[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-motor-vehicle-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":47,"limit":48},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},143,"motor-vehicle-tax-nl","Motor Vehicle Tax","NL","2026-07-08T16:58:35.935Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-06-29T00:00:00.000Z",[],[22,32,39],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1969","ECLI:NL:RBZWB:2026:5765","ecli-nl-rbzwb-2026-5765","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F6506\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 september 2025. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) met het aanslagnummer [aanslagnummer] .\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nToetsingskader\n\n3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken.Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.\n\nEen beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone postwordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend.Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als op de envelop een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het beroepschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan.\n\n3.1.. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.\n\nIs het beroep te laat ingediend?\n\n4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 12 september 2025 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 24 oktober 2025.\n\n4.1.. Belanghebbende heeft het beroepschrift met PostNL verstuurd. Gelet op het poststempel gaat de rechtbank ervan uit dat het beroep op 15 december 2025 op de post is gedaan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het eerder op de post is gedaan. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.\n\nIs het te laat indienen verontschuldigbaar?\n\n5. De gemachtigde van belanghebbende heeft aangevoerd dat vanwege ziekte van belanghebbende de benodigde gegevens voor het beroepschrift niet tijdig konden worden aangeleverd. Dat is geen verontschuldiging voor dit verzuim. Belanghebbende – of de gemachtigde namens belanghebbende – had immers in ieder geval tijdig beroep kunnen instellen, zo nodig op nader aan te voeren gronden. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Het te laat indienen is dus niet verontschuldigbaar.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.C.J. van Wesel-de Jongh, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.\n\n Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5765","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:47.817Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"1971","ECLI:NL:RBZWB:2026:5764","ecli-nl-rbzwb-2026-5764","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 25\u002F5971 en 25\u002F6411\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] (Polen), belanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 oktober 2025. De beroepen zien op de naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting (mrb) met aanslagnummers [aanslagnummer] Y.8 en [aanslagnummer] Y.9.2.\n\n1.1.. Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaren niet tijdig waren ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bezwaren te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom zijn de beroepen kennelijk ongegrond.\n\nToetsingskader\n\n3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken.Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.\n\nEen bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone postwordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend.Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij het bestuursorgaan is ontvangen.\n\n3.1.. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.\n\nIs het bezwaarschrift te laat ingediend?\n\n4. Vast staat dat de dagtekeningen van de naheffingsaanslagen 26 juni 2019 en 3 september 2019 zijn. Volgens de inspecteur is niet meer vast te stellen in de systemen van de Belastingdienst wanneer de naheffingsaanslagen aan belanghebbende zijn verzonden, aangezien inmiddels al lange tijd is verstreken. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of de naheffingsaanslagen tijdig en naar het juiste adres zijn verzonden. In het geval belanghebbende de ontvangst daarvan wel betwist, dan is de bezwaartermijn pas gaan lopen wanneer hij de naheffingsaanslagen heeft ontvangen. Uit het beroepschrift van belanghebbende valt af te leiden dat belanghebbende in ieder geval op 5 februari 2024 bekend was met de opgelegde naheffingsaanslagen, toen hij de uitschrijving bij de RDW had afgerond. Als ervan wordt uitgegaan dat de naheffingsaanslagen toen voor het eerst bekend zijn gemaakt, dan eindigde de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 18 maart 2024.\n\n4.1.. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift per post verstuurd. Het bezwaarschrift is bij de inspecteur ontvangen op 26 juni 2025. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend. De rechtbank merkt daarbij op dat uit de vastlegging van telefonisch contact van belanghebbende met de Belastingtelefoon Auto op 14 maart 2025 volgt dat belanghebbende toen in elk geval op de hoogte was van de naheffingsaanslagen. Ook als zou worden uitgegaan van die datum voor de aanvang van de bezwaartermijn, dan nog is het bezwaarschrift te laat ingediend.\n\nIs het te laat indienen verontschuldigbaar?\n\n5. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende geeft aan dat hij in het jaar 2016 naar het buitenland is verhuisd en niet eerder bezwaar heeft kunnen indienen vanwege onjuiste informatieverstrekking door betrokken instanties en het niet ontvangen van de ontbrekende documenten om de auto uit te schrijven bij de RDW. Nadat de inschrijving bij de RDW op 5 februari 2024 heeft afgerond, heeft hij zijn bezwaar zo spoedig mogelijk ingediend, namelijk op 26 juni 2025..\n\n5.1.. De rechtbank constateert dat de bezwaren meer dan een jaar nadat de auto is uitgeschreven bij de RDW zijn ingediend. Dat is een aanzienlijke periode en veel langer dan de periode van zes weken die de Hoge Raad als uitgangspunt neemt. Wat belanghebbende aanvoert, leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de termijnoverschrijding niet aan belanghebbende is toe te rekenen. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om op een eerder moment, eventueel met behulp van een derde, de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen in te dienen. Verder is de stelling dat verschillende instanties onjuiste informatie hebben verstrekt niet onderbouwd, zodat hieraan geen gewicht kan worden toegekend. Bovendien is niet in te zien waarom de gestelde onjuiste informatie ertoe zou leiden dat na uitschrijving bij de RDW nog meer dan een jaar is gewacht met het maken van bezwaar. Ook als het contactmoment met de Belastingtelefoon als uitgangspunt wordt genomen, dan is geen goede reden gegeven waarom meer dan zes weken daarna is gewacht met het maken van bezwaar.\n\n5.2.. De aangevoerde omstandigheden leiden naar het oordeel van de rechtbank dus niet tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Het te laat indienen is dus niet verontschuldigbaar.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. De bezwaren zijn daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.C.J. van Wesel-de Jongh, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.\n\n Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5764","2026-07-13T00:29:47.903Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":43,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":30,"updatedAt":46},"1964","ECLI:NL:RBZWB:2026:5586","ecli-nl-rbzwb-2026-5586","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F201\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 december 2025. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen met aanslagnummer [aanslagnummer] .\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nToetsingskader\n\n3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.\n\nHeeft belanghebbende het griffierecht tijdig betaald?\n\n4. De griffier heeft belanghebbende bij brief van 14 januari 2026 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 12 februari 2026 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 17 februari 2026 om 08:17 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend.\n\n5. Belanghebbende heeft het griffierecht niet op tijd betaald.\n\nIs het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?\n\n6. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n7. Belanghebbende heeft tevens verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn. De Hoge Raad heeft in het arrest van 2 december 2016 beslist dat een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep vanwege het niet-betalen van griffierecht met zich meebrengt, dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het verzoek om vergoeding van immateriële schade.Dit is slechts anders in het – zich in deze zaak niet voordoende – geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van immateriële schade bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep niet-ontvankelijk;\n\nwijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van\n\nR.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Hoge Raad 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5586","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:47.611Z",1,20]