet alleen indien de inspecteur daadwerkelijk kennis heeft genomen van alle benodigde feiten en omstandigheden van het geval, maar ook indien de belastingplichtige in redelijkheid ervan mocht uitgaan dat de inspecteur kennis heeft genomen van alle feiten en omstandigheden die de inspecteur voor de door hem gedane toezegging nodig acht.\n\n4.4.. Logischerwijs betreft de gehele brief een bewuste standpuntbepaling in het kader van die eerdere procedure over het jaar 2016. Dit standpunt van de inspecteur, welke in meerdere soortgelijke zaken toentertijd werd ingenomen, is in de voornoemde uitspraak door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch niet gevolgd. Deze brief betreft echter naar het oordeel van de rechtbank geen bewuste standpuntbepaling over het jaar 2018 thans in kwestie en belanghebbende kon en mocht dat ook redelijkerwijs niet zo opvatten.4.5.. Ook voor het geval belanghebbende wel gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat de brief zag op 2018 – hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet het geval was - kan het specifieke door belanghebbende gestelde daar niet uit worden opgemaakt. Het betreft namelijk de weergave van een meeromvattend standpunt van de inspecteur wat in beginsel als geheel moet worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kon en mocht belanghebbende niet het vertrouwen ontlenen aan de brief dat de inspecteur het ene deelonderwerp wat voor belanghebbende later gunstig zou blijken - binnen het meeromvattende standpunt wat voor belanghebbende integraal bezien ongunstig was - ook zou toepassen in latere jaren wanneer het integrale standpunt onjuist zou blijken.\n\n4.6.. Ook het gegeven dat de inspecteur in de brief van 17 september 2019 de - in de optiek van beide partijen onjuiste maar voor belanghebbende gunstige - wijze van het vaststellen van de dagen gewerkt in Italië voor het jaar 2016 wél heeft toegepast, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Als de inspecteur een handeling verricht ten aanzien van een bepaald jaar betekent het niet dat daarmee automatisch in rechte te beschermen vertrouwen wordt gewekt dat de inspecteur hetzelfde zal doen in latere jaren. Dat geldt te meer nu de inspecteur heeft uitgelegd dat de reden daarvoor alleen erin gelegen was dat de inspecteur in de casus die voorlag bij het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch had aangegeven deze meer gunstige wijze van dagentelling nog voor 2016 toe te passen. Ook aan die uitleg valt geen vertrouwen te ontlenen dat de handelwijze voor het jaar 2016 van de inspecteur zou worden voortgezet in het jaar 2018.\n\n5. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 20 november 2024 door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. I.E. Rijsdijk-van Eerd, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n ECLI:NL:GHSHE:2019:170.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:7943","2026-07-13T00:29:04.910Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":125,"fullText":126,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":127,"sourceTimestamp":128,"parsedAt":36,"updatedAt":129},"1347","ECLI:NL:RBZWB:2024:7023","ecli-nl-rbzwb-2024-7023","2024-10-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F4080 tot en met 23\u002F4090\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2024 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 26 juni 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV), inkomensafhankelijke bijdragen voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) en omzetbelasting (OB) opgelegd (de aanslagen):\n\nEen navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.948 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 454. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 1.113 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 1.402 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4080);\n\nEen navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2016 naar een bijdrage-inkomen van € 21.381. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 1.085 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4081);\n\nEen navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.528. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 2.103 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4082);\n\nEen navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.528. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 2.103 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 3.407 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4083).\n\nEen navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2017 naar een bijdrage-inkomen van € 30.722. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 254 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4084);\n\nEen navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.420 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.255. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur € 431 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 833 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4085);\n\nEen navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2018 naar een bijdrage-inkomen van € 7.318. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur € 49 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4086);\n\nEen aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2019 naar een inkomen uit werk en woning van € 20.100. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 112 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4087);\n\nEen aanslag Zvw over het jaar 2019 naar een bijdrage-inkomen van € 14.009;\n\nEen naheffingsaanslag OB over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 (2017) naar een bedrag van € 8.516. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 1.428 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 2.129 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4088);\n\nEen naheffingsaanslag OB over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 (OB 2018) naar een bedrag van € 1.787. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 229 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 446 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4089);\n\nEen naheffingsaanslag OB over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 december 2020 (2019-2020) naar een bedrag van € 20.720. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 1.416 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 5.180 opgelegd ((zaaknummer 23\u002F4090).\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018 niet-ontvankelijk verklaard en behandeld als verzoek om ambtshalve vermindering. Hij heeft het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. De overige bezwaren heeft de inspecteur ongegrond verklaard. Hij inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.\n\n1.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 26 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd. Ook beoordeelt zij of de boetes terecht zijn opgelegd en zo ja, of de boetes passend en geboden zijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag OB over het jaar 2017 te hoog. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018, de navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2018 en de naheffingsaanslag OB over het jaar 2018 zijn ten onrechte opgelegd. De overige aanslagen zijn juist. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de grondslag van de boetes moet worden gematigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n4. Belanghebbende heeft onder de namen “ [rijschool 1] ” en “ [rijschool 2] ” een rijschool geëxploiteerd. [rijschool 2] werd op [datum 1] 2015 ingeschreven in het Handelsregister en per [datum 2] 2017 uitgeschreven. Van 1 juni 2017 tot 31 maart 2019 heeft belanghebbende in loondienst werkzaamheden verricht voor ANWB rijopleidingen. Vanaf april 2019 heeft belanghebbende als ondernemer rijlessen verzorgd voor cursisten van zijn broer, die een rijschool exploiteert onder de naam “ [rijschool 3] ”. Ook heeft belanghebbende een onderneming geëxploiteerd onder de naam “ [rijschool 4] ”, welke was ingeschreven in het Handelsregister van [datum 3] 2019 tot [datum 4] 2021.\n\n4.1.. Belanghebbende heeft op 4 september 2017 aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2016 gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 6.017 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 454. De aanslag is overeenkomstig de aangifte opgelegd. Op 18 november 2021 heeft belanghebbende een tweede aangifte ingediend over het jaar 2016 naar een inkomen uit werk en woning van € 13.862 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 454.\n\n4.2.. Belanghebbende heeft op 2 maart 2018 aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2017 gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 3.633. De aanslag is overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd. Op 18 november 2021 heeft belanghebbende een tweede aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2017 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.141.\n\n4.3.. Belanghebbende heeft op 18 april 2019 aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2018 gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 22.170 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 1.657. De aanslag is opgelegd overeenkomstig de aangifte. Op 21 januari 2021 heeft belanghebbende een nieuwe aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2018 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.102 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 698.\n\n4.4.. Belanghebbende heeft op 14 mei 2020 aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2019 gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 6.091. De aanslag is in afwijking van de aangifte met dagtekening 8 juli 2022 opgelegd naar een inkomen uit werk en woning van € 20.100.\n\n4.5.. Bij brief van 17 maart 2021 heeft de inspecteur een onderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020. Op 31 maart 2021 heeft een inleidend gesprek plaatsgevonden. Belanghebbende werd tijdens het gesprek bijgestaan door zijn adviseur [naam 3] (de adviseur). Van het gesprek is een verslag opgemaakt. Het verslag vermeldt onder meer:\n\n“(…)\n\nAangiften BTW\n\nDesgevraagd geeft de adviseur aan dat hij voor het doen van de aangiften BTW alleen de facturen van [rijschool 4] en [bedrijf 1] ontvangt. Hij krijgt geen bankafschriften. Hij ging er vanuit dat de heer [belanghebbende] geen privérekening had. De heer [belanghebbende] houdt geen kasboek bij, maar geeft de contante ontvangsten en uitgaven door aan de adviseur.\n\nHij geeft aan op goed vertrouwen gehandeld te hebben.\n\nDe heer [naam 4] merkt op dat in de oorspronkelijke aangifte over het derde kwartaal 2020 en later in het bezwaarschrift over het derde kwartaal de omzet van de zonnepanelen niet is meegenomen. Nadat de heer [naam 4] de cautie heeft gesteld, antwoord de heer [belanghebbende] dat hij die factuur eind 2020, begin 2021 heeft ingeleverd bij de adviseur, nadat hij er achter kwam dat hij die factuur niet\n\nhad afgegeven bij de adviseur. De achterliggende gedachte was, dat het project een jaar duurde en dat dan pas de factuur aangegeven moest worden. Aan de adviseur wordt vervolgens gevraagd waarom die factuur dan niet in de suppletie en bezwaarschrift is opgenomen. De adviseur antwoord dat hij pas na 17 maart 2021 op de hoogte was van deze factuur middels vraagstelling van de heer [naam 4]. De heer [belanghebbende] bevestigt dit. De adviseur vindt dat alles gecompliceerd is geworden.\n\nDe adviseur heeft de suppletieaangiften naar de heer [belanghebbende] gestuurd. Hij had de facturen gezien. Hij wist niet dat hij wat miste. De heer [belanghebbende] geeft vervolgens aan dat boekhouden niet zijn sterkste kant is en dat hij alle vertrouwen in de adviseur heeft. De adviseur geeft desgevraagd aan, dat hij de aangifte BTW doet met de inloggegevens van de heer [belanghebbende] , omdat hij dan geen risico loopt als de administratie niet correct is. De heer [naam 4] geeft aan, dat het dan lijkt of de heer [belanghebbende] zelf aangifte doet.\n\n(…)\n\nPer 1 juli 2019 is eren arbeidsovereenkomst met de partner van de heer [belanghebbende] . Op de vraag waarom alleen juli 2019 is aangegeven voor de loonheffing, geeft de heer [belanghebbende] als antwoord dat hij dacht dat het doorgelopen was, maar dat hij er onlangs achter gekomen was dat dat niet het geval was. Vandaar dat hij de adviseur gevraagd heeft om de andere aangiften van dat jaar te doen. De heer [naam 4] geeft aan dat de adviseur, de dag voor dit gesprek, dacht, dat het om een uitkering ging.\n\n (…)\n\nEr is geen sprake van een geregistreerd partnerschap. Salarisbetalingen vinden via de bank plaats. De heer [belanghebbende] geeft aan dat de partner van 9.00 tot 17.00 actief is. De boodschappen kan zij in de pauze doen.\n\nDe werkzaamheden van mevrouw [naam 1] bestaan volgens de heer [belanghebbende] uit het opmaken van facturen, kopiëren en administratie. De werkzaamheden zouden thuis worden verricht. Volgens de heer [belanghebbende] maakt het niet uit dat het zijn partner is. Er is volgens hem sprake van een gezagsverhouding. Wanneer hij haar nodig heeft is zij er voor hem. Zij heeft ook werk verricht voor [rijschool 4] .\n\nHet uurloon is de heer [belanghebbende] niet bekend. Er is een maandloon afgesproken. De adviseur zou niet bij het opmaken van de arbeidsovereenkomst betrokken zijn geweest.\n\n(…)\n\nDesgevraagd geeft hij aan dat het zijn eigen cursisten zijn. Maar de genoemde bedragen zijn niet helemaal omzet van de rijschool. Er wordt ook wel eens geld geleend. Hij weet het zo niet, dat moet hij uitzoeken. De heer [naam 2] geeft aan, dat hij mist dat de heer [belanghebbende] bekent dat hij inderdaad privélessen heeft gegeven voor het genoemde bedrag. De heer [naam 4] geeft aan dat wat geleend wordt ook terugbetaald moet worden, anders is het immers geen lening. De lessen van zijn eigen cursisten worden gereden met de auto van zijn broer, waarvoor hij toestemming heeft. De heer [naam 4] vraagt zich hardop af, hoe het dan zit met de kosten van de betreffende auto’s. Betaald de broer de kosten van zijn privélessen. Hierover geeft de heer [belanghebbende] geen verklaring.\n\n(…)”\n\n4.6.. Bij brief met dagtekening 2 april 2021 heeft de inspecteur aangekondigd de controle uit te breiden. De brief vermeldt dat de controle nu ook zal zien op de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019, de aangiften loonbelasting over de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 december 2020 en de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2016 tot en met 2019.\n\n4.7.. Belanghebbende en de adviseur zijn op 30 maart 2022 gehoord in het kader van een verhoor bestuurlijke boete. Van het verhoor is een verslag opgemaakt. Het verslag is ondertekend door belanghebbende en de adviseur. Uit het verslag volgt dat belanghebbende niet alle gegevens aan de adviseur heeft verstrekt die van belang waren voor het doen van aangiften, waaronder op de privérekening van belanghebbende ontvangen omzet. Ook volgt uit het verslag dat de adviseur de aangiften pas indiende nadat belanghebbende deze had geaccordeerd.\n\n4.8.. De inspecteur heeft van zijn bevindingen op 14 juni 2022 een controlerapport opgemaakt. Vanwege een omissie heeft hij het rapport op 17 augustus 2022 gecorrigeerd. Het gecorrigeerde controlerapport vermeldt onder meer het volgende:\n\n“(…)\n\n2.3.2. Aansluiting financiële administratie en aangiften omzetbelasting\n\n2016. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 2.606\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 2.606\n\nVoorbelasting volgens administratie € 247\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 1.209\n\nDe verschillen zijn niet verklaard door de adviseur.\n\nCorrectie omzetbelasting 1\n\nMinder voorbelasting omzetbelasting 2016 € 962\n\n2017. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 811\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 432\n\nDe verschillen zijn niet verklaard door de adviseur.\n\nCorrectie omzetbelasting 2\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2017 € 379\n\nVoorbelasting volgens administratie € 392\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 5.686\n\nHet verschil wordt deels verklaard, door het niet boeken van de voorbelasting ad € 5.250, die betrekking heeft op de Audi A5. Achteraf is deze auto ook als privévermogen geëtiketteerd.\n\nCorrectie omzetbelasting 3\n\nMinder voorbelasting omzetbelasting 2017 € 44\n\nDe teruggaaf ad € 5.250 heeft de heer [belanghebbende] niet bereikt, wegens de opheffing van de, bij de Belastingdienst, bekende bankrekening. Het bedrag is gestorneerd en vastgehouden door de Belastingdienst. Omdat dit bedrag ten onrechte is geclaimd, hebben wij ter zake een naheffingsaanslag opgelegd zonder belastingrente en boete. De aanslag met [aanslagnummer] is gedagtekend 26 maart 2022.\n\nCorrectie omzetbelasting 4\n\nMinder voorbelasting 2017 € 5.250\n\n2018. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 0\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 0\n\nVoorbelasting volgens administratie € 4.339\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 4.339\n\nWegens het niet reageren op verzonden vragenbrieven van 24 april 2018 en 22 mei 2018 is de in aftrek gebrachte voorbelasting op € 0 gezet. Ook deze voorbelasting heeft betrekking op de Audi A5.\n\n2019. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 1.909\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 1.909\n\nVoorbelasting volgens administratie € 52\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 1.624\n\nDe verschillen zijn niet verklaard door de adviseur.\n\nCorrectie omzetbelasting 5\n\nMinder voorbelasting 2019 € 1.572\n\n2020. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 1.788\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 2.018\n\nDe adviseur geeft als verklaring, dat de administratie nog niet af is.\n\nCorrectie omzetbelasting 6\n\nMinder verschuldigde omzetbelasting 2020 € 230\n\nVoorbelasting volgens administratie € 181\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 13.707\n\nDe adviseur geeft als verklaring, dat de administratie nog niet af is. De betreffende suppletieaangifte en bezwaarschrift zijn na het inleidend gesprek ingetrokken.\n\nCorrectie omzetbelasting 7\n\nMinder voorbelasting omzetbelasting 2020 € 13.526\n\n(…)\n\n2020\n\n2019\n\n2018\n\n2017\n\n2016\n\nAangegeven omzet = contante ontvangsten\n\n€ 9.091\n\n€ 3.863\n\n€ 12.411\n\nnetto\n\noverboekingen op [rekeningnummer 1]\n\n€ 15.006\n\n€ 3.182\n\n€ 1.068\n\n€ 5.930\n\n€ 14.463\n\nnetto\n\ncontante stortingen op [rekeningnummer 1]\n\n€ 11.818\n\n€ 16.570\n\n€ 7.442\n\n€ 24.558\n\n€ 2.066\n\nnetto\n\noverboekingen op [rekeningnummer 2]\n\n€ 5.082\n\n€ 2.296\n\nnetto\n\ncontante stortingen op [rekeningnummer 2]\n\n€ 620\n\n€ 1.033\n\nnetto\n\noverboekingen op [rekeningnummer 3]\n\n€ 5.536\n\nnetto\n\noverboekingen op [rekeningnummer 4]\n\n€ 72.525\n\nnetto\n\nGecorrigeerde omzet exclusief omzetbelasting\n\n€ 99.349\n\n€ 28.843\n\n€ 8.510\n\n€ 40.053\n\n€ 32.269\n\nAangegeven omzet voor de inkomstenbelasting\n\n€ 9.091\n\n€ -\n\n€ 3.863\n\n€ 6.768\n\nwinstcorrectie\n\n€ 19.752\n\n€ 8.510\n\n€ 36.190\n\n€ 25.501\n\n(…)Winstcorrectie 1\n\nMeer winst 2016 € 25.501\n\nMeer winst 2017 € 36.190\n\nMeer winst 2018 € 8.510\n\nMeer winst 2019 € 19.752\n\n(…)\n\n5 Omzetbelasting\n\n(…)\n\n5.2.2 Verzwegen omzet\n\nRijschool (2016\u002F2020)\n\nNiet de gehele omzet is aangegeven. Naast de geboekte contante ontvangsten, is in de jaren 2016 tot en met 2020 sprake van rijles gerelateerde overboekingen, onverklaarde contante stortingen en overgeboekte Tikkies (2020) op meerdere bankrekeningen.\n\n(…)\n\nDaarnaast zijn er nog contante stortingen voor een totaalbedrag van 11.818 (netto).\n\nDit leidt tot meer verschuldigde omzetbelasting ad € 5.018 ((15.006 – 2930 + 11.818)*21%).\n\nCorrectie omzetbelasting 8\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2016 € 5.355\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2017 € 7.600\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2018 € 1.787\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2019 € 4.148\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2020 € 5.018\n\nZonnepanelen (2020)\n\nOp 29 juni 2020 heeft de heer [belanghebbende] € 87.755 inclusief omzetbelasting (€ 15.230) gefactureerd aan [bedrijf 2] in [plaats 2] met [factuurnummer] . Het betrof de levering van 274 zonnepanelen en toebehoren. Het gefactureerde bedrag wordt op 8 juli 2020 per bank ( [rekeningnummer 4] ) ontvangen. Deze omzet was ten tijde van het onderzoek nog niet aangegeven. In het inleidend gesprek heeft de heer [belanghebbende] aangegeven de heer [naam 3] in kennis gesteld te hebben van deze factuur in januari 2021. De heer [naam 3] geeft desgevraagd aan pas in maart 2021 kennis genomen te hebben van de factuur. Dat is het moment dat de Belastingdienst vragen stelde over de aangiften omzetbelasting van het tweede en derde kwartaal 2020.\n\nCorrectie omzetbelasting 7\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2020 € 15.230\n\n(…)\"\n\nGeschil\n\n5. In geschil is of de aanslagen terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de inspecteur terecht contante stortingen, ontvangen “tikkies” en diverse overboekingen op de privérekeningen van belanghebbende heeft aangemerkt als omzet. Vervolgens is in geschil of de opgelegde boetes passend en geboden zijn.Motivering\n\nVooraf\n\n6. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018 nietontvankelijk verklaard en behandeld als verzoek om ambtshalve vermindering. Uit de stukken blijkt dat het bezwaar te laat is ingediend. Belanghebbende heeft niet gesteld dat de temrijnoverschrijding verschoonbaar is. Het bezwaar is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank vat het beroep in de zaak met nummer 23\u002F4085 daarom op als gericht tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Daar moet eerst bezwaar tegen worden gemaakt. Omdat ter zitting is gebleken dat partijen de zaak inhoudelijk wilden behandelen is de rechtbank ervanuit gegaan dat dat partijen er mee hebben ingestemd de bezwaarfase over te slaan (prorogatie).\n\nZijn de aanslagen terecht en naar de juiste hoogte opgelegd?\n\nBewijslastverdeling\n\n7. De inspecteur stelt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft ingediend. Belanghebbende heeft rijles-gerelateerde omzet die werd ontvangen op zijn zakelijke en privérekening niet aangegeven. Het betreft zowel contante stortingen als bankoverschrijvingen en ontvangen tikkies, aldus de inspecteur.\n\n7.1.. Belanghebbende betwist dat de contante stortingen en ontvangen tikkies omzet zijn. Hij heeft in 2012 een bedrag van € 38.000 van zijn bankrekening contant opgenomen en dat gedurende de jaren teruggestort op zijn bankrekening. Daarnaast heeft hij terugbetalingen op de door hem verstrekte lening contant ontvangen en gestort op zijn bankrekening. Ten slotte zien een aantal tikkies op privétransacties, aldus belanghebbende.\n\n7.2.. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur voor de onderhavige tijdvakken geen informatiebeschikking heeft gegeven. Op grond van artikel 25, lid 3, AWR is verzwaring van de bewijslast dan alleen aan de orde als de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan. Deze toets moet voor ieder heffingstijdvak afzonderlijk worden aangelegd. Daarbij geldt dat het niet aangegeven bedrag aan belasting in verhouding tot het over ieder tijdvak afzonderlijk verschuldigde bedrag aan belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk moet zijn en dat belanghebbende zich daarvan bewust was of zich daarvan bewust moest zijn geweest.\n\n7.1.. Voor de aanslagen over de jaren 2016, 2017, 2019 en 2020 acht de rechtbank de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Uit de door de inspecteur overgelegde overzichten van door belanghebbende ontvangen bedragen leidt de rechtbank af dat omzet niet is aangegeven.\n\n7.2.. Voor het jaar 2016 heeft belanghebbende ten minste € 19.000 aan betalingen ontvangen waarbij hetzij door de betaler is vermeld dat die betaling betrekking heeft op rijles of rijexamens, hetzij de betaling is gedaan door iemand die bij een eerdere betaling heeft vermeld dat die betaling betrekking had op rijles of rijexamens. Voor 2017 gaat het om ten minste € 14.000. Voor 2019 om ten minste € 10.000. Dat blijkt uit het controlerapport en de juistheid daarvan wordt ondersteund door de stukken die de inspecteur heeft overgelegd. Voor het jaar 2020 gaat het volgens het controlerapport om ruim € 15.000 rijlesgerelateerde omzet. De inspecteur heeft daarvan weliswaar geen overzichten overgelegd maar de rechtbank heeft – mede gezien de juistheid van de bevindingen van eerdere jaren - geen reden om aan de juistheid van dat bedrag te twijfelen. Al deze ontvangsten heeft belanghebbende niet aangegeven en de rechtbank acht aannemelijk dat daardoor aanmerkelijk te weinig IB\u002FPVV, Zvw en OB is geheven en dat dat verschil zowel absoluut als relatief aanzienlijk is. De rechtbank acht ook aannemelijk dat belanghebbende dat bewust zo heeft gedaan. Belanghebbende had een autorijschool en moet hebben beseft dat hij de inkomsten daaruit moest opgeven voor zowel de IB\u002FPVV, Zvw als de OB en dat hij dat ook moest doen in de jaren dat hij daarnaast in dienstbetrekking werkte. Hij heeft bovendien – naar de rechtbank aannemelijk acht, bewust – de gegevens van de bankrekeningen waarop deze betalingen binnenkwamen niet aan zijn accountant laten zien. Voor de OB voor het tijdvak 2019\u002F2020 komt daar nog bij de correctie wegens levering zonnepanelen van € 15.230. Gezien de hoogte van de correcties wegens rijlesgerelateerde ontvangen bedragen en de zonnepanelen ten opzichte van de hoogte van de op aangiften voldane OB kan de rechtbank niet anders concluderen dat ook voor de OB niet de vereiste aangiften zijn gedaan. Dit alles leidt tot de conclusie dat de bewijslast over de jaren 2016, 2017, 2019 en 2020 moet worden omgekeerd en verzwaard, zowel voor de IB\u002FPVV en Zvw als voor de OB.\n\n7.3.. Voor het jaar 2018 heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Het verschil tussen de eerste aangifte IB\u002FPVV over 2018 en de tweede aangifte IB\u002FPVV over 2018 leidt niet tot een zodanig verschil dat gezegd kan worden dat absoluut bezien een aanzienlijk bedrag aan belasting niet is geheven. Uit de omschrijving van de bankoverschrijvingen en tikkies is niet af te leiden dat het gaat om zakelijke betalingen. Het kan net zo goed om privébetalingen gaan, zoals belanghebbende heeft betoogd. Daarom is voor de IB\u002FPVV, Zvw en voor de OB niet aannemelijk geworden dat onjuiste aangiften zijn gedaan. Het voorgaande betekent dat de bewijslast voor de aanslagen over het jaar 2018 niet wordt omgekeerd en verzwaard.\n\nRedelijke schatting (2016, 2017, 2019 en 2020)\n\n7.4.. Hetgeen in 7.2 is overwogen laat onverlet dat de navorderings- en naheffingsaanslagen niet naar willekeur vastgesteld mogen worden, maar moeten berusten op een redelijke schatting. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, voor zover hij de juistheid van de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.\n\n7.5.. De inspecteur heeft zijn schatting gebaseerd op rijlesgerelateerde bijschrijvingen op de bankrekeningen van belanghebbende en op gestorte contanten en tikkies op de bankrekeningen van belanghebbende. De rechtbank acht het niet onredelijk dat de inspecteur ervanuit gaat dat zowel de betalingen waarin uitdrukkelijk is verwezen naar rijlessen of examens maar ook de contante stortingen en tikkies betalingen zijn voor rijlessen. Zij is daarom van oordeel dat de inspecteur is uitgegaan van een redelijke schatting.\n\n7.6.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft aangevoerd niet overtuigend aangetoond dat de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de aanslagen IB\u002FPVV, ZVW en OB voor de jaren 2016, 2017, 2019 en 2020 onjuist zijn.\n\nVermindering naheffingsaanslag OB over het jaar 2017\n\n7.7.. De inspecteur heeft gesteld dat de naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2017 door een overnamefout te hoog is vastgesteld. Het belastingbedrag had € 8.023 moeten zijn, zodat de naheffingsaanslag met € 493 verminderd dient te worden. De opgelegde boete en in rekening gebrachte belastingrente moeten overeenkomstig worden verminderd, aldus de inspecteur. De rechtbank zal de inspecteur in zijn standpunt volgen en de naheffingsaanslag OB over het jaar 2017 dienovereenkomstig verminderen.\n\nDe aanslagen IB\u002FPVV, Zvw en de naheffingsaanslag OB over het jaar 2018\n\n7.8.. De rechtbank heeft hiervoor in 7.3. geoordeeld dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan en dat daarom de bewijslast niet wordt omgekeerd en verzwaard.\n\n7.9.. Omdat belanghebbende heeft verzocht om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw over het jaar 2018 rust op hem de last om aannemelijk te maken dat die aanslagen te hoog zijn.\n\n7.10.. Belanghebbende heeft gesteld dat de contante stortingen op rekening .956 van € 9.005 afkomstig zijn uit terugbetalingen op een door belanghebbende verstrekte lening en hij heeft een kopie van de leningovereenkomst overgelegd. De rechtbank heeft geen reden aan het bestaan van die lening te twijfelen. De rechtbank acht mede van belang dat belanghebbende geheel 2018 voltijd in loondienst werkzaam was, zodat er voor hem niet veel tijd overbleef voor het geven van rijlessen. Ter zitting is bovendien komen vaststaan dat de in 2018 op rekening .956 ontvangen “tikkies” en overschrijvingen van in totaal € 1.292 afkomstig zijn van een vriend van belanghebbende en dus geen rijlesgerelateerde omzet zijn. Omdat er ook verder geen duidelijke rijlesgerelateerde omzet is, leidt dit een en ander, in onderling verband bezien, ertoe dat de rechtbank aannemelijk acht dat bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw over het jaar 2018 ten onrechte een bedrag € 7.318als winst uit onderneming in het inkomen uit werk en woning respectievelijk het bijdrage-inkomen is betrokken. Omdat dat de enige correctie was, moeten de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw voor 2018 worden verminderd tot nihil.\n\n7.11.. Gelet op hier hiervoor overwogene (zie 7.3) heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende over de tijdvakken tussen 1 januari 2018 en 31 december 2018 te weinig OB op aangifte heeft voldaan. Dat betekent dat de naheffingsaanslag over het jaar 2018 moet worden vernietigd. Dat belanghebbende in de aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2018 voorbelasting heeft teruggevraagd in verband met de aankoop van een auto maakt dat niet anders, nu het teruggaafverzoek niet heeft geleid tot een (onterechte) teruggaaf en daarvoor geen bedrag in de naheffingsaanslag is begrepen.\n\nDe boetes\n\n8. Omdat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV, Zvw en de naheffingsaanslag OB voor het jaar 2018 worden verminderd tot nihil, moeten de daarbij opgelegde boetes vervallen.\n\n8.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende vergrijpboetes opgelegd omdat het volgens de inspecteur aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet is betaald (OB) en dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen IB\u002FPVV tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft erkend dat hij slordig en onzorgvuldig heeft gehandeld door geen rekeningafschriften van zijn privérekeningen aan zijn adviseur ter beschikking te stellen.\n\n8.2.. De inspecteur kan een vergrijpboete opleggen indien het aan opzet of grove schuld van een belastingplichtige is te wijten dat de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen ten onrechte niet, gedeeltelijk niet, of te laat is betaald.Ook kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen indien het aan opzet of grove schuld van een belastingplichtige is te wijten dat aangifte voor de belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven onjuist of onvolledig is gedaan.\n\n8.3.. Grove schuld doet zich voor als aan belastingplichtige een laakbare slordigheid dan wel aan opzet grenzende onachtzaamheid kan worden verweten. De inspecteur moet dit doen blijken.\n\n2016, 2017, 2019 en 2020\n\n8.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur ten aanzien van de jaren 2016, 2017, 2019 en 2020 doen blijken dat het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting op aangifte is voldaan (OB) en dat aanslagen naar een te laag bedrag zijn vastgesteld (IB\u002FPVV). De rechtbank is er van overtuigd dat belanghebbende heeft beseft dat de adviseur geen juiste aangiften kon doen als belanghebbende hem niet alle stukken verschafte, en dat hij ook wist dat hij inkomsten uit rijlessen moest aangeven. Hij heeft naar de rechtbank bewezen acht bewust de door de adviseur opgestelde aangiften geaccordeerd en laten indienen terwijl hij moet hebben beseft dat ze onvolledig waren. Dat is ten minste aan opzet grenzende onachtzaamheid.\n\n8.5.. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de boetes te matigen omdat deze zijn vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast, en voor 2017 tevens omdat de naheffingsaanslag door een rekenfout te hoog is (zie 7.4). De rechtbank acht boetes van € 1.000 (IB\u002FPVV 2016), € 800 (IB\u002FPVV 2017), € 700 (OB 2017) en € 3.600 (OB 2019-2020) passend en geboden.\n\nUndue delay\n\n8.6.. Ambtshalve ziet de rechtbank in de duur van de procedure aanleiding om de boete te matigen. De rechtbank stelt vast dat 14 juni 2022 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat in het controlerapport op dat moment de boetes zijn aangekondigd. De rechtbank doet uitspraak op 16 oktober 2024. Sinds de aankondiging van de boete zijn dan ruim 29 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar daarmee is overschreden met 5 maanden. De rechtbank ziet aanleiding om de boetes bij de naheffingsaanslag omzetbelasting 2019-2020 verder te matigen met 5% tot € 3.420.Ten aanzien van de overige boetes volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden omdat de boetes – na matiging – niet meer bedragen dan € 1.000.\n\nBelastingrente\n\n9. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Omdat de naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2017 wordt verminderd, zal de rechtbank de daarmee samenhangende belastingrentebeschikking overeenkomstig verminderen.\n\n9.1.. Nu de met de belastingrentebeschikkingen over het jaar 2018 samenhangende aanslagen worden vernietigd, zal de rechtbank de belastingrentebeschikkingen over het jaar 2018 ook vernietigen.\n\n9.2.. Voor het overige blijven de belastingrentebeschikkingen in stand.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. De beroepen in de zaken met nummers 23\u002F4080, 23\u002F4082, 23\u002F4084, 23\u002F4085, 23\u002F4088 en 23\u002F4089 en 23\u002F4090 zijn gegrond. De overige beroepen zijn ongegrond.\n\n10.1.. \n\nOmdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.\n\n Van belanghebbende is in de zaak met nummer 23\u002F4080 € 50 griffierecht geheven en in de zaak met nummer 23\u002F4088 € 184, zodat het totaal te vergoeden griffierecht € 234 bedraagt.\n\n De proceskostenvergoeding bedraagt € 32,98 aan reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting. Dit is het berekende bedrag aan kosten voor een retourreis met het openbaar vervoer (tweede klasse) van het woonadres van belanghebbende met het openbaar vervoer naar de rechtbank. De rechtbank zal de vergoeding toekennen in de zaak met nummer 23\u002F4080.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4080\n\nverklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de boete;\n\nvermindert de boete naar € 1.000;\n\nverklaart het beroep voor het overige ongegrond;\n\nbepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\nveroordeelt de inspecteur tot betaling van € 32,98 aan proceskosten aan belanghebbende;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4081\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4082\n\nverklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de boete;\n\nvermindert de vergrijpboete naar € 800;\n\nverklaart het beroep voor het overige ongegrond;\n\nIn de zaken met nummers 23\u002F4083 en 23\u002F4084\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4085\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering;\n\nvermindert de navorderingsaanslag tot nihil;\n\nvernietigt de belastingrentebeschikking;\n\nvernietigt de vergrijpboete;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4086\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvermindert de navorderingsaanslag tot nihil;\n\nvernietigt de belastingrentebeschikking;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4087\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4088\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\nvermindert de naheffingsaanslag naar € 8.023;\n\nvermindert de belastingrentebeschikking overeenkomstig;\n\nvermindert de boete naar € 800;\n\nbepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4089\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\nvernietigt de naheffingsaanslag;\n\nvernietigt de boete;\n\nvernietigt belastingrentebeschikking;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4090\n\nverklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de boete;\n\nvermindert de vergrijpboete naar € 3.420;\n\nverklaart het beroep voor het overige ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A.J.M. Wouters, griffier, op 16 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312.\n\n € 9.005 + € 1.292 -\u002F- € 1.787 omzetbelasting -\u002F- € 1.192 MKB-winstvrijstelling.\n\n Artikel 67f van de AWR.\n\n Artikel 67d van de AWR.\n\n Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97, r.o. 4.2.1.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713.\n\n Hoge Raad 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:175.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:7023","2024-10-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:17.109Z",{"id":131,"ecli":132,"slug":133,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":134,"fullText":135,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":136,"sourceTimestamp":134,"parsedAt":36,"updatedAt":137},"946","ECLI:NL:RBZWB:2024:4492","ecli-nl-rbzwb-2024-4492","2024-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F1090 tot en met 23\u002F1093, 23\u002F1095, 23\u002F1097, 23\u002F1098 en 23\u002F1100\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2024 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. M.F.P. de Clercq),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 januari 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende (navorderings)aanslagen opgelegd:\n\neen navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) voor het jaar 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.524. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 12.411 en is belastingrente van € 6.206 in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1090);\n\neen navorderingsaanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringwet (Zvw) voor het jaar 2014 naar een bijdrage-inkomen van € 37.351. Daarbij is € 315 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1091);\n\neen aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 108.004. Daarbij is € 405 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1092);\n\neen aanslag Zvw voor het jaar 2015 naar een bijdrage-inkomen van € 37.783. Daarbij is € 2 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1093);\n\neen aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.969 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.576. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 14.349 en is belastingrente in rekening gebracht van € 4.600 (zaaknummer 23\u002F1095);\n\neen aanslag Zvw voor het jaar 2016 naar een maximum bijdrage-inkomen van € 38.214. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 34 (zaaknummer 23\u002F1097);\n\neen aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.883 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.570. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 8.709 en belastingrente in rekening gebracht van € 1.484 (zaaknummer 23\u002F1098);\n\neen aanslag Zvw 2017 naar een maximum bijdrage-inkomen van € 38.947. Daarbij is € 124 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1100).\n\n1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 ongegrond verklaard. Hij heeft daarbij de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikking voor 2014 en de belastingrentebeschikkingen gehandhaafd.\n\n1.3.. De inspecteur heeft het bezwaar voor het jaar 2016 gegrond verklaard. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning ongewijzigd gelaten en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verlaagd naar € 4.544. De belastingrentebeschikking is verminderd naar € 4.526. De vergrijpboete is in stand gelaten.\n\n1.4.. Het bezwaar voor 2017 is ook gegrond verklaard. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is verlaagd naar € 50.939 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verlaagd naar € 6.909. De vergrijpboete is in zijn geheel vernietigd en de belastingrente is verminderd naar € 830.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld. Daarbij is door de griffier in alle zaaknummers griffierecht geheven. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhang zodat in zaaknummers 23\u002F1091, 23\u002F1093, 23\u002F1097 en 23\u002F1100 het griffierecht door de griffier aan belanghebbende moet worden terugbetaald.\n\n1.6.. De rechtbank heeft de beroepen op 14 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en mr. A.F.J.P. Thielemans namens de inspecteur.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de opgelegde (navorderings)aanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank of de vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. De rechtbank is van oordeel dat de de (navorderings)aanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. De boetes moeten wel worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende exploiteert gedurende meer dan 40 jaar een autosloperij. Op 11 juli 2017 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek de woning en het terrein rondom de woning van belanghebbende doorzocht. Daarbij is een bedrag van € 235.715,69 aan contant geld gevonden en sieraden ter waarde van € 29.175. Bij vonnis van 22 juli 2020 van deze rechtbank is belanghebbende vrijgesproken van witwassen.\n\n3.1.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2014 tot en met 2017 aangiften IB\u002FPVV ingediend. Naar aanleiding van de aangetroffen contante gelden heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat deze gelden inkomen vormen en daarom moeten worden aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Hij heeft het totaalbedrag van € 235.715 over vier jaren verdeeld en voor alle vier de jaren het inkomen uit werk en woning verhoogd. Voor de jaren 2016 en 2017 is eveneens het inkomen uit sparen en beleggen gecorrigeerd.\n\n3.2.. \n\nDe bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen voor de jaren 2014 en 2015 zijn ongegrond verklaard. De bezwaren tegen de aanslagen voor de jaren 2016 en 2017 zijn gegrond verklaard. Voor 2016 is het inkomen uit werk en woning in stand gelaten en is het inkomen uit sparen en beleggen verminderd. De vergrijpboete voor 2016 is daarbij abusievelijk niet verminderd. Zoals de inspecteur terecht heeft gesteld dient dit in beroep te worden gecorrigeerd.\n\nVoor het jaar 2017 zijn zowel het inkomen uit werk en woning als het inkomen uit sparen en beleggen verminderd, en is de vergrijpboete in zijn geheel vernietigd.\n\n3.3.. De rechtbank heeft dit cijfermatig samengevat in onderstaande tabel.\n\n€\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nAangegeven belastbaar inkomen box 1\n\n22.177\n\n40.657\n\n31.622\n\n25.209\n\nCorrectie ROW (totaal € 235.715)\n\n67.347\n\n67.347\n\n67.347\n\n33.674\n\nVastgesteld belastbaar inkomen box 1\n\n89.524\n\n108.004\n\n98.969\n\n58.883\n\nAangegeven vermogen box 3\n\n0\n\n0\n\n0\n\n241.889\n\nCorrectie grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n164.402\n\n233.455\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n164.402\n\n475.344\n\nVergrijpboete\n\n12.411\n\ngeen\n\n14.349\n\n8.709\n\nUitspraak op bezwaar\n\nongegrond\n\nongegrond\n\ngegrond\n\ngegrond\n\nBelastbaar inkomen box 1\n\nongewijzigd\n\n50.939\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n113.614\n\n201.451\n\nVergrijpboete\n\nongewijzigd\n\nvernietigd\n\nMotivering\n\nIs de vereiste aangifte gedaan?\n\n4. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’).\n\n4.1.. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte wordt alleen aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.\n\n4.2.. Voor wat betreft de vraag of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan dient eerst de vraag te worden beantwoord of belanghebbende meer inkomsten had dan hij heeft aangegeven. De bewijslast hiervoor rust op de inspecteur.\n\n4.3.. Bij een huiszoeking in 2017 is een contant bedrag van afgerond € 235.715 aangetroffen. Volgens belanghebbende komt een deel van dit bedrag hem niet toe omdat het aan anderen toebehoorde. Belanghebbende heeft echter niet bestreden dat een bedrag van € 180.000 in zijn aangifte opgenomen had moeten worden als inkomen uit sparen en beleggen omdat hij dit naar eigen zeggen over de jaren bij elkaar heeft gespaard. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften wist dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, doordat hij het inkomen niet in zijn aangifte heeft verantwoord. Belanghebbende bestrijdt dit ook niet. Deze gebreken in de aangifte hebben ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook zijn de bedragen van de belasting die als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan.\n\n4.4.. Het voorgaande geldt eveneens voor de aanslagen Zvw.\n\nRedelijke schatting en de verzwaarde bewijslast\n\n4.5.. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de vereiste aangifte IB\u002FPVV\u002FZvw niet heeft gedaan, is er sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. In dat geval heeft een rechter te beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de belastingaanslagen, zoals die luiden na uitspraak op bezwaar, onjuist zijn.\n\n4.6.. De inspecteur heeft zich gebaseerd op concrete gegevens, zoals die blijken uit het onderzoek en heeft als uitgangspunt het daadwerkelijk gevonden bedrag aan contanten als uitgangspunt genomen. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de schatting niet als onredelijk hoog of willekeurig kan worden aangemerkt.\n\n4.7.. Verder is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet heeft doen blijken, ofwel overtuigend heeft aangetoond, dat de aanslagen voor de jaren 2014 tot en met 2017 te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft wel enige verklaring gegeven over de aangetroffen bedragen namelijk dat hij het bedrag gedurende vele jaren bij elkaar heeft gespaard door sober te leven, maar dat is niet voldoende om aan zijn verzwaarde bewijslast te voldoen. De omstandigheid dat de inspecteur geen onderzoek heeft gedaan maakt niet dat de bedragen niet gevolgd kunnen worden.\n\nConclusie\n\n4.8.. Gelet op het vorenstaande zijn de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV\u002FZvw terecht en naar de juiste bedragen opgelegd. Ook de belastingrente is naar het juiste bedrag in rekening gebracht.\n\nZijn de vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen opgelegd?\n\n4.9.. Voor het jaar 2014 en 2016 heeft de inspecteur ingevolge artikel 67e van de AWR in samenhang met het bepaalde in paragraaf 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst vergrijpboetes van 40% opgelegd. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften gedaan.\n\n4.10.. In het verweerschrift heeft de inspecteur opgemerkt dat de boete voor het jaar 2016 abusievelijk niet is verminderd terwijl de aanslag (en dus de boetegrondslag) wel is verminderd. De boete had dienovereenkomstig moeten worden verminderd naar € 14.105. Het beroep met betrekking tot deze boete (zaaknummer 23\u002F1095) is dus sowieso gegrond.\n\n4.11.. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het beboetbare feit zich zal voordoen.\n\n4.12.. De rechtbank is van oordeel dat, nu belanghebbende heeft erkend dat onjuist aangifte is gedaan, reeds sprake is van voorwaardelijke opzet. Gelet hierop heeft de inspecteur de vergrijpboetes terecht opgelegd.\n\n4.13.. Dit neemt niet weg dat de rechtbank moet beoordelen of de boetes passend en geboden zijn. Daarbij moet rekening gehouden worden met de omstandigheid dat de boetegrondslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de boetes te matigen. De rechtbank vermindert de boete voor 2014 naar € 5.000 en de boete voor 2016 naar € 6.000. De rechtbank acht deze boetes passend en geboden.\n\n4.14.. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de boetes moeten worden verminderd omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken. De redelijke termijn bedraagt als uitgangspunt twee jaar nadat de boete is aangekondigd. In dit geval is op respectievelijk 29 juni 2020 en 1 juli 2020 de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank doet uitspraak op 1 juli 2024. Sinds de aankondiging van de boetes zijn dan afgerond vier jaar en een maand verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met twee jaar en een maand. De boetes worden gematigd met 20%.\n\n4.15.. Dit betekent dat de rechtbank de boetes vermindert naar respectievelijk € 4.000 en € 4.800.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen met betrekking tot de boetes in zaaknummers 23\u002F1090 en 23\u002F1095 zijn gegrond. De beroepen zijn voor het overige ongegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen.\n\n5.1.. \n\nOmdat de beroepen gegrond zijn, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.\n\nDe inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750. De rechtbank kent de proceskostenvergoeding eenmaal toe omdat sprake is van samenhang. De zaken zijn immers gelijktijdig door de inspecteur en de rechtbank behandeld, waarbij de werkzaamheden van de gemachtigde in beide zaken (nagenoeg) identiek konden zijn. De rechtbank kent geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toe omdat daar in de bezwaarschriften niet om is verzocht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen met betrekking tot de boete IB\u002FPVV 2014 en de boete IB\u002FPVV 2016 in zaaknummers 23\u002F1090 en 23\u002F1095 gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen;\n\n- vermindert de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2014 naar een bedrag van € 4.000;\n\n- vermindert de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 naar een bedrag van € 4.800;\n\n- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\n- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 1.750;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 100 (2x € 50) aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- bepaalt dat de griffier het griffierecht aan belanghebbende terugbetaalt in zaaknummers 23\u002F1091, 23\u002F1093, 23\u002F1097 en 23\u002F1100.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 1 juli 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www. rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nAan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 27e, eerste lid, van de AWR.\n\n Vgl. onder andere Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083\n\n ECLI:NL:GHSHE:2018:2713","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:4492","2026-07-13T00:28:56.173Z",{"id":139,"ecli":140,"slug":141,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":142,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":143,"sourceTimestamp":144,"parsedAt":36,"updatedAt":145},"1366","ECLI:NL:RBZWB:2022:3214","ecli-nl-rbzwb-2022-3214","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht, meervoudige kamer\n\nLocatie: Breda\n\nZaaknummer BRE 20\u002F776\n\nuitspraak van 29 juni 2022\n\nUitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen\n\n [belanghebbende], wonende te [woonplaats] ,\n\nbelanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nde inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 102.706 (de aanslag).\n\nDe inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 december 2019 de aanslag gehandhaafd.\n\nBelanghebbende heeft daartegen bij brief van 24 januari 2020, ontvangen bij de rechtbank op 27 januari 2020, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 48.\n\nDe inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2022 te Breda.\n\nAldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde T.J. Wintermans, verbonden aan Guurink Wintermans Belastingadviseurs te Rotterdam, en namens de inspecteur, [inspecteur] en [inspecteur] .\n\nPartijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.\n\nVan het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.\n\n2. Feiten\n\nOp grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:\n\n2.1.. Belanghebbende houdt 100% van de aandelen in [BV 1] (de houdstermaatschappij) die op haar beurt 100% van de aandelen houdt in [BV 2] (de BV). Belanghebbende heeft de BV opgericht met het doel innovatieve Data Integratie (DI) oplossingen te realiseren. Het product dat de BV heeft ontwikkeld kan het best worden omschreven als een speciale computer die bedoeld is voor de integratie van verschillende informatiesystemen. Er is zowel hardware als software ontwikkeld die bedoeld is om transactieprocessen te ondersteunen. De BV heeft aan twee oplossingen gewerkt: de Data Source Integrator (DSI) en het Unified Integration Platform (UIP).\n\n2.2.. In april en mei 2008 heeft de Rabobank leningen en een rekening-courantkrediet verstrekt aan de BV. Belanghebbende heeft zich voor € 125.000 borg gesteld. Voor één van de leningen heeft de Staat der Nederlanden zich garant gesteld. In december 2008 heeft de BV de aanvraag voor de aanvullende financiering gedaan. In juni 2009 heeft de Rabobank de aanvraag afgewezen.\n\n2.3.. Op 21 juni 2009 hebben belanghebbende en de BV een rekening-courantovereenkomst getekend waarbij belanghebbende een kredietfaciliteit aan de BV verstrekt voor een maximaal bedrag van € 650.000 en een maximale periode van 20 jaar. Het rentepercentage bedraagt 8% en er zijn geen zekerheden bedongen. De lening is achtergesteld. Op de lening is afgelost, maar is geen rente betaald.\n\n2.4.. Op 20 november 2009 heeft de BV een Quick Scan Innovatiekrediet aangevraagd bij NL Innovatie voor de ontwikkeling van UIP. Op 5 februari 2010 is de aanvraag afgewezen op grond van financiële en organisatorische risico’s. In de brief wordt erop gewezen dat niet is aangetoond hoe de BV op dat moment wordt gefinancierd, dat de financiering van de ontwikkeling van UIP zou worden betaald uit de verkoop van DSI terwijl DSI pas in de aanloop naar de pilotfase zit, dat DSI en UIP voor verschillende doelgroepen worden ontwikkeld en dat de BV nog geen ervaring heeft met de verkoop van producten.\n\n2.5.. In februari 2010 heeft de BV een nieuwe investeerder benaderd, [BV 3] ( [BV 3] ). Op 19 maart 2010 hebben [BV 3] en de BV een overeenkomst getekend voor een lening van € 10.000 onder bepaalde voorwaarden (onder andere dat een DSI-machine in onderpand zou worden gegeven en dat belanghebbende zich garant zou stellen) en de afspraak dat de BV zich voor een financiering tot € 1,7 miljoen tot [BV 3] zou wenden tegen 8% rente. [BV 3] zou de lening mogen converteren in een aandelenbezit van 20 tot 30%. [BV 3] heeft bovendien het recht bedongen de producten van de BV te mogen verkopen. [BV 3] heeft geen aandelen in de BV verkregen.\n\n2.6.. In mei 2010 heeft de Rabobank een nieuwe aanvraag voor een krediet afgewezen.\n\n2.7.. In december 2010 is de BV een pilot gestart voor het product DSI. In 2011 is de BV hiermee doorgegaan. De BV heeft in 2011 haar eerste omzet behaald, € 86.914.\n\n2.8.. In januari 2011 heeft [BV 3] een lening van [BV 4] en een deel van de leningen van de Rabobank afgelost. Vervolgens is [BV 3] haar toezeggingen niet verder nagekomen.\n\n2.9.. In november 2013 heeft de Rabobank het restant van de leningen opgezegd. In de brief van 7 november 2013 staat onder meer het volgende:\n\n“Onze bank verstrekte aan [BV 1] en [BV 2] een financiering die als volgt kan worden gespecificeerd:\n\na. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. 21-05-2008 een lening tot een bedrag van € 100.000,, leningnummer [leningnummer 1]\n\nb. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. 21-05-2008 een lening tot een bedrag van\n\n€ 25.000,--, leningnummer [leningnummer 2]\n\nc. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. 21-05-2008 een krediet in rekeningcourant tot een bedrag van € 125.000.--, geadministreerd op rekeningnummer [rekeningnummer 1]\n\nd. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. 28-04-2005 een lening (Innovatiekrediet) tot een bedrag van € 22.500,--, geadministreerd op rekeningnummer [rekeningnummer 2]\n\nDe huidige kredietlimiet bedraagt € nihil.\n\nDe zekerheid voor de bank bestaat uit:\n\n- een borgtocht ten bedrage van € 125.000,-- blijkens akte d.d. 21-05-2008 gesteld door [belanghebbende]\n\n- garantie van de Staat der Nederlanden uit hoofde van een Starters-Borgstellingskrediet met betrekking tot de hiervoor vermelde lening onder nummer [leningnummer 1] .\n\nMet betrekking tot de verstrekte financiering en de zekerheden verwijzen wij naar de destijds getekende overeenkomsten en de daarop toepasselijke voorwaarden.\n\nUw onderneming bevindt zich al geruime tijd in financiële problemen. Doordat gedurende een aantal jaren forse verliezen zijn geleden is er inmiddels sprake van een aanzienlijk negatief eigen vermogen. De financiële verplichtingen aan onze bank kunnen niet meer worden nagekomen. Maatregelen om het tij te keren hebben niet tot het gewenste resultaat geleid.\n\nU heeft besloten over te gaan tot beëindiging van uw bedrijfsactiviteiten.\n\nOmdat daarmee de grondslag voor de door onze bank verstrekte bedrijfsfinanciering komt te vervallen vormt dit voor onze bank reden om tot opzegging van de financiering over te gaan.\n\nOp grond van het bovenstaande zeggen wij dan ook de verstrekte financiering op met een opzegtermijn van twee weken en sommeren wij u om uiterlijk op 21-11-2013 aan onze bank te voldoen al hetgeen wij op dat moment van u te vorderen zullen hebben.\n\nMomenteel kan uw schuld als volgt worden gespecificeerd:\n\n(…)\n\ntotaal te voldoen € 91.663,12\n\nte vermeerderen met de vooralsnog p.m. gestelde posten\n\nMocht u aan deze sommatie geen of geen tijdig gevolg geven, dan zal tot uitwinning van de zekerheden worden overgegaan. Dit zal name betekenen dat overgegaan wordt tot het declareren van de Staatsgegarandeerde lening en uitwinning van de door de heer [belanghebbende] gestelde akte van borgtocht.\n\nOp korte termijn zal door u in een uitgebreide toelichting worden aangegeven waarom het project, op basis waarvan de bank u een lening\u002F innovatiekrediet heeft verstrekt, niet is geslaagd.\n\nVoorts ontvangt de bank een door uw advocaat opgestelde brief ten behoeve van de Staat der Nederlanden, welke zich borg heeft gesteld voor de lening onder nummer [leningnummer 1] .”\n\n2.10.. Belanghebbende heeft volgens zijn eigen opstelling over de periode 2008 tot en met 2014 in totaal en per saldo € 477.521,95 in de BV geïnvesteerd. De beginstand van de rekening-courant bestaat uit een schuld die belanghebbende aan de BV had ter grootte van € 21.102. Belanghebbende heeft voor € 400.000 de rekening-courant gecrediteerd omdat hij de softwarerechten aan de BV zou hebben overgedragen. Het verschil tussen deze bedragen vormt de beginstand in 2009 ad € 378.898.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. Primair is in geschil of belanghebbende een vordering ter grootte van € 516.393 op de BV en de houdstermaatschappij tezamen heeft. In dit verband dient te worden beoordeeld of belanghebbende de softwarerechten in privé heeft ontwikkeld en deze vervolgens tegen vergoeding in de BV heeft ingebracht of dat de softwarerechten binnen de BV zijn ontwikkeld. Indien belanghebbende de softwarerechten heeft overgedragen, is de waarde daarvan in geschil. Subsidiair is in geschil of de vordering die belanghebbende op de BV heeft gekregen onder meer in verband met de verkoop van immateriële activa als een onzakelijke lening moet worden bestempeld. Tot slot verzoekt belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\n3.2.. \n\nBelanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede ontkennend. De inspecteur geeft de tegenovergestelde antwoorden.\n\nPartijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.\n\n3.3.. \n\nBelanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een verzamelinkomen van € 351.720 negatief.\n\nDe inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\n4.1.. De eerste vraag die dient te worden beantwoord, is of belanghebbende de rechten op de software in privé heeft ontwikkeld en deze vervolgens heeft geleverd aan de BV tegen schuldigerkenning van de koopprijs in de vorm van een lening ter grootte van € 400.000. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd toegelicht dat dit standpunt ziet op de rechten op de derde en als eerste ontwikkelde laag software, de applicaties. De rechtbank leidt uit de volgende stukken af dat dit niet aannemelijk is geworden:\n\nDe aanvraag van het Quick Scan Innovatiekrediet van 20 november 2009, waarin wordt beschreven dat de BV IT-oplossingen ontwikkelt bestaande uit hardware en software, en waarin geen enkel voorbehoud wordt gemaakt voor de eigendom van de softwarerechten;\n\nDe overeenkomst van 19 maart 2010 tussen [BV 3] en de BV, waarin staat dat de BV de apparatuur ontwikkelt (de DSI, bestaande uit een hardware component, een softwarelicentie en alle daarbij horende documentatie), en waarin geen enkel voorbehoud wordt gemaakt over gedeeld eigendom van de genoemde onderdelen of over een schuld die de BV zou hebben als gevolg van de overdracht door belanghebbende;\n\nIn het marktanalyserapport (“Achtergrondinformatie financieringsaanvraag”) van juni 2010 staan de activiteiten van de BV beschreven als de ontwikkeling van producten met hardware en software, zonder hierbij enig voorbehoud te maken over de eigendom van de diverse ontwikkelde en nog te ontwikkelen onderdelen of elementen of over een schuld die de BV zou hebben als gevolg van de overdracht door belanghebbende. In de paragraaf over intellectuele eigendom staat dat geen patenten zijn aangevraagd, dat dit ook niet wordt overwogen en bescherming op een andere manier mogelijk is, maar dat wellicht een modelrecht zal worden gevestigd op de uiterlijke verschijningsvorm van het product. In de paragraaf over de ‘assets’ staat dat de BV alle nodige activa bezit;\n\nOp de jaarrekeningen van de BV voor de jaren 2008 en 2009 zijn (im)materiële activa opgenomen, die vooral in 2009 aanzienlijk in waarde zijn gestegen. Het betreft immateriële activa voor de ontwikkelingskosten van DSI. Dat de softwarerechten een veelvoud van de opgenomen bedragen waard zijn en daarom niet in de jaarrekeningen kunnen zijn verwerkt, is niet aannemelijk gemaakt. De vermeldingen kunnen ook niet zien op de ontwikkeling van UIP, omdat daarmee nog niet was begonnen. Dit product zou pas na het testen van DSI, waarmee pas eind 2010 is aangevangen, worden ontwikkeld.\n\n4.2.1.. De verwijzing naar de concept-afspraken met [BV 3] van april 2010 doet hier niet aan af. In dit stuk, dat niet is ondertekend, wordt geen concrete verdeling beschreven van alle bestaande rechten tussen belanghebbende, de BV en de houdstermaatschappij, die ook in deze afspraken wordt genoemd als mogelijke rechthebbende. Bovendien betreft het hier een concept van de hand van belanghebbende, en geen objectief stuk waaraan enige rechten kunnen worden ontleend. Ditzelfde geldt voor de overeenkomst tussen belanghebbende en de BV van 30 april 2010 betreffende de overdracht van de softwarerechten. Bij gebreke aan enige concrete onderbouwing van de inhoud van deze overeenkomst gaat de rechtbank ook hieraan voorbij.\n\n4.2.2.. De verklaring van [persoon 1] van 15 februari 2019 is gegeven op basis van de veronderstelling dat belanghebbende de rechten ooit heeft bezeten en vormt geen bewijs van de eigendom van belanghebbende. Bovendien blijkt uit de verklaring dat [persoon 1] belanghebbende pas sinds 2009 kent, dus pas zeer kort en ruim na de oprichting van de BV, wat de vraag oproept waarop de veronderstelling over de eigendom is gebaseerd, anders dan op de verklaring van belanghebbende zelf. Ook de ter zitting overgelegde, tweede, verklaring van [persoon 1] van 11 mei 2022 doet hieraan niet af. De rechtbank rekent deze verklaring tot de gedingstukken. De rechtbank ziet, anders dan de inspecteur, noch in de late indiening noch in de inhoud daarvan aanleiding het stuk tardief te verklaren. De inspecteur heeft voldoende tijd gekregen om op dit stuk te reageren, aangezien belanghebbende het de dag vóór de zitting aan de inspecteur heeft verstrekt. Deze verklaring bevat in vergelijking met de eerste verklaring weinig voor de beoordeling van het geschil relevante elementen en komt bovendien in belangrijke mate overeen met de eerste verklaring. De in onderdeel A van de tweede verklaring genoemde roadmap is, zo leidt de rechtbank af uit het memo van 21 april 2010 van belanghebbende aan [persoon 2] van [BV 3] , in 2010 geschreven in verband met het aantrekken van [BV 3] . Dat de software kennelijk toen al was ontwikkeld en geen onderdeel was van het businessplan voor de ontwikkeling van DSI, zoals [persoon 1] verklaart, zegt niets over wie de rechten in eigendom had in de periode tussen de oprichting van de BV en 30 april 2010, bij het sluiten van de overeenkomst tussen belanghebbende en de BV. De ontwikkeling van DSI was inmiddels al enkele jaren aan de gang.\n\n4.2.3.. Dat DSI binnen de BV is ontwikkeld, acht de rechtbank eveneens aannemelijk gelet op hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard over de oorspronkelijke financiering door [BV 4] . In verband met deze financiering is de BV opgericht, zo heeft belanghebbende verklaard. Gelet op de integratie van de drie lagen software in de hardware van de DSI, ligt voor de hand dat de BV door belanghebbende is opgericht en gefinancierd door [BV 4] voor juist de ontwikkeling van het integrale product, de DSI. Dat de derde en als eerste ontwikkelde laag, de applicaties, hierbuiten zou staan, zoals belanghebbende heeft verklaard, is gelet op de relevantie van dit element moeilijk voorstelbaar en niet aannemelijk gemaakt. Dit element is juist de toegevoegde waarde van DSI voor de doelgroep. Het ligt niet voor de hand dat [BV 4] , een investeringsmaatschappij, een lening zou verstrekken voor de ontwikkeling van een nieuwe oplossing terwijl het belangrijkste element in handen is van een ander dan de schuldenaar.\n\n4.3.. Aangezien de rechtbank niet aannemelijk acht dat belanghebbende de softwarerechten eerst zelf heeft ontwikkeld en vervolgens in april 2010 aan de BV heeft overgedragen, komt de rechtbank aan de waardering van deze softwarerechten niet toe. Voor zover belanghebbende dan bedoeld heeft te stellen dat een deel van de ontwikkeling in privé heeft plaatsgevonden en de softwarerechten bij inbreng in de BV ten tijde van haar oprichting al een waarde vertegenwoordigden heeft hij zulks evenmin onderbouwd.\n\n4.4.. De rechtbank zal vervolgens het restant van de rekening-courant beoordelen. Hier dient de vraag te worden beantwoord of dit een onzakelijke lening is. Van een onzakelijke lening is sprake, wanneer een aandeelhouder van een vennootschap aan die vennootschap een geldlening verstrekt en daarbij een debiteurenrisico aanvaardt dat een derde, niet zijnde aandeelhouder van die vennootschap, niet zou hebben aanvaard, ook niet voor een hogere rente (vgl. HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9156). Indien de rente zodanig moet worden aangepast dat de geldlening in wezen winstdelend zou worden, moet worden verondersteld dat een debiteurenrisico wordt gelopen dat deze derde niet zou hebben genomen (vgl. HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BW6552). Een eventueel verlies op een dergelijke lening kan niet ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden worden gebracht.\n\n4.5.. Of sprake is van een onzakelijke lening dient te worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur vervolgens alsnog een onzakelijke lening kan worden (vgl. HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442 en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:645).\n\n4.6.. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft desgevraagd niet aannemelijk gemaakt dat de gedane restaurantuitgaven een zakelijk karakter hebben. Deze kosten, € 11.393, die belanghebbende voor zijn rekening heeft genomen en die aan de rekening-courantvordering zijn toegevoegd, komen zonder meer niet in aanmerking bij het vaststellen van het bedrag dat belanghebbende op de vordering wenst af te waarderen.\n\n4.7.1.. De rechtbank leidt uit het door belanghebbende opgestelde overzicht van de rekening-courantverhouding met de BV af dat belanghebbende in totaal € 187.953,46 (= € 35.500 (2011) +€ 152.353,46 (2013)+€ 100 (2014)) in rekening-courant heeft opgenomen. Dit leidt ertoe dat na aftrek van de voor de overdracht van de rechten geboekte inbreng van € 400.000 (IE-rechten) en de restaurantuitgaven van € 11.393 van de totaal door belanghebbende berekende storting dan wel inbreng van € 477.521,95 (2014) een bedrag van € 101.759 (= € 665.475,41 -\u002F- € 152.323 -\u002F- € 400.000 -\u002F- € 11.393) resteert. Voor dit bedrag dient te worden beoordeeld of sprake is van een onzakelijke lening.\n\n4.7.2.. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een onzakelijke lening. De BV heeft vanaf 2008 een negatief vermogen, boekt pas in 2011 een bescheiden omzet en behaalt pas in 2013 een bescheiden winst. Met de twee producten die de BV heeft ontwikkeld, DSI en UIP, heeft de BV per saldo geen winst gemaakt. In 2013 heeft de BV losse opdrachten uitgevoerd en eenmalig een kleine winst geboekt. De financiële positie van de BV is tijdens de gehele looptijd van de rekening-courantlening niet florissant te noemen.\n\n4.7.3.. In eerste instantie (2008) verstrekt de Rabobank een lening van in totaal € 272.500, met een persoonlijke borgstelling van € 125.000 van belanghebbende en een staatsgarantie van € 100.000. De Rabobank weigert de BV al vanaf 2009 verder te financieren. De rechtbank leidt uit de brief van de Rabobank af dat de bank had vastgesteld dat de BV sinds lange tijd financieel in zwaar weer zit en dat er weinig perspectieven zijn op verbetering. Belanghebbende voert aan dat Deutsche Bank in plaats van de Rabobank wel bereid zou zijn geweest een lening te verstrekken, maar belanghebbende heeft dit niet aannemelijk gemaakt.\n\n4.7.4.. De aanvraag van een innovatiesubsidie bij Agentschap NL wordt begin 2010 afgewezen. De rechtbank leidt uit de afwijzingsbrief af dat het gepresenteerde plan een riskante onderneming wordt geacht, met weinig onderbouwing van de financiering.\n\n4.7.5.. \n [BV 3] , net als [BV 4] een investeringsmaatschappij, is in 2010 wel bereid in de BV te investeren, maar bedingt wel diverse zekerheden en bijzondere voorwaarden, zoals een onderpand en een persoonlijke garantstelling, eist een actieve rol op en bedingt de mogelijkheid om 20 tot 30% van de aandelen te verwerven. Bovendien staat in de overwegingen in de overeenkomst dat [BV 3] het recht bedingt de door de BV ontwikkelde apparatuur te verkopen. De rechtbank voegt hieraan toe dat partijen van inzicht verschillen over het bedrag dat [BV 3] uiteindelijk in de BV heeft geïnvesteerd.\n\n4.7.6.. De rechtbank leidt hieruit af dat de rekening-courantverhouding tussen belanghebbende en de BV, als zij niet vanaf aanvang onzakelijk was, in ieder geval in de loop van de tijd onzakelijk is geworden. Belanghebbende committeert zich in de overeenkomst van 21 juni 2009 tot investering van maximaal € 650.000 voor een periode van 20 jaar tegen een rente van 8%, die nooit is betaald maar steeds is bijgeschreven, terwijl er wel op de lening is afgelost op de hoofdsom, en wel een aanzienlijk bedrag in 2013. Gelet op alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat belanghebbende bereid was als middellijk aandeelhouder een lening te verstrekken onder condities, waaronder een derde nooit bereid was een dergelijke lening te verstrekken. Uit het dossier volgt dat na de eerste lening door de Rabobank geen enkele kredietverstrekker bereid was onder normale condities een soortgelijke lening te verstrekken. [BV 3] was uiteindelijk bereid de uitstaande vorderingen van de Rabobank en [BV 4] af te lossen en een lening te verstrekken, maar wel met de intentie aandelen in de BV te verwerven en een actievere rol te vervullen dan die van kredietverstrekker en zo te delen in de vruchten van de onderneming zelf. Dat dit door het faillissement van [BV 3] in 2016 niet volgens plan is doorgegaan, doet hieraan niet af.\n\n4.8.. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\n4.9.1.. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\n4.9.2.. In zijn arresten van 10 juni 2011 heeft de Hoge Raad beslist dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade (HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046). De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat voor de fase van bezwaar en beroep een termijn van twee jaren moet worden gehanteerd als redelijke termijn waarbinnen belastinggeschillen behoren te worden beslecht. Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).\n\n4.9.3.. De rechtbank stelt vast dat na de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur op 26 april 2019 tot de datum van uitspraak van de rechtbank op 29 juni 2022, drie jaar en afgerond drie maanden zijn verstreken. De redelijke termijn is dus met één jaar en drie maanden overschreden.\n\n4.9.4.. Bij overschrijding van de redelijke termijn dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Hierdoor bestaat aanspraak op een schadevergoeding van € 1.500 (3 x € 500).\n\n4.9.5.. De overschrijding van de redelijke termijn kan gedeeltelijk worden toegerekend aan de bezwaarfase en gedeeltelijk aan de beroepsfase. Aan de bezwaarfase wordt een totale overschrijding van afgerond 2 maanden toegerekend (een overschrijding tussen ontvangst van het bezwaarschrift op 26 april 2019 en de uitspraak op bezwaar van 18 december 2019) en aan de beroepsfase wordt een overschrijding van afgerond 13 maanden toegerekend (tussen de uitspraak op bezwaar van 18 december 2019 en de uitspraak van de rechtbank van 29 juni 2022). De inspecteur zal daarom worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 200 (€ 1.500 x 2\u002F15) aan belanghebbende en de Staat (de minister voor Rechtsbescherming) zal worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 1.300 (€ 1.500 x 13\u002F15) aan belanghebbende.\n\n4.9.6.. De rechtbank heeft de minister voor Rechtsbescherming niet om een reactie gevraagd en evenmin uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting. Gelet op de beleidsregel van de minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935 (Stcrt. 2014, 20210), is de rechtbank ervan uitgegaan dat de minister voor Rechtsbescherming afziet van het voeren van schriftelijk of mondeling verweer.\n\n5. Proceskosten\n\n5.1.. Omdat een immateriële schadevergoeding wordt toegekend, is er aanleiding een vergoeding toe te kennen voor de door belanghebbende gemaakte proceskosten in beroep (zie HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660 en HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).\n\n5.2.. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 759 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 0,5). De voor het overige door belanghebbende genoemde proceskosten, te weten reiskosten, worden overeenkomstig zijn verzoek vastgesteld op een bedrag van € 23,80. Deze vergoeding komt voor de helft voor rekening van de inspecteur en voor de helft voor rekening van de Staat (zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016\u002F140, r.o. 3.14.1 en 3.14.2). Voor een hogere vergoeding zijn geen termen aanwezig.\n\n5.3.. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling bij de rechtbank gestorte griffierecht van € 48 te worden vergoed. Deze vergoeding komt voor de helft voor rekening van de inspecteur en voor de helft voor rekening van de Staat.\n\n6. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nveroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan belanghebbende van € 200;\n\nveroordeelt de minister voor Rechtsbescherming tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan belanghebbende van € 1.300;\n\nveroordeelt de inspecteur in de proceskosten in beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 391,40;\n\nveroordeelt de minister voor Rechtsbescherming in de proceskosten in beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 391,40;\n\ngelast dat de inspecteur het voor het beroep betaalde griffierecht voor de helft, zijnde € 24, aan belanghebbende vergoedt;\n\ngelast dat de minister voor Rechtsbescherming het voor het beroep betaalde griffierecht voor de helft, zijnde € 24, aan belanghebbende vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. W.M.G. Visser en mr. T.A. de Hek, rechters, in aanwezigheid van mr. N. Veenstra, griffier, op 29 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nAfschrift aangetekend verzonden aan partijen op:\n\nAan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. een dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\n d. de gronden van het hoger beroep.\n\nVoor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl \u002F Digitaal loket bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:3214","2022-06-14T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:18.155Z",20]