[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-youth-care-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":133},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},62,"youth-care-nl","Youth Care","NL","2026-07-08T16:54:05.600Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},13,{"min":18,"max":19},"2026-05-18T00:00:00.000Z","2026-05-21T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122058","Jeugdwet","",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"121875","Burgerlijk Wetboek","art. 1:260",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"121955","art. 1:247 lid 2",[34,44,51,58,67,76,83,90,97,104,111,118,125],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":38,"summary":24,"language":7,"source":39,"sourceUrl":40,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":42,"updatedAt":43},"578","ECLI:NL:RBZWB:2026:5452","ecli-nl-rbzwb-2026-5452","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447531 \u002F JE RK 26-716\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Brabant,\n\ngevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. W.F. Wienen uit Almere,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader;\n\n- de moeder met haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordiger van de GI.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben geen mening gegeven.\n\n1.4.. Deze procedure hangt nauw samen met de zaak van GI over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met het kenmerk C\u002F02\u002F444905 JE RK 26-230. Daarom heeft de kinderrechter de zaken tegelijk mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 23 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI heeft ter toelichting op het verzoek aangegeven dat er nog steeds aanhoudende zorgen zijn over de samenwerking en communicatie tussen de ouders en de gevolgen hiervan voor het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In het kader van de ondertoezichtstelling is geprobeerd te werken aan het creëren van rust, duidelijkheid en stabiliteit. De focus heeft gelegen op het verbeteren van de samenwerking en de communicatie tussen de ouders en op het maken van duidelijke, werkbare afspraken over de zorg- en opvoedingstaken. Er zijn stappen gezet, maar de situatie is nog altijd kwetsbaar en de doelen van de ondertoezichtstelling zijn niet bereikt. Het is de ouders met behulp van langdurige en intensieve begeleiding door [psychologenpraktijk] niet gelukt om te komen tot een gedragen ouderschapsplan. De ouders blijven verdeeld over de haal- en brengtijden en de zomervakantie. Hierdoor ontbreekt tot op heden een vastgesteld en actueel ouderschapsplan en er blijven terugkerende discussies ontstaan over de contactregeling. De GI hoopt dat met een beslissing over de vakantie en de haal- en brengtijden er rust zal ontstaan en dat de spanningen rondom de zorgregeling zullen afnemen. Ondanks dat de GI de ouders herhaaldelijk heeft gewezen op hun verantwoordelijkheid als ouders, lukt het hen niet om hun ouderschap zodanig vorm te geven zonder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten. Door het voortduren van de situatie is er sprake van een voortdurende ontwikkelingsbedreiging in emotionele zin. De GI had verwacht dat met het indienen van het verzoek met betrekking tot de zorgregeling meer rust zou ontstaan, maar vervolgens ontstaat er weer onrust en willen de ouders weer procedures opstarten bij de rechtbank. De GI vreest dat dit de realiteit is waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten opgroeien en dat deze situatie niet zal veranderen. Er zijn momenten dat het goed gaat, maar deze perioden worden afgewisseld met spanningen, gebrekkige afstemming door de ouders en onvoldoende eigenaarschap van de ouders. De GI hoopt dat dit met een duidelijke zorgregeling minder wordt. De GI acht een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om toezicht te houden op de situatie, ouders te blijven begeleiden en te begrenzen waar nodig, en om de uitkomst van de lopende procedures bij de rechtbank te kunnen implementeren en te monitoren. Zonder verlenging van de ondertoezichtstelling bestaat het risico dat de spanningen verder toenemen, afspraken verder onder druk komen te staan en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opnieuw klem komen te zitten tussen hun ouders, met negatieve gevolgen voor hun emotionele ontwikkeling. Anderzijds is door de GI ook tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat door de ondertoezichtstelling aan de ouders een platform wordt gegeven om over elkaar te blijven praten. Als de ouders hun houding niet kunnen veranderen na alle intensieve hulpverlening die al is ingezet, is het ook de vraag of de doelen van de ondertoezichtstelling wel behaald kunnen worden.\n\n4.2.. De vader heeft aangegeven in te kunnen stemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Wel wil hij dat twee andere jeugdbeschermers worden aangesteld en deze aan waarheidsvinding zullen gaan doen. De huidige jeugdbeschermers zijn volgens hem niet consequent en handelen niet correct.\n\n4.3.. De moeder heeft aangegeven dat het goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij vindt dat het een scheef beeld geeft naar de kinderen als de ondertoezichtstelling wordt verlengd als de zorgregeling nog niet is geregeld. De moeder is van mening dat het traject met de GI sneller had kunnen verlopen. Ook heeft de GI niet doorgepakt op onderwerpen die er toe doen. De GI heeft met name gestuurd op het vaststellen van een regeling en praktische zaken en is niet gericht geweest op verbetering van de communicatie. De onderliggende oorzaak van de problemen is dan ook onvoldoende aangepakt. De moeder vraagt zich af of de doelen te behalen zijn in komende zes maanden.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) is voldaan.\n\n5.2.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter overweegt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds opgroeien tussen hun ouders die niet in staat zijn om met elkaar op ouderniveau te communiceren en afspraken met elkaar te maken die door hen beiden gedragen worden. De kinderrechter acht het zorgelijk dat de beide ouders de strijd met elkaar blijven aangaan waardoor zij beiden voorbij gaan aan de belangen van hun kinderen. De kinderrechter heeft een beslissing genomen over de zorgregeling (C\u002F02\u002F444905 JE RK 26-230). Een ondertoezichtstelling is nodig om te monitoren op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan deze zorgregeling. De kinderrechter hoopt dat er meer rust komt en dat de GI mogelijk kan werken naar een afronding van de ondertoezichtstelling. Het is daarbij wel van belang dat de ouders stoppen met het elkaar bestoken van procedures om hun eigen gelijk te halen. Het is voor de kinderen van belang dat er rust en duidelijkheid komt en dat zij een goed contact kunnen behouden met hun beide ouders.\n\n5.3.. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden.\n\n5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 23 mei 2026 tot 23 november 2026;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in aanwezigheid van Boink als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5452","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:37.779Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":48,"summary":24,"language":7,"source":39,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":42,"updatedAt":50},"613","ECLI:NL:RBZWB:2026:5457","ecli-nl-rbzwb-2026-5457","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F445329 \u002F JE RK 26-303\n\nDatum uitspraak: 4 juni 2026\n\nNadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nHET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE TILBURG,\n\nhierna te noemen: het college,\n\nover\n\n [minderjarige],\n\ngeboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] ,\n\nadvocaat: mr. V.C. Andeweg uit Breda.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [plaats 2] (België).\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nde in deze zaak gegeven beschikking van 4 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;\n\nde instemmende verklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper van 20 mei 2026;\n\nhet bericht van het college van 20 mei 2026, inhoudende een voortgangsrapportage van [locatie] ;\n\nde schriftelijke toestemmingsverklaring van 28 mei 2026 van de vader van [minderjarige] .\n\n1.2.. Op 21 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak op zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:\n\ntwee vertegenwoordigers van het college;\n\nde advocaat van [minderjarige] ;\n\n- de moeder.\n\n1.3.. Van de advocaat van [minderjarige] heeft de kinderrechter vernomen dat [minderjarige] niet naar de rechtbank is gekomen, omdat zij het belangrijk vindt om naar school te gaan en ook omdat zij een verwachting heeft over de beslissing die de kinderrechter zal nemen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat [minderjarige] op de juiste wijze is opgeroepen. De advocaat heeft op de zitting namens haar het woord gevoerd.\n\n1.4.. Van het college heeft de kinderrechter vernomen dat de vader niet naar de rechtbank komt in verband met een afspraak in het ziekenhuis. De kinderrechter heeft besloten de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de vader. De overige aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaar geuit.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. Bij de hiervoor genoemde beschikking van 4 maart 2026 heeft de kinderrechter voor [minderjarige] een machtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 5 maart 2026 tot 5 juni 2026.\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft momenteel op basis van voornoemde machtiging bij [jeugdhulp] te [locatie] .\n\n3. Het (resterende) verzoek\n\n3.1.. Thans ligt het volgende resterende verzoek nog ter beoordeling voor. Het gaat daarbij om het verzoek van het college om een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.\n\n4. Het standpunt van het college\n\n4.1.. Ter onderbouwing van en in aanvulling op het schriftelijke verzoek voert het college, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] verblijft sinds 27 november 2025 bij [jeugdhulp] in [locatie] . De ontwikkeling van [minderjarige] is kwetsbaar. Zij heeft moeite om anderen te vertrouwen. Ook erkent en herkent zij moeilijk de emoties van zichzelf en anderen. [minderjarige] heeft trauma’s en onveiligheidsgevoelens vanuit haar verleden. Zij heeft de neiging haar gevoelens en spanningen weg te stoppen en vindt het moeilijk hierover te praten. [minderjarige] zit nog veel in haar hoofd. Op de groep werd lange tijd gezien dat zij een passieve houding heeft en zij moeite heeft haar concentratie vast te houden. [minderjarige] heeft geregeld een weerwoord richting de begeleiding. Op het moment dat [minderjarige] daarop wordt aangesproken ervaart zij dit als een persoonlijke aanval of afwijzing.\n\n4.2.. \n\nBinnen de therapie en op de groep wordt ook gezien dat [minderjarige] positieve stappen zet in haar ontwikkeling. Zij maakt een gemotiveerde indruk en doet zichtbaar haar best. [minderjarige] is gegroeid in haar emotieregulatie, impulscontrole en durft voorzichtig meer te delen. [minderjarige] gaat naar school en zet zich in voor school. Ook in haar zelfzorg heeft [minderjarige] stappen gezet. Zij heeft verschillende vrijheden gekregen op de gesloten groep.\n\nZo heeft [minderjarige] een bijbaantje en gaat in de weekenden met verlof. Zij gaat dan zelfstandig naar haar moeder of haar vader toe.\n\n4.3.. Een volledige terugkeer naar de moeder behoort op dit moment nog niet tot de mogelijkheden. De verwerking van haar trauma’s vraagt nog veel tijd, vertrouwen en herhaling. Ook de emotieregulatie en het herkennen van emoties bij anderen blijven een aandachtspunt. Het college is op zoek naar een passende plek in een open setting voor [minderjarige] , waar zij voor langere tijd kan verblijven. Het aantal plekken is echter beperkt en de vader heeft geen toestemming gegeven om een plek buiten de regio te zoeken. Het college hoopt dat het [minderjarige] zo snel als mogelijk kan doorstromen naar een open behandelgroep. De situatie is schrijnend voor [minderjarige] . Het college gunt [minderjarige] een passende plek waar zij langdurig kan verblijven.\n\n5. De standpunten van belanghebbende\n\n5.1.. Namens [minderjarige] is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verlenen van de machtiging gesloten jeugdhulp voor nog eens drie maanden. Naar omstandigheden gaat het goed met [minderjarige] . Zij ervaart steun aan de begeleiding op de groep. De afgelopen periode was bedoeld om uit te zoeken naar welke open groep [minderjarige] zou kunnen gaan. Helaas is er nog geen alternatief voor [minderjarige] gevonden en een thuisplaatsing is op dit moment niet mogelijk. [minderjarige] blijft daarom liever op de gesloten groep, totdat er een passende plek voor haar is gevonden. Hoewel [minderjarige] enkele vrijheden heeft gekregen op de groep, blijft het echter wel een gesloten groep. [minderjarige] hoort niet gesloten geplaatst te zijn. Ook de groep geeft dat aan. Aan de andere kant is het ook niet in het belang van [minderjarige] als zij overhaast wordt geplaatst op een open groep die eigenlijk niet passend is. [minderjarige] wil graag dat er een goede, passende plek voor haar komt waar zij langdurig kan blijven en van waaruit stappen kunnen worden gezet om begeleid te gaan wonen en toe werken naar zelfstandigheid.\n\n5.2.. Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verzoek. De plaatsing is goed voor [minderjarige] . Het geeft rust. In de weekenden komt [minderjarige] naar de moeder toe. [minderjarige] werkt op zondag in de buurt van [locatie] , dus ze blijft niet bij haar moeder slapen. Ook gaat zij zelfstandig met de bus naar haar vader die in [plaats 2] woont.\n\n6. De (nadere) beoordeling\n\nWettelijk kader6.1.. De kinderrechter dient de vraag te beantwoorden of een machtiging gesloten jeugdhulp gerechtvaardigd is. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet, kan een machtiging om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven alleen worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:\n\njeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;\n\nde opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en\n\ner geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.\n\nInhoudelijke beoordeling6.2.. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er nog steeds sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje met een belast verleden. [minderjarige] heeft veel meegemaakt. In het verleden is gebleken dat zij niet altijd in staat is geweest om gezonde en veilige keuzes voor zichzelf te maken, waardoor ze zichzelf in risicovolle situaties bracht en een gevaar voor zichzelf was. [minderjarige] verblijft al enige tijd op de gesloten groep van [jeugdhulp] . De begeleiding van de groep ziet dat [minderjarige] veel in haar hoofd zit. Zij laat geen negatief gedrag zien, maar toont een passieve houding en heeft moeite haar concentratie vast te houden. De aandacht van [minderjarige] richting jongens is toegenomen. Dit zou zorgelijk kunnen worden, gelet op de eerdere zorgen over het seksueel wervende gedrag van [minderjarige] , het risico op slachtofferschap en het risico op zelfbeschadigend gedrag. Daarnaast heeft [minderjarige] moeite met haar emotieregulatie en het erkennen en herkennen van de emoties van zichzelf en anderen. Zij is geneigd haar gevoelens weg te stoppen, praat niet graag over de gebeurtenissen uit het verleden en heeft moeite om anderen te vertrouwen. [minderjarige] heeft daar nog veel stappen in te maken en heeft daarvoor hulpverlening nodig.\n\n6.3.. De kinderrechter ziet daarnaast ook dat sprake is van een positieve ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is gemotiveerd en doet zichtbaar haar best. Zij stelt zich langzamerhand open voor de hulpverlening en neemt de hulpverleners in vertrouwen. Ook is zij gegroeid in haar emotieregulatie en impulscontrole. [minderjarige] doet daarnaast zichtbaar haar best voor school. Vanaf de start van het schooljaar in 2025 ging [minderjarige] niet meer naar school, maar sinds de gesloten plaatsing is haar aanwezigheid binnen het onderwijs toegenomen. Verder heeft [minderjarige] een bijbaantje gevonden en gaat zij zelfstandig naar haar ouders met verlof. [minderjarige] is goed op weg naar zelfstandigheid. Door de begeleiding van de groep wordt gezien dat [minderjarige] gebaat is bij de structuur, veiligheid en de rust die door de groep geboden wordt.\n\n6.4.. Met het college, de ouders en de advocaat van [minderjarige] is de kinderrechter van oordeel dat een gesloten plaatsing op dit moment nog steeds het enige alternatief is. [minderjarige] kan niet bij haar ouders terecht en geeft aan dit zelf ook niet te willen. Zowel het college als de advocaat van [minderjarige] hebben aangegeven dat het de voorkeur heeft dat [minderjarige] naar een plek in een open setting gaat, maar dat [minderjarige] er niet bij gebaat is als zij overhaast op een niet passende plek wordt geplaatst. Dit zou de kans dat zij de stijgende lijn niet kan vasthouden vergroten. Op dit moment acht de kinderrechter een gesloten plaatsing bij [jeugdhulp] dan ook gepast en noodzakelijk om de positieve van ontwikkeling van [minderjarige] voort te zetten. Hoewel een gesloten plaatsing een ingrijpende maatregel is en als ultimum remedium dient te gelden, bestaan er op dit moment zoals vermeld geen andere mogelijkheden voor de plaatsing van [minderjarige] . Het verzoek zal daarom worden toegewezen voor de duur van drie maanden, zoals is verzocht. Gelet op het karakter van de maatregel van de gesloten plaatsing is het wel noodzakelijk dat het college zo snel als mogelijk een passende plek binnen een open setting voor [minderjarige] vindt.\n\n6.5.. Het college heeft bij het verzoek een schriftelijke en door de onafhankelijke gedragswetenschapper, ondertekende verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij instemt met het verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden.\n\n6.6.. De kinderrechter merkt op dat er ten tijde van de zitting geen recente toestemmingsverklaring van de vader in het dossier zat en de vader was ook niet op de zitting aanwezig. Het college heeft de toestemmingsverklaring van de vader naderhand opgestuurd, zodat ook wat betreft de vader alsnog aan het vereiste van artikel 6.1.2, derde lid onder c, Jeugdwet is voldaan.\n\n6.7.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n7. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n7.1.. verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 5 juni 2026 tot 5 september 2026.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Vos, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Van Ham als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5457","2026-07-13T00:28:39.318Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":55,"summary":24,"language":7,"source":39,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":42,"updatedAt":57},"615","ECLI:NL:RBZWB:2026:5458","ecli-nl-rbzwb-2026-5458","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448440 \u002F JE RK 26-891\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] ,\n\nadvocaat mr. P.F.M. Gulickx uit Breda.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\n- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 21 mei 2026;\n\n- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 17 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 juni 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 6 juni 2026.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 mei 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 6 juni 2026.\n\n2.4.. Op basis van die machtiging verblijft [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.\n\n3.2.. De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet kan een spoedmachtiging voor een gesloten plaatsing alleen worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:\n\nonmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;\n\nde opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en\n\ner geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.\n\n4.2.. De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Op 11 mei 2026 is door de GI een regulier verzoek machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] ingediend. De zorgen over hem zijn de afgelopen dagen echter zodanig opgelopen dat nu een spoedverzoek is ingediend. [minderjarige] onttrekt zich van de groep, uit zich ernstig dreigend naar de groepsleiding en er is een vermoeden dat hij strafbare feiten pleegt. Ook heeft hij negatieve contacten met een ex-groepsgenoot, zo heeft hij deze groepsgenoot onrechtmatig toegang verleend tot de groep waardoor de veiligheid op de groep ernstig in het geding is gekomen. Er is een groot risico dat [minderjarige] tot onverantwoorde daden overgaat zoals bijvoorbeeld naar het buitenland vertrekken, dit mogelijk in samenspraak met deze groepsgenoot. Maatschappelijk Hulp met Daadkracht heeft op 21 mei 2026 aangegeven dat [minderjarige] ’s verblijf op de huidige behandelgroep per direct niet maar haalbaar is vanwege de veiligheid van het personeel en de andere jongeren. Ook hun zorgen over [minderjarige] en daarmee zijn veiligheid zijn toegenomen. Een time-out op een andere groep is als niet haalbaar ingeschat. Het gedrag van [minderjarige] is onvoorspelbaar en wordt steeds risicovoller doordat hij het gevoel heeft dat hij niets te verliezen heeft.\n\n4.3.. Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.\n\n4.4.. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] , nu [minderjarige] per direct niet meer op de groep kan verblijven en er een concrete dreiging bestaat dat [minderjarige] zal weglopen en mogelijk zelfs met de ex-groepsgenoot naar het buitenland vertrekt. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken. Het resterende deel van het spoedverzoek alsmede het verzoek om een reguliere machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen voor de duur van zes maanden, zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zitting. De GI, [minderjarige] , zijn advocaat en de ouders worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Op diezelfde zitting zal ook het eerder ingediende verzoek van de GI om een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen met zaaknummer C\u002F02\u002F448088 \u002F JE RK 26\u002F817 worden behandeld.\n\n4.5.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 21 mei 2026 tot 4 juni 2026;\n\n5.2.. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;\n\n5.3.. roept de GI, de vader, de moeder en [minderjarige] en zijn advocaat op voor de zitting van mr. Pellikaan op [datum] 2026 om [uur]uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10 in Breda;5.4.. bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting voor [minderjarige] , zijn advocaat mr. Gulickx, de ouders en de GI;\n\n5.5.. behoudt zich iedere verdere beslissing voor.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 22 mei 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5458","2026-07-13T00:28:39.405Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":62,"fullText":63,"summary":24,"language":7,"source":39,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":42,"updatedAt":66},"470","ECLI:NL:RBZWB:2026:5437","ecli-nl-rbzwb-2026-5437","2026-05-20T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F447026 \u002F JE RK 26-638\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\nlocatie Tilburg, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),\n\nover de minderjarige:\n\n [minderjarige],\n\ngeboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige]\n\nDe kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbende aan:\n\n [de moeder], hierna te noemen: de moeder,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. N. Schietekatte uit Rotterdam,\n\n [de oma],\n\nhierna te noemen: [de oma] ,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,\n\nhierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over de verzoeken te adviseren.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n - het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 8 april 2026;\n\n - het stelbericht van mr. Schietekatte van 14 april 2026;\n\n - het bericht van de moeder dat zij niet bij de zitting aanwezig zal zijn, ingekomen bij de griffie op 17 mei 2026.\n\n1.2.. Op 20 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die gelegenheid waren aanwezig en zijn gehoord:\n\nde vader, bijgestaan door mr. M.S. Krol als waarnemend advocaat;\n\n [de oma] , bijgestaan door mr. M.S. Krol als waarnemend advocaat;\n\ntwee vertegenwoordigsters namens de GI;\n\neen medewerker namens de Raad.\n\n1.3.. Hoewel daartoe correct opgeroepen is de moeder, met kennisgeving vooraf, niet bij de zitting aanwezig.\n\n1.4.. Volledigheidshalve merkt de kinderrechter hier op dat mr. Krol heeft toegelicht dat zij, anders dan het stelbericht van mr. Schiettekatte vermeldt, als waarnemend advocaat optreedt voor zowel de vader als [de oma] .\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op [geboortedag] 2023 is [minderjarige] uit de moeder geboren.\n\n2.2.. \n\nDe vader heeft [minderjarige] erkend. De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het\n\nouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n\nDe vader heeft een relatie en woont samen met [de oma] . [de oma] is\n\nde biologische moeder van de moeder en de oma van [minderjarige] .\n\n2.4.. \n\nBij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 23 mei 2025 is [minderjarige]\n\nonder toezicht gesteld van de GI tot 23 mei 2026. Daarnaast is een machtiging tot\n\nuithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 23 augustus 2025.\n\n2.5.. Bij beschikking van 15 augustus 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 23 mei 2026.\n\n2.6.. \n\nOp grond van voormelde machtiging is [minderjarige] uit huis geplaatst en verblijft zij in een\n\nneutraal pleeggezin.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1.. De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.\n\n3.2.. De GI verzoekt daarnaast om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van zes maanden.\n\n3.3.. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. Het standpunt van de GI\n\n4.1.. Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is opgeroeid in een complex familiesysteem en heeft spanningsvolle situaties meegemaakt waarbij sprake was van huiselijk geweld. Op dit moment verblijft [minderjarige] in een pleeggezin van [woongroep] . Daar ontwikkelt zij zich positief. De pleegouders zijn in staat om [minderjarige] de veilige opvoedplek te geven die zij nodig heeft.\n\n4.2.. Gezien wordt dat [minderjarige] veel last heeft van spanningen. Dit komt tot uiting in onrustig slapen. Met name voor en na de omgangsmomenten met de vader en [de oma] – eenmaal per week drie uur onder begeleiding – laat [minderjarige] spanning zien, wat zich uit in schreeuwen, spugen en het op de lip bijten. Voor en na de omgang met de moeder (eveneens eens per week drie uur onder begeleiding) zijn deze uitingen niet zichtbaar. Zij laat een beginnende hechtingsrelatie met de moeder zien. Dit maakt het extra spijtig dat de moeder in maart 2026 om een time-out heeft gevraagd en zij momenteel volledig uit contact is.\n\n4.3.. De GezinsManager (hierna: DGM) komt nog met een advies over hoe het vervolgtraject ten aanzien van de contacten met de ouders er uit moet zien. Op dit moment zijn de ouders zoekende hoe zij, los van het verleden, gezamenlijk vorm kunnen geven aan toekomstgericht ouderschap. Het wantrouwen tussen de ouders blijft een belemmerende factor, evenals de invloed van het bredere familiesysteem. Van gelijkwaardig ouderschap is geen sprake, terwijl dit van belang is voor de bepaling van het toekomstperspectief. De vader en [de oma] moeten leren om de moeder een rol te (blijven) geven in het leven van [minderjarige] .\n\n4.4.. Een verlenging van de maatregelen is nodig. [minderjarige] kan op dit moment niet terug naar een van de ouders. Er zijn forse zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en [de oma] . Hierop is nog geen zicht verkregen. Er blijft een zekere onzekerheid over de vraag of [minderjarige] zich kan ontwikkelen om het complexe familiesysteem. Daarnaast heeft DGM extra tijd nodig voor omgangsobservaties vanuit de thuissituatie en ouderschap-reorganisatiegesprekken. De benodigde persoonlijkheidsonderzoeken bij de vader en [de oma] zijn nog niet afgenomen. De aanmelding voor een persoonlijkheidsonderzoek verloopt moeizaam. Meerdere zorgaanbieders zijn hiervoor benaderd. De gemeente draagt niet bij aan de kosten. De GI heeft een persoonlijkheidsonderzoek nodig naast het advies van DGM. Dit heeft betrekking op het complexe familiesysteem en de keuzes die de vader en [de oma] daarin maken. Hoe de verwekking van [minderjarige] tot stand is gekomen is bijzonder. Er zijn daarin keuzes gemaakt die door de ouders anders worden ervaren. De moeder spreekt van misbruik door de vader. Deze keuzes maken dat er mogelijk sprake is van een onveilige situatie voor [minderjarige] , ook op het gebied van normen en waarden. De vraag is daarbij ook of er bij de vader en [de oma] sprake is van onderliggende persoonlijkheidsproblematiek. Door middel van het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek kan dit uitgesloten worden.\n\n4.5.. Desgevraagd verklaart de GI bewust voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden te hebben gekozen. Deze periode is passend, omdat het advies van DGM nog moet komen.\n\n5. Het standpunt van belanghebbenden en het advies van de Raad\n\n5.1.. \n\nDoor en namens de vader en [de oma] is, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling verzetten de vader en [de oma] zich niet.\n\nTen aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht om dit verzoek voor drie maanden toe te wijzen, onder aanhouding van het resterende deel. Binnenkort, in juli, volgt een evaluatie van de hulpverlening. Dat dient te worden afgewacht alvorens er verdere beslissingen worden genomen. Ten aanzien van de persoonlijkheids-onderzoeken geldt dat de vader en [de oma] overal aan mee willen werken. In de vorige beschikking wordt onterecht als doel gesteld dat zij aan persoonlijkheidsonderzoeken dienen mee te werken. De kinderrechter kan bij een ondertoezichtstelling doelen opstellen, echter daarbij moet het altijd gaan om het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging. Het verplicht deelnemen aan een persoonlijkheidsonderzoek valt daar niet onder. Bovendien, al zou dit verplicht kunnen worden, dan is nog de vraag wat dit oplevert, omdat dit alleen zal kijken naar de DSM en dit niets zegt over opvoedvaardigheden. De vragen die de GI beoogt te beantwoorden, namelijk ten aanzien van de normen en waarden van de vader en [de oma] , worden met een persoonlijkheidsonderzoek niet beantwoord. Hiervoor kan andere hulpverlening worden ingezet, zoals systeemtherapie. Dat er sprake is van een complexe situatie wordt niet ontkend. De geschiedenis kan echter niet gewist worden. Met de kennis van nu hadden de vader en [de oma] andere keuzes gemaakt. De vraag is echter hoe met de geschiedenis om wordt gegaan en hoe [minderjarige] hier later in mee wordt genomen. Daar moet meer zicht op komen en dat zicht is er vanuit DGM. Op dit moment is [minderjarige] neutraal geplaatst. De vader staat achter de omgang van [minderjarige] met de moeder. Daar is ook hulpverlening op ingezet. Het contact tussen [minderjarige] , de vader en [de oma] verloopt positief. Concluderend geldt; de vader en [de oma] werken over al mee, er is contact, de vader en [de oma] accepteren de moeder en DGM komt over drie maanden met een conclusie. Er is gelet daarop geen reden voor een toewijzing van het verzoek voor de duur van zes maanden.\n\n5.2.. De Raad adviseert de kinderrechter, samengevat, als volgt. De Raad ondersteunt het verzoek van de GI alsook de koppeling die de GI maakt tussen de resultaten van de hulpverlening door DGM als de persoonlijkheidsonderzoeken bij de vader en [de oma] . De Raad vindt daarnaast systemisch onderzoek van belang. Het is echter niet noodzakelijk dat de twee sporen van persoonlijkheidsonderzoek en systemisch onderzoek gelijktijdig worden gelopen. Dit kan los van elkaar plaatsvinden.\n\n6. De beoordeling\n\nWat zegt de wet?\n\n6.1.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\n6.2.. Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:\n\nde zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;\n\nde verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.\n\n6.3.. Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.\n\n6.4.. Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nVerlenging ondertoezichtstelling\n\n6.5.. Gelet op de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat [minderjarige] nog altijd in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er is sprake van een complex familiesysteem. De vraag is of [minderjarige] zich binnen dit systeem positief kan ontwikkelen. Daarnaast zijn er nog altijd zorgen over onveiligheid en de normen en waarden van de vader en [de oma] . Een nieuwe zorgelijke ontwikkeling is dat de moeder uit contact is getreden en dat [minderjarige] spanningen laat zien na een contactmoment met de vader en [de oma] . Dit moet verder onderzocht worden. Ook statusvoorlichting moet nog plaatsvinden.\n\n6.6.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de in de beschikking van 23 mei 2025 genoemde zorgen nog altijd aanwezig zijn. Gebleken is verder dat de vader en [de oma] zich niet tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling verzetten. Zij zijn bereid om mee te werken aan hulpverlening, alsook aan een persoonlijkheidsonderzoek, en\u002Fof systeemtherapie. Hulpverlening vanuit DGM in de vorm van ouderschap-reorganisatiegesprekken en omgangsobservatie is in volle gang. In de komende periode dient deze hulpverlening gecontinueerd te worden. Gelet op het complexe familiesysteem is dit naar het oordeel van de kinderrechter niet mogelijk in het vrijwillig kader. De kinderrechter is daarom van oordeel dat voldaan wordt aan de wettelijke vereisten van een ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling dan ook toewijzen.\n\nVerlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n6.7.. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is dat zij vooralsnog uit huis geplaatst blijft. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat [minderjarige] op dit moment niet bij een van de ouders teruggeplaatst kan worden. De omgangsobservaties zijn in volle gang, alsook ontbreekt het zicht op de opvoedsituatie bij de ouders. DGM is weliswaar betrokken, maar heeft nog langere tijd nodig om tot een advies te komen. Daarnaast blijft de verhouding tussen de vader, de moeder en [de oma] zeer complex.\n\n6.8.. Ten aanzien van de duur van de verlenging zal de kinderrechter aansluiten bij het verzoek en het advies van de Raad. De kinderrechter overweegt daarbij dat is gebleken dat DGM nog tijd nodig heeft om tot een gedegen advies te komen. Wanneer de kinderrechter de verlenging zal toestaan voor de door de vader en [de oma] verzochte periode van drie maanden, zal naar verwachting van de kinderrechter de hulpverlening niet zijn afgerond. Immers, enerzijds is er nog geen duidelijkheid over de omgangsobservatie, anderzijds omdat er nog onvoldoende zicht is op wat de omgang met [minderjarige] doet én hoe de ontwikkelingen ten aanzien van de medewerking van de moeder verlopen. De kinderrechter vertrouwt er daarbij op dat, indien [minderjarige] wel teruggeplaatst kan worden bij een van de ouders, de GI hiertoe overgaat zodra dit kan.\n\n6.9.. Het voorgaande betekent dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal verlengen voor de verzochte duur van zes maanden. Hiermee blijft de plaatsing van [minderjarige] in haar huidige neutrale pleeggezin gewaarborgd. Gebleken is dat [minderjarige] zich hier goed ontwikkelt.\n\nDoelen ondertoezichtstelling\n\n6.10.. \n\nDe kinderrechter zal, zoals ter zitting uitvoering is besproken, ingaan op de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen. De kinderrechter zal de doelen zoals genoemd in de beschikking van 23 mei 2025 in rechtsoverweging 5.4 overnemen, met uitzondering van de doelen ‘Er wordt een persoonlijkheidsonderzoek afgenomen bij de vader en de\n\nWensmoeder en ‘Er wordt een NIKA traject ingezet om meer zicht te krijgen op de interactie\u002Fde gehechtheidsrelatie tussen [minderjarige] en de vader, [minderjarige] en de wensmoeder en [minderjarige] en de\n\nmoeder’. De kinderrechter benadrukt dat alle overige doelen van kracht blijven. Het is daarbij de GI die bepaalt of en welke hulpverlening er wordt ingezet.\n\n6.11.. Ten aanzien van de persoonlijkheidsonderzoeken volgt de kinderrechter het standpunt van de advocaat van de vader en [de oma] ; een persoonlijkheidsonderzoek kan richting geven aan de in te zetten hulpverlening, maar zal naar verwachting niet de antwoorden brengen waarnaar de GI op zoek is. Deze antwoorden kunnen ook worden gevonden bij de inzet van andere hulpverlening, zoals systeemtherapie. Dit neemt echter niet weg dat een persoonlijkheidsonderzoek wel kan bijdragen aan het krijgen van zicht op het geheel. De kinderrechter volgt de Raad in zijn standpunt dat het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek kan plaatsvinden naast het inzetten van systeemtherapie. Het een hoeft niet te wachten op het ander.\n\n6.12.. Indien de GI het persoonlijkheidsonderzoek noodzakelijk acht geeft de kinderrechter haar het volgende mee. Op grond van de Jeugdwet is de gemeente verantwoordelijk voor de financiering van persoonlijkheidsonderzoeken die nodig zijn in het kader van jeugdhulp aan kinderen en hun ouders (zie de artikelen 2.6 lid 1 sub a juncto 2.4 lid 2 onderdeel b Jeugdwet). Het is aan de GI om te regelen dat het persoonlijkheids-onderzoek plaats kan vinden en betaald wordt. De kinderrechter geeft hierbij uitdrukkelijkaan dat hij de noodzaak van een persoonlijkheidsonderzoek volledig onderschrijft, maar de kinderrechter kan dit niet opleggen in het kader van deze maatregel.\n\n6.13.. Zoals de GI ter zitting naar voren heeft gebracht, blijft het doel terugwerken naar huis. Ten aanzien van de omgang geldt dat de uitbereiding daarvan reeds is ingezet. Dit duidt erop dat in feite al wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing. De kinderrechter geeft de GI mee dat wanneer wordt getwijfeld over de haalbaarheid van een thuisplaatsing, zij de Raad kunnen vragen om een onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] . Dit geldt ook voor het geval de GI vasthoudt aan een thuisplaatsing en zij na zes maanden een verlenging van de uithuisplaatsing nog nodig vindt.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n6.14.. \n\nDe kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregelen, de beslissing uitvoerbaar\n\nbij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast\n\nmoet worden gevolgd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld.\n\n7. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n7.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 23 mei 2026 tot 23 mei 2027;\n\n7.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 mei 2026 tot 23 november 2026;7.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2026.\n\nHoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:\n\ndoor de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5437","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:32.061Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":72,"summary":24,"language":7,"source":39,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":42,"updatedAt":75},"381","ECLI:NL:RBZWB:2026:5392","ecli-nl-rbzwb-2026-5392","2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447046 \u002F JE RK 26-640\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie\n\n’s-Hertogenbosch, gevestigd te 's-Hertogenbosch,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige] ,geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\n [de vader] ,\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 april 2026;\n\nhet op 4 mei 2026 van de GI ontvangen perspectiefbesluit, gedateerd 28 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader via een beeldbelverbinding;\n\ntwee vertegenwoordigsters van de GI;\n\neen vertegenwoordigster van de Raad.\n\nDe moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.\n\n1.3.. Er is tevens een oproepbrief verzonden naar de pleegmoeder, zij het niet met inachtneming van de geldende oproeptermijn, te weten op 18 mei 2026, bedoeld om haar in staat te stellen als belanghebbende een standpunt over het verzoek in te nemen en daarop een toelichting te geven. Van deze oproep is ook mededeling gedaan aan de GI. De GI gaf aan dat de pleegmoeder geen oproep had ontvangen. De pleegmoeder is niet ter zitting verschenen.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening over het verzoek ofwel schriftelijk ofwel mondeling tijdens een kind gesprek naar voren te brengen. [minderjarige] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Aan de jeugdbeschermer heeft hij desgevraagd mondeling kenbaar gemaakt dat hij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing staat en dat hij daarom een kind gesprek niet nodig vindt.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 mei 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 mei 2026.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 november 2025 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 20 mei 2026.\n\n2.4.. \n [minderjarige] is geplaatst in een pleeggezin, te weten in het gezin van de moeder van zijn vriend. [minderjarige] heeft contact met zijn moeder. Daarnaast verblijft [minderjarige] enkele keren per jaar tijdens vakanties of in een (lang) weekend bij de vader. Ook zien ze elkaar af en toe in Nederland.\n\n3. Het verzoek\n\nDe GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot 4 april 2027. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. Het standpunt van de GI\n\n4.1.. Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat, nadat het contact tussen de moeder en [minderjarige] enkele maanden was verbroken, er sinds februari 2026 tussen hen weer regelmatig contact plaatsvindt. Het contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder heeft naar de opvatting van de jeugdbeschermer in een vrij hoog tempo plaats gevonden, wat de situatie op dat vlak ook kwetsbaar maakt. Zo had dit tot gevolg dat er spanningen ontstonden in de opvoedsituatie in het pleeggezin omdat [minderjarige] zich aan afspraken en communicatie onttrok en daardoor de openheid en het vertrouwen tussen hem en pleegmoeder onder druk kwamen te staan. [minderjarige] was ook minder bereikbaar voor de pleegmoeder en de GI, hij zonderde zich af, verzorgde zich minder goed en verzuimde veel op het werk en van school. Ook lijkt [minderjarige] zich verantwoordelijk te voelen voor het gemis wat de moeder ervaart.\n\n4.2.. \n [minderjarige] staat sinds februari 2026 onder begeleiding van Zorg Onderwijs en Werk (hierna: ZOW). Deze organisatie probeert hem door middel van extra aandacht, onderwijs op maat en ondersteuning te begeleiden naar een passende studiekeuze en daarmee een perspectief te bieden voor de toekomst. Daarnaast is [pleegzorg] betrokken. [pleegzorg] onderzoekt of het pleeggezin geschikt is om langdurig de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Tevens zal [pleegzorg] de pleegmoeder kunnen ondersteunen bij opvoedvraagstukken en [minderjarige] kunnen helpen ter voorbereiding op het zelfstandig worden en het ontwikkelen van een toekomstplan. [minderjarige] heeft wisselende en onvoorspelbare opvoedsituaties en daardoor niet altijd stabiliteit en veiligheid gekend. Dit is van invloed geweest op het vertrouwen bij hem in anderen, zijn motivatie en zijn vermogen om overzicht te houden in het dagelijks leven. Hij laat zien zich open te stellen voor extra (ambulante) begeleiding, ook omdat hij worstelt met gevoelens, met name in het contact met zijn moeder. Er is voor [minderjarige] individuele hulpverlening gestart door ‘Self doen wat werkt’.\n\n4.3.. De GI acht het voor [minderjarige] , gezien zijn leeftijd, niet passend om een vast omkaderde omgangsregeling vast te leggen, maar wel dat het contact gedoseerd blijft plaats vinden, opdat duidelijk kan worden hoe [minderjarige] en de moeder daaraan op veilige en duurzame wijze invulling (kunnen) geven en nieuwe teleurstellingen en een contactbreuk in de toekomst kunnen worden voorkomen. De moeder laat zien zich geleidelijk meer open te stellen voor contact met de GI en met de hulpverlening. Wel blijkt zij nog steeds moeilijk emotioneel bereikbaar. Ook is het voor de pleegmoeder en voor de GI niet altijd duidelijk of de contacten die tussen de moeder en [minderjarige] plaatsvinden in het belang van [minderjarige] zijn. Verder is gebleken dat [minderjarige] , ondanks door hem uitgesproken positieve intenties om zich te blijven verbinden aan de gemaakte afspraken in het traject, in de praktijk daarvoor wisselende motivatie en inzet laat zien. Ook blowt hij nog steeds. Wel hebben er inmiddels gesprekken plaatsgevonden met de pleegmoeder en met de begeleiding op school, waardoor [minderjarige] meer bereikbaar werd. Dit heeft er ook in geresulteerd dat er een modus is gevonden in het contact tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij het belang van [minderjarige] leidend is, waar de GI op dit moment achter kan staan.\n\n4.4.. \n [minderjarige] heeft in de opvatting van de GI bij de pleegouders een fijne en positieve zorg- en opvoedomgeving. De pleegouders zijn geduldig en kunnen zich goed inleven in wat er bij hem speelt en hij voelt zich door hen daadwerkelijk gezien en gehoord. Tegelijkertijd laat [minderjarige] zien dat hij nog steeds grote behoefte heeft aan de stevige omkadering en structuur, zoals die op dit moment door de pleegouders, de leerplichtambtenaar en de betrokken hulpverlening wordt geboden en de regievoering daarover door de GI.\n\n4.5.. De GI acht een ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk, rekening houdend met het prille stadium, waarin de hulpverlening voor [minderjarige] en het pleeggezin zich bevindt, wat evenzeer geldt voor de hernieuwde samenwerking en het contact met de moeder en de dagbesteding van [minderjarige] . Van belang is dat, nu [minderjarige] voorzichtig in de positieve richting wordt begeleid en ondersteund, de jeugdbescherming in staat wordt gesteld om over dit proces voorlopig de regie te blijven voeren, ook opdat vastgesteld zal kunnen worden of\u002Fin hoeverre verlengde jeugdzorg voor na zijn 18de jaar aangewezen is. [minderjarige] heeft daarnaast behoefte aan duidelijkheid over zijn opvoed- en opgroeiperspectief. De GI heeft inmiddels een perspectiefbesluit genomen, dat met [minderjarige] en met de ouders is besproken. De inhoud daarvan luidt dat niet meer kan of moet worden gewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] . Daarbij betrekt de GI dat [minderjarige] zich op 17-jarige leeftijd in een cruciale fase richting zelfstandigheid bevindt, waarbij stabiliteit, voorspelbaarheid en continuïteit essentieel zijn voor een gezonde ontwikkeling. Bij [minderjarige] evenals bij zijn netwerk bestaat behoefte aan duidelijkheid waar hij verder op zal groeien en welke verwachtingen daarbij horen. Dit draagt ook bij aan rust en zorgt ervoor dat [minderjarige] zich op de toekomst zal kunnen richten.\n\n4.6.. De moeder maakt, voor zover bekend, een meer stabiele periode door in haar persoonlijke leven, zij heeft veel baat bij de ondersteuning van de persoonlijke hulpverlening en zij staat meer open voor een samenwerking met de GI, waardoor de belangen van [minderjarige] en het aansluiten daarbij voor haar duidelijker zijn. Hoewel zij diep van binnen een terugkeer van [minderjarige] naar huis zou wensen ziet zij ook in dat dit met het oog op zijn leeftijd en ontwikkelingsfase niet langer een reële optie is. De vader kan geen fysiek aanwezige opvoeder zijn, omdat hij zijn vaste woonplaats in Duitsland heeft. Daarbij komt dat het zeker niet de voorkeur heeft van [minderjarige] om bij zijn vader te gaan wonen. Wel is er af en toe bezoekcontact met zijn vader in Duitsland en in Nederland. Deze contacten verlopen voor beiden doorgaans op een prettige manier.\n\n5. Het standpunt van de vader\n\nDoor de vader is - samengevat - opgemerkt dat hij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing kan staan. Hij licht toe dat [minderjarige] naast duidelijke structuur en grenzen in zijn opvatting behoefte heeft aan psychologische hulp. Hij heeft moeten vaststellen dat de hulpverlening die [minderjarige] nodig heeft pas nu zijn 18-jarige leeftijd nadert daadwerkelijk op gang komt. Dat de hulpverlening voor [minderjarige] pas in een laat stadium is gestart komt volgens hem ook doordat de focus gedurende langere tijd te zeer werd gelegd bij het herstel van het contact tussen hem en de moeder. Hoewel hij het prijzenswaardig vindt dat [minderjarige] serieus bezig is met werk en met school maakt hij zich ook zorgen over zijn gedrag en ontwikkeling, waarbij hij meer specifiek duidt op de gevoeligheid bij [minderjarige] voor middelengebruik en de negatieve invloed die in dat opzicht van zijn broer uitgaat. Daarom dienen in zijn opvatting de beschermingsmaatregelen er ook op gericht te zijn en te blijven dat wordt voorkomen dat [minderjarige] opnieuw afglijdt en de huidige voorzichtige positieve ontwikkelingen teniet worden gedaan. Ook dient de hulpverlening in het kader van beide beschermingsmaatregelen gericht te zijn op het komen tot een goed fundament voor [minderjarige] met het oog op zijn naderende meerderjarigheid.\n\n6. Het standpunt van de Raad\n\nNamens de Raad is aangevoerd dat de Raad complimenten wenst te maken aan alle betrokkenen. [minderjarige] heeft een eigen plek bij de pleegouders, waar hij zich gezien en gehoord voelt en die plaatsing heeft bovendien de steun en instemming van beide ouders. De Raad heeft geen onderzoek gedaan naar het perspectief van [minderjarige] en kan daarom formeel daarover geen standpunt innemen. Wel kan de Raad er achter staan dat de kinderrechter zich inhoudelijk uitspreekt over het perspectiefbesluit in de te geven beslissing.\n\n7. De beoordeling\n\n7.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] naar het oordeel van de kinderrechter noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van zijn geestelijke toestand en onderzoek van zijn lichamelijke toestand.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n7.2.. In de laatst gegeven beschikking, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd tot 20 mei 2026, is overwogen dat [minderjarige] in het pleeggezin een positieve ontwikkeling liet zien en dat aan hem daar de benodigde rust en stabiliteit werd geboden. [minderjarige] gaf ook zelf aan dat hij niet vanuit het pleeggezin terug kon of wilde naar de oude situatie, waarin hij bij zijn moeder woonde. Dit gold op dat moment ook niet als reële optie vanwege de (verslavings)problematiek van de moeder, die maakte dat het op haar weg lag om te laten zien dat zij het patroon van alcoholmisbruik gedurende langere tijd weet te doorbreken en zij zonder incidenten of escalaties, abstinent kan blijven en daarmee het vertrouwen van [minderjarige] te kunnen herstellen. Ook werd overwogen dat de vader van [minderjarige] in Duitsland woont en hij daarom niet de zorg kan dragen voor [minderjarige] in Nederland.\n\n7.3.. De inhoud van de actuele stukken en het verhandelde ter zitting strekken naar het oordeel van de kinderrechter tot de overtuiging dat [minderjarige] in het pleeggezin nog steeds een fijne plek heeft. Ook is en wordt er nog steeds gewerkt aan het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Hoewel er daarin beslist stappen zijn gemaakt is de situatie op dat vlak erg kwetsbaar gebleken. De moeder blijkt voor [minderjarige] nog steeds moeilijk emotioneel bereikbaar. Ook kan niet met zekerheid worden gesteld dat de contacten tussen de moeder en [minderjarige] altijd in het belang zijn van [minderjarige] . Dit maakt dat in het belang van [minderjarige] de voortgang daarvan door de GI gemonitord moet kunnen blijven worden en zij daarover regie kan blijven uitoefenen. Daarbij komt dat de hulpverlening voor [minderjarige] zich in een pril stadium bevindt, wat evenzeer geldt voor zijn dagbesteding. De kinderrechter acht het daarnaast in het belang van [minderjarige] , rekening houdend met zijn naderende meerderjarigheid, dat de GI oog blijft houden voor wat [minderjarige] ook na zijn 18e nog aan (extra) hulpverlening nodig heeft.\n\n7.4.. De GI heeft de kinderrechter tevens verzocht zich uit te laten over het vastgestelde perspectiefbesluit, dat op 4 mei 2026 door de kinderrechter is ontvangen. De kinderrechter merkt hierover allereerst op dat het nemen van een perspectiefbesluit in beginsel tot de bevoegdheid van de GI behoort. De wet voorziet niet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. De kinderrechter kan het besluit niet bekrachtigen of vernietigen. Wel kan een perspectiefbesluit aan het rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. Nu het doel van een uithuisplaatsing in beginsel het toewerken naar een thuisplaatsing is en in het voorliggende opvoedbesluit is vastgesteld dat het perspectief niet langer bij de moeder, maar bij het huidige pleegezin ligt, is het doel van het perspectiefbesluit strikt genomen strijdig met het doel van de uithuisplaatsing. De kinderrechter zal zich om die reden uitlaten over het perspectiefbesluit.\n\n7.5.. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de zorgen die aanleiding waren voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] onverminderd aanwezig zijn. Alle omstandigheden en factoren, zoals hiervóór beschreven in rechtsoverweging 7.3, maken naar het oordeel van de kinderrechter dat het niet in het belang van [minderjarige] is om nog toe te werken naar een thuisplaatsing. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] dat hij duidelijkheid krijgt over zijn perspectief. Dit geeft hem rust en houvast en stelt hem in staat zich te richten op zijn eigen (toekomstige) ontwikkeling. Wel zal de hulpverlening aan [minderjarige] en aan de moeder worden voortgezet, zij het niet langer met het doel van terugplaatsing. Alles afwegende kan de kinderrechter zich vinden in het door de GI vastgestelde perspectief, inhoudende dat het perspectief van [minderjarige] bij het pleeggezin ligt.\n\n7.6.. Met inachtneming van het vorenstaande zal de kinderrechter de ondertoezicht-stelling van [minderjarige] verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 4 april 2027. Ook zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 4 april 2027.7.7.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n7.8.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n8. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n8.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 20 mei 2026 tot 4 april 2027;\n\n8.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 20 mei 2026 tot 4 april 2027;8.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:260 BW.\n\n Artikel 1:265c, tweede lid, BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5392","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.932Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":80,"summary":24,"language":7,"source":39,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":42,"updatedAt":82},"382","ECLI:NL:RBZWB:2026:5394","ecli-nl-rbzwb-2026-5394","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447333 \u002F JE RK 26-678\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\nlocatie Etten-Leur,\n\nhierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI)\n\nover\n\n [minderjarige],\n\ngeboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbende aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\n [de tante (moederszijde] ,\n\nhierna te noemen de tante (moederszijde),\n\nwonende te [woonplaats] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 april 2026;\n\nde brief van [minderjarige] , ontvangen op 11 mei 2026;\n\nde brief van de GI, ontvangen op 13 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader;\n\n- een vertegenwoordiger van de GI.\n\nHoewel daartoe correct opgeroepen is de tante (moederszijde) niet verschenen.1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft een brief geschreven aan de kinderrechter. Hierin heeft hij verteld dat hij het fijn vindt bij zijn tante (moederszijde). Zij is erg lief voor hem. Hij speelt graag met zijn neef [persoon] en met alle vriendjes uit de buurt.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De moeder is overleden.\n\n2.2.. \n [minderjarige] verblijft sinds 8 januari 2026 bij zijn tante (moederszijde).\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 augustus 2025, verbeterd bij beschikking van 4 september 2025, [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld tot 21 mei 2026.\n\n2.4.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 januari 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 21 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.\n\n3.2.. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Namens de GI is ter toelichting op de verzoeken, samengevat, het volgende aangevoerd. Het gaat goed met [minderjarige] sinds hij bij zijn tante (moederszijde) woont. Hij maakt grote stappen in zijn ontwikkeling. Op school gaat het goed en daarnaast is hij weer gestart met zwemles. De GI heeft aangegeven de vader graag mee te nemen in de ontwikkeling van [minderjarige] , maar dat dit onder de huidige omstandigheden lastig verloopt. De GI heeft voorts naar voren gebracht dat er grote zorgen bestaan over het drugsgebruik van de vader. Volgens de GI toont de vader onvoldoende inzicht in de gevolgen van zijn middelengebruik voor zijn beschikbaarheid en zijn opvoedrol, ondanks herhaaldelijke uitleg en informatie vanuit de hulpverlening. Daarnaast zijn de afspraken die betrekking hadden op de voorwaarden voor een eventuele terugplaatsing van [minderjarige] niet consequent nageleefd. Om die reden blijven de zorgen over de vader bestaan. Volgens de GI is het van belang dat de vader de ernst van zijn middelengebruik erkent en zich laat behandelen. De GI betreurt het dat de vader zich gedurende de periode waarin hij van de burgemeester zijn woning niet kon betreden, niet heeft laten opnemen voor behandeling terwijl dit hem door de GI is aangeboden. Daarnaast is de vader op 8 mei 2026 opnieuw aangehouden door de politie, omdat hij in het bezit zou zijn geweest van een hoeveelheid drugs. De GI heeft verder aangegeven dat de vader weliswaar verbetering belooft, maar dat hij dit in het verleden vaker heeft gedaan zonder dat dit tot duurzame verandering heeft geleid. Het is daarom van belang dat de vader zich eerst richt op zijn eigen problematiek en een detox- en behandeltraject volgt voor zijn middelengebruik en onderliggende problematiek, zoals trauma en depressieve klachten, bij een gespecialiseerde instelling. Tevens dient hij zich te houden aan de voorwaarden die door de GI zijn opgesteld. Pas wanneer sprake is van aantoonbaar herstel en blijvende abstinentie kan volgens de GI worden beoordeeld of een terugplaatsing van [minderjarige] mogelijk en verantwoord is. Voor [minderjarige] is het op dit moment van essentieel belang dat hij rust, structuur en emotionele veiligheid ervaart, hetgeen hij volgens de GI bij zijn tante (moederszijde) krijgt.\n\n4.2.. De vader heeft aangegeven dat hij sinds 8 mei 2026 in detentie verblijft, omdat er drugs in zijn auto zijn aangetroffen. Deze bevonden zich in de tas van zijn vriendin. Volgens de vader was hij hiervan niet op de hoogte. Hij heeft aangegeven hiervan erg te balen, omdat het naar zijn zeggen juist weer beter met hem ging. De vader heeft verklaard dat hij recent was gestart bij Novadic-Kentron, dat zijn taakstraf liep en dat het contact met de jeugdbeschermer weer op gang was gekomen. Hij erkent dat hij in het verleden veel in aanraking is gekomen met drugs, maar stelt dat dit momenteel niet meer aan de orde is. Verder heeft de vader aangegeven dat hij graag de kans wil krijgen om te bewijzen dat hij geen drugs meer gebruikt, desnoods door middel van drugstesten. Hij kan zich vinden in de verzoeken, omdat dit hem naar eigen zeggen de gelegenheid biedt om aan zichzelf te werken. Daarbij heeft hij verklaard dat hij hulp nodig heeft en deze hulp ook zal accepteren. Tot slot heeft de vader aangegeven dat de voorwaarden voor een eventuele terugplaatsing van [minderjarige] , zoals door de GI beschreven in haar brief van 19 maart 2026, voor hem duidelijk zijn.\n\n5. De beoordeling\n\nWat zegt de wet\n\n5.1.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\n5.2.. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:\n\nde zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;\n\nde verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.\n\n5.3.. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling , op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.\n\n5.4.. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\nInhoudelijke beoordeling verlenging ondertoezichtstelling\n\n5.5.. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is gebleken dat [minderjarige] nog steeds zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De kinderrechter maakt zich daarbij ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de vader. Deze zorgen hangen samen met de al langere tijd bestaande middelenproblematiek van de vader en de daarmee samenhangende omstandigheden. Er zijn vanuit zijn woonomgeving meerdere meldingen bij de politie gedaan in verband met overlast en vermoedens van drugsgebruik en drugshandel. Op 8 januari 2026 is de vader aangehouden na een politie-inval in zijn woning, waarbij (een grote hoeveelheid) drugs zijn aangetroffen. Daarnaast is de vader op 16 mei 2026 opnieuw aangehouden op de A16 wegens het in ieder geval in zijn auto aanwezig hebben van drugs. De kinderrechter vindt voldoende aannemelijk dat er sprake is van ernstige en langdurige problematiek rondom middelengebruik, waarvoor gespecialiseerde behandeling noodzakelijk is. Daarbij geldt dat de vader tot op heden onvoldoende inzicht toont in de gevolgen van zijn middelengebruik voor zijn functioneren, zijn beschikbaarheid als opvoeder en de veiligheid en stabiliteit die [minderjarige] nodig heeft.\n\n5.6.. Hoewel de vader ter zitting heeft aangegeven hulp te willen accepteren en aan zijn problematiek te willen werken, bevindt hij zich nog nauwelijks aan het begin van een behandeltraject. Van een stabiele gedragsverandering of duurzame abstinentie is nog geen sprake. De kinderrechter is van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet kan worden weggenomen binnen een vrijwillig kader. Eerder is gebleken dat de hulpverlening onvoldoende van de grond kwam zonder inzet van het gedwongen kader.\n\n5.7.. Dit betekent dat aan de wettelijke vereisten is voldaan. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] dan ook verlengen voor de verzochte duur van een jaar, te weten tot 21 mei 2027.\n\nInhoudelijke beoordeling verlenging uithuisplaatsing\n\n5.8.. \n [minderjarige] verblijft momenteel bij zijn tante (moederszijde). Het gaat goed met hem op deze plek. Hij laat een positieve ontwikkeling zien, functioneert beter op school en gaat weer naar zwemles. De kinderrechter vindt het van groot belang dat deze positieve ontwikkeling wordt voortgezet in een stabiele en veilige omgeving. Op dit moment is de vader niet in staat om [minderjarige] die noodzakelijke stabiliteit en veiligheid te beiden. Daarbij weegt mee dat sprake is van aanhoudende middelenproblematiek, regelmatig politiecontacten en het uitblijven van een duurzame gedragsverandering. Daarnaast verblijft vader momenteel in detentie, waardoor [minderjarige] op dit moment feitelijk niet bij hem kan wonen. De door de GI bij brief van 19 maart 2026 gestelde voorwaarden voor een eventuele terugplaatsing zijn helder, maar worden door de vader onvoldoende nageleefd.\n\n5.9.. \n\nGelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De huidige plaatsing bij zijn tante (moederszijde) biedt rust, structuur en emotionele veiligheid die hij nodig heeft.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.10.. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5.11.. Dit leidt tot de volgende beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;\n\n6.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5394","2026-07-13T00:28:26.975Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":87,"summary":24,"language":7,"source":39,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":42,"updatedAt":89},"388","ECLI:NL:RBZWB:2026:5386","ecli-nl-rbzwb-2026-5386","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447768 \u002F JE RK 26-767\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige] ,geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\n [de vader] ,\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat mr. T. van Riel uit Breda.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader met zijn advocaat;\n\n- de moeder;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI fungerend als tijdelijk jeugdbeschermer in deze zaak.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] woont bij zijn moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 21 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\nDe GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. Het standpunt van de GI\n\n4.1.. Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat [minderjarige] sinds 8 juli 2025 begeleiding ontvangt via [hulpverlening 1] , waarbij gewerkt wordt aan emotieregulatie en gedragsontwikkeling. [minderjarige] laat in sociale situaties groei zien qua zelfvertrouwen en contact met leeftijds-genoten, al blijven nieuwe en onbekende situaties soms nog spannend voor hem. Ook is gebleken dat de ouders en de BSO zorgen hebben over het gedrag van [minderjarige] , met name rondom momenten van spanning en agressieregulatie problemen, nu tijdens observaties op de BSO zichtbaar is geworden dat [minderjarige] ’s gedrag wisselend is en hij moeite heeft met het reguleren van zijn emoties binnen groepssituaties. Eerder is door [zorgaanbieder] hechtingsproblematiek bij [minderjarige] vastgesteld en zijn er daarnaast signalen waargenomen duidend op onverwerkte trauma’s binnen het gezinssysteem. Daarvoor is nog hulpverlening nodig.\n\n4.2.. \n\nEr is sprake van aanhoudende spanningen tussen de ouders en onrust binnen hun beide zorg- en opvoedsituaties. Hulpverlenende instantie [hulpverlening 2] , die bij de vader betrokken is, heeft aangegeven dat er regelmatig piekmomenten zijn, waarbij de spanningen tussen de gezinsleden oplopen van code oranje naar donkerrood. [minderjarige] wordt daarmee geconfronteerd, hij laat blijken dat hij last heeft van de onrust en alle conflicten. Ook voelt hij zich niet altijd gezien en gehoord. In een gesprek met de jeugdbeschermer op 20 april 2026 heeft [minderjarige] daarover aangegeven dat hij het vervelend vindt dat er in zowel de thuissituatie bij de moeder als bij de vader veel ruzies zijn en dat dit hem verdrietig maakt.\n\n [minderjarige] laat nadrukkelijk zien dat hij kampt met een loyaliteitsconflict en geeft tegelijkertijd aan behoefte te hebben aan duidelijkheid, getuige zijn wens voor een omgangsregeling, waarbij hij de ene week bij zijn moeder en de andere week bij zijn vader is. De GI acht in het belang van [minderjarige] aangewezen dat in de komende tijd daaraan gewerkt wordt.\n\n4.3.. De samenwerking tussen de ouders is beperkt en wisselend van aard. Er is nog steeds onvoldoende constructieve communicatie, met name op het gebied van afstemming rondom de zorg voor [minderjarige] en praktische zaken. De opvoedsituatie bij de vader laat betrokkenheid en motivatie zien, wat niet wegneemt dat er nog ondersteuning nodig is in het bieden van structuur en begrenzing. Vader stelt zich daar voor open. Ook formuleert hij hulpvragen, waaronder uitbreiding van de omgang, ondersteuning in de samenwerking met de moeder (in het kader van complexe scheidingsproblematiek), traumabehandeling voor [minderjarige] en opvoedondersteuning voor zichzelf. Het ontbreekt echter nog steeds aan voldoende zicht op de opvoedsituatie bij de moeder. Daarbij komt dat wegens het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer de ondertoezichtstelling in het afgelopen jaar onvoldoende tot uitvoering is gekomen en daardoor de noodzakelijke hulpverlening niet is opgestart of onvoldoende van de grond is gekomen. Inmiddels is er, in afwachting van de benoeming van een vaste jeugdbeschermer, een tijdelijke jeugdbeschermer actief en is Sterk Huis benaderd om ervoor te zorgen dat [minderjarige] en de ouders (aanvullende) passende hulpverlening zullen krijgen. Waar [minderjarige] zich al volledig openstelde voor hulpverlening geldt dit in mindere mate voor de beide ouders. Ook hierin dienen er nog stappen te worden gemaakt.\n\n4.4.. \n\nEen verlenging van de ondertoezichtstelling acht de GI noodzakelijk, gezien de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] , om onder regie van de jeugdbeschermer de benodigde hulpverlening alsnog in te (kunnen) zetten en te borgen, daarbij ook rekening houdend met de omstandigheid dat de ouders op dit moment onvoldoende in staat zijn om zelfstandig de zorgen in relatie tot [minderjarige] ’s ontwikkeling weg te nemen. In het kader van de ondertoezichtstelling dient gewerkt te (blijven) worden aan:\n\n- regievoering over de ingezette en nog in te zetten hulpverlening en de situatie\n\n rondom [minderjarige] ;\n\n- het waarborgen van de continuïteit van het contact tussen de vader en [minderjarige] ;\n\n- het ondersteunen en sturen van de ouders in de onderlinge communicatie en\n\n samenwerking;\n\n- het houden van zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] en het tijdig bijsturen waar\n\n nodig;\n\n- het (blijven) inzetten van passende hulpverlening, waaronder traumagerichte\n\n ondersteuning.\n\n5. Het standpunt van [minderjarige]\n\n heeft - samengevat - verklaard dat sinds zijn ouders niet meer bij elkaar wonen er vrijwel geen ruzies meer zijn. Wel zijn er soms nog conflicten tussen zijn moeder en haar partner. Verder heeft hij bemerkt dat zijn vader soms teveel drinkt. [minderjarige] vervolgt dat hij een hulpverlener heeft bij wie hij zijn verhaal kwijt kan over wat hij wel en niet prettig vindt. Hij zou graag zien dat die hulpverlening wordt voortgezet, mede omdat hij soms nog last heeft van agressie in de vorm van slaan en vooral schreeuwen. Dit heeft ook te maken met vroeger pestgedrag op school. Sinds hij op een andere school zit is er geen sprake meer van pesten. Op de vraag wat voor cijfer hij aan zijn huidige leven zou geven antwoordt [minderjarige] “een dikke 9,5”. Dit zou volgens hem zeker een 10 kunnen worden indien hij afwisselend een week bij zijn vader en een week bij zijn moeder zou kunnen wonen, wat zijn grootste wens is.\n\n6. De standpunten van de ouders\n\n6.1. De moeder heeft opgemerkt dat zij veel moeite heeft met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Dit met name omdat zij heeft ervaren dat de jeugdbescherming in het afgelopen jaar voor haar niet bereik- of beschikbaar was in situaties waarin zij zich oprecht zorgen maakte over de ontwikkeling van [minderjarige] . Dit heeft ertoe geleid dat zij geen of weinig vertrouwen in de jeugdbescherming heeft. Daarbij speelt ook een rol dat zij inmiddels al meermalen bij telkens een andere jeugdbeschermer opnieuw haar verhaal heeft moeten doen. Het feit dat er inmiddels een tijdelijke jeugdbeschermer actief is maakt dit voor haar niet anders.\n\n6.2.. Door en namens de vader is naar voren gebracht dat, ondanks dat [minderjarige] aan zijn leven een 9,5 geeft er nog steeds zorgen zijn rondom zijn ontwikkeling. Daarom is de vader blij dat er een tijdelijke jeugdbeschermer actief is die voortvarend te werk gaat en in wie hij vertrouwen heeft. Ook zal er nu daadwerkelijk hulpverlening worden opgestart. Hij hoopt dat er met die hulpverlening ook stappen gemaakt zullen kunnen worden voor wat betreft het komen tot meer structuur en continuïteit in het contact tussen hem en [minderjarige] . De vader stelt zich volledig open voor de hulpverlening, ook als dat betekent dat de jeugdbeschermer bij hem thuis komt om zicht te krijgen op de zorg- en opvoedsituatie. Dit maakt dat hij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling kan staan.\n\n7. De beoordeling\n\n7.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n7.2.. \n [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] is opgegroeid binnen een spanningsvolle opvoedsituatie, waar hij veelvuldig is blootgesteld aan escalaties tussen de ouders. Hoewel deze escalaties sinds de scheiding van de ouders zijn afgenomen is er nog steeds sprake van een verstoorde dynamiek en oudercommunicatie. Ook hebben beide ouders over en weer zorgen over elkaars zorg- en opvoedsituaties, die zij naar elkaar niet bespreekbaar weten te maken. [minderjarige] is daar tussenin komen te staan en kampt daardoor met een loyaliteitsconflict. Ook is hij gedragsproblemen gaan vertonen. Daarbij komt dat de vader ongeneeslijk ziek is en dit ongetwijfeld ook zijn weerslag heeft op [minderjarige] en zijn ontwikkeling. [minderjarige] krijgt inmiddels begeleiding geboden via [hulpverlening 1] , waarbij wordt gewerkt aan emotieregulatie en gedragsontwikkeling. Hoewel hij daarmee stappen maakt zijn er nog steeds zorgen rondom zijn gedrag en het omgaan met emoties en dient daaraan gewerkt te (blijven) worden. Ook kon er wegens het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer in het afgelopen jaar onvoldoende uitvoering worden gegeven aan de ondertoezichtstelling, waardoor niet alle hulpverlening (tijdig) kon worden opgestart.\n\n7.3.. Sinds er een tijdelijke jeugdbeschermer actief is in afwachting van een nog aan te stellen vaste jeugdbeschermer is er concreet zicht op (aanvullende) hulpverlening voor [minderjarige] en ook voor de ouders door Sterk Huis. Gebleken is dat [minderjarige] zich volledig openstelt voor de hulpverlening. Ook de vader heeft zich bereid verklaard om aan alle benodigde hulpverlening mee te werken. Van belang is dat dit ook voor de moeder gaat gelden. De kinderrechter acht het ten slotte zeer van belang, ter voorkoming dat er een tussentijds gat in het hulpverleningstraject en de regievoering daarover ontstaat, dat de tijdelijke jeugdbeschermer ook werkelijk actief blijft totdat er een vaste jeugdbeschermer zal zijn aangesteld.\n\n7.4.. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.\n\n7.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n8. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n8.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;8.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:260 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5386","2026-07-13T00:28:27.256Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":94,"summary":24,"language":7,"source":39,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":42,"updatedAt":96},"389","ECLI:NL:RBZWB:2026:5395","ecli-nl-rbzwb-2026-5395","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446171 \u002F JE RK 26-467\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\nlocatie Etten-Leur,\n\nhierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),\n\nover\n\n [minderjarige],\n\ngeboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\n [de pleegouders],\n\nhierna te noemen de pleegouders,\n\nwonende in [woonplaats] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026;\n\nhet perspectiefbesluit, ontvangen op 16 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij was aanwezig een vertegenwoordiger van de GI.\n\nHoewel de moeder, de vader en de pleegouders correct zijn opgeroepen, zijn zij niet ter zitting verschenen. De pleegouders hebben de rechtbank voorafgaand aan de zitting per brief laten weten niet aanwezig te zullen zijn.\n\nDe kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige] is erkend door de vader.\n\n2.2.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft bij zijn pleegouders, zijnde de grootouders vaderszijde.\n\n2.4.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 22 mei 2025 tot 22 mei 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, namelijk bij de grootouders vaderszijde met ingang van 22 mei 2025 tot 22 november 2025.\n\n2.5.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 november 2025 de voormelde machtiging verlengd [minderjarige] tot 22 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\nDe GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Ter onderbouwing van de verzoeken voert de GI, samengevat, het volgende aan. Volgens de GI is het van belang dat beide maatregelen worden verlengd. De gestelde doelen zijn nog niet behaald en hier dient de komende tijd verder aan gewerkt te worden. De GI vindt systeemtherapie noodzakelijk, zodat [minderjarige] een onbelast contact kan hebben met beide ouders. Deze hulpverlening kan echter pas worden ingezet wanneer [minderjarige] daaraan toe is. Daarnaast is het van belang dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt over zijn toekomstperspectief. Om die reden is onderzoek verricht door [hulpverlening] . Het advies is om het toekomstperspectief van [minderjarige] bij de pleegouders te bepalen. De GI volgt dit advies. [minderjarige] is recent gestart met therapie en ziet hiervan de meerwaarde in. Positief is dat hij steeds beter in contact komt met zijn gevoelens. Daarnaast heeft [minderjarige] aangegeven niet meer bij zijn ouders te willen wonen. De GI heeft verder naar voren gebracht dat [minderjarige] gemotiveerd is om aan zichzelf te werken, maar dat hij tegelijkertijd hinder ervaart van het feit dat zijn ouders onvoldoende in staat zijn om aan hun eigen problematiek te werken. Ten aanzien van de vader heeft de GI naar voren gebracht dat hij momenteel niet in staat wordt geacht om voor [minderjarige] te zorgen, mede vanwege zijn alcoholverslaving. Daarnaast is de relatie tussen de moeder en [minderjarige] dermate verstoord dat een thuisplaatsing bij haar eveneens niet mogelijk is. De pleegouders zijn in staat en bereid om langdurig voor [minderjarige] te zorgen. Volgens de GI kan de moeder zich niet verenigen met het perspectiefbesluit. Zij heeft aangegeven zich dan volledig terug te trekken, maar staat wel open voor een kennismakingsgesprek met de jeugdzorgwerker. Het standpunt van de vader ten aanzien van het perspectiefbesluit is bij de GI onbekend. De GI volhardt in haar verzoeken, ook voor wat betreft de toetsing van het perspectiefbesluit. Voor de onderbouwing van dit besluit wordt verwezen naar de inhoud hiervan\n\n4.2.. \n [minderjarige] heeft tegen de kinderrechter gezegd dat hij het eens is met de verzoeken van de GI. Hij heeft meer rust bij zijn pleegouders en wil bij hun graag blijven wonen. [minderjarige] wil niet meer bij zijn moeder wonen omdat zij met elkaar veel ruzie hebben. Hij wil eveneens niet bij zijn vader wonen want hij drinkt te veel alcohol. Recent is [minderjarige] gestart met PMT en dat gaat goed.\n\n5. De beoordeling\n\nWat zegt de wet\n\n5.1.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\n5.2.. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:\n\nde zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;\n\n. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.\n\n5.3.. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.\n\n5.4.. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\nInhoudelijke beoordeling verlenging ondertoezichtstelling\n\n5.5.. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat [minderjarige] nog steeds zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er is sprake van langdurige zorgen over de opvoedsituatie, waarbij [minderjarige] is belast met ingrijpende gebeurtenissen, wisselingen in woon- en opvoedsituaties en spanningen tussen de ouders. De ouders zijn op dit moment onvoldoende in staat om [minderjarige] de benodigde stabiliteit, veiligheid en continuïteit te bieden. De noodzakelijke hulpverlening is binnen het vrijwillige kader onvoldoende van de grond gekomen. De kinderrechter vindt daarom een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk.\n\nInhoudelijke beoordeling verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n5.6.. \n [minderjarige] verblijft inmiddels geruime tijd bij de pleegouders. Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat hij daar rust, stabiliteit en veiligheid ervaart. Het gaat goed met hem binnen deze opvoedsituatie en hij heeft aangegeven daar verder te willen opgroeien. Gelet op de nog altijd aanwezige zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders en de belastende dynamiek binnen de thuissituatie, is de kinderrechter van oordeel dat een terugplaatsing naar een van de ouders niet in het belang van [minderjarige] is.\n\nPerspectiefbesluit\n\n4.7.. De GI heeft daarnaast verzocht dat de kinderrechter het perspectiefbesluit toetst. De kinderrechter stelt voorop dat het nemen van een perspectiefbesluit in beginsel tot de bevoegdheid van de GI behoort. De wet voorziet niet in een zelfstandige rechtsingang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de kinderrechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. Hij kan het besluit niet bekrachtigen of vernietigen. Wel kan een perspectiefbesluit aan het rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. Nu het doel van een uithuisplaatsing in beginsel is gericht op terugplaatsing naar (een van) de ouders, terwijl de GI in het perspectiefbesluit heeft vastgesteld dat het perspectiefbesluit van [minderjarige] niet langer bij de ouders maar in het gezin van de pleegouders ligt, ziet de kinderrechter aanleiding zich hierover uit te laten.\n\n5.8.. De kinderrechter vindt het perspectiefbesluit voldoende onderbouwd. Daarbij neemt hij in aanmerking dat de zorgen die aanleiding hebben gegeven tot de uithuisplaatsing nog steeds volop aanwezig zijn. [minderjarige] heeft gedurende langere tijd instabiliteit en onveiligheid in zijn opvoedsituatie ervaren, onder meer door wisselingen tussen de ouders en conflicten binnen de gezinssituatie. Sinds eind oktober 2024 verblijft hij bij de pleegouders, aanvankelijk als tijdelijke oplossing na een escalatie met de moeder. Inmiddels is gebleken dat [minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid, rust en continuïteit en niet meer terug wil keren naar de moeder. Verder is gebleken dat de vader onvoldoende in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Ook de relatie tussen de moeder en [minderjarige] is ernstig beschadigd geraakt door de vele escalaties in het verleden. [minderjarige] wordt hierdoor belast met spanningen tussen volwassenen en ervaart onvoldoende veiligheid. Uit de screening van het pleeggezin volgt dat de grootouders in staat zijn aan te sluiten bij de behoefte van [minderjarige] . [hulpverlening] heeft geadviseerd dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders is, wat betekent dat hij het beste alhier kan opgroeien. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de pleegouders en ervaart daar rust en stabiliteit.\n\n5.9.. Tegelijkertijd bestaan nog altijd ernstige zorgen over de persoonlijke situatie van zowel de moeder als de vader. Hun eigen problematiek speelt nog steeds een grote rol in hun leven. [minderjarige] ervaart dat hij zelf stappen zet in zijn ontwikkeling, terwijl hij het gevoel heeft dat zijn ouders onvoldoende toekomen aan het werken aan hun eigen problematiek. Hij ondervindt hiervan spanning en belasting. Ook de GI signaleert deze zorgen.\n\n5.10.. De kinderrechter overweegt dat, gelet op al deze omstandigheden, nog veel zal moeten veranderen en zal moeten worden ingezet voordat gedacht kan worden aan het toewerken naar een thuisplaatsing. De verwachting is echter niet dat de situatie van de moeder of de vader binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn voldoende zal verbeteren. Het is daarom niet in het belang van [minderjarige] om nog toe te werken naar een thuisplaatsing. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] dat hij duidelijkheid krijgt over zijn perspectief. Dit geeft hem rust en stelt hem in staat zich te richten op zijn eigen ontwikkeling. Deze behoefte aan duidelijkheid wordt bovendien onderschreven door onder meer [hulpverlening] , de Raad en de GI. Eerder heeft de Raad al (in mei 2025) aangegeven dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] zes maanden zou zijn. Alles afwegende kan de kinderrechter zich vinden in het door de GI vastgestelde perspectief, inhoudende dat het perspectief van [minderjarige] bij het gezin van de pleegouders ligt en dus niet bij (een van) de ouders.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.11.. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 22 mei 2026 tot 22 mei 2027;\n\n6.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 22 mei 2026 tot 22 mei 2027;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5395","2026-07-13T00:28:27.306Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":101,"summary":24,"language":7,"source":39,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":42,"updatedAt":103},"385","ECLI:NL:RBZWB:2026:5385","ecli-nl-rbzwb-2026-5385","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446128 \u002F JE RK 26-453\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\nlocatie Etten-Leur,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).\n\nover\n\n [minderjarige 1],\n\ngeboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2],\n\ngeboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 maart 2026;\n\nhet e-mailbericht van [minderjarige 1] , ontvangen op 12 mei 2026.\n\n1.2.. \n\nDe zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026.\n\nDaarbij waren aanwezig:\n\n- de vader;\n\n- de moeder;\n\n- twee vertegenwoordigsters van de GI.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft namens zichzelf en zijn broertje [minderjarige 2] een brief geschreven. Hierin heeft hij, kort samengevat, naar voren gebracht dat hij het belangrijk vindt dat hulpverlening voor hem en zijn ouders beschikbaar blijft, maar dat deze hulpverlening niet op een dwingende wijze wordt ingezet. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij de afgelopen periode druk heeft ervaren, mede doordat werd gesproken over een mogelijke uithuisplaatsing of opname, waarbij hij zich niet prettig voelde. Volgens [minderjarige 1] dient meer rekening te worden gehouden met zijn persoonlijke behoeften en tempo, in plaats van met tijdsdruk.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. \n\n [minderjarige 1] woont volledig bij de moeder. [minderjarige 2] verblijft de ene week bij de moeder en\n\nde andere week bij de vader.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij (nadere) beschikking van 21 oktober 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI gesteld tot 21 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid en die van [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Door de GI is in aanvulling op de schriftelijke verzoeken het volgende naar voren gebracht. Er is in de afgelopen periode sprake geweest van een bewogen uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het gezin heeft gedurende enkele maanden op een monitoringslijst gestaan, omdat er in het begin geen jeugdbeschermer beschikbaar was. Rond oktober 2025 is de huidige jeugdbeschermer vanuit het provinciaal jeugdzorgteam betrokken geraakt. Zij heeft onder andere hulpverlening ingezet zoals [hulpverlening 1] en GGZ. Daarnaast is het Regionaal Expertise Team (RET) geconsulteerd vanwege de complexiteit van de situatie. Ondanks de ingezette hulpverlening zijn de gestelde doelen nog onvoldoende behaald. Volgens de GI is daarom meer tijd en verdere inzet van hulpverlening noodzakelijk om verdere stappen te kunnen zetten. Zij heeft hierbij vooral een coördinerende en toezichthoudende rol gehad en zet waar nodig passende hulpverlening in. Zij is van mening dat zonder tussenkomst van derden het de ouders op dit moment onvoldoende lukt om de situatie zelfstandig te verbeteren. Ten aanzien van [minderjarige 1] geeft de GI aan dat het wisselend met hem gaat. [minderjarige 1] is uitgevallen op school en heeft last van paniekklachten, angsten, slecht slapen en van snelle overprikkeling. Daarbij piekert hij veel waardoor hij geen ruimte ervaart om aan zijn ontwikkeling te werken. Ondanks de inzet van GGZ is er nog onvoldoende resultaat. Voor [minderjarige 1] is het zoekende welke hulp het beste passend en helpend is. Verder is het van belang te benoemen dat [minderjarige 1] bijna meerderjarig is. In dat kader moet volgens de GI nadrukkelijk rekening worden gehouden met zijn autonomie en eigen regie. [minderjarige 1] heeft aangegeven behoefte te hebben aan hulpverlening in zijn eigen tempo en ervaart druk wanneer hij te veel wordt gepusht. In die zin is de strekking van de brief van [minderjarige 1] niet verrassend. Door het RET is over de wensen van [minderjarige 1] geadviseerd om het ingezette tempo te verlagen en meer rust in het traject te brengen. Met betrekking tot [minderjarige 2] is [hulpverlening 2] ingezet. Hij ervaart hier steun aan. Het is van belang dat de bij beiden hulpverlening wordt voortgezet.\n\n4.2.. Door de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat zij instemt met de verzoeken van de GI. Volgens de moeder is recent hulpverlening opgestart en is het van belang dat deze wordt gecontinueerd. [minderjarige 2] staat positief tegenover de hulpverlening. Ook [minderjarige 1] weet dat hij hulpverlening nodig heeft, mits deze niet als dwingend wordt ervaren, volgens de moeder gaat het momenteel niet goed met hem. Zij geeft aan dat dit mede is ontstaan door de druk die op hem werd gelegd. [minderjarige 1] gebruikt momenteel medicatie, waarvan het effect nog moet blijken, maar de verwachting is dat dit op termijn verbetering kan brengen. Verder heeft de moeder verklaard dat de belastbaarheid van [minderjarige 1] op dit moment nihil is en dat hij niet naar school gaat. Daarnaast heeft zij naar voren gebracht dat de oudercommunicatie tussen de ouders moeizaam verloopt.\n\n4.3.. De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij zich niet kan verenigen met de verzoeken van de GI. Volgens hem heeft de ondertoezichtstelling tot op heden niets concreets opgeleverd. Hij heeft een andere visie op de aanpak van de hulpverlening ten aanzien van [minderjarige 1] . Het ontbreekt [minderjarige 1] aan structuur, schoolgang, werk en duidelijkheid, hetgeen juist voor onrust zorgt. De vader kan zich niet vinden in het advies van RET, welk advies door de GI wordt gevolgd. Volgens hem leidt deze aanpak ertoe dat de situatie terugvalt naar het niveau van enkele jaren geleden. De vader is van mening dat [minderjarige 1] onvoldoende uit zichzelf en zonder sturing aan zijn ontwikkeling zal werken. Volgens de vader is het van belang dat [minderjarige 1] leert om ook dingen te doen die hij minder prettig vindt, zodat hij kan ervaren dat dit uiteindelijk tot positieve resultaten leidt. Er is sprake van vermijdende coping, waaraan gewerkt moet worden. [minderjarige 2] zou meer regie over zijn leven moeten krijgen. Hij kan geen keuzes maken omdat hij niet weet wat hij kan, heeft en mag. Verder begrijpt de vader niet waarom er geen hulpverlening wordt ingezet gericht op de communicatie tussen de ouders. Volgens hem gaat de hulpverlening ervan uit dat de ouders niet gezamenlijk in gesprek kunnen, terwijl dit nooit daadwerkelijk is geprobeerd en gebaseerd is op aannames. Tot slot heeft de vader aangegeven dat hij niet het gevoel heeft dat de ouders als gelijkwaardig worden behandeld. Er wordt een slecht beeld van hem geschetst, zowel door de moeder als door de hulpverlening.\n\n5. De beoordeling\n\nWat zegt de wet\n\n5.1.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\n5.2.. Volgens het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:\n\na. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;\n\nb. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.3.. De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds wordt voldaan aan de gronden voor de ondertoezichtstelling. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien nog altijd op in een onrustige opvoedsituatie, waarin zij worden belast met de voortdurende strijd tussen de ouders. De ouders verschillen van inzicht over de opvoeding en aanpak van hulpverlening. Het lukt hen niet of onvoldoende om gezamenlijk afspraken te maken en constructief met elkaar samen te werken in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast bestaan er zorgen over [minderjarige 1] . Hij is uitgevallen op school en kampt met paniekklachten, angsten, slaapproblemen en overprikkeling. Ondanks de reeds ingezette hulpverlening heeft dit tot op heden nog niet geleid tot het gewenste resultaat. De situatie van [minderjarige 1] vraagt daarom nog steeds om professionele betrokkenheid en begeleiding. Ten aanzien van [minderjarige 2] is inmiddels hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] ingezet. Deze hulpverlening richt zich enerzijds op begeleiding in de complexe situatie tussen zijn ouders en anderzijds op het versterken van zijn eigen stem en identiteit.\n\n5.4.. De kinderrechter vindt de verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om de reeds ingezette hulpverlening voor [minderjarige 2] te laten voortduren, zodat hij een veilige en onafhankelijke plek behoudt waar hij zijn verhaal kan doen en verder kan werken aan het versterken van zijn eigen positie. Voor [minderjarige 1] is het van belang dat wordt onderzocht welke vorm van hulpverlening het beste aansluit bij zijn behoeften, zodat hij weer tot ontwikkeling kan komen, ook hiervoor is de voortzetting van de maatregel noodzakelijk.\n\n5.5.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan onvoldoende worden weggenomen met hulpverlening in het vrijwillige kader. Eerder is gebleken dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende van de grond kwam. Daarbij hebben de ouders ieder een andere visie op de noodzakelijke hulpverlening en de wijze waarop deze dient te worden ingezet. De kinderrechter vindt het daarom van belang dat de GI de regie blijft voeren en toezicht houdt op de voortgang van de hulpverlening.\n\n5.6.. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlegen tot aan zijn meerderjarigheid, zijnde tot 24 oktober 2026, en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.7.. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5.8.. Dit leidt tot de volgende beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 21 mei 2026 tot 24 oktober 2026;\n\n6.2.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5385","2026-07-13T00:28:27.129Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":108,"summary":24,"language":7,"source":39,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":42,"updatedAt":110},"301","ECLI:NL:RBZWB:2026:5375","ecli-nl-rbzwb-2026-5375","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F448105 \u002F JE RK 26-824 (spoed)\n\n C\u002F02\u002F448114 \u002F JE RK 26-828 (regulier)\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\n(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\nlocatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),\n\nover de minderjarige:\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] ,\n\nadvocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools uit Breda.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. M. Czarnota uit Oosterhout,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [plaats 1] .\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:\n\nIn de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F448105 \u002F JE RK 26-824 (spoed):\n\n- de in deze zaak gegeven beschikking van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken;\n\nIn de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F448114 \u002F JE RK 26-828 (regulier):\n\n- de in deze zaak gegeven beschikking van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken;\n\n1.2. Op 19 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaken mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die gelegenheid zijn verschenen:\n\n- [minderjarige] en zijn advocaat, die apart met de kinderrechter hebben gesproken; [minderjarige] heeft de behandeling die aansluitend plaats vond niet bijgewoond;\n\n- de advocaat van [minderjarige] ;\n\n- de moeder;\n\n- een vertegenwoordiger namens de GI.\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\n2. De feiten2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2. \n\nBij beschikking van 7 oktober 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 3 november 2025 tot\n\n3 november 2026.\n\n2.3. Laatstelijk, bij de in deze zaak gegeven beschikking van 12 mei 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken, zijnde tot 26 mei 2026, onder aanhouding van het overige.\n\n2.4. Op grond van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] in [plaats 2] .\n\n3. De (resterende) verzoeken\n\nThans liggen de volgende resterende verzoeken nog ter beoordeling voor.\n\n3.1. \n\nDe GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in\n\neen gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de resterende duur van twee weken;\n\n3.2. \n\nDe GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van\n\n [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van zes\n\nmaanden.\n\n4. Het standpunt van de GI\n\n4.1.. \n\nTer onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan.\n\n [minderjarige] is een jongen van 15 jaar oud die bij zijn moeder en broertje in [plaats 3] woont. In\n\ndecember 2025 heeft er een intake met MST plaatsgevonden omdat hij al langere tijd\n\ngedragsproblemen laat zien. Hij is dagelijks verbaal agressief, gebruikt cannabis, verzuimt van school en\u002Fof werk, gaat regelmatig zonder toestemming van huis waardoor moeder niet weet waar hij is. [minderjarige] is eerder van school gestuurd vanwege zijn verbale agressie richting leraren die aangaven zich onveilig te voelen. Eerdere pogingen tot een vorm van dagbesteding liepen vast, onder andere door een verstoord dag- en nachtritme, overmatig gamen en veel conflicten tussen moeder en [minderjarige] . Moeder voelt zich overbelast en machteloos.\n\nDe MST-behandeling bij de Viersprong richtte zich op:\n\nHet verminderen van agressief en grensoverschrijdend gedrag van [minderjarige] .\n\nHet stoppen of verminderen van het cannabisgebruik.\n\nHet herstellen van structuur en deelname aan werk.\n\nHet versterken van de opvoedvaardigheden van moeder.\n\nHet verbeteren van de communicatie en onderlinge relaties binnen het gezin.\n\nTijdens de implementatie van de plannen raakt [minderjarige] ernstig ontregeld. Vervolgens heeft zich een incident voorgedaan (begin april) waarbij [minderjarige] fors grensoverschrijdend gedrag heeft laten zien richting de therapeut (vasthouden in huis onder bedreiging van een mes en het lek steken van haar autobanden). Hierbij zijn strafbare feiten gepleegd. Naar aanleiding hiervan is de behandeling tijdelijk ‘on hold’ gezet en na overleg met de moeder beëindigd..\n\n [minderjarige] is op 11 mei aangehouden door de politie i.v.m. het stelen van een scooter.\n\n [minderjarige] is op die scooter staande gehouden door de politie en is toen doorgereden. Er heeft een achtervolging plaatsgevonden en hij is alsnog meegenomen naar het politiebureau.\n\nDe politie heeft Jeugdbescherming Brabant gebeld met het bericht dat hij onhandelbaar is. Hij zegt o.a. zichzelf iets aan te gaan doen.\n\nGezien de combinatie van ernstig probleemgedrag, veiligheidsrisico’s voor de omgeving en\n\n [minderjarige] zelf, en het ontbreken van voldoende opvoedingsmogelijkheden in de thuissituatie, is\n\neen gesloten plaatsing noodzakelijk.\n\nTijdens de gesloten plaatsing zal in de eerste weken alles gericht zijn op afkoeling van [minderjarige] . Daarna dient aan zijn problematiek gewerkt te worden.\n\n4.2.. De gedragskundige concludeert dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen: Eerdere intensieve ambulante hulpverlening, waaronder MST, heeft ondanks inzet van moeder en betrokken hulpverlening onvoldoende geleid tot structurele veiligheid, begrenzing en gedragsverandering bij [minderjarige] . Daarbij blijft sprake van ernstige escalaties, agressief en grensoverschrijdend gedrag, suïcidale uitingen en het zich onttrekken aan gezag en hulpverlening, waardoor een gesloten setting momenteel noodzakelijk is om de veiligheid van [minderjarige] en zijn omgeving te waarborgen. De gedragskundige adviseert een termijn van drie maanden te hanteren en het verzoek voor de resterende termijn aan te houden.\n\n5. Het standpunt van belanghebbenden\n\n5.1. \n [minderjarige] vertelt de kinderrechter, samengevat, dat hij weer bij zijn moeder wil wonen. Hij ziet in dat hij zich soms moeilijk kan beheersen, maar ziet daar niet zo’n groot probleem in. [minderjarige] heeft een vriendinnetje. Zijn toekomstwens is dat hij gelukkig zal zijn in zijn familie leven.\n\n5.2. De moeder brengt naar voren dat er iets aan de situatie moet worden gedaan. Ingrijpen was noodzakelijk. Gevraagd naar de oorzaak wordt duidelijk verwoord dat structureel huiselijk geweld in de thuis situatie de achterliggende oorzaak vormt van het gedrag van [minderjarige] . [minderjarige] heeft daartoe dringend (trauma)behandeling nodig. Die zal in een niet gesloten kader niet van de grond komen. De moeder ondersteunt het verzoek. Zij is ook van mening dat zeker zes maanden nodig zullen zijn om [minderjarige] in een goed spoor te krijgen.\n\n5.4. Namens [minderjarige] voert mr. Groenhuis-Kools aan dat [minderjarige] zelf het liefst weer meteen terug wil keren naar zijn moeder. De realiteit is ook dat er sprake is van een uit de hand gelopen samenstel van gebeurtenissen waarin herstel en terugkeer naar een normaal patroon niet aan [minderjarige] zelf kunnen worden overgelaten. Ook het vrijwillig kader zal niet toereikend zijn. Een minimale termijn die nodig zal zijn om tot normalisering te geraken is de nog lopende termijn van de ondertoezichtstelling..\n\n6. De (nadere) beoordelingSpoedmachtiging gesloten jeugdhulp\n\n6.1. Bij voornoemde beschikking van 12 mei 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken en iedere verdere beslissing aangehouden.\n\n6.2. Het resterende deel van het spoedverzoek zal worden afgewezen aangezien de kinderrechter thans tevens zal beslissen op het reguliere verzoek gesloten plaatsing ten aanzien van [minderjarige] .\n\nReguliere machtiging gesloten jeugdhulp\n\n6.3. De kinderrechter dient de vraag te beantwoorden of een machtiging gesloten jeugdhulp gerechtvaardigd is. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet, kan een machtiging om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven alleen worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:\n\na. jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;\n\nb. de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en\n\nc. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.\n\n6.4. \n\nUit de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken, volgt dat bij [minderjarige] sprake is van een langdurig en ernstig patroon van gedrags- en opvoedingsproblematiek. Sinds langere tijd laat [minderjarige] forse gedragsproblemen zien, waaronder verbale en fysieke agressie, grensoverschrijdend gedrag, cannabisgebruik, school- en werkverzuim, weglopen van huis en het zich onttrekken aan gezag en hulpverlening. Eerdere hulpverleningstrajecten en vormen van dagbesteding\n\nzijn onvoldoende duurzaam gebleken. Het MST-traject heeft niet geleid tot voldoende stabiliteit en veiligheid. Zorgwekkend is dat gedurende het MST-traject ernstige escalaties hebben plaatsgevonden, waaronder het bedreigen van een therapeut met een mes en vernieling van eigendommen.\n\nDaarnaast hebben recent opnieuw ernstige incidenten plaatsgevonden, waaronder\n\nbetrokkenheid bij diefstal van een scooter, een politieachtervolging, suïcidale uitingen,\n\nfysieke agressie richting moeder en een escalatie waarbij politie, een onderhandelaar en een\n\narrestatieteam moesten worden ingezet. Deze gebeurtenissen laten zien dat sprake is van\n\nernstige emotieregulatieproblemen, agressieregulatieproblematiek en een sterk verhoogd\n\nrisico op verdere escalaties en mogelijk crimineel gedrag.\n\nDe moeder is niet in staat verandering bij [minderjarige] tot stand te brengen.\n\n6.5. Naar het oordeel van de kinderrechter is er een onhoudbare situatie ontstaan, waarbij sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren.\n\n6.6. De kinderrechter is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet. De kinderrechter deelt de ernstige zorgen van de GI en acht een machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk om de ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen, hem te beschermen en een verdere ontwikkelingsbedreiging af te wenden. De kinderrechter onderschrijft de visie van (de advocaat van) de moeder dat na een eerste periode van afkoeling bij de behandeling van [minderjarige] aandacht dient te zijn voor de geschiedenis van structureel ernstig huiselijk geweld waarin [minderjarige] heeft verkeerd, althans waarvan hij getuige is geweest.\n\nDuur van de machtiging\n\n6.7. De kinderrechter zal de machtiging gesloten jeugdhulp van [minderjarige] verlenen voor de duur van de nog lopende ondertoezichtstelling, derhalve tot 3 november 2026. Dit is niet conform het advies van de gedragswetenschapper, maar gelet op de ernst van de situatie en het gegeven dat alle ter zitting verschenen belanghebbenden doordrongen zijn van de noodzaak van een termijn die tenminste de nog lopende ondertoezichtstelling periode bestrijkt, zal de kinderrechter in dit specifieke geval het advies van de gedragswetenschapper niet opvolgen.\n\n6.8. De kinderrechter stelt vast dat het spoedverzoek op goede gronden is toegewezen, zodat de spoedbeslissing dus in stand blijft. Het resterende deel van het spoedverzoek zal worden afgewezen, nu daarin wordt voorzien door de beslissing op het regulier verzoek.\n\n6.9. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n7. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\nIn de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F448105 \u002F JE RK 26-824 (spoed)\n\n7.1. wijst het resterende deel van het verzoek strekkende tot een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp af;\n\nIn de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F448114 \u002F JE RK 26-828 (regulier):\n\n7.2. verleent een machtiging gesloten jeugdhulp van [minderjarige] met ingang van 26 mei 2026 tot 3 november 2026.\n\nDeze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 26 mei 2026.\n\nHoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:\n\n- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5375","2026-07-13T00:28:23.418Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":115,"summary":24,"language":7,"source":39,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":42,"updatedAt":117},"336","ECLI:NL:RBZWB:2026:5382","ecli-nl-rbzwb-2026-5382","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446423 \u002F JE RK 26-510\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1] ,geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2] ,geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbende aan:\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat mr. L.A.P. van Haperen uit Breda.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\n [de vader] ,\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. N. van Vliet uit Breda.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde moeder en haar advocaat;\n\nde vader en zijn advocaat;\n\neen vertegenwoordigster van de GI;\n\neen vertegenwoordigster van de Raad.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en.\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 mei 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 20 mei 2026.\n\n3. Het (gewijzigd) verzoek\n\n3.1.. De GI heeft oorspronkelijk verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting is het verzoek door de GI mondeling aldus gewijzigd, dat zij thans verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. \n\nGelet op de nauwe samenhang van deze zaak met de tussen de ouders bij deze rechtbank aanhangige bodemzaak met het kenmerk C\u002F02\u002F407666 \u002F FA RK 23-1360\n\nzijn deze zaken ter zitting gezamenlijk behandeld. In de beide zaken is bij separate beschikking beslist.\n\n4. Het standpunt van de GI\n\n4.1.. Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat er in totaal in 2024 acht begeleide contact-momenten hebben plaats gevonden tussen de kinderen en de vader. Ondanks dat die positief zijn verlopen hebben deze geen vervolg gekregen, omdat de moeder nog niet in staat is gebleken de kinderen voldoende emotionele ruimte te geven om het contact met de vader aan te gaan. De kinderen hebben nooit uitleg gekregen waarom het contact abrupt is gestopt. De moeder laat zien dat zij angst blijft houden dat de veiligheid van de kinderen in het gedrang komt als er contact is tussen hen en de vader. Het lukt haar tot op heden onvoldoende om deze angsten en spanningen bij de kinderen weg te houden. Door de betrokken hulpverlening zijn de bij de moeder aanwezige zorgen over de vader niet als zodanig vastgesteld of anderszins bevestigd. Alle betrokkenen, waaronder ook de Raad, zijn van opvatting dat het inschakelen van hulpverlening voor de moeder om haar te ondersteunen in het traject van contactherstel belangrijk is, waarbij er in dat kader ook wordt gewerkt aan het vergroten van haar draagvlak. Het wordt in het belang van de kinderen geacht dat zij de mogelijkheid krijgen om zich zelfstandig een vaderbeeld te kunnen vormen.\n\n4.2.. Gezien de jonge leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en omdat beide ouders nog een behoorlijke tijd als ouders van deze kinderen met elkaar te maken (zullen) hebben is het belangrijk dat beide kinderen daadwerkelijk gaan voelen dat hun ouders in staat zijn om in hun belang te handelen. Complicerend in dat verband is dat de ouders niet met elkaar communiceren. In de praktijk informeert de moeder de vader éénmaal in de zes weken kort via haar advocaat over de kinderen.\n\n4.3.. Er kon nog geen vaste jeugdbeschermer worden aangesteld. Wel is in afwachting daarvan de huidige jeugdbeschermer betrokken, die de regie voert over de ingezette en nog in te zetten hulpverlening en gesprekken voert met de ouders en met de kinderen. Gezien wordt bij [minderjarige 2] dat zij een vrolijk meisje is, dat met plezier naar haar moeder en partner gaat. [minderjarige 2] ziet er verzorgd uit, zij praat niet over haar vader. De leerkracht signaleert bij [minderjarige 2] geen veranderd of zorgelijk gedrag. [minderjarige 1] wordt door school omschreven als een heerlijk vrolijk mannetje. Hij let goed op en doet erg zijn best. Hij heeft geen problemen met andere kinderen. Hij praat op school nooit over zijn vader. Wel was hij recent erg van slag toen zijn vader in beeld kwam wegens een gesprek met de Raad voor de Kinderbescherming.\n\n4.4.. Gezien wordt dat beide ouders de intentie hebben het belang van de kinderen voorop te stellen en zich in te willen zetten in het kader van de ondertoezichtstelling. Echter staan hun visies over hun relatie en de breuk lijnrecht tegenover elkaar. De vader laat blijken het eens te zijn met de voorwaarden en doelen van de ondertoezichtstelling en met de inzet van hulpverlening. Hij geeft ook aan niet goed te weten wat hij kan verwachten, aangezien er al zo veel is gebeurd en gezegd. Zijn beleving over de relatie en de breuk is anders dan die van de moeder. Ook wil hij niet teveel terug kijken. Wel wil hij het beste voor zijn kinderen. Hij zou willen weten wat de moeder van hem nodig heeft om verder te kunnen gaan, daaraan wil hij vervolgens meewerken. De moeder geeft aan eveneens mee te willen werken, maar merkt daarbij op dat de situatie voor haar in emotioneel opzicht anders is. Ook heeft zij zorgen over de vader met betrekking tot de kinderen. Verder heeft zij het nodig dat de vader in het vervolg eerlijk en open is met name over wat er in het verleden is gepasseerd.\n\n4.5.. In december 2025 is [praktijk] gestart nadat ook de financiering rond was. Tijdens de start van de hulpverlening hebben er gesprekken plaatsgevonden waarin het genogram en de tijdlijn zijn gemaakt en de Masic is afgenomen bij beide ouders. In maart 2026 hebben de ouders (afzonderlijk van elkaar), [praktijk] en de GI met elkaar gesprekken gehad waarbij door [praktijk] een terugkoppeling is gegeven van de afgelopen periode en waarin een advies wordt gegeven voor de komende periode. Daaruit is gebleken dat praktijk Van de Ende geen veiligheidsrisico’s ziet die aan contact tussen de vader en de kinderen in de weg staan. Hoewel beide ouders qua visie aanzienlijk verschillen over hoe zij de relatie hebben beleefd is er feitelijk, gezien het verloop van de afgelopen twaalf maanden, geen sprake geweest van enige vorm van geweld, dreiging of dwingende controle van de vader naar de moeder en\u002Fof de kinderen. De moeder is nogmaals geadviseerd persoonlijke hulpverlening aan te gaan om haar pijn uit het verleden een plekje te geven, maar ook om de vader te kunnen zien als ouder van de kinderen die, los van het verleden, een rol in hun leven dient te spelen.\n\n4.6.. Er is in samenspraak met [praktijk] een plan gemaakt, bedoeld om tot begeleide contacten tussen de vader en de kinderen te komen. Niet omdat de GI zorgen heeft over de veiligheid van de kinderen bij de vader, maar omdat het lange tijd geleden is dat de kinderen hem voor het laatst hebben gezien en omdat na het eerder abrupt eindigen van de omgang, nadat [jeugdhulp] had geadviseerd naar onbegeleide omgang over te gaan, de kinderen daarover geen duidelijke reden en uitleg hebben gekregen. De GI heeft grote zorgen over het feit dat de kinderen zich geen eigen beeld hebben kunnen vormen van hun vader en zij op dit moment alleen informatie en de (angstige) gevoelens en gedachten meekrijgen van de moeder. In dat verband heeft de moeder aangegeven dat de kinderen geen contact met de vader willen en dat zij regelmatig bang zijn en nachtmerries hebben. De verwachting van de GI is dat de kinderen, die hun vader langere tijd niet hebben gezien of gesproken, een neutrale volwassene nodig hebben in het contact met hem om zich van hem een eigen beeld te kunnen vormen. De kinderen zijn daarom ook aangemeld voor speltherapie met als voornaamste reden dat zij een eigen onafhankelijke plek (zullen) hebben waar zij hun eigen gevoelens en emoties mogen\u002Fdurven en kunnen uiten. Los daarvan acht de GI het van belang dat de moeder individuele hulpverlening aangaat om de vader een rol te kunnen laten hebben (en houden) in het leven van de kinderen.\n\n4.7.. Tot dusver ondernomen acties, waarbij is geprobeerd door het creëren van zo gunstig mogelijke omstandigheden voor de kinderen om begeleide contacten tussen hen en de vader te laten plaats vinden, hebben geen resultaat gehad. Gezien werd bij beide kinderen in de wachtkamer dat zij als het ware verstijfden van angst en nadrukkelijk steun bij hun moeder zochten zodra (begeleide) contacten met de man ter sprake kwamen. [praktijk] concludeerde dat er bij de kinderen geen enkele ruimte is om te komen tot contactherstel. Zij ziet dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een situatie verkeren, waarin zij feitelijk geen kind kunnen zijn. Ook vindt zij het zorgelijk dat beide kinderen aangeven dat zij de partner van de moeder als hun biologische vader tevens opvoeder beschouwen. Op grond van al deze omstandigheden ziet de GI op dit moment geen heil in het voortzetten van het traject gericht op de tot stand brenging van begeleide contacten. Er zal eerst moeten worden geïnvesteerd in hulpverlening voor beide kinderen in de vorm van speltherapie. Van belang is dat beide kinderen ieder een eigen behandelaar\u002Ftherapeut zullen krijgen. Los daarvan blijft het van belang dat de moeder daadwerkelijk start met individuele hulpverlening, zodra die beschikbaar is. De GI is bereid om de vrouw te helpen om dit hulpverleningstraject te bespoedigen.\n\n4.8.. De GI acht het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat in de komende periode gewerkt kan (blijven) worden aan (a) de moeder is in staat emotionele toestemming te geven voor het contact tussen de kinderen en de vader, (b) de kinderen hebben een positief en onbelast contact met hun vader en (c) de ouders zijn in staat om met elkaar over de kinderen te communiceren en zij hebben tevens duidelijkheid over het vormgeven van het ouderschap. Daarvoor is in de visie van de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk, zij het voor een langere periode dan aanvankelijk beoogd, te weten door de duur van twaalf maanden. Zij wijzigt daarom mondeling haar verzoek.\n\n5. Het standpunt van [minderjarige 1]\n\n heeft tijdens het afzonderlijke kindgesprek samengevat aangegeven dat hij het moeilijk vindt dit gesprek te voeren en dat hij daarom de avond tevoren kampte met hoofdpijnklachten. Er heeft met hem een gesprek plaats gevonden bij [praktijk] . Dat vond hij niet fijn, vooral omdat hij de indruk had dat men hem ertoe wilde dwingen om mee te werken aan begeleide contacten met zijn vader. Hij blijft bij zijn standpunt dat hij geen contact met zijn vader wil, omdat hij niet zijn opvoeder was en is. Dat is nu [persoon] , de partner van zijn moeder. Ten slotte heeft [minderjarige 1] opgemerkt dat het thuis goed loopt, maar dat er wel eens ruzie is tussen hem en zijn zusje. Ook op school loopt het goed. Verder speelt hij graag videospelletjes op de PlayStation.\n\n5. De standpunten\n\n5.1.. Door en namens de moeder is - samengevat - opgemerkt dat zij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling kan staan. Zij licht toe dat zij op de wachtlijst staat voor hulpverlening, omdat zij nog altijd kampt met trauma’s en herbelevingen uit het verleden. Hoewel zij graag zou zien dat de vader erkent dat de gebeurtenissen, die daaraan ten grondslag liggen, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden is haar gebleken dat hij daarover niet open en eerlijk is. Daarnaast ervaart zij dat bij beide kinderen sprake is van hoofd- en buikpijnklachten, alsook van bedplassen en nachtmerries. Dit trekt een zware wissel op haar, nu zij volledig met de zorg voor de kinderen is belast. De moeder houdt de kinderen voor dat zij er achter staat dat zij begeleid contact hebben met de vader. Ook worden de kinderen daarop door haar voorbereid. Desondanks laten de kinderen blijken geen contact met de vader te willen. Zij ziet niet wat zij nog zou kunnen doen om dit te veranderen. Zij is daarom voorstander van speltherapie. Daaruit kan mogelijk blijken wat er (extra) bij de kinderen speelt. De moeder wenst daarom dat de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling blijft doorlopen, ook opdat de regie over het traject gericht op contactherstel tussen de vader en de kinderen bij de GI blijft berusten.\n\n5.2.. Door en namens de vader is - samengevat - naar voren gebracht dat aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling nog steeds wordt voldaan aangezien de doelstellingen van de hulpverlening niet zijn behaald. Er blijkt bij de moeder nog steeds sprake van een blokkade, die maakt dat zij niet of onvoldoende in staat is om aan de kinderen emotionele toestemming te geven om met hun vader contact te hebben. Ook ziet de vader dat het bij de moeder ontbreekt aan voldoende intrinsieke motivatie om te (gaan) werken aan het geven van emotionele instemming. Daardoor beschikken de kinderen niet over mogelijkheden om met de vader contact te hebben en zich van hem een beeld te vormen. Er hebben eerder acht begeleide contactmomenten plaats gevonden, die positief zijn verlopen, maar niettemin geen vervolg hebben gekregen. De kinderen hebben vervolgens geen uitleg gekregen over het abrupt stoppen van de begeleide contacten. Wel blijkt het nog steeds de bedoeling dat de moeder in het kader van de ondertoezichtstelling aan haar trauma’s en angsten zal gaan werken. Verder heeft [praktijk] aangegeven geen veiligheidsrisico’s in relatie tot contacten tussen de vader en de kinderen te zien. Desondanks is er intussen geen vooruitgang geboekt. Er lijkt zelfs sprake van verdere achteruitgang, nu beide kinderen nadrukkelijk blijk geven van weerstand ten aanzien van contacten met de vader. Bij elkaar maakt dit dat er in elk geval zwaarder op hulpverlening ingezet zal moeten gaan worden. Verder dient de regie over het traject gericht op contactherstel tussen de man en de kinderen in handen van de GI te blijven.\n\n6. Het standpunt van de Raad\n\nNamens de Raad is - samengevat - aangevoerd dat er nog steeds sprake is van omstandigheden die maken dat de kinderen zich geen beeld van hun vader kunnen vormen. In het belang van de kinderen en hun (verdere) ontwikkeling dient daaraan gewerkt te blijven worden middels hulpverlening voor de kinderen en individuele hulpverlening voor de moeder. Te denken valt waar het hulpverlening voor de moeder betreft aan Flash forward EMDR. Dit betreft een intensief traject, maar kan de moeder helpen om inzicht te krijgen in haar eigen situatie en die van de kinderen en hoe daarmee om te gaan. De GI kan daarin mogelijk ook een rol vervullen om ervoor te zorgen dat de moeder hoger op de wachtlijst wordt geplaatst. Voor de kinderen adviseert de Raad om in elk geval de Word en Pictures methode te proberen. Van de vader vraagt de Raad dat hij de komende tijd door middel van het sturen van kaartjes en\u002Fof videoboodschappen probeert voorzichtig te investeren in herstel van het contact met de kinderen. De oudercommunicatie blijft ook een punt van aandacht, maar heeft op dit moment niet de hoogste prioriteit. Van belang is dat de ouders zich niet langer blijven focussen op het verleden en hun afzonderlijke belevingen daaromtrent, maar dat zij al dat wat de kinderen aangaat zakelijk weten te benaderen en daarbij de belangen van de kinderen steeds voor ogen weten te houden.\n\n7. De beoordeling\n\n7.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n7.2.. Bij beschikking van 20 mei 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. In die beschikking is overwogen dat na acht begeleide contactmomenten in 2024 die positief zijn verlopen er desondanks geen contact meer tussen de kinderen en de vader heeft plaatsgevonden. Ook bleek de moeder niet in staat om de kinderen voldoende emotionele ruimte te geven om contact met de vader aan te gaan. De kinderen hebben ook geen uitleg gekregen waarom het contact abrupt is gestopt. Door de GI is in samenspraak met [praktijk] een plan gemaakt, bedoeld om te komen tot contactherstel tussen de vader en de kinderen. De kinderrechter is gebleken dat dit plan niet haalbaar is. Er zijn pogingen ondernomen om de kinderen zo goed mogelijk op begeleide contacten met de vader voor te bereiden. Op die momenten hebben de kinderen laten zien dat zij verstijfden van angst en nadrukkelijk steun zochten bij de moeder. Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige 1] herhaald dat hij geen contact met zijn vader wil en dat hij de partner van de moeder als zijn vader\u002Fopvoeder ziet. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat de kinderen onverminderd in hun ontwikkeling worden bedreigd.\n\n7.3.. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat betrokkenheid en regie van de GI nodig blijft om hulpverlening voor de kinderen in te zetten in de vorm van speltherapie. Tevens dient onderzocht te worden waar de weerstand en klachten van de kinderen in het contact met de vader vandaan komen. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan zal door de GI in samenspraak met alle betrokkenen (kunnen) worden bepaald wat er voor nu en in de (nabije) toekomst wel en niet mogelijk c.q. haalbaar is in het contact tussen de man en de kinderen. De kinderrechter acht het tevens in het belang van de kinderen dat door de moeder hulpverlening voor haar trauma’s en herbelevingen, wordt geaccepteerd. Er zijn immers nog steeds zorgen dat zij onvoldoende emotionele toestemming kan geven voor contact tussen de kinderen en de vader. De moeder wordt geadviseerd om waar mogelijk de hulp van de GI in te roepen om deze hulpverlening te bespoedigen. De GI wordt in overweging gegeven om bij het inzetten van de hulpverlening voor de kinderen en voor de moeder nadrukkelijk ook het namens de Raad mondeling gegeven advies te betrekken. Ten slotte zal door de GI ook geïnvesteerd dienen te worden in hulpverlening ter verbetering van de oudercommunicatie, zij het dat dit doel op dit moment een lagere prioriteit heeft.\n\n7.4.. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van twaalf maanden.7.5.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n7.6.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n8. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n8.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 20 mei 2026 tot 20 mei 2027;8.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:260 BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5382","2026-07-13T00:28:25.010Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":122,"summary":24,"language":7,"source":39,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":42,"updatedAt":124},"357","ECLI:NL:RBZWB:2026:5384","ecli-nl-rbzwb-2026-5384","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447506 \u002F JE RK 26-713\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nbeschikking van de kinderrechter over een reguliere machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op\n\n [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] ,\n\nadvocaat mr. P.H. Hillen te Tilburg.\n\nAls belanghebbende heeft de kinderrechter aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. P.B.J. Dekker.\n\nAls informant heeft de kinderrechter aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\nde door de kinderrechter in deze rechtbank op 23 april 2026 en op 1 mei 2026 gegeven beslissingen en de daarin genoemde stukken;\n\nde op 11 mei 2026 van de GI ontvangen instemmingsverklaring van een\n\n gedragsdeskundige, als bedoeld in artikel 6.1.2 lid 6 Jeugdwet, gedateerd 7 mei\n\n 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n [minderjarige] en haar advocaat;\n\nde moeder en haar advocaat;\n\nde vader;\n\ntwee vertegenwoordigsters van de GI.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 maart 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 10 maart 2027.\n\n2.3.. \n\nDe rechtbank heeft op 11 mei 2026 een verklaring ontvangen van de\n\ngedragsdeskundige, gedateerd 7 mei 2026, waaruit blijkt dat wordt ingestemd op de in die verklaring genoemde gronden met gesloten jeugdhulp, geldend voor een periode\n\nvan drie maanden, aansluitend op de spoedmachtiging van 23 april 2026.\n\n3. Het (resterende) verzoek\n\n3.1.. \n\nDe kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 april 2026 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 7 mei 2026. Bij opvolgende beschikking van\n\n1 mei 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de resterend verzochte duur, te weten van 7 mei 2026 tot 21 mei 2026. De beslissing op het resterende verzoek van de GI om aansluitend op de spoedmachtiging een reguliere machtiging te verlenen voor opname en verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden is aangehouden.\n\n3.2.. \n [minderjarige] verblijft op dit moment bij [accommodatie] te [plaats] .\n\n4. Het standpunt van [minderjarige] en haar advocaat\n\n4.1.. \n [minderjarige] , afzonderlijk gehoord in aanwezigheid van haar advocaat, heeft aangegeven dat het inmiddels beter met haar gaat en dat zij merkt dat zij rustiger is geworden. Zij begrijpt dat zij nog hulpverlening nodig heeft, maar dan in de vorm van een open plaatsing. De gesloten jeugdhulp biedt voor haar geen oplossing. Ook wil zij zodra dat kan het liefst terugkeren naar haar oma. Van haar oma, die zij zojuist heeft gesproken, heeft zij begrepen dat zij dat ook wil. Zij heeft zich serieus voorgenomen om in het vervolg geen alcohol en andere middelen meer te gebruiken. Ook is het contact tussen haar en haar moeder de afgelopen weken goed verlopen. Zij wil een tweede kans om te laten zien dat zij oprecht van plan is om iets van haar leven te maken. Zij kan daarom alleen achter gesloten jeugdhulp staan voor een periode van hoogstens nog vier weken.\n\n4.2.. Door de advocaat van [minderjarige] is aangevoerd dat [minderjarige] zich door de verleende spoedmachtiging gesloten jeugdhulp overweldigd voelde, nu zij in de veronderstelling verkeerde dat een open plaatsing aan de orde was. Vanuit haar gevoel van verontwaardiging heeft zij daar vervolgens niet goed op gereageerd. [minderjarige] is, naar zij ook zelf aangeeft, inmiddels tot rust gekomen. Zij is van mening dat een open groep voor haar op dit moment het meest passend is. Een ingrijpendere maatregel is volgens haar niet (langer) noodzakelijk. Daarbij speelt een belangrijke rol dat haar gedrag door de GI in het verzoekschrift op een aantal punten, zoals ten aanzien van het weglopen en enkele fysieke klachten, sterk overdreven of niet waarheidsgetrouw is weergegeven. [minderjarige] wil (uiteindelijk) graag terugkeren naar haar oma. In geval van toewijzing van het verzoek dient de reguliere machtiging gesloten jeugdhulp in elk geval niet voor de verzochte duur van 6 maanden te worden verleend, ter voorkoming dat processen tussentijds onnodig stagneren. Namens [minderjarige] stelt hij zich op het standpunt dat de machtiging gesloten jeugdhulp in duur moet worden beperkt tot een periode van maximaal twee maanden en dat het resterende deel van het verzoek moet worden afgewezen.\n\n5. De standpunten van de moeder en haar advocaat en de vader\n\n5.1.. Door en namens de moeder is - samengevat - naar voren gebracht dat de moeder van mening is dat [minderjarige] goed kan functioneren op een open groep. Gesloten jeugdhulp vindt zij om die reden een te ingrijpende maatregel. Bovendien is het verzoek van de GI grotendeels op foutieve en verdraaide gegevens gebaseerd. Daarnaast heeft de moeder de indruk dat [minderjarige] binnen de familiekring onder druk is geplaatst. De moeder steunt [minderjarige] in haar wens om zo snel mogelijk naar een open groep te worden doorgeplaatst. Verder wil zij in elk geval niet dat [minderjarige] terugkeert bij de oma. Namens de moeder neemt haar advocaat het standpunt in dat in geval van toewijzing van het resterende verzoek de machtiging gesloten jeugdhulp voor een zo kort mogelijke duur dient te worden verleend.\n\n5.2.. Door de vader is opgemerkt dat hem ter zitting duidelijk is geworden hoe [minderjarige] tegen het verzoek aankijkt. Hoewel hij haar gevoelens respecteert vindt hij ook dat zij de hulpverlening geboden dient te krijgen, die in het belang van haar (verdere) ontwikkeling noodzakelijk is.\n\n6. Het standpunt van de GI\n\nNamens de GI is - samengevat - aangevoerd dat gezien wordt dat [minderjarige] positief reageert op de aan haar bij [accommodatie] geboden structuur en voor haar voortgezette gesloten jeugdhulp op dit moment nog noodzakelijk wordt geacht om (verder) te kunnen werken aan het creëren van meer rust en stabiliteit en om te onderzoeken wat er nog aan (tussen)stappen nodig is om een (uiteindelijke) terugplaatsing naar huis mogelijk te maken. Er zal daartoe in samenspraak met [accommodatie] een plan van aanpak worden opgesteld. Ook zal [hulpverlening] voor wat betreft school daarin een rol vervullen. Met deze toelichting handhaaft de GI haar verzoek in zoverre dat zij, gelet op de inhoud van de instemmingsverklaring van de gedragsdeskundige, zich kan vinden in een toewijzing van drie maanden, een aanhouding van het restant in afwachting van hetgeen er in de eerste drie maanden kan worden bereikt.\n\n7. De beoordeling\n\n7.1.. Naar het oordeel van de kinderrechter blijkt uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting dat ten aanzien van [minderjarige] zich nog steeds de situatie voordoet dat ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen haar in haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Ook maken deze problemen dat een verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat zij zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken en is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat het [minderjarige] gedurende vrijwel haar hele leven heeft ontbroken aan stabiliteit en voldoende veiligheid in haar zorg- en opvoedsituatie. [minderjarige] laat zelfbepalend en zorgwekkend gedrag zien. Er was veel strijd tussen de moeder en de oma moederszijde en [minderjarige] en haar zusje [persoon] kampten met een loyaliteitsconflict. Een bijkomende zorg was dat [minderjarige] en haar zusje niet meer naar school gingen. [minderjarige] is vervolgens bij de oma geplaatst. Daar zijn er in de afgelopen tijd verschillende escalaties geweest tussen [minderjarige] en de oma wegens zelfbepalend gedrag van [minderjarige] en alcohol- en middelengebruik. De oma heeft zich daardoor bedreigd en onveilig gevoeld en zij was niet langer in staat aan [minderjarige] de zorg te bieden die zij nodig heeft, waarop een onhoudbare situatie ontstond.\n\n7.2.. \n [minderjarige] laat in haar gedrag zien dat zij gunstig reageert op de haar bij [accommodatie] geboden regels en structuur. De kinderrechter deelt de opvatting van de GI dat voortgezette gesloten jeugdhulp, hoe ingrijpend ook, op dit moment de meest passende maatregel en daarbij proportioneel is om deze positieve lijn te kunnen voortzetten en om te kunnen vaststellen wat er nog aan (tussen)stappen nodig is om een terugkeer naar huis mogelijk te maken. Wel acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] , ook nadrukkelijk rekening houdend met haar leeftijd uit oogpunt van haar verdere ontwikkeling, dat aan de hand van het plan van aanpak zo spoedig mogelijk met een behandeling wordt gestart, dat [minderjarige] in de gelegenheid wordt gesteld een schoolopleiding te volgen en de GI daarnaast de mogelijkheden onderzoekt om [minderjarige] - zodra mogelijk en verantwoord - naar een open groep door te plaatsen. Een machtiging gesloten jeugdhulp voor een periode van vier weken, zoals [minderjarige] wenst en ook voor een periode van twee maanden beschouwt de kinderrechter als onvoldoende om deze doelen te kunnen realiseren. Ook valt in dit stadium niet te voorspellen of een periode van drie maanden, zoals door de gedragsdeskundige benoemd, daarvoor toereikend zal zijn. Niettemin ziet de kinderrechter, rekening houdend met de reikwijdte van de instemmingsverklaring van de gedragsdeskundige en met het zeer ingrijpende karakter van een machtiging gesloten jeugdhulp en het oprechte voornemen van [minderjarige] om serieus iets van haar leven te gaan maken, aanleiding om een machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden en het resterende deel van het verzoek af te wijzen.\n\n7.3.. \n\nMet inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter een aansluitende machtiging verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, te weten met ingang van 21 mei 2026 tot\n\n21 augustus 2026 en het restantverzoek afwijzen.\n\n8. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n8.1.. verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 21 mei 2026 tot 21 augustus 2026;\n\n8.2.. wijst het meer dan wel anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026, in aanwezigheid van Baremans als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5384","2026-07-13T00:28:25.921Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":129,"summary":24,"language":7,"source":39,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":131,"parsedAt":42,"updatedAt":132},"1826","ECLI:NL:RBZWB:2026:5343","ecli-nl-rbzwb-2026-5343","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F445417 \u002F JE RK 26-329\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\nEindhoven,\n\nhierna te noemen de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. S. van Reeven-Özer,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat mr. A. Elias.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nde gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de GI.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 februari 2026;\n\n- de brief van mr. Van Reeven-Özer van 12 mei 2026;\n\n- de brief van mr. Elias van 15 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader met zijn advocaat;\n\n- de moeder met haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de Raad;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI, middels een videobelverbinding.\n\nDe onderhavige zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met procedurenummer C\u002F02\u002F418757 FA RK 24-532.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. Tussen [minderjarige 1] en vader bestaat reeds ruim twee jaar geen fysiek contact.\n\n2.3.. \n [minderjarige 2] verblijft feitelijk bij de moeder van woensdag uit school (in de even weken) tot maandagochtend naar school (in de oneven weken). De rest van de tijd verblijft hij bij de vader.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De Raad legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. Er is volgens de Raad sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , omdat zij opgroeien in een context van een langdurige en geëscaleerde ouderstrijd, waarbij ouders onvoldoende in staat zijn gebleken om samen te werken en gezamenlijk invulling te geven aan hun ouderlijk gezag. De communicatie is tussen hen structureel verstoord en er ontbreekt basale afstemming over opvoedings- en ontwikkelingszaken. Hierdoor worden de kinderen belast met spanningen en loyaliteitsdruk. Bij [minderjarige 2] bestaat de ontwikkelingsdreiging dat hij verder klem raakt tussen ouders. Hoewel hij zelf aangeeft dat het goed met hem gaat, is het zorgelijk dat hij structureel wordt blootgesteld aan de onderlinge strijd en dat zijn emotionele ruimte beperkt wordt door het conflict tussen ouders. Bij [minderjarige 1] is sprake van een meer zichtbare emotionele belasting. Zij ervaart angst, spanningen, somberheid en piekeren in relatie tot haar vader en de ouderlijke dynamiek. Zonder duidelijke regie en begrenzing van het ouderlijk conflict bestaat het risico dat haar klachten verergeren en haar ontwikkeling verder wordt belemmerd. De ouders zijn onvoldoende in staat de bedreiging weg te nemen en noodzakelijke hulpverlening duurzaam te accepteren. De verwachting is dat ouders, mits er duidelijke regie wordt gevoerd en hulpverlening wordt ingezet binnen een dwingend kader, zij in staat zijn om binnen aan aanvaardbare termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding weer zelf te kunnen dragen. De Raad acht een periode van een jaar passend, gelet op de geformuleerde doelen waaraan gewerkt moet worden tijdens de ondertoezichtstelling. Een kortere termijn biedt onvoldoende ruimte om noodzakelijke veranderingen te realiseren en te bestendigen.\n\n4.2.. Ten aanzien van [minderjarige 2] kan de moeder ermee instemmen dat een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken voor de duur van een jaar. De vrouw vraagt zich bij [minderjarige 2] af of het daadwerkelijk zijn wens is om bij vader te gaan wonen, of omdat vader bij hem aangeeft dat hij in dat geval geen alimentatie meer hoeft te betalen aan de moeder. De emotionele ontwikkeling van [minderjarige 2] moet daarom worden gemonitord. Hoewel de moeder het in eerste instantie niet eens was met de ondertoezichtstelling, kan zij hier nu toch achter staan, nadat hierover uitvoerig is gesproken ter zitting.\n\n4.3.. De vader is het eens met de ondertoezichtstelling.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.2.. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd, omdat zij opgroeien in een situatie waarin sprake is van een langdurige en escalerende ouderlijke strijd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden aan deze spanningen tussen ouders direct of indirect blootgesteld. Bij [minderjarige 1] heeft dit ertoe geleid dat zij reeds twee jaar geen fysiek contact heeft gehad met haar vader. Zij heeft hier last van. Een eventueel (begin van) herstel van contact levert bij haar veel spanning op, onzekerheid, het gevoel niet gezien en gehoord te worden en niet belangrijk genoeg te zijn voor vader. Dit heeft een negatieve weerslag op haar dagelijks functioneren en haar zelfbeeld. Daarom zijn er reeds therapieën voor haar geïnitieerd (PMT en EMDR) zodat zij sterker in haar schoenen komt te staan en beter om kan gaan met voornoemde gevoelens. [minderjarige 2] op zijn beurt is terughoudend geworden in wat hij met moeder deelt en er zijn bij hem signalen van loyaliteitsdruk. Hij lijkt nu ook de boodschapper te zijn tussen ouders, een rol die niet past bij een kind van deze leeftijd. Dit brengt namelijk verantwoordelijkheden met zich mee die hij nu niet hoeft te ervaren. Het is noodzaak dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan opgroeien in een omgeving van emotionele veiligheid, voorspelbaarheid en rust.\n\n5.3.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat deze hulpverlening tot op heden niet de gewenste verbetering heeft gebracht en vader al eerder aangegeven heeft hiervoor niet meer open te staan. De kinderrechter benadrukt dat de ouders aan zet zijn om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit hun klem-positie te halen. Zoals ook ter zitting aan ouders is voorgehouden zullen zij zich wederom in moeten zetten om met hulpverlening, en nu onder regie van de GI, dit te bewerkstelligen. Ouders hebben de sleutel in handen om hun kinderen hieruit te halen en zullen zich hiertoe tot het uiterste in moeten spannen.\n\n5.4.. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar. Gewerkt zal worden aan de volgende doelen:\n\n- Het structureel vormgeven van parallel ouderschap;\n\n- Het herstellen en stabiliseren van de hulpverlening voor [minderjarige 1] ;\n\n- Het monitoren van de emotionele ontwikkeling van [minderjarige 2] ;\n\n- Het implementeren van pedagogische begeleiding bij beide ouders;\n\n- Het beoordelen of ouders in staat zijn afspraken duurzaam na te komen;\n\n- Het zorgvuldig opstarten van een gefaseerd omgangstraject tussen [minderjarige 1] en vader, mitsdit in het belang van [minderjarige 1] wordt geachtén mits[minderjarige 1] toe is aan contact met haar vader; te allen tijde moet voorkomen worden dat er druk op [minderjarige 1] komt te liggen ten aanzien van het herstellen van het contact met haar vader en ze moet zich kunnen richten op haar eigen therapieën.\n\n5.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 18 mei 2026 tot 18 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:255 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5343","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.683Z",20]