[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-social-security-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":69},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},44,"social-security-nl","Social Security","NL","2026-07-08T16:53:39.844Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2025-03-17T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123046","Algemene wet inzake rijksbelastingen","art. 55",1,[27,38,45,53,62],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"969","ECLI:NL:RBZWB:2026:5842","ecli-nl-rbzwb-2026-5842","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2523\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,\n\nhet UWV.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 9 december 2025, door het UWV ontvangen op 11 december 2025, om een besluit naar aanleiding van de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWB) van [(ex-)werkneemster] , een (ex-)werkneemster van eiseres.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 9 december 2025 en het UWV heeft de aanvraag op 11 december 2025 ontvangen. Niet in geschil is dat de beslistermijn voor het nemen van een besluit naar aanleiding van de EZWB is overschreden. Eiseres heeft het UWV op 13 maart 2026 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 17 maart 2026 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?\n\n4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift van 15 mei 2026 heeft het UWV uitgelegd dat vanwege het tekort aan verzekeringsartsen nog geen EZWB van de (ex-)werkneemster van eiseres heeft plaatsgevonden. Het UWV kan nog niet aangeven wanneer het een besluit kan nemen.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een kortere termijn, zoals verzocht door eiseres, op te leggen.\n\nWelke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nWijst de rechtbank het verzoek van eiseres om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade toe?\n\n6. Eiseres heeft verzocht om het UWV in deze uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade en nog te lijden schade. De rechtbank stelt vast dat eisers onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade heeft geleden als gevolg van het niet op tijd beslissen door het UWV. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om het UWV in deze uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade dan ook af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\nbepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nwijst het verzoek van eiseres om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade af;\n\nbepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5842","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:56.943Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":44},"972","ECLI:NL:RBZWB:2026:5840","ecli-nl-rbzwb-2026-5840","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2494\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,\n\nhet UWV.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 9 oktober 2025, door het UWV ontvangen op 13 oktober 2025, om een besluit naar aanleiding van de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWB) van [(ex-)werkneemster] , een (ex-)werkneemster van eiseres.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 9 oktober 2025 en het UWV heeft de aanvraag op 13 oktober 2025 ontvangen. Niet in geschil is dat de beslistermijn voor het nemen van een besluit naar aanleiding van de EZWB is overschreden. Eiseres heeft het UWV op 14 januari 2026 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 15 januari 2026 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?\n\n4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift van 15 mei 2026 heeft het UWV uitgelegd dat vanwege het tekort aan verzekeringsartsen nog geen EZWB van de (ex-)werkneemster van eiseres heeft plaatsgevonden. Het UWV kan nog niet aangeven wanneer het een besluit kan nemen.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een kortere termijn, zoals verzocht door eiseres, op te leggen.\n\nWelke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nWijst de rechtbank het verzoek van eiseres om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade toe?\n\n6. Eiseres heeft verzocht om het UWV in deze uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade en nog te lijden schade. De rechtbank stelt vast dat eisers onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade heeft geleden als gevolg van het niet op tijd beslissen door het UWV. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om het UWV in deze uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade dan ook af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\nbepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nwijst het verzoek van eiseres om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade af;\n\nbepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5840","2026-07-13T00:28:57.049Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":49,"fullText":50,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":36,"updatedAt":52},"1975","ECLI:NL:RBZWB:2026:5791","ecli-nl-rbzwb-2026-5791","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2614\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser,\n\n(gemachtigde: mr. I.T.A. Duijs),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,\n\nhet UWV.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 8 augustus 2025 tegen het besluit van 15 juli 2025 waarmee eisers Ziektewetuitkering beëindigd wordt per 16 augustus 2025.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 8 augustus 2025. Het UWV moet binnen zeventien weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is.Het UWV heeft de termijn verlengd met zes weken.Het UWV had dus uiterlijk op 3 februari 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het UWV moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft het UWV op 6 februari 2026 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 9 februari 2026 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Op basis van de ingebrekestelling van 9 februari 2026 heeft het UWV op 11 mei 2026 een dwangsombeschikking afgegeven waarbij het de bestuurlijke dwangsom heeft bepaald op het maximale bedrag van € 1.442,-.\n\nWelke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?\n\n4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift van 26 mei 2026 heeft het UWV uitgelegd dat vanwege het tekort aan verzekeringsartsen nog geen beoordeling van het bezwaar van eiser heeft plaatsgevonden. Het UWV kan nog niet aangeven wanneer het een besluit kan nemen. Het UWV vraagt om een beslistermijn op te leggen van 30 weken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen, en verwijst naar twee uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. De rechtbank gaat niet mee in het verzoek van het UWV om een (nog) langere beslistermijn op te leggen. Verder gaat de rechtbank niet mee in het verzoek van eiser om een kortere beslistermijn op te leggen. Voor zover eiser, vanwege het eindigen van zijn WW-uitkering en ondanks het inkomen van zijn partner, onder het sociaal minimum zou komen, kan eiser een aanvraag voor een bijstandsuitkering doen.\n\nWelke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nStelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?\n\n6. Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.\n\n6.1.. De rechtbank stelt vast dat het UWV de hoogte van de dwangsom juist heeft vastgesteld, op het maximum bedrag van € 1.442,-, in de dwangsombeschikking van 11 mei 2026.\n\n6.2.. Eiser vraagt om wettelijke rente. De rechtbank wijst dit toe voor zover het UWV in verzuim is (geweest). Het UWV moest de dwangsom uiterlijk op 20 april 2026 vaststellen en uiterlijk op 1 juni 2026 aan eiser betalen.Voor zover het UWV dit niet heeft gedaan, is het in verzuim en moet het vanaf 2 juni 2026 tot de datum waarop alles is betaald wettelijke rente aan eiser betalen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. Verder wijst de rechtbank het verzoek om de wettelijke rente over de bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- toe voor zover het UWV in verzuim is (geweest).\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\n- veroordeelt het UWV voor zover het UWV in verzuim is (geweest) om de wettelijke rente over de bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- aan eiser te betalen, vanaf 2 juni 2026 tot de dag waarop het gehele bedrag is betaald;\n\nbepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;\n\nveroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 73a, eerste lid, van de Ziektewet.\n\n Op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb.\n\n ECLI:NL:RBROT:2025:9224 en ECLI:NL:RBROT:2025:9226.\n\n Dit staat in artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 4:87, eerste lid en artikel 4:100 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5791","2026-07-13T00:29:48.069Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":36,"updatedAt":61},"832","ECLI:NL:RBZWB:2026:5271","ecli-nl-rbzwb-2026-5271","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2227\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen\n\nStichting \" [eiseres] ”, uit [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: drs. [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 26 augustus 2025 tot herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van [ex-werkneemster] , een (ex-)werkneemster van eiseres.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiseres heeft het UWV op 13 januari 2026 in gebreke gesteld. Het UWV heeft de ingebrekestelling op 14 januari 2026 ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.\n\nWelke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?\n\n4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. Het UWV heeft in het verweerschrift van 30 april 2026 aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn het tekort aan verzekeringsartsen is. Tevens geeft het UWV aan dat het momenteel nog onduidelijk is wanneer er een besluit afgegeven kan worden.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op de aanvraag.\n\nWelke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\n- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van\n\nI. Ambachtsheer, griffier, op 17 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5271","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.194Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":66,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":36,"updatedAt":68},"1060","ECLI:NL:RBZWB:2025:1528","ecli-nl-rbzwb-2025-1528","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F3556, 23\u002F3557 en 23\u002F3558\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2025 in de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. M.C.J. Schoenmakers),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 juni 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2017 aan belanghebbende opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur een aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2019 aan belanghebbende opgelegd. Bij gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019 genomen beschikkingen heeft de inspecteur boetes aan belanghebbende opgenomen. Verder heeft de inspecteur bij gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen genomen beschikkingen belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht. Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven:\n\nJaar\n\nSoort\n\nDagtekening\n\nAanslagnummer\n\nBelasting\n\nBoete\n\nRente\n\n2017\n\nIB\u002FPVV\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .H.77.01\n\n€ 5.599\n\n€ 2.799\n\n€ 828\n\n2017\n\nZvw\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .W.77.01.4\n\n€ 1.526\n\n-\n\n€ 225\n\n2019\n\nIB\u002FPVV\n\n10 mei 2022\n\n [BSN] .H.96.01\n\n€ 100.991\n\n€ 50.495\n\n€ 1\n\n1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019, de navorderingsaanslag Zvw 2017 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen gegrond verklaard en deze verminderd tot de volgende bedragen:\n\nJaar\n\nSoort\n\nDagtekening\n\nAanslagnummer\n\nBelasting\n\nBoete\n\nRente\n\n2017\n\nIB\u002FPVV\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .H.77.01\n\n€ 4.455\n\n€ 1.782\n\n€ 658\n\n2017\n\nZvw\n\n11 mei 2022\n\n [BSN] .W.77.01.4\n\n€ 1.390\n\n-\n\n€ 204\n\n2019\n\nIB\u002FPVV\n\n10 mei 2022\n\n [BSN] .H.96.01\n\n€ 100.164\n\n€ 40.065\n\n€ 0\n\n1.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 6 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde, en namens de inspecteur drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019, de navorderingsaanslag Zvw 2017, en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019, de navorderingsaanslag Zvw 2017, en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende opgelegd. Ook de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019 zijn terecht aan belanghebbende opgelegd.De boetes moeten wel worden verminderd in verband met ‘undue delay’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende heeft in 2017 en in 2019 geen fiscaal partner. Belanghebbende staat sinds 6 april 2011 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het [adres 1] te [plaats 1] .\n\n3.1.. Belanghebbende drijft sinds 1 juli 2017 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [naam bedrijf] . De activiteiten van de eenmanszaak bestaan – kort gezegd – uit het drijven van een autohandel.\n\n3.2.. Belanghebbende huurt een gedeelte van een loods aan [adres 2] te [plaats 2] , alwaar hij zijn autohandel drijft. Verder beschikt belanghebbende samen met zijn vader over een woning [in land] .\n\nVoorafgaand3.3.. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017. De aanmaningstermijn eindigde op 27 juli 2018.\n\n3.4.. Belanghebbende heeft op 26 maart 2019 een aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017 ingediend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 573. De aanslag IB\u002FPVV 2017 is – overeenkomstig de aangifte – vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 573. De aanslag Zvw 2017 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van nihil.\n\n3.5.. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2019. Belanghebbende heeft op 30 april 2020 een aangifte IB\u002FPVV 2019 ingediend naar een verzamelinkomen van nihil.\n\nStrafrechtelijk onderzoek3.6.. Op 31 januari 2019 is een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘Exeter’ gestart naar onder meer belanghebbende vanwege grootschalige import van en handel in cocaïne.\n\n3.7.. Op 23 april 2019 heeft door de politie een doorzoeking van de loods in [plaats 2] plaatsgevonden. Op een aantal niet direct zichtbare plaatsen in de loods zijn door de politie onder meer blokken cocaïne, hoeveelheden hennep en een hoeveelheid hasjiesj aangetroffen. Daarnaast is door de politie in de loods een kluis met daarin drie vuurwapens en munitie aangetroffen.\n\n3.8.. Op 24 april 2019 is de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] doorzocht. In de woning is door de politie onder meer een stoffen etui met daarin € 1.700, een fles met daarin papier- en muntgeld van in totaal € 1.520,34, een zwart\u002Fgele doos van het merk Breitling en een ring met sleutels aangetroffen.\n\n3.9.. Op 24 april 2019 zijn ook een aantal garageboxen in [plaats 1] doorzocht die in eigendom waren van de overleden grootvader van belanghebbende en door belanghebbende regelmatig werden gebruikt. In de garageboxen is door de politie onder meer een aantal lampen, een groot aantal plantenpotten, een blok hasjiesj en een zak met vijftig driehoekige pillen aangetroffen.\n\n3.10.. \n\nBelanghebbende is bij vonnis van 6 november 2019 door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot een gevangenisstraf van eenenveertig maanden. De rechtbank Oost-Brabant acht onder meer bewezenverklaard dat belanghebbende:\n\n“1.\n\n- omstreeks 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] ) ongeveer 6 kilo van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst\n\n- op 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze, opzettelijk heeft bewerkt en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] ) ongeveer 1 kilo, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1.\n\n2.\n\nop 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] een hoeveelheid van in totaal 9.435 gram hennep en 43 gram hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\n3.\n\nop 23 april 2019 te [plaats 2] , gemeente Bernheze,\n\nBrief wapens en munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:\n\n- een vuurwapen (revolver) van het merk\u002Ftype Smith & Wesson Sw9v en\n\n- een vuurwapen (pistool) van het merk\u002Ftype Sig Sauer Mosquito en\n\n- een vuurwapen (pistool) van het merk\u002Ftype Smith & Wesson Magnum 357 en\n\n- meerdere patronen Winchester.22 en Settler en Bellot 9 mm en Magnum 357. voorhanden heeft gehad”\n\n3.11.. Het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant staat onherroepelijk vast.\n\nFiscaal onderzoek3.12.. De inspecteur heeft naar aanleiding van persberichten over de inval in het garagebedrijf in [plaats 2] aan de officier van justitie op grond van artikel 55 van de AWR om gegevens en inlichtingen gevraagd uit het strafrechtelijk onderzoek (artikel 55 AWR-verzoek). De inspecteur heeft op 20 juni 2019 gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende ontvangen. Later heeft de inspecteur ook het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 6 november 2019 ontvangen.\n\n3.13.. De inspecteur heeft bij brief van 28 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat hij een onderzoek is gestart naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019.\n\n3.14.. De inspecteur heeft op 12 mei 2021 de administratie opgevraagd van [B.V.] . Van [B.V.] zijn geen gegevens ontvangen.\n\n3.15.. De inspecteur heeft op 26 mei 2021 gegevens opgevraagd bij de verhuurder van de loods te [plaats 2] . De gevraagde gegevens zijn verstrekt.\n\n3.16.. De inspecteur heeft op 28 juni 2021 om gegevens van de bankrekeningen van belanghebbende bij de Rabobank, ABN-AMRO en SNS Bank opgevraagd. De Rabobank en de ABN-AMRO hebben de gevraagde gegevens verstrekt.\n\n3.17.. \n\nDe bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat op 2 maart 2022 aan belanghebbende is toegestuurd. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:\n\n“6 Inkopen\n\nDe vastgestelde prijs voor onversneden cocaïne bedraagt aan importwaarde ongeveer € 25.000 per kilo, de eindgebruiker betaalt het dubbele hiervan. De inkoopwaarde van cannabis bedraagt € 2.000 per kilo. Dit volgens de website drugsinfo.nl.\n\nInkoop:\n\n6, 978 X € 25.000 = € 174.450\n\n9, 478 X € 2.000 = € 18.956\n\nTotaal = € 193.406\n\nDoor belastingplichtige is een investering gepleegd van € 193.406. Belastingplichtige geeft aan bij zijn aangifte IB 2019 niet over enig inkomen of vermogen te beschikken, hij geeft nul\u002Fnihil aan. Met andere woorden, er is over drie jaar geen winst uit onderneming genoten. Kosten gaan vaak voor de baten, dus mogelijk zijn er wel uitgaven geweest. Indien er geen fiscaal inkomen bekend is dan dringt natuurlijk direct de vraag op waarmee wordt dan in het levensonderhoud voorzien. Het is immers ook een algemeen bekend feit dat in het criminele milieu bij overdracht van de waar het \"boter bij de vis” principe geldt, namelijk een levering gevolgd door een contante betaling.\n\n(…)\n\nDoor ons is de inkoop 2019 vastgesteld op € 193.406.\n\n(gebaseerd op de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen met een inkoopprijs tegen een vastgestelde prijs).”\n\nEn:\n\n“7.3. Recapitulatie vermogensvergelijking\n\nHet resultaat van de vermogensvergelijking toont aan dat belanghebbende structureel meer uitgaven heeft dan uit het fiscaal bekende inkomen van nul kan worden voldaan.\n\n”\n\nVerdere verloop3.18.. De inspecteur heeft – conform zijn bevindingen in het controlerapport – de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017, de aanslag IB\u002FPVV 2019 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen vastgesteld (zie 1.1.).\n\n3.19.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen en beschikkingen. De inspecteur heeft de bezwaren gegrond verklaard en de aanslagen, boete- en belastingrentebeschikkingen verminderd.\n\nMotivering\n\n2017\n\nOmkering en verzwaring bewijslast\n\n4. De inspecteur beroept zich op de omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende volgens hem niet de vereiste aangifte IB\u002FPVV 2017 heeft gedaan.\n\n4.1.. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op de bezwaren onjuist zijn (omkering en verzwaring van de bewijslast).\n\n4.2.. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. De hiervoor bedoelde bewijslast rust op de inspecteur omdat hij stelt dat belanghebbende meer belastbare inkomsten heeft genoten dan aangegeven in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017.\n\n4.3.. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking voor het jaar 2017 overgelegd, welke in de bezwaarfase door de inspecteur is gecorrigeerd en stelt zich op grond van de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking op het standpunt dat belanghebbende € 25.751 meer aan inkomsten moet hebben genoten dan is aangegeven in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017. Uit de vermogensvergelijking blijkt volgens de inspecteur dat belanghebbende meer uitgaven heeft gedaan dan hij met de door hem aangegeven inkomsten had kunnen doen. Belanghebbende heeft dus inkomen gehad en dat niet aangegeven. Verder stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden.\n\n4.4.. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast en overweegt daartoe als volgt. Een vermogensvergelijking kan een geschikte methode zijn om aannemelijk te maken dat er niet-aangegeven inkomen is. Indien een adequaat opgestelde vermogensvergelijking erin resulteert dat er sprake is van een negatief netto privé, betekent dat immers dat er nog een andere bron moet zijn die een verklaring vormt voor het ter beschikking hebben van deze gelden waar iemand de beschikking over moet hebben gehad. Een negatief netto privé is namelijk uit de aard van de zaak niet mogelijk; belanghebbende beschikt dan over meer geld dan waarover hij zou moeten kunnen beschikken als zijn belastingaangiften zouden kloppen. Indien er geen andere plausibele bron is, is als uitgangspunt aannemelijk dat werkzaamheden zijn verricht waarmee inkomen is verdiend. De (gecorrigeerde) vermogensvergelijking van de inspecteur is naar het oordeel van de rechtbank adequaat. Aan de in de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking opgenomen bedragen liggen namelijk concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag. Deze bedragen vormen het negatieve saldo van de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en laten zien dat belanghebbende meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017 heeft aangegeven. Belanghebbende heeft de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking niet betwist. Belanghebbende stelt wel dat er in de vermogensvergelijking ook rekening had moeten worden gehouden met de waarde van zijn auto’s op 1 januari 2017. De rechtbank volgt belanghebbende daarin niet. In een vermogensvergelijking wordt alleen rekening gehouden met de inkomsten en uitgaven in het betreffende jaar. De inspecteur heeft met de verkoopopbrengst van twee auto’s in 2017 reeds rekening gehouden en de vermogensvergelijking in de bezwaarfase daarop gecorrigeerd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gedurende het jaar 2017 nog andere auto’s heeft verkocht. Er is dan ook ten aanzien van de auto’s geen resultaat waarmee nog rekening moet worden gehouden in de vermogensvergelijking. Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven voor het beschikken over het onverklaarde geld, het negatief netto privé. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende in 2017 inkomsten heeft genoten ter grootte van het (gecorrigeerde) negatief netto privé van € 25.751.\n\n4.5.. De rechtbank stelt vast dat, nu belanghebbende in zijn aangifte in het geheel geen inkomsten uit werk en woning heeft verantwoord, belanghebbende in 2017 in ieder geval aanzienlijke inkomsten heeft genoten die hij niet heeft aangegeven. Dit heeft ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is van oordeel, gelet op de hoogte van de uitgaven zonder dat daar in de aangifte inkomen of liquide vermogen tegenover staat, dat belanghebbende zich bij het doen van aangifte bewust moet zijn van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Dat betekent dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De bewijslast kan in dat geval worden omgekeerd en verzwaard en dat acht de rechtbank ook aangewezen. Dat geldt voor zowel de navorderingsaanslag IB\u002FPVV als de navorderingsaanslag Zvw 2017.\n\nRedelijke schatting4.6.. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017 onjuist zijn.\n\n4.7.. De rechtbank acht de schatting van de inspecteur redelijk. De inspecteur heeft de berekening van het belastbare inkomen gebaseerd op de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking en die vermogensvergelijking is voldoende onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens om als redelijk en niet willekeurig te worden aangemerkt.\n\n4.8.. Belanghebbende stelt nog dat het inkomen moet worden aangemerkt als winst uit onderneming. Als gevolg van de omkering en verzwaring van de bewijslast rust op belanghebbende de last om te doen blijken dat de inkomsten moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming. Belanghebbende heeft in het geheel geen onderbouwing gegeven met concrete verifieerbare stukken voor zijn stelling dat de aanslag te hoog is. Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat belanghebbende niet voldoet aan de in dit kader op hem rustende bewijslast en de inspecteur de inkomsten terecht heeft aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheid.\n\n4.9.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur de ROW-correctie van € 25.751 terecht heeft aangebracht. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw voor het jaar 2017 blijven daarom in stand. Voor dat geval blijven ook de bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand.\n\nBoete4.10.. Aan belanghebbende is bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende ertoe geleid dat de aanslag IB\u002FPVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld. De inspecteur heeft de boete bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 1.782. Daarbij heeft de inspecteur het boetepercentage verminderd tot 40% van de verschuldigde belasting en de boete nog verder verminderd met 20% om rekening te houden met het feit dat de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering van de bewijslast.\n\n4.11.. De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’.De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende de aanslag IB\u002FPVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld.\n\n4.12.. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).\n\n4.13.. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat sprake is van ten minste voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het aan het voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten is dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld. Belanghebbende heeft aanmerkelijk meer geld uitgegeven dan uit het aangegeven inkomen en vermogen verklaard kan worden. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende in zijn aangiften geen inkomensbron vermeldt die deze uitgaven heeft kunnen voeden, concludeert de rechtbank dat hij dit inkomen bewust buiten het zicht van de belastingdienst heeft gehouden om hierover geen belasting te betalen. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat het een feit van algemene bekendheid is dat genoten inkomsten en aanwezig vermogen moeten worden aangegeven. Het gaat verder om bedragen van een substantiële omvang. De inspecteur heeft de boete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.\n\n4.14.. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een boete van € 1.782 passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden dat de inspecteur de boete reeds heeft verminderd met 20% omdat de boetegrondslag is vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat acht de rechtbank voldoende omdat de boetegrondslag voor 2017 is gebaseerd op de vermogensvergelijking, waaraan concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag liggen.\n\n4.15.. De duur van de procedure vormt voor de rechtbank aanleiding om de boete te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 2 februari 2022 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het concept controlerapport waarin de boete is aangekondigd aan belanghebbende is toegezonden. De rechtbank doet uitspraak op 17 maart 2025. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) drie jaar en twee maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met één jaar en twee maanden.De boete wordt daarom verder worden gematigd met 15% tot € 1.514.\n\n2019\n\nOmkering en verzwaring bewijslast\n\n5. De inspecteur beroept zich op de omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende volgens hem niet de vereiste aangifte IB\u002FPVV 2019 heeft gedaan. De inspecteur dient dat – zoals hiervoor onder 4.1. en 4.2. overwogen – aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken.\n\n5.1.. De inspecteur heeft ook voor het jaar 2019 een vermogensvergelijking overgelegd, welke in de bezwaarfase door de inspecteur is gecorrigeerd en de inspecteur stelt zich thans op grond van de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking op het standpunt dat belanghebbende ten minste € 18.794 meer aan inkomsten moet hebben genoten dan aangegeven in zijn aangifte IB\u002FPVV 2019. Uit de vermogensvergelijking blijkt volgens de inspecteur dat belanghebbende meer uitgaven heeft gedaan dan hij met de door hem aangegeven inkomsten had kunnen doen. Verder stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden.\n\n5.2.. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast en overweegt daartoe als volgt. De (gecorrigeerde) vermogensvergelijking van de inspecteur is naar het oordeel van de rechtbank adequaat. Aan de in de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking opgenomen bedragen liggen namelijk concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag. Deze bedragen vormen het negatieve saldo van de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en laten zien dat belanghebbende meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangifte IB\u002FPVV 2019 heeft aangegeven. Belanghebbende heeft de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de (gecorrigeerde) vermogensvergelijking niet betwist. Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven voor het beschikken over deze gelden, het negatief netto privé. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende in 2019 inkomsten heeft genoten ter grootte van het (gecorrigeerde) negatief netto privé van € 18.794.\n\n5.3.. De rechtbank stelt vast dat, nu belanghebbende in zijn aangifte in het geheel geen inkomsten uit werk en woning heeft verantwoord, belanghebbende in 2019 in ieder geval aanzienlijke inkomsten heeft genoten die hij niet heeft aangegeven. Dit heeft ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is van oordeel, gelet op de hoogte van de uitgaven zonder dat daar in de aangifte inkomen of liquide vermogen tegenover staat, dat belanghebbende zich bij het doen van aangifte bewust moet zijn van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Dat betekent dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De bewijslast kan in dat geval worden omgekeerd en verzwaard, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank ook aangewezen is.\n\nRedelijke schatting5.4.. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de aanslag IB\u002FPVV 2019 onjuist is.\n\n5.5.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen uitgegaan van een redelijke schatting. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Voor zover de schatting berust op de vermogensvergelijking, is de rechtbank van oordeel dat de schatting niet onredelijk of willekeurig is. De vermogensvergelijking is voldoende onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. De inspecteur heeft het overige deel zijn schatting gebaseerd op betrokkenheid bij drugshandel en dat belanghebbende daarmee inkomen moet hebben verdiend. Dat blijkt ook uit de tijdens de doorzoeking in de loods aangetroffen hoeveelheden cocaïne (6,978 kilogram) en cannabis (9,478 kilogram), welke zaken met onverklaard geld zijn gekocht. Gelet op de stukken van het geding, in het bijzonder de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek, zijn er ook verdere aanknopingspunten dat belanghebbende betrokken is geweest bij drugshandel. Dit wordt als zodanig door belanghebbende ook niet bestreden. Belanghebbende bestrijdt wel dat hij eigenaar was van de in de loods aangetroffen drugs.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur bij deze stand van zaken er terecht vanuit gegaan dat de aangetroffen drugs wel aan belanghebbende toebehoorden, aangezien er in het strafdossier voldoende aanknopingspunten daarvoor te vinden zijn en overigens ook uit het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant blijkt dat belanghebbende op enig moment heeft erkend dat de drugs hem toebehoorden. De inspecteur heeft de schatting van het inkomen dat moet zijn verdiend om de in de loods aangetroffen drugs aan te kunnen schaffen verder gebaseerd op een berekening van de inkoopwaarde van de aangetroffen drugs. De gehanteerde inkoopprijzen heeft de inspecteur gebaseerd op gegevens van de website drugsinfo.nl. De rechtbank acht deze uitgangspunten niet onredelijk. Belanghebbende heeft verder geen openheid van zaken gegeven over het genoten inkomen vanuit deze handel. Het strafdossier bevat een aantal aanknopingspunten die erop wijzen dat belanghebbende al langer en daarmee ook in het begin van 2019, actief was in de drugshandel. De rechtbank acht de veronderstelling van de inspecteur dat belanghebbende de inkomsten met drugshandel in 2019 heeft verdiend daarom ook niet onredelijk. Verder acht de rechtbank de blote stelling van belanghebbende dat hij geen inkomsten met drugshandel heeft verdiend ook tegen de achtergrond van het kunnen beschikken over onverklaard vermogen, ongeloofwaardig en zij verwerpt daarom deze stelling.\n\n5.6.. Op belanghebbende rust de last te doen blijken dat het geschatte inkomen onjuist is. Belanghebbende heeft in dat verband aangevoerd dat er ook een medeverdachte was in het strafproces, zodat slechts € 96.703 van het geschatte inkomen aan hem kan worden toegerekend. Dit betreft enkel een blote stelling. Een blote stelling, welke gemotiveerd bestreden wordt, kan niet leiden tot het oordeel dat belanghebbende daarmee heeft doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld en slaagt reeds daarom niet.\n\n5.7.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur de ROW-correctie van € 212.200 terecht heeft aangebracht. De aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2019 blijft daarom in stand.\n\nBoete5.8.. Aan belanghebbende is bij de aanslag IB\u002FPVV 2019 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67d van de AWR en paragraaf 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk een onjuiste aangifte IB\u002FPVV 2019 gedaan. De inspecteur heeft de boete bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 40.065. Daarbij heeft de inspecteur het boetepercentage verminderd tot 40% van de verschuldigde belasting en de boete nog verder verminderd met 20% om rekening te houden met het feit dat de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering van de bewijslast.\n\n5.9.. De rechtbank zal – onder verwijzing naar het overwogene onder 4.11. en 4.12. – beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende een onjuiste aangifte IB\u002FPVV 2019 heeft gedaan.\n\n5.10.. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat sprake is van ten minste voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten is dat de aangifte IB\u002FPVV 2019 onjuist of onvolledig is gedaan. Belanghebbende heeft aanmerkelijk meer uitgegeven dan uit het aangegeven inkomen en vermogen verklaard kan worden. Daarnaast acht de rechtbank – in het bijzonder gelet op de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek in samenhang met de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant waarin staat vermeld dat belanghebbende heeft erkend dat de drugs aan hem toebehoren – ook overtuigend aangetoond dat belanghebbende in 2019 inkomsten heeft genoten om de in de loods aangetroffen drugs aan te kunnen schaffen. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs – onder andere kilo’s cocaïne en kilo’s cannabis – moet het om significante bedragen gaan waarmee dit is gekocht. Belanghebbende heeft deze inkomsten niet aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende dat bewust heeft gedaan. Daarbij neemt de rechtbank ook in ogenschouw dat het een feit van algemene bekendheid is dat genoten inkomsten en aanwezig vermogen moeten worden aangegeven en dat het gaat om bedragen van een substantiële omvang. Door deze inkomsten niet aan te geven heeft belanghebbende aldus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangifte IB\u002FPVV 2019 onjuist zou zijn.\n\n5.11.. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een boete van € 40.065 passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden dat de inspecteur de boete reeds heeft verminderd met 20% omdat de boetegrondslag is vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat acht de rechtbank voldoende omdat de boetegrondslag voor 2019 is gebaseerd op de vermogensvergelijking, waaraan concrete en verifieerbare gegevens ten grondslag liggen en exact aansluit bij de in de loods aangetroffen hoeveelheden drugs wat slechts een momentopname betrof.\n\n5.12.. De duur van de procedure vormt voor de rechtbank aanleiding om de boete verder te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 2 februari 2022 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het concept controlerapport waarin de boete is aangekondigd aan belanghebbende is toegezonden. De rechtbank doet uitspraak op 17 maart 2025. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) drie jaar en twee maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met één jaar en twee maanden.De boete wordt daarom verder worden gematigd met 15% tot € 34.055.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. De beroepen zijn ongegrond.De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017, de aanslag IB\u002FPVV 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen blijven in stand. De boete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 wordt verminderd tot € 1.514 en de boete bij de aanslag IB\u002FPVV 2019 wordt verminderd tot € 34.055.\n\n6.1.. Omdat de beroepen ongegrond zijn krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten en krijgt hij ook het door hem betaalde griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2017 en 2019;\n\nvermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 tot € 1.514;\n\nvermindert de boete bij de aanslag IB\u002FPVV 2019 tot € 34.055.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 17 maart 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 27e, eerste lid, van de AWR.\n\n Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.\n\n Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\n Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.\n\n Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\n Ambtshalve vermindering van de boete in verband met undue delay, leidt niet tot een gegrond beroep (vgl. Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:1528","2026-07-13T00:29:02.059Z",20]