[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-motor-vehicle-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":62,"limit":63},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},143,"motor-vehicle-tax-nl","Motor Vehicle Tax","NL","2026-07-08T16:58:35.935Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2026-04-01T00:00:00.000Z","2026-04-15T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,47,54],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1788","ECLI:NL:RBDHA:2026:9268","ecli-nl-rbdha-2026-9268","","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F7106\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen\n\n [eiser], wonende te [woonplaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd. Daarbij is tevens € 31 aan belastingrente berekend.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.\n\nEiser heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026.\n\nNamens eiser is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].\n\nOverwegingenFeiten\n\n1. Eiser heeft op 11 mei 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van een Volkswagen Tiguan Allspace 1.5 TSI Elegance (de auto) met een CO2 uitstoot van 164 gr\u002Fkm WLTP. De datum van eerste toelating is 28 september 2021.\n\n2. In de aangifte Bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [taxateur] B.V.. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 49.145 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 27.400 (gebaseerd op een de gemiddelde vraagprijs van vier referentievoertuigen onder aftrek van een marge van 25%). Met inachtneming van een waardevermindering wegens schade aan de auto (de schade is bepaald op € 23.182,39 waarvan 92,3% (€ 21.400) in aanmerking is genomen) is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 6.000. De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 21 maart 2022. Het taxatierapport is gedagtekend 9 mei 2022.\n\n3. Eiser heeft een aankoopfactuur van de auto overgelegd van 18 maart 2022, die een aankoopbedrag van € 16.364 (exclusief Btw en Bpm) toont.\n\n4. De datum van keuring door de RDW is 11 mei 2022.\n\n5. Er heeft een hertaxatie plaatsgevonden door Domein Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport van 24 mei 2022 vermeldt een historische nieuwprijs van € 48.398, een handelsinkoopwaarde van € 27.326 en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 26.786 (schade € 750, aftrek 72% (€ 540)). De overige beschadigingen zijn door DRZ aangemerkt als zijnde niet meer dan gebruikersschade of reeds hersteld.\n\n6. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 1.814 en is voldaan.\n\n7. Verweerder heeft een naheffingsaanslag van € 4.706 opgelegd.\n\nGeschil 8. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:\n\nof de DRZ deskundig is en of het rapport van de DRZ voldoet aan de eisen die het recht daaraan stelt;\n\nof verweerder een te lage waardevermindering wegens schade in aanmerking heeft genomen, waarbij tevens in geschil is of de schadeaftrek terecht op 72% is gesteld;\n\nof de historische nieuwprijs tot het juiste bedrag is vastgesteld;\n\nof meerdere fundamentele beginselen geschonden zijn;\n\nof de uitspraak op bezwaar is genomen in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (het mandaatverbod).\n\nBeoordeling van het geschil\n\nDeskundigheid hertaxateur DRZ\n\n9. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen.\n\nWaardevermindering wegens schade\n\n10. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Gelet op de door verweerder aangedragen formele- en materiële gebreken van het taxatierapport van eiser kan het taxatierapport niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Tussen de fysieke opname door de taxateur en de keuring door de RDW is meer dan een maand verstreken, zodat het taxatierapport reeds daarom niet bruikbaar is. Het taxatierapport is bovendien niet bruikbaar omdat de staat van de auto tijdens de fysieke opname en zoals weergegeven in het taxatierapport duidelijk niet overeenkomt met de staat van de auto ten tijde van de goedkeuring door de RDW. In het taxatierapport is een schadebedrag van ruim € 23.000 vermeld, welke schade DRZ niet heeft aangetroffen. Ook de aankoopprijs wijst erop dat eisers taxatie naar een waarde van € 6.000 onjuist en ondeugdelijk is.\n\n11. Nu eiser zich niet op het taxatierapport kan beroepen, heeft eiser daarmee ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. Voor de door eiser bepleite schadeaftrek van 92,3% is ook geen plaats.\n\nHistorische nieuwprijs\n\n12. Voor zover eiser een hogere historische nieuwprijs bepleit, wat moet leiden tot vermindering van de naheffingsaanslag naar € 4.199, faalt dit. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat op verweerder met betrekking tot de waardevermindering geen enkele bewijslast rust. De schouw van de auto door DRZ vindt dan ook niet plaats in het kader van enige bewijsvoering door verweerder, maar slechts ter controle van de aangifte van eiser. Verweerder is wel gehouden zijn beslissing met betrekking tot het opleggen van een naheffingsaanslag en de hoogte hiervan te motiveren. Verweerder heeft zijn beslissing met betrekking tot (de hoogte van) de naheffingsaanslag onderbouwd met de door DRZ vastgestelde feiten. Eiser lijkt er ten onrechte vanuit te gaan dat verweerder gehouden is de naheffingsaanslag vast te stellen als ware aangifte gedaan met een taxatierapport waarin de door DRZ vastgestelde feiten met betrekking tot de auto (zoals eigenschappen, omvang van de schade, historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde) zijn opgenomen. Het wettelijk systeem brengt mee dat verweerder in een geval als het onderhavige de naheffingsaanslag vaststelt met inachtneming van het afschrijvingspercentage van de afschrijvingstabel (in dit geval 25,75%). Verweerder heeft in plaats daarvan een hoger afschrijvingspercentage in acht genomen (39,34%). De naheffingsaanslag is dus eerder te laag dan te hoog vastgesteld.\n\nSwitchen naar koerslijstmethode\n\n13. Eiser neemt in zijn nader stuk subsidiair het standpunt in dat hij wil switchen naar de koerslijstmethode, wat moet leiden tot vermindering van de naheffingsaanslag naar € 4.226. Uit de tot het dossier behorende X-Ray koerslijst volgt een afschrijving van 38,66%. Verweerder heeft een hoger percentage afschrijving toegepast, zodat eiser beroep reeds daarom faalt. Anders dan eiser voorstaat, is het aanpassen van gegevens van een auto uit een koerslijst (zoals verhoging van de CO2 uitstoot) binnen de koerslijstmethode niet mogelijk.\n\nMandaatverbod\n\n14. Eiser stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert hij aan dat de kennisgeving en mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [naam 1], maar dat mag worden aangenomen dat [naam 1], als [functienaam], niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens eiser kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.\n\n15. Dit punt is eerder in meerdere procedures door de gemachtigde aangevoerd. Het is de rechtbank daarom ambtshalve bekend dat [naam 1] ondertekent maar niet de behandelaar van de kennisgeving en de naheffingsaanslag is en verweerder het werkproces standaard zo heeft ingericht dat degene die de naheffingsaanslag vaststelt niet dezelfde persoon is als degene die het bezwaar behandelt. De rechtbank ziet geen aanleiding te veronderstellen dat dat in deze zaak anders is. Er is dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat [medewerker belastingdienst 3], die de uitspraak op bezwaar heeft ondertekend, betrokken is geweest bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag. Uit de door verweerder overgelegde stukken komt naar voren dat de behandelaar van de naheffingsaanslag en degene die de kennisgeving en de mededeling heeft gemaakt en opgevoerd ‘[gebruikersnaam]’ is, oftewel mevrouw [naam 2]. Van schending van artikel 10:3, derde lid, Awb acht de rechtbank geen sprake.\n\n16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n17. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 16 juni 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 15 april 2026 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met tien maanden. In zoverre zou recht kunnen bestaan op een vergoeding van immateriële schade als sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer.\n\n18. De rechtbank wijst het verzoek van eiser af. Eiser heeft aangifte gedaan en procedeert met een ondeugdelijk taxatierapport, waarbij voor ruim € 22.000 niet door DRZ geconstateerde schade in aanmerking is genomen en in de aangifte een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 6.000 is opgenomen, terwijl de auto blijkens de inkoopfactuur voor een aanmerkelijk hoger bedrag van € 16.364 ex Btw door eiser is gekocht. Standpunten gebaseerd op dit taxatierapport beschouwt de rechtbank als tegen beter weten in ingenomen en laat de rechtbank buiten beschouwing. Het financiële belang bij de procedure op basis van de overige standpunten bedraagt minder dan € 1.000. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.\n\nProceskosten\n\n19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Vgl. ECLI:NL:HR:2025:1472.\n\n Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9268","2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:38.944Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"988","ECLI:NL:RBDHA:2026:9264","ecli-nl-rbdha-2026-9264","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F6950\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen\n\n [eiser], wonende te [woonplaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.\n\nEiser heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026.\n\nNamens eiser is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser heeft op 10 mei 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van een Jaguar F-type (de auto).\n\n2. De aangifte is gebaseerd op een taxatierapport van [de taxateur] (de taxateur). De taxateur heeft de auto op 4 mei 2022 getaxeerd naar een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 51.119 en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 6.550. In het taxatierapport is opgenomen dat de algemene indruk van de auto goed is. Tevens is een waardevermindering van € 16.898,85 opgenomen met als omschrijving “Ter halve waarde in 40% schadevoertuig (WOK) status.” Op bij het taxatierapport gevoegde foto’s is waarneembaar dat de voorzijde van de auto (rood van kleur) beschadigd is.\n\n3. Van de auto is geen aankoopfactuur overgelegd.\n\n4. In de aangifte is uitgegaan van een huidige inkoopwaarde van € 6.550. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 1.643 en is op aangifte voldaan.\n\n5. De auto is op 22 juli 2022 door de RDW goedgekeurd. De voorzijde van de auto (nu zwart van kleur) was op dat moment gerepareerd.\n\n6. De nageheven Bpm bedraagt € 11.185. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een huidige inkoopwaarde van € 51.119. Er is geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 89.\n\nGeschil\n\n7. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de taxatiemethode kan worden toegepast en, indien dat het geval is of een waardevermindering wegens schade in aanmerking dient te worden.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank kleven aan het taxatierapport van eiser zowel formele- als materiële gebreken. Tussen de taxatie door de taxateur en de keuring door de RDW zijn meer dan twee maanden verstreken, wat het taxatierapport al onbruikbaar maakt. Daarnaast zijn in het taxatierapport tegenstrijdige bevindingen opgenomen (algemene indruk en staat goed terwijl er ruim € 44.500 aan aftrek wordt geclaimd en er WOK staat vermeld) en is de auto na de taxatie overduidelijk gerepareerd zodat het taxatierapport niet de staat van de auto weergeeft ten tijde van het belastbare feit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de reële waardedaling van de auto en dus ook de vermindering van de Bpm niet kunnen worden vastgesteld op basis van het taxatierapport. De naheffingsaanslag is terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd.\n\n9. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken\n\n10. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\n11. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag in juni 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 15 april 2026 uitspraak. De redelijke termijn is dan ook met ongeveer 10 maanden overschreden. In zoverre zou recht kunnen bestaan op een vergoeding van immateriële schade als sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer. Bij een geschil over een zeer gering financieel belang (kleiner dan € 1.000) hoeft geen vergoeding van immateriële schade te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.\n\n12. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 14 juni 2024bestaat het financiële belang bij de procedure in beginsel uit het financiële voordeel dat de belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële belang bij de procedure wordt dus niet bepaald door de hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat. Het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover hij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen.\n\n13. Nu eiser heeft geprocedeerd op basis van een ondeugdelijk taxatierapport dat, naar hiervoor onder 8 is overwogen, overduidelijk niet als bewijs voor de afschrijving van de auto kan dienen, trekt de rechtbank de conclusie dat (de gemachtigde van) eiser zijn standpunten gebaseerd op dit taxatierapport tegen beter weten in heeft ingenomen. Die standpunten laat de rechtbank dan ook buiten beschouwing.Niet aannemelijk is dat er een reëel procesbelang van € 1.000 of meer speelt. Daarbij bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn minder dan twaalf maanden. Onder deze omstandigheden bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om eiser een vergoeding van immateriële schade toe te kennen. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.\n\nProceskosten\n\n14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9264","2026-07-13T00:28:57.682Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":46},"1456","ECLI:NL:RBDHA:2026:9267","ecli-nl-rbdha-2026-9267","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F8111\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V. , gevestigd te [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder\n\nen\n\nde Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag Belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.\n\nEiseres heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026.\n\nNamens eiseres is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .\n\nOverwegingenFeiten\n\n1. Eiseres heeft op 6 december 2021 aangifte Bpm gedaan ter zake van een BMW Alpina B5 (de auto). De datum van eerste toelating is 2 januari 2019. De CO2 uitstoot bedraagt 265 g\u002Fkm NEDC en 362 g\u002Fkm WLTP.\n\n2. In de aangifte Bpm is de te betalen belasting van € 12.693 berekend op basis van een taxatierapport. De taxatie van de auto heeft op 29 november 2021\n\nplaatsgevonden en het taxatierapport is op 2 december 2021 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 171.265 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 51.528. De taxateur heeft een bedrag van € 3.993 (95% van de totale gecalculeerde reparatiekosten van afgerond € 4.203) als schade aangemerkt en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 47.265 vastgesteld.\n\n3. De datum van keuring door de RDW is 2 december 2021.\n\n4. Naar aanleiding van een controle van de aangifte is aan eiseres met dagtekening 2 juni 2023 een naheffingsaanslag Bpm opgelegd van in totaal € 12.389 (€12.300 aan na te heffen Bpm en € 89 belastingrente). Verweerder heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op de forfaitaire tabel.\n\nGeschil 5. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:\n\nof de verschuldigde Bpm bepaald kan worden aan de hand van de herrekende bruto Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode);\n\nof van het door eiseres overgelegde taxatierapport gebruik kan worden gemaakt;\n\nof indien het taxatierapport niet bruikbaar is, gebruik kan worden gemaakt van de koerslijstmethode.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nHerleidingsmethode\n\n6. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025slaagt de beroepsgrond van eiseres met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.\n\nTaxatierapport en schade\n\n7. De bewijslast van de door eiseres bepleite handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Ook heeft eiseres herstelnota’s overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto € 51.528 bedroeg noch dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan alleen gebruiksschade. Verweerder stelt terecht dat de in het taxatierapport gebruikte referentieauto te veel verschilt van de auto. Het vermogen van de auto is 447 kw tegenover 250 kw van de gekozen referentieauto en ook de CO2 uitstoot verschilt wezenlijk (265 g\u002Fkm tegenover 174 g\u002Fkm). Op de foto’s van de auto in het dossier is bovendien geen schade te zien waarvoor de kwalificatie ‘normale gebruiksschade’ niet passend zou zijn. Uit de herstelnota’s volgt enkel dat een alarmklasse is ingebouwd en dat het voertuig gepolijst is en rijklaar is gemaakt. Het taxatierapport kan niet dienen. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat bedraagt volgens verweerder op basis van aansluiting bij de koerslijst van een beter vergelijkbaar voertuig € 85.456; afschrijving op basis van de tabel is voordeliger.\n\nKan eiseres een beroep doen op de koerslijst?\n\n8. Nu de auto als zodanig niet voorkomt op een koerslijst, kan de koerslijstmethode niet worden toegepast.\n\n9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag opgelegd en is het beroep ongegrond.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n10. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 30 november 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 21 juni 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 15 april 2026 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met afgerond tien maanden. Nu eiseres een financieel belang heeft van meer dan € 1.000, heeft eiseres recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000.Aangezien verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan met dagtekening 30 oktober 2023, is de termijnoverschrijding geheel aan de beroepsfase toerekenbaar.\n\nProceskosten\n\n11. Nu aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 0,25).\n\n12. Eiseres heeft reeds vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was op de datum van dat arrest nog niet overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om het betaalde griffierecht aan eiseres te laten vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nveroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1000; en\n\nveroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 233,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.\n\n Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472.\n\n Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.\n\n HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9267","2026-07-13T00:29:21.991Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":51,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":53},"1472","ECLI:NL:RBDHA:2026:9269","ecli-nl-rbdha-2026-9269","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F7934\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V. , gevestigd te [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder\n\nen\n\nde Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid),\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2023 de naheffingsaanslag verminderd.\n\nEiseres heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026.\n\nNamens eiseres is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .\n\nOverwegingenFeiten\n\n1. Eiseres heeft op 5 oktober 2020 op aangifte een bedrag van € 18.969 voldaan ter zake van de inschrijving in het kentekenregister van een BMW Alpina B3 Touring (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 16 september 2020. De auto is gekocht op 22 september 2020 voor € 80.096,38.\n\n2. In de aangifte is de te betalen belasting voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van Waardetaxaties.nl (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op\n\n3 oktober 2020 plaatsgevonden en het taxatierapport is op dezelfde datum opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 137.688 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 68.658 (koerslijsten X-ray). De taxateur heeft een bedrag van € 1.084 (90% van de gecalculeerde reparatiekosten van € 1.205,35) als schade aangemerkt en de handelsinkoopwaarde na schade op € 67.574 vastgesteld.\n\n3. De auto is op 1 oktober 2020 door de RDW gekeurd.\n\n4. Eiseres heeft op 12 oktober 2020 de auto voor controle getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Van de controle is een rapport van 14 oktober 2020 opgemaakt. In dit rapport is de historische nieuwprijs vastgesteld op € 137.688 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 100.000. Deze waarde is gebaseerd op twee referentievoertuigen. DRZ heeft verder een bedrag van € 1.284 aan schade aannemelijk geacht. Van dat schadebedrag is € 925 (72%) in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 99.075.\n\n5. Verweerder heeft met dagtekening 3 december 2021 een bedrag van € 8.739 nageheven. De naheffingsaanslag is vastgesteld aan de hand van de berekening op basis van de individuele waardebepaling door DRZ.\n\n6. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 4.495. Verweerder heeft verder een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 592 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting x € 296).\n\nGeschil 7. In geschil is of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Niet in geschil is dat voor de bezwaarfase een te lage proceskostenvergoeding is toegekend.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nHandelsinkoopwaarde\n\n8. Niet in geschil is dat de auto niet voorkomt op een koerslijst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de in haar taxatierapport weergegeven handelsinkoopwaarde van € 67.574 juist is. De door haar gebruikte BMW als referentieauto is onvoldoende vergelijkbaar met de auto (o.a. lager motorvermogen) en haar eigen aankoopprijs ligt een stuk hoger. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto door marktonderzoek bepaald op € 99.075. Verweerder heeft verklaard dat DRZ eerder van een te lage handelingsinkoopwaarde is uitgegaan aangezien DRZ twee auto’s had geselecteerd waarbij één de onderhavige auto is. De vraagprijs voor de auto bedroeg € 129.875. Als hiervan een winstmarge van 20% wordt afgehaald, zou de handelsinkoopwaarde € 103.900 bedragen in onbeschadigde staat. De rechtbank acht aannemelijk dat de door DRZ gebruikte handelsinkoopwaarde in beschadigde staat niet te hoog is. Dat meer dan 72% van de door DRZ geconstateerde schade van € 1.284 (een hoger bedrag dan eiseres zelf taxeerde) in aftrek moet komen, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De naheffingsaanslag zoals verminderd bij uitspraak op bezwaar is niet te hoog.\n\nProceskosten bezwaar\n\n9. Eiseres heeft zich in haar nadere stuk terecht op het standpunt gesteld dat verweerder een te lage proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend.Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen de toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar.\n\nImmateriële schade\n\n10. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 23 november 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 6 januari 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 15 april 2026 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met afgerond twee jaar en vier maanden. Nu eiseres een financieel belang heeft van meer dan € 1.000, heeft eiseres recht op een vergoeding van immateriële schade van € 2.500.Van de 28 maanden waarmee de redelijke termijn is overschreden, moeten 16 maanden worden toegerekend aan de bezwaarfase en het restant, derhalve 12 maanden, aan de beroepsfase. De termijnoverschrijding is dus voor € 1.429 (16\u002F28 deel van € 2.500) toe te rekenen aan verweerder en voor € 1.071 (12\u002F28 deel van €2.500) aan de Staat.\n\nProceskosten\n\n11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De te vergoeden proceskosten in de bezwaarfase bedragen met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) € 1.332 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en een wegingsfactor 1). Voor de beroepsfase bedragen de te vergoeden proceskosten € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een factor 0,25). Omdat het beroep alleen gegrond is wat betreft de waarde per punt in bezwaar en er tevens sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, hanteert de rechtbank voor de beroepsfase een factor van 0,25. De totale vergoeding bedraagt € 1.799.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor wat betreft de vastgestelde proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;\n\nwijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade toe;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.429;\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.071;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.799;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden;\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n ECLI:NL:HR:2024:1060.\n\n Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9269","2026-07-13T00:29:22.678Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":58,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":31,"updatedAt":61},"1434","ECLI:NL:GHDHA:2026:1607","ecli-nl-ghdha-2026-1607","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-25\u002F39 t\u002Fm 25\u002F41\n\nUitspraak van 1 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] B.V. te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 december 2024, nummers SGR 22\u002F7798, 22\u002F7801 en 22\u002F8524.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Belanghebbende heeft voor drie auto’s belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) op aangifte voldaan.\n\n1.2.. De Inspecteur heeft de bezwaren tegen de voldoeningen ongegrond verklaard bij uitspraken op bezwaar.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“De rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 882;\n\nveroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 618;\n\nveroordeelt verweerder en de Minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van eiseres, elk tot een bedrag van € 109,38; en\n\nbepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiseres.”\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, aangeduid als conclusie van repliek. Op 27 februari 2026 heeft belanghebbende nog een nader stuk ingediend (een pleitnota met bijlagen). De Inspecteur heeft op 27 februari 2016 een nader stuk ingediend. Op 4 maart 2026 heeft belanghebbende nog een pleitnota ingediend. Partijen hebben beide op 9 maart 2026 nadere stukken ingediend.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende heeft op aangifte bpm voldaan ter zake van de registratie van de volgende auto’s:\n\nAuto\n\nDatum eerste toelating\n\nDatum voldoening\n\nDatum\n\ntenaamstelling\n\nJeep Wrangler\n\n16-07-2020\n\n23-07-2021\n\n03-08-2021\n\nM-B S-klasse 350d Lang\n\n04-09-2020\n\n16-08-2021\n\n18-08-2021\n\nVW Golf 1.5 eTSI Style\n\n16-09-2020\n\n30-06-2021\n\n05-07-2021\n\n2.2.. Belanghebbende heeft gebruikgemaakt van koerslijsten (XRAY Marge). Voor de Mercedes-Benz en de Volkswagen Golf is een koerslijst voor een ex-rental gebruikt.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“Vooraf\n\n4. De beroepsgronden van eiseres berusten voor een groot deel op de opvatting dat door de Hoge Raad gegeven rechtsoordelen in strijd zijn met het Unierecht. Ze strekken verder ten betoge dat het de nationale rechter in het geheel niet is toegestaan het Unierecht uit te leggen, omdat het Hof van Justitie van de Europese Unie daartoe exclusief bevoegd is. Waar uitlegging van het Unierecht aan de orde is, dient de nationale rechter prejudiciële vragen te stellen, aldus eiseres.\n\n5. De rechtbank volgt eiseres niet in deze opvatting. De rechtsoordelen van de Hoge Raad hebben binnen de Nederlandse rechtsorde informele precedentwerking. Het doorbreken daarvan zou de rechtseenheid en rechtszekerheid die daarmee gediend zijn niet ten goede komen. De rechtbank zal zich derhalve aansluiten bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de Wet bpm en niet in elk\n\nafzonderlijk geval motiveren waarom daarvan niet wordt afweken.\n\n6. Er bestaat geen aanleiding voor een andere benadering als het gaat om kwesties van Unierecht. De rechtbank is zich ervan bewust dat zij in het kader van haar bevoegdheid belast is met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht en derhalve zorg dient te dragen voor de volle werking van deze normen, en daarbij zo nodig moet afwijken van vaste rechtspraak.[1] Voor dat laatste bestaat vanzelfsprekend slechts aanleiding indien het gaat om met het Unierecht onverenigbare rechtspraak. Waar eiseres met een beroep op die regel de rechtbank verzoekt af te wijken van rechtspraak van de Hoge Raad, dient de rechtbank een dergelijk beroep te beoordelen. Waar de verenigbaarheid van de regels over de heffing van bpm met het Unierecht reeds door de Hoge Raad is beoordeeld en de rechtbank zich daaraan conformeert, zal zij voor de motivering van haar oordeel evenwel volstaan met een verwijzing naar het desbetreffende arrest van de Hoge Raad.\n\n7. De rechtbank acht zich in dit verband ook niet gehouden telkens op de voet van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit betreft voor haar, anders dan voor de hoogste nationale rechter, geen verplichting maar een bevoegdheid.[2] Dat ligt anders indien ter discussie staat of een handeling van een instelling van de Europese Unie geldig is.[3] Een zodanige kwestie doet zich in de onderhavige zaken evenwel niet voor.\n\nHoorrecht\n\n8. Eiseres heeft zich beklaagd over schending van het hoorrecht in bezwaar en verzocht om terugwijzing. Bij de behandeling van deze klacht stelt de rechtbank voorop dat verweerder op grond van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, gelezen in verbinding met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verplicht was eiseres in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Zij had daarom immers verzocht. In de onderhavige zaken is komen vast te staan dat eiseres in alle zaken driemaal (per aangetekende brief) schriftelijk is uitgenodigd voor een hoorgesprek. De gemachtigde heeft echter geweigerd de (aangetekende) brieven van verweerder aan te nemen dan wel te openen, omdat hij niet wist wat erin zou staan. Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor een hoorgesprek via WebEx. Gemachtigde van eiseres heeft niet ingelogd via WebEx om hieraan deel te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres aldus meer dan voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt onder deze omstandigheden voor rekening en risico van eiseres. Het hoorrecht is niet geschonden.\n\nHistorische nieuwprijs\n\n9. Eiseres heeft aangevoerd dat voor de berekening van de ten onrechte niet is uitgegaan van de invulling die de Hoge Raad aan de historische nieuwprijs heeft gegeven in zijn arrest van 22 december 2023.[4] Deze grond wordt terecht aangevoerd. Eiseres heeft de daaruit voortvloeiende teruggaven als volgt berekend:\n\n- SGR 22\u002F8524: historische nieuwprijs: € 37.260; teruggaaf: € 15;\n\n- SGR 22\u002F7798: historische nieuwprijs: € 96.984; teruggaaf: € 1.917;\n\n- SGR 22\u002F7801: historische nieuwprijs: € 175.491; teruggaaf € 105.\n\n10. Verweerder heeft ter zitting laten weten dat hij de juistheid van de berekeningen van eiseres op zichzelf niet betwist. De rechtbank zal daarom daarvan uitgaan.\n\nOnjuiste koerslijsten\n\n11. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat in de zaken met zaaknummers SGR 22\u002F7798 en SGR 22\u002F7801 niet de juiste koerslijsten zijn gebruikt bij de aangifte. De desbetreffende koerslijsten zijn namelijk niet ingevuld op basis van WLTP. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres bij de aangiften in de zaken met zaaknummers SGR 22\u002F7798 en SGR 22\u002F7801 inderdaad niet de juiste koerslijst overgelegd, zulks in strijd met artikel 8, vierde lid, aanhef en letter a, van de Uitvoeringsregeling bpm. In beroep heeft zij, daartoe in de gelegenheid gesteld, dat verzuim niet hersteld. Daarom kan in deze zaken de koerslijstmethode niet worden toegepast en dient voor de berekening van de verschuldigde bpm te worden teruggevallen op de afschrijvingstabel in de zin van artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling bpm.\n\n12. Daarvan uitgaande moet de afschrijving op de Jeep Wrangler worden vastgesteld op 33,776% in plaats van het in de aangifte toegepaste percentage van 54,15% (zaaknummer SGR 22\u002F7798). Voor de Mercedes-Benz geldt dat de afschrijving 32,332% bedraagt in plaats van het in de aangifte toegepaste percentage van 61,05% (zaaknummer SGR 22\u002F7801). Dat betekent dat voor deze auto’s de aangifte niet naar een te hoog bedrag is gedaan en de grond ontvalt aan de hiervoor onder 9. vermelde teruggaven in de zaken met zaaknummers SGR 22\u002F7798 en SGR 22\u002F7801.\n\n13. Verweerder heeft verder ter zitting aangevoerd dat in de zaken met zaaknummers SGR 22\u002F7801 en SGR 22\u002F8524 geen sprake is van een ex-rental auto, terwijl hiermee in de berekening van de verschuldigde bpm in de desbetreffende aangiften wel rekening is gehouden, waardoor te weinig bpm is afgedragen. Verweerder doet in dat verband een beroep op interne compensatie, zodat ten aanzien van zaaknummers SGR 22\u002F7801 en SGR 22\u002F8524 eiser geen recht heeft op een teruggave als hiervoor onder 9. vermeld. Eiseres heeft ter zitting laten weten nog bewijs te willen leveren dat wel degelijk sprake is van ex-rental auto’s. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat een beroep op interne compensatie in strijd is met Unierecht en niet pas ter zitting kan worden gedaan.\n\n14. In de zaak met zaaknummer SGR 22\u002F7798 heeft eiseres bij de aangifte niet gebruikgemaakt van een koerslijst voor een ex-rentalauto, maar heeft zij in beroep wel naar voren gebracht dat daarvan bij de berekening van de verschuldigde bpm dient te worden uitgegaan. Verweerder heeft dat bestreden.\n\n15. De rechtbank stelt vast dat nu de vermindering in de zaken met zaaknummers SGR 22\u002F7798 en SGR 22\u002F7801 moet worden vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, de kwalificatie als ‘ex-rental’ alleen nog van belang is in de zaak met zaaknummer SGR 22\u002F8524. Dienaangaande oordeelt de rechtbank als volgt. Wanneer in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst ex-rental als variabele is opgenomen, moet ervan worden uitgegaan dat het in de handel voor de waardebepaling van een personenauto verschil maakt of de desbetreffende personenauto als rental is gebruikt of niet. Daaruit volgt dat bij toepassing van die koerslijst de aan deze variabele te verbinden waardevermindering alleen kan worden toegepast op personenauto’s die een ex-rental zijn.[5] Eiseres dient derhalve aannemelijk te maken dat er sprake is van ex-rentals. Na heropening van het onderzoek heeft de rechtbank eiseres op haar verzoek in de gelegenheid gesteld om daartoe in de zaken met zaaknummers SGR 22\u002F7801 en SGR 22\u002F8524 stukken in te zenden. Eiseres heeft dat echter nagelaten. Eiseres heeft daardoor voor geen van de betrokken auto’s aannemelijk gemaakt dat zij als ex-rental kunnen worden aangemerkt.\n\n16. Het voorgaande betekent dat ook in de zaak met zaaknummer SGR 22\u002F8524 een onjuiste koerslijst is gehanteerd, de koerslijstmethode geen toepassing kan vinden en de vermindering dient te worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Daarvan uitgaande moet de afschrijving worden vastgesteld op 28% in plaats van het in de aangifte toegepaste percentage van 48,60%. Dat betekent dat ook voor deze auto de aangifte niet naar een te hoog bedrag is gedaan en de grond ontvalt aan de hiervoor onder 9. vermelde teruggaaf in de zaak met zaaknummer SGR 22\u002F8524.\n\nInterne compensatie\n\n17. Verweerder heeft zich voor zijn standpunten over onjuiste koerslijsten en onterechte kwalificatie als ex-rental beroepen op interne compensatie. Eiseres heeft aangevoerd dat een beroep op interne compensatie in strijd is met Unierecht en niet pas ter zitting kan worden gedaan.\n\n18. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Interne compensatie kan plaatsvinden wanneer een als verschuldigd vastgesteld bedrag is opgebouwd uit meerdere elementen. Het houdt in dat als de belastingplichtige een bepaald element met succes bestrijdt, de inspecteur andere elementen aan de orde mag stellen met het standpunt dat het verschuldigde bedrag gelet op die andere elementen toch niet te hoog is vastgesteld.[6] Het betoog van verweerder heeft echter betrekking op hetzelfde element van het verschuldigde bedrag als de slagende beroepsgrond van eiseres, te weten de vermindering als bedoeld in artikel 10 van de Wet bpm. Het gaat hier dus niet om een beroep op interne compensatie, maar om een alternatief, zelfstandig dragend argument waarom de vermindering niet te laag is vastgesteld. Voor de uitkomst maakt dat overigens geen geschil, want het aanvoeren van een zodanig argument in beroep is toegestaan zolang het niet in strijd is met de goede procesorde,[7] net zoals dat het geval is met een beroep op interne compensatie.[8] Een dergelijke strijd doet zich in dit geval niet voor, omdat de stellingen van verweerder weliswaar pas ter zitting zijn ingenomen, maar betrekking hebben op feiten die tussen partijen niet in geschil zijn en de rechtsstrijd niet uitbreiden. Eiseres heeft voldoende gelegenheid gehad om inhoudelijk erop te reageren. Verder heeft te gelden dat noch het aanvoeren van nieuwe rechtsgronden ter onderbouwing van het verweer ter zake van een bestaand geschilpunt, noch een beroep op interne compensatie in strijd komt met het Unierecht.[9]\n\nUitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2022\n\n19. Eiseres verwijst verder naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022[10] en stelt dat ze gelet op die uitspraak voor de onderhavige auto’s mag uitgaan van een CO2-uitstoot berekend volgens de Scandinavische rekenmethode, indien dat resulteert in een lagere CO2-uitstoot. Deze stelling berust evenwel op een onjuiste uitleg van de bewuste uitspraak. Uit die uitspraak volgt niet, zoals eiseres kennelijk meent, dat een belastingplichtige bij de berekening van de bpm zelf de keuze heeft tussen verschillende rekenmethodes voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. De uitspraak had betrekking op een geval waarin ten processe was komen vast te staan dat soortgelijke personenauto’s als de importauto (van hetzelfde merk, type, uitvoering, productiejaar en datum eerste toelating) over een Europese typegoedkeuring beschikten waarop een bepaalde CO2-uitstoot was vermeld, maar niettemin voor een lagere, op basis van de zogenoemde Scandinavische methode berekende CO2-uitstoot in het Nederlandse kentekenregister waren geregistreerd en op die voet in de heffing van bpm waren betrokken. Die situatie doet zich in de onderhavige zaken niet voor.\n\nLeeftijdskorting\n\n20. Eiseres heeft in al de onderhavige zaken geopperd dat een extra leeftijdskorting zou moeten worden toegekend. Zij heeft deze stellingen niet nader geconcretiseerd. De rechtbank ziet daarin dan ook geen aanleiding voor een teruggaaf van bpm.\n\nVerschil in heffingsmodaliteiten\n\n21. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van een met het Unierecht strijdig verschil in heffingsmodaliteiten, aangezien deze stelling reeds is verworpen door de Hoge Raad.[11] Voor het rentenadeel dat eiseres stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient eiseres zich te wenden tot de civiele rechter.\n\nRentevergoeding wegens in strijd met Unierecht geheven belasting\n\n22.Eiseres betoogt dat zij recht heeft op vergoeding van rente, voor zover in strijd met Unierecht bpm van haar geheven is. Zij betoogt dat de verplichting om deze rente te vergoeden rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht, zodat een beroep op artikel 28c van de Invorderingswet 1990 – dat in zoverre in strijd met het Unierecht is – niet nodig is. De rechtbank verwerpt dit betoog reeds omdat in de onderhavige zaken geen sprake is van in strijd met het Unierecht geheven belasting.\n\nGriffierecht en wettelijke rente\n\n23. Eiseres heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. De rechtbank overweegt hierover als volgt. In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.[12] Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.[13] Eiseres heeft de naar Nederlands recht verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht. Gelet op het voorgaande zijn deze griffierechten niet in strijd met het Unierecht geheven.\n\n24. Voor de door eiseres bepleite rentevergoeding over het betaalde griffierecht over de periode, beginnend op de dag waarop eiseres het griffierecht heeft voldaan, bestaat evenmin aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente.[14] Het voorgaande neemt overigens niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiseres wordt vergoed.\n\nSlotsom\n\n25. De slotsom is dat de beroepen ongegrond zijn.\n\nVerzoek om vergoeding van immateriële schade\n\n26. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). De rechtbank merkt de onderhavige bezwaren en beroepen voor wat betreft de isv aan als samenhangende zaken, omdat zij in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.[15] De rechtbank heeft daarbij onder andere in aanmerking genomen dat de zaken in de beroepsfase gezamenlijk zijn behandeld op de zitting van 20 juni 2024. Daarnaast hebben de zaken in hoofdzaak betrekking op dezelfde onderwerpen. Het gaat om procedures inzake voldoening van bpm op aangiften, waarin telkens nagenoeg dezelfde geschilpunten ter discussie staan. Dit betekent dat in de onderhavige zaken één vergoeding zal worden toegekend.\n\n27. Het voorgaande brengt verder mee dat voor de vaststelling van het financiële belang dient te worden uitgegaan van het totale financiële belang dat gemoeid is met de geschillen in al de voorliggende zaken. Mede gelet op het feit dat eiseres haar verzoek om schadevergoeding eerst op 13 juni 2024 heeft gedaan en de redelijke termijn voor bezwaar en beroep op die datum reeds was overschreden, kan alsdan kan niet worden gezegd dat sprake is van een procedure met een zeer gering financieel belang, zoals verweerder in sommige van de onderhavige zaken heeft aangevoerd.[16]\n\n28. De bezwaarschriften in de oudste zaken zijn door verweerder ontvangen op 9 augustus 2021 en verweerder heeft de eerste uitspraken op bezwaar gedaan op 17 november 2022. De uitspraak van de rechtbank is op 19 december 2024 gedaan. Dat is dus afgerond 41 maanden na indiening van het oudste bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met afgerond 17 maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken. De overschrijding is voor 10 maanden toe te rekenen aan verweerder en voor het overige aan de rechtbank.\n\n29. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin eiseres daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. Dit bedrag is voor 10\u002F17 * € 1.500 = € 882 verschuldigd door verweerder en voor 7\u002F17 * € 1.500 = € 618 door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).\n\nProceskosten\n\n30. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten nu eiseres recht heeft op immateriële schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 875 met een wegingsfactor 0,25 voor het gewicht van de zaken).[17] De vergoeding van dit bedrag zal deels moeten plaatsvinden door verweerder en deels door de Staat, waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt.[18]\n\n31. Eiseres heeft eerst in haar pleitnota’s van 13 juni 2024 om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, die op 9 augustus 2023 was overschreden. Alsdan bestaat geen recht op vergoeding van het betaalde griffierecht.[19]\n\n32. Voor een integrale proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. De beroepen zijn ongegrond. Uit de gedingstukken en hetgeen eiseres overigens heeft gesteld, valt niet op te maken dat verweerder zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb is ook anderszins niet gebleken. Anders dan eiseres heeft betoogd is het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop ingevolge het Bpb aanspraak kan worden gemaakt, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, ook niet voldoende om te concluderen dat aan het Unierecht aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend.[20]\n\n(…)\n\n[1] Zie bijvoorbeeld HvJ 11 januari 2024, C-537\u002F22, Global Ink Trade, ECLI:EU:C:2024:6, punten 23 en 25.\n\n[2] Zoals reeds volgt uit de tekst van artikel 267 van het VWEU. Vgl. ook HvJ 6 oktober 2021, C-561\u002F19, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 28, 32, 37 en 55.\n\n[3] HvJ 22 oktober 1987, C-314\u002F85, Foto-Frost, ECLI:EU:C:1987:452, punten 12-20; vgl. recenter bijvoorbeeld ook het door eiseres aangehaalde arrest HvJ 10 januari 2006, C-344\u002F04, IATA, ECLI:EU:C:2006:10, punt 27.\n\n[4] HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1714.\n\n[5] HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.2.\n\n[6] Zie bijvoorbeeld HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD9713, r.o. 3.3.\n\n[7] HR 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6786, r.o. 3.1.\n\n[8] HR 3 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3831.\n\n[9] HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, r.o. 3.2.1-3.2.2.\n\n[10] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1963.\n\n[11] HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277.\n\n[12] Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699.\n\n[13] HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.\n\n[14] HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3.\n\n[15] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2, HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, r.o. 2.4.3 en HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700, r.o. 2.2.2.\n\n[16] Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.2, 3.4.1, 3.4.3 en 3.5.\n\n[17] HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526\n\n[18] HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.\n\n[19] HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1-7.1.2.\n\n[20] Vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, r.o. 2.4.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In geschil is of belanghebbende voor de drie auto’s te veel bpm op aangifte heeft voldaan en of zij recht heeft op vergoeding van het door de Rechtbank geheven griffierecht. Verder klaagt belanghebbende dat de Rechtbank de proceskostenvergoeding en de (immateriële)schadevergoeding onjuist heeft vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de verschuldigde bpm. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere proceskostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om vergoeding van het griffierecht in beide instanties en om een passende rentevergoeding.\n\n4.3.. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nVooraf\n\n5.1.. Het Hof stelt voorop dat het de beslissingen van de Rechtbank en de overwegingen daartoe tot de zijne maakt, behoudens de hierna te behandelen uitzonderingen. In hoger beroep heeft belanghebbende niets aangevoerd dat aanleiding kan zijn om anders te beslissen over de eerstbedoelde categorie geschilpunten. Het gaat hier vooral om het beroep op het Unierecht, de gestelde onbevoegdheid van de Nederlandse rechter en de verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen, het hoorrecht, de leeftijdskorting, het verzoek om vergoeding van immateriële schade en (rente over) het griffierecht.\n\nHuurverleden\n\n5.2.. Belanghebbende heeft voor de Mercedes-Benz en de Volkswagen Golf aangifte gedaan met behulp van een koerslijst voor voertuigen met een huurverleden. Belanghebbende heeft, hoewel zij hiertoe ruim in de gelegenheid is gesteld, geen bewijs overgelegd dat de desbetreffende auto’s een verleden als huurauto hebben. Belanghebbende heeft daarom ten onrechte gebruikgemaakt van deze koerslijst. Het beroep op de hogere historische nieuwprijs leidt daarom niet tot een vermindering van de verschuldigde bpm. De berekende teruggaaf (€ 15 voor de Volkswagen Golf en € 105 voor de Mercedes-Benz) is lager dan de bpm die belanghebbende voor deze auto’s extra op aangifte had moeten voldoen bij gebruikmaking van een koerslijst voor voertuigen zonder huurverleden. Voor de Mercedes-Benz en de Volkswagen Golf heeft belanghebbende, behalve de onder 5.1 al genoemde en verworpen geschilpunten, verder niets aangevoerd. Dit betekent dat belanghebbende voor deze auto’s in ieder geval niet te veel bpm op aangifte heeft voldaan.\n\nKoerslijst Jeep Wrangler\n\n5.3.. Voor de Jeep Wrangler is in geschil of belanghebbende kan gebruikmaken van de koerslijst van een Jeep Wrangler 2.0 T Sahara. De Inspecteur stelt dat dit niet mogelijk is, omdat de auto een Jeep Wrangler Unlimited 2.0 T Sahara zou zijn. Zoals het Hof de Inspecteur ter zitting al heeft voorgehouden, blijkt uit de ter zitting overgelegde informatie en de op internet over de auto beschikbare informatie dat het gelijk op dit punt aan belanghebbende is. Merk, model, type, uitvoering en leeftijd van de Jeep Wrangler komen overeen met die van het referentievoertuig (HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472). Dat de volgens de NEDC-meetmethode vastgestelde CO2-uitstoot van het referentievoertuig is vermeld en niet de CO2-uitstoot die is vastgesteld volgens de WLTP-meetmethode doet hieraan niet af, omdat de NEDC-uitstoot van de Jeep Wrangler van belanghebbende slechts 1 g\u002Fkm verschilt van die van het referentievoertuig. De Inspecteur heeft verder niet onderbouwd dat het referentievoertuig toch niet soortgelijk zou zijn. De koerslijst kan dus dienen. De tegenwerping van de Inspecteur dat van een soortgelijk voertuig volgens koerslijstprovider AutotelexPro geen handelstransacties beschikbaar zijn, volgt het Hof niet. De Inspecteur is immers uitgegaan van het verkeerde voertuig (een Unlimited). De berekening van de teruggaaf is niet in geschil, zo blijkt uit het dossier van de Rechtbank. Dit betekent dat belanghebbende € 1.917 te veel bpm op aangifte heeft voldaan. Het Hof zal de Inspecteur gelasten een teruggaaf te verlenen.\n\nOverige geschilpunten\n\n5.4.. Belanghebbende heeft zich in de pleitnota beroepen op het arrest van het HvJ EU van 28 februari 2012, Inter-Environnement Wallonie en Terre wallonne (ECLI:EU:C:2012:103). Hoewel op het Hof geen enkele verplichting rust om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, hecht het Hof eraan op te merken dat dit arrest een heel specifieke situatie betreft en geen algemeen toepasselijk criterium bevat voor de verplichting van de nationale rechter in laatste instantie om prejudiciële vragen te stellen.\n\n5.5.. Voor vergoeding van rente over de teruggaaf voor de Jeep dient belanghebbende zich te wenden tot de ontvanger.\n\nSlotsom\n\n5.6.. Het hoger beroep is gegrond.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n6.1.. Omdat het hoger beroep gegrond is, bestaat aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, welke kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, worden vastgesteld op € 3.001 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (bezwaar: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 666; beroep: 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; hoger beroep: 1 punt voor het indienen van een hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934). Voor het hoger beroep wordt de gemachtigde niet aangemerkt als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 19a Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Voor het hoger beroep hanteert het Hof daarom de wegingsfactor 0,25. Voor het als conclusie van repliek aangeduide processtuk kent het Hof geen vergoeding toe, omdat belanghebbende geen toestemming heeft gevraagd voor het indienen van dit stuk.\n\n6.2.. Voorts dienen aan belanghebbende de voor de behandeling in beroep en hoger beroep gestorte griffierechten van in totaal € 944 (€ 365 + € 579) te worden vergoed.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof:\n\nvernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing over de vergoeding van immateriële schade;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de Jeep Wrangler;\n\nbevestigt de overige twee uitspraken op bezwaar;\n\ngelast dat de Inspecteur voor de Jeep Wrangler een teruggaaf bpm verleent van € 1.917;\n\nveroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.001; en\n\ngelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 944 aan griffierechten te vergoeden;\n\nbepaalt dat, voor zover de in hoger beroep toegekende (proces)kostenvergoeding en\u002Fof de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.D.M.A. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nL. van den Bogerd A. van Dongen\n\nDe beslissing is op 1 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die\n\nberoepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1607","2026-05-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.849Z",1,20]