[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-family-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":55,"total":16,"page":25,"limit":206},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},38,{"min":18,"max":19},"2025-11-11T00:00:00.000Z","2026-06-10T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,36,39,43,46,49,52],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121985","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 265",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"121986","Burgerlijk Wetboek","art. 1:12 lid 1",{"provisionId":31,"code":23,"article":32,"count":25},"121845","art. 822",{"provisionId":34,"code":28,"article":35,"count":25},"122856","art. 1:207 lid 1",{"provisionId":37,"code":28,"article":38,"count":25},"122857","art. 1:207",{"provisionId":40,"code":41,"article":42,"count":25},"123936","Vreemdelingenwet","art. 28",{"provisionId":44,"code":28,"article":45,"count":25},"123938","art. 1:28",{"provisionId":47,"code":28,"article":48,"count":25},"123939","art. 1:28 lid 2",{"provisionId":50,"code":23,"article":51,"count":25},"124004","art. 267",{"provisionId":53,"code":23,"article":54,"count":25},"124005","art. 269",[56,67,76,83,90,99,106,113,120,127,134,141,148,155,162,169,176,183,192,199],{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":61,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":65,"updatedAt":66},"1191","ECLI:NL:RBDHA:2026:17334","ecli-nl-rbdha-2026-17334","","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F684680\u002F HA ZA 25-386\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw], te [woonplaats 1] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. D. Rezaie,\n\ntegen\n\n [de man], te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. R.J. Bouwmeester.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 15 april 2025, met producties 1 tot en met 5;\n\n- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;\n\n- het tussenvonnis van 9 juli 2025, waarin de mondelinge behandeling is bevolen;\n\n- de brief van 1 september 2025 van mr. Bouwmeester, met drie bijlagen;\n\n1.2.. \n\nDe rechtbank heeft op 12 september 2025 een vertaling opgevraagd van de\n\nhuwelijksakte en een vertaling van de religieuze echtscheiding en heeft partijen ook\n\ngevraagd zich uit te laten over het toepasselijk recht op de vordering tot betaling van de\n\nbruidsgave en over hun nationaliteit ten tijde van het sluiten van hun huwelijk. Hierna hebben partijen de volgende berichten aan de rechtbank gestuurd:\n\n- het rolbericht van 15 september 2025 van mr. Rezaie, met de beëdigde vertaling van de\n\n religieuze echtscheiding;\n\n- het rolbericht van 17 september 2025 van mr. Rezaie over de uitlating van het toepasselijk\n\n recht, met producties 6 tot en met 8;\n\n- het rolbericht van 22 september 2025 van mr. Rezaie, met de beëdigde vertaling van de\n\n Iraanse huwelijksakte, behorende bij productie 6.\n\n- het rolbericht van 22 september 2025 van mr. Bouwmeester met uitlating over de\n\n nationaliteit en nieuwe informatie met bijlagen over nationaliteit.\n\n1.3.. \n\nOp 24 september 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak\n\nplaatsgevonden. Beide partijen zijn verschenen, zowel de vrouw als de man zijn bijgestaan\n\ndoor een tolk. Partijen hebben de zaak mondeling toegelicht en vragen van de rechtbank\n\nbeantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge\n\nbehandeling is besproken.\n\n1.4.. \n\nNa de mondelinge behandeling is de zaak naar de rol van 25 oktober 2025 verwezen\n\nvoor akte uitlaten partijen in verband met onderhandelingen over een regeling. Partijen\n\nhebben uiteindelijk vonnis gevraagd. De datum voor vonnis is bepaald op heden.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nDe man is ruim dertig jaar geleden uit Irak naar Nederland gevlucht. Met ingang\n\nvan eind oktober 1996 is de man in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) opgenomen.\n\n2.2.. Partijen stellen op [datum 1] 2003 met elkaar in Iran te zijn gehuwd. De beëdigde vertaling van (een kopie van) de huwelijksakte luidt als volgt:\n\n“Volledige gegevens van de echtgenoot\n\nVoornaam: de heer [voornaam 1] Familienaam: [familienaam 1]\n\n(…)\n\nBeroep: student opleiding tandtechnicus Religie en geloofsstroming; moslim – Sjiitisch\n\nNationaliteit: Iran\n\nWoonachtig te: Nederland, [plaats 1] (…)\n\nHeeft de echtgenoot een andere echtgenote? Heeft hij niet\n\nMet vreugde en welslagen\n\nVolledige gegevens van de echtgenote\n\nVoornaam: Mejuffrouw [voornaam 2] Familienaam: [familienaam 2]\n\n(…)\n\nBeroep: huisvrouw Religie en geloofsstroming: Moslima, Sjiitisch\n\nNationaliteit: Iran\n\nWoonachtig te: [plaats 2] (…), in aanwezigheid met toestemming van vader van betrokkene\n\nHandtekening voogd\u002F vertegenwoordiger van de echtgenote: [getekend]\n\nSoort huwelijk: het huwelijk is permanent\n\nBruidsgave en handtekening echtpaar: een bedrag van tweehonderdentweeënzestig duizend en een halve courante Rials bij wijze van geschenk, een Koran en ‘mahr al-Sunnah’ [bruidsgave], daarbij dertienhonderdvierenvijftig [1354] stuks gouden, hele ‘Bazar-e azadi’ muntenstukken van onbepaalde waarde, een bedrag van zevenhonderdduizend Rials bij wijze van de waarde van spiegel en kandelaar, het geheel door de echtgenoot verschuldigd aan de echtgenote, hetwelk op aanvraag van echtgenote dient te worden voldaan.”\n\nDit huwelijk (hierna: het Iraanse huwelijk) is in Nederland niet in de GBA ingeschreven.\n\n2.3.. Na dit huwelijk heeft de man geprobeerd om de vrouw, op basis van de Iraanse huwelijksakte, via gezinshereniging naar Nederland te halen. Dit is mislukt.\n\n2.4.. Vervolgens zijn partijen op [datum 2] 2004 in [plaats 3] , Syrië, met elkaar gehuwd. In de daarvan opgemaakte Syrische huwelijksakte is – vertaald in het Engels en voor zover van belang – het volgende opgenomen:\n\n“MARRIAGE DEED\n\nThe First Party: The Husband\n\nName, Father’s Name & Surname [voornaam 1] [naam vader 1] [familienaam 1]\n\nDate and Place of Birth [geboortedatum 1] 1964, [geboorteplaats 1]\n\nPlace of Residence and Domicile Number - Iraqi citizen, holing the Netherlands passport No. [paspoortnummer] (…)\n\n- Muslim\n\nHusband’s representative Himself (…)\n\nThe Second Party: The Wife\n\nName, Father’s Name & Surname [voornaam 2] [naam vader 2] [familienaam 2] (…)\n\nMarital status Single\n\nDate and Place of Birth [geboortedatum 2] 1975, [geboorteplaats 2]\n\nPlace of Residence and Domicile Number - Iranian citizen (…)\n\n Muslim\n\nWife’s Proxy General Guardianship\n\nFirst Witness (…)\n\nSecond witness (…)\n\n(…)\n\nThe Dowry:\n\nAdvance Dowry US$ 5000 Five thousand US dollars paid\n\nDeferred Dowry US$ 1.000.000 One million US dollars (…) unpaid\n\n(….)\n\nCertified on [datum 2] \u002F2004\n\nLegalized by Ministry of Justice in [plaats 3] ”\n\nDit huwelijk (hierna: het Syrische huwelijk) is wel opgenomen in de GBA. Met ingang van 8 maart 2005 is de vrouw in de GBA opgenomen.\n\n2.5.. \n\nOp 27 januari 2021 hebben partijen deze rechtbank gemeenschappelijk verzocht om\n\nde echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld op [datum 2] 2004 te [plaats 3] , Syrië, met elkaar te zijn gehuwd. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 augustus 2021 (C\u002F09\u002F606595\u002F FA RK 21-577) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Tevens is, voor zover van belang, bepaald dat het aangehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking, dat de financiële behoefte van de minderjarige op een bedrag van € 165,00 per maand wordt bepaald en dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige op nihil wordt bepaald zo lang de draagkracht daarvoor ontbreekt en dat de door de man [de rechtbank begrijpt: aan de vrouw] te betalen uitkering tot levensonderhoud op nihil wordt bepaald, zo lang de draagkracht daarvoor ontbreekt.\n\n2.6.. Het op 23 december 2020 opgemaakte echtscheidingsconvenant houdt onder meer het volgende in:\n\n“IN AANMERKING NEMENDE DAT:\n\n1. Partijen zijn op [datum 2] 2004 te [plaats 3] (Syrië) (…) gehuwd. Het huwelijk is door partijen bij de Nederlandse ambassade te [plaats 3] geregistreerd.\n\n2. De vrouw is na het huwelijk naar Nederland gereisd. De man is – nadat hij een visum verkreeg – naar Nederland gekomen.\n\n(…)\n\n4. De man woont thans in België, omdat hij daar zijn kans om betalend werk te vinden groter acht.\n\n(...)\n\nSTELLEN VAST EN KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:\n\n(…)\n\nPartneralimentatie\n\nArtikel 2\n\nDe vrouw maakt aanspraak op partneralimentatie voor de wettelijk bepaalde maximale termijn. De man, die thans een WIA-uitkering ontvangt, heeft geen draagkracht om partneralimentatie aan de vouw te betalen. (…)\n\nVerdeling der huwelijksgoederengemeenschap\n\nArtikel 4.1\n\nPartijen gaan hierbij over tot verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap. De verdeling en de daaruit voortvloeiende leveringen vinden plaats onder de opschortende voorwaarde van de ontbinding van het huwelijk door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.\n\n(...)\n\nArtikel 4.3\n\nDe huwelijksgoederengemeenschap bestaat uit een auto (…) en de inboedel van de echtelijke woning. Partijen hebben de waarde van de auto geschat op € 3.000,00 en de waarde van de inboedel op € 6.000,00. De auto wordt toegescheiden aan de man en de inboedel aan de vrouw.\n\nArtikel 4.4\n\nDe volgende schulden van partijen worden toegescheiden aan de man: [volgt opsomming van diverse schulden tot een bedrag van circa € 2.225,00, rb.]. De man verbindt zich jegens de vrouw om deze schulden als eigen schuld af te lossen.\n\nDe volgende schulden van partijen worden toegescheiden aan de vrouw, met dien verstande dat als de gezamenlijke schulden niet de Belastingdienst worden kwijtgescholden, partijen over de betaling van die schulden met elkaar in overleg gaan; [volgt opsomming van diverse (belasting)schulden tot een bedrag van circa € 5.986,00, rb]. De vrouw verbindt zich jegens de man om deze schulden als eigen schuld af te lossen.\n\n(…)\n\nArtikel 4.6\n\nEr zijn geen bankrekeningen met een creditsaldo.\n\n(…)\n\nArtikel 4.9\n\nPartijen verklaren uitdrukkelijk dat behoudens de hierboven genoemde goederen, vorderingen op en van derden en overige rechten geen andere goederen, vorderingen en rechten tot de huwelijksgoederengemeenschap, waarin zij zijn gehuwd, behoren.\n\n(…)\n\nArtikel 6.3\n\nPartijen verklaren, dat wanner de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap conform deze overeenkomst is gerealiseerd zij niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben en dat zij elkaar dienovereenkomstig nu, voor alsdan, algehele kwijting verlenen.”\n\nIn het echtscheidingsconvenant is niets vermeld over een bruidsgave.\n\n2.7.. Op 16 september 2021 is de onder 2.5. vermelde echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Hierdoor is het Syrische huwelijk (zie 2.4) ontbonden.\n\n2.8.. \n\nBij de, door beide partijen ondertekende, akte van 27 november 2024 heeft een\n\nreligieuze echtscheiding plaatsgevonden. Blijkens de hiervan door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling houdt de akte onder meer het volgende in:\n\n“Akte van Religieuze Echtscheiding\n\n(…)\n\nHet type van de echtscheiding: Religieuze echtscheiding, afstoten eerste beurt\n\nDe autoriteit voor het uitvaardigen van een lokaal echtscheidingsbeschikking; Rechtbank Den Haag, Nederland (…)\n\nEchtscheidingsbeschikking: 12 augustus 2021, (…) Nummer: C\u002F09\u002F606595\u002FFA-RK 21-577\n\n(…)\n\nGegevens van de echtscheidingsgever (man)\n\n(…) [de man] (…)\n\nGegevens van de echtscheidingsnemer (vrouw):\n\n(…) [de vrouw] (…)\n\nBeschrijving van de scheiding:\n\nHierdoor wordt het optreden van echtscheiding tussen het in dit document genoemde echtpaar volgens afstoten verklaard. Het is te vermelden dat mevrouw [de vrouw] van duizend munten van haar bruidsgave, die duizenddriehonderd vierenvijftig hele Bahar Azadi-munten, afgezien, voor de instemming van haar man met de echtscheiding. Zij eist de rest van de bruidsgave die driehonderdvierenvijftig hele Bahar Azadi-munten is. Mevrouw [de vrouw] zal beslissen over hoe en wanneer de rest van de bruidsgave geïnd moet worden.\n\nEerste getuige:\n\n(….)\n\nTweede getuige:\n\n(…)\n\nReligieuze echtscheiding werd voltrokken door aan alle geldige voorwaarden te voldoen. (…)\n\nDe plaats van uitvoering van de religieuze echtscheiding: Stad: [plaats 4] , Land: Nederland\n\n(….)\n\nDe voor- en achternaam van de uitvoerder van de religieuze echtscheiding, [iman] , de iman van het Sadeghieh Cultureel Centrum en leraar islamitische wetenschappen, en adviseur voor religieuze zaken, nationaliteit: Nederlandse (…)”\n\n2.9.. Bij brief van 26 maart 2025 heeft de vrouw de man gesommeerd om binnen vijftien dagen na bezorging van deze brief 353 volle (1) gouden Bahar-e Azadi munten aan haar over te dragen dan wel de waarde daarvan in euro’s à € 275.445,00 aan haar te vergoeden.\n\n2.10.. De man heeft de bruidsgave niet aan de vrouw voldaan.\n\n2.11.. De man ontvangt een WIA-uitkering van laatstelijk € 1.489,09 netto per maand.\n\n2.12.. De vrouw heeft de Iraanse nationaliteit. De man heeft in elk geval de Iraakse nationaliteit en inmiddels ook de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. Het geschil\n\nIn conventie\n\n3.1.. De vrouw vordert – samengevat – dat de rechtbank de man bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt om binnen vier weken na betekening van dit vonnis 353 volledige Bahar-e Azadi gouden munten aan de vrouw te overhandigen, of een equivalent daarvan in euro’s ter hoogte van € 275.445,00, aan de vrouw te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede de man veroordeelt tot betaling van € 3.814,19 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van de man in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis.\n\n3.2.. De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. \n\nDe man betwist dat de vrouw aanspraak kan maken op betaling van de bruidsgave. Hij voert onder meer tot verweer dat de vrouw niet de huwelijksakte heeft overgelegd waaruit de aanspraak op de door haar gestelde bruidsgave blijkt. De man legt het echtscheidingsconvenant over. Hij beroept zich op het echtscheidingsconve-nant en de daarin opgenomen finale kwijting. De bruidsgave is daarin meegenomen. Als de vrouw de aanspraak op de bruidsgave heeft verzwegen, heeft zij deze aan de man verbeurd. Als finale kwijting toch niet ziet op de bruidsgave omdat dit een aanspraak sui generis is, kan dit uitsluitend zien op de Syrische voorwaarden.\n\nDe man stelt dat de status van het Iraanse huwelijk onduidelijk is. Een eventueel Iraanse voorwaarde geldt dan als een gewone overeenkomst die, indien zij nog bestaat, hetgeen de man betwist, onder het Nederlandse huwelijksvermogensrecht valt en geraakt wordt door het finale kwijtingsbeding.\n\nDe vordering tot nakoming van de bruidsgave is volgens de man inmiddels verjaard.\n\nHij beroept zich verder op artikel 22 van de Iraanse wet op de gezinsbescherming (2012). Dit artikel verplicht de rechter de draagkracht van de man mee te wegen. De man kan de vordering van de vrouw onmogelijk voldoen: hij ontvangt een WIA-uitkering. Daarom moet de vordering worden afgewezen dan wel gematigd of uitgesteld tot hetgeen de man gelet op zijn daagkracht redelijkerwijs kan voldoen.\n\nIn reconventie\n\n3.4.. In reconventie vordert de man de vrouw te veroordelen in de proces- en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nIn conventie en in reconventie\n\nRechtsmacht\n\n4.1.. Partijen wonen beiden in Nederland. Tussen hen is niet in geschil dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van de bij dagvaarding ingeleide vordering van de vrouw tot betaling van de bruidsgave kennis te nemen. De rechtbank is ook van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is daarover te oordelen.\n\nToepasselijk recht\n\n4.2.. De vrouw vordert (naar inmiddels genoegzaam is gebleken en de man ook heeft begrepen) betaling van de bruidsgave op grond van het Iraanse huwelijk (zie 2.2). Bij het Syrische huwelijk is immers niet overeengekomen dat de man aan de vrouw een bruidsgave van hele gouden Bahar-e Azadi munten zal overhandigen. Beide partijen zijn het er over eens dat de vordering van de vrouw moet worden beoordeeld naar Iraans recht. De rechtbank deelt dat standpunt. Zij licht dat als volgt toe.\n\n4.3.. \n\nOm te bepalen welk recht op de bruidsgave van toepassing is volgens het Nederlands internationaal privaatrecht moet deze eerst worden gekwalificeerd. Daarvoor is het volgende van belang. De bruidsgave vormt een essentieel onderdeel van het huwelijk in Iran. De wettelijke regeling van de Iraanse bruidsgave is te vinden in art. 1078 t\u002Fm 1101 Iraans BW. De bruidsgave betreft een overeenkomst waarbij de man in het kader van de huwelijksvoltrekking zich ertoe verbindt om een geldbedrag, een bepaalde hoeveelheid goud of iets anders van waarde aan de vrouw te geven. De aard en omvang van de bruidsgave kunnen partijen zelf bepalen. De bruidsgave is geen vereiste voor een rechtsgeldig huwelijk. Als partijen hebben nagelaten om afspraken te maken over de bruidsgave, is de vrouw gerechtigd tot een redelijke bruidsgave.\n\n De bruidsgave wordt doorgaans vermeld in de huwelijksakte. De bruidsgave is een exclusief recht van de vrouw. Zij is vanaf de huwelijksvoltrekking eigenaar van de bruidsgave en kan deze van de man opeisen. In de praktijk wordt een bruidsgave doorgaans niet opgeëist tijdens het huwelijk. Partijen kunnen ook afspreken dat een (beperkt) deel van de bruidsgave bij de huwelijksvoltrekking wordt voldaan en het resterende deel wordt uitgesteld tot het einde van het huwelijk. De bruidsgave dient (mede) als financieel vangnet voor de vrouw in geval van echtscheiding. Dit moet worden gezien in het licht van het wettelijke stelsel van algehele scheiding van goederen (behoudens andersluidende afspraken) en het (nagenoeg) ontbreken van een wettelijke aanspraak op levensonderhoud na echtscheiding voor de vrouw.\n\n4.4.. Het Nederlandse rechtssysteem kent de bruidsgave niet. De bruidsgave wordt in Nederland gekwalificeerd als een rechtsfiguur sui generis(een eigensoortige rechtsfiguur), die niet valt binnen één van de bestaande IPR-verwijzingscategorieën, zoals alimentatie of huwelijksvermogensrecht. Omdat de bruidsgave onlosmakelijk met het huwelijk verbonden is, ligt inbedding in het huwelijksrecht voor de hand.De rechtbank gaat er daarom vanuit dat op de bruidsgave het recht van toepassing is volgens welke het huwelijk is gesloten. In dit geval is dat Iraans recht. De vordering van de vrouw tot betaling van de bruidsgave wordt daarom beoordeeld naar Iraans recht. Deze uitkomst strookt met de basisgedachte binnen het conflictenrecht om een rechtsverhouding onder te brengen bij het recht dat het nauwst is betrokken bij die rechtsverhouding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.5.. Op de mondelinge behandeling van 24 september 2025 is met partijen besproken het voornemen van de rechtbank om advies te vragen aan het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag (hierna: het IJI) in verband met de omstandigheid dat de Nederlandse rechtspraak in toenemende mate wordt geconfronteerd met de bruidsgave, in het bijzonder de Iraanse variant, en de daaraan verbonden juridische complicaties, die zich ook in deze zaak voordoen. In Iran worden nogal eens exorbitant hoge bruidsgave afspraken gemaakt, en de Iraanse echtscheidingsregeling en praktijk wijken (aanzienlijk) af van de Nederlandse praktijk.Hierdoor ontstaan regelmatig problematische situaties. De rechtbank ziet er bij nader inzien vanaf advies aan het IJI te vragen, nu de vordering van de vrouw op een voorliggend punt afstuit. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.\n\n4.6.. De vrouw vordert betaling van de bruidsgave op grond van het Iraanse huwelijk (zie 2.2). Dit huwelijk is niet in de GBA geregistreerd. De status van het Iraanse huwelijk in Nederland is onduidelijk. Als het Iraanse huwelijk in Nederland niet als rechtsgeldig kan worden erkend, dan kan de vrouw ook niet de in de huwelijksakte van dat huwelijk opgenomen bruidsgave vorderen. Immers, als een huwelijk in Nederland niet rechtsgeldig is, kunnen hier aan dat huwelijk geen rechten worden ontleend. De bruidsgave is onlosmakelijk met het Iraanse huwelijk verbonden.\n\n4.7.. Of het Iraanse huwelijk in Nederland kan worden erkend is een beslissing die (uiteindelijk) aan de familierechter is voorbehouden. Er loopt op dit moment geen procedure; gesteld noch gebleken is dat partijen of één van hen voornemens is\u002Fzijn om een dergelijke procedure te starten. Het had op de weg van de vrouw gelegen om over de status van het Iraanse huwelijk in Nederland duidelijkheid te verschaffen. Bij deze stand van zaken wordt haar vordering tot betaling van de bruidsgave afgewezen.\n\n4.8.. Hieraan voegt de rechtbank, ten overvloede, het volgende toe. De rechtbank acht niet uitgesloten dat een familierechter, als daartoe een verzoekschrift wordt ingediend, zal oordelen dat erkenning van het Iraanse huwelijk in dit bijzondere geval in strijd komt met de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 10:32 van het Burgerlijk Wetboek. Immers, partijen hebben het Iraanse huwelijk in Nederland niet bij de bevoegde autoriteiten gemeld. Partijen hebben zich weliswaar al die jaren in de Nederlandse rechtssfeer gedragen als waren zij met elkaar gehuwd, maar dan op basis van het Syrische huwelijk. Het Syrische huwelijk hebben partijen hier wel laten registreren. Het Syrische huwelijk is inmiddels al jaren geleden ontbonden, door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van een door een Nederlandse rechter uitgesproken echtscheiding (zie 2.7). Erkenning van het Iraanse huwelijk zou betekenen dat partijen in Nederland nog steeds als met elkaar gehuwd moeten worden aangemerkt, terwijl zij hier al jaren als van elkaar gescheiden staan geregistreerd.\n\n4.9.. Alle overige verweren behoeven geen bespreking meer.\n\nProceskosten\n\n4.10.. Aangezien partijen (voormalige) echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie en in reconventie:\n\n5.1.. wijst het gevorderde af,\n\n5.2.. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n Vgl. Hof Den Haag 18 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1153, r.o. 6.1.\n\n Ontleend aan par. 3.3 van de conclusie van A-G mr. Ibili van 22 mei 2026, ECLI:NL:PHR:2026:509.\n\n Noot Th.M. de Boer onder Hof Arnhem-Leeuwarden 7 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2188HR, NJ 2020\u002F22, par. 3.\n\n Conclusie A-G mr. Ibili van 22 mei 2026, ECLI:NL:PHR:2026:509.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17334","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:09.036Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":72,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":65,"updatedAt":75},"1936","ECLI:NL:RBDHA:2026:17504","ecli-nl-rbdha-2026-17504","2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F706017 \u002F JE RK 26-926\n\nDatum uitspraak: 29 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] ,\n\n- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] ,\n\nhierna tezamen ook te noemen: de kinderen.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\nStichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Op 29 mei 2026 heeft mr. S. van der Harg, kinderrechter in deze rechtbank, mondeling (buiten kantooruren) beslist dat:\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht wordt gesteld van de gecertificeerde instelling tot 29 mei 2026 om 17:00 uur;\n\nde gecertificeerde instelling gemachtigd is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 mei 2026 om 17:00 uur;\n\nde behandeling van het verzoek voor het overige wordt aangehouden tot het verzoek, met nadere onderbouwing, schriftelijk bij de rechtbank is ingediend.\n\n1.2.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\nhet mondelinge verzoek van de Raad op 29 mei 2026;\n\nhet schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.\n\n2.2.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.\n\n2.3.. De kinderen wonen bij de moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.\n\n4.2.. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daartoe overweegt de kinderrechter dat er grote zorgen zijn over de veiligheid van de kinderen. De kinderen zijn gisteren (28 mei 2026) van huis weggelopen en naar de basisschool van [minderjarige 2] gegaan, waarna ze hebben aangegeven zich thuis niet veilig te voelen. De kinderen zijn vervolgens op het politiebureau gesproken door medewerkers van Veilig Thuis en het Crisis Interventie Team (CIT). Beide kinderen hebben aangegeven mishandeld en bedreigd (onder andere met de dood) te worden door de vader. Zij durven niet terug naar huis (bij de moeder), omdat zij zich ook onveilig voelen in het netwerk. De vader zit op dit moment vast voor verhoor vanwege een aangifte van mishandeling door de meerderjarige zus van de kinderen. Gelet op de forse zorgen die er zijn over de veiligheid van de kinderen, vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat er met spoed een jeugdbeschermer betrokken raakt bij het gezin. Ook is een langere uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk, zodat goed kan worden onderzocht hoe de opvoedsituatie van de kinderen eruit ziet en wat er nodig is om de kinderen veilig terug te laten keren naar huis. De kinderrechter zal het spoedverzoek daarom toewijzen.4.3.. De beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n4.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 29 mei 2026 tot 12 juni 2026;\n\n5.2.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 29 mei 2026 tot 12 juni 2026;5.3.. verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. \n\nhoudt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van\n\n8 juni 2026om09.00 uur;\n\n5.5.. gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:\n\nde Raad;\n\nde moeder en de aan haar toe te wijzen advocaat;\n\nde vader;\n\nde gecertificeerde instelling;\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een kindgesprek.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:257 BW.\n\n Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17504","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:46.301Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":80,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":65,"updatedAt":82},"1931","ECLI:NL:RBDHA:2026:17486","ecli-nl-rbdha-2026-17486","RECHTBANK DEN HAAG\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummers: I. C\u002F09\u002F698273 \u002F FA RK 26-697\n\n II. C\u002F09\u002F698787 \u002F JE RK 26-172\n\nDatum uitspraak: 29 mei 2026\n\nBeschikking van de meervoudige kamer\n\nI. Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij;\n\nII. Afwijzing verzoek verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.\n\nIn de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,regio Haaglanden (I),\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nen\n\nStichting Jeugdbescherming west Haaglanden (II),\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe rechtbank merkt als belanghebbenden aan in verzoek I:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\n [grootmoeder vaderszijde],\n\nhierna te noemen: de grootmoeder vaderszijde\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. J.A. Hoste te Den Haag,\n\nde gecertificeerde instelling.\n\nDe rechtbank merkt als belanghebbenden aan in verzoek II:\n\nde moederende grootmoeder vaderszijdevoornoemd.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij beschikking van 6 maart 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg (bij de grootmoeder vaderszijde) verlengd tot 31 mei 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting van de meervoudige kamer op 12 mei 2026, zodat het verzoek gecombineerd behandeld kon worden met het verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging en het benoemen van de voogdij (C\u002F09\u002F698273 FA RK 26-697). De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift (I) met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026;\n\nhet verzoekschrift (II) met bijlagen, ontvangen op 3 februari 2026;\n\nhet gezinsplan van de gecertificeerde instelling van 5 februari 2026, ontvangen op 6 februari 2026;\n\nde beschikking van 6 maart 2026;\n\nhet verweerschrift van de grootmoeder vaderszijde met zelfstandig verzoek van 6 mei 2026;\n\nde concept-vaststellingsovereenkomst van de mediation van 7 mei 2026, overlegd ter zitting van 12 mei 2026;\n\nde bereidverklaring van de grootmoeder vaderszijde van 12 mei 2026, overlegd ter zitting van 12 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde grootmoeder vaderszijde met haar advocaat;\n\n [naam 1] namens de Raad;\n\n- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.\n\n1.3.. De moeder is niet verschenen. De moeder is wel juist opgeroepen. In het kader van de pilot kosteloze rechtsbijstand bij gezagsbeëindiging is op 16 februari 2026 mr. J. Gravesteijn (op dat moment de voorkeursadvocaat van de moeder) toegevoegd aan de moeder, nadat hij te kennen heeft gegeven bereid te zijn de moeder bij te staan. Op 8 april 2026 heeft mr. J. Gravesteijn de rechtbank bericht zich te onttrekken in de zaken C\u002F09\u002F698273 (het verzoek tot gezagsbeëindiging) en C\u002F09\u002F698787 (het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling). Desgevraagd heeft mr. J. Gravesteijn de rechtbank telefonisch toegelicht dat hij voordat hij zich onttrok de moeder een maand de tijd had gegeven om een nieuwe advocaat te vinden, zodat er een warme overdracht kon plaatsvinden. Nu er zich geen nieuwe advocaat stelde heeft de rechtbank op 28 april 2026 de moeder een brief gestuurd, waarin zij er op werd gewezen dat zij recht heeft op juridische bijstand en dat zij hiervoor zelf een advocaat kon benaderen of de rechtbank kon vragen om een (nieuwe) advocaat aan te wijzen. De moeder diende dit zo snel als mogelijk aan de rechtbank door te geven. De moeder heeft naar aanleiding van de brief niets aan de rechtbank laten weten. Een uur voor aanvang van de zitting heeft de moeder gebeld naar de rechtbank en te kennen gegeven niet aanwezig te zullen zijn, omdat zij niet naar de rechtbank durfde te komen zonder een advocaat. Een advocaat had haar niet teruggebeld en die zou zij vandaag gaan bellen. Ter zitting heeft de rechtbank telefonisch contact met de moeder opgenomen en haar naar haar standpunt gevraagd. Gezien het belang van [minderjarige] bij duidelijkheid en nu de moeder de mogelijkheid tot rechtsbijstand heeft gehad, heeft de rechtbank alles afwegende besloten de behandeling van de verzoeken niet aan te houden. Desgevraagd door de voorzitter heeft de moeder laten weten geen behoefte te hebben de zitting verder telefonisch bij te wonen.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige] is erkend door de vader, [de vader] .\n\n2.2.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft bij de grootmoeder vaderszijde en verblijft uit hoofde van een contactregeling met de moeder een aantal nachten per week bij de moeder.\n\n2.4.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 mei 2026.\n\n2.5.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 31 mei 2026.\n\n2.6.. De gecertificeerde instelling heeft zich bij brief van 19 januari 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.\n\n2.7.. De grootmoeder vaderszijde heeft zich bij brief van 12 mei 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.\n\n3. Het verzoek\n\nVerzoek I: gezagsbeëindiging en benoeming voogdij\n\n3.1.. De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De moeder kampt met jarenlange verslavingsproblematiek en is in het verleden wisselend beschikbaar geweest voor [minderjarige] . Sinds 2022 is er sprake van een machtiging tot uithuisplaatsing en sindsdien verblijft [minderjarige] bij de grootmoeder moederszijde. Ondanks de ondertoezichtstelling en de ingezette hulpverlening, is het niet gelukt om te komen tot een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De moeder is niet in staat om de volledige zorg over [minderjarige] te dragen en het lukt haar onvoldoende – door de terugvallen in middelengebruik die zij heeft – een structurele stabiele factor te zijn in het leven van [minderjarige] . In januari 2025 heeft de gecertificeerde instelling bepaald dat [minderjarige] niet meer bij de moeder zal opgroeien. Het perspectief ligt volgens de gecertificeerde instelling bij de grootmoeder vaderszijde. De moeder kan dit opvoedperspectief niet goed begrijpen, omdat het volgens haar juist het afgelopen jaar – waarmee de moeder doelt op 2025 – beter gaat. De Raad ziet dat het vanaf december 2025 opnieuw minder goed gaat met de moeder, waarbij er twee incidenten zijn geweest waarbij de moeder weer is teruggevallen in haar middelengebruik. Gelet op de terugkerende zorgen over het persoonlijk functioneren van de moeder zal [minderjarige] volgens de Raad ernstig bedreigd worden in zijn ontwikkeling als hij volledig teruggeplaatst zou worden bij de moeder. Daarbij is de Raad van mening dat de aanvaardbare termijn is verstreken. Zoals reeds genoemd verblijft [minderjarige] al sinds 2022 bij de oma vaderszijde en ligt het perspectief niet meer bij de moeder. De Raad heeft niet de verwachting dat de moeder de volledige verzorging voor [minderjarige] zal kunnen dragen. Daarnaast is het op dit moment voor [minderjarige] onduidelijk waar hij op de langere termijn mag opgroeien en ervaart hij last van de onzekerheid over zijn opvoedplek.\n\n3.3.. De Raad ziet het belang van de voortzetting van het verblijf bij de grootmoeder vaderszijde, maar vindt het op dit moment te vroeg om de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde te beleggen. De grootmoeder vaderszijde is namelijk voornemens om naar [land] te verhuizen. Die wens is al lange tijd bekend bij de gecertificeerde instelling. Als de voogdij bij de grootmoeder zal komen te liggen, dan zal ook [minderjarige] naar [land] verhuizen en zal de hulpverlening wegvallen. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . Daarbij heeft [minderjarige] op dit moment een uitgebreide zorgregeling met de moeder en die zal dan worden beperkt. De Raad heeft in dat licht ook zorgen over het grillige en ambivalente contact tussen de moeder en de grootmoeder vaderszijde. Als hij in [land] verblijft zou de grootmoeder vaderszijde het contact tussen de moeder en [minderjarige] zelfstandig kunnen stoppen. Het is belangrijk dat een gecertificeerde instelling hierin nog ondersteuning kan bieden. Verder is het van belang dat er nog toezicht kan worden gehouden op het contact tussen [minderjarige] en de vader. De vader is bekend met agressie- en verslavingsproblematiek en is in december 2025 vrij gekomen uit detentie, waarna er opnieuw een incident heeft plaatsgevonden bij de moeder. Het is belangrijk dat de gecertificeerde instelling deze situatie met de vader kan vormgeven. Als [minderjarige] in [land] verblijft is het zicht volledig weg. De Raad is zich bewust van het feit dat dit een complex besluit is, nu haar advies inhoudt dat [minderjarige] niet mee naar [land] kan en de grootmoeder hierdoor of niet naar [land] kan verhuizen of [minderjarige] in een neutraal pleeggezin terecht zal komen, wat voor hem ook heel ingrijpend zal zijn. Desondanks is de Raad van mening dat er op dit moment nog te veel risico’s en drempels zijn voor het beleggen van de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde en daarmee de verhuizing naar [land] . Volgens de Raad is het op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] dat de gecertificeerde instelling wordt belast met de voogdij. De gecertificeerde instelling kan zich voor de hiervoor genoemde punten inzetten – waarbij het van belang is dat er meer regie wordt gepakt dan de afgelopen periode – en zij kunnen vervolgens zelf inschatten wanneer het mogelijk wél passend is dat de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde wordt belegd. Ter zitting heeft de Raad benadrukt dat zij niet van mening is dat de voogdij nooit naar de grootmoeder vaderszijde zou kunnen, maar dat het daarvoor op dit moment volgens de Raad nog te vroeg is.\n\nVerzoek II: verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n3.4.. De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] – als het verzoek tot gezagsbeëindiging wordt afgewezen – in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.5.. De gecertificeerde instelling stelt daartoe als volgt. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is nog onverminderd aanwezig. Deze bedreiging is met name gelegen in de aanhoudende onzekerheid over zijn toekomst, de complexe dynamiek tussen de betrokken volwassenen en de blijvende zorgen over het persoonlijke functioneren van de moeder. Ondanks de ingezette hulpverlening is de moeder structureel onvoldoende in staat om een duurzame, stabiele, veilige en voorspelbare opvoedomgeving te bieden. Het blijft daarom nodig dat de gecertificeerde instelling regie blijft voeren om de belangen van [minderjarige] te bewaken, escalaties te voorkomen, afstemming tussen de betrokkenen te blijven faciliteren en te blijven onderzoeken welke route en verblijfplaats het minst schadelijk zijn voor zijn ontwikkeling. Daarbij is het op dit moment in het belang van [minderjarige] dat de plaatsing bij de grootmoeder vaderszijde wordt gecontinueerd. Er zijn op dit moment geen alternatieven die minder belastend zijn en hij ervaart een voor hem vertrouwde, veilige en stabiele opvoedomgeving bij de grootmoeder. Een plaatsing van [minderjarige] in een neutraal pleeggezin is op dit moment voor [minderjarige] zeer onwenselijk en schadelijk voor zijn emotionele ontwikkeling en gevoel van veiligheid. Binnen de plaatsing bij de grootmoeder vaderszijde kan zorgvuldig gezocht worden naar een toekomstperspectief dat recht doet aan ieders belang.\n\n4. De standpunten\n\nVerzoek I\n\n4.1.. De moeder heeft telefonisch medegedeeld achter de concept-vaststellingsovereenkomst te staan die ter zitting is ingediend door de grootmoeder vaderszijde. Daarnaast wil de moeder absoluut niet dat de gecertificeerde instelling de voogdij krijgt. De afgelopen maanden is er geen contact geweest met de jeugdbeschermer en de moeder ziet haar andere dochter – waarvan haar gezag is beëindigd – niet meer. De moeder wil daarom niet dat de gecertificeerde instelling de voogdij krijgt over [minderjarige] , omdat zij dan denkt dat zij nog een kind – in haar eigen woorden – kwijt is. Dan wil de moeder liever dat de grootmoeder vaderszijde de voogdij krijgt, als zij een goede contactregeling met [minderjarige] heeft en hem elke maand ziet.\n\n4.2.. Door en namens de grootmoeder vaderszijde is verweer gevoerd tegen het benoemen van de gecertificeerde instelling als voogd. De grootmoeder vaderszijde verzoekt op basis van artikel 1:275 lid 2 BW om te worden belast met de voogdij (en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren). [minderjarige] verblijft al sinds zijn geboorte in de weekenden bij de grootmoeder vaderszijde. Vanaf 2021 is de grootmoeder pleegouder geworden en de afgelopen drieënhalf jaar draagt de grootmoeder de dagelijkse zorg over [minderjarige] . Volgens de grootmoeder heeft zij haar wens om naar [land] te verhuizen al in 2023 kenbaar gemaakt bij de gecertificeerde instelling. Op dat moment was er nog sprake van een plan voor terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Door de gecertificeerde instelling is toen aangegeven dat er een tweesporenbeleid zou gaan gelden, één gericht op terugplaatsing bij de moeder en als dit niet mogelijk was, een verblijf van [minderjarige] bij de grootmoeder vaderszijde in [land] . In 2023 heeft de grootmoeder vaderszijde haar huis verkocht en in 2024 is het huis in [land] gekocht. Omdat er nog steeds sprake was van een mogelijke terugkeer van [minderjarige] naar de moeder, is [minderjarige] in [plaats 2] naar school gegaan. Toen het perspectief niet meer bij de moeder lag is besloten om [minderjarige] in [plaats 2] op school te laten. Dit om te voorkomen dat [minderjarige] , gezien zijn kwetsbaarheid en grote behoefte aan structuur, twee keer in korte tijd van school zou moeten wisselen – één keer in Nederland en één keer bij vertrek naar [land] . Om dit te faciliteren is de grootmoeder vaderszijde tijdelijk verhuisd naar [plaats 1] . Tijdens het perspectiefonderzoek is onderzocht of een neutraal pleeggezin passend is voor [minderjarige] , maar dit wordt door de gecertificeerde instelling niet passend geacht. Ook de pleegzorgbegeleider en de systeemtherapeut hebben te kennen gegeven dat het heel belangrijk is dat [minderjarige] bij de grootmoeder blijft, nu dit de stabiele persoon is in zijn leven. De Raad heeft naar voren gebracht dat hun voornaamste bezwaar is dat de hulpverlening wegvalt, maar op dit moment regelen de moeder en de grootmoeder vaderszijde bijna alles onderling. De grootmoeder vaderszijde heeft één keer per jaar een huisbezoek van de pleegzorgbegeleider en daarnaast houdt zij de gecertificeerde instelling op de hoogte als de contactmomenten anders lopen dan gepland. Daarnaast hebben de betrokken instanties ook aangegeven dat zij verwachten dat de grootmoeder – als zij hulp nodig heeft – deze hulpverlening goed zal weten te vinden in [land] . Verder heeft de grootmoeder vaderszijde de afgelopen jaren – ook de afgelopen maanden toen de jeugdbeschermer was uitgevallen – het contact tussen [minderjarige] en de moeder altijd gefaciliteerd. Door de instanties wordt de regie voor het contact tussen [minderjarige] en de moeder al jarenlang grotendeels bij de grootmoeder vaderszijde gelegd. Het was daarbij steeds aan de grootmoeder vaderszijde om te bepalen of het contact met de moeder op dat moment verantwoord en veilig was. Het verwijt van de Raad dat de grootmoeder vaderszijde eventueel zelf het contact zou kunnen stoppen, heeft haar diep gekwetst. Zij heeft zich juist de afgelopen jaren maximaal ingespannen om het contact met de moeder vorm te geven, hoe ingewikkeld het soms ook was, en heeft laten zien dat zij goed met de moeder afspraken kan maken. Door grootmoeder vaderszijde met de voogdij te belasten wordt de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Daarnaast kan [minderjarige] door de voogdijbenoeming meeverhuizen naar [land] , zodat de huidige opvoedsituatie, waarin [minderjarige] een stabiele hechtingsrelatie met de grootmoeder heeft opgebouwd, kan worden gecontinueerd. Ter zitting heeft de grootmoeder vaderszijde een door haar en de moeder ondertekende vaststellingsovereenkomst overgelegd die is opgesteld naar aanleiding van een gesprek met een mediator. In deze overeenkomst staat dat de moeder instemt met het eenhoofdig gezag bij de grootmoeder vaderszijde én met de verhuizing van [minderjarige] naar [land] mét een maandelijkse weekendregeling met de moeder en nog een aantal extra afspraken over dit contact. De grootmoeder vaderszijde zal zich tot het uiterste inspannen om het contact tussen [minderjarige] en de moeder te blijven waarborgen. In dit licht verzoekt de grootmoeder aan de rechtbank om te bepalen dat [minderjarige] en de moeder minimaal eenmaal per maand contact hebben, waarbij de grootmoeder vaderszijde en [minderjarige] naar Nederland zullen reizen, tenzij de moeder die betreffende maand naar [land] komt. Ten aanzien van het contact tussen [minderjarige] en de vader heeft de grootmoeder vaderszijde ter zitting naar voren gebracht dat zij de afgelopen jaren al heeft moeten kiezen voor [minderjarige] , door haar eigen zoon de deur te wijzen en niet bij haar te laten slapen, ondanks dat hij geen eigen woning heeft. Zij heeft de ontwikkeling van [minderjarige] altijd boven die van [minderjarige] vader gezet en zal dit ook blijven doen. Als het in niet in het belang van [minderjarige] is om contact te hebben met de vader, dan zal er ook geen contact plaatsvinden.\n\n4.3.. De gecertificeerde instelling kan instemmen met het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder. Het perspectief van [minderjarige] ligt niet meer bij de moeder en de aanvaardbare termijn is verstreken. De gecertificeerde instelling ziet dat het ten aanzien van het benoemen van de voogdij gaat om een zeer complexe situatie. In januari 2025 heeft de gecertificeerde instelling bepaald dat het perspectief van [minderjarige] bij de grootmoeder ligt. Op dat moment is het plan ontstaan dat [minderjarige] mee kan verhuizen naar [land] , zodat hij bij een voor hem veilige en vertrouwde opvoeder kan opgroeien, zonder de ingrijpende plaatsing in een neutraal pleeggezin. Na overleg met de Centrale Autoriteit lijkt de enige aangewezen route om [minderjarige] met de grootmoeder vaderszijde mee te laten verhuizen dat zij als pleegouder de voogdij krijgt. De Raad heeft daarentegen, nadat zij onderzoek heeft gedaan, aangegeven dat zij dit niet in belang van [minderjarige] acht. De gecertificeerde instelling ziet de door de Raad genoemde risico’s ook, maar ziet daarnaast ook veel mogelijkheden bij de grootmoeder vaderszijde. Dit maakt dat er sprake is van een heel ingewikkeld dilemma. Daarbij benadrukt de gecertificeerde instelling dat volgens hen een plaatsing in een neutraal pleeggezin onwenselijk is. Desondanks zien zij ook de ambivalentie in het contact tussen de moeder en grootmoeder vaderszijde en is de rol van de vader nog niet heel duidelijk uitgekristalliseerd. Dit zou de komende periode dan nog verder uitgezocht moeten worden. Daarentegen ziet de gecertificeerde instelling dat het ook belangrijk is dat er een keuze wordt gemaakt over het verblijf, nu juist de onzekerheid over zijn toekomst als een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] wordt gezien.\n\nVerzoek II\n\nDe moeder en de grootmoeder vaderszijde hebben zich niet over dit verzoek uitgelaten.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:\n\na. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of\n\nb. de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2.. Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouders daartoe niet in staat zijn. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.\n\n5.3.. De rechtbank overweegt in dit geval als volgt. De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan en de beëindiging van het gezag van de moeder een gerechtvaardigde en proportionele inmenging vormt in het privé- en gezinsleven van de moeder en [minderjarige] . [minderjarige] is enkele dagen na zijn geboorte (voorlopig) onder toezicht gesteld – waarna de ondertoezichtstelling tot op heden telkens is verlengd – en sinds 2022 is er sprake van een formele uithuisplaatsing bij de grootmoeder vaderszijde. Ondanks de kinderbeschermingsmaatregelen is het de afgelopen jaren niet gelukt om te komen tot een daadwerkelijke duurzame en structurele verbetering voor [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De moeder kampt met complexe problematiek in haar persoonlijk functioneren en de rechtbank constateert dat er sprake is van een hardnekkig patroon waarin de moeder lijkt te profiteren van de hulpverlening, haar leven beter op orde heeft en dan alsnog terugvalt in haar (verslavings-)problematiek. Hoewel de rechtbank ziet dat de moeder nu gedeeltelijk de verzorging en opvoeding draagt over haar oudste twee kinderen (van 13 en 15 jaar), constateert de rechtbank ook dat deze kinderen een andere opvoedingsbehoefte hebben en de vader van deze kinderen een stabiele factor vormt in hun leven. Bij een onrustige periode in het leven van de moeder kan deze vader de kinderen opvangen en hij kan ook de moeder in het algemeen ontlasten doordat de kinderen elke week in het weekend bij hem verblijven. Hiertegenover staat dat de vader van [minderjarige] een (extra) trigger lijkt te zijn voor (de problematiek van) de moeder. Dit zorgt voor extra spanning bij de moeder en heeft een aantal maanden geleden nog tot een heftig incident geleid dat opnieuw impact heeft gehad op [minderjarige] (en zijn veiligheidsgevoel). De rechtbank is van oordeel dat de moeder [minderjarige] op dit moment nog steeds een onvoldoende veilige en stabiele opvoedomgeving kan bieden – die hij gezien zijn jonge leeftijd en kwetsbaarheid wel nodig heeft – en dat hij hierdoor ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarbij deelt de rechtbank, gelet op het patroon van de afgelopen jaren, de verwachting van de Raad en de gecertificeerde instelling dat de moeder ook in de nabije toekomst onvoldoende in staat zal zijn om zelfstandig de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging over [minderjarige] te dragen.\n\n5.4.. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het voor [minderjarige] van groot belang is dat hij duidelijkheid krijgt over waar hij gaat opgroeien. Hoewel de gecertificeerde instelling begin 2025 al heeft bepaald dat niet meer actief wordt gewerkt aan een terugplaatsing bij de moeder, blijft er onzekerheid over zijn verblijfsplek bestaan. Er blijft onduidelijkheid voor [minderjarige] of hij met de grootmoeder kan meeverhuizen naar [land] – welk voornemen ook bij hem al langer bekend was – of dat hij toch in Nederland zal blijven met het gevolg dat hij dan in een neutraal pleeggezin zal moeten worden geplaatst. Ondanks zijn jonge leeftijd krijgt [minderjarige] de onrust over zijn verblijfsplek in de toekomst mee. Hij laat ook bepaalde kindsignalen zien die mogelijk te herleiden zijn naar deze onduidelijkheid, zoals onder meer opstandig gedrag. Gelet op het feit dat het niet meer de verwachting is dat de moeder de opvoeding en verzorging kan dragen, in combinatie met de onrust en onduidelijkheid die [minderjarige] zelf ervaart, is de rechtbank van oordeel dat de zogenoemde aanvaardbare termijn – de termijn hoe lang een kind onduidelijkheid kan ervaren over zijn toekomstperspectief – is verstreken. De maatregelen van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank niet langer passend. Uit het systeem van de wet volgt immers dat deze maatregelen niet geëigend zijn als terugplaatsing niet meer aan de orde is. Dat verhoudt zich niet tot de tijdelijkheid van die maatregelen, die er in beginsel op gericht zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer bij de ouder met gezag te leggen. Daarbij is de rechtbank er ook niet van overtuigd dat het de moeder gaat lukken – gelet op haar persoonlijk problematiek en de complexe relaties met de grootmoeder vaderszijde en de vader – om in het vrijwillig kader zelfstandig de hulp vorm te geven die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] weg te nemen. Volgens de rechtbank is er op dit moment dan ook geen minder ingrijpende maatregel mogelijk en wordt aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals gesteld in artikel 8 EVRM, voldaan. De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder dan ook toewijzen.\n\nBenoeming voogdij\n\n5.5.. Aangezien de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, moet de rechtbank een voogd over [minderjarige] benoemen. De Raad heeft verzocht om de gecertificeerde instelling te belasten met de voogdij en de grootmoeder vaderszijde heeft een zelfstandig verzoek gedaan om haar met de voogdij over [minderjarige] te belasten. Zowel de gecertificeerde instelling als de grootmoeder vaderszijde hebben zich bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.\n\n5.6.. De rechtbank constateert dat los van de vraag wie gezagsbeslissingen over [minderjarige] mag nemen, het bepalen van de voogdij in de huidige situatie ook van grote invloed is op de vraag waar [minderjarige] de komende jaren zal opgroeien en verblijven. Immers, mocht de grootmoeder vaderszijde de voogdij over [minderjarige] verkrijgen dan zal [minderjarige] in de aankomende zomer met de grootmoeder verhuizen naar [land] . Mocht de voogdij bij de gecertificeerde instelling komen te liggen dan is het niet mogelijk dat [minderjarige] met de grootmoeder meeverhuist. Dit zal betekenen dat een neutraal pleeggezin voor [minderjarige] gevonden zal moeten worden.\n\n5.7.. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de het het meest in het belang is van [minderjarige] als de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde wordt belegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In beginsel heeft het de voorkeur dat de voogdij wordt belegd bij een natuurlijk persoon, te weten degene die met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige is belast. Per slot van rekening weet doorgaans de dagelijkse verzorger en opvoeder wat het meest in het belang van het kind is en kan daarop snel acteren. Sinds de geboorte van [minderjarige] is de grootmoeder vaderszijde actief betrokken in het leven van [minderjarige] en zij heeft al die jaren (eerst gedeeltelijk) een verzorgende en opvoedende rol gehad voor [minderjarige] . De afgelopen jaren heeft de grootmoeder vaderszijde daarbij laten zien de belangen van [minderjarige] voorop te stellen en keuzes gemaakt – onder meer in het vormgeven van het contact met de vader, het uitstellen van de verhuizing naar [land] en het tijdelijk verhuizen naar [plaats 1] , zodat [minderjarige] op zijn huidige school kon blijven – die het belang van [minderjarige] hebben gediend. Dit is bewonderingswaardig, omdat deze keuzes ook ingrijpend zijn geweest voor de grootmoeder vaderszijde zelf. De grootmoeder vaderszijde heeft zich daarnaast telkens ingezet om het contact tussen de moeder en [minderjarige] te waarborgen en ervoor te zorgen dat deze contactregeling veilig verloopt. De grootmoeder vaderszijde heeft vanuit de verschillende hulpverleningsinstanties ook de regie gekregen over dit contact en de rechtbank stelt vast dat dit de afgelopen jaren goed is verlopen en dat er geen stukken of signalen zijn waaruit blijkt dat de gecertificeerde instelling hierop moest ingrijpen. De rechtbank ziet dat er soms sprake was van ambivalentie in het contact tussen de moeder en de grootmoeder vaderszijde, maar ziet ook dat het contact telkens weer werd hersteld. De rechtbank is er dan ook van overtuigd dat de grootmoeder vaderszijde in staat is om de juiste gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen.\n\n5.8.. Vervolgens komt de vraag aan de orde of het in het belang van [minderjarige] is dat hij meeverhuist naar [land] , nu dit in de huidige situatie verbonden is aan het beleggen van de voogdij bij grootmoeder vaderszijde. Anders dan de Raad is de rechtbank van oordeel dat dit wel in het belang is van [minderjarige] , mede gelet op de andere realistische alternatieven. Duidelijk is dat de grootmoeder vaderszijde in het instabiele leven dat [minderjarige] heeft gekend, de afgelopen jaren een zeer belangrijk en stabiel hechtingsfiguur voor hem is geweest. De rechtbank vindt het van het grootste belang dat de grootmoeder vaderszijde deze rol voor [minderjarige] kan blijven vervullen. Daarbij ziet de rechtbank dat de grootmoeder vaderszijde al jarenlang het plan heeft om naar [land] te verhuizen en dit ook al jaren geleden kenbaar heeft gemaakt aan de gecertificeerde instelling. De rechtbank stelt vast dat de grootmoeder vaderszijde de verhuizing zorgvuldig en doordacht heeft voorbereid. Zo is er een huis met een kamer voor [minderjarige] , is er een school gevonden en is hij al bekend met de verblijfplaats in [land] – hij heeft zelfs al een vriendje – doordat hij hier al meermaals is geweest. De rechtbank is van oordeel dat een plaatsing in een neutraal pleeggezin een nog ingrijpender inbreuk zal zijn in het leven van [minderjarige] . Naast de veranderingen die hij dan ook hoogstwaarschijnlijk mee zal maken in de vorm van een nieuwe school en een nieuw huis, zal hij dan ook te maken krijgen met nieuwe (hoofd)opvoeders en zal hij de grootmoeder vaderszijde als hechtingsfiguur moeten missen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de situatie op dit moment – los van de verhuizing naar [land] – ook tijdelijk is. De grootmoeder is immers tijdelijk verhuisd naar [plaats 1] om dichter in de buurt van de school van [minderjarige] in [plaats 2] te zijn, wat in zal houden dat ook indien zij in Nederland zou blijven, mogelijk op korte termijn grote veranderingen zullen plaatsvinden ten aanzien van zijn verblijfsplaats en school (en daaruit volgend mogelijk ook ten aanzien van het contact met de moeder).\n\n5.9.. De rechtbank is zich er verder van bewust dat de verhuizing naar [land] betekent dat [minderjarige] minder contact zal hebben met de moeder. De rechtbank begrijpt dat dit ook een grote impact heeft op de moeder. Desondanks acht de rechtbank het belang van [minderjarige] dat zijn grootmoeder vaderszijde als hoofdopvoeder betrokken blijft op dit moment zwaarder wegen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging mee dat de moeder zelf duidelijk te kennen heeft gegeven niet te willen dat [minderjarige] naar een neutraal pleeggezin gaat en dat de voogdij bij de gecertificeerde instelling komt te liggen. De moeder heeft daarbij ook een (concept) vaststellingsovereenkomst getekend, waarin onder meer staat dat de moeder kan instemmen met een verhuizing van [minderjarige] naar [land] en met het eenhoofdig gezag bij de grootmoeder vaderszijde, mits er een duidelijke contactregeling is, die in deze vaststellingsovereenkomst is vastgelegd. De rechtbank kan in de onderhavige procedure het verzoek van de grootmoeder vaderszijde om een zorgregeling (conform de vaststellingsovereenkomst) vast te stellen tussen de moeder en [minderjarige] niet toewijzen, maar de rechtbank heeft kennis genomen van de regeling in de vaststellingsovereenkomst en kan deze regeling onderschrijven. De rechtbank is van oordeel dat deze regeling tegemoetkomt aan de belangen van [minderjarige] . De moeder heeft een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] en het is van groot belang voor zijn ontwikkeling dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder op structurele basis wordt voortgezet. De rechtbank heeft gezien het verloop van de contactregeling in de afgelopen jaren – waarin de grootmoeder vaderszijde heeft aangetoond dit contact ondanks soms uitdagende omstandigheden telkens te kunnen faciliteren – voldoende vertrouwen dat de grootmoeder vaderszijde in samenspraak met de moeder in staat is om dit contact vorm te geven en uit te voeren.\n\n5.10.. Eén van de voornaamste bezwaren die de Raad naar voren heeft gebracht voor de verhuizing naar [land] is het wegvallen van de hulpverlening. Uit het onderzoek van de Raad volgt echter dat zowel de regressietherapeut als de pleegzorgbegeleider te kennen hebben gegeven dat zij verwachten dat de grootmoeder vaderszijde in staat is om zelf hulp te vinden in [land] als zij die nodig heeft. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat de huidige hulpverlening op dit moment minimaal is en slechts bestaat uit (beperkte) pleegzorgbegeleiding en de betrokkenheid van een jeugdbeschermer. Dit contact ziet met name – zoals naar voren gebracht door de grootmoeder vaderszijde en niet weersproken door de gecertificeerde instelling – op de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] , waarin de grootmoeder vaderszijde zelf de regie heeft. Daarnaast heeft de Raad zorgen over het contact tussen de vader en [minderjarige] en het gebrek aan toezicht hierop. De rechtbank stelt vast dat het de afgelopen jaren met de aanwezigheid van de gecertificeerde instelling niet is gelukt om tot een vaste contactregeling te komen, mede door de problematiek en detentie van de vader. Recent is opnieuw geprobeerd om tot contactherstel te komen, maar dit is niet van de grond gekomen. Op dit moment zit de vader opnieuw in detentie. De rechtbank erkent dat er risico’s zullen zijn in dit contact, maar heeft er voldoende vertrouwen in dat de grootmoeder vaderszijde hierin de belangen van [minderjarige] voorop zal stellen, zoals zij altijd heeft gedaan.\n\nRekening en verantwoording vermogen van [minderjarige]\n\n5.11.. De rechtbank zal bepalen dat de moeder aan de grootmoeder vaderszijde die tot voogdes wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] .Dit betekent dat zij de grootmoeder vaderszijde op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de pleegmoeder vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.5.12.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.13.. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank acht het gezien de behoefte aan duidelijkheid van [minderjarige] niet in zijn belang dat hij nog langer onzekerheid ervaart over zijn verblijfplek. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat de verhuizing nog deze zomer kan plaatsvinden, zodat [minderjarige] na de zomervakantie direct kan starten op zijn nieuwe school, en de overgang van Nederland naar [land] op de minst ingrijpende wijze voor hem kan plaatsvinden. Het voorgaande weegt volgens de rechtbank zwaarder dan het risico dat [minderjarige] na een eventueel andersluidende beslissing in hoger beroep weer terug zal moeten verhuizen naar Nederland.\n\nAfwijzing verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n5.14.. Door het beëindigen van het gezag van de moeder komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en zij zal dit verzoek afwijzen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. \n\nbeëindigt het ouderlijk gezag van\n\n- [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1992 in [geboorteplaats 2] ;\n\nover de minderjarige:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ;\n\n6.2.. \n\nbenoemt tot voogdes over voornoemde minderjarige:\n\n- [grootmoeder vaderszijde] ,geboren op [geboortedatum 3] 1973 in [geboorteplaats 2] ;\n\n6.3.. bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van voornoemde minderjarige;\n\n6.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.5.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, mr. T.E.F. Reijnders en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, op 29 mei 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.\n\n Artikel 1:276, eerste lid, BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17486","2026-07-13T00:29:46.103Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":87,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":65,"updatedAt":89},"1938","ECLI:NL:RBDHA:2026:17507","ecli-nl-rbdha-2026-17507","RECHTBANK DEN HAAG\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F705561 \u002F FA RK 26-5048\n\nDatum uitspraak: 29 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter\n\nWijziging voorlopige voogdij\n\nin de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),\n\nhierna te noemen: [minderjarige].\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nin het BRP geregistreerd als geëmigreerd,\n\nStichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,\n\nzijnde de voorlopige voogdes.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nLeger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,\n\nzijnde de beoogde voogdes.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij beschikking van 21 mei 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank – met wijziging van de beschikking van 9 april 2026 met zaaknummer C\u002F09\u002F702234 \u002F FA RK 26-3043 – het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] in plaats van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 21 mei 2026 tot 4 juni 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.1.2.. De kinderrechter neemt nu ook de voornoemde beschikking van 21 mei 2026 mee in de beoordeling.\n\n1.3.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n [naam 1] namens de Raad;\n\n [naam 2] namens Stichting Jeugdbescherming west Zuid Holland;\n\n [naam 3] namens Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering.\n\n1.4.. De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij wel juist is opgeroepen.\n\n1.5.. De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening te geven. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 21 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het verzoek strekt tot wijziging van de voorlopige voogdij over [minderjarige], in die zin dat wordt verzocht het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] in plaats van Stichting Jeugdbescherming West Zuid Holland en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Bij beschikking van 9 april 2026 is Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] (zaaknummer C\u002F09\u002F702234 \u002F FA RK 26-3043). Op grond van artikel 1:241 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de maatregel worden ingetrokken of gewijzigd door de kinderrechter die haar heeft bevolen, tenzij een verzoek om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht. In dat geval beslist de rechter bij wie dit verzoek aanhangig is. De kinderrechter stelt vast dat de Raad op 28 april 2026 heeft verzocht om een voorziening in het gezag over [minderjarige]. Dat verzoek zal worden behandeld bij door een rechter van team Familie van de rechtbank Den Haag. Het is in het belang van [minderjarige] dat er zo spoedig mogelijk inhoudelijk op het verzoek wordt beslist, omdat er op dit moment feitelijk niet tot nauwelijks invulling wordt gegeven aan de voorlopige voogdijmaatregel. Aangezien het bij team Familie niet mogelijk is om verzoekschriften op zeer korte termijn inhoudelijk te behandelen en de aard van dit verzoek geen uitstel duldt, heeft de kinderrechter noodzaak gezien alsnog op dit verzoek te beslissen.\n\n4.2.. Uit het verzoekschrift en de mondelinge toelichting ter zitting volgt dat Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland de afgelopen periode niet tot nauwelijks betrokken is geweest bij [minderjarige] vanwege personeelstekort. Het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering is bereid en heeft iemand beschikbaar om de voorlopige voogdij uit te voeren. Aangezien het dringend en onmiddellijk noodzakelijk is dat de belangen van [minderjarige] worden behartigd en de noodzakelijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] kunnen worden genomen, is de kinderrechter van oordeel dat de voorlopige voogdij beter belegd kan worden bij het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad dan ook toewijzen.\n\n4.3.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.4.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\nmet wijziging van de beschikking van 9 april 2026 met zaaknummer C\u002F09\u002F702234 \u002F FA RK 26-3043:\n\n5.1.. belast het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met de voorlopige voogdij over [minderjarige] in plaats van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;5.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 door\n\nmr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 29 mei 2025.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17507","2026-07-13T00:29:46.367Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":65,"updatedAt":98},"407","ECLI:NL:RBDHA:2026:17449","ecli-nl-rbdha-2026-17449","2026-05-28T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-7613\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F692764\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 7 oktober 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. D.G. Nagel in Almere.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nAls informant wordt aangemerkt:\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\nProcedure\n\nBij beschikking van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, zich onbevoegd verklaard van het verzoek kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin die zich op dat moment bevond, verwezen naar deze rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift.\n\nOp 19 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam 1] namens William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (de jeugdbeschermer);\n\n [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nDe minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] .\n\nDe vader heeft [de minderjarige] erkend.\n\nDe ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 9 mei 2019.\n\n [de minderjarige] is in juli 2023 uit huis geplaatst. Tot zijn uithuisplaatsing verbleef hij bij de vader en ging hij om de week gedurende het weekend naar de moeder.\n\nBij beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2025 heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, bepaald:\n\ndat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] wordt verlengd tot 13 juli 2026;\n\ndat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder wordt verlengd tot 13 juli 2026, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;\n\ndat het gezag over [de minderjarige] , voor zover dit betrekking heeft op de aanmelding bij een onderwijsinstelling, gedurende de periode van de machtiging tot uithuisplaatsing, te weten tot 13 juli 2026, wordt uitgeoefend door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader heeft geen verweer gevoerd.\n\nBeoordeling\n\nBevoegdheid\n\nArtikel 265 Rv bepaalt dat in zaken betreffende minderjarigen de rechter van de woonplaats van de minderjarige bevoegd is. Een minderjarige volgt op grond van artikel 1:12 lid 1 BW de woonplaats van de persoon die het gezag over hem uitoefent. Als beide ouders tezamen het gezag uitoefenen maar niet dezelfde woonplaats hebben, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie hij feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven. De ouders van [de minderjarige] hebben niet dezelfde woonplaats. [de minderjarige] verblijft feitelijk bij geen van hen, omdat hij uithuisgeplaatst is. Daarvoor verbleef hij feitelijk bij zijn vader. De woonplaats van de vader van [de minderjarige] bevindt zich in het arrondissement van de rechtbank Den Haag, die daarom bevoegd is.\n\nEenhoofdig gezag\n\nWettelijk kader\n\nDe rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder stelt dat er geen contact is tussen de vader en [de minderjarige] . Ondanks de pogingen van de gecertificeerde instelling lukt het niet om de vader te bewegen tot onderhouden van contact met [de minderjarige] . Daarnaast komt de vader zijn verplichtingen niet na als gezaghebbende ouder, zodat er wordt voldaan aan het klem en verloren-criterium. De vader ondertekende de formulieren voor het onderwijs van [de minderjarige] niet, waardoor de gecertificeerde instelling genoodzaakt was om gedeeltelijke gezagsuitoefening te verzoeken. Nu het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wel goed is en er gekeken wordt of er toegewerkt kan worden naar thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, acht de moeder het van belang dat haar alleen het ouderlijk gezag toekomt. Het is immers noodzakelijk dat alle benodigde hulpverlening kan worden aangevraagd indien dit nodig is vanwege problematiek van [de minderjarige] en voorts dat ook overschrijvingen naar bijvoorbeeld een andere school kunnen worden gerealiseerd, zonder dat de minderjarige klem en verloren dreigt te raken, omdat de vader daartoe niet zijn benodigde medewerking verleent.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat er sinds de uithuisplaatsing in 2023 geen contact is tussen de vader en [de minderjarige] , ondanks meerdere pogingen tot contactherstel van de gecertificeerde instelling. De vader geeft dus geen invulling aan zijn ouderlijke verantwoordelijkheid. Dat beeld wordt versterkt door het feit dat de vader in deze procedure geen verweer heeft gevoerd en dat hij niet op de zitting is verschenen. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat gezagsbeslissingen over [de minderjarige] niet genomen kunnen worden vanwege het ontbreken van de toestemming van de vader. De moeder en de jeugdbeschermer hebben op de zitting toegelicht dat er eerder vervangende toestemming nodig is geweest voor inschrijving van [de minderjarige] op school en dat de vader al twee jaar lang weigert om de inschrijving van [de minderjarige] in de Basisregistratie Personen (BRP) te wijzigen ondanks dat de gecertificeerde instelling dit heeft verzocht. Gelet op de onbereikbaarheid van de vader voorziet de rechtbank, net als de moeder en de gecertificeerde instelling, problemen als er in de toekomst gezagsbeslissingen over [de minderjarige] genomen moeten worden, met name met betrekking tot de hulpverlening voor [de minderjarige] . De rechtbank acht het gelet op voorgaande in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] zal uitoefenen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen.\n\nBrief aan [de minderjarige]\n\nDe rechter heeft in een aparte brief aan [de minderjarige] de beslissing uitgelegd. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap [de minderjarige] heeft ontvangen.\n\nBeste [de minderjarige] ,\n\nIk ben de kinderrechter met wie je een tijdje terug gepraat hebt. Ik vond het erg knap van je dat je alleen naar binnen durfde. Je vond het namelijk best wel spannend, zei je.\n\nVoor jou is het allerbelangrijkste dat je bij mama mag wonen. Daar kan ik helaas niet over beslissen. Ik weet dat je dat erg jammer vindt. Je moeder vindt dat ook erg jammer.\n\nIk heb besloten dat je vader geen gezag meer over jou heeft. Dat betekent dat hij bijvoorbeeld niet mag meebeslissen als je naar de dokter toe moet.\n\nIk vond het erg leuk om met je te praten, [de minderjarige] . Je lijkt me een aardige jongen. En je kunt goed nadenken over wat je wil en dat vertellen. Ik wens je veel succes met alles!\n\nMet vriendelijke groet,\n\nErik Boot\n\nKinderrechter\n\nBeslissing De rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat voortaan aan de moeder het eenhoofdig gezag toekomt over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17449","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:28.165Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":103,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":65,"updatedAt":105},"408","ECLI:NL:RBDHA:2026:17440","ecli-nl-rbdha-2026-17440","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 23-5949\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F652435\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag, zorg-\u002Fomgangsregeling, informatie en consultatieregeling\n\nBeschikking op het op 10 augustus 2024 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. D.H.P.C. Glaudemans te Delft.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. M.J.W. Jongenelen te Roosendaal.\n\nProcedure\n\nBij beschikking van 12 april 2024 van deze rechtbank is een beslissing ter zake van het gezag, de zorg-\u002Fomgangsregeling en de informatieregeling aangehouden zodat de ouders op eigen aanmelding een hulpverleningstraject konden gaan starten om aan hun verstoorde communicatie te werken.\n\nDe rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:\n\nhet bericht van 7 oktober 2024 van de moeder;\n\nhet bericht van 8 oktober 2024 van de vader;\n\nde brief van 27 mei 2025 van de moeder;\n\nde brief van 3 juni 2025 van de vader;\n\nde brief van 30 september 2025 van de moeder;\n\nde brief van 3 oktober 2025 van de vader;\n\nhet bericht van 6 januari 2026 van de moeder met bijlagen;\n\nde brief van 20 april 2026 van de moeder met bijlagen.\n\nDe kinderen hebben zich in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.\n\nOp 30 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en de moeder met haar advocaat.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.\n\nGezag\n\nVoor de vader is het belangrijkste dat er een goede omgangsregeling tussen hem en de kinderen wordt vastgesteld en hij gaat ervan uit dat een beslissing over het gezag door de rechtbank juist wordt genomen.\n\nVolgens de moeder is het niet in het belang van de kinderen dat de moeder samen met de vader het gezamenlijk gezag uitoefent gelet op het feit er geen enkel constructief overleg tussen hen mogelijk is.\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting gebleken dat de verhoudingen tussen de ouders nog steeds zodanig verstoord zijn dat de kinderen klem en verloren dreigen te raken wanneer de vader en de moeder het gezag gezamenlijk zouden uitvoeren. De ouders zijn anderhalf jaar verder en de inzet van verschillende hulptrajecten, zoals mediation en parallel solo ouderschap, bleek hen niet verder te brengen in het verbeteren van het contact. De rechtbank acht het niet in het belang van de kinderen dat de vader en de moeder het gezamenlijk gezag uitoefenen en wijst het verzoek van de vader daarom af.\n\nOmgangsregeling\n\nHet is de hulpverlening niet gelukt om de ouders met elkaar in contact te brengen. Er is door het UHA-traject een advies opgesteld om een omgangsregeling vast te stellen zodat er duidelijkheid voor de kinderen komt. Daarbij is het van belang dat hun wensen en behoeften leidend zijn in het contact met de vader.\n\nDe vader heeft op de zitting aangegeven zich neer te leggen bij de voorgestelde omgangsregeling uit het advies vanuit het UHA-traject. Het is voor de vader het belangrijkste dat het contact met de kinderen weer wordt opgestart, omdat hij ze graag weer zou willen zien.\n\nDe moeder wenst geen vastlegging van een omgangsregeling, omdat het contact tussen de vader en de kinderen al enige tijd stilligt en de vader zich daarnaast tegenover [minderjarige 1] negatief uitlaat over de moeder.\n\nUit de stukken en op de zitting is de rechtbank het volgende gebleken. De kinderen ervaren de omgang met hun vader als beladen, niet onbelast en regelmatig oppervlakkig. Uit het UHA rapport blijkt daarnaast dat de kinderen het als lastig ervaren als de vader hen vragen stelt over een uitbreiding van de omgang. De kinderen vonden de eerder afgesproken regeling voldoende, maar de vader vond dit moeilijk te accepteren. Het is in het belang van de kinderen om tijdens contactmomenten een leuke dag te hebben met de vader waarbij de focus door de vader niet – alsmaar – verlegd wordt naar de mogelijkheden tot een uitbreiding van de omgangsregeling. Omdat het wel in het belang van de kinderen is om met beide ouders contact te hebben, zal de rechtbank de volgende omgangsregeling vastleggen voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. Een zondag per vier weken zullen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar de vader gaan van 11:00 uur tot 19:00 uur waarbij de moeder de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wegbrengt naar de vader en de vader de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] terugbrengt naar de moeder. Voor [minderjarige 3] komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Gelet op de leeftijd van [minderjarige 3] acht de rechtbank hem zelfstandig genoeg om in onderling overleg met de vader afspraken te maken over contactmomenten. Het is des te meer ook aan de vader om zich voor dit contact met [minderjarige 3] in te zetten. Het is de rechtbank gebleken dat de vader moeite heeft om het strijdkader los te laten. Het lukt de vader niet om de wensen en behoeften van de kinderen los te zien van zijn boosheid richting de moeder. Het is echter in het belang van de kinderen dat de vader hier verandering in brengt en zijn aandacht meer gaat richten op zijn band met de kinderen en minder op hetgeen waar hij recht op meent te hebben met betrekking tot de kinderen. De vader zal oprechte belangstelling in de kinderen moeten tonen en zo met hen in gesprek kunnen gaan om erachter te komen wat zij willen en wat er in hen omgaat. In het kader van oprechte belangstelling kan het de vader helpen om, ondanks zijn financiële problemen, toch bij de voetbal van de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te gaan kijken, mede omdat zij hebben aangegeven dit heel leuk te vinden. Het is in het belang van de kinderen om zich gezien en gehoord te voelen door hun vader. Hiervoor zal eerst het contact met de vader en de kinderen hersteld moeten worden en daarvoor acht de rechtbank de vader aan zet. Het zal een wat langere adem vragen om de relatie tussen de vader en de kinderen te herstellen en de rechtbank hoopt dat de vader zichzelf en vooral de kinderen deze tijd gunt.\n\nInformatie-\u002Fconsultatieregeling\n\nDe vader verzoekt de rechtbank om te bepalen dat de moeder de vader bij voorkeur één keer per maand per mail informeert over de ontwikkeling van de kinderen. Voorts verzoekt de vader dat de moeder haar medewerking verleent dat de school van de kinderen informatie verstrekt aan de vader over de ontwikkeling van de kinderen op school.\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting gebleken dat de vader niet altijd geheel op de hoogte is van de ontwikkelingen omtrent de kinderen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader toewijzen. Hiermee hoopt de rechtbank de vader handvatten te bieden voor gesprekken met de kinderen zodat hij belangstelling voor hen kan tonen. De moeder zal daarom de vader eens per maand per mail informeren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de de kinderen. Daarbij valt te denken aan hun gezondheid, hoe zij het op school doen, hun sport en wat er in hun leven verder speelt. Deze verplichting ziet uitdrukkelijk slechts op informatie-uitwisseling en het is niet de bedoeling dat de vader enige reactie op het bericht van de moeder zal geven. Mocht dat wel voorkomen, is het aan de moeder om deze reactie naast zich neer te leggen. Door het toewijzen van het verzoek van de vader en het vastleggen van de informatieregeling, zal de vader zich kunnen inzetten om meer interesse te tonen in de kinderen. Mede gelet op het feit dat de moeder het eenhoofdig gezag behoudt, acht de rechtbank het niet noodzakelijk dat de moeder haar medewerking verleent aan de vader zodat de school van de kinderen informatie over hen aan de vader verstrekt. De voorgaande informatieregeling houdt voor de moeder ook in om de vader te informeren over de ontwikkelingen van de kinderen op school.\n\nKindbrief\n\nTot slot heeft de rechtbank besloten om in een aparte brief aan [minderjarige 3], [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit te leggen wat de uitkomst van de procedure is. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap zij hebben ontvangen.\n\n“Beste [minderjarige 3], [minderjarige 2] en [minderjarige 1],\n\nOp 29 april 2026 hebben wij elkaar gesproken. Jullie hebben mij veel verteld over het contact met jullie vader. De dag erna heb ik met jullie ouders gesproken. Zij vinden het allebei belangrijk dat jullie contact houden met jullie vader, maar komen er niet goed uit hoe dat dan moet. Ik heb goed naar jullie en naar jullie ouders geluisterd en heb een beslissing genomen. Die leg ik jullie hier uit.\n\nJullie moeder is degene die de belangrijke beslissingen over jullie blijft nemen en dus het gezag over jullie houdt. Jullie vader krijgt niet het gezag. Jullie ouders willen allebei het allerbeste voor jullie, maar het lukt hen niet goed genoeg om samen met elkaar te beslissen. Dat ligt niet aan jullie, zo loopt het soms nou eenmaal tussen gescheiden ouders. Omdat ik me zorgen maak of er nog wel beslissingen genomen kunnen worden als jullie ouders allebei het gezag hebben, lijkt het me beter dat jullie moeder alleen beslist.\n\nDaarbij zal jullie moeder dan wel elke maand informatie over jullie aan jullie vader geven. Dat gaat dan over school, over sport, over jullie gezondheid, en wat er verder nog aan de hand is. Zo blijft jullie vader op de hoogte van wat er speelt in jullie leven. Dat geeft hem ook de kans om gericht met jullie te praten over wat er belangrijk is voor jullie, zoals een operatie of een voetbalwedstrijd.\n\nVoor de omgang heb ik beslist dat jij, [minderjarige 3], zelf moet bekijken wat handig is. Je hebt je vrienden, je werk, school en wat er verder allemaal belangrijk voor je is. Ik heb gezien dat jij prima in staat bent om zelf met je vader afspraken te maken over wanneer je hem spreekt of ziet. Die ruimte geef ik jou dan ook.\n\n [minderjarige 2] en [minderjarige 1], jullie gaan één keer per maand op zondag van 11:00u tot 19:00u naar jullie vader. Samen. Als de ene niet kan, gaat de ander ook niet. Dan kunnen jullie misschien de zondag erna samen gaan om de dag in te halen. Ik schrijf ook een brief (dat heet dan een beschikking) aan jullie ouders. Daarin vraag ik jullie vader om zich op die zondag vooral te richten op jullie. Het is de bedoeling dat hij er met jullie een leuke dag van maakt en wat minder focust op meer contact of op overnachtingen. Hij heeft verteld dat hij het leuk vindt om met jullie milkshakes te maken en het park in te gaan. Dat is een goed begin. Ik heb hem ook laten weten dat het voor jullie belangrijk is dat hij de moeite neemt om bijvoorbeeld eens bij jullie voetbal te gaan kijken. Ik hoop dat hij dat doet, maar dat is aan jullie vader om te regelen.\n\nIk beslis niets over vakanties of feestdagen voor jullie alle drie. Wat hiervoor over de omgang staat, blijft dan gewoon gelden. Ik beslis ook niks over uitbreiding van deze regeling. Ik vind het belangrijk dat jullie elkaar weer vinden in een gezellige en fijne omgang, zonder dat er druk op ligt van uitbreiding of extra dagen in een vakantie.\n\nIk hoop dat jullie je hier een beetje in kunnen vinden. Ik hoop ook dat jullie vader er een gezellige boel van gaat maken en dat jullie je weer fijn bij hem gaan voelen. Daar wens ik jullie het allerbeste, en ook veel plezier bij!\n\nHartelijke groetjes,\n\nde kinderrechter”\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 12 april 2024 –:\n\nwijst het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag af;\n\nstelt de volgende omgangsregeling vast:\n\n [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zullen een zondag per vier weken naar de vader gaan van 11:00 uur tot 19:00 uur waarbij de moeder de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wegbrengt naar de vader en de vader [minderjarige 2] en [minderjarige 1] terugbrengt naar de moeder;\n\n [minderjarige 3] regelt in onderling overleg met de vader wanneer zij elkaar zien;\n\nbepaalt dat de moeder eens per maand de vader per mail informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de kinderen;\n\nwijst af het meer of anders verzochte;\n\nen verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17440","2026-07-13T00:28:28.207Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":110,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":111,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":65,"updatedAt":112},"415","ECLI:NL:RBDHA:2026:17448","ecli-nl-rbdha-2026-17448","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2689\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F701622\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken, hoofdverblijfplaats en informatieregelingBeschikking op het op 17 maart 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J.L.J. Kapteijn in Alphen aan den Rijn.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. H.H.R. Bruggeman in Leiderdorp.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 19 maart 2026 met bijlagen van de moeder;\n\nhet bericht van 29 april 2026 met bijlage van de moeder;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken;\n\nhet bericht van 6 mei 2026 met bijlagen van de vader;\n\nhet bericht van 8 mei 2026 met bijlagen van de moeder;\n\nhet bericht van 11 mei 2026 van de vader.\n\nOp 11 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\nde advocaat van de vader;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .\n\n [minderjarige] staat blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres van de moeder.\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nte bepalen dat [minderjarige] de hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft;\n\nte bepalen dat er een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal worden vastgesteld, waarbij [minderjarige] onder toezicht bij de vader zal zijn:\n\nom de week van vrijdag 16:00 uur tot zaterdag na het avondeten, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader zal brengen, waar de moeder, vader of zus vaderszijde ook aanwezig zal zijn en de vader of zijn familielid [minderjarige] op zaterdag na het avondeten weer bij de moeder terugbrengt;\n\ngedurende één kerstdag en Sinterklaas;\n\nmet Oud en Nieuw in de oneven jaren, in de even jaren zal [minderjarige] bij de moeder zijn.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek:\n\n- te bepalen dat er een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal worden vastgesteld, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:\n\niedere dinsdag- en donderdagmiddag tot na het avondeten;\n\néén weekend in de veertien dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur, welk weekend samenvalt met het weekend dat de andere kinderen van de vader bij hem zijn;\n\n- de volgende vakantieregeling wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige] bij de vader is:\n\nin de even jaren: de voorjaarsvakantie, de tweede week van de meivakantie, de laatste drie weken van de zomervakantie en de tweede week van de kerstvakantie;\n\nin de oneven jaren: de eerste week van de meivakantie, de eerste drie weken van de zomervakantie, de herfstvakantie en de eerste week van de kerstvakantie,\n\nwaarbij de overdracht op vrijdag om 16.00 uur is;\n\n- de moeder de vader minimaal één keer per maand per email dient te informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] , en zodra van toepassing, over zijn ontwikkeling op school, in zijn vrije tijd, in zijn relaties met vrienden\u002Fvriendinnen alsmede over zijn lichamelijk en geestelijk welzijn.\n\nBeoordeling\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nBlijkens het bericht van de vader van 11 mei 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat de vader niet in staat was om op de zitting te verschijnen, omdat hij in detentie zit. De rechtbank acht het van belang dat de vader in de gelegenheid wordt gesteld om zijn standpunt ten aanzien van de zorgregeling naar voren te kunnen brengen. De rechtbank zal gelet op deze bijzondere omstandigheden de inhoudelijke behandeling van de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aanhouden tot een nader te bepalen zittingsdatum.\n\nIn afwachting van de inhoudelijke behandeling van de definitieve zorgregeling, zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vaststellen. De rechtbank acht het namelijk van belang dat er contact is tussen de vader en [minderjarige] . Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat de moeder dat zich grote zorgen maakt over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader. De moeder stelt daarnaast dat er een aantal incidenten hebben plaatsgevonden en dat de vader door middelengebruik gedurende een langere periode [minderjarige] niet heeft gezien. Mede gelet op de verschillende meldingen die bij Veilig Thuis binnen zijn gekomen, zoals volgt uit het rapport van Cardea, acht de rechtbank deze zorgen niet zonder meer ongegrond. In afwachting tot de inhoudelijke behandeling ten aanzien van de definitieve zorgregeling, zal de rechtbank daarom bepalen dat contact tussen de vader en [minderjarige] voorlopig zal plaatsvinden onder begeleiding van de moeder, vader of zus vaderszijde, conform het verzoek van de moeder.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nWettelijk kader\n\nIn het eerste lid van artikel 1:253a BW is bepaald dat in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van sub b van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder stelt dat zij sinds het uit elkaar gaan van de ouders, de hoofdzorg draagt over [minderjarige] en dat het dan ook belangrijk is dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. De vader gaat akkoord met het verzoek van de moeder tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder. De rechtbank zal conform de overeenstemming van de ouders beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.\n\nInformatieregeling\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:253a BW, sub c van het tweede lid kan de rechtbank een regeling vaststellen inzake de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vader stelt dat het wenselijk is een duidelijk omschreven informatieregeling vast\n\nte leggen. Op de zitting is gebleken dat de moeder heeft ingestemd met het verzoek van de vader om hem minimaal één keer per maand per email te informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] , en zodra van toepassing, over zijn ontwikkeling op school, in zijn vrije tijd, in zijn relaties met vrienden\u002Fvriendinnen alsmede over zijn lichamelijk en geestelijk welzijn. De rechtbank zal conform de overeenstemming van de ouders beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat [minderjarige] voorlopigbij de vader zal zijn: om de week van vrijdag 16:00 uur tot zaterdag na het avondeten, waar de moeder, vader of zus vaderszijde ook aanwezig zal zijn en waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader zal brengen en de vader of zijn familielid [minderjarige] op zaterdag na het avondeten weer bij de moeder terugbrengt;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;\n\n*\n\nbepaalt dat de moeder de vader minimaal één keer per maand per email dient te informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] , en zodra van toepassing, over zijn ontwikkeling op school, in zijn vrije tijd, in zijn relaties met vrienden\u002Fvriendinnen alsmede over zijn lichamelijk en geestelijk welzijn;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nhoudt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstakenaan toteen nader te bepalen zittingsdatum.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17448","2026-07-13T00:28:28.773Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":117,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":65,"updatedAt":119},"480","ECLI:NL:RBDHA:2026:17445","ecli-nl-rbdha-2026-17445","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-2231\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F682424\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Scheiding\n\nBeschikking op het op 25 maart 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. K. Moene te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S. Bhulai te ’s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 28 maart 2025, met bijlagen namens de vrouw;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen;\n\n- het bericht van 10 februari 2026 namens de vrouw;\n\n- de brief van 24 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw inhoudende\n\n een wijziging van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling;\n\n- de brief van 17 april 2026, met bijlagen, namens de vrouw, tevens\n\n inhoudende een wijziging van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling;\n\n- het bericht van 21 april 2026, met bijlage, namens de man.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw en de man met hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2023 te Leidschendam-Voorburg in beperkte gemeenschap\n\n van goederen.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .\n\n- De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast.\n\n- Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 24 maart 2025\n\n –voor zover hier van belang– bepaald dat:\n\nde vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekomt met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nde kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;\n\nde man aan de vrouw, met ingang van 10 maart 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 250,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.\n\n- Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 19 maart 2026 –\n\n met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 24 maart 2025 –\n\n bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 11 maart 2026, een kinderalimentatie\n\n ten behoeve van de kinderen van € 167,- per kind per maand zal betalen, telkens bij\n\n vooruitbetaling te voldoen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet gewijzigde verzoek van de vrouw zoals dat nu luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen (zorgregeling), in die zin dat:\n\n de kinderen gedurende de schoolweken en onder de voorwaarde dat in dat\n\nweekend geen feestdagen vallen in het weekend van de oneven weken bij\n\nde man zijn van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:00 uur;\n\n invulling van vakanties en feestdagen in onderling overleg;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 167,- per maand per kind, bij\n\n vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van de beschikking;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen,\n\n -waarbij de kinderen bij de man zullen zijn:\n\n in de oneven weken van vrijdag na school (15:00 uur) tot zondag 18:00 uur;\n\n in de zomervakantie 1 week in overleg;\n\n met Vaderdag;\n\n -te bepalen dat de kinderen 2 video belmomenten op dinsdag en donderdag om\n\n 19:00 uur hebben met de man of elk ander moment dat de kinderen hun vader\n\n missen;\n\n- vaststelling van een regeling inzake de informatie over de kinderen, waarbij de vrouw de man maandelijks zal informeren over de ontwikkelingen van de\n\n kinderen;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 166,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van indiening van het verweerschrift althans een zodanige bijdrage en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht;\n\n- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform\n\n het voorstel van de man inhoudende dat de goederen opgenoemd in de inboedellijst (productie 3) aan de man zullen toekomen, zonder verrekening.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntbreken ouderschapsplan\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. Partijen hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het partijen niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank toch het verzoek tot echtscheiding.\n\nOmdat aan de overige wettelijke formaliteiten wel is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nDe vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man voert hiertegen geen verweer. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.\n\nZorgregeling\n\nUit de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank het volgende gebleken. Op 25 februari 2025 is aan de man een tijdelijk huisverbod opgelegd, omdat er een incident van huiselijk geweld in de echtelijke woning heeft plaatsgevonden. Dit huisverbod is ook nog verlengd tot 25 maart 2025. De vrouw is met de kinderen in de echtelijke woning gebleven. In de voorlopige voorzieningenprocedure (beschikking van\n\n24 maart 2025) is vervolgens het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toegekend alsmede zijn de kinderen aan haar toevertrouwd. Er is diverse hulpverlening bij het gezin betrokken geraakt, onder meer het Veilig Verder Team (VVT). Doel van dit team is het opstellen van veiligheidsafspraken en het maken van passende omgangsafspraken voor de kinderen. Op 20 januari 2026 heeft het VVT advies uitgebracht, waarbij is gebleken dat er nog geen definitieve veiligheids- en omgangsafspraken zijn vastgesteld.\n\nBeide ouders willen een vaste zorgregeling, maar zij verschillen van mening over de exacte invulling van deze regeling. Daarbij is het werkrooster van de man een complicerende factor.\n\nDe vrouw stelt een zorgregeling voor, waarbij de kinderen in de oneven weken bij de man zijn van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:00 uur. De vrouw hecht aan een vaste regeling die de man altijd kan nakomen. Om deze reden verzoekt zij zaterdag 10 uur, omdat vrijdag na school volgens de vrouw niet altijd voor de man haalbaar is. Daarnaast vindt de vrouw het van belang dat de kinderen op tijd naar bed gaan. Dit klemt temeer op de zondagen nadat de kinderen een weekend bij de man zijn geweest.\n\nDe man verzet zich tegen de verzochte invulling van de vrouw en verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen in de oneven weken van vrijdag na school (15:00 uur) tot zondag 18:00 uur bij hem verblijven.\n\nOp de zitting is naar voren gekomen dat de man op dit moment bij zijn huidige werkgever een werkrooster heeft, waarbij hij eenmaal in de drie weken een vrij weekend heeft. Mogelijk krijgt de man op korte termijn een nieuwe werkgever en wil hij gaan bespreken dat hij om de week een vrij weekend heeft.\n\nAlles overwegende zal de rechtbank nu bepalen dat de kinderen bij de man zijn eenmaal in de drie weken (het vrije weekend van de man) van vrijdag uit school (15:00 uur) tot zondag 17 uur. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de man in de weken dat hij de kinderen niet in het weekend ziet nog een dag dan wel dagdeel omgang zal hebben met de kinderen. Daarbij is het van belang dat de man de vrouw tijdig op de hoogte zal brengen van zijn vrije (doordeweekse) dagen in zijn werkrooster, waarna ze in onderling overleg – eventueel onder begeleiding van hulpverleners – voor de weken daarop, indien mogelijk, de doordeweekse contactmomenten kunnen vastleggen.\n\nDe ouders zijn het er verder over eens dat de invulling van vakanties en feestdagen in onderling overleg zal worden bepaald, maar dat de kinderen in ieder geval op vaderdag en in de zomervakantie één week bij de man zullen zijn. Ook hiervoor geldt dat de man de vrouw tijdig van zijn werkrooster op de hoogte zal moeten brengen, zodat deze vakantie(s) en feestdagen in onderling overleg – eventueel onder begeleiding van hulpverleners – kunnen worden bepaald.\n\nDe rechtbank geeft de ouders mee dat zij samen met VVT dan wel andere hulpverleners verdere afspraken moeten maken over de nadere invulling en uitbreiding van de zorgregeling, mede afhankelijk van de (nieuwe) werkroosters van de man en van het werkrooster van de vrouw voor zover zij erin slaagt te gaan werken zoals zij voornemens is. Daarbij moet ernaar worden gestreefd dat de kinderen in ieder geval om de week een weekend bij de man zullen verblijven, zoals beide ouders nu hebben verzocht.\n\nOp de zitting zijn de ouders verder overeengekomen dat de man twee keer per week, op dinsdag en donderdag, om 18 uur een (video) belmoment met de kinderen zal hebben. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, omdat dit ook in het belang van de kinderen is.\n\nInformatieregeling\n\nDe man verzoekt een informatieregeling vast te stellen, waarbij de vrouw de man maandelijks zal informeren over de ontwikkelingen van de kinderen. De vrouw verzet zich hiertegen en stelt dat het verzoek van de man buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het niet binnen de gegeven verweertermijn en dus te laat is ingediend.\n\nWat er ook zij van het standpunt van de vrouw, de rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen, toe te wijzen. De ouders zijn immers gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast. Uit gezamenlijk gezag vloeit voort dat de ouders elkaar over en weer moeten informeren en consulteren over zaken die de kinderen aangaan. Daarnaast kan de man als gezaghebbende ouder ook zelf alle informatie over de kinderen opvragen bij betrokken instanties. Verder zal de man ook regelmatig contact met de kinderen hebben, zodat hij op basis hiervan ook al goed op de hoogte is van onder andere hun ontwikkeling. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.\n\nKinderalimentatie\n\nOp de zitting is gebleken dat de vrouw haar verzoek wijzigt en nu verzoekt een kinderalimentatie vast te stellen van € 167,- per maand per kind, zoals is bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2026 betreffende de wijziging van de voorlopige voorzieningen. Gelet op het zelfstandige verzoek van de man, waarin hij een bedrag van € 166,- per maand per kind aan kinderalimentatie verzoekt, concludeert de rechtbank dat de ouders over de kinderalimentatie overeenstemming hebben bereikt. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen. Daarbij zal de rechtbank de datum van beschikking als ingangsdatum bepalen, zoals de vrouw verzoekt, mede omdat er al een voorlopige kinderalimentatie in voorlopige voorzieningen is bepaald.\n\nVerdeling beperkte huwelijksgemeenschap\n\nDe man verzoekt te bepalen dat de inboedelgoederen opgenoemd in de als productie 3 overgelegde inboedellijst aan de man zullen toekomen, zonder verrekening. De vrouw verweert zich hiertegen en stelt dat de inboedel al tussen partijen is verdeeld. Mede gelet op wat op de zitting is besproken, concludeert de rechtbank dat de huwelijksgoederengemeenschap feitelijk al tussen partijen is verdeeld en dat de rechtbank op dit punt geen beslissing meer behoeft te nemen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2023 te [plaats] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ,\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat de hiervoor genoemde minderjarigen bij de man zullen zijn:\n\n- eenmaal in de drie weken (het vrije weekend van de man) van vrijdag uit school\n\n (15:00 uur) tot zondag 17 uur;\n\n- in de weken dat de man de kinderen niet in het weekend ziet nog een dag dan wel\n\n dagdeel, in onderling overleg te bepalen en afhankelijk van het werkrooster van de\n\n man;\n\n- de invulling van de vakanties en feestdagen in onderling overleg zal worden\n\n bepaald, waarbij de kinderen in ieder geval op vaderdag en één week in de\n\n zomervakantie bij de man zullen zijn;\n\n*\n\nbepaalt dat er twee keer per week, op dinsdag en donderdag, om 18 uur een (video) belmoment tussen de man en de kinderen zal plaatsvinden;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van vandaag, een kinderalimentatie ten behoeve van de hiervoor genoemde minderjarigen van € 167,- per maand per kind zal betalen, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking – tot zover en met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17445","2026-07-13T00:28:32.552Z",{"id":121,"ecli":122,"slug":123,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":124,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":65,"updatedAt":126},"387","ECLI:NL:RBDHA:2026:17436","ecli-nl-rbdha-2026-17436","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-7121\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F691898\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 29 september 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende te op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.J.M. Vélu te Rotterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nFeiten\n\n De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad.\n\n Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .\n\n De vader heeft [de minderjarige] met toestemming van de moeder op 23 juni 2023 erkend.\n\n De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.\n\n [de minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden sinds oktober 2024 zijn gewijzigd.\n\nBeoordeling\n\nHet wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over het kind blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan derhalve worden beëindigd indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien\n\nb) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nDe moeder stelt dat de vader niet goed voor [de minderjarige] zorgt wanneer zij bij hem is. Zij heeft autisme en is op extra hulp aangewezen. Volgens de moeder is het te druk bij de vader thuis voor [de minderjarige] , gelet op de aanwezigheid van de andere kinderen van de vader. De moeder heeft in oktober 2024 de omgangsregeling stopgezet, omdat zij aan [de minderjarige] merkte dat deze vorm van contact haar geen goed deed. Daarnaast geeft zij aan geen contact te hebben met de vader en als er wel contact is, dat dit slecht verloopt. De moeder stelt dat de vader een eigen leven heeft met een nieuw gezin en dat [de minderjarige] daar niet tussen past. Momenteel ondervindt de moeder geen problemen met de gezamenlijke gezagsuitoefening, maar zij geeft aan graag problemen in de toekomst voor te blijven.\n\nOp de zitting heeft de vader aangegeven dat hij [de minderjarige] sinds oktober 2024 niet meer gezien heeft. Wel hebben de vader en [de minderjarige] wekelijks contact waarbij zij elkaar berichten sturen via de telefoon. De vader heeft aangegeven dat hij niet uit het gedrag van [de minderjarige] heeft kunnen afleiden dat het haar te druk was bij hem thuis, hij dacht dat zij het juist leuk bij hem had. De vader heeft zich neergelegd bij het verbreken van het contact, omdat hij ervan uitgaat dat de moeder het beste weet wat goed is voor [de minderjarige] . Nooit heeft de vader de gezamenlijke gezagsuitoefening dwars willen zitten en hij heeft daarom dan ook altijd de benodigde documenten ondertekend. Op die manier bleef hij ook op de hoogte omtrent huidige ontwikkelingen van [de minderjarige] .\n\nOp de zitting is gebleken dat de vader [de minderjarige] graag zou willen zien en beide ouders hebben de bereidheid uitgesproken om zich hiervoor in te gaan zetten. Op aanraden van de Raad zal de moeder zal hiervoor een aanmelding doen bij het wijkteam of Family Supporters. Het doel hiervan is dat de vader handvatten krijgt zodat hij kan leren om te gaan met het autisme van [de minderjarige] en er gewerkt kan worden aan contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] .\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting daarnaast gebleken dat er een aantal misverstanden tussen de ouders zijn geweest waardoor er nu een gebrek aan contact is tussen de vader en [de minderjarige] . Om het gezamenlijk gezag te beëindigen moet de rechtbank toetsen of [de minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders. De rechtbank concludeert dat hier geen sprake van is, nu de vader vooralsnog altijd de benodigde documenten heeft ondertekend binnen een redelijke termijn. Ook is niet gebleken dat het anderszins in het belang van [de minderjarige] is dat de moede het eenhoofdig gezag verkrijgt. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag daarom afwijzen.\n\nBeslissing De rechtbank:\n\nwijst het verzoek van de moeder af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17436","2026-07-13T00:28:27.211Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":131,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":132,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":65,"updatedAt":133},"411","ECLI:NL:RBDHA:2026:17451","ecli-nl-rbdha-2026-17451","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-3395\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F684783\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Scheiding\n\nBeschikking op het op 6 mei 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S.I. Kouwenhoven te Naaldwijk.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. drs. M. Erkens te Den Haag.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het op 6 mei 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw;\n\n- de brief van 7 juli 2025, inhoudende een wijziging van het petitum, namens de\n\n vrouw;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 31 juli 2025 namens de\n\n man;\n\n- het verweer tegen het zelfstandig verzoek van 1 september 2025 namens de vrouw;\n\n- de brief van 27 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw;\n\n- het bericht van 28 april 2026, met bijlage, namens de man.\n\nDe minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\n- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en H.C. de Man, tolk in de Franse taal;\n\n- de man, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2015 te [plaats 1] , [land] .\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] ,\n\n- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] .\n\n- De kinderen verblijven op dit moment bij de man en de vrouw in de echtelijke woning.\n\n- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- De man heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Guinese nationaliteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen (zorgregeling), in die zin dat de kinderen bij de man verblijven -zodra hij passende huisvesting heeft gevonden om de kinderen te ontvangen en te laten overnachten-:\n\n om het weekend: vanaf zaterdagochtend tot zondagavond;\n\n om het weekend: de andere zaterdag overdag (tijdstip in overleg), waarbij\n\nde man zorg zal dragen voor het begeleiden van de kinderen naar voetbal en\u002Fof zwemles;\n\n eens in de maand zal de man de vrouw in de gelegenheid stellen om met\n\nde kinderen naar de ‘zaterdag bijeenkomsten van de Afrikaanse gemeenschap’ in Den Haag te gaan;\n\n de helft van de feestdagen en schoolvakanties, waarbij rekening wordt\n\ngehouden met de beperkte vrije dagen van het werk die de man kan\n\nopnemen;\n\n de helft van de feestdagen zoals Kerst, Pasen en Oud en Nieuw, waarbij de kinderen om en om de eerste feestdag bij de ene ouder verblijven en de tweede feestdag bij de andere ouder, waarbij oudejaarsdag als de eerste feestdag geldt en Nieuwsjaardag als de tweede feestdag;\n\n Suikerfeest en offerfeest verblijven de kinderen bij de vrouw, behalve wanneer deze feesten in het weekend vallen. Indien Suikerfeest en offerfeest in het weekend vallen worden de feestdagen gevierd bij de man, waarbij de partijen afspreken dat de kinderen met één van de ouders naar de Moskee gaan voor het ochtendgebed;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 125,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift;\n\n- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.\n\nDe man voert – onder referte voor het overige – verweer tegen het verzochte huurrecht, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met een nevenvoorziening tot:\n\n- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\nOntvankelijkheid\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan.\n\nOp de zitting is de rechtbank gebleken dat de ouders een ouderschapsplan zijn overeengekomen, maar dat dit ouderschapsplan niet bij de rechtbank is overgelegd. Gelet hierop en omdat aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats en Zorgregeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nDe vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man heeft hiertegen geen bezwaar. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.\n\nZorgregeling\n\nDe vrouw verzoekt een zorgregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen. De man kan zich vinden in de verzochte zorgregeling, zodat de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond zal toewijzen, mede ook omdat het belang van de kinderen zich hiertegen niet verzet.\n\nKinderalimentatie\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten en verzorging en opvoeding van de kinderen.\n\nOp het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Nederlands recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vrouw verzoekt met ingang van 6 mei 2025, de datum van indiening van het verzoekschrift, een kinderalimentatie van € 125,- per maand per kind. De man is het hiermee eens, zodat de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond zal toewijzen.\n\nHuurrecht van de echtelijke woning\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nDe woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.\n\nDe rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe man en de vrouw verzoeken beiden het huurrecht aan hen toe te kennen.\n\nDe vrouw stelt dat zij er belang bij heeft om samen met de kinderen in de echtelijke woning te blijven wonen. Zij is de hoofdverzorger van de kinderen en het is in het belang van de kinderen dat zij in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. Zij zijn immers hier geworteld en gaan ook dichtbij de woning naar school. Volgens de vrouw heeft de man, gelet op zijn inkomen, meer mogelijkheden om andere geschikte woonruimte te vinden.\n\nDe man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt het huurrecht aan hem toe te kennen. De man stelt dat hij al meer dan 20 jaar huurder van de woning is en lange tijd alleen in de woning heeft gewoond, voordat de vrouw naar Nederland is gekomen. Volgens de man is de woning niet geschikt voor een gezin. Het betreft een twee-kamer-woning van slechts 64 m2 met een woonkamer en één slaapkamer.\n\nKort voor de zitting is gebleken dat partijen in mediation een overeenkomst hebben gesloten waarbij partijen ten aanzien van het huurrecht hebben afgesproken dat zij tijdelijk samen in de woning zullen blijven wonen totdat de vrouw een andere woning heeft gevonden. Tevens hebben partijen afgesproken dat het huurrecht aan de man zal worden toegekend onder de voorwaarde dat de vrouw voldoende tijd en ruimte krijgt om zelf een woning te zoeken.\n\nDe vrouw stelt dat er nu een tegenstrijdigheid is ontstaan over het huurrecht, omdat zij in deze procedure verzoekt het huurrecht aan haar toe te kennen, terwijl in de mediationovereenkomst is opgenomen dat de vrouw afstand doet van het huurrecht. De (advocaat van de) vrouw heeft daarom per e-mailbrief van 4 februari 2026 aan (de advocaat van) de man een beroep gedaan op vernietigbaarheid van dit deel van de overeenkomst, omdat afstand van het huurrecht niet in het belang van de vrouw is. De vrouw stelt de overeenkomst onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken te hebben gesloten. Zo stelt zij te hebben gedwaald over haar juridische positie, onvoldoende te zijn geïnformeerd en geen rekening te hebben kunnen houden met daarna gebleken omstandigheden.\n\nOp de zitting heeft de vrouw nader toegelicht dat zij niet begrepen heeft wat zij met de mediationovereenkomst heeft ondertekend. Zij stelt de consequenties hiervan niet goed te hebben doorzien. Immers voor de vrouw was het niet duidelijk dat het nu wellicht nog vijf jaar kan duren voordat partijen daadwerkelijk uit elkaar gaan. De vrouw meende dat ze onmiddellijk een urgentieverklaring zou krijgen en dat ze ook geholpen zou worden bij het vinden van een andere woning. De vrouw geeft aan zo spoedig mogelijk met de kinderen een andere woning te willen betrekken. Hiervoor is volgens de vrouw nu nodig dat het huurrecht aan haar wordt toegekend. Zij handhaaft daarom het verzoek.\n\nDe man verzet zich hiertegen en voert aan dat partijen via mediation een geldige overeenkomst hebben ondertekend. Deze overeenkomst is onder begeleiding van een professional tot stand gekomen. De vrouw is volgens de man dan ook goed geïnformeerd over wat zij heeft ondertekend. Daarnaast heeft de vrouw ook nagelaten haar advocaat hierover te raadplegen, wat voor haar eigen rekening en risico komt, aldus de man. Voor zover de vrouw zich beroept op vernietiging van de overeenkomst, stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw hiervoor een dagvaardingsprocedure moet beginnen. Verder geeft de man aan dat de vrouw in de woning kan blijven totdat zij een andere woning heeft gevonden, maar dat hij wel het huurrecht toegekend wenst te krijgen.\n\nDe rechtbank is zich ervan bewust dat beide partijen belang hebben bij het huurrecht van de (voormalige) echtelijke woning, omdat beide partijen mogelijk niet op korte termijn over zelfstandige andere woonruimte kunnen beschikken waar ze met beide kinderen kunnen wonen. De rechtbank moet daarom beoordelen van wie de belangen zwaarder wegen.\n\nDe rechtbank zal het huurrecht van de (voormalige) echtelijke woning aan de man toekennen, maar daarbij wel bepalen – zoals in de mediationovereenkomst is vastgelegd – dat de vrouw (met de kinderen) in de woning kan blijven totdat zij een eigen woning heeft gevonden. De rechtbank heeft bij deze beslissing het volgende in aanmerking genomen.\n\nGebleken is dat de vrouw, anders dan de man, in beginsel niet met de kinderen in de echtelijke woning wenst te blijven. De woning is te klein om er met de kinderen te verblijven. De vrouw is op zoek naar andere woonruimte. Zij is met behulp van haar advocaat bezig met het verkrijgen van een urgentieverklaring. Daarbij speelt mee dat de zoon van partijen, die zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft, bekend is met de Sikkelcelziekte en regelmatig ernstige acute pijnaanvallen heeft, wat hopelijk helpend zal kunnen zijn bij het verkrijgen van een urgentieverklaring. Verder is gebleken dat de vrouw in juni 2026 weer een afspraak bij de mediator heeft om over huisvesting te praten. De rechtbank neemt bij de afweging van de belangen verder in overweging dat partijen op 15 januari 2026 een mediationovereenkomst hebben afgesloten, waarbij zij zijn overeengekomen dat het huurrecht aan de man zal worden toegekend onder de voorwaarde dat de vrouw voldoende tijd en ruimte krijgt om zelf een woning te zoeken. Ondanks dat naar voren is gekomen dat de vrouw mogelijk andere ideeën en verwachtingen had bij het ondertekenen van de mediationovereenkomst, wat overigens door de man wordt betwist, stelt de rechtbank vast dat deze overeenkomst door beide partijen is ondertekend en dus geldig is. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er in deze procedure onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit anders zou zijn.\n\nConcluderend betekent dit dat de huidige situatie zal worden gecontinueerd, waarbij partijen voorlopig nog samen met de kinderen in de woning zullen verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat partijen niet meer samen met de kinderen in de woning zouden kunnen verblijven. Op de zitting heeft de man verklaard dat hij een groot gedeelte van de dag vanwege werk niet thuis is en voor zover hij niet werkt, dat hij zoveel mogelijk in het berghok verblijft. Het neemt niet weg dat het voor beide partijen en vooral de kinderen geen prettige situatie is en dat deze situatie niet al te lang moet duren. De partnerbreuk brengt spanningen met zich en de kinderen worden hiermee geconfronteerd. De rechtbank gaat er echter van uit dat de vrouw, zoals op de zitting ook is gebleken, samen met haar advocaat haar uiterste best gaat doen om zo spoedig mogelijk een andere woning te vinden en dat zodra zij deze heeft gevonden daarnaartoe zal vertrekken. Daarbij merkt de rechtbank tot slot op dat beide ouders samen verantwoordelijk zijn voor de kinderen en rust zullen moeten brengen in deze situatie. De ouders zullen samen hiervoor eventueel met behulp van hun advocaten of hulpverleners nadere afspraken moeten maken, voor zover dit nog niet is gedaan.\n\nProceskosten\n\nGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2015 te [plaats 1] , [land] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] ,\n\n- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;\n\n*\n\nbepaalt dat de hiervoor genoemde minderjarigen bij de man zullen verblijven:\n\n om het weekend: vanaf zaterdagochtend tot zondagavond;\n\n om het weekend: de andere zaterdag overdag (tijdstip in overleg), waarbij\n\nde man zorg zal dragen voor het begeleiden van de kinderen naar voetbal en\u002Fof zwemles;\n\n eens in de maand zal de man de vrouw in de gelegenheid stellen om met\n\nde kinderen naar de ‘zaterdag bijeenkomsten van de Afrikaanse gemeenschap’ in Den Haag te gaan;\n\n de helft van de feestdagen en schoolvakanties, waarbij rekening wordt\n\ngehouden met de beperkte vrije dagen van het werk die de man kan\n\nopnemen;\n\n de helft van de feestdagen zoals Kerst, Pasen en Oud en Nieuw, waarbij de kinderen om en om de eerste feestdag bij de ene ouder verblijven en de tweede feestdag bij de andere ouder, waarbij oudejaarsdag als de eerste feestdag geldt en Nieuwsjaardag als de tweede feestdag;\n\n Suikerfeest en offerfeest verblijven de kinderen bij de vrouw, behalve wanneer deze feesten in het weekend vallen. Indien Suikerfeest en offerfeest in het weekend vallen worden de feestdagen gevierd bij de man, waarbij de partijen afspreken dat de kinderen met één van de ouders naar de Moskee gaan voor het ochtendgebed;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 6 mei 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van de hiervoor genoemde minderjarigen van € 125,- per maand, per kind zal betalen, telkens vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nbepaalt dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [adres] , [plaats 2]\n\n (gemeente [gemeente] ), met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en onder de voorwaarde dat de vrouw (met de kinderen) in de woning kan blijven totdat zij een eigen woning heeft gevonden;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking –met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van\n\n28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17451","2026-07-13T00:28:28.549Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":138,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":139,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":65,"updatedAt":140},"416","ECLI:NL:RBDHA:2026:17450","ecli-nl-rbdha-2026-17450","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-3878\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F685736\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Echtscheiding met nevenvoorzieningen\n\nBeschikking op het op 22 mei 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nvolgens de huwelijksakte: [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. L.P. Lagerweij te Delft.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nvolgens de huwelijksakte: [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J.W. Stok te Delft.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;\n\n- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;\n\n- het bericht van 24 april 2026, met bijlagen, van de zijde van de man.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vrouw, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk in de Arabische taal J. Labban;\n\n [naam] namens Jeugdbescherming west Haaglanden (de gecertificeerde instelling).\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op 30 januari 2015 te Khartoem, Soedan naar Islamitisch recht.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .\n\n- De kinderen verblijven bij de vrouw.\n\n- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- De vrouw en de man hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 17 april 2025 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden tot 17 april 2026. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2026 is deze ondertoezichtstelling verlengd tot 17 april 2027.\n\n- Deze rechtbank heeft op 22 juli 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:\n\ndat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning;\n\ndat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;\n\ndat een voorlopige verdeling van zorg- en opvoedingstaken zal gelden, waarbij de kinderen vanaf het vertrek van de man uit de echtelijke woning bij de man zijn elke zaterdag gedurende twee uur, in onderling overleg (met de jeugdbeschermer) af te spreken, waarbij de man de kinderen haalt en terugbrengt, en waarbij de kinderen vanaf het moment dat de man eigen woonruimte heeft, bij de man zijn om de week van zaterdag 12.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man de kinderen haalt en terugbrengt;\n\ndat deze voorlopige zorgregeling doorloopt in alle vakanties, tenzij een ouder met de kinderen op vakantie wil en verder dat de voorlopige zorgregeling – indien nodig – onder regie van de jeugdbeschermer kan worden aangepast;\n\ndat de man aan de vrouw, met ingang van 2 september 2025 of zoveel eerder als de man de echtelijke woning verlaat, voorlopig een kinderalimentatie van € 150,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen eens per veertien dagen bij de man zijn van zaterdag 12.00 uur tot zondag 17.00 voor het avondeten, waarbij de man de kinderen haalt en brengt als er gewisseld moet worden en de reguliere zorgregeling in de vakanties zal doorlopen, tenzij een ouder met de kinderen op vakantie wil, in welk geval voorafgaand overleg tussen de ouders plaatsvindt;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 150,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 22 mei 2025 (de datum van de indiening van het verzoekschrift);\n\n- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht het verzoek van de vrouw om de echtscheiding uit te spreken, toe te wijzen, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man;\n\n- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning;\n\n- toewijzing van het verzoek van de vrouw ten aanzien van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken indien de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal worden bepaald, met de toevoeging “op voorwaarde dat de man zelfstandige woonruimte heeft”.\n\nDe vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\nOntvankelijkheid\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om voorafgaand aan de zitting op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding, zonder ouderschapsplan.\n\nAan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vrouw stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en verzoekt om de echtscheiding uit te spreken. De man kan zich hiermee verenigen. Gelet hierop staat de gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk in rechte vast, zodat de rechtbank het daarop steunende verzoek tot echtscheiding als niet weersproken en op de wet gegrond zal toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nTer zitting heeft de man ingestemd met het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw te bepalen. Gelet op deze overeenstemming, het gegeven dat de kinderen nu al langere tijd bij de vrouw verblijven en het feit dat de man momenteel bij een daklozenopvang verblijft, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vrouw bepalen.\n\nVerdeling van zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling)\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de zorgregeling.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nUit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank duidelijk geworden dat de man de voorlopige zorgregeling niet (volledig) nakomt. Dat komt enerzijds door de gezondheidsproblemen die de man ervaart en de ziekenhuisafspraken die daarmee verband houden, en anderzijds vanwege het feit dat de man geen eigen woonruimte heeft en in een daklozenopvang verblijft. Ook de gecertificeerde instelling geeft aan dat de zorgregeling niet goed loopt, maar dat het voor de kinderen wel belangrijk is om contact te hebben met hun vader. Daarbij wijst de gecertificeerde instelling erop dat het contactmoment door de voorzieningenrechter in het kader van de voorlopige zorgregeling op zaterdag is bepaald, maar dat het lastig is om op zaterdagen hulpverlening rondom de contactmomenten te organiseren in verband met de werkuren van de hulpverlening.\n\nNaar aanleiding van het voorgaande heeft de rechtbank ter zitting met partijen en de gecertificeerde instelling gesproken over het organiseren van een contactmoment op een andere dag. De ouders zijn het erover eens geworden dat de kinderen voortaan niet op zaterdag, maar op donderdag gedurende twee uur contact zullen hebben met de man. De ouders dienen in samenspraak met de gecertificeerde instelling en\u002Fof de betrokken hulpverleners af te spreken op welk tijdstip het contactmoment plaatsvindt. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat de overige voorwaarden van de voorlopige zorgregeling blijven gelden, in die zin dat de zorgregeling zal doorlopen in alle vakanties, tenzij een ouder met de kinderen op vakantie wil, en dat de zorgregeling – indien nodig – onder regie van de jeugdbeschermer kan worden aangepast. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de ouders vanuit deze regeling (en al dan niet onder begeleiding van de gecertificeerde instelling en\u002Fof de betrokken hulpverleners) dienen toe te werken naar het uitbreiden van de zorgregeling conform het verzoek van de vrouw op het moment dat de man over huisvesting beschikt en zijn gezondheid een uitgebreidere regeling toelaat.\n\nHuurrecht van de echtelijke woning\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nDe woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.\n\nDe rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen hebben overeenstemming bereikt over de toebedeling van het huurrecht, in die zin dat de man tijdens de zitting heeft aangegeven dat hij zich – mede gelet op zijn standpunt ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen – erbij kan neerleggen dat het huurrecht onder de huidige omstandigheden aan de vrouw wordt toebedeeld. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.\n\nKinderalimentatie\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten en verzorging en opvoeding van de kinderen.\n\nOp het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Nederlands recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie, in die zin dat de ouders het erover eens zijn geworden dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zal voldoen van € 25,- per kind per maand. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.\n\nDaarbij zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat er in de voorlopige voorzieningenprocedure al een voorlopige bijdrage is bepaald.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 22 juli 2025 – :\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op 30 januari 2015 te Khartoem, Soedan;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;\n\n*\n\nbepaalt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] elke donderdag gedurende twee uur bij de man zullen zijn, waarbij de ouders in samenspraak met de gecertificeerde instelling en\u002Fof betrokken hulpverleners afspreken op welk tijdstip het contactmoment plaatsvindt en dat toegewerkt kan worden naar een mogelijke uitbreiding van deze zorgregeling zoals in het lichaam van deze beschikking is weergegeven;\n\nbepaalt dat deze zorgregeling zal doorlopen in alle vakanties, tenzij een van de ouders met de kinderen op vakantie wil;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woning aan de [adres] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de man, met ingang van de dag van de datum van deze beschikking, voor de verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 25,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding en het toekennen van het huurrecht – uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17450","2026-07-13T00:28:28.820Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":145,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":65,"updatedAt":147},"459","ECLI:NL:RBDHA:2026:17438","ecli-nl-rbdha-2026-17438","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-1055\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F680135\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026\n\nGezag, vervangende toestemming, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, informatieregelingBeschikking op het op 5 februari 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Schuerman te [geboorteplaats 1] .\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.V. Paniagua te [geboorteplaats 1] .\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet aanvullend verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoeken;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 14 februari 2025;\n\n-het F9-bericht met de brief d.d. 12 januari 2026 van de zijde van de moeder;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 28 januari 2026;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 28 januari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 3 februari 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht met de brief d.d. 5 februari 2026 van de zijde van de moeder;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 6 februari 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 13 april 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 27 april 2026 met bijlagen.\n\nDe minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben op 2 februari 2026 in een gesprek met de rechter hun mening gegeven.\n\nOp 5 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde advocaat van de moeder;\n\n [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nOp de zitting heeft de advocaat van de moeder een wrakingsverzoek gedaan en ter onderbouwing daarvan een pleitnota overgelegd. Na het voordragen van de pleitnota door de advocaat van de moeder is de zitting gesloten.\n\nHet wrakingsverzoek is afgewezen door de wrakingskamer.\n\nOp 30 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam 2] namens de Raad.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2015 tot [datum 2] 2023.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ,\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] .\n\n- De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de vader.\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2023, die is hersteld bij beschikking van 16 maart 2023, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is – voor zover hier van belang – een co-ouderschapsregeling bepaald waarbij de kinderen de ene week bij de vader zijn en de andere week bij de moeder met een wisselmoment op maandag om 19.00 uur, waarbij de ouders in onderling overleg in het traject ouderschapsbemiddeling nadere afspraken kunnen maken.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 8 augustus 2024 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] voortaan bij de vader zal zijn en zijn de ouders verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding, met voorkeur voor het Wilmahuis en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe vader verzoekt:\n\nte bepalen dat hij alleen wordt belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] per datum indiening verzoekschrift;\n\nvervangende toestemming te verlenen voor de bijschrijving van de minderjarige kinderen op de zorgverzekering van de vader;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nDaarnaast verzoekt de moeder zelfstandig:\n\nindien de verzoeken van de vader niet direct worden afgewezen, doorverwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer;\n\nde Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken om onderzoek te doen naar de verzoeken van de vader en de rechtbank te adviseren;\n\nde minderjarigen (voorlopig) onder toezicht te stellen van een GI;\n\nde zorgregeling\u002Fomgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen te wijzigen naar een zorgregeling waarbij de kinderen om de 14 dagen een weekend van vrijdag tot zondag bij de moeder zijn en alle vakanties bij helfte worden verdeeld;\n\neen informatieregeling vast te stellen waarbij de vader de moeder eens per vier weken dient te informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de minderjarige en dat de vader de moeder telkens informeert onder meer met toezending van een recente foto van de minderjarige, althans een informatieregeling te treffen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;\n\nBij wijze van voorlopige voorziening:\n\neen voorlopige zorgregeling\u002Fomgangsregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen en de moeder middels begeleide bezoeken naar de uitbreiding van een zorgregeling werken;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vader heeft op de zitting verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nVoorlopige voorziening\n\nOp grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp dat in de voorlopige voorzieningenprocedure voorligt, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige zorgregeling\u002Fomgangsregeling afwijzen bij gebrek aan belang.\n\nVerwijzing naar de meervoudige kamer\n\nJuridisch kader\n\nAls een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling en beslissing door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer, bestaande uit drie leden. De enkelvoudige kamer kan ook in andere gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen (artikel 15 lid 2 Rv).\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt om een verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer, omdat het de zoveelste rechtszaak is tussen de ouders na een langlopende en ingewikkelde echtscheiding en de beslissing over het verzoek van de vader over het eenhoofdig gezag een zo vergaande beslissing is dat deze volgens haar meervoudig genomen moet worden.\n\nDe vader ziet geen reden om de zaak meervoudig te behandelen en is van mening dat de kinderrechter de zaak in een eindbeschikking kan afdoen op basis van de stukken en de zitting.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank is de zaak geschikt voor behandeling en beslissing door één rechter. Daarom wijst zij dit verzoek van de moeder af.\n\nOnderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming\n\nDe rechtbank acht zich op grond van de stukken en de zitting voldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen in het belang van de kinderen en ziet ook verder geen redenen om een raadsonderzoek te gelasten. Daartoe overweegt de rechtbank dat er al veel hulpverlening betrokken is geweest bij partijen, waaronder een bijzondere curator. De kinderen hebben aangegeven rust te willen; ze hebben al heel veel gesprekken met hulpverleners gevoerd en ze hopen dat daar een einde aan komt. Zoals ook door de Raad op de zitting naar voren gebracht, is het de vraag of het in het belang van de kinderen is om ze aan nog een onderzoek bloot te stellen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat een raadsonderzoek tot nieuwe inzichten zal leiden. Daarbij komt, zoals ook door de vader aangevoerd, dat de kinderen behoefte hebben aan rust en duidelijkheid. Een raadsonderzoek gaat lang duren en brengt ook weer onzekerheid met zich mee. Dit alles overwegende zal de rechtbank het verzoek van de moeder om een raadsonderzoek afwijzen.\n\nGezag\n\nWettelijk kader\n\nUitgangspunt is dat de ouders, ook na een scheiding, gezamenlijk het gezag over hun kinderen blijven uitoefenen. Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gezamenlijk gezag kan alleen worden beëindigd, als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nOntvankelijkheid\n\nHet is de rechtbank gebleken dat er al geruime tijd geen contact meer is tussen de moeder en de kinderen, waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vader is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vader verzoekt hem te belasten met het éénhoofdig gezag over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] , omdat de minimale basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. Voor het nemen van gezagsbeslissingen moet een ouder voldoende betrokken zijn en ook weten hoe het staat met het welzijn en de behoefte van de kinderen. De moeder is al jaren niet betrokken bij het leven van de kinderen en heeft geen zicht op hun ontwikkeling. Met [de minderjarige 2] is er vanaf juni 2022 geen contact en met [de minderjarige 1] vanaf medio 2023. De kinderen verzetten zich tegen het contact met de moeder. De vader ervaart bovendien moeilijkheden in de communicatie met de moeder. De moeder werkt onvoldoende mee bij te nemen gezagsbeslissingen, zoals vakanties, het aanvragen van identiteitsbewijzen voor de kinderen en de bijschrijving van de kinderen op de zorgverzekering van de vader. Dat geeft de vader en kinderen spanning en stress. Als de vader wordt belast met het eenhoofdig gezag dan sluit dat aan bij de feitelijke situatie. Ook geeft dat de kinderen rust, stabiliteit en duidelijkheid.\n\nDe moeder stelt zich op het standpunt dat er niet is voldaan aan de wettelijke vereisten om het gezamenlijke gezag te kunnen beëindigen. Het klopt dat er geen contact is tussen haar en de kinderen, zij wordt structureel buitengesloten door de vader. Desondanks blijft zij zoveel mogelijk actief betrokken bij de kinderen. De moeder is gestart met het documenteren van de ontwikkelingen van de kinderen. Op deze manier heeft zij zicht op het leven van de kinderen en is zij in staat samen met de vader gezagsbeslissingen te nemen. Hoewel er al geruime tijd geen constructief overleg tussen de ouders heeft plaatsgevonden is er geen sprake van een gezagsvacuüm, volgens de moeder. De vader heeft gezagsbeslissingen zelfstandig kunnen nemen. Zij heeft geen gezagsbeslissingen tegengewerkt. De moeder is bang dat zij volledig uit het leven van de kinderen verdwijnt als de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast. Het ouderlijk gezag is op dit moment het enige wat haar verbindt met de kinderen.\n\nDe rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt van de wetgever is. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van de kinderen het gezag aan één van de ouders moet toekomen.\n\nDe rechtbank ziet zich in dit geval gesteld voor een keuze tussen twee kwaden. In stand houden van het gezamenlijk gezag betekent dat partijen gezamenlijk beslissingen moeten nemen over de kinderen terwijl de verstandhouding tussen hen heel slecht is en de communicatie feitelijk niet bestaand. Dat maakt het samen nemen van beslissingen voor de kinderen heel lastig zo niet onmogelijk. Dit levert voor de kinderen veel onzekerheid en onrust op. Daar staat tegenover dat wanneer de moeder geen gezag meer heeft, het risico bestaat dat zij volledig uit het leven van de kinderen verdwijnt. Het gezag is op dit moment het laatste lijntje van de moeder met de kinderen. Beide situaties zijn niet goed voor de kinderen en de rechtbank moet daarin een belangafweging maken.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de moeder aangegeven niet aan gezagsbeslissingen in de weg te willen staan. Tegelijkertijd is het de rechtbank uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken gebleken dat het partijen vaker niet dan wel lukt om samen gezagsbeslissingen te nemen. Er is steeds tussenkomst van een derde nodig, zoals de bijzondere curator, de advocaten of de rechtbank zoals in deze procedure waar het gaat om de bijschrijving van de kinderen op de zorgverzekering van de vader. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat partijen niet in staat zijn samen beslissingen te nemen. Gelet op de al jaren ernstig verstoorde verstandhouding tussen de ouders, ligt het niet in de lijn der verwachting dat dit (in de nabije toekomst) zal veranderen. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hebben hier last van, het levert voor hen steeds stress en onzekerheid op. Daarbij komt dat er bij de kinderen door gebeurtenissen uit het verleden grote weerstand is tegen contact met de moeder, waardoor het voor hen extra belastend is als gezagsbeslissingen niet kunnen worden genomen. De rechtbank weegt ook mee dat de moeder op dit moment geen rol speelt in het leven van de kinderen. Ook daar is niet de verwachting dat dit (op korte termijn) zal veranderen. Zij kan daarom niet een sparring partner voor de vader zijn waar het gaat om gezagsbeslissingen die in het belang van de kinderen moeten worden genomen. De rechtbank ziet een moeder die van haar kinderen houdt en niets liever wil dan betrokken worden in het leven van haar kinderen, maar door alles wat er is gebeurd niet altijd in staat lijkt mee te werken in het belang van de kinderen.\n\nDit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat het in het belang van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] noodzakelijk is dat de vader alleen de beslissingen over hen kan nemen en dat hij met het eenhoofdig gezag over hen wordt belast. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook toewijzen. Anders dan de vader verzoekt zal de rechtbank bepalen dat dit geldt vanaf de datum van deze beschikking.\n\nVervangende toestemming zorgverzekering\n\nNu de rechtbank de vader met het eenhoofdig gezag zal belasten, kan hij zelfstandig de kinderen bijschrijven op zijn zorgverzekering en heeft hij de toestemming van de moeder niet meer nodig. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen wegens een gebrek aan belang.\n\n(Voorlopige) ondertoezichtstelling\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:255, eerste lid, BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en: (a) de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en (b) de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen. Op grond van het tweede lid is een ouder bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad niet tot indiening van het verzoek overgaat.\n\nOp grond van artikel 1:257 lid 1 BW kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. Op grond van artikel 1:257 lid 2 BW is artikel 1:255 lid 2 BW overeenkomstig van toepassing. De kinderrechter bepaalt de duur van dit toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde herroepen.\n\nOntvankelijkheid\n\nDe rechtbank overweegt dat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek op grond van artikel 1:255, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu de Raad op de zitting heeft laten weten niet over te gaan tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat er gewerkt moet worden aan het negatieve en vertekende beeld dat de kinderen van haar hebben. Volgens de moeder is er sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en zijn de ouders tot op heden niet in staat gebleken om hulp te regelen die nodig is om deze zorgen weg te nemen.\n\nDe vader is het hier niet mee eens. De kinderen worden volgens hem helemaal niet in hun ontwikkeling en veiligheid bedreigd, zodat er niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten.\n\nOp basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor een (spoed) ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Op een eerdere zitting is er ook al gesproken over een mogelijke ondertoezichtstelling. In de beschikking van 8 augustus 2024 is hierover het volgende opgenomen: “Op de zitting is nog gesproken over een mogelijk raadsonderzoek naar een eventuele kinderbeschermingsmaatregel, zodat een jeugdbeschermer met de ouders mee kan kijken. De Raad vindt dit echter niet in het belang van de kinderen is. Een jeugdbeschermer wordt dan verantwoordelijk gemaakt voor het probleem dat de ouders niet lijken te kunnen oplossen.”Dat is naar het oordeel van de rechtbank nog altijd de situatie. Daarbij komt dat de Raad op deze zitting wederom heeft aangegeven geen aanleiding te zien voor een ondertoezichtstelling.\n\nOmgang\n\nJuridisch kader\n\nNu de rechtbank de vader zal belasten met het eenhoofdig gezag, zal de rechtbank hierna daar waar van toepassing de term omgang gebruiken.\n\nOp grond van artikel 1:377e lid 1 BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders, van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt, als de kinderen niet onder toezicht gesteld worden, om een regeling waarbij de kinderen, al dan niet met een opbouwregeling, om de veertien dagen één weekend van vrijdag tot zondag en de vakanties bij helfte bij haar verblijven. Op de zitting heeft de advocaat van de moeder aangegeven dat de moeder begrijpt dat dit verzoek niet volledig kan worden toegewezen. Zij zet echter hoog in, in de hoop dat er op deze manier contactherstel tussen de moeder en de kinderen tot stand komt. Het is aan de rechtbank om hierin een afweging te maken.\n\nDe vader heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij te allen tijde het contact van de kinderen met de moeder heeft aangemoedigd en gestimuleerd. Op enig moment hebben de kinderen aangegeven dat zij zich dusdanig gepusht voelden terwijl ze niet naar de moeder wilden, dat ze het vertrouwen in hem aan het verliezen waren. Daar heeft de vader de grens getrokken in het stimuleren. Als de kinderen contact willen met hun moeder dan zal de vader dat ondersteunen. De kinderen weten wie hun moeder is en ze hebben een leeftijd waarop ze hierin zelfstandig een keuze kunnen maken. Voor contactherstel en het opstarten van de zorgregeling is al veel hulpverlening ingezet, zonder resultaat. De kinderen verzetten zich steeds. Gelet op de leeftijd van de kinderen moet er rekening worden gehouden met hun mening.\n\nHet is de rechtbank duidelijk geworden dat er veel is gebeurd tussen partijen. Er zijn meerdere procedures gevoerd en verschillende hulpverleningstrajecten opgestart. Het laatste traject, begeleide omgang via ’t Zorghuisje, is vastgelopen omdat de weerstand bij de kinderen te groot was. ‘t Zorghuisje heeft geconcludeerd dat herstel van het contact een beladen thema is en dat verdere stappen in het tempo van de kinderen moeten gebeuren. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de kinderen consequent zijn in hun verhalen. Hun ervaringen zijn heftig. De rechtbank constateert dat dit voor de moeder moeilijk is om te horen. Zij herkent de door de kinderen aangehaalde ervaringen niet en kan dit ook niet begrijpen. Zoals ook eerder door de bijzondere curator opgemerkt, is voor een mogelijk contactherstel nodig dat de kinderen zich gezien en gehoord voelen. Zij hebben het nodig om serieus genomen te worden. Dit is voor de moeder (op dit moment) niet haalbaar. De rechtbank ziet, evenals in eerdere procedures, geen draagvlak bij de kinderen en partijen om een omgangsregeling te bepalen. Het verzoek van de moeder zal de rechtbank dan ook afwijzen.\n\nInformatieregeling\n\nJuridisch kader\n\nOp grond van artikel 1:377b, lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen. Over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt een informatieregeling, waarbij de vader de moeder eens per vier weken moet informeren over de kinderen. De vader kan zich hierin vinden, maar wil mede gelet op de leeftijd van de kinderen ééns per kwartaal de moeder informeren.\n\nDe rechtbank acht het gelet de leeftijd op de kinderen niet nodig dat de vader de moeder elke vier weken op de hoogte houdt. De rechtbank gaat mee in de voorgestelde frequentie door de vader en stelt vast dat de vader de moeder eens per kwartaal informeert over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de minderjarigen met toezending van een recente foto van de minderjarigen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat voortaan alleen aan de vader het gezag zal toekomen over de minderjarigen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] ;\n\n*\n\nbepaalt een informatieregeling waarbij de vader de moeder eens per kwartaal moet informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de kinderen met toezending van een recente foto van de kinderen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17438","2026-07-13T00:28:31.378Z",{"id":149,"ecli":150,"slug":151,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":152,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":153,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":65,"updatedAt":154},"465","ECLI:NL:RBDHA:2026:17439","ecli-nl-rbdha-2026-17439","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-8765\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F694899\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 14 november 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift.\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in een brief aan de rechter laten weten wat zij van het verzoek vinden.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder met haar advocaat;\n\nde vader;\n\nmevrouw [naam] van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2007 tot [datum 2] 2019.\n\n- Zij zijn de ouders van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats];\n\n- Partijen zijn ook de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats],\n\n- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats],\n\n- De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.\n\n- Bij beschikking van de rechtbank Limburg van 13 maart 2019 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 11 november 2020 zijn [jongmeerderjarige], [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland van 11 november 2020 tot 11 november 2021. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 oktober 2022 is de ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd tot 11 november 2023.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 16 november 2022 is – voor zover van toepassing – het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag afgewezen en is ten aanzien van de zorgregeling bepaald dat het contact tussen de vader en de kinderen zal plaatsvinden onder regie van de jeugdbeschermer.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 3 november 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengd voor de periode van 11 november 2023 tot 11 november 2024. Bij beschikking van deze rechtbank van 5 november 2024 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 11 november 2025.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder verzoekt te bepalen dat haar voortaan alleen het ouderlijk gezag toekomt over de minderjarige kinderen van partijen;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vader heeft op de zitting heeft gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nGezag\n\nWettelijk kader\n\nHet wettelijk uitgangspunt is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gezamenlijk gezag kan alleen worden beëindigd, als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nOntvankelijkheid\n\nHet is de rechtbank gebleken dat er al een tijd geen contact meer is tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Voor [minderjarige 2] is dat het geval sinds begin 2024 en voor [minderjarige 1] is dat al langer het geval, waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat de minimale basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. De communicatie tussen partijen is, ondanks de ondertoezichtstelling, onverminderd slecht en er is al geruime tijd geen communicatie mogelijk tussen de ouders. Hierin valt volgens de moeder op korte termijn geen verbetering te verwachten. [jongmeerderjarige] en [minderjarige 1] hebben al jarenlang geen contact met de vader. Het is de jeugdbeschermer niet gelukt om contact tussen [minderjarige 2] en de vader tot stand te brengen. [minderjarige 2] heeft bij de jeugdbeschermer aangegeven geen contact meer te willen met de vader. Volgens de moeder heeft de vader aan de jeugdbeschermer laten weten dat hij geen contact meer wenst met de moeder en de jeugdbeschermer en ook niet mee wil werken aan eventuele hulpverlening. Ook heeft hij aangegeven geen toestemmingsformulieren meer te zullen tekenen. Dit brengt voor de moeder onherroepelijk problemen met zich mee voor te nemen gezagsbeslissingen, zoals een schoolkeuze of de aanvraag van reisdocumenten. Handhaving van het gezamenlijk gezag betekent hierdoor dat de kinderen klem of verloren raken tussen partijen. Daarom is wijziging van het gezag noodzakelijk, zodat de moeder gezagsbeslissingen voortaan alleen kan nemen.\n\nDe vader heeft op de zitting verweer gevoerd. Hij heeft bevestigd dat hij heeft gezegd geen contact meer te willen met de hulpverlening en geen toestemmingsformulieren meer te zullen tekenen. Dit komt door hoe het de afgelopen jaren is gegaan. De moeder heeft de zorgregeling eenzijdig stopgezet. Er is hem niet eerder om toestemming voor gezagsbeslissingen gevraagd. De vader heeft van [minderjarige 1] begrepen dat voor organisaties verzwegen is dat hij de gezaghebbende vader is, waardoor hem niet om toestemming is gevraagd. Volgens de vader komen de kinderen klem te zitten als hij contact heeft met de moeder. Dat gaat altijd lelijk en daar heeft hij geen zin meer in en wil hij de kinderen niet aandoen. De vader wil het gezag wel uit blijven oefenen, maar contact hebben met de moeder gaat niet. In deze situatie acht de vader het beter als de moeder alles zelf gaat doen. De deur voor de kinderen blijft altijd open, maar voor de moeder is deze dicht.\n\nDe Raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat de vader mee heeft gewerkt aan het eerder uitgevoerde Raadsonderzoek voor [minderjarige 1]. De vader heeft overal toestemming voor gegeven en was betrokken. De Raad wilde dan ook graag de zitting afwachten om te horen hoe de vader denkt over het gezag. De Raad vindt het knap wat de vader zegt in het belang van de kinderen. De Raad acht het wel van belang dat de moeder de vader blijft informeren.\n\nDe rechtbank overweegt dat er veel is gebeurd tussen partijen. Er is geen communicatie tussen hen. Op de zitting heeft de vader aangegeven dat hij moegestreden is. Hij wil op geen enkele manier contact met de moeder en heeft haar overal geblokkeerd. Hij wil niet betrokken worden in het leven van de kinderen, omdat hij dan contact moet hebben met de moeder en dat wil hij niet in het belang van de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat bij deze stand van zaken de minimale basis voor gezamenlijk ouderlijk gezag ontbreekt. Het is daarom in het belang van de kinderen dat de moeder alleen met het gezag wordt belast, zodat de rechtbank het verzoek van de moeder zal toewijzen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbepaalt dat voortaan alleen aan de moeder het gezag zal toekomen over de minderjarigen:\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats];\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats];\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17439","2026-07-13T00:28:31.749Z",{"id":156,"ecli":157,"slug":158,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":159,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":160,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":65,"updatedAt":161},"527","ECLI:NL:RBDHA:2026:17447","ecli-nl-rbdha-2026-17447","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-9480\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F696148\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nBeschikking op het op 15 december 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. B.S. van Haeften in ‘s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: voorheen mr. M.E.R. van Herpen in ’s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 16 december 2025 van de vader;\n\nhet bericht van 16 december 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 18 december 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 18 december 2025 met bijlage van de vader;\n\nhet bericht van 6 januari 2026 van de vader;\n\nhet bericht van 6 januari 2026 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 17 februari 2026 van de moeder;\n\nhet bericht van 5 mei 2026 van de moeder.\n\nOp 11 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad\n\nZij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats] ;\n\n [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats] .\n\nDe ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\nDe kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder verzoekt, na wijziging en aanvulling, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, al dan niet tijdelijk, te wijzigen, waarbij:\n\n- de vader iedere zaterdag of zondag van 9.00 uur tot 12.00 uur contact heeft met de kinderen onder begeleiding van zijn ouders, zussen of vooraf afgestemde andere persoon en de kinderen onder deze begeleiding bij de moeder ophaalt en terugbrengt,\n\nalthans een regeling wordt vastgesteld zoals deze rechtbank juist acht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:253a in samenhang met artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of één van hen een beslissing over de zorgregeling alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling onder meer wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder maakt zich zorgen over de veiligheid van de kinderen en de opvoedcapaciteiten van de vader. Zo laat de vader [de minderjarige 1] met regelmaat alleen thuis, kleedt hij de kinderen niet op een verantwoordelijke manier aan en brengt hij [de minderjarige 1] vaak te laat naar school. De kinderen worden vaak moe naar de moeder gebracht. [de minderjarige 2] slaapt niet in een geschikt bed bij de vader en de kinderen hebben van augustus tot en met november onder enkel een laken geslapen. Voor [de minderjarige 1] is het extra belangrijk dat er rust, reinheid en regelmaat is. De vader kan dit niet bieden, hetgeen niet in het belang van [de minderjarige 1] zijn ontwikkeling is. De vader is eind juni 2025 verhuisd. Hij heeft de kinderen langere tijd laten wonen in een woning die niet af is en niet veilig is voor de kinderen. Ook houdt de vader zich niet aan de afspraak dat hij niet zou drinken, waardoor hij een keer [de minderjarige 1] niet kon terugbrengen naar de moeder, omdat hij teveel had gedronken. De vader stelt daarentegen dat de veiligheid van de kinderen niet meer in het geding is nu de vader de verbouwing van de woning heeft afgerond. De vader is daarnaast ook bezig met hulp zoeken voor zijn alcoholproblemen.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat de moeder de vader ziet als een goede en lieve vader voor de kinderen, maar ze zich zorgen maakt over de veiligheid van de kinderen bij de vader. In verband met deze zorgen heeft de vrouw eerder een Veilig Thuis melding gemaakt. Het is de rechtbank op de zitting gebleken dat de vader moeite heeft met het reguleren van zijn boosheid richting de moeder en dat er zorgen zijn over zijn alcoholgebruik. De vader erkent deze problemen en dat hij aan zichzelf moet werken. De rechtbank acht het van belang dat de vader aan deze problematiek werkt en daarvoor de tijd en ruimte krijgt. De kinderen hebben twee beschikbare ouders nodig en daarvoor is vereist dat de vader aan zichzelf werkt, mede om de veiligheid van de kinderen te kunnen garanderen. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel, net als de moeder, dat er ondertussen wel contact tussen de vader en de kinderen zal zijn. Daarom zal de rechtbank een begeleide zorgregeling tussen de kinderen en de vader vaststellen, zodat het contact tussen de vader en de kinderen op een verantwoorde en veilige manier plaatsvindt. Het contact tussen de vader en de kinderen zal plaatsvinden conform het verzoek van de moeder, te weten iedere zaterdag of zondag van 9.00 uur tot 12.00 uur onder begeleiding van vader zijn ouders of een van zijn zussen, of vooraf afgestemde andere persoon. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de vader deze begeleiding zal regelen, zodat hij ook daadwerkelijk contact kan hebben met de kinderen, temeer de moeder aangeeft dat de kinderen de vader ook missen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen:\n\n [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats] ;\n\n [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats] ,\n\nbij de vader zullen zijn iedere zaterdag of zondag van 9.00 uur tot 12.00 uur onder begeleiding van zijn ouders, zussen of vooraf afgestemde andere persoon en de kinderen onder deze begeleiding bij de moeder ophaalt en terugbrengt;\n\n*\n\nverklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17447","2026-07-13T00:28:34.881Z",{"id":163,"ecli":164,"slug":165,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":166,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":167,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":65,"updatedAt":168},"544","ECLI:NL:RBDHA:2026:17453","ecli-nl-rbdha-2026-17453","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-9531\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F696236\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Vervangende toestemming erkenning en gezag\n\nBeschikking op het op 10 december 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. E.D. Radenovska te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende ten aanzien van het verzoek aangaande de vervangende toestemming tot erkenning wordt aangemerkt:\n\n [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ,\n\nde minderjarige,\n\nin rechte vertegenwoordigd door mr. E.G.S.N. Asselbergs,\n\nadvocaat te ’s-Gravenhage,\n\nin de hoedanigheid van bijzondere curator.\n\nAls belanghebbende ten aanzien van het verzoek aangaande het gezag wordt aangemerkt:\n\nStichting Jeugdbescherming west Haaglanden,\n\nde voorlopige voogdes,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling,\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van:\n\n- het verzoekschrift, ingekomen op 10 december 2025;\n\n- het verslag van de bijzondere curator, ingekomen op 4 maart 2026;\n\n- het bericht van 11 maart 2026 van de zijde van de man;\n\n- het bericht van 12 maart 2026 van de zijde van de bijzondere curator;\n\n- het bericht van 12 maart 2026 van de zijde van de man.\n\nFeiten\n\n-Uit de affectieve relatie tussen de man en [de moeder] (hierna: de moeder) is [de minderjarige] op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] geboren.\n\n-[de minderjarige] is niet erkend.\n\n-De moeder is op [datum] 2025 overleden.\n\n-De moeder was van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast.\n\n-[de minderjarige] verblijft sinds het overlijden van de moeder bij de man en diens moeder.\n\n-Bij beschikking van deze rechtbank van 28 oktober 2025 is de gecertificeerde instelling belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] tot 20 januari 2026. De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 18 december 2025 verzocht om de man te belasten met de voogdij over [de minderjarige] . Op dit verzoek is nog geen beslissing genomen, zodat de voorlopige voogdij van de gecertificeerde instelling na 20 januari 2026 is blijven doorlopen.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 6 januari 2026 is mr. E.G.S.N. Asselbergs voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [de minderjarige] ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de man strekt ertoe:\n\n- primair: de man vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij [de minderjarige] kan erkennen;\n\nsubsidiair: het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen;\n\n- de man met het gezag over [de minderjarige] te belasten,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe bijzondere curator verzoekt zelfstandig het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nBeoordeling\n\nVervangende toestemming erkenning\n\nDe man heeft primair verzocht hem vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen. Subsidiair heeft de man verzocht om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.\n\nVoor de bijzondere curator staat vast dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] . Zij acht het in het belang van [de minderjarige] dat het vaderschap van de man komt vast te staan. De bijzondere curator heeft op zich geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen. Haar voorkeur gaat echter uit naar gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man omdat dit terugwerkt tot de geboorte van [de minderjarige] .\n\nNadat de man kennis heeft genomen van het verslag van de bijzondere curator, heeft hij gepersisteerd bij zijn primaire verzoek.\n\nDe rechtbank ziet in erkenning geen nadeel voor [de minderjarige] en nu dit de uitdrukkelijke wens van de vader is, zal de rechtbank het primaire verzoek van de man beoordelen.\n\nArtikel 1:204, derde lid, BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.\n\nDe moeder kan door haar overlijden geen toestemming meer geven voor de erkenning door de man. Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 1:204 BW dient onder het ontbreken van toestemming ook te worden begrepen het geval dat de moeder geen toestemming meer kan geven omdat zij is overleden.\n\nNu voldoende is komen vast te staan dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] , alle betrokkenen het eens zijn met het verzoek en de rechtbank niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] in het gedrang kan komen, zal de rechtbank het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen, toewijzen. Het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator om het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen, zal worden afgewezen.\n\nUit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.\n\nGezag\n\nDe rechtbank zal de beslissing op het verzoek van de man om hem met het gezag over [de minderjarige] te belasten aanhouden. Op dit verzoek kan pas worden beslist nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na de datum van deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde moet zijn gegaan. Het verzoek van de man aangaande het gezag zal samen met het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot voorziening in de voogdij (zaaknummer C\u002F09\u002F696516) worden behandeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1984 te [geboorteplaats 1] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1983 te [geboorteplaats 2] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ;\n\nwijst af het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator;\n\nbeschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;\n\nbepaalt dat de beslissing ten aanzien van het gezagpro forma wordt aangehouden tot1 november 2026;\n\nbepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door\n\nmr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17453","2026-07-13T00:28:36.001Z",{"id":170,"ecli":171,"slug":172,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":173,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":174,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":65,"updatedAt":175},"546","ECLI:NL:RBDHA:2026:17481","ecli-nl-rbdha-2026-17481","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-6256\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F690293\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling\n\nBeschikking op het op 15 augustus 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.V. Paniagua in Rotterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.J. Ottens in Noordwijk.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 10 november 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 11 november 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 12 november 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.\n\nOp 11 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nDe minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.\n\nFeiten\n\nPartijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2012 tot [datum 2] 2022.\n\nZij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1].\n\n- Daarnaast zijn zij de ouders van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2004 in [geboorteplaats 2].\n\nDe kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\nDe moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en de vader heeft de Marokkaanse nationaliteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt om haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader bij wijze van zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\neen raadsonderzoek te gelasten om te onderzoeken hoe [minderjarige] onbelast contact met beide ouders kan hebben;\n\neen dwangsom van €500,00 aan de moeder op te leggen voor iedere keer dat zij de zorgregeling niet nakomt, met een maximum van €15.000,00.\n\nBeoordeling\n\nGezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling\n\nDe moeder stelt dat de ouders nauwelijks contact hebben en als zij contact hebben, dit in discussies vervalt. De houding van de vader heeft er in het verleden voor gezorgd dat de moeder niet makkelijk met de kinderen op vakantie kon. De moeder moet elke keer weer een procedure voeren of dreigen met een procedure om toestemming te krijgen. De vader maakt volgens de moeder misbruik van het gezag, waardoor zij steeds weer extra onnodige kosten moet maken om de kinderen een vakantie in het buitenland te kunnen geven. Daarnaast merkt de moeder op dat de vader meermaals aan haar heeft laten weten dat hij akkoord zal gaan met beëindiging van het gezag.\n\nDe vader stelt dat de moeder op allerlei manieren het contact tussen hem en de kinderen heeft gefrustreerd. De vader heeft op dit moment geen contact met [minderjarige] hoewel er in de echtscheidingsbeschikking een zorgregeling is vastgelegd tussen de vader en [minderjarige], welke door het Hof is bekrachtigd. De moeder blokkeert echter het contact tussen de vader en de kinderen. De vader betwist het inzetten van procedures om toestemming te krijgen voor vakanties, omdat hij al eerder toestemming had gegeven. Daarnaast legt de moeder geen bewijs over van haar andere stellingen. De vader stelt dat de moeder hem van een aantal zaken beschuldigt, wat de communicatie moeilijk maakt. De vader staat open voor hulpverlening of mediation om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. Gezien de weigerachtigheid van de moeder om mee te werken met hulpverlening om de omgang weer op gang te krijgen, is de vader van mening dat een verwijzing naar Cardea niet meer voldoende is.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat de ouders elkaar over en weer van verschillende zaken beschuldigen. De moeder stelt dat er bij Veilig Thuis een melding is gemaakt over seksueel misbruik en de vader heeft daartegenover gesteld dat Veilig Thuis telefonisch aan hem heeft medegedeeld dat er sprake was van een misverstand. Hier zijn echter door beide ouders geen stukken van overgelegd. Voorts is gebleken dat de ouders bij Cardea een hulpverleningstraject zijn gestart, maar deze is beëindigd waarvan wederom geen stukken zijn overgelegd. Daarnaast heeft de moeder op de zitting toegelicht dat zij meerdere malen een kort geding is gestart om vervangende toestemming te vragen voor vakanties, terwijl de vader daartegenin brengt dat hij deze toestemming telkens wel heeft gegeven. Ook hiervan ontbreken de stukken waaruit de feitelijke gang van zaken kan worden afgeleid. De rechtbank constateert dat er sprake is van spanningen tussen de ouders, maar dat de beschikbare informatie ontoereikend is om de feitelijke situatie en de belangen van [minderjarige] te kunnen beoordelen.\n\nOp dit moment acht de rechtbank zich nog onvoldoende voorgelicht teneinde een beslissing te nemen ten aanzien van het gezag en de zorgregeling. De rechtbank wil de Raad daarom verzoeken om onderzoek te doen en de volgende vragen daarin te betrekken:\n\nIs gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige], of is het belang van [minderjarige] er het meest mee gediend als de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag?\n\nZo ja, welke zorg c.q. omgangsregeling (begeleid of onbegeleid) is in het belang van [minderjarige]?\n\nIs hulpverlening voor [minderjarige] en\u002Fof de ouders noodzakelijk, en zo ja, welke?\n\nBeslissing De rechtbank:\n\nverzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;\n\nbepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;\n\nbepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op de zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;\n\nbeveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter zitting ieder via de eigen advocaten op te roepen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, zorgregeling c.q. omgangsregeling en de dwangsomaan tot1 februari 2027 pro forma;\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17481","2026-07-13T00:28:36.117Z",{"id":177,"ecli":178,"slug":179,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":180,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":181,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":65,"updatedAt":182},"595","ECLI:NL:RBDHA:2026:17452","ecli-nl-rbdha-2026-17452","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 24-9227\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F677799\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 20 december 2024 ingekomen verzoekschrift van:\n\n [de vader] ,\n\nde man, hierna: de vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.W. den Hoek in Leiden.\n\nAls belanghebbenden worden aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. P.F.D.P. de Milliano in Katwijk.\n\nProcedure\n\nBij beschikking van 5 februari 2026 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is aan de vader vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] te erkennen en is iedere verdere beslissing over het gezag en de proceskosten pro forma aangehouden.\n\nDe rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook van het bericht van 12 mei 2026 van de vader, met bijlage.\n\nBeoordeling\n\nZoals is overwogen in de beschikking van 5 februari 2026 kan de rechtbank pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning van [de minderjarige] door de vader tot stand is gebracht. Uit de op 12 mei 2026 door de vader overgelegde akte van erkenning blijkt dat de vader [de minderjarige] heeft erkend op 31 maart 2026. Dit betekent dat de rechtbank nu definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag kan beslissen, in die zin dat het verzoek van de vader om te bepalen dat de ouders gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] zullen uitoefenen zal worden toegewezen, conform dat wat hierover reeds is overwogen in de beschikking van 5 februari 2026.\n\nOmdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat voortaan aan de vader, [de vader] , geboren op [geboortedatum 1] 1982 in [geboorteplaats 1] , mede het gezag zal toekomen over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats 2] ;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere ouder de eigen proceskosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, in tegenwoordigheid van\n\nmr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17452","2026-07-13T00:28:38.560Z",{"id":184,"ecli":185,"slug":186,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":187,"fullText":188,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":189,"sourceTimestamp":190,"parsedAt":65,"updatedAt":191},"283","ECLI:NL:RBDHA:2026:17394","ecli-nl-rbdha-2026-17394","2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-1934\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700299\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 25 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] , de vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S. Şeker te Den Haag.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci te Rijswijk.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift, van 25 februari 2026;\n\n- het F9-formulier met bijlagen, ingekomen op 12 mei 2026, van de vrouw;\n\n- het F9-formulier van 12 mei 2026, van de vrouw;\n\n- het F9-formulier van 12 mei 2026, van de man;\n\n- het F9-formulier van 13 mei 2026, van de vrouw;\n\n- het F9-formulier van 14 mei 2026, van de man.\n\n [minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.\n\nBlijkens de F9-formulieren van 12 mei 2026 en het F9-formulier van 13 mei 2026 hebben partijen overeenstemming bereikt. De rechtbank is verzocht de bereikte overeenstemming vast te leggen in een beschikking. De overige verzoeken zijn ingetrokken. Gelet hierop is afgezien van een behandeling op zitting.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2012 te [plaats 1] ( [land] ).\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ;\n\n- [minderjarige 2] , geboren [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] .\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.\n\n- Partijen bezitten de Poolse nationaliteit.\n\n-De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend; dat verzoek is onder zaak- en rekestnummer C\u002F09\u002F699940 FA RK 26-1708 in behandeling.Beoordeling\n\nPartijen hebben overeenstemming bereikt en zij hebben verzocht deze overeenstemming op te nemen in een beschikking, onder intrekking van hun andersluidende verzoeken.\n\nDe rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet.\n Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n* bepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ;\n\n- [minderjarige 2] , geboren [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] .\n\naan de vrouw zullen worden toevertrouwd;\n\n * bepaalt dat voornoemde minderjarigen, vanaf de datum dat de man de echtelijke woning verlaat, voorlopig bij de man zijn:\n\n- de ene week van zaterdag 11.00 uur tot 18.00 uur;\n\n- de andere week van zondag 11.00 uur tot 18.00 uur;\n\n* bepaalt dat de vrouw per 26 juni 2026 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] te [plaats 2] ;\n\n * bepaalt dat de man uiterlijk op 26 juni 2026 de echtelijke woning dient te verlaten, waarbij de man voor de maand mei 2026 en juni 2026 meebetaalt aan de helft van de kosten van de huur (van € 1.050,- in totaal, dus € 525,-) en aan Essent (van € 300,- in totaal, dus € 150,-), en dat de man de kosten voor de maand mei uiterlijk op 15 mei 2026 aan de vrouw voldoet en de kosten voor de maand juni op 29 mei 2026; indien de man de kosten niet op de afgesproken data voldoet, moet hij de echtelijke woning per direct verlaten;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, vanaf de datum dat de man de echtelijke woning verlaat, dan wel met ingang van 26 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van voornoemde minderjarigen (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van in totaal € 532,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n* verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n* wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17394","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.549Z",{"id":193,"ecli":194,"slug":195,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":187,"fullText":196,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":197,"sourceTimestamp":190,"parsedAt":65,"updatedAt":198},"319","ECLI:NL:RBDHA:2026:17388","ecli-nl-rbdha-2026-17388","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2407\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F701129\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Gezagsuitoefening\n\nBeschikking op het op 10 maart 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. D.M. Siemerink-Looten in ‘s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 18 maart 2026 met bijlagen van de moeder.\n\nOp 29 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nDe vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] .\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\n [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder heeft verzocht om voor recht te verklaren dat zij gerechtigd is om [minderjarige] te laten inenten volgens het Rijksvaccinatieprogramma, althans om te bepalen dat de moeder [minderjarige] de reguliere inentingen mag laten toedienen door een arts, verbonden aan een consultatiebureau in Den Haag, waarbij het tempo van de vaccinaties wordt bepaald door deze of een andere daartoe bevoegde arts, althans de moeder toestemming te geven voor het laten toedienen van de reguliere vaccinaties bij [minderjarige] , als door de rechtbank in goede justitie te bepalen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.\n\nDe vader heeft geen verweer gevoerd.\n\nBeoordeling\n\nVervangende toestemming vaccinaties\n\nWettelijk kader\n\nArtikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.\n\nDe moeder stelt dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij wordt gevaccineerd volgens het vaccinatieprogramma van de Rijksoverheid, om (kinder)ziektes te voorkomen. Er is op dit moment geen contact tussen de ouders, mede door het lopende contactverbod. De advocaat van de moeder heeft de advocaat van de vader aangeschreven over de vaccinaties, maar ook via deze weg geen toestemming gekregen.\n\nDe vader heeft kort voor de zitting telefonisch aan de griffie laten weten dat hij al toestemming heeft gegeven voor de vaccinaties.\n\nUit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader niet op schrift heeft gezet dat hij toestemming geeft voor de vaccinatie van [minderjarige] , terwijl het consultatiebureau wel een schriftelijke verklaring wil zien waaruit de toestemming voor de inentingen blijkt. De moeder heeft daarom nog belang bij een beslissing op haar verzoek.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het in het belang en ter bescherming van kinderen noodzakelijk is dat zij volgens het van overheidswege opgestelde rijksvaccinatieprogramma worden gevaccineerd. Uit artikel 3 eerste lid van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), volgt dit ook, nu daarin is bepaald dat voor de rechtbank bij alle maatregelen betreffende kinderen het belang van het kind een eerste overweging vormt en in de regel de doorslag behoort te geven, Daarbij behoort ook het hanteren van het voorzorgsbeginsel, namelijk het meewegen van mogelijke risico’s bij het nemen van beslissingen over kinderen en deze risico’s zo mogelijk te verkleinen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen en toestemming verlenen om [minderjarige] te laten inenten volgens het rijksvaccinatieprogramma.\n\nProceskosten\n\nGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\ngeeft de moeder toestemming, welke die van de vader vervangt, om de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] , te laten inenten volgens het rijksvaccinatieprogramma;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17388","2026-07-13T00:28:24.226Z",{"id":200,"ecli":201,"slug":202,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":187,"fullText":203,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":204,"sourceTimestamp":190,"parsedAt":65,"updatedAt":205},"306","ECLI:NL:RBDHA:2026:17385","ecli-nl-rbdha-2026-17385","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2019\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700441\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 27 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw],\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Bagci-Çiçek te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man],\n\nde man,\n\nwonende te op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. Sanger te Rotterdam.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens verzoekschrift.\n\nOp 13 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn op [datum] 2021 te [plaats 1] met elkaar gehuwd.\n\n- Op 5 februari 2026 heeft de man een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, bij de rechtbank bekend onder zaakkenmerk C\u002F09\u002F699137.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:\n\n- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 2.331,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van het verzoekschrift, te weten 27 februari 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n- althans een beschikking af te geven zoals de rechtbank in goede justitie mocht vermenen te behoren,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de man zelfstandig te bepalen dat:\n\n- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres], met het bevel dat de vrouw die woning verder niet mag betreden;\n\n- indien de rechtbank een bijdrage aan voorlopige partneralimentatie vaststelt, deze te bepalen op maximaal € 878,- bruto per maand, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen lager bedrag,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nUitsluitend gebruik echtelijke woning\n\nBeide partijen hebben verzocht het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning te verkrijgen voor de duur van de echtscheidingsprocedure.\n\nPartijen hebben op 27 juli 2025 afspraken gemaakt. Een van die afspraken was dat de man in de woning zou blijven. De broer van de vrouw heeft partijen geholpen om deze afspraken tot stand te brengen. Volgens de vrouw zijn deze afspraken echter onder dwang en druk tot stand gekomen. Zij wil terug naar de echtelijke woning, onder andere omdat zij in die omgeving haar sociale contacten heeft en psychologische behandeling krijgt. De vrouw stelt geen andere zelfstandige woonruimte te kunnen vinden in de omgeving. Zij heeft de afgelopen maanden bij familie en vrienden verbleven maar daar kan zij niet langer terecht. De man betwist dat de afspraken onder dwang of druk tot stand zijn gekomen. Hij verzoekt te bepalen dat het uitsluitend gebruik aan hem toekomt omdat hij niet over andere zelfstandige woonruimte beschikt en niet bij derden terecht kan.\n\nTussen partijen zijn afspraken vastgelegd, onder andere met betrekking tot de woning. De rechtbank gaat voorbij aan de stellingen van de vrouw dat deze afspraken onder druk tot stand zijn gekomen. Het lag op de weg van de vrouw om die stelling handen en voeten te geven maar zij heeft in het kader van deze procedure op geen enkele manier onderbouwd dat zij met de afspraken die zijn gemaakt op 27 juli 2025 onder druk heeft ingestemd. Bovendien is ook uitvoering gegeven aan de afspraken in die zin dat de vrouw de woning heeft verlaten, de man in de woning is gebleven en de man aan de vrouw een bedrag van € 5.500,- heeft betaald. De enkele omstandigheid dat zij enkele maanden later door de verhuurder weer is aangemerkt als medehuurder doet daar niet aan af. Een afweging van de belangen maakt dit niet anders. De vrouw heeft gesteld dat zij de afgelopen acht maanden bij familie en vrienden heeft verbleven in de omgeving van [plaats 3]. Zij reist nu voor haar psychologische behandeling vanuit die omgeving naar [plaats 2]. Daarnaast heeft zij op de zitting aangegeven dat zij deze behandeling ook op een andere plek kan volgen. De man verblijft momenteel in de echtelijke woning conform de door partijen gemaakte afspraken. De rechtbank ziet geen aanleiding daar nu verandering in te brengen en zal het verzoek van de vrouw afwijzen. Het verzoek van de man zal de rechtbank toewijzen en aan hem zal het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekennen voor de duur van echtscheidingsprocedure.\n\nVoorlopige partneralimentatie\n\nDe vrouw verzoekt een voorlopige partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.\n\nSpoedeisend belang\n\nDe vrouw heeft verzocht om een voorlopige partneralimentatie vast te stellen van € 2.331,- per maand.\n\nDe man heeft zich hiertegen verzet. Hij stelt dat de vrouw haar spoedeisend belang bij een dergelijke voorziening onvoldoende heeft onderbouwd. Ook heeft zij haar behoefte en haar aanvullende behoefte onvoldoende onderbouwd, aldus de man.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige partneralimentatie is, anders dan de man heeft aangegeven, gegrond op artikel 822 lid 1 sub e van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv). Dit artikel vereist niet dat een spoedeisend belang wordt aangetoond. De voorlopige voorzieningen op grond van artikel 822 Rv zijn wettelijk bedoeld als tijdelijke ordemaatregelen voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De wetgever veronderstelt dat een spoedeisend belang aanwezig is, omdat partijen tijdens de scheidingsprocedure onmiddellijke duidelijkheid nodig hebben. Dit betekent dat de rechtbank voorbijgaat aan het primaire standpunt van de man en het verzoek van de vrouw inhoudelijk zal beoordelen.\n\nBehoefte\n\nDe vrouw heeft gesteld dat haar huwelijkse behoefte € 5.998,- netto per maand bedraagt. Zij heeft haar behoefte berekend aan de hand van de hofnorm. Primair betwist de man dat de vrouw behoeftig is, subsidiair berekent hij haar behoefte op € 4.348,- netto per maand.\n\nDe rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. Voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk, op het moment van feitelijk uiteengaan, worden bepaald.\n\nNBI man\n\nHet NBI van de man wordt berekend aan de hand van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023, 2024 en 2025. Deze gemiddelde winst uit onderneming bedraagt afgerond € 72.916,- bruto per jaar, gebaseerd op de door de man overgelegde aangiften Inkomstenbelasting van 2023 en 2024 en de prognose van 2025. Ook ten aanzien van zijn inkomen uit loon zal de rechtbank uitgaan van het gemiddelde van deze drie jaren. In 2023 had de man een inkomen uit loon van € 19.438,- bruto per jaar, in 2024 bedroeg dit € 3.872,- en van 2025 heeft de man op de zitting onbetwist gesteld dat dit circa € 6.000,- bruto bedroeg. Het gemiddelde inkomen uit loon van de man berekent de rechtbank daarmee op € 9.770,- bruto per jaar.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 4.670,- per maand.\n\nNBI vrouw\n\nVoor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de door haar overgelegde loonstroken van 2025, waaruit een brutoloon volgt van afgerond € 2.612,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:\n\nde pensioenpremie van afgerond € 120,- per maand;\n\nde premie AOP van afgerond € 2,- per maand;\n\nde premie PAWW van afgerond € 5,- per maand.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.410,- per maand.\n\nDe rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op € 7.080,- per maand (€ 4.670 + € 2.410). De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 4.248,- netto per maand (60% van € 7.080,- per maand). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 4.443,- per maand.\n\nAanvullende behoefte vrouw\n\nOp de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 4.443,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het bruto-inkomen van de vrouw is in 2026 toegenomen naar afgerond € 2.733,- per maand. Dit volgt uit de door haar overgelegde loonstroken van januari en februari 2026. De rechtbank zal ook hier rekening houden met 8% vakantietoeslag.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:\n\nde pensioenpremie van afgerond € 136,- per maand;\n\nde premie AOP van afgerond € 3,- per maand;\n\nde premie PAWW van afgerond € 3,- per maand.\n\nOp basis hiervan berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 2.498,- per maand.\n\nDe man heeft aangevoerd dat voor de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw moet worden afgeweken van het woonbudget van 30% en dat voor de vrouw geen rekening moet worden gehouden met woonlasten. Zij woont immers nu in bij familie. De vrouw heeft dit betwist, haar woonlasten zijn niet nihil. Zij draagt bij in de woonkosten bij haar familie. Bovendien is zij opzoek naar een woning en hiervoor is ook het woonbudget bedoeld.\n\nDe rechtbank zal rekening houden met het gebruikelijke woonbudget van 30% van het NBI. In het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om hiervan af te wijken. De man heeft zijn stellingen dat niet gerekend moet worden met woonlasten onvoldoende onderbouwd.\n\nHet voorgaande leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.945,- netto per maand (€ 4.443 -\u002F- € 2.498). Dat is € 3.780,- bruto per maand.\n\nDraagkracht man\n\nOp basis van de inkomensgegevens van de man bij de berekening van de huwelijkse behoefte in 2025 berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.693,- per maand.\n\nOmdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen.\n\nDe man heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met zijn maandelijkse aflossing van € 129,- voor zijn studieschuld. De vrouw heeft dit betwist en stelt dat deze schuld al lange tijd afgelost had kunnen zijn. Een last wordt niet meegenomen in de berekening van alimentatie wanneer deze vermijdbaar en\u002Fof verwijtbaar is. Van een vermijdbare last is sprake als de betaler zich geheel of gedeeltelijk van deze last kan bevrijden, bijvoorbeeld als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen of de maandelijkse aflossingen kan verlagen. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt niet dat dit voor de man mogelijk is. Ook is de rechtbank van oordeel dat de last niet verwijtbaar is. Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onderhoudsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan. Dat daarvan sprake is, is niet gebleken. De rechtbank houdt er daarom rekening mee in de berekening van de draagkracht van de man.\n\nHieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.075,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,- + € 129,-)]). Gebruteerd komt dit neer op € 1.721,- per maand.\n\nInkomensvergelijking\n\nOm te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man gehouden zou zijn een hoger bedrag te betalen dan zijn draagkracht toelaat, namelijk € 1.918,- bruto per maand. De rechtbank zal daarom de voorlopige alimentatie vaststellen gelijk aan zijn bruto draagkracht van € 1.721,- per maand.\n\nIngangsdatum\n\nDe vrouw heeft verzocht de voorlopige alimentatie vast te stellen per datum indiening verzoekschrift. De man heeft hier geen verweer tegen gevoerd. De rechtbank komt deze ingangsdatum ook redelijk voor, omdat de man vanaf dit moment rekening heeft kunnen houden met een voorlopige bijdrage aan partneralimentatie. De rechtbank zal daarom de datum van het verzoekschrift als ingangsdatum hanteren.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning verder niet mag betreden;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van het verzoekschrift voorlopig een partneralimentatie van € 1.721,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17385","2026-07-13T00:28:23.652Z",20]