[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-matrimonial-property-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":36,"total":16,"page":25,"limit":72},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},81,"matrimonial-property-nl","Matrimonial Property","NL","2026-07-08T16:55:03.427Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2025-11-11T00:00:00.000Z","2026-05-27T00:00:00.000Z",[21,26,29,32],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124296","Burgerlijk Wetboek","art. 1:102",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"124297","art. 1:100",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"124298","art. 6:10",{"provisionId":33,"code":34,"article":35,"count":25},"121845","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 822",[37,48,55,64],{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":42,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":46,"updatedAt":47},"306","ECLI:NL:RBDHA:2026:17385","ecli-nl-rbdha-2026-17385","","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2019\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700441\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 27 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw],\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Bagci-Çiçek te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man],\n\nde man,\n\nwonende te op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. Sanger te Rotterdam.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens verzoekschrift.\n\nOp 13 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn op [datum] 2021 te [plaats 1] met elkaar gehuwd.\n\n- Op 5 februari 2026 heeft de man een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, bij de rechtbank bekend onder zaakkenmerk C\u002F09\u002F699137.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:\n\n- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 2.331,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van het verzoekschrift, te weten 27 februari 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n- althans een beschikking af te geven zoals de rechtbank in goede justitie mocht vermenen te behoren,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de man zelfstandig te bepalen dat:\n\n- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres], met het bevel dat de vrouw die woning verder niet mag betreden;\n\n- indien de rechtbank een bijdrage aan voorlopige partneralimentatie vaststelt, deze te bepalen op maximaal € 878,- bruto per maand, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen lager bedrag,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nUitsluitend gebruik echtelijke woning\n\nBeide partijen hebben verzocht het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning te verkrijgen voor de duur van de echtscheidingsprocedure.\n\nPartijen hebben op 27 juli 2025 afspraken gemaakt. Een van die afspraken was dat de man in de woning zou blijven. De broer van de vrouw heeft partijen geholpen om deze afspraken tot stand te brengen. Volgens de vrouw zijn deze afspraken echter onder dwang en druk tot stand gekomen. Zij wil terug naar de echtelijke woning, onder andere omdat zij in die omgeving haar sociale contacten heeft en psychologische behandeling krijgt. De vrouw stelt geen andere zelfstandige woonruimte te kunnen vinden in de omgeving. Zij heeft de afgelopen maanden bij familie en vrienden verbleven maar daar kan zij niet langer terecht. De man betwist dat de afspraken onder dwang of druk tot stand zijn gekomen. Hij verzoekt te bepalen dat het uitsluitend gebruik aan hem toekomt omdat hij niet over andere zelfstandige woonruimte beschikt en niet bij derden terecht kan.\n\nTussen partijen zijn afspraken vastgelegd, onder andere met betrekking tot de woning. De rechtbank gaat voorbij aan de stellingen van de vrouw dat deze afspraken onder druk tot stand zijn gekomen. Het lag op de weg van de vrouw om die stelling handen en voeten te geven maar zij heeft in het kader van deze procedure op geen enkele manier onderbouwd dat zij met de afspraken die zijn gemaakt op 27 juli 2025 onder druk heeft ingestemd. Bovendien is ook uitvoering gegeven aan de afspraken in die zin dat de vrouw de woning heeft verlaten, de man in de woning is gebleven en de man aan de vrouw een bedrag van € 5.500,- heeft betaald. De enkele omstandigheid dat zij enkele maanden later door de verhuurder weer is aangemerkt als medehuurder doet daar niet aan af. Een afweging van de belangen maakt dit niet anders. De vrouw heeft gesteld dat zij de afgelopen acht maanden bij familie en vrienden heeft verbleven in de omgeving van [plaats 3]. Zij reist nu voor haar psychologische behandeling vanuit die omgeving naar [plaats 2]. Daarnaast heeft zij op de zitting aangegeven dat zij deze behandeling ook op een andere plek kan volgen. De man verblijft momenteel in de echtelijke woning conform de door partijen gemaakte afspraken. De rechtbank ziet geen aanleiding daar nu verandering in te brengen en zal het verzoek van de vrouw afwijzen. Het verzoek van de man zal de rechtbank toewijzen en aan hem zal het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekennen voor de duur van echtscheidingsprocedure.\n\nVoorlopige partneralimentatie\n\nDe vrouw verzoekt een voorlopige partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.\n\nSpoedeisend belang\n\nDe vrouw heeft verzocht om een voorlopige partneralimentatie vast te stellen van € 2.331,- per maand.\n\nDe man heeft zich hiertegen verzet. Hij stelt dat de vrouw haar spoedeisend belang bij een dergelijke voorziening onvoldoende heeft onderbouwd. Ook heeft zij haar behoefte en haar aanvullende behoefte onvoldoende onderbouwd, aldus de man.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige partneralimentatie is, anders dan de man heeft aangegeven, gegrond op artikel 822 lid 1 sub e van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv). Dit artikel vereist niet dat een spoedeisend belang wordt aangetoond. De voorlopige voorzieningen op grond van artikel 822 Rv zijn wettelijk bedoeld als tijdelijke ordemaatregelen voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De wetgever veronderstelt dat een spoedeisend belang aanwezig is, omdat partijen tijdens de scheidingsprocedure onmiddellijke duidelijkheid nodig hebben. Dit betekent dat de rechtbank voorbijgaat aan het primaire standpunt van de man en het verzoek van de vrouw inhoudelijk zal beoordelen.\n\nBehoefte\n\nDe vrouw heeft gesteld dat haar huwelijkse behoefte € 5.998,- netto per maand bedraagt. Zij heeft haar behoefte berekend aan de hand van de hofnorm. Primair betwist de man dat de vrouw behoeftig is, subsidiair berekent hij haar behoefte op € 4.348,- netto per maand.\n\nDe rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. Voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk, op het moment van feitelijk uiteengaan, worden bepaald.\n\nNBI man\n\nHet NBI van de man wordt berekend aan de hand van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023, 2024 en 2025. Deze gemiddelde winst uit onderneming bedraagt afgerond € 72.916,- bruto per jaar, gebaseerd op de door de man overgelegde aangiften Inkomstenbelasting van 2023 en 2024 en de prognose van 2025. Ook ten aanzien van zijn inkomen uit loon zal de rechtbank uitgaan van het gemiddelde van deze drie jaren. In 2023 had de man een inkomen uit loon van € 19.438,- bruto per jaar, in 2024 bedroeg dit € 3.872,- en van 2025 heeft de man op de zitting onbetwist gesteld dat dit circa € 6.000,- bruto bedroeg. Het gemiddelde inkomen uit loon van de man berekent de rechtbank daarmee op € 9.770,- bruto per jaar.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 4.670,- per maand.\n\nNBI vrouw\n\nVoor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de door haar overgelegde loonstroken van 2025, waaruit een brutoloon volgt van afgerond € 2.612,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:\n\nde pensioenpremie van afgerond € 120,- per maand;\n\nde premie AOP van afgerond € 2,- per maand;\n\nde premie PAWW van afgerond € 5,- per maand.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.410,- per maand.\n\nDe rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op € 7.080,- per maand (€ 4.670 + € 2.410). De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 4.248,- netto per maand (60% van € 7.080,- per maand). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 4.443,- per maand.\n\nAanvullende behoefte vrouw\n\nOp de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 4.443,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het bruto-inkomen van de vrouw is in 2026 toegenomen naar afgerond € 2.733,- per maand. Dit volgt uit de door haar overgelegde loonstroken van januari en februari 2026. De rechtbank zal ook hier rekening houden met 8% vakantietoeslag.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:\n\nde pensioenpremie van afgerond € 136,- per maand;\n\nde premie AOP van afgerond € 3,- per maand;\n\nde premie PAWW van afgerond € 3,- per maand.\n\nOp basis hiervan berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 2.498,- per maand.\n\nDe man heeft aangevoerd dat voor de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw moet worden afgeweken van het woonbudget van 30% en dat voor de vrouw geen rekening moet worden gehouden met woonlasten. Zij woont immers nu in bij familie. De vrouw heeft dit betwist, haar woonlasten zijn niet nihil. Zij draagt bij in de woonkosten bij haar familie. Bovendien is zij opzoek naar een woning en hiervoor is ook het woonbudget bedoeld.\n\nDe rechtbank zal rekening houden met het gebruikelijke woonbudget van 30% van het NBI. In het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om hiervan af te wijken. De man heeft zijn stellingen dat niet gerekend moet worden met woonlasten onvoldoende onderbouwd.\n\nHet voorgaande leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.945,- netto per maand (€ 4.443 -\u002F- € 2.498). Dat is € 3.780,- bruto per maand.\n\nDraagkracht man\n\nOp basis van de inkomensgegevens van de man bij de berekening van de huwelijkse behoefte in 2025 berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.693,- per maand.\n\nOmdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen.\n\nDe man heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met zijn maandelijkse aflossing van € 129,- voor zijn studieschuld. De vrouw heeft dit betwist en stelt dat deze schuld al lange tijd afgelost had kunnen zijn. Een last wordt niet meegenomen in de berekening van alimentatie wanneer deze vermijdbaar en\u002Fof verwijtbaar is. Van een vermijdbare last is sprake als de betaler zich geheel of gedeeltelijk van deze last kan bevrijden, bijvoorbeeld als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen of de maandelijkse aflossingen kan verlagen. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt niet dat dit voor de man mogelijk is. Ook is de rechtbank van oordeel dat de last niet verwijtbaar is. Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onderhoudsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan. Dat daarvan sprake is, is niet gebleken. De rechtbank houdt er daarom rekening mee in de berekening van de draagkracht van de man.\n\nHieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.075,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,- + € 129,-)]). Gebruteerd komt dit neer op € 1.721,- per maand.\n\nInkomensvergelijking\n\nOm te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man gehouden zou zijn een hoger bedrag te betalen dan zijn draagkracht toelaat, namelijk € 1.918,- bruto per maand. De rechtbank zal daarom de voorlopige alimentatie vaststellen gelijk aan zijn bruto draagkracht van € 1.721,- per maand.\n\nIngangsdatum\n\nDe vrouw heeft verzocht de voorlopige alimentatie vast te stellen per datum indiening verzoekschrift. De man heeft hier geen verweer tegen gevoerd. De rechtbank komt deze ingangsdatum ook redelijk voor, omdat de man vanaf dit moment rekening heeft kunnen houden met een voorlopige bijdrage aan partneralimentatie. De rechtbank zal daarom de datum van het verzoekschrift als ingangsdatum hanteren.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning verder niet mag betreden;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van het verzoekschrift voorlopig een partneralimentatie van € 1.721,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17385","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.652Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":52,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":46,"updatedAt":54},"350","ECLI:NL:RBDHA:2026:17378","ecli-nl-rbdha-2026-17378","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2333\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F701011\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 9 maart 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S.L.A. Verburgt te Den Haag.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. P. van de Kolk te Den Haag.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift.\n\nOp 13 mei 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\n- de man, bijgestaan door mr. M.S. Odink als waarnemend advocaat en een tolk,\n\nE. Roest;\n\n- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk: S. Steinert.\n\nVan de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.\n\nFeiten\n\nPartijen zijn gehuwd op [datum] 2020 te [plaats] , Duitsland.\n\nDe man en de vrouw zijn beiden burgers van de Bondsrepubliek Duitsland. De\n\nvrouw heeft daarnaast ook de Britse nationaliteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de man strekt ertoe dat:\n\n- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] , met inbegrip van de inboedel, en met het bevel dat de vrouw die woning moet verlaten en verder niet meer mag betreden;\n\n- een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige partneralimentatie van\n\n € 4.049,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 maart 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en waarbij de vrouw de hypotheeklasten van de echtelijke woning zal blijven voldoen;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw voert verweer tegen de verzochte partneralimentatie en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nDe Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.\n\nUitsluitend gebruik echtelijke woning\n\nDe man heeft verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning voor de duur van de echtscheidingsprocedure aan hem toe te wijzen. Partijen zijn het erover eens dat de woning uiteindelijk aan derden moet worden verkocht. De man gaat er daarbij van uit dat de vrouw vooralsnog de hypotheeklasten van de echtelijke woning zal blijven voldoen, gelet op haar inkomen en het feit dat de man op dit moment zelf geen inkomsten heeft.\n\nDe vrouw heeft ingestemd met het uitsluitend gebruik door de man en het voldoen van de hypotheeklasten, op de voorwaarde dat zij in de gelegenheid wordt gesteld om persoonlijke spullen, zoals kleding, foto’s en administratie uit de woning op te halen. Partijen hebben op de zitting afgesproken dat de vrouw op zaterdag 16 mei 2026 de spullen ophaalt, waarbij een Duitse gast van de man aanwezig is. De man is op dat moment niet thuis. Gelet op het feit dat dit op de datum van de beschikking al heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze afspraak in het dictum op te nemen.\n\nNu partijen overeenstemming hebben over het uitsluitend gebruik, zal de rechtbank dit vastleggen. Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij.\n\nVoorlopige partneralimentatie\n\nLotsverbondenheid\n\nDe man heeft verzocht om een voorlopige bijdrage aan partneralimentatie. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij is van mening dat de lotsverbondenheid, als grondslag van de onderhoudsverplichting, tussen partijen is verbroken vanwege grievend gedrag van de man. Dit bedrag bestaat uit intieme terreur, stalking, bedreigende berichten en ander grensoverschrijdend gedrag. Daarbij heeft de vrouw een eigen verklaring overgelegd, en ook verklaringen van haar therapeut en haar kinderen. De man betwist dat sprake is geweest van grievend gedrag. Hij erkent dat er een stopgesprek heeft plaatsgevonden bij de politie naar aanleiding van zijn berichten, maar wijt dit aan de emoties rondom het verbreken van de relatie. De man ontkent de door de vrouw beschreven gedragingen tijdens het huwelijk stellig. Volgens hem moeten zijn berichten anders geïnterpreteerd worden: niet als een bedreiging, maar als hoop op herstel van de relatie.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat artikel 1:156 Burgerlijk Wetboek (BW) het uitgangspunt is bij de beantwoording van de vraag of aan de (gewezen) echtgenoot een uitkering voor het levensonderhoud moet worden toegekend. Daar kan van worden afgeweken als de redelijkheid en billijkheid daar om vraagt, waarbij rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder vallen ook niet-financiële omstandigheden, zoals grievend gedrag van de echtgenoot die om een onderhoudsbijdrage verzoekt. Er kan sprake zijn van grievend gedrag van een zodanige aard dat van een (gewezen) echtgenoot in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd aan het levensonderhoud van de ander bij te dragen. De lotsverbondenheid die door het huwelijk is ontstaan en ook na de beëindiging van het huwelijk doorwerkt, kan in zo'n situatie niet langer gelden als grondslag voor de onderhoudsverplichting.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de man de inhoud van de door de vrouw overgelegde verklaringen van haar jong-meerderjarige kinderen heeft betwist, ziet de rechtbank in beginsel geen aanleiding om aan de feitelijke en zeer gedetailleerde beschrijvingen hierin te twijfelen. De rechtbank kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de man zich gedurende langere tijd zeer onaangenaam heeft gedragen. De rechter kan echter niet vaststellen dat het gedrag van dien aard is geweest dat in het kader van deze voorlopige voorzieningen-procedure kan worden geconcludeerd dat de lotsverbondenheid hierdoor is verbroken. In een bodemprocedure zal hier wellicht meer onderzoek naar gedaan kunnen worden.\n\nDe rechtbank zal het verzoek om een voorlopige partneralimentatie daarom hierna inhoudelijk beoordelen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nBij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.\n\nDaarbij merkt de rechtbank vooraf ook op dat bij de vaststelling van alimentatie de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, opgenomen in het Rapport alimentatienormen zoveel mogelijk als uitgangspunt worden genomen. Zoals in het navolgende zal blijken, is in dit geval echter sprake van een atypische situatie, omdat de vrouw werkzaam is voor de NAVO, een internationale organisatie. Zij is daardoor niet belastingplichtig in Nederland, waardoor steeds gerekend zal worden met netto bedragen. Verder is ook haar inkomen en de daarbij komende toelagen anders opgebouwd dan gebruikelijk, zodat de rechtbank in dit specifieke geval aanleiding ziet om op bepaalde onderdelen af te wijken van voornoemde aanbevelingen om tot een bijdrage in het levensonderhoud te komen die aansluit op de feitelijke situatie van partijen.\n\nIngangsdatum\n\nOm proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de voorlopige partneralimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat de vrouw in de afgelopen periode de hypotheeklasten van de woning heeft betaald en de man kennelijk in staat is geweest om in zijn levensonderhoud te voorzien.\n\nBehoefte en aanvullende behoefte\n\nDe rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de man berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. De man had ten tijde van het huwelijk geen inkomen. Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank uit van het inkomen dat zij verdient bij de NAVO. Daarbij gaat de rechtbank uit van haar netto-inkomen, nu zij door haar baan bij een internationale organisatie in Nederland niet belastingplichtig is.\n\nDe rechtbank neemt daarbij haar loonstrook van december 2025 als uitgangspunt. Hieruit volgt:\n\neen basissalaris van € 10.773,- per maand;\n\neen expatriation allowance van € 1.025,- per maand;\n\neen basic family allowance van € 653,- per maand.\n\nPartijen zijn het erover eens dat de ‘child allowance’ niet zal worden meegenomen, omdat dit een toelage betreft voor de meerderjarige kinderen van de vrouw. Rekening houdend met de inhoudingen op het loon van in totaal € 1.513,- per maand is haar netto-inkomen € 10.937,- per maand. Daarbij is de vergoeding voor benzinekosten buiten beschouwing gelaten.\n\nDe huwelijksgerelateerde behoefte van de man bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond\n\n€ 6.562,- netto per maand (60% van € 10.937,- per maand). Hierop moet het inkomen van de man in mindering worden gebracht. Omdat de man op dit moment geen inkomen heeft, is zijn aanvullende behoefte in beginsel gelijk aan de behoefte op basis van de hofnorm, aldus € 6.562,- netto per maand.\n\nDraagkracht\n\nDe rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van een inkomen dat als volgt is opgebouwd:\n\neen basissalaris van € 10.773,- per maand;\n\neen expatriation allowance van € 1.025,- per maand;\n\neen single parent allowance van € 422,- per maand.\n\nDaarbij geldt ten aanzien van de laatstgenoemde toelage dat de rechtbank deze, anders dan door de vrouw betoogd, wel zal meenemen bij de berekening van het inkomen van de vrouw. Gebleken is dat de ‘single parent allowance’ na het verbreken van de relatie van partijen in de plaats komt van de ‘basic family allowance’. Het betreft daarmee geen aanvullende toelage ten behoeve van de kinderen. Voor hen ontvangt de vrouw de ‘child expatriation allowance’ en het ‘dependent child supplement’. Naar oordeel van de rechtbank moet het worden aangemerkt als een toelage voor extra kosten die een alleenstaande maakt. De vrouw heeft gesteld dat de ‘single parent allowance’ € 422,- per maand bedraagt. De man heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank hier van uitgaat. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw bedraagt, rekening houdend met dezelfde inhoudingen als bij de behoefte, dan € 9.863,- per maand.\n\nBij de berekening van de draagkracht van de vrouw neemt de rechtbank de volgende lasten in aanmerking:\n\nde werkelijke woonlasten van de vrouw;\n\nkosten van de kinderen.\n\nAd a)Gebleken is dat de vrouw op dit moment zowel de volledige hypotheeklasten van de echtelijke woning van € 2.123,- per maand voldoet als de huurlasten van haar tijdelijke woning van € 2.500,- per maand. Haar woonlasten zijn dus in totaal € 4.623,- per maand. Anders dan de man is de rechtbank met de vrouw van oordeel dat aanleiding bestaat om rekening te houden met haar werkelijke woonlasten, omdat deze aanmerkelijk hoger zijn dan op basis van het woonbudget van 30% van haar NBI (€ 2.959,- per maand).\n\nAd b)De vrouw heeft verder gesteld dat rekening moet worden gehouden met de kosten die zij draagt voor haar beide meerderjarige kinderen. Zij maakt aan hen ieder € 700,- per maand over en betaalt daarnaast losse kosten voor hen. In totaal betaalt de vrouw ongeveer € 1.100,- per maand per kind. De man betwist deze kosten. De kinderen van de vrouw zijn 21 en 23 jaar, zodat geen rekening meer moet worden gehouden met hun kosten. Uit de door de vrouw overgelegde toelichting volgt dat vanuit de NAVO rekening wordt gehouden met kosten van kinderen tot 22 jaar. De rechtbank zal daarom rekening houden met de kosten die de vrouw draagt voor het jongste kind van 21 jaar van € 700,- per maand, met aftrek van de toelages die zij voor dit kind ontvangt van € 522,- per maand. De aanvullende kosten zoals door de vrouw gesteld, laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat de vrouw deze kosten, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet heeft onderbouwd. De rechtbank zal daarom rekening houden met kosten van het jongste kind van € 177,- per maand.\n\nOp grond van het voorgaande, bedraagt de draagkrachtruimte van de vrouw € 3.875,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 2.325,- netto per maand. Daarop wordt het aandeel vrouw in de kosten van het jongste kind van € 175,- per maand in mindering gebracht. Hierna is € 2.150,- netto per maand nog beschikbaar voor partneralimentatie. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de man tot een voorlopige bijdrage in zijn levensonderhoud toewijzen tot een bedrag van € 2.150,- netto per maand en afwijzen voor het overige.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nbepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van heden een voorlopige partneralimentatie van € 2.150,- netto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,\n\nverklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17378","2026-07-13T00:28:25.587Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":59,"fullText":60,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":46,"updatedAt":63},"1602","ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","ecli-nl-rbdha-2026-17233","2026-05-26T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-1859\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700170\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 23 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw],\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. El Aqde te Amsterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man],\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.G. de Jong te ‘s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van 7 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;\n\nhet verweerschrift, tevens verzoekschrift.\n\nOp 12 mei 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:\n\n- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- het minderjarige kind van partijen, [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de vrouw wordt toevertrouwd;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nTevens heeft de man zelfstandig verzocht:\n\n- primair: te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres];\n\n- subsidiair: te bepalen dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is;\n\n- het minderjarige kind van partijen [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de man toe te vertrouwen;\n\n- en een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van het minderjarige kind van partijen vast te stellen, in die zin dat [minderjarige] afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders verblijft, met dien verstande dat:\n\n- in de even weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- in de oneven weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n en daarbij te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 250,-- met een maximum van € 25.000,-- verbeurt per dag dat zij haar medewerking niet verleent aan de voorlopige zorgregeling;\n\n en te bepalen dat de feestdagen afwisselend in onderling overleg bij helfte worden gedeeld;\n\neen en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordelingToevertrouwing minderjarige, uitsluitend gebruik echtelijke woning en zorgregeling\n\nStandpunten van partijen\n\nDe vrouw stelt dat het in het belang is van [minderjarige] dat zij bij uitsluiting gebruik mag maken van de echtelijke woning, dat [minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd en dat de contacten tussen de man en [minderjarige] onder professionele begeleiding worden opgestart. De vrouw voert daartoe aan dat zij vermoedt dat de man kampt met psychiatrische problematiek, dat er een patroon is van intieme terreur en verbaal en fysiek geweld, waarvan [minderjarige] getuige is geweest. Professionele omgangsbegeleiding is gelet op deze voorgeschiedenis noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] en de vrouw te waarborgen. Het is ook in het belang van [minderjarige] dat hij – samen met de vrouw, die altijd zijn hoofdverzorger is geweest – in zijn vertrouwde omgeving kan wonen, zodat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend zou moeten worden. De vrouw verblijft nu met [minderjarige] bij haar moeder, maar dat is voor zowel de vrouw als [minderjarige] onwenselijk.\n\nDe man heeft betwist dat de vrouw altijd de hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest en gesteld dat er sprake is geweest van gedeelde zorg. De man wenst dat [minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd, nu hij [minderjarige] sinds het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning niet meer heeft gezien en de vrouw hiermee heeft laten zien dat zij niet in het belang van [minderjarige] handelt. De man heeft geen beschikking over andere woonruimte waar hij voor [minderjarige] kan zorgen en daarom wil hij dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem wordt toegekend. Subsidiair verzoekt de man de rechtbank om een birdnestingregeling vast te stellen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n [minderjarige] is getuige is geweest van hoogoplopende ruzies tussen partijen. Dat is onwenselijk, maar de rechtbank ziet daarin geen aanleiding om te oordelen dat het contact tussen de man en [minderjarige] alleen onder begeleiding zou kunnen worden opgestart. Dat de veiligheid van [minderjarige] in het geding zou zijn als hij bij de man verblijft – doordat sprake is van psychiatrische problematiek bij de man en\u002Fof omdat sprake is van een patroon van geweld of intieme terreur – is door de vrouw niet onderbouwd en ook niet anderszins aannemelijk geworden. Dat betekent dat de rechtbank een onbegeleide zorgregeling zal vaststellen. De rechtbank vindt voor de voorlopig vast te stellen zorgregeling een opbouwregeling als na te melden nodig, omdat [minderjarige] pas 2 jaar is en hij de man na enkele hoogopgelopen ruzies 3 maanden niet heeft gezien. De rechtbank zal het verzoek om te bepalen dat de feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld afwijzen, nu de vast te stellen voorlopige zorgregeling er uiteindelijk op neerkomt dat de ouders [minderjarige] de helft van de tijd bij zich hebben en daarmee ook ongeveer de helft van de feestdagen.\n\nHet voorgaande houdt in dat de over en weer gedane verzoeken met betrekking tot de toevertrouwing van [minderjarige] zullen worden afgewezen.\n\nMet betrekking tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning overweegt de rechtbank als volgt. Beide partijen hebben geen goed alternatief voor woonruimte. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij afwisselend door beide ouders verzorgd wordt. De rechtbank zal daarom vaststellen dat sprake zal zijn van birdnesting, waarbij [minderjarige] in zijn vertrouwde omgeving kan verblijven en de ouders om en om met hem in de echtelijke woning verblijven. De rechtbank realiseert zich dat birdnesting geen ideale situatie is voor beide partijen, maar op dit moment is dit wel de situatie die het meest in het belang is van [minderjarige].\n\nHet verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen.\n\nOp de zitting is nog gesproken over de overdracht. Nu er sprake zal zijn van birdnesting kan [minderjarige] in de echtelijke woning blijven en kunnen de ouders elkaar aflossen in de echtelijke woning. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich ervoor zullen inspannen om de overdrachten, in het belang van [minderjarige], rustig te laten verlopen en elkaar in het bijzijn van [minderjarige] geen verwijten te maken. Het ligt daarbij op de weg van de ouder die de woning moet verlaten om ervoor te zorgen dat alle benodigde spullen klaar staan op het moment van de wissel, zodat partijen niet langdurig gezamenlijk in de echtelijke woning hoeven te verblijven.\n\nDwangsom\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de man tot het opleggen van een dwangsom afwijzen. De vrouw heeft zich ter zitting weliswaar verzet tegen onbegeleid contact tussen [minderjarige] en de man, maar zij heeft tevens verklaard dat zij inziet dat het in het belang is van [minderjarige] om contact te hebben met zijn vader. De rechtbank verwacht dat de vrouw uitvoering zal geven aan de voorlopige zorgregeling, omdat zij inziet dat contact in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank vindt het opleggen van een dwangsom in dit stadium daarom prematuur.\n\nUniform hulpaanbod\n\nOp de zitting hebben beide ouders de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De vrouw zou graag zien dat ook het traject ook ziet op omgangsbegeleiding, maar de rechtbank ziet daartoe, zoals hiervoor is overwogen, geen aanleiding. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.\n\nDe rechtbank verzoekt de ouders om in de scheidingsprocedure bekend onder kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van het ouderschapsbemiddelingstraject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nstelt de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], als volgt vast:\n\nde eerste twee weken na heden: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 10.00 uur tot 15.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 9.00 uur tot 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag van 9.00 uur tot donderdag 18.00 uur en zondag van 9.00 uur tot maandag 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\ndaarna: [minderjarige] verblijft afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders, met dien verstande dat:\n\n- [minderjarige] in de even weken op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- [minderjarige] in de oneven weken op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en beveelt mitsdien dat de man gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is en beveelt mitsdien dat de vrouw gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n*\n\nstelt vast dat de ouders, te weten:\n\n [de man],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nen\n\n [de vrouw],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres;\n\nbij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;\n\nbeveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:\n\nKenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;\n\nbepaalt dat de ouders de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 informeren over het verloop van voornoemd traject;\n\nbepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat om deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.133Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":68,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":46,"updatedAt":71},"1785","ECLI:NL:RBDHA:2025:21478","ecli-nl-rbdha-2025-21478","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummers: FA RK 24-1213 (echtscheiding) en FA RK 24-4460 (verdeling)\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F661627 (echtscheiding) en C\u002F09\u002F668329 (verdeling)\n\nDatum beschikking: 11 november 2025Echtscheiding met nevenvoorzieningen\n\nBeschikking op het op 16 februari 2024 ingekomen verzoek van:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. F.D. van Damme te Beverwijk.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.W.S. Nijman te Oegstgeest .\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift;\n\nhet F9 formulier van 4 maart 2024 met bijlagen van de man;\n\nhet F9 formulier van 4 maart 2024 met bijlage van de man;\n\n- het formulier “verdelen en verrekenen” van 4 maart 2024 van de man;\n\n- het F9 formulier van 21 maart 2024 met bijlagen van de man;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;\n\n- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;\n\nhet F9 formulier van 31 juli 2024 met bijlagen van de man;\n\nhet F9 formulier van 25 september 2025 met bijlage van de man;\n\nhet F9 formulier van 4 oktober 2025 met bijlagen van de vrouw;\n\nhet F9 formulier van 7 oktober 2025 met bijlagen van de man.\n\nDe minderjarige [minderjarige 1] en de minderjarige [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken maar hebben daar geen gebruik van gemaakt.\n\nOp 7 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat, de vrouw met haar advocaat en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nNa de zitting is ontvangen het F9 formulier van 10 oktober 2025 met bijlage van de vrouw.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1] .\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ,\n\n- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats] ,\n\n- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats] .\n\n- De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw.\n\n- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- Deze rechtbank heeft op 19 april 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:\n\n- dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres] ( [postcode] ), met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- dat de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;\n\n- dat de kinderen voorlopig bij de man zijn:\n\n- in de oneven weken op donderdagmiddag uit school tot en met donderdagavond 18.30 uur en vrijdagmiddag uit school tot en met vrijdagavond 18.30 uur;\n\n- in de even weken op donderdagmiddag uit school tot en met donderdagavond 18.30 uur en van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond 20.00 uur;\n\n- dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 481,- per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot\n\na. echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:\n\nd. vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen:\n\nregulier\n\n- bij de man verblijven in de even weken van zondag 17.00 uur tot en met zondag een week later te 17.00 uur, waarbij de man de kinderen op de zondag van aanvang bij de vrouw ophaalt en de kinderen op de einddag weer bij de vrouw terugbrengt;\n\n- bij de vrouw verblijven in de even weken van zondag 17.00 uur tot en met zondag een week later te 17.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen op de zondag van aanvang bij de man ophaalt en de kinderen op de einddag weer bij de man terugbrengt;\n\nvakanties\n\nzomervakanties:\n\n- jaarlijks gedurende de eerste drie weken bij de man, ingaande op de laatste schooldag (vrijdag) tot en met zondag drie weken later te 17.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen de laatste omgangsdag bij de man ophaalt;\n\n- jaarlijks gedurende de laatste drie weken bij de vrouw, ingaande op de 3e zondag van de schoolvakantie te 17.00 uur tot en met zondag drie weken later te 17.00 uur, waarbij de man de kinderen op de laatste omgangsdag bij de vrouw ophaalt;\n\nKerstvakanties:\n\nde even jaren\n\n- gedurende de eerste week bij de man, ingaande op de laatste schooldag (vrijdag) tot en met zondag een week later te 17.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen op de laatste omgangsdag bij de man ophaalt;\n\n- gedurende de tweede week bij de vrouw, ingaande op de tweede zondag van de schoolvakantie te 17.00 uur tot en met zondag een week later te 17.00 uur waarbij de man de kinderen de laatste omgangsdag bij de vrouw ophaalt;\n\nde oneven jaren\n\n- gedurende de eerste week bij de vrouw, ingaande op de laatste schooldag (vrijdag) tot en met zondag een week later te 17.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen op de laatste omgangsdag bij de man ophaalt;\n\n- gedurende de tweede week bij de man, ingaande op de tweede zondag van de schoolvakantie te 17.00 uur tot en met zondag een week later te 17.00 uur waarbij de man de kinderen de laatste omgangsdag bij de vrouw ophaalt;\n\noverige vakanties, feestdagen en verjaardagen\n\nGedurende de overige vakanties, feestdagen en verjaardagen verblijven de kinderen bij de ouder waar zij volgens de hierboven omschreven reguliere zorgregeling zijn;\n\nsport [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\nAls [minderjarige 1] en\u002Fof [minderjarige 2] in het weekeinde dat zij volgens de hierboven bedoelde zorgregeling bij de vrouw verblijven een korfbalwedstrijd, training of een andersoortige korfbalactiviteit hebben, zal de vrouw toestaan dat zij die activiteit kunnen bijwonen. Tevens zal de vrouw er zorg voor dragen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar die betreffende activiteit gebracht en van die betreffende activiteit gehaald worden. Dit geldt eveneens ingeval [minderjarige 1] en\u002Fof [minderjarige 2] in de toekomst een andere sport mocht\u002Fmochten gaan beoefenen.\n\nsport [minderjarige 3]\n\nAls [minderjarige 3] in het weekeinde dat hij volgens de hierboven bedoelde zorgregeling bij de vrouw verblijft zwemmen of voetballen heeft, zal de vrouw toestaan dat hij die activiteit kan bijwonen. Tevens zal de vrouw er zorg voor dragen dat [minderjarige 3] naar die betreffende activiteit gebracht en van die betreffende activiteit gehaald wordt. Dit geldt eveneens ingeval [minderjarige 3] in de toekomst een andere sport mocht gaan beoefenen;\n\nf. bepaling dat als peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zal gelden 16 februari 2024;\n\ng. bepaling dat als peildatum voor de waardering van de (bestanddelen van de) ontbonden huwelijksgoederengemeenschap de datum van verdeling (uitspraak) zal gelden;\n\nh. benoeming van [makelaarskantoor] te Leiden als deskundige die de waarde van de onroerende zaak staande en gelegen aan het adres [adres] te [plaats 2] zal taxeren, alsmede bepaling dat de deskundige bij de vaststelling van de waarde rekening houdt met de terugkoopregeling en inzichtelijk maakt op welke wijze de terugkoopregeling is verdisconteerd in de waarde;\n\ni. bepaling dat de kosten van de sub h bedoelde deskundige op basis van 50%-50% door ieder der partijen als eigen schuld zullen worden gedragen;\n\nj. bepaling dat de in sub h bedoelde woning tegen de in sub h bedoelde waarde bindend tussen partijen in de verdeling wordt betrokken, als ook bepaling dat die woning tegen die waarde aan de man wordt toebedeeld, een en ander op voorwaarde dat de vrouw door de hypotheekhouder wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire verplichtingen;\n\nk. veroordeling van de vrouw om binnen drie maanden vanaf de datum van de te dezen af te geven beschikking haar volledige medewerking te verlenen en alle noodzakelijke feitelijke en\u002Fof rechtshandelingen te verrichten ten behoeve van de goederenrechtelijke overdracht van haar onverdeelde aandeel in de in sub h bedoelde woning aan de man, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of dagdeel de vrouw in gebreke blijft aan een daartoe veroordelende beschikking uitvoering te geven.\n\nl. bepaling dat de man – onder de voorwaarde dat hij de financiering daarvoor kan krijgen en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire verplichtingen uit de hypothecaire geldleningen bij Aegon Hypotheken BV met nummer [nummer 1] zal kunnen ontslaan – op zich zal nemen en als eigen schuld zal voldoen gerekend vanaf de datum waarop het onverdeelde aandeel van de man de in sub h bedoelde onroerende zaak goederenrechtelijk aan hem zal zijn overgedragen;\n\nm. bepaling dat indien de vrouw als gevolg van de in sub j jo sub l bedoelde verdeling wordt onderbedeeld, de man haar een onderbedelingsvergoeding dient te betalen van 50% van de onderwaarde;\n\nn. bepaling dat indien de vrouw als gevolg van de in sub j jo sub l bedoelde verdeling wordt overbedeeld, zij aan de man een onderbedelingsvergoeding dient te betalen van 50% van de onderwaarde;\n\no. bepaling dat alle notariële, kadastrale en andere kosten die verband houden met de goederenrechtelijke overdracht van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de in sub h bedoelde onroerende zaak aan de man, door ieder van partijen bij gelijke helften (50%-50%) wordt gedragen;\n\np. bepaling dat de rechten en plichten uit de Dela Natura en Levensverzekeringen NV met polisnummer [nummer 2] aan de man worden toebedeeld;\n\nq. bepaling dat:\n\n - de en\u002Fof betaalrekening bij KNAB met nummer [rekeningnummer 1] ;\n\n - de betaalrekening ten name van de man bij ING Bank met nummer [rekeningnummer 2] ;\n\naan de man worden toebedeeld, als ook bepaling dat de vrouw ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de man aan haar van de helft van de creditsaldi zoals die luiden per 16 februari 2024, althans dat de man ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de vrouw aan hem van de helft van de debetsaldi zoals die luiden per 16 februari 2024;\n\nr. bepaling dat de betaalrekening ten name van de vrouw bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] aan de vrouw wordt toebedeeld, als ook bepaling dat de man ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de vrouw aan hem van de helft van het creditsaldo zoals dat luidt per 16 februari 2024, althans dat de man de helft van het debetsaldo zoals dat luidt per 16 februari 2024 aan de vrouw dient te vergoeden;\n\ns. veroordeling van de vrouw om binnen twee dagen na betekening van de te dezen af te geven beschikking deugdelijk en inzichtelijk dagafschriften aan verzoeker te verstrekken waaruit het saldo van de naar de rechtbank begrijpt in sub r bedoelde bankrekening per 16 februari 2024 blijkt, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat de vrouw aan een daartoe veroordelende beschikking geen uitvoering geeft, zulks met een maximum van € 5.000,-.\n\nt. bepaling dat de cryptoportefeuille bij Bitvavo aan de vrouw wordt toebedeeld, als ook bepaling dat de man ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de vrouw aan hem van de helft van de waarde van deze portefeuille zoals dat per de peildatum luidt;\n\nu. veroordeling van de vrouw om binnen twee dagen na betekening van de te dezen af te geven beschikking een deugdelijk en inzichtelijk afschrift aan de man te verstrekken waaruit de waarde van de naar de rechtbank in sub t bedoelde cryptoportefeuille per de peildatum blijkt, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat de vrouw aan een daartoe veroordelende beschikking geen uitvoering geeft, zulks met een maximum van € 5000,-;\n\nv. bepaling dat de auto van het merk Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] zonder nadere verrekening van de waarde aan de vrouw wordt toebedeeld;\n\nw. bepaling dat de rechten en plichten uit de leaseovereenkomst betreffende de in sub v bedoelde auto aan de vrouw worden toebedeeld;\n\nx. veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van € 391,42 per maand en met ingang van 16 februari 2024 tot aan de datum van de goederenrechtelijke overdracht van de woning aan het adres [adres] te [plaats 2] aan hem, althans aan een derde, een en ander ten titel van haar 50% aandeel in de hypotheekrente en aflossing ter zake van de hypothecaire geldlening bij Aegon Hypotheken BV met nummer [nummer 1] ;\n\nz. bepaling:\n\nprimair:\n\n dat de man en de vrouw ieder 50% van de restantschuld aan mevrouw [naam 2] voor zijn\u002Fhaar rekening zal nemen en ieder het 50% deel als eigen schuld aan mevrouw [naam 2] zal voldoen met vrijwaring van de ander daarvoor;\n\nsubsidiair:\n\n bepaling dat, voor zover de man meer dan de helft van de restantschuld aan mevrouw [naam 2] zal hebben voldaan, de vrouw tot betaling van dat meerdere aan de man, naar de rechtbank begrijpt gehouden is.\n\n- vaststelling van een gebruiksvergoeding overeenkomstig het gestelde in naar de rechtbank begrijpt onderdeel 79 van het verweerschrift op zelfstandig verzoek, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen gebruiksvergoeding, alsook bepaling dat de vrouw die gebruiksvergoeding aan de man dient te voldoen met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk tot aan de datum van goederenrechtelijke overdracht van de woning aan de man, althans aan de vrouw, althans aan de nieuwe eigenaar\u002Feigenaren;\n\n- aanhechting van het ouderschapsplan aan de af te geven beschikking, met de bepaling dat de inhoud daarvan integraal deel uitmaakt van de af te geven beschikking;\n\n- bepaling dat de vrouw wordt veroordeeld om aan de man een bedrag van € 6.187,94 (zijnde 50% van € 12.375,88) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nVoorafgaand aan de zitting heeft de man zijn verzoek sub c. om het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen ingetrokken.\n\nOp de zitting heeft de man ingetrokken zijn verzoek sub b. om aan hem het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toe te kennen, zijn verzoek sub e. om vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen kinderalimentatie, en zijn verzoek sub y. tot veroordeling van de vrouw tot betaling van haar aandeel in de maandpremies van de Dela Natura en Levensverzekeringen NV.\n\nDe vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBovendien heeft de vrouw, na wijziging, zelfstandig verzocht om:\n\n1. de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:\n\n2. vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n3. vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen:\n\n- in de oneven weken op donderdagmiddag uit school tot en met donderdagavond 19.00 uur en vrijdagmiddag uit school tot en met vrijdagavond 19.00 uur bij de man verblijven en in de naar de rechtbank begrijpt even weken op donderdagmiddag uit school tot en met donderdagavond 19.00 uur en vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond 19.00 uur;\n\n- een deel van de vakantie- en feestdagen bij de man verblijven, waarvan maximaal twee aaneen in de zomervakantie;\n\n- de man de kinderen uit school ophaalt en hen naar de vrouw terugbrengt. Als er geen schooldag is (vakantie- en feestdagen) zal de vrouw de kinderen naar de man brengen en de man de kinderen terugbrengen naar de vrouw;\n\n4. vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 503,- per maand of wel 168,- per maand per kind, met ingang van de datum van de beschikking;\n\n6. vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap conform het voorstel van de vrouw:\n\n a. ten aanzien van de echtelijke koopwoning het zogenaamde spoorboekje hanteren:\n\ni. de vrouw stelt binnen een week na de zitting drie makelaars voor aan de man. De man zal uit die drie een makelaar kiezen die de woning zal gaan taxeren;\n\nii. partijen zullen gezamenlijk aan de gekozen makelaar, uiterlijk drie weken na de zittingsdatum, de opdracht verstrekken om de woning te laten taxeren, waarbij alle omstandigheden, waaronder eventuele bouwplannen in de omgeving van de echtelijke woning, die volgens de taxateur van belang zijn voor de waardering van de woning, worden meegenomen. Bij het bepalen van de waarde wordt rekening gehouden met de subsidie-\u002Fterugkoopregeling als ook hoe dat is verantwoord in de taxatie. Deze taxatie van de makelaar is bindend tussen partijen;\n\niii. de vrouw dient binnen vier maanden na ontbinding van het huwelijk aan te tonen dat zij in staat is de toebedeling van de echtelijke woning tegen de getaxeerde waarde aan haar te financieren door overname van de hypothecaire geldlening en de verpande polis bij Dela en hiervoor de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Indien de vrouw daarin slaagt, zal de vrouw de woning aan haar toebedeeld krijgen, waarbij zij de helft van de overwaarde van de echtelijke woning (de overwaarde is: de taxatiewaarde plus de waarde polis levensverzekering minus de hypothecaire geldlening) aan de man moet voldoen;\n\niv. de kosten in verband met de taxatie en toedeling van de echtelijke woning aan de vrouw dienen door partijen bij helfte te worden gedragen;\n\nv. slaagt de vrouw er niet in om de toebedeling van de woning aan haar te financieren, dan kan de man desgewenst de woning, onder diezelfde voorwaarden, overnemen dan wel zal die, zo de man dat niet kan of niet wil, door partijen te koop worden aangeboden via de makelaar die voormelde taxatie heeft verricht. De aanwijzingen van deze makelaar zullen voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning. Alle verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, zullen eerst van de opbrengst worden voldaan. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende overwaarde.\n\nb. de kosten van de levering als ook de notariële akte met betrekking tot de woning wordt bij helfte wordt gedragen tussen partijen;\n\nc. de man moet met ingang van 16 februari 2024 voor de helft bijdragen in de aflossingen van de hypotheek bij Aegon ( [nummer 1] ). Die worden later nader berekend.\n\ne. de en\u002Fof rekening bij Knab bank [rekeningnummer 1] (en bijbehorend saldo) wordt aan de man toegedeeld onder verrekening van de saldi op de peildatum en hij dient de helft van dat bedrag aan de vrouw te betalen (credit), dan wel de vrouw dient aan hem de helft te betalen (debet);\n\nf. de rekening van de man bij ING Bank [rekeningnummer 2] (en bijbehorend saldo) wordt aan de man toegedeeld onder verrekening van het saldo op de peildatum en hij dient de helft van dat bedrag aan de vrouw te betalen (credit), dan wel de vrouw dient aan hem de helft te betalen (debet);\n\ng. de man dient een jaaroverzicht 2023 van de\u002Fzijn ING rekening aan de vrouw te verstrekken;\n\nh. de ABN AMRO rekening [rekeningnummer 3] (en bijbehorend saldo) wordt aan de vrouw toegedeeld onder verrekening van het saldo op de peildatum en zij dient de helft van dat bedrag aan de man te betalen (credit), dan wel de man dient aan haar de helft van dat bedrag te betalen (debet);\n\ni. de account en het saldo bij broker Bitvavo op de peildatum wordt aan de vrouw toegedeeld en met veroordeling van de vrouw om de helft van het saldo op 16 februari 2024 aan de man over te maken;\n\nj. de rechten en de plichten uit de leaseovereenkomst met betrekking tot de auto van de zaak worden aan de vrouw toegedeeld;\n\nk. voor recht te verklaren dat de huisraad en inboedel reeds is verdeeld;\n\n7. het meer of anders verzochte af te wijzen;\n\nmet uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw heeft op de zitting ingetrokken haar verzoek sub 5. om vaststelling van een door de man aan haar te betalen partneralimentatie en ook haar verzoek sub 6.d. om te bepalen dat de man moet voor de helft bijdragen in de kosten van de verzekering bij Dela Natura en Levensverzekeringen NV.\n\nDe man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntvankelijkheid\n\nDe rechtbank constateert dat geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is overgelegd. Op grond van artikel 815 tweede lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken is geformuleerd, heeft de rechtbank de bevoegdheid beide partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan niet kan worden overgelegd (artikel 815 zesde lid Rv).\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is uit de overgelegde stukken en wat is besproken op de zitting voldoende gebleken dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Daarom zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding kunnen daarom als op de wet gegrond worden toegewezen.\n\nAanhechten ouderschapsplan\n\nHet verzoek van de man om het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten, zal de rechtbank afwijzen omdat er geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is overgelegd.\n\nHoofdverblijf\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet.\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nReguliere zorgregeling\n\nOp de zitting is gebleken dat de ouders het gedeeltelijk met elkaar eens zijn over de invulling van de reguliere zorgregeling. Deze gedeeltelijke overeenstemming houdt in dat de kinderen bij de man zullen zijn de ene week van donderdag uit school tot vrijdagavond 19.00 uur en de andere week van donderdag uit school tot zondagavond 19.30 uur. Tussen partijen is in geschil gebleven of de kinderen al op woensdag na het eten naar de man kunnen gaan en bij hem blijven overnachten zoals de man wenst of dat op dit punt de regeling zoals die nu loopt gehandhaafd blijft, waar de vrouw voorstander van is.\n\nDe man stelt dat er geen redenen zijn waarom de kinderen niet al op woensdag naar hem toe kunnen komen, zij overnachten op andere momenten ook bij hem en bovendien hebben de kinderen zelf aangegeven een 50-50 regeling te willen.\n\nDe vrouw heeft aangevoerd dat zij, op de extra overnachting van donderdag op vrijdag na, zoveel mogelijk de huidige regeling wil handhaven omdat er nu rust en duidelijkheid is voor de kinderen en het goed met hen gaat. Daarbij speelt voor de vrouw ook mee dat de communicatie tussen haar en de man niet prettig verloopt en de kinderen als zij dat willen vaker van haar naar de man mogen gaan, maar zij dat in de praktijk niet doen. [minderjarige 1] heeft inderdaad aangegeven een 50-50 regeling te willen en deze wens is begrijpelijk in het kader van de loyaliteit die [minderjarige 1] voelt richting haar beide ouders, aldus de vrouw.\n\nDe rechtbank ziet geen redenen om de zorgregeling niet verder uit te breiden met de woensdag. Daarbij komt dat [minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij graag een 50-50 regeling wil. De bezwaren die de vrouw heeft geuit maken het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank zal daarom bepalen dat de kinderen bij de man zullen zijn de ene week van woensdagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de vrouw) tot vrijdagavondavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de man) en de andere week van woensdagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de vrouw) tot zondagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de man). Het meer of anders verzochte ten aanzien van de reguliere zorgregeling zal de rechtbank afwijzen.\n\nVakanties en feestdagen\n\nZomervakantie\n\nOp de zitting hebben de ouders overeenstemming bereikt over de zomervakantie. Deze overeenstemming houdt in dat de kinderen het ene jaar de eerste drie aaneengesloten weken bij de man zullen zijn en laatste drie aaneengesloten weken bij de vrouw en dit het andere jaar andersom zal zijn. De rechtbank zal aldus beslissen.\n\nKerstvakantie\n\nHet verzoek van de man ten aanzien van de Kerstvakantie  in de even jaren zijn de kinderen gedurende de eerste week bij de man en gedurende de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren is dit andersom  zal de rechtbank als niet weersproken toewijzen, nu zij deze regeling in het belang van de kinderen vindt. Over de feestdagen in deze vakantie wordt hieronder beslist.\n\nOverige vakanties en feestdagen\n\nDe man verzoekt om te bepalen dat de kinderen tijdens de overige vakanties en feestdagen bij de ouder verblijven waar zij volgens de reguliere zorgregeling zijn, waarbij de man uitging van een week op week af regeling. De vrouw verzoekt om te bepalen dat de kinderen een deel van de vakanties en feestdagen bij de man zijn. Op de zitting heeft de vrouw te kennen gegeven dat zij de overige vakanties ook om het jaar zou willen verdelen.\n\n- Herfst- en voorjaarsvakantie\n\nGelet op het bovenstaande zal de rechtbank ten aanzien van de herfst- en voorjaarsvakantie bepalen dat de kinderen in de even jaren in de voorjaarsvakantie bij de man zullen zijn en in de herfstvakantie bij de vrouw en in dat dit in de oneven jaren andersom zal zijn.\n\n- Meivakantie\n\nTen aanzien van de meivakantie zal de rechtbank bepalen dat de kinderen in de even jaren gedurende de eerste week bij de man zullen zijn en gedurende de tweede week bij de vrouw, met dien verstande dat dit in de oneven jaren andersom zal zijn.\n\n- Kerstdagen en Oud en Nieuw\n\nOp de zitting is gebleken dat de ouders de afgelopen twee jaren tijdens de Kerstdagen en Oud en Nieuw in overleg aan een regeling uitvoering hebben gegeven waarbij de kinderen het ene jaar Kerstavond en eerste Kerstdag bij de ene ouder verblijven en tweede Kerstdag en Oud en Nieuw bij de andere ouder en het andere jaar andersom. De rechtbank zal aldus beslissen nu zij deze regeling in het belang van de kinderen vindt.\n\n- Overige feestdagen\n\nTen aanzien van de overige feestdagen zal de rechtbank bepalen dat de kinderen bij de ouder verblijven waar zij volgens de reguliere zorgregeling zijn, zoals de man heeft verzocht en waar de vrouw geen verweer tegen heeft gevoerd.\n\nSport\n\nTen aanzien van de sportactiviteiten van de kinderen zal de rechtbank bepalen dat de ouder bij wie de kinderen volgens de reguliere zorgregeling verblijven er zorg voor zal dragen dat de kinderen daaraan kunnen deelnemen.\n\nKinderalimentatie\n\nBij de vaststelling van de alimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.\n\nBehoefte\n\nDe rechtbank zal voor de behoefte van de kinderen uitgaan van de behoefte zoals is berekend in de voorlopige voorzieningenprocedure, te weten € 1.448,- per maand in 2023. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van deze berekening aangezien partijen in de onderhavige procedure geen andere inkomensgegevens hebben overgelegd. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 1.638,- per maand, of wel € 546,- per maand per kind.\n\nDe rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.\n\nDraagkracht vrouw\n\nDe rechtbank zal de (meest recente) draagkrachtberekening van de man als uitgangspunt nemen, nu de vrouw deze berekening, behoudens de inhoudingen die daar nog niet in zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank zal daarom uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 39.398,- (inclusief 8% vakantietoeslag).\n\nHet kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 50,88 per maand, zoals volgt uit de na de zitting door de vrouw overgelegde pro forma salarisstrook.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 3.719 per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.\n\nOmdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [3.719 – (1.116 + 1.310)] = € 905,- per maand.\n\nDraagkracht man\n\nDe rechtbank zal de (meest recente) draagkrachtberekening van de man als uitgangspunt nemen, nu de vrouw deze berekening, behoudens de opgevoerde advocaatkosten, niet betwist en met dien verstande dat als bruto jaarinkomen een bedrag van € 44.587,- in aanmerking genomen moet worden, zoals volgt uit de door de man overgelegde pro forma loonstrook en ook namens de man op de zitting is bevestigd.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 3.005,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.\n\nDe man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening gehouden moet worden met een aflossing op een schuld van € 200,- per maand. Deze schuld ziet op de advocaatkosten van de man. Het gaat volgens de man om een niet vermijdbare en niet verwijtbare schuld die daarom aangemerkt dient te worden als noodzakelijke last die voorrang heeft boven de onderhoudsverplichting. De vrouw betwist dat rekening gehouden moet worden met de advocaatkosten van de man. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het om vermijdbare kosten gaat en ook dat er voldoende liquide middelen zijn om deze te betalen.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Anders dan de vrouw die met een toevoeging procedeert maakt de man advocaatkosten. Deze kosten en de afbetalingsregeling zijn door de man onderbouwd en er is niet gebleken dat de man over spaargeld beschikt. De rechtbank acht de schuld bij de advocaat onvermijdbaar en niet verwijtbaar en zal daarom rekening houden met deze maandelijkse aflossing.\n\nOmdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. Rekening houdend met een correctie van € 200,- per maand, berekent de rechtbank de draagkracht van de man dan op: 70% x [3.005 – (902 + 1.310 + 200)] = € 415,- per maand.\n\nGezamenlijke draagkracht - tekort\n\nDe draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.320,- per maand (€ 905,- + € 415,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien.\n\nDe rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 318,- per maand.\n\nZorgkorting\n\nDe man maakt aanspraak op zorgkorting. Omdat de man gezien de te bepalen zorgregeling gemiddeld drie dagen per week de zorg zal hebben voor de kinderen, geldt een percentage van 35. De zorgkorting bedraagt dan € 573,- per maand ((35% van € 1.638,-).\n\nOmdat sprake is van een tekort van € 318,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 414,- per maand\n\n(€ 573,- -\u002F- € 159,-),\n\nHet aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan nihil (€ 415,- -\u002F- € 414,-.)\n\nConclusie\n\nGelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om vaststelling van een door de man te betalen kinderalimentatie afwijzen.\n\nVerdeling\n\nPartijen zijn gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1] . Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen partnerschaps- of huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (tekst tot 1 januari 2018) worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Uitgangspunt bij verdeling van deze gemeenschap is een verdeling tussen partijen bij helfte.\n\nPeildatum\n\nAnders dan op zitting besproken is de peildatum voor de bepaling van de omvang van de gemeenschap 16 februari 2024, dit is de datum van indiening van het verzoekschrift. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt de datum waarop de verdeling feitelijk wordt uitgevoerd, tenzij partijen anders overeenkomen of op basis van redelijkheid en billijkheid daarvan dient te worden afgeweken. Dit laatste is niet gesteld of gebleken.\n\nSamenstelling gemeenschap\n\nDoor partijen zijn de volgende vermogensbestanddelen genoemd die mogelijk in de verdeling betrokken dienen te worden:\n\nde echtelijke woning [adres] te [plaats 2] met de daarop rustende hypothecaire geldlening bij Aegon Hypotheken BV met nummer [nummer 1] en de daaraan gekoppelde polis van Levensverzekering bij Dela Natura Levensverzekering met polisnummer [nummer 2] ;\n\nde gezamenlijke en\u002Fof betaalrekening bij KNAB met nummer [rekeningnummer 1] ;\n\nde betaalrekening ten name van de man bij ING Bank met nummer [rekeningnummer 2] ;\n\nde betaalrekening ten name van de vrouw bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] ;\n\nde cryptoportefeuille bij Bitvavo;\n\nde auto Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] en de rechten en plichten uit de leaseovereenkomst;\n\nschuld uit geldlening bij mevrouw [naam 2] ten bedrage van € 8.485,74\n\nAd 1) Echtelijke woning en hypothecaire geldlening\n\nPartijen willen allebei de echtelijke woning toegedeeld krijgen. De Rechtbank kan dat begrijpen, te meer nu de zorg gelijkwaardig is verdeeld tussen de ouders en ieder dus regelmatig met de kinderen is, terwijl de alternatieven voor de koop van de echtelijke woning in de huidige woningmarkt niet voor het oprapen liggen. De rechtbank zal toch de echtelijk woning in eerste instantie aan de man toedelen. De man heeft aangevoerd dat de vrouw de financiële middelen niet heeft om de woning over te nemen en hij heeft gewezen op het tijdelijke arbeidscontract – voor zeven maanden – en de proeftijd die de vrouw heeft. De vrouw heeft ten aanzien van de financiering van de woning daar niets tegenover gesteld. De rechtbank heeft ook ambtshalve uit het dossier opgemaakt dat de kans dat de vrouw de woning kan kopen, nihil is. Er is een contract voor 7 maanden met een proeftijd, en er is niet gebleken dat er ergens spaargeld aanwezig is. De rechtbank begrijpt dat de vrouw de woning graag wil kopen, maar haar het eerste recht toekennen zou feitelijk neerkomen op een onnodige vertraging in de afhandeling van de verkoop van de woning. Beide partijen hebben baat bij financiële duidelijkheid en financiële zekerheid op een zo kort mogelijke termijn, zodat de rechtbank die vertraging wil voorkomen. Daarom beslist de rechtbank dat de man mag gaan uitzoeken of hij de woning kan overnemen. Als het de man niet lukt om de financiering rond te krijgen, moet de woning worden verkocht aan een derde.\n\nDe rechtbank zal de wijze van verdeling vaststellen volgens het in het dictum vermelde spoorboekje en daarbij het voorstel dat de vrouw heeft gedaan (sub 6 onder a en b van haar zelfstandig verzoek) volgen, met de volgende aanpassingen:\n\nstap i. wordt aangepast in die zin dat de man binnen een week na de zitting drie makelaars voorstelt aan de vrouw. De vrouw zal uit die drie een makelaar kiezen die de woning zal gaan taxeren;\n\nstap ii. wordt aangepast in die zin dat de rechtbank nietopneemt: “Bij het bepalen van de waarde wordt rekening gehouden met de subsidie-\u002Fterugkoopregeling als ook hoe dat is verantwoord in de taxatie”.\n\nIn dit verband overweegt de rechtbank dat op de zitting is besproken dat partijen om de tafel moeten met de woningbouwvereniging in verband met de financiële afhandeling omdat er kennelijk uit de overwaarde nog een deel naar de woningbouwvereniging moet. Partijen moeten met de woningbouwvereniging afstemmen of de toedeling aan de man niet ook wordt gezien als een echte verkoop met een overwaarde;\n\nstap iii. wordt aangepast in die zin dat waar “vrouw” en “haar” staat dit aangepast wordt in “man” en “zijn” en waar “man” en “hem” staat dit wordt aangepast in “vrouw” en “haar;\n\nstap iv wordt aangepast in die zin dat waar “de vrouw” staat dit aangepast wordt in “de man”;\n\nstap v. wordt aangepast in die zin dat waar “vrouw” en “haar” staat dit aangepast wordt in “man” en “zijn en waar “man” en “hem” staat dit wordt aangepast in “vrouw” en “haar” en dat de rechtbank vervolgens in plaats van: “dan kan de vrouw desgewenst de woning, onder diezelfde voorwaarden, overnemen dan wel zal die, zo de vrouw dat niet kan of niet wil, door partijen te koop worden aangeboden” opnemen: “dan zal de woning door partijen aan een derde te koop worden aangeboden”;\n\nOp de zitting is naar voren gekomen dat niet duidelijk is of de polis van Levensverzekering bij Dela Natura Levensverzekering met polisnummer [nummer 2] nog bestaat. De polis zal daarom onder die voorwaarde aan de man worden toegedeeld.\n\nAd 2) tot en met 4) bankrekeningen\n\nPartijen zijn het erover eens dat:\n\n- de gezamenlijke bankrekening bij KNAB met nummer [rekeningnummer 1] moet worden opgeheven voor zover dat nog niet is gedaan waarbij het saldo tussen partijen bij helfte zal worden gedeeld dan wel het tekort door partijen ieder voor de helft zal worden aangezuiverd;\n\nde op naam van de man staande bankrekening bij ING Bank met nummer [rekeningnummer 2] aan de man zal worden toegedeeld onder de verplichting voor de man om de helft van het saldo op de peildatum aan de vrouw te betalen, dan wel bij een negatief saldo onder de verplichting voor de vrouw om de helft van het tekort per de peildatum aan de man te betalen;\n\nde op naam van de vrouw staande bankrekening bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] aan de vrouw zal worden toegedeeld onder de verplichting voor de vrouw om de helft van het saldo op de peildatum aan de man te betalen, dan wel bij een negatief saldo onder de verplichting voor de man om de helft van het tekort per de peildatum aan de vrouw te betalen.\n\nDe rechtbank ziet verder aanleiding om de vrouw een dwangsom op te leggen voor wat betreft het verstrekken aan de man van een bankafschrift waaruit het saldo van haar bankrekening per 16 februari 2024 blijkt, zoals door de man is verzocht. De rechtbank overweegt hiertoe dat gebleken is dat de vrouw dit nu al heel lang laat liggen. Wel zal de rechtbank de dwangsom pas veertien dagen na de datum van deze beschikking in laten gaan en deze matigen naar € 25,- per dag dat de vrouw hier geen uitvoering aan geeft, met een maximum van € 500,-.\n\nAd 5) de cryptoportefeuille bij Bitvavo;\n\nPartijen zijn het erover eens dat de cryptoportefeuille bij Bitvavo aan de vrouw wordt toegedeeld voor de waarde per 1 januari 2024, zijnde € 169,37, onder de verplichting voor de vrouw om de helft van die waarde, zijnde een bedrag van € 84,69 aan de man te betalen.\n\nAd 6) auto\n\nOp de zitting is gebleken dat de vrouw de leaseauto ingeleverd heeft omdat zij inmiddels een andere baan heeft. Partijen zijn het erover eens dat alle uit de leaseovereenkomst voortkomende opbrengsten aan de vrouw worden toegedeeld onder de verplichting voor de vrouw alle uit de leaseovereenkomst voortkomende verplichtingen voor haar rekening te nemen.\n\nAd 7) schuld aan mevrouw [naam 2]\n\nDe man stelt dat partijen op 23 december 2017 een rentevrije geldlening hebben afgesloten ten bedrage van € 8.485,74 bij zijn moeder en dat hierop nog niet is afgelost. De man onderbouwt dit met een kopie van de overeenkomst, waarbij hij ter zitting een volgens hem origineel document heeft laten zien. De man onderbouwt met een aanvullende schriftelijke verklaring van zijn moeder dat de schuld nog volledig open staat.\n\nVolgens de vrouw is er een schuld maar gaat het om een lager bedrag, was deze aan de moeder en de vader van de man en is er op afgelost. De vrouw betwist de authenticiteit van de overgelegde overeenkomst en de geldigheid van de verklaring van de moeder van de man.\n\nDe rechtbank overweegt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.\n\nIn de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.\n\nDe man en de vrouw hebben uiteenlopende opvattingen over het bestaan van de gestelde schuld. Voorop staat dat de beoordeling van de vraag of een derde een vordering heeft op de gemeenschap niet past in deze procedure die (mede) strekt tot verdeling in het kader van de echtscheiding. Het is aan de beweerde schuldeiser om (één van) de echtgenoten tot betaling aan te spreken, waarna het aan de aangesproken partij(en) is om de vordering te erkennen of betwisten en daarover zo nodig te procederen. Voor wat betreft de bijdrageplicht in hun onderlinge verhouding gelden de wettelijke uitgangspunten van artikel 1:100 en artikel 6:10 en volgende BW.\n\nInboedel – verklaring voor recht\n\nDe vrouw heeft verzocht om voor recht te verklaren dat de inboedel en huisraad al zijn verdeeld. Op de zitting is gebleken dat de inboedel en huisraad nog niet is verdeeld. De rechtbank zal daarom dit verzoek afwijzen.\n\nGebruiksvergoeding\n\nDe man heeft een gebruiksvergoeding voor de woning ten laste van de vrouw verzocht per de datum van ontbinding van het huwelijk van 1,96% per maand van de helft van de nog vast te stellen overwaarde van de woning conform de zogenoemde “Hof-formule”. De vrouw heeft op de zitting met dit verzoek van de man ingestemd, zodat dit verzoek als niet weersproken kan worden toegewezen.\n\nVordering man ter zake van hypotheekrente echtelijke woning\n\nDe man stelt dat hij de rente en aflossing voor de hypotheek betaalt en dat hij dat zal blijven doen tot de overdracht van de woning aan hem en dat hij daarom over de periode 16 februari 2024 tot aan de dag van de goederenrechtelijke overdracht van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning aan hem, een vordering op haar van heeft van (€ 782,83 \u002F 2 =) € 391,42 per maand. De man onderbouwt zijn stelling met productie 23 waarin de in 2023 betaalde rente en aflossingen staan vermeld ((betaalde rente in 2023 € 5.347,46 + betaalde aflossingen in 2023 € 4.046,54). De vrouw heeft niet betwist dat zij de helft van de hypotheeklasten dient te dragen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man toewijzen en bepalen dat de vrouw over de periode 16 februari 2024 tot en met 16 november 2025 een bedrag van € 8.219,82 (= 21x 391,42) aan de man moet betalen en met ingang van 16 november 2025 maandelijks een bedrag van € 391,42 aan de man moet betalen tot aan de dag van de overdracht van de woning.\n\nRegresvorderingen man\n\nDe man stelt dat hij na de peildatum de volgende gemeenschappelijke schulden heeft voldaan:\n\nCrediteur\n\nBedrag voldaan\n\nDatum van betaling\n\nAard van de schuld\n\n1.\n\n2Divorce\u002FZorgeloosch BV\n\n€ 1.100,-\n\n26-02-2024 en 27-03-2024\n\nScheidingsbemiddeling ouderschapsplan en griffiekosten\n\n2.\n\nBelastingdienst\n\n€ 979,-\n\n07-11-2024\n\nInkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekering 2024\n\n3.\n\nBelastingsamenwerking Gouwe-Rijnland\n\n€ 2.078,-\n\nDiv. 2024-2025\n\nGemeentelijke belastingen en waterschapsbelastingen\n\n4.\n\nGGN Mastering Credit BV\n\n€ 304,97\n\n30-05-2024\n\nVattenfall incasso nutsvoorzieningen\n\n5.\n\nLAVG Gerechtsdeurwaarders BV\n\n€ 1.590,23\n\n10-05-2024\n\nZorg en Zekerheid premieachterstanden\n\n6.\n\n [crediteur]\n\n€ 995,54\n\n05-09-2025\n\nStichting Floreokids vordering\n\n7.\n\nZorg en Zekerheid UA\n\n€ 502,86\n\n10-05-2024\n\nZorgverzekeringpremies en eigen risico\n\n8.\n\nAEGON Nederland NV\n\n€ 4.824,55\n\n12-03-2024 tot en met 03-06-2024\n\nHypotheekrente en aflossing\n\nAd 1) mediation\n\nDe man stelt dat er sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 1.100,- die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen.\n\nDe vrouw stelt dat man de kosten voor het mediationtraject voor zijn rekening heeft genomen en dat dit blijkt uit een Whatsapp bericht van de man aan haar. De rechtbank stelt vast dat de vrouw het Whatsapp bericht niet heeft overgelegd. Nu de man zijn verzoek met facturen heeft onderbouwd en het gangbaar is dat de kosten worden gedeeld, had het op de weg van de vrouw gelegen om te onderbouwen dat de man de volledige rekening zou betalen. Dat heeft zij niet gedaan. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 550,- aan de man moet betalen.\n\nAd 2) Inkomstenbelasting 2024\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 979,- die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw betwist dat sprake is van een gezamenlijke schuld omdat de betaling ziet op het hele jaar 2024. De rechtbank overweegt dat uit productie 27 van de man blijkt dat het inderdaad om het jaar\u002Ftijdvak 2024 gaat. Omdat de peildatum 16 februari 2024 is, komt een bedrag van € 112,96 (6\u002F52e gedeelte van € 979,-) voor rekening van partijen samen. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 56,48 aan de man moet betalen.\n\nAd 3) Gemeentelijke- en waterschapsbelastingen\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 2.078,73 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw heeft ingestemd met dit verzoek van de man. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 1.039,37 aan de man moet betalen.\n\nAd 4) Vattenfall\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 304,97 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw heeft ingestemd met dit verzoek van de man. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 152,49 aan de man moet betalen.\n\nAd 5) Zorg en Zekerheid premie achterstanden\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 1.590,23 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit in de onderlinge verhouding te verdelen. Volgens de vrouw gaat het om een privéschuld van de man en zijn de kosten hoger geworden omdat de man de premies te laat heeft betaald, wat ook voor zijn rekening dient te komen.\n\nDe rechtbank overweegt dat de man deze schuld, de incassokosten en het tijdvak heeft onderbouwd in productie 30. Deze kosten kunnen om die reden worden aangemerkt als schuld van de gemeenschap. Voor zover de vrouw bedoelt te stellen dat de schuld verknocht is aan de man, had het op haar weg gelegen om dat te onderbouwen en dat heeft zij niet gedaan. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 795,12 aan de man moet betalen.\n\nAd 6) Floreokids\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 995,54 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw heeft ingestemd met dit verzoek van de man. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 497,77 aan de man moet betalen.\n\nAd 7) Zorgverzekeringpremies en eigen risico\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 502,86 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. Volgens de vrouw gaat het om een schuld van de man van na de peildatum en gaat het hier dus niet om een schuld van de huwelijksgemeenschap. De rechtbank overweegt dat uit de producties 30 en 31 blijkt dat het door de man opgevoerde bedrag uit twee delen bestaat. Het eerste deel bedraagt € 133,86 en dat gaat over drie declaraties van Zorg en Zekerheid. Nergens blijkt uit van wanneer die declaraties zijn. In het kader van de betwisting door de vrouw had het op de weg van de man gelegen om te onderbouwen dat de declaraties betrekking hebben op de periode vóór de peildatum en dat heeft hij niet gedaan. Het tweede deel bedraagt € 369,- en gaat over premies die op 1 april 2024 hadden moeten worden betaald en is van na de peildatum. Er is dus geen sprake van een vordering van de man op de vrouw. De rechtbank wijst het verzoek van de man op dit punt daarom af.\n\nAd 8) Hypotheekrente en aflossing\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 4.824,55  het gaat om hypotheekrente en aflossing in de periode 12 maart 2024 tot en met 3 juni 2024 dan wel 9 september 2024  die hij heeft betaald. De man verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw verweert zich hier tegen. De rechtbank verwijst naar hetgeen hierboven is bepaald ten aanzien van het verzoek van de man onder het kopje “Vordering man ter zake van hypotheekrente echtelijke woning”. Nu de vrouw met ingang van de peildatum moet meebetalen aan de betalingen van de rente en aflossing betreffende de hypotheek, zal de rechtbank het verzoek om de hier vermelde schuld in de onderlinge verhouding te verdelen, afwijzen. Immers zou de vrouw anders in 2024 een aantal maanden dubbele lasten betalen.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de man een regresrecht heeft op de vrouw ten bedrage van in totaal € 3.091,23.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarige kinderen:\n\n [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ;\n\n [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats] ;\n\n [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats] ;\n\nde hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarige kinderen bij de man zullen zijn:\n\nde ene week van woensdagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de vrouw) tot vrijdagavondavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de man);\n\nde andere week van woensdagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de vrouw) tot zondagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de man);\n\nen dat de volgende regeling voor de vakanties en feestdagen zal gelden:\n\nzomervakantie\n\n- de kinderen zullen het ene jaar de eerste drie aaneengesloten weken bij de man zijn en de laatste drie aaneengesloten weken bij de vrouw en het andere jaar zal dit andersom zijn;Kerstvakantie\n\n- de kinderen zullen in de even jaren gedurende de eerste week bij de man zijn en gedurende de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;herfst- en voorjaarsvakantie\n\n- de kinderen zullen in de even jaren in de voorjaarsvakantie bij de man zijn en in de herfstvakantie bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;meivakantie\n\n- de kinderen zullen in de even jaren gedurende de eerste week bij de man zijn en gedurende de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;Kerstdagen en Oud en Nieuw\n\n- de kinderen zullen het ene jaar Kerstavond en eerste Kerstdag bij de ene ouder verblijven en tweede Kerstdag en Oud en Nieuw bij de andere ouder en het andere jaar andersom;\n\noverige feestdagen\n\n- de kinderen zullen bij de ouder verblijven waar zij volgens de reguliere zorgregeling zijn;\n\nen bepaalt ten aanzien van de sportactiviteiten van de kinderen dat ouder bij wie de kinderen volgens de reguliere zorgregeling verblijven er zorg voor zal dragen dat de kinderen daaraan kunnen deelnemen;\n\n*\n\nstelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:\n\nmet betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] te [plaats 2] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij Aegon Hypotheken BV met nummer [nummer 1] en de daaraan nog gekoppelde polis van Levensverzekering bij Dela Natura Levensverzekering met polisnummer [nummer 2] voor zover deze polis nog bestaat:\n\na. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:\n\ni. de man stelt binnen een week na de zitting drie makelaars voor aan de vrouw. De vrouw zal uit die drie een makelaar kiezen die de woning zal gaan taxeren;\n\nii. partijen zullen gezamenlijk aan de gekozen makelaar, uiterlijk drie weken na de zittingsdatum, de opdracht verstrekken om de woning te laten taxeren, waarbij alle omstandigheden, waaronder eventuele bouwplannen in de omgeving van de echtelijke woning, die volgens de taxateur van belang zijn voor de waardering van de woning, worden meegenomen. Deze taxatie van de makelaar is bindend tussen partijen; partijen zullen om de tafel gaan met de woningbouwvereniging in verband met de financiële afhandeling omdat er kennelijk uit de overwaarde nog een deel naar de woningbouwvereniging moet. Partijen zullen met de woningbouwvereniging afstemmen of de toedeling aan de man niet ook wordt gezien als een echte verkoop met een overwaarde;\n\niii. de man dient binnen vier maanden na ontbinding van het huwelijk aan te tonen dat hij in staat is de toebedeling van de echtelijke woning tegen de getaxeerde waarde aan hem te financieren door overname van de hypothecaire geldlening en de verpande polis bij Dela (voor zover deze polis nog bestaat) en hiervoor de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Indien de man daarin slaagt, zal de man de woning aan hem toebedeeld krijgen, waarbij hij de helft van de overwaarde van de echtelijke woning (de overwaarde is: de taxatiewaarde plus de waarde polis levensverzekering (voor zover deze nog bestaat) minus de hypothecaire geldlening) aan de vrouw moet voldoen;\n\niv. de kosten in verband met de taxatie en toedeling van de echtelijke woning aan de man dienen door partijen bij helfte te worden gedragen;\n\nv. slaagt de man er niet in om de toebedeling van de woning aan hem te financieren, dan zal de woning door partijen aan een derde te koop worden aangeboden via de makelaar die voormelde taxatie heeft verricht. De aanwijzingen van deze makelaar zullen voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning. Alle verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, zullen eerst van de opbrengst worden voldaan. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende overwaarde.\n\n de kosten van de levering als ook de notariële akte met betrekking tot de woning worden bij helfte gedragen tussen partijen;\n\nde gezamenlijke bankrekening bij KNAB met nummer [rekeningnummer 1] zal worden opgeheven voor zover dat nog niet is gedaan, waarbij het saldo tussen partijen bij helfte zal worden gedeeld dan wel het tekort door partijen ieder voor de helft zal worden aangezuiverd;\n\naan de man wordt toegedeeld:\n\n- de op naam van de man staande bankrekening bij ING Bank met nummer [rekeningnummer 2] onder de verplichting voor de man om de helft van het saldo op de peildatum aan de vrouw te betalen, dan wel bij een negatief saldo onder de verplichting voor de vrouw om de helft van het tekort per de peildatum aan de man te betalen;\n\naan de vrouw worden toegedeeld:\n\nde op naam van de vrouw staande bankrekening bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] onder de verplichting voor de vrouw om de helft van het saldo op de peildatum aan de man te betalen, dan wel bij een negatief saldo onder de verplichting voor de man om de helft van het tekort per de peildatum aan de vrouw te betalen;\n\nde cryptoportefeuille bij Bitvavo voor de waarde per 1 januari 2024, zijnde € 69,37 onder de verplichting voor de vrouw om de helft van die waarde, zijnde een bedrag van € 84,69 aan de man te betalen;\n\nalle uit de leaseovereenkomst betreffende de auto Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] voor de voortkomende opbrengsten, onder de verplichting voor de vrouw alle uit de leaseovereenkomst voortkomende verplichtingen voor haar rekening te nemen;\n\nbepaalt dat de vrouw binnen twee weken na de datum van deze beschikking een bankafschrift waaruit het saldo van haar bankrekening bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] per 16 februari 2024 blijkt aan de man dient te verstrekken, bij gebreke waarvan zij een dwangsom verschuldigd zal zijn van € 25,- per dag dat zij hier geen uitvoering aan geeft, met een maximum van € 500,-;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw, zolang zij in de echtelijke woning verblijft, vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk, een gebruiksvergoeding aan de man voldoet van 1,96% per maand van de helft van de nog vast te stellen overwaarde van de woning conform de zogenoemde “Hof-formule”;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw betreffende de betaling van de rente en de aflossing van de hypotheek over de periode 16 februari 2024 tot en met 16 november 2025 een bedrag van € 8.219,82 (= 21x 391,42) aan de man moet betalen en met ingang van 16 november 2025 maandelijks een bedrag van € 391,42 aan de man moet betalen tot aan de dag van de overdracht van de woning;\n\n*\n\nbepaalt dat de man een regresvordering heeft op de vrouw in totaal ten bedrage van € 3.091,23;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 november 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21478","2025-11-14T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.785Z",20]