[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-corporate-income-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},77,"corporate-income-tax-nl","Corporate Income Tax","NL","2026-07-08T16:55:03.360Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2025-03-13T00:00:00.000Z","2026-03-17T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1709","ECLI:NL:RBDHA:2026:16959","ecli-nl-rbdha-2026-16959","","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F698812 \u002F KG ZA 26-113\n\nVonnis in kort geding van 17 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser]te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,\n\neiser,\n\nadvocaat mr. F.L.P. Vulto te Den Haag,\n\ntegen:\n\nde Staat der Nederlanden, het Ministerie van Financiënte Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nin persoon verschenen.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de op 13 februari 2026 betekende dagvaarding met producties 1 tot en met 16;\n\n- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 6;\n\n- de op 24 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.\n\n1.2.. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.1.. Op 24 mei 2016 heeft de Ontvanger van de Belastingdienst (hierna: de Ontvanger) beslag gelegd op twee boten van het merk Baja, type 38 Special (hierna: de boten). Dit beslag vond plaats in verband met een vordering van de Ontvanger op [vennootschap] B.V. (hierna: de vennootschap). [eiser] is bestuurder van de vennootschap.\n\n2.2.. Op 19 december 2018 heeft de Ontvanger een brief van [eiser] ontvangen waarin hij in beroep gaat tegen de beslaglegging op de boten. [eiser] stelt in het beroep dat de boten geen eigendom zijn van de vennootschap, maar dat deze tot zijn privévermogen behoren. De Ontvanger heeft naar aanleiding van het beroep nadere stukken opgevraagd bij [eiser] , waarna op 25 februari 2019 een aantal stukken van [eiser] zijn ontvangen.\n\n2.3.. \n\nNa 25 februari 2019 is er door de Ontvanger geruime tijd geen vervolg gegeven aan de afhandeling van het beroep van [eiser] . Pas bij brief van 25 mei 2025 heeft [eiser] een reactie van de Ontvanger gekregen. In deze brief staat het volgende, voor zover nu relevant:\n\n“(…)\n\nOp 19 december 2018 heb ik uw brief ontvangen waarin u in beroep gaat tegen de beslaglegging op twee boten ten laste van [vennootschap] B.V. Dit beroep is gebaseerd op artikel 22 van de Invorderingswet 1990.\n\nIn het beroepschrift voert u aan dat de betreffende boten geen eigendom zijn van de B.V., maar tot uw privévermogen behoren.\n\nDoor omstandigheden is op het beroepschrift tot op heden geen beslissing genomen. De Ontvanger acht het wenselijk om alsnog inhoudelijk op het beroepschrift te beslissen. Hoewel het tijdsverloop tussen indiening van het beroepschrift en deze beschikking onwenselijk lang is, vormt dit geen belemmering om alsnog op zorgvuldige wijze een inhoudelijk besluit te nemen.\n\nOverwegingen en motivering\n\nArtikel 22 van de Invorderingswet 1990 biedt de belanghebbenden de mogelijkheid om op te komen tegen een beslagmaatregel als een zaak ten onrechte als verhaalsobject is aangemerkt. Aan de hand van de door u overlegde documenten en daarbij rekening houdend met het tijdsverloop, dient het beslag als onrechtmatig te worden aangemerkt. De Ontvanger komt hiermee tot het oordeel dat het beroep gegrond is.\n\nOpheffing beslag\n\nOmdat de Ontvanger hiermee uw beroepschrift gegrond heeft verklaard, zal de inbeslagname van de twee boten ongedaan worden gemaakt. Het beslag op de twee boten wordt hiermee per direct opgeheven. Wij maken graag met u een afspraak voor het ophalen van de boten. (…).\n\n(…)”\n\n2.4.. Op 26 juni 2025 heeft de teruggave van de twee boten plaatsgevonden. Na de teruggave van de boten heeft [eiser] deze op enig moment verkocht.\n\n2.5.. \n\nIn een brief van 8 juli 2025 laat de Ontvanger het volgende aan [eiser] weten:\n\n“(…)\n\nIn uw brief van 18 juni 2025 waarin u resumerend verzocht om verdeling van de kosten van het vervoer van de vaartuigen deel ik u mede hiermee in te stemmen. Ik vraag u om de factuur te overleggen en tevens kenbaar te maken naar welk rekeningnummer de helft van de gedeelde kosten kunnen worden overgemaakt.\n\n(…)”\n\n2.6.. Bij e-mail van 13 oktober 2025 heeft [eiser] de Ontvanger bericht dat hij de schade als gevolg van het beslag heeft geïnventariseerd en vastgesteld. Hij stelt – onder overlegging van een factuur van Delta Watersport – dat hij € 9.125,= (exclusief BTW) aan kosten heeft gemaakt voor transport, takelen en werkzaamheden door derden, staling en werkplaatstarief. In de e-mail staat dat van de transportkosten van € 2.000,= de helft voor rekening van [eiser] komt en dat daarmee ‘de eenvoudig te berekenen schade waarvan zonder beslag geen sprake zou zijn geweest’inclusief BTW € 9.831,25 bedraagt. [eiser] stelt verder in de e-mail dat hij ook schade heeft geleden als gevolg van waardeverlies door de boten negen jaar onrechtmatig in beslag te houden. Volgens [eiser] bedraagt het totale waardeverlies € 106.760,=. Ter onderbouwing van dit bedrag verwijst [eiser] naar“de officiële waarderingsbron van [naam] ”.Hij stelt voor in goed overleg tot een minnelijke regeling te komen.\n\n2.7.. \n\nBij brief van 4 november 2025 stelt de Ontvanger dat hij een deel van de kosten zoals vermeld op de factuur van Delta Watersport wil betalen, maar niet de kosten die verband houden met het verkoopklaar maken van de boten (vermeld onder “werkplaatstarief”). In de brief staat verder het volgende:\n\n“(…)\n\nVoor de financiële afwikkeling van de directe kosten ontvangen wij graag het betalingsbewijs behorend bij de factuur van Delta Transport. Na ontvangst en beoordeling stellen wij de toewijsbare directe kosten vast en keren wij uit. Ons eerdere aanbod inzake de transportkosten nemen wij in de eindafrekening mee.\n\nVoor de door u gestelde waardevermindering tussen een veronderstelde marktwaarde in 2016 en de verkoopopbrengst in 2025 zien wij op dit moment geen grond voor vergoeding. Over een periode van negen jaar spelen reguliere veroudering en marktontwikkeling een zelfstandige rol. Zonder een objectieve waardebepaling per peildatum 2016 van de twee vaartuigen en een onderbouwing van het causaal verband kan deze gevolgschade niet aan het beslag worden toegerekend. Mocht u dit onderdeel toch willen voortzetten, dan kan uitsluitend worden gedacht aan een onafhankelijke registertaxateur (pleziervaartuigen) voor zo’n waardebepaling. Zonder die basis handhaven wij ons standpunt.\n\n(…)”\n\nIn de brief staat verder dat de Ontvanger de wens deelt om het dossier tot een nette minnelijke oplossing te brengen. Hij nodigt [eiser] uit voor een eerste gesprek hierover. Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden.\n\n2.8.. De Ontvanger heeft over het geschil met [eiser] contact gezocht met (de juristen van) het Ministerie van Financiën, waarna een medewerker van het Ministerie (hierna ook: de jurist van het Ministerie) de correspondentie met [eiser] over de afwikkeling van de schade door het beslag heeft voortgezet.\n\n2.9.. De jurist van het Ministerie heeft opdracht gegeven aan een taxateur (hierna: ‘de expert’) om de schade als gevolg van waardeverlies door tijdsverloop te begroten. De jurist van het Ministerie heeft via de advocaat van [eiser] een aantal foto’s ontvangen waarmee [eiser] zijn claim wilde onderbouwen. Deze foto’s zijn doorgeleid naar de expert. De expert heeft de schade als gevolg van waardeverlies door tijdsverloop begroot op € 31.250,= inclusief omzetbelasting. De jurist van het Ministerie heeft het rapport van de expert op 31 december 2025 aan de advocaat van [eiser] gezonden.\n\n2.10.. \n\nPer e-mail van 9 januari 2026 heeft de advocaat van [eiser] een conceptdagvaarding voor een kort geding aan de jurist van het Ministerie toegezonden. In de e-mail schrijft de advocaat dat het geduld van [eiser] op is, dat hij geen uitstel meer accepteert en wil dat er “juridisch wordt doorgepakt om een voorschot op de schadevergoeding af te dwingen”.In de e-mail staat verder het volgende:\n\n“(…)\n\nDaarbij wijs ik u op een specifiek punt: cliënt heeft mij de uitdrukkelijke opdracht gegeven om niet alleen de Staat, maar ook de betrokken ambtenaren (mevrouw (…) en de heer (…)) in privé in rechte te betrekken wegens onrechtmatig handelen en het bewust traineren van de afwikkeling. Hoewel ik mij als advocaat nog beraad op de proceseconomische wenselijkheid van deze specifieke stap in dit stadium, wilde ik u dit concept en de intentie van cliënt niet onthouden. Het tekent de frustratie en de ernst van de zaak.\n\n(…)”\n\n2.11.. \n\nPer e-mail van 12 januari 2026 heeft de jurist van het Ministerie aan de advocaat van [eiser] het volgende laten weten:\n\n“De Staat is bereid een bedrag van (€ 9.831,25 + € 25.910,-=) € 35.741,25 aan uw cliënt te vergoeden, indien uwerzijds wordt afgezien van een kort geding.\n\nDaarnaast geldt dat, ingeval uw cliënt alsnog een bodemprocedure wenst te beginnen, deze zich zal beperken tot hetgeen uw cliënt jegens de Staat meent als vordering te hebben, en het genoemde bedrag van € 35.741,25 alsdan strekt als voorschot op en ter verrekening met hetgeen de Staat ten gronde zal blijken schuldig te zijn.\n\n(…)”\n\n2.12.. \n\nPer e-mail van 12 januari 2026 heeft [eiser] zelf gereageerd op voormelde e-mail aan zijn advocaat. In zijn e-mail – gericht aan zijn advocaat, de jurist van het Ministerie en de Ontvanger – staat, voor zover nu van belang, het volgende:\n\n“(…)\n\nMet het genoemde bedrag van € 35.741,25 als voorwaarde om van het kort geding af te zien, kan ik akkoord gaan. (…)\n\nSecundaire voorwaarde is wel dat dit bedrag uiterlijk einde van week 3 (16 januari 2026) zal zijn bijgeschreven op rekeningnummer (…).\n\n(…)\n\nEveneens akkoord is dat het genoemde bedrag van € 35.741,25 tevens strekt als voorschot op en ter verrekening met hetgeen de Staat (uiteindelijk) ten gronde zal blijken schuldig te zijn.\n\nDe verdere voorwaarden die de heer (…) aan de bodemprocedure koppelt, zijn niet acceptabel.\n\nVooral de eis dat een eventuele bodemprocedure uitsluitend zou mogen zien op vorderingen jegens de Staat – waarbij ik ervan uitga dat hiermee wordt beoogd de betrokken ambtenaren in privé te vrijwaren – ervaar ik als een principieel probleem.\n\n(…)\n\nWel ben ik bereid om, uit proceseconomische overwegingen, in een eventuele bodemprocedure (vooralsnog) uitsluitend de Staat aan te spreken, maar uitsluitend indien dit niet inhoudt dat ik afstand doe van mijn rechten jegens individuele ambtenaren in een aparte procedure of in geval van nieuwe feiten, opzet of grove schuld.\n\n(…)”\n\n2.13.. \n\nPer e-mail van 13 januari 2026, in reactie op de onder 2.12 genoemde e-mail, heeft de jurist van het Ministerie als volgt bericht aan de advocaat van [eiser] :\n\n“(…)\n\nDe Staat is bereid het eerder geformuleerde schikkingsvoorstel in de door uw cliënt aangepaste vorm gestand te doen. Het voorstel komt daarmee te luiden als volgt:\n\nDe Staat is bereid een bedrag van (€ 9.831,25 + € 25.910,-=) € 35.741,25 aan uw cliënt te vergoeden, indien uwerzijds wordt afgezien van een kort geding.\n\nDaarnaast geldt dat, ingeval uw cliënt alsnog een bodemprocedure wenst te beginnen, deze zich thans zal beperken tot hetgeen uw cliënt jegens de Staat meent als vordering te hebben, en het genoemde bedrag van € 35.741,25 alsdan strekt als voorschot op en ter verrekening met hetgeen de Staat ten gronde zal blijken schuldig te zijn. Het voorgaande houdt niet in dat uw cliënt afstand doet van zijn rechten jegens individuele ambtenaren in een aparte procedure of in geval van nieuwe feiten, opzet of grove schuld.\n\nGraag ontvang ik, indien akkoord, hiervan een schriftelijke bevestiging van u.\n\nNa ontvangst daarvan zal ik zorg dragen voor uitbetaling van het overeengekomen bedrag. Ik merk daarbij op voorhand op dat het, gelet op mijn ervaringen, niet mogelijk is toe te zeggen dat dit bedrag vrijdag al zal worden uitgekeerd. Verder wijs ik er op dat standaard voorafgaand aan uitbetaling wordt bezien of er sprake is van betalingsachterstanden.\n\nVoor een kort geding zal echter nog een datum gevonden moeten worden en daarna zal twee weken moeten worden gewacht op een uitspraak, en geldt eenzelfde procedure rond uitbetaling. Het lijkt mij daarom niet zinvol die procedure om deze reden voort te zetten.\n\n(…)”\n\n2.14.. \n\nPer e-mail van 14 januari 2026, gericht aan zijn advocaat en in cc aan de jurist van het Ministerie en de Ontvanger, laat [eiser] het volgende weten in reactie op voormelde e-mail van 13 januari 2026 van het Ministerie:\n\n“(…)\n\nIk kan mij vinden in het door de Staat aangeboden bedrag van € 35.741,25 als voorschot op de uiteindelijk door de Staat verschuldigde schadevergoeding, onder de reeds door mij geformuleerde voorwaarden ten aanzien van de bodemprocedure en – met name – het behoud van de mogelijkheid om individuele ambtenaren afzonderlijk aan te spreken.\n\nMet de door de heer (…) genoemde extra termijn van veertien dagen voor uitbetaling kan ik mij daarentegen niet verenigen.\n\n(…)\n\nVanuit dat perspectief verzoek ik u de opgedwongen interval niet te zien als reden tot wachten, maar juist als gelegenheid om de kortgedingdagvaarding omgaand te (doen) uitbrengen de datum te laten bepalen.\n\n(…)”\n\n2.15.. \n\nNadat de jurist van het Ministerie in reactie op voormelde e-mail van 14 januari 2026 aan de advocaat van [eiser] heeft laten weten dat geen uitbetalingstermijn van veertien dagen wordt genoemd en vraagt om alsnog een akkoord op zijn laatste voorstel, stuurt [eiser] eveneens op 14 januari 2026 een e-mail aan zijn advocaat, in cc aan de jurist van het Ministerie en de Ontvanger, met de volgende inhoud:\n\n“(…)\n\nNaar aanleiding van de recente correspondentie met de heer (…) constateer ik dat strikt taalkundig en inhoudelijk kan worden verdedigd dat hij zichzelf niet daadwerkelijk tegenspreekt over de “twee weken”. De frictie zit verleer in het afwijzen van mijn harde eis van betaling uiterlijk 16 januari tegenover zijn beschrijving van vermeend “realistische” betaal- en vonnistermijnen.\n\nDat laat echter onverlet dat ik niet bereid ben twee weken af te wachten op ambtelijke contemplatie. Mijn instructie blijft dan ook ongewijzigd: laat de dagvaarding in kort geding gewoon uitbrengen.\n\n(…)”\n\n2.16.. Ook na 14 januari 2026 is er nog correspondentie geweest tussen partijen, maar dat heeft er niet toe geleid dat de Staat tot betaling van enig geldbedrag aan [eiser] is overgegaan. Op 3 februari 2026 heeft de advocaat van [eiser] de aanvraag voor dit kort geding ingediend.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert – zakelijk weergegeven:\n\nprimair:\n\n- de Staat te veroordelen aan [eiser] te betalen het bedrag van € 35.741,25, ter nakoming van de tussen partijen op 13 januari 20226 tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2026;\n\nsubsidiair:\n\n- de Staat te veroordelen om aan [eiser] een voorschot op de schadevergoeding ten bedrage van € 50.000,= te betalen, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2025, althans vanaf de dag van dagvaarding;\n\nprimair en subsidiair:\n\n- de Staat te bevelen om aan [eiser] schriftelijk de volledige naam, vestigingsplaats en (register)kwalificaties te verschaffen van de door de Staat opgevoerde deskundige, in de stukken aangeduid als ‘Expert NN’;\n\nalle vorderingen op straffe van een dwangsom en alles met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.\n\n3.2.. Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Tussen partijen is op 13 januari 2026 een bindende vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. De Staat is gehouden deze overeenkomst na te komen en het daarin vastgestelde bedrag van € 35.741,25 onverwijld aan [eiser] te voldoen. Voor zover geoordeeld wordt dat geen overeenkomst tot stand is gekomen, vordert [eiser] subsidiair schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. De Staat heeft in de beschikking van 28 mei 2025 expliciet erkend dat het beslag onrechtmatig was. De onrechtmatige daad bestaat uit twee componenten, namelijk een inbreuk op het eigendomsrecht gedurende negen jaar en de schending van de zorgplicht. De Staat heeft gedurende de beslagperiode grovelijke nagelaten de zorg van een ‘goed bewaarder’ te betrachten. De boten zijn zonder adequaat onderhoud weggezet, waardoor ze ten prooi zijn gevallen aan verval, ongedierte en technische veroudering. De waardevernietiging die in negen jaar is opgetreden, komt voor risico van de onrechtmatig beslaglegger. Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn primaire vordering vloeit volgens hem voort uit de aard van die vordering. Bovendien weegt de persoonlijke situatie van [eiser] zwaar. Hij is inmiddels 85 jaar en deze kwestie beheerst zijn leven bijna tien jaar. Van een man op deze leeftijd kan in redelijkheid niet worden gevergd de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten om te ontvangen wat de Staat al heeft toegezegd. Bovendien heeft [eiser] noodgedwongen uit privévermogen een bedrag van ongeveer € 19.000,= voorgeschoten aan derden om de boten veilig te stellen. Het is maatschappelijk onaanvaardbaar dat een burger als bankier voor de overheid moet fungeren nadat diezelfde overheid zijn eigendom negen jaar lang onrechtmatig heeft gegijzeld en laten verpauperen. Ook de proceshouding van de Staat maakt onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk. De Staat heeft de afwikkeling stelselmatig getraineerd, door eerst negen jaar lang niet te beslissen, door te schermen met anonieme experts en daarna terug te komen op een al gesloten akkoord. Alleen een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis kan dit patroon van ambtelijk traineren doorbreken, aldus [eiser] .\n\n3.3.. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n4. De beoordeling van het geschil\n\nPrimaire vordering: nakoming vaststellingsovereenkomst\n\n4.1.. \n [eiser] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat op 13 januari 2026 een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen [eiser] en de Staat die moet worden nagekomen. [eiser] stelt daartoe dat de Staat op 12 januari 2026 een aanbod heeft gedaanen dat hij dat aanbod per e-mail van dezelfde dag heeft aanvaard, waarna de Staat de wilsovereenstemming per e-mail van 13 januari 2026 heeft bevestigd.\n\n4.2.. Uit de tussen partijen gewisselde correspondentie kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat – zoals [eiser] stelt – op 13 januari 2026 een bindende vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Het aanbod van de Staat van 12 januari 2026 is gedaan onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat [eiser] zou afzien van een kort geding. Die voorwaarde is één van de essentialia van de te bereiken overeenstemming, zoals [eiser] ook erkent. In reactie op dit aanbod schrijft [eiser] weliswaar dat hij instemt met het door de Staat aangeboden bedrag als voorwaarde om af te zien van een kort geding, maar hij heeft niet ingestemd met de voorwaarde dat een eventuele bodemprocedure alleen gericht mocht worden tegen de Staat en hij heeft een extra eis gesteld ten aanzien van een (uiterst korte) betaaltermijn (namelijk betaling uiterlijk op 16 januari 2026). Uit de reactie van [eiser] blijkt niet dat hij ook bereid is af te zien van een kort geding als de Staat niet instemt met de aanvullende voorwaarden die hij stelt. Uit deze reactie van [eiser] kan dan ook niet worden afgeleid dat er sprake is van overeenstemming over alle essentialia van de overeenkomst.\n\n4.3.. Voor zover de reactie van [eiser] van 12 januari 2026 moet worden aangemerkt als een nieuw aanbod, dan geldt dat dit aanbod door de Staat niet is aanvaard. Dit blijkt uit de reactie van de Staat van 13 januari 2026. Daarin stelt de Staat dat hij bereid is het schikkingsvoorstel in de door [eiser] aangepaste vorm ten aanzien van zijn rechten jegens individuele ambtenaren gestand te doen, Er wordt in die e-mail uitdrukkelijk gevraagd om aanvaarding van dat aanbod, én er wordt uitdrukkelijk nietingestemd met de voorwaarde van betaling op 16 januari 2026. De reacties van [eiser] van 14 januari 2026 daarop houden in dat hij niet instemt met de afwijzing van zijn“harde eis van betaling uiterlijk 16 januari”, inclusief een (herhaalde) instructie aan zijn advocaat om de dagvaarding in kort geding uit te brengen. Ook hieruit kan dus niet worden afgeleid dat op 12 of 13 januari 2026 overeenstemming is bereikt. Conclusie is dan ook dat de primaire vordering worden afgewezen.\n\n4.4.. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat er ook na 14 januari 2026 nog correspondentie is geweest tussen partijen, maar die heeft er niet toe geleid dat op een later moment alsnog overeenstemming over een vaststellingsovereenkomst is bereikt. Dat stelt [eiser] ook niet.\n\n4.5.. Overigens heeft de Staat terecht gesteld dat [eiser] de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden, onder andere door de tweede e-mail die [eiser] op 14 januari 2026 heeft gestuurd – waaruit blijkt dat [eiser] niet afziet van een kort geding – niet over te leggen. De Staat verzoekt de voorzieningenrechter daaraan de gevolgtrekking te verbinden die zij geraden acht. De voorzieningenrechter zal aan de schending van de waarheidsplicht geen ander gevolg verbinden dan de constatering ervan. Voor een andere gevolgtrekking ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, omdat zij – door overlegging van de e-mail door de Staat – alsnog kennis van die e-mail heeft kunnen nemen en de primaire vordering van [eiser] mede op grond van die e-mail wordt afgewezen.\n\nSubsidiaire vordering: voorschot op schadevergoeding\n\n4.6.. De Staat heeft (alleen) ten aanzien van de subsidiaire vordering (terecht) gesteld dat hij ten onrechte is gedagvaard. Op grond van artikel 3 lid 2 van de Invorderingswet treedt immers de Ontvanger in alle rechtsgedingen die uit zijn taakuitoefening voortvloeien als zodanig in rechte op. Daarom had ten aanzien van de subsidiaire vordering niet de Staat, maar de Ontvanger moeten worden gedagvaard. De Staat heeft [eiser] hier in aanloop naar dit kort geding, voorafgaand aan betekening van de dagvaarding, ook op gewezen.\n\n4.7.. Het is te verwachten dat een nieuw kort geding tegen de Ontvanger zal volgen als [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat hij de verkeerde partij heeft gedagvaard. Dat heeft de Staat ook erkend. De voorzieningenrechter acht dat uit oogpunt van proceseconomie en doelmatige van inzet van gemeenschapsmiddelen onwenselijk en ziet daarin aanleiding (ten overvloede) een inhoudelijk oordeel te geven over de subsidiaire vordering. Hierbij speelt ook een rol dat de Ontvanger weliswaar niet gedagvaard is, maar ter zitting wel aanwezig was en ook het woord heeft gevoerd, terwijl de Staat als gevolg van de schikkingsonderhandelingen die zijn gevoerd ook ten volle is geïnformeerd over de voorgeschiedenis in deze zaak.\n\n4.8.. Ten aanzien van geldvorderingen in kort geding is volgens vaste jurisprudentie terughoudendheid geboden. Een geldvordering is in kort geding alleen toewijsbaar als het bestaan van de vordering in zo’n mate aannemelijk is dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrecht de vordering zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en moet in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden.\n\n4.9.. De voor toewijzing van de vordering in kort geding vereiste onverwijlde spoed ontbreekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter. Zoals de Staat terecht stelt, is niet gebleken van enige financiële nood aan de zijde van [eiser] . Dat [eiser] een bedrag aan derden heeft betaald, levert geen spoedeisend belang op, nu niet is gebleken dat [eiser] daarvoor de middelen niet had. Ook uit de uitlatingen van [eiser] ter zitting blijkt dat van enig spoedeisend belang geen sprake is. Hij heeft immers verklaard dat het hem niet om de centen gaat, dat hij zonder kan en dat hij er geen boterham minder om eet. Het spoedeisend belang is evenmin gelegen in de omstandigheid dat het beslag al in 2016 is gelegd en dat deze kwestie al lang speelt. Weliswaar heeft de Ontvanger ten onrechte lange tijd niet beslist op het beroep van [eiser] tegen de beslaglegging, maar daar staat tegenover dat [eiser] de kwestie ook heeft laten rusten tot er in 2025 is beslist. Dat zijn leven, zoals in de dagvaarding wordt gesteld, wordt beheerst door het beslag blijkt nergens uit. Tot slot speelt de leeftijd van [eiser] geen rol van doorslaggevende betekenis in een geschil van uitsluitend financiële aard.\n\nPrimair en subsidiair: gegevens deskundige\n\n4.10.. In de pogingen om te komen tot overeenstemming over de afwikkeling van het beslag heeft de Staat zelf een expert ingeschakeld om een schadeberekening te maken. Deze expert wil niet dat zijn \u002F haar naam bij [eiser] bekend wordt. [eiser] vordert nu dat deze gegevens wel aan hem worden verstrekt. Deze vordering is door [eiser] niet afzonderlijk onderbouwd of van een grondslag voorzien. Alleen al hierom komt deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Daar komt nog het volgende bij. De Staat heeft ervoor gekozen zelf een expert in te schakelen in de hoop dat er overeenstemming met [eiser] kon worden bereikt over de afwikkeling van door hem geleden schade. Dat doet geen afbreuk aan dat het uitgangspunt is dat het aan [eiser] is om de schade die hij stelt te hebben geleden te onderbouwen en het staat hem vrij om daartoe zelf een deskundige in te schakelen. Dat de Staat in het traject om te komen tot overeenstemming van zijn kant heeft besloten een expert in te schakelen leidt er niet toe dat hij – binnen het bestek van een kort geding – verplicht kan worden om de persoonsgegevens van de deskundige aan [eiser] te verstrekken.\n\nAfronding en proceskosten\n\n4.11.. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. De voorzieningenrechter merkt wel nog het volgende op. Ter zitting is aan de orde gekomen dat de Ontvanger al in juli 2025 heeft toegezegd dat helft van de kosten van het vervoer van de boten te zullen betalen. De factuur daarvan heeft [eiser] op 13 oktober 2025 al aan de Ontvanger toegestuurd (onderdeel van de factuur van Delta Watersport). Desondanks was ten tijde van de mondelinge behandeling het bedrag van de helft van de kosten van vervoer van de boten nog niet aan [eiser] uitbetaald. De Ontvanger – ter zitting aanwezig in persoon van de heer [medewerker belastingdienst] – heeft toegezegd alsnog opdracht te geven tot betaling van de helft van de transportkosten, waarbij echter wel voorafgaand aan uitbetaling gecontroleerd zal worden of er op grond van artikel 24 Invorderingswet 1990 aanleiding is om het uit te betalen bedrag te verrekenen met enig bedrag dat [eiser] nog schuldig is. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat aan deze toezegging inmiddels uitvoering is gegeven.\n\n4.12.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Omdat de Staat in persoon is verschenen, heeft hij geen advocaatkosten gemaakt. De proceskosten van de Staat worden daarom begroot op € 3.083,= aan griffierecht. Deze kosten worden verhoogd met de kosten van betekening indien [eiser] niet tijdig de proceskosten aan de Staat betaalt, een en ander zoals opgenomen in het dictum.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af;\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat van € 3.083,=, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij de kosten van die betekening betalen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.\n\nidt\n\nIn de e-mail van 13 oktober 2025 (zie onder 2.6) stelt [eiser] dat beide boten zijn verkocht voor in totaal € 65.000,=.\n\n Dit betreft de onder 2.11 geciteerde e-mail.\n\n Dit betreft de onder 2.12 geciteerde e-mail.\n\n Dit betreft de onder 2.13 geciteerde e-mail.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16959","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:34.736Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1294","ECLI:NL:GHDHA:2025:859","ecli-nl-ghdha-2025-859","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-24\u002F582 en BK-24\u002F584\n\nUitspraak van 13 maart 2025\n\nin het geding tussen:\n\n [X] B.V. te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigden: M. Ruigrok en L.M. Hendriks)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordigers: […] en […] )\n\nop het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 april 2024, nummers SGR 22\u002F7556 en SGR 22\u002F7733.\n\nProcesverloop\n\nJaar 2019 (BK-24\u002F582)\n\n1.1.1.. Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag in de vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 24.104.855 (de aanslag 2019). De aftrek elders belast is daarbij vastgesteld op € 768.636. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 16.340 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2019).\n\n1.1.2.. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag 2019 en de beschikking belastingrente 2019 afgewezen.\n\nJaar 2020 (BK-24\u002F584)\n\n1.2.1.. Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag Vpb opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 18.313.801 (de aanslag 2020). De aftrek elders belast is daarbij vastgesteld op € 644.391. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 5.970 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2020).\n\n1.2.2.. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag 2020 en de beschikking belastingrente 2020 afgewezen.\n\nBeide jaren\n\n1.3.1.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft griffierechten geheven van tweemaal € 365.\n\n1.3.2.. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“De rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\nverhoogt de aftrek elders belast op de aanslag vennootschapsbelasting 2019 naar € 918.977 en vermindert de bij deze aanslag berekende belastingrente dienovereenkomstig;\n\nverhoogt de aftrek elders belast op de aanslag vennootschapsbelasting 2020 naar € 713.455 en vermindert de bij deze aanslag berekende belastingrente dienovereenkomstig;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 875; en\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 730 (2 x € 365) aan eiseres te vergoeden.”\n\n1.4.. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingediend.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 januari 2025. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende houdt in 2019 en 2020 alle aandelen in [A Ltda] (de deelneming). De deelneming is gevestigd in Brazilië.\n\n2.2.. Belanghebbende heeft in 2019 en 2020 van de deelneming inkomen ontvangen; in 2019 een bruto inkomen van € 3.077.562 en in 2020 een bruto inkomen van € 2.042.470. Dit inkomen kwalificeert naar Braziliaans recht als “juros sobre o capital próprio” (in het Engels aangeduid als “Interest on Net Equity”, hierna ook: IoNE).\n\n2.3.. Belanghebbende heeft in haar aangiften Vpb 2019 en 2020 in verband met de ontvangen IoNE een bedrag aan te verrekenen bronbelasting in aanmerking genomen van € 769.391 (25% van € 3.077.562) (2019), respectievelijk € 477.558 (25% van € 2.042.470) (2020). Belanghebbende heeft aldus het voorkomingspercentage (de zogeheten tax sparing credit) gehanteerd dat op grond artikel 23, lid 4, letter a, van het belastingverdrag Nederland-Brazilië(het Verdrag) geldt voor ontvangen dividenden als bedoeld in artikel 10 van het Verdrag. Belanghebbende heeft met inachtneming van deze tax sparing credit voor 2019 een totale aftrek elders belast in aanmerking genomen van € 918.977 en voor 2020 één van € 713.455.\n\n2.4.. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslagen de in aanmerking genomen tax sparing credit gecorrigeerd met € 150.341 naar € 768.636 (2019), respectievelijk met € 69.064 naar € 644.391 (2020). De Inspecteur heeft aldus de tax sparing credit van 20% van toepassing geacht die op grond van artikel 23, lid 4, letter b, van het Verdrag geldt voor ontvangen interest als bedoeld in artikel 11 van het Verdrag.\n\n2.5.. Op 27 augustus 2020 is in de Staatscourant het Besluit kwalificatie Braziliaanse interest on net equitygepubliceerd. In dit besluit staat onder meer het volgende:\n\n“1. Inleiding\n\nIn de praktijk blijkt onduidelijkheid te bestaan over de kwalificatie van de Braziliaanse “Juros sobre o capital próprio” (in het Engels aangeduid met “Interest on net equity” dan wel “Allowance for corporate equity”) voor de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen met betrekking tot het inkomen[1] (hierna: “het Belastingverdrag”). Deze kwalificatie is van belang in verband met de hoogte van de op basis van het Belastingverdrag door Nederland eventueel te verlenen tax sparing credit. In dit besluit wordt toegelicht hoe deze “Interest on net equity” voor de toepassing van het Belastingverdrag geduid moet worden.\n\n1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen\n\nIoNEInterest on net equity\n\nTSCTax sparing credit\n\nWet VpbWet op de Vennootschapsbelasting 1969\n\n2. Kwalificatie van IoNE\n\nIn Brazilië is het mogelijk om – naast regulier dividend – de aandeelhouders ook een IoNE te betalen. Dit is een vergoeding op basis van de omvang van het (netto) eigen vermogen. Naar Braziliaans civiel recht is deze vergoeding op één lijn te stellen met dividend. Voor Braziliaanse fiscale doeleinden wordt de vergoeding echter behandeld als interest. De betaling is aftrekbaar bij de betalende vennootschap en belast bij de aandeelhouder.\n\nVoor Nederlandse fiscale doeleinden wordt de IoNE aangemerkt als een voordeel uit hoofde van aandelenbezit. In de situatie dat dit een voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling kwalificerend aandelenbezit betreft was hierop tot 1 januari 2016 de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 Wet Vpb van toepassing. Per 1 januari 2016 is echter artikel 13, lid 17, Wet Vpb geïntroduceerd. Op grond van deze bepaling is de deelnemingsvrijstelling niet langer op de IoNE van toepassing, omdat de IoNE in Brazilië in aftrek kan worden gebracht op de winstgrondslag.[2]\n\nBrazilië houdt op IoNE-betalingen een bronheffing in van 15%. Omdat de IoNE door de introductie van artikel 13, lid 17, Wet Vpb niet langer is vrijgesteld maar in de Nederlandse heffing wordt betrokken, en de ingehouden bronbelasting dus mogelijk verrekenbaar is, is de vraag opgekomen voor welke TSC uit het Belastingverdrag de IoNE in aanmerking komt. Uit artikel 23, lid 4, Belastingverdrag volgt dat recht bestaat op een TSC van 25% als sprake is van dividend als bedoeld in artikel 10 van het Belastingverdrag en een TSC van 20% als sprake is van interest als bedoeld in artikel 11 van het Belastingverdrag.\n\nOm de hoogte van de TSC voor de IoNE te bepalen is het dus van belang of de IoNE voor de toepassing van het Belastingverdrag kwalificeert als dividend of als interest. Uit de tekst van artikel 10, lid 3, Belastingverdrag en artikel 11, lid 4, Belastingverdrag volgt dat daarvoor bepalend is de wijze waarop het bronland (het land van waaruit de betalingen worden gedaan) de inkomsten voor de belastingwetgeving behandelt. In Brazilië wordt de IoNE fiscaal behandeld als interest. Voor de toepassing van het Belastingverdrag wordt bij deze kwalificatie aangesloten. De IoNE kwalificeert voor de toepassing van het Belastingverdrag dus als interest. Dit betekent dat onder het Belastingverdrag voor de IoNE recht bestaat op een TSC van 20%.\n\n(…)\n\n[1] Trb. 1990, nr. 67.\n\n[2] Zie ook Kamerstukken II 2015\u002F16, 34 302, nr. 18, p. 25.”\n\n2.6.. In het kader van de kwalificatie van de IoNE voor het Verdrag heeft op grond van artikel 25 van het Verdrag een onderlinge overlegprocedure plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is vastgelegd in het Besluit bevestiging kwalificatie Braziliaanse interest on net equity van 16 maart 2022(het MAP-besluit). Het MAP-besluit vermeldt – voor zover hier relevant – het volgende:\n\n“JCP was introduced in Brazilian law (by Art. 9 of Lei nº 9249\u002F1995) after conclusion of the Convention. Therefore, the Convention does not specifically address whether, under the Convention, JCP should be considered as a dividend as defined in paragraph 3 of Article 10, or as interest as defined in paragraph 4 of Article 11 of the Convention.\n\nJCP is a remuneration that a company organized under Brazilian law can elect to pay to its shareholders on the basis of the net equity of the company. Since JCP is calculated on the basis of the net equity of the company and paid to shareholders only in the existence of profits of the current period, accumulated earnings or profit reserves of previous periods, it could raise doubts whether it can be qualified as a dividend (Art. 10 of the Convention) or interest (Art. 11).\n\nAfter discussing the issue, among other reasons, the competent authorities considered that the following elements should be taken into consideration for the qualification of JCP.\n\nFirst, JCP is treated as interest for Brazilian tax purposes, meaning that JCP is deductible for the payer and taxable with the payee for corporate income tax (in Portuguese: Imposto de Renda das Pessoas Jurídicas) and social contribution on the net profits (in Portuguese: Contribuição Social Sobre o Lucro Líquido) purposes, and that withholding tax is levied on JCP.\n\nSecond, Art. 10(3) and Art. 11(4) of the Convention read as follows:\n\nArt. 10 Dividends – 3. The term ‘dividends’ as used in this Article means income from shares, ‘jouissance’ shares or ‘jouissance’ rights, mining shares, founders’ shares or other rights, not being debt-claims, participating in profits, as well as income fromother corporate rights which is subjected to the same taxation treatment as income from shares by the laws of the State of which the company making the distribution is a resident.\n\nArt. 11 Interest – 4. The term ‘interest’ as used in this Article means income from government securities, bonds or debentures, whether or not secured by mortgage and whether or not carrying a right to participate in profits, and debt-claims of every kindas well as other income assimilated to income from money lent by the taxation law of the Contracting State in which the income arises.\n\nThus, in specific cases, the Convention indicates that the qualification should follow the taxation treatment of the residence country of the company making the distribution of dividends or the residence country of the payer of the interest.\n\nConsidering the above, the Competent Authorities wish to clarify the treatment of JCP under the Convention. The Competent Authorities have agreed that for the purpose of applying the Convention, in accordance with Brazilian tax law, JCP is considered interest within the meaning of paragraph 4 of Article 11 of the Convention.”\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“10. De rechtbank stelt voorop dat het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht van 23 mei 1969 (het Verdrag van Wenen) niet van toepassing is op het belastingverdrag, gelet op de datum van aansluiting van Brazilië bij dit uitlegverdrag. Dit laat onverlet dat de desbetreffende uitlegregels een codificatie zijn van algemene rechtsbeginselen en als zodanig dus niet hun betekenis verliezen voor de beoordeling van het belastingverdrag. In dit verband overweegt de rechtbank dat een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd, overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag. Ook kan daarbij acht worden geslagen op elke overeenstemming met betrekking tot het verdrag die bij het sluiten van het verdrag is bereikt. Ook kan rekening worden gehouden met later tot stand gekomen overeenstemming tussen partijen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag.[4]\n\n11. In het belastingverdrag worden dividenden gedefinieerd als:\n\n“inkomsten uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, mijnaandelen, oprichtersaandelen of andere rechten, met uitzondering van schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst, alsmede inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die door de wetgeving van de Staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomsten uit aandelen”.[5]\n\n12. Interest wordt in het belastingverdrag gedefinieerd als:\n\n“inkomsten uit overheidsleningen, obligaties of schuldbewijzen, al dan niet verzekerd door hypotheek en al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst, en schuldvorderingen van welke aard ook, alsmede alle andere inkomsten die door de belastingwetgeving van de Overeenkomstsluitende Staat waaruit de inkomsten afkomstig zijn, met inkomsten uit geldlening worden gelijkgesteld”.[6]\n\n13. De IoNE is in de Braziliaanse belastingwet geïntroduceerd door artikel 9 van de Wet (LEI) nr. 9.249\u002F95 van 26 december 1995. De IoNE is een wettelijke vergoeding die uitsluitend aan aandeelhouders wordt betaald op basis van het netto eigen vermogen van de uitkerende vennootschap. Een vereiste voor de betaling van de IoNE is dat er winst is. De betaalde IoNE is fiscaal aftrekbaar voor de betalende vennootschap.\n\n14. De rechtbank stelt vast dat op het moment van sluiten van het belastingverdrag in 1990 de IoNE nog niet bestond. De IoNE is in Brazilië geïntroduceerd in 1995. Ten tijde van het sluiten van het belastingverdrag was dan ook geen sprake van overeenstemming ten aanzien van de IoNE.\n\n15. Uit de tekst van de onderlinge overlegprocedure blijkt dat voor de bevoegde (belasting)autoriteiten van de verdragsluitende staten onduidelijk was of de IoNE voor de toepassing van het belastingverdrag kwalificeert als dividenden of interest. Naar het oordeel van de rechtbank neemt dit niet weg dat in elk geval tot het moment waarop verdragsluitende staten daaromtrent via de overlegprocedure overeenstemming hebben bereikt - namelijk dat de IoNE kwalificeert als interest - de IoNE voor de verdragstoepassing ook kwalificeerde als dividenden. Hierbij neemt de rechtbank onder meer in aanmerking dat de IoNE:\n\nis gerelateerd aan het kapitaal in de vennootschap (eigen vermogen) en niet aan vreemd vermogen;\n\nvoor wat betreft de (toegestane) omvang is gerelateerd aan de (omvang van de) winstreserves;\n\ndient te zijn overeengekomen op de algemene aandeelhoudersvergadering; en\n\nkan worden uitgekeerd enkel aan aandeelhouders en ook slechts in verhouding tot het belang van de aandeelhouders.\n\n16. Naar het oordeel van de rechtbank betekent het voorgaande voor de onderhavige jaren, die immers liggen vóór de totstandkoming van het MAP-besluit, dat eiseres recht heeft op een tax sparing credit voor dividenden van 25%. Ook indien de IoNE reeds vóór de totstandkoming van het MAP-besluit ook als interest zou moeten worden aangemerkt, moet Nederland namelijk de hogere tax sparing credit van 25% toepassen op grond van de voor de verdragstoepassing geldende (voorrangs)regels bij gelijktijdige toepassing van beide verdragsbepalingen. Nu bij samenloop van beide verdragsbepalingen geen concrete (voorrangs)regels zijn opgenomen in het belastingverdrag, dient Nederland tegelijkertijd aan beide bepalingen te voldoen. In dit geval houdt dat in dat de minst beperkende bepaling - en dus de voor eiseres meest gunstige bepaling (25% tax sparing credit) - dient te worden toegepast. Voor zover verweerder meent dat dit alles in strijd is met de context van het belastingverdrag, volgt de rechtbank hem daarin niet. De bewoording van de verdragsbepaling over dividenden is immers duidelijk en de concrete eigenschappen van de IoNE stemmen daarmee overeen. Ook wijst de rechtbank erop dat eventuele onduidelijkheden in verdragsteksten voor rekening en risico dienen te komen van de verdragsluitende staten en bij gerede twijfel niet ten nadele van een belastingplichtige dienen te worden uitgelegd. Een latere onderlinge overlegprocedure, waarin de verdragsluitende staten een en ander nader verduidelijken, doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af en kan niet voor eerdere jaren aan belastingplichtigen worden tegengeworpen. Die onduidelijkheid staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook in de weg aan het volgen van het standpunt van verweerder dat uit de context van het belastingverdrag volgt dat de IoNE kwalificeert als interest waardoor de (lagere) tax sparing credit voor interest van toepassing is. Dit was in elk geval tot de totstandkoming van het MAP-besluit geenszins duidelijk, wat juist ook volgt uit de gevolgde overlegprocedure.\n\n17. De rechtbank volgt verweerder ook niet in zijn stelling dat de uitkomst van de onderlinge overlegprocedure tussen Nederland en Brazilië ook voor de onderhavige jaren - en dus in zoverre in feite met terugwerkende kracht - met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat de IoNE (enkel) kwalificeert als interest en dat daarom de lagere tax sparing credit van 20% van toepassing is. Zo met de onderlinge overlegprocedure en het daaruit voortvloeiende MAP-besluit al is komen vast te staan dat de IoNE voor de verdragstoepassing (enkel) kwalificeert als interest, neemt dat niet weg dat daarover voor de onderhavige (daarvóór liggende) jaren, voorzichtig uitgedrukt, nog onduidelijkheid bestond, wat ook blijkt uit de eerdere standpuntinnames door de Nederlandse belastingautoriteiten over de kwalificatie van IoNE als dividenden. Tot 18 oktober 2018 (datum van intrekking van het ‘oude beleid’) namen de Nederlandse belastingautoriteiten namelijk nog het standpunt in dat de IoNE kwalificeert als dividenden. Nu de onduidelijkheid over de kwalificatie van de IoNE als interest in elk geval in de onderhavige jaren 2019 en 2020 nog bestond, kan de verdragsposterieure uitleg door middel van de onderlinge overlegprocedure in 2022 naar het oordeel van de rechtbank niet ten nadele van eiseres worden ingeroepen.[7] Dit kan ook niet via de wijze die verweerder bepleit, namelijk - kort samengevat - dat met die uitleg de context van het belastingverdrag in wezen niet is veranderd maar slechts concreet is geduid zodat de IoNE van meet af aan (enkel) als interest heeft gekwalificeerd. Dat standpunt van verweerder gaat voorbij aan de andersluidende uitlatingen van de Nederlandse belastingautoriteiten en doet geen recht aan de eerder heersende onduidelijkheid omtrent de kwalificatie van de IoNE als interest en is daarmee naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel.\n\n18. Het vorenstaande betekent dat eiseres voor de ontvangen IoNE recht heeft op de voor dividenden geldende tax sparing credit van 25%. Nu voor de onderhavige jaren het gelijk reeds aan eiseres is, behoeft al hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd geen verdere behandeling.\n\n19. Tussen partijen is niet in geschil dat bij een gegrond beroep de aftrek elders belast voor 2019 € 918.977 bedraagt en voor 2020 € 713.455. De rechtbank zal de aanslagen dienovereenkomstig verminderen.\n\n20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit PKV) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875, een wegingsfactor 1 en een factor 1 wegens samenhang tussen beide procedures). Voor een hogere vergoeding in dit verband bestaat geen aanleiding; gesteld noch gebleken is dat de (ter zitting verschenen) gemachtigde nog meer proceshandelingen heeft verricht waarvoor op grond van het Besluit PKV een vergoeding moet worden toegekend. Overige krachtens dat besluit voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn evenmin gesteld.\n\n(…)\n\n[4] Vgl. de uitspraken van rechtbank Zeeland-West-Brabant met ECLI:NL:RBZWB:2023:2936 en ECLI:NL:RBZWB:2023:8642.\n\n[5] Artikel 10, derde lid, van het belastingverdrag.\n\n[6] Artikel 11, vierde lid, van het belastingverdrag.\n\n[7] Vgl. weer de uitspraken van rechtbank Zeeland-West-Brabant met ECLI:NL:RBZWB:2023:2936 en ECLI:NL:RBZWB:2023:8642.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In hoger beroep is in geschil of belanghebbende voor de in 2019 en 2020 ontvangen IoNE recht heeft op een tax sparing credit van 25% voor dividend op grond van artikel 23, lid 4, letter a, van het Verdrag of van 20% voor interest op grond van artikel 23, lid 4, letter b, van het Verdrag.\n\n4.2.. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.\n\n4.3.. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vergoeding van de proceskosten voor het beroep en het hoger beroep.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nVerdragsrechtelijk kader\n\n5.1.. Artikel 10, lid 3, van het Verdrag luidt als volgt:\n\n“De uitdrukking „dividenden”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, mijnaandelen, oprichtersaandelen of andere rechten, met uitzondering van schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst, alsmede inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die door de wetgeving van de Staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomsten uit aandelen.”\n\n5.2.. Artikel 11, lid 4, van het Verdrag luidt als volgt:\n\n“De uitdrukking „interest”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit overheidsleningen, obligaties of schuldbewijzen, al dan niet verzekerd door hypotheek en al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst, en schuldvorderingen van welke aard ook, alsmede alle andere inkomsten die door de belastingwetgeving van de Overeenkomstsluitende Staat waaruit de inkomsten afkomstig zijn, met inkomsten uit geldlening worden gelijkgesteld.”\n\nKenmerken van IoNE\n\n5.3. De IoNE is in de Braziliaanse belastingwet geïntroduceerd door artikel 9 van de Wet (Lei) nr. 9.249\u002F1995 van 26 december 1995. De IoNE is een vergoeding die door een vennootschap uitsluitend aan aandeelhouders wordt betaald in hun hoedanigheid van aandeelhouder, in verhouding tot hun aandelenbezit en op basis van het netto eigen vermogen van de uitkerende vennootschap. Deze vergoeding wordt berekend naar het Braziliaanse officiële rentepercentage dat geldt voor langetermijnleningen. Voor de betaling van de IoNE is vereist dat de aandeelhouders voorafgaande goedkeuring hebben gegeven. Bij de uitkering van IoNE gelden twee limieten: (i) 50% van de jaarwinst vóór aftrek van IoNE en winstbelasting (maar na aftrek van de sociale bijdrage) en (ii) 50% van de totale winstreserves van de uitkerende vennootschap. De betaalde IoNE is aftrekbaar in de winstbelasting voor de betalende vennootschap en wordt onderworpen aan een bronheffing van 15%, die verrekenbaar is met de winstbelasting voor in Brazilië gevestigde entiteiten-aandeelhouders en een eindheffing vormt voor in Brazilië woonachtige natuurlijke personen en buitenlandse belastingplichtigen. Een bronheffing naar een tarief van 25% is van toepassing indien de IoNE wordt betaald aan buitenlands belastingplichtigen in laagbelastende jurisdicties.\n\nIoNE voor toepassing van het Verdrag\n\n5.4.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende op grond van het Verdrag recht heeft op een tax sparing credit van 20% voor het bruto inkomen van € 38.010.478 dat zij in 2019 uit haar deelneming heeft ontvangen. De Inspecteur voert hiertoe aan dat de IoNE moet worden aangemerkt als interest zoals bedoeld in artikel 11, lid 4, van het Verdrag. Volgens de Inspecteur moet het Verdrag op grond van artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (het Verdrag van Wenen) te goeder trouw worden uitgelegd, overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het Verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het Verdrag. Voorts dient op grond van artikel 31, lid 3, letter a, van het Verdrag van Wenen rekening te worden gehouden met iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de partijen met betrekking tot de uitlegging van het Verdrag of de toepassing van zijn bepalingen. Het MAP-besluit (zie 2.6) is volgens de Inspecteur een dergelijke overeenstemming. In artikel 11, lid 4, van het Verdrag is de uitgebreide definitie van het begrip “interest” uit het OESO-modelverdrag 1963 opgenomen, die niet in het OESO-modelverdrag 1977 is opgenomen. Dit is volgens de Inspecteur in lijn met het uitdrukkelijke voorbehoud dat Brazilië bij deze bepaling uit het OESO-modelverdrag 1977 heeft gemaakt. Daarom volgt uit de context van het Verdrag dat voor het antwoord op de vraag of de IoNE kwalificeert als dividend dan wel interest, aansluiting moet worden gezocht bij de kwalificatie die de bronstaat daaraan geeft, aldus de Inspecteur. Aangezien de belastingwetgeving van Brazilië de IoNE beschouwt als financiële opbrengst\u002Flast, behandelt Brazilië de IoNE op een vergelijkbare wijze als interest. Het voorgaande is door de bevoegde autoriteiten in het MAP-besluit bevestigd, zo betoogt de Inspecteur. Belanghebbende heeft de stellingen van de Inspecteur gemotiveerd betwist.\n\n5.5.. Anders dan de Inspecteur met betrekking tot de IoNE betoogt, volgt uit artikel 10, lid 3, en artikel 11, lid 4, van het Verdrag niet dat per definitie bijzondere waarde moet worden gehecht aan de wijze waarop Brazilië als bronstaat de IoNE op grond van zijn belastingwetgeving behandelt. Hieraan wordt pas toegekomen indien in het geval van artikel 10, lid 3, van het Verdrag, sprake is van “inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die (…) op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomsten uit aandelen” en in het geval van artikel 11, lid 4, van het Verdrag, indien sprake is van “andere inkomsten die (…) met inkomsten uit geldlening worden gelijkgesteld” (in de Engelse authentieke taalversie: “other income assimilated to income from money lent”). In het onderhavige geval zal daarom eerst worden beoordeeld of de IoNE kwalificeert als “inkomsten uit aandelen” zoals bedoeld in artikel 10, lid 3, van het Verdrag.\n\n5.6.. De uitdrukking “inkomsten uit aandelen” wordt als zodanig niet omschreven in het Verdrag. Bij gebrek aan een zodanige definitie moet voor de uitleg van dit begrip door Nederland op grond van artikel 3, lid 2, van het Verdrag worden aangesloten bij de betekenis van die uitdrukking volgens de Nederlandse belastingwetgeving, tenzij de context anders vereist. Hierbij prevaleert de betekenis van de uitdrukking van het begrip “inkomsten uit aandelen” volgens de Nederlandse belastingwetgeving dus boven de betekenis die volgens de Braziliaanse belastingwetgeving aan die uitdrukking wordt gegeven.\n\n5.7.. Volgens de Nederlandse belastingwetgeving kwalificeren de IoNE-uitkeringen als inkomsten uit aandelen. Het Hof wijst in dit verband op de civielrechtelijke kenmerken zoals vermeld in 5.3, namelijk dat de IoNE uitsluitend bij aandeelhoudersbesluit aan aandeelhouders wordt betaald in hun hoedanigheid van aandeelhouder, uit hoofde van hun aandelenbezit, in verhouding tot hun aandelenbezit en bij aanwezigheid van winst. De IoNE-uitkeringen vertonen aldus dermate sterke overeenkomsten met dividenden naar Nederlands burgerlijk recht dat zij voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) moeten worden aangemerkt als inkomsten uit aandelen (vgl. HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:224, BNB 2014\u002F79, r.o. 3.3.1-3.3.3).\n\n5.8.. Het Hof neemt voorts in aanmerking dat bij een kwalificerend aandelenbezit tot 1 januari 2016 de deelnemingsvrijstelling van artikel 13, Wet Vpb op de IoNE-uitkeringen van toepassing was. Op grond van het sinds 1 januari 2016 geldende artikel 13, lid 17, Wet Vpb worden de IoNE-uitkeringen nog steeds als voordelen uit hoofde van een deelneming aangemerkt, zij het dat deze worden uitgesloten van de deelnemingsvrijstelling wegens de aftrekbaarheid ervan op de winstbelastinggrondslag in Brazilië (zie Kamerstukken II 2015\u002F16, 34 302, nr. 18, p. 25). De omstandigheid dat de IoNE voor de betalende vennootschap, net als interest, fiscaal aftrekbaar is, doet daarom niet af aan het feit dat Nederland deze voor fiscale doeleinden als voordeel uit hoofde van aandelenbezit aanmerkt.\n\n5.9.. Naar het oordeel van het Hof vereist de context van het Verdrag geen andere uitleg van het begrip “inkomsten uit aandelen” dan de uitleg volgens de Nederlandse belastingwetgeving. Artikel 10, lid 3, van het Verdrag stemt overeen met artikel 10, lid 3, van het OESO-modelverdrag 1977. Gelet op hetgeen staat vermeld in paragrafen 24 en 28 van het commentaar op artikel 10 van het OESO-modelverdrag 1977, moet voor de uitleg van het begrip “inkomsten uit aandelen” in de eerste plaats worden aangeknoopt bij winstuitdelingen ingevolge een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders en ten titel van het bezit van aandelen in een lichaam met een in aandelen verdeeld kapitaal. De context van het Verdrag bevestigt derhalve de uitleg van het begrip “inkomsten uit aandelen” volgens de Nederlandse belastingwetgeving.\n\n5.10.. De IoNE-uitkeringen vallen derhalve onder de “inkomsten uit aandelen” zoals bedoeld in artikel 10, lid 3, van het Verdrag. Dit brengt mee dat van “inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten” zoals bedoeld in artikel 10, lid 3, van het Verdrag, waarnaar de Inspecteur refereert, geen sprake is. De wijze waarop de IoNE in de Braziliaanse wetgeving aan belastingheffing wordt onderworpen, is in dit verband niet relevant. De verwijzing naar het nationale recht van de bronstaat betreft immers alleen het laatste deel van de definitie van het begrip “dividenden” en dus niet de andere elementen van de definitie, waaronder het begrip “inkomsten uit aandelen”.\n\n5.11.. De vraag is dan of IoNE óók als interest voor verdragstoepassing kan worden gekwalificeerd, en zo ja, hoe met de samenloop tussen artikel 10 en artikel 11 van het Verdrag moet worden omgegaan. Niet in geschil is dat de IoNE-uitkeringen niet zijn aan te merken als “inkomsten uit overheidsleningen, obligaties of schuldbewijzen, al dan niet verzekerd door hypotheek en al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst, en schuldvorderingen van welke aard ook” in de zin van artikel 11, lid 4, van het Verdrag. Daarom behoeft in dit verband slechts te worden beoordeeld of deze uitkeringen door de belastingwetgeving van Brazilië worden gelijkgesteld (“assimilated”) met inkomsten uit geldleningen. Anders dan de Inspecteur betoogt, is voor het antwoord op deze vraag niet van belang of de belastingwetgeving van Brazilië deze uitkeringen op een vergelijkbare wijze als interest behandelt, aangezien ‘op een vergelijkbare wijze behandelen’ een ruimere maatstaf behelst dan ‘gelijkstellen met’.\n\n5.12.. Artikel 9 van de Wet (Lei) nr. 9.249\u002F1995 van 26 december 1995 schrijft niet met zoveel woorden voor dat de IoNE voor de Braziliaanse belastingheffing wordt gelijkgesteld met rente. Evenmin volgt een dergelijke gelijkstelling uit de wijze waarop de Braziliaanse belastingwetgeving de IoNE behandelt. Op basis van de gedingstukken, waaronder het memorandum van het International Bureau of Fiscal Documentation van 6 mei 2019, stelt het Hof dienaangaande het volgende vast. Het belasten van IoNE-uitkeringen volgens de Braziliaanse belastingwetgeving is op een andere wettelijke grondslag gebaseerd dan het belasten van financiële opbrengsten\u002Flasten. Er gelden voorts afwijkende aftrekbeperkingen en vrijstellingen. Bij de heffing ter zake van financiële opbrengsten\u002Flasten zijn ook andere tarieven van toepassing dan het vaste tarief van 15% bronheffing op IoNE-uitkeringen en 25% bronheffing op IoNE-uitkeringen aan buitenlandse belastingplichtigen in laagbelastende jurisdicties. Hoewel deze bronheffingstarieven in beginsel ook gelden voor rente betaald aan buitenlandse belastingplichtigen, geldt voor bepaalde typen rente een afwijkende regeling of een gunstigere behandeling. In binnenlandse situaties is voor inkomsten uit geldleningen en andere investeringen met een vaste rente bovendien sprake van een bronheffing naar een regressief tarief dat afhankelijk is van de duur van een dergelijke geldlening of investering (er geldt een tarief van 22,5% voor transacties met een duur tot en met 180 dagen, 20% voor transacties met een duur vanaf 181 tot en met 360 dagen, 17,5% voor transacties met een duur vanaf 361 tot en met 720 dagen en 15% voor transacties met een duur van meer dan 720 dagen). Tevens zijn IoNE-uitkeringen onderworpen aan “Contribuição para o Programa de Integração Social, PIS” (een heffing van de bijdrage aan het werknemersparticipatiegprogramma) en aan “Contribuição para o Financiamento da Seguridade Social, COFINS” (een heffing van de bijdrage aan sociale zekerheid) naar het speciale gecombineerde tarief van 9,25%, dat afwijkt van het gecombineerde tarief van 4,65% dat algemeen van toepassing is op financiële opbrengsten\u002Flasten.\n\n5.13.. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat op grond van de Braziliaanse belastingwetgeving de IoNE-uitkeringen niet met inkomsten uit geldleningen worden gelijkgesteld. De IoNE kan daarom niet tevens kwalificeren als interest in de zin van artikel 11, lid 4, van het Verdrag. Een eventuele samenloop tussen artikel 10 en artikel 11 van het Verdrag is derhalve niet aan de orde.\n\nMAP-besluit\n\n5.14.. De Inspecteur betoogt dat op grond van artikel 31, lid 3, letter a, van het Verdrag van Wenen met de later tot stand gekomen overeenstemming neergelegd in het MAP-besluit rekening moet worden gehouden bij de uitlegging van het Verdrag. Deze overeenstemming is volgens de Inspecteur immers een verduidelijking en een bevestiging van hetgeen reeds in de jaren vóór de inwerkingtreding van het MAP-besluit uit de context van het Verdrag volgde, namelijk dat de kwalificatie van Brazilië van de IoNE als interest dient te worden gevolgd (zie 5.4).\n\n5.15.. Vast staat dat op het moment van het sluiten van het Verdrag in 1990 de IoNE nog niet bestond, zodat de verdragspartijen ten tijde van het sluiten van het Verdrag ten aanzien van de kwalificatie van de IoNE voor verdragstoepassing geen overeenstemming hadden bereikt. Naar het oordeel van het Hof behoeft geen rekening te worden gehouden met de later tot stand gekomen overeenstemming die is neergelegd in het MAP-besluit, inhoudend dat de bevoegde autoriteiten de IoNE aanmerken als interest. Hieraan gaat het Hof voorbij, reeds omdat deze overeenstemming in de onderhavige jaren nog niet was bereikt en pas van betekenis zou kunnen zijn bij de interpretatie van het Verdrag vanaf het moment dat de overeenstemming op deugdelijke wijze is bekendgemaakt.\n\nSlotsom\n\n5.16.. Gelet op het voorgaande kwalificeren de IoNE-uitkeringen als inkomsten uit aandelen zoals bedoeld in artikel 10, lid 3, van het Verdrag, zodat sprake is van dividend voor toepassing van het Verdrag. Belanghebbende heeft daarom recht op een tax sparing credit van 25% op grond van artikel 23, lid 4, letter a, van het Verdrag en in verband hiermee recht op een bedrag aan te verrekenen bronbelasting van respectievelijk € 769.391 (2019) en € 477.558 (2020). Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n6.1.. Er bestaat aanleiding de Inspecteur te veroordelen voor de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep: 2 punten (1 punt verweerschrift en 1 punt zitting Hof) à € 907 x 1 (gewicht van de zaak).\n\n6.2.. Voorts dient van de Inspecteur een griffierecht van € 559 te worden geheven.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof:\n\nbevestigt de uitspraak van de Rechtbank;\n\nveroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 1.814; en\n\ngelast dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 559.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, S.E. Postema en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.\n\nDe beslissing is op 13 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nOvereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen van 8 maart 1990, Trb. 1990, 67.\n\nBesluit van de staatssecretaris van Financiën van 4 augustus 2020, nr. 2020-14853, Stcrt. 2020, 44499.\n\nBesluit van de staatssecretaris van Financiën van 16 maart 2022, Stcrt. 2022, 8330.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:859","2025-05-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:14.385Z",1,20]