[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-inheritance-and-gift-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":46,"limit":47},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},75,"inheritance-and-gift-tax-nl","Inheritance and Gift Tax","NL","2026-07-08T16:54:48.704Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-03-13T00:00:00.000Z","2026-06-18T00:00:00.000Z",[],[22,32,39],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1499","ECLI:NL:RBZWB:2026:5367","ecli-nl-rbzwb-2026-5367","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 25\u002F1334 en 25\u002F1827\n\nuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] (Frankrijk), belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. Deze zaak draait om een persoon die zodanige gewetensbezwaren heeft tegen de indirecte dan wel directe aanwending van Nederlandse belastinggelden aan internationale conflicten of oorlogen, dat zij geen Nederlandse belasting meer wenst te betalen.\n\n2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 februari 2025 en 6 maart 2025.\n\n2.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag schenkbelasting opgelegd ter zake van een schenking in 2021 van € 128.750 (aanslagnummer [aanslagnummer 1] ).\n\n2.2.. Daarnaast heeft de inspecteur aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd ter zake van een verkrijging in 2021 van € 206.009 (aanslagnummer [aanslagnummer 2] ) en bij gelijktijdige beschikking € 586 belastingrente aan haar in rekening gebracht.\n\n2.3.. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] en mr. [inspecteur 4]\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende heeft op 18 november 2021 van haar moeder, [moeder] , een schenking ontvangen van € 128.750.\n\n3.1.. De inspecteur heeft de aanslag schenkbelasting conform de ingediende aangifte vastgesteld (zie 1.1.).\n\n3.2.. De moeder van belanghebbende is op [datum] 2021 overleden. Belanghebbende en haar zus zijn de erfgenamen, ieder voor de helft.\n\n3.3.. De inspecteur heeft de aanslag erfbelasting conform de ingediende aangifte vastgesteld (zie 1.2).\n\n3.4.. De inspecteur heeft op 28 februari 2025 een ingebrekestelling ontvangen vanwege het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslag erfbelasting.\n\n3.5.. Bij brief van 11 maart 2025 heeft de inspecteur het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen schenkbelasting en erfbelasting moeten worden verminderd vanwege gewetensbezwaren van belanghebbende tegen het betalen van belasting, voor zover zij daarmee bijdraagt aan de financiering van de uitgaven voor – kort gezegd – militaire doeleinden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n4.1.. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de aanslagen schenkbelasting en erfbelasting niet worden verminderd.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nMotivering\n\n5. In beroep is niet in geschil dat de aan belanghebbende opgelegde aanslagen schenkbelasting en erfbelasting in overeenstemming zijn met de bepalingen van de Successiewet 1956. Belanghebbende stelt echter dat zij gewetensbezwaren heeft tegen het betalen van belasting, voor zover zij daardoor bijdraagt aan de financiering van de uitgaven voor – kort gezegd – militaire doeleinden, en is van mening dat op die grond de aanslagen moeten worden verminderd.\n\n5.1.. De rechtbank vat de stelling van belanghebbende op als een beroep op artikel 18 van de Universele verklaring van de rechten van de mens.\n\n5.2.. De rechtbank heeft er begrip voor dat belanghebbende vanuit haar diepgewortelde gewetensovertuigingen genoodzaakt voelt om aandacht te vragen voor deze kwestie. De rechtbank geeft belanghebbende wel nadrukkelijk in overweging om het voeren van belastingprocedures te beperken tot één zaak in plaats van – zo begrijpt de rechtbank – het vanaf nu opkomen tegen elke Nederlandse belastingaanslag. Wat belanghebbende probeert te bereiken, namelijk dat Nederland geen geld meer uitgeeft, ook niet indirect, aan internationale conflicten of oorlogen, dient via de politiek te lopen en niet kort gezegd, via de belastingrechter. Dat legt de rechtbank hierna uit.\n\n5.3.. De rechtbank stelt voorop dat artikel 9, eerste lid, van het EVRM beoogt, evenals artikel 18, eerste lid, van het IVBPR en artikel 18 van de Universele Verklaring, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst te beschermen, welk recht naar de mede authentieke Engelse tekst van eerstgenoemd verdrag tevens omvat “freedom to change his religion or belief and freedom, either alone or in community with others and in public or private, to manifest his religion or belief in worship, teaching, practise and observance”.\n\n5.4.. Dit recht omvat echter niet de vrijheid om op grond van godsdienstige overtuiging of gewetensbezwaren te weigeren belasting te betalen, voor zover de opbrengst van die belasting wordt aangewend voor doeleinden, die de belastingplichtige niet met zijn godsdienstige overtuiging of geweten kan verenigen, bijvoorbeeld (bepaalde) militaire doeleinden.De verplichting om belasting te betalen luidt algemeen; de individuele belastingplichtige kan de voldoening aan die verplichting niet - ook niet gedeeltelijk - afhankelijk stellen van het doel waarvoor de overheid de belasting aanwendt, ook niet op grond van bezwaren ontleend aan godsdienstige overtuiging of geweten. Evenmin is het aan belanghebbende om - in overeenstemming met haar overtuiging of geweten - te bepalen voor welke overheidsuitgaven zij wel en voor welke zij niet belasting zal betalen.Een en ander brengt mee dat naar het oordeel van de rechtbank geen grond bestaat voor een vermindering van de aanslagen schenkbelasting en erfbelasting.\n\n5.5.. Wat ook zij van de logischerwijs sterke emoties bij elk internationaal conflict of oorlog, kan het niet zo zijn dat wanneer er een zodanig situatie is, dan diegenen die het daar niet mee eens zijn geen belasting of slechts gedeeltelijk belasting in Nederland zouden hoeven te betalen. Het zou voor een onwerkbaar stelsel zorgen als een belastingplichtige in Nederland alleen belasting hoeft te betalen wanneer het geld wordt uitgegeven aan de doelen die die specifieke belastingplichtige goedkeurt.\n\n5.6.. De rechtbank is er bewust van dat deze uitleg op belanghebbende harder kan overkomen dan de rechtbank het bedoelt – tussen de uitleg op papier en hoe de rechtbank hoopt dat het overkomt, schijnt altijd wat licht – ook gelet op de emoties van belanghebbende op de zitting. De aanwending van de belastingopbrengst is echter een politieke zaak en discussies over die aanwending zullen daar moeten plaatsvinden. Dat is in de kern wat maakt dat de rechtbank niet meegaat in het betoog van belanghebbende. Belanghebbende moet dus evenveel belasting betalen als een ander in haar positie.\n\n5.7.. Ook de overige beroepsgronden kunnen niet leiden tot een ander oordeel en slagen dus niet.\n\nNiet-tijdig beslissen op bezwaar\n\n6. Belanghebbende heeft de inspecteur op 28 februari 2025 in gebreke gesteld wegens het niet-tijdig beslissen op haar bezwaar tegen de aanslag erfbelasting. De inspecteur heeft uiteindelijk op 6 maart 2025 beslist. Dat is binnen de termijn van twee weken die de inspecteur als uitgangspunt heeft voordat hij een dwangsom verbeurt vanwege het niet-tijdig beslissen op een bezwaar.Belanghebbende heeft reeds daarom geen recht op een dwangsom.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen schenkbelasting en erfbelasting in stand blijven. Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt zij ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nAan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Geproclameerd op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering der Verenigde Naties, op artikel 9, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en op artikel 18, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR).\n\n Vgl. Hoge Raad 26 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5618, r.o. 3.4.\n\n Vgl. Hoge Raad 26 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5618, r.o. 3.4.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid Algemene wet inzake rijksbelastingen.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5367","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:24.111Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"1745","ECLI:NL:RBZWB:2026:5369","ecli-nl-rbzwb-2026-5369","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F1623\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr.drs. H.J.J. van de Munckhof),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 31 januari 2025.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende ter zake van een schenking in 2021 van € 75.000 een aanslag schenkbelasting opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer] ).\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag schenkbelasting ongegrond verklaard.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep – samen met het beroep met zaaknummer 25\u002F1622 – op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht de toepassing van de eenmalig verhoogde vrijstelling als bedoeld in artikel 33, aanhef en onderdeel 5, onder c, van de Successiewet 1956 (wettekst 2021, de eigenwoningvrijstelling) heeft geweigerd voor een schenking die belanghebbende in het jaar 2021 heeft ontvangen.\n\n2.1.. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de eigenwoningvrijstelling terecht heeft geweigerd voor de schenking in het jaar 2021. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende heeft in 2018 van zijn vader een schenking van € 25.731 ontvangen. Ter zake van deze schenking heeft belanghebbende aangifte schenkbelasting gedaan. In deze aangifte is een beroep gedaan op de eenmalig verhoogde vrijstelling.\n\n3.1.. \n\nIn de betreffende schenkingsovereenkomst staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:\n\n“ [de vader] verklaart hierbij te schenken aan [belanghebbende] een bedrag groot € 25.731 (zegge vijfentwintig duizend zevenhonderd en eenendertig euro) met uitsluiting van gemeenschap, hetgeen impliceert dat genoemde schenking alléén aan [belanghebbende] ten goede mag komen, en deze schenking en de daaruit voortvloeiende baten niet in enige (huwelijkse) goederengemeenschap kan vallen en\u002Fof samen met derden kunnen worden gedeeld of besteed.”\n\n3.2.. Belanghebbende heeft in 2021 opnieuw een schenking van zijn vader ontvangen van ditmaal € 75.000. Ter zake van deze schenking heeft belanghebbende aangifte schenkbelasting gedaan. In de aangifte heeft belanghebbende een beroep gedaan op de eigenwoningvrijstelling.\n\n3.3.. De inspecteur heeft bij de vaststelling van de aanslag schenkbelasting de toepassing van de eigenwoningvrijstelling geweigerd omdat belanghebbende voor de schenking in 2018 al gebruik heeft gemaakt van de eenmalig verhoogde vrijstelling.\n\n3.4.. Op het aanslagbiljet staat – voor zover hier van belang – verder vermeld:\n\nEn:\n\nEn:\n\nMotivering\n\nVooraf\n\n4. Ter zitting is namens belanghebbende het beroep met zaaknummer 25\u002F1622, dat betrekking had op de aan belanghebbende opgelegde aanslag schenkbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] , ingetrokken. Omdat zaken ter zitting gezamenlijk zijn behandeld, heeft de rechtbank heeft in haar beoordeling van onderhavige zaak ook de stukken betrokken die in de zaak met nummer 25\u002F1622 zijn ingebracht, zoals partijen het ook hadden begrepen. Het gaat dan vooral om het verweerschrift met bijlagen, dat alleen is ingebracht in de zaak met nummer 25\u002F1622, terwijl het betrekking heeft op de zaak met nummer 25\u002F1623.\n\nInhoudelijk\n\n5. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de in het jaar 2018 toegepaste eenmalige verhoogde vrijstelling in de weg staat aan toepassing van de eigenwoningvrijstelling voor de schenking in 2021.\n\n5.1.. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend. Daartoe stelt hij dat de schenking uit 2018 is herroepen, en dat die herroeping terugwerkende kracht heeft. Om die reden bestaat er volgens belanghebbende in 2021 recht op toepassing van de eigenwoningvrijstelling. De rechtbank begrijpt die stelling zo dat belanghebbende aanvoert dat de herroeping ertoe leidt dat de eenmalig verhoogde vrijstelling in 2021 niet meer is gebruikt en hij dus in 2021 deze vrijstelling alsnog, in de vorm van de eigenwoningvrijstelling, volledig kan benutten.\n\n5.2.. De inspecteur betwist dat de eigenwoningvrijstelling in 2021 kan worden toegepast. Enerzijds wijst de inspecteur erop dat de herroeping van de schenking in 2018, voor zover daar al sprake van is, geen terugwerkende kracht heeft en om die reden het beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling niet herleeft. Anderzijds voert de inspecteur aan dat ook de goedkeuring van de staatssecretarisniet kan leiden tot een hernieuwd beroep op de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling, aangezien de herroeping om fiscale redenen heeft plaatsgevonden.\n\n5.3.. De rechtbank stelt in haar beoordeling voorop dat partijen het er niet over eens zijn dat in 2018 een herroepelijke schenking heeft plaatsgevonden. De rechtbank is met de inspecteur van oordeel dat in de schenkingsovereenkomst (zie 3.1) geen herroepingsclausule kan worden gelezen. Dat staat er simpelweg niet. De visie van belanghebbende acht de rechtbank onaannemelijk. Dat zou er namelijk op neerkomen dat het de bedoeling van partijen was om een herroepingsclausule overeen te komen, maar dat zij dit toch zeer belangrijke aspect, zouden zijn vergeten op te schrijven. Een partij kan niet volstaan met de enkele stelling dat iets anders is bedoeld dan is vastgesteld; de partijbedoeling moet wel steun vinden in verklaringen, gedragingen of de tekst van de overeenkomst zelf. Die steun ontbreekt volledig. De rechtbank ziet daarom geen grond de schenkingsovereenkomst uit te leggen overeenkomstig de door belanghebbende gestelde partijbedoeling. Daarnaast heeft zelfs als de rechtbank belanghebbende zou volgen in zijn standpunt dat sprake was van een herroepelijke schenking - waarvoor de rechtbank dus geen aanwijzing ziet - belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat die schenking ten tijde van het belastbare feit in 2021 rechtsgeldig was herroepen. Ter zitting is ondubbelzinnig verklaard dat de schenking uit 2018 pas in 2023 zou zijn teruggedraaid. Dat is ruim na het belastbare feit. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de stelling van belanghebbende hoe dan ook niet kan slagen.\n\n5.4.. Belanghebbende heeft voor dat geval nog een beroep gedaan op goedkeurend beleid. Voor herroepelijke schenkingen heeft de staatssecretaris goedgekeurd dat als de schenking wordt herroepen door de ouder om andere dan fiscale redenen, de herroepen schenking voor de toepassing van de eenmalig verhoogde vrijstelling helemaal wordt weggedacht, en in het geval van een nieuwe schenking (nogmaals) een geslaagd beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling – zoals de eigenwoningvrijstelling – kan worden gedaan.Omdat de rechtbank hiervoor tot het oordeel is gekomen dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schenking uit 2018 ten tijde van het belastbaar feit rechtsgeldig was herroepen, kan belanghebbende ook geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel ontleend aan beleid.\n\n5.5.. Gelet op voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de in het jaar 2018 toegepaste eenmalige verhoogde vrijstelling in de weg staat aan toepassing van de eigenwoningvrijstelling in 2021.\n\nVertrouwensbeginsel\n\n6. Belanghebbende stelt nog dat de aanslag schenkbelasting moet worden verminderd omdat de inspecteur bij hem anderszins de indruk heeft gewekt dat de eigenwoningvrijstelling van toepassing is. Hij wijst erop dat op het aanslagbiljet een totale vrijstelling staat vermeld van € 111.906.\n\n6.1.. De rechtbank is het met belanghebbende eens dat het aanslagbiljet vragen oproept over de hoogte van de toegepaste vrijstelling. Op het aanslagbiljet wordt immers onder meer vermeld “uw vrijstelling € 111.906”en“eenmalig verhoogde vrijstelling eigen woning € 105.302”(zie 3.4). Tegelijkertijd volgt uit de toelichting op het aanslagbiljet (zie eveneens 3.4) dat de inspecteur van oordeel is dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van de eigenwoningvrijstelling. Het aanslagbiljet laat voor dat gedeelte tekstueel qua duidelijkheid een en ander te wensen over en is weinig gelukkig geformuleerd. Naar het oordeel van de rechtbank kon belanghebbende echter op basis van het aanslagbiljet gelet op de toelichting in samenhang met het verschuldigde bedrag aan schenkbelasting, niet redelijkerwijs menen dat de inspecteur daadwerkelijk toepassing van de eigenwoningvrijstelling had verleend. Van een in rechte te beschermen vertrouwen is daarom geen sprake.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag schenkbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Als bedoeld in de brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 april 2018, Kamerstukken II2017\u002F18, nr. 2018D27453.\n\n Zie brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 april 2018, Kamerstukken II2017\u002F18, nr. 2018D27453, en ook het op 30 mei 2023 op de website van de Belastingdienst gepubliceerd standpunt van de interne Kennisgroep Successiewet, https:\u002F\u002Fkennisgroepen.belastingdienst.nl\u002Fstandpunt-herroepen-schenking-herleven-eenmalige-verhoogde-vrijstelling-schenkbelasting-gepubliceerd\u002F.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5369","2026-07-13T00:29:36.711Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":43,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":30,"updatedAt":45},"1277","ECLI:NL:RBZWB:2026:1738","ecli-nl-rbzwb-2026-1738","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht zaaknummer: BRE 25\u002F222\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende\n\n(gemachtigden: mr. M.H.J.M. Oosterbosch en [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 december 2024.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd, tot een bedrag van € 134.354, ter zake van een verkrijging in het jaar 2020.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.\n\n1.3.. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingediend.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van belanghebbende en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Van hetgeen op de zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen heeft verzonden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft\n\nFeiten\n\n3. Op [datum] 2020 is [erflater] , de broer van belanghebbende (erflater), overleden.\n\n3.1.. \n\nErflater heeft bij testament van 20 juni 2020 over zijn nalatenschap beschikt. In dat testament staat, voor zover hier van belang (en zonder het in de akte opgenomen renvooi):\n\n“Ik legateer, zulks niet vrij van rechten en kosten en af te geven binnen acht maanden na mijn overlijden:\n\na. (…);\n\nb. tezamen en voor gelijke delen aan:\n\n- (…);\n\n- [belanghebbende]; en\n\n- (…);\n\neen cultuurgrond, gelegen te [plaats 2] , (…).\n\nLEGAAT OVERIGE SPAARTEGOEDEN\u002FBELEGGINGEN\n\nIk legateer tezamen en voor gelijke delen aan:\n\n- (…);\n\n- [belanghebbende];\n\n- (…):\n\n- (…); en\n\n- (…);\n\nniet vrij van rechten en kosten, zonder bijberekening van rente en af te geven zo spoedig mogelijk na mijn overlijden hetgeen resteert van de door mij in privé aangehouden spaartegoeden\u002Fbeleggingen na uitbetaling van het legaat hiervoor onder IV.B gemeld en de betaling van de uitvaartkosten.(…)\n\nERFSTELLING\n\nIk benoem, onder de verplichting tot afgifte van voormeld legaten, tot mijn enige en algehele erfgenaam: mijn neef (…)”\n\n3.2.. Erflater dreef samen met de in 3.1 bedoelde neef een vennootschap onder firma, [V.O.F.] , waarin een melkveehouderij werd uitgeoefend (de VOF).\n\n3.3.. Naast het in 3.2 bedoelde aandeel in de VOF had erflater buitenvennootschappelijk vermogen, waaronder het in 3.1 bedoelde stuk cultuurgrond (de cultuurgrond). Erflater had het gebruik en genot van de cultuurgrond ingebracht in de VOF.\n\n3.4.. \n\nBelanghebbende en twee zusters van haar hebben samen met de vennoten die met erflater een VOF zijn aangegaan in december 2020 een VOF-akte ondertekend waarin – voor zover relevant – het volgende is bepaald:\n\n‘In aanmerking nemende:\n\ndat [de vennoten die samen met erflater een VOF zijn aangegaan] vanaf 1 januari 2014 voor gezamenlijke rekening en risico een agrarische onderneming exploiteren in de vorm van een vennootschap onder firma samen met [erflater];\n\n(…)\n\ndat erflater op [datum] 2020 is overleden;\n\ndat [de neef en belanghebbende en haar zussen] vermogensbestanddelen hebben geërfd welke dienstbaar waren aan de bedrijfsuitoefening van de vennootschap onder firma;\n\ndat [de neef en belanghebbende en haar zussen] deze vermogensbestanddelen ter beschikking willen blijven stellen aan de vennootschap onder firma, waarbij [belanghebbende en haar zussen] toetreden tot deze vennootschap onder firma\n\nverklaren bij dezen met ingang van 15 augustus 2020 te zijn aangegaan een overeenkomst van vennootschap, zulks ter voortzetting van de tot die datum bestaande vennootschap onder firma tussen [de vennoten die met erflater een VOF zijn aangegaan] en erflater (…)\n\n5. Door [belanghebbende en haar zussen] wordt ingebracht het gebruik en genot van (ieders aandeel in) de onroerende zaken, bestaande uit de cultuurgronden door hen verkregen uit de nalatenschap van [erflater] (…).\n\nc) De resterende jaarlijkse winsten of verliezen worden als volgt verdeeld:\n\n(…)\n\n[Belanghebbende en haar zussen] ontvangt of draagt ieder 4,5% (…).\n\n3.5.. De door belanghebbende en haar zussen verkregen grond is op 19 juni 2020, door [bedrijf 1] B.V., per diezelfde datum, getaxeerd op € 972.000.\n\n3.6.. Dezelfde grond is op 23 april 2021, door [bedrijf 2] , per diezelfde datum, getaxeerd op € 784.000\n\n3.7.. In de aangifte erfbelasting is de cultuurgrond in aanmerking genomen voor de in 3.5 bedoelde waarde. Het totaalbedrag aan legaten dat belanghebbende heeft ontvangen is in de aangifte becijferd op € 369.778.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nJuridisch kader\n\n4. Artikel 21, eerste lid, van de Successiewet 1956 (SW) luidt (tekst 2020) als volgt:\n\n“1. Het verkregene wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer ka worden toegekend.”\n\n4.1.. \n\nArtikel 35b van de SW luidt (tekst 2020), voor zover hier van belang:\n\n“1. Indien tot de verkrijging ondernemingsvermogen behoort als bedoeld in artikel 35c, dat wordt verkregen in het kader van een bedrijfsopvolging als bedoeld in het vijfde lid, wordt op verzoek van de verkrijger een voorwaardelijke vrijstelling verleend van:\n\na. indien de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft € 1.102.209 niet te boven gaat: 100%;\n\n(…)\n\n5. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen wordt onder een bedrijfsopvolging verstaan: een verkrijging van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c, (…) mits de verkrijger gedurende vijf jaren voldoet aan het voortzettingsvereiste, bedoeld in artikel 35e.”\n\n4.2.. \n\nArtikel 35c, eerste lid, aanhef en letter a, van de SW (tekst 2020) luidt:\n\n“Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen wordt onder de verkrijging van ondernemingsvermogen verstaan de verkrijging van:\n\na. een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of een gedeelte daarvan;”\n\n4.3.. \n\nIn de memorie van toelichtingvoorafgaand aan de wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten is onder meer het volgende opgemerkt:\n\n“Kern van de bedrijfsopvolgingsregeling is dat de verkrijger het verkregen ondernemingsvermogen voortzet. (…)\n\nIn beginsel volgt de bedrijfsopvolgingsregeling voor de zogenoemde voortzettingseis het stakings- en vervreemdingsbegrip van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit kan anders zijn wanneer de specifieke aard van de bedrijfsopvolgingsregeling daarom vraagt. Indien bijvoorbeeld bij de overdracht van een onderneming gebruik wordt gemaakt van artikel 3.63 Wet IB 2001, wordt de onderneming voor de inkomstenbelasting geacht niet te zijn gestaakt. Deze niet-stakingsfictie werkt niet door naar de bedrijfsopvolgingsregeling. In zoverre bestaat er overigens geen wijziging ten opzichte van de huidige regeling.”\n\nHeeft de inspecteur artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) geschonden?\n\n4.4.. Belanghebbende heeft de inspecteur, in de brief bij de in 1.4 bedoelde pleitnota, verzocht om haar, voor zover deze nog niet zijn aangeleverd in de bezwaarfase, de op de zaak betrekking hebbende stukken te doen toekomen. Ter zitting is aangevoerd dat de communicatie tussen de inspecteurs die zich bezig houden met de heffing van inkomstenbelasting en successierecht, welke is gevoerd in de periode tussen het hoorgesprek en het opleggen van de aanslagen erfbelasting, ontbreekt.\n\n4.5.. De rechtbank overweegt dat interne correspondentie van de Belastingdienst tot de op de zaak betrekking hebbende stukken kan behoren zodat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) bij de besluitvorming in zijn zaak.\n\n4.6.. Dat laatste is niet het geval. Belanghebbende voert niets aan over de vraag voor welk resterend geschilpunt deze stukken mogelijk van belang zouden kunnen zijn en de rechtbank ziet dat zelfstandig ook niet in. De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank artikel 8:42 van de Awb niet geschonden nu alle stukken zijn overgelegd die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.\n\nIs de aanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd?\n\n4.7.. Primair stelt belanghebbende dat al hetgeen zij bij legaat van erflater heeft ontvangen is vrijgesteld van erfbelasting op grond van artikel 35b en volgende van de SW. Zij voert daarbij aan dat hetgeen zij heeft verkregen bij erflater een gedeelte was van een door hem gedreven onderneming. Belanghebbende meent daarbij argumenten te kunnen ontlenen aan een arrest van de Hoge Raad.Voorts stelt belanghebbende dat moet worden gekeken naar de doorschuifregelingen die van toepassing zijn in de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet IB 2001) en dat voor de toepassing van artikel 3.62 van die wet van belang is of bij de erflater sprake was van een onderneming. Tot slot stelt belanghebbende dat zij voor het legaat van een onverdeeld aandeel in spaartegoeden en beleggingen (uiteindelijk) is gecrediteerd in het ondernemingsvermogen van de VOF en dat om die reden ook op dát legaat artikel 35c, eerste lid, aanhef en letter a, van de SW van toepassing is.\n\n4.8.. \n\nDe rechtbank overweegt dat belanghebbende, gelet op de tekst van het testament van erflater (zie 3.1), een onverdeeld aandeel in een stuk cultuurgrond en een onverdeeld aandeel in spaartegoeden en beleggingen heeft verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet aan te merken als (een gedeelte van) een onderneming als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, aanhef en letter a, van de SW. Op zichzelf en gezamenlijk zijn de verkregen vermogensbestanddelen – en dat is tussen partijen niet in geschil – geen onderneming of een zelfstandig deel daarvan. Daaraan doet niet af dat het onverdeeld aandeel in het stuk cultuurgrond op een later moment in gebruik en genot is ingebracht in een VOF waar belanghebbende vennoot in is, en ook niet dat belanghebbende (uiteindelijk) het onverdeeld aandeel in spaartegoeden en beleggingen kort gezegd uitbetaald heeft gekregen, maar voor dat bedrag is gecrediteerd in het vermogen van de VOF. Op het moment van de verkrijging kwalificeren de verkregen bestanddelen naar het oordeel van de rechtbank niet als een (gedeelte van) een onderneming, waardoor geen sprake is van ondernemingsvermogen in de zin van de SW.\n\nDat de situatie op het moment van de verkrijging beslissend is, wordt juist bevestigd in rechtsoverweging 2.4.4 van het door belanghebbende genoemde arrest.\n\n4.9.. Naar het oordeel van de rechtbank werkt artikel 3.62 van de Wet IB 2001 niet door naar de bedrijfsopvolgingsregeling omdat dit niet de bedoeling van de wetgever is geweest. Weliswaar heeft de wetgever als voorbeeld enkel artikel 3.63 van de Wet IB 2001 genoemd (zie 4.3), maar de rechtbank ziet niet in waarom dit anders zou zijn voor artikel 3.62 van de Wet IB 2001 ook gelet erop dat dit specifieke wetsartikel slechts als voorbeeld wordt genoemd.\n\nIs de cultuurgrond bij het opleggen van de aanslag tegen een te hoge waarde in aanmerking genomen?\n\n4.10.. Subsidiair stelt belanghebbende dat de cultuurgrond bij het opleggen van de aanslag tot een te hoog bedrag in aanmerking is genomen. Zij wijst daarbij op de in 3.6 bedoelde taxatie. De aanslag zou, uitgaande van laatstbedoelde taxatie, moeten worden verlaagd naar € 109.287. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst belanghebbende op een tweetal arresten van de Hoge Raad.\n\n4.11.. De rechtbank overweegt dat de cultuurgrond in het in 3.6 bedoelde taxatierapport is gewaardeerd uitgaande van een verwachte verkoopopbrengst exclusief omzetbelasting. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. Bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van een onroerende zaak maakt de aan de koper in rekening gebrachte omzetbelasting deel uit van de prijs die de koper bereid is gebleken te betalen ter verkrijging van de onroerende zaak. Indien de koper de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek kan brengen, leidt zulks er niet toe dat deze omzetbelasting niet deel uitmaakt van de prijs, nu de aftrekbaarheid van de omzetbelasting een die koper persoonlijk betreffende omstandigheid is.Hetgeen is beslist in de door belanghebbende genoemde arresten brengt hierin geen verandering omdat in die arresten geen waardering naar de waarde in het economische verkeer aan de orde was, zoals vereist op grond van artikel 21, eerste lid, van de SW (zie 4), maar waardering naar de gecorrigeerde vervangingswaarde in het kader van de Wet waardering onroerende zaken. De in 3.6 bedoelde taxatie kan derhalve niet als juist worden aanvaard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de aanslag wordt gehandhaafd. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en prof. dr. G.J. van Norden, leden, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier op 13 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Kamerstukken II 2008-2009, 31 930, nr. 3, p. 46.\n\n Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, r.o. 3.5.2.\n\n Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:867, r.o. 2.4.4.\n\n Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:867, r.o. 2.4.3.\n\n Hoge Raad 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5030 en Hoge Raad 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AW3876.\n\n Vgl. Hoge Raad 8 augustus 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0924, r.o. 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1738","2026-07-13T00:29:13.529Z",1,20]