[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-parental-authority-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":51,"total":16,"page":25,"limit":124},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},74,"parental-authority-nl","Parental Authority","NL","2026-07-08T16:54:48.686Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},9,{"min":18,"max":19},"2026-05-26T00:00:00.000Z","2026-05-29T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,36,39,42,45,48],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122035","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 15 lid 2",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122036","Burgerlijk Wetboek","art. 1:257 lid 1",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"122037","art. 1:257 lid 2",{"provisionId":34,"code":28,"article":35,"count":25},"122038","art. 1:255 lid 2",{"provisionId":37,"code":23,"article":38,"count":25},"121985","art. 265",{"provisionId":40,"code":28,"article":41,"count":25},"121986","art. 1:12 lid 1",{"provisionId":43,"code":28,"article":44,"count":25},"122170","art. 1:212",{"provisionId":46,"code":28,"article":47,"count":25},"122171","art. 1:204",{"provisionId":49,"code":28,"article":50,"count":25},"124539","art. 1:275 lid 2",[52,63,72,79,86,93,100,107,116],{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":57,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":61,"updatedAt":62},"1931","ECLI:NL:RBDHA:2026:17486","ecli-nl-rbdha-2026-17486","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummers: I. C\u002F09\u002F698273 \u002F FA RK 26-697\n\n II. C\u002F09\u002F698787 \u002F JE RK 26-172\n\nDatum uitspraak: 29 mei 2026\n\nBeschikking van de meervoudige kamer\n\nI. Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij;\n\nII. Afwijzing verzoek verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.\n\nIn de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,regio Haaglanden (I),\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nen\n\nStichting Jeugdbescherming west Haaglanden (II),\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe rechtbank merkt als belanghebbenden aan in verzoek I:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\n [grootmoeder vaderszijde],\n\nhierna te noemen: de grootmoeder vaderszijde\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. J.A. Hoste te Den Haag,\n\nde gecertificeerde instelling.\n\nDe rechtbank merkt als belanghebbenden aan in verzoek II:\n\nde moederende grootmoeder vaderszijdevoornoemd.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij beschikking van 6 maart 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg (bij de grootmoeder vaderszijde) verlengd tot 31 mei 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting van de meervoudige kamer op 12 mei 2026, zodat het verzoek gecombineerd behandeld kon worden met het verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging en het benoemen van de voogdij (C\u002F09\u002F698273 FA RK 26-697). De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift (I) met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026;\n\nhet verzoekschrift (II) met bijlagen, ontvangen op 3 februari 2026;\n\nhet gezinsplan van de gecertificeerde instelling van 5 februari 2026, ontvangen op 6 februari 2026;\n\nde beschikking van 6 maart 2026;\n\nhet verweerschrift van de grootmoeder vaderszijde met zelfstandig verzoek van 6 mei 2026;\n\nde concept-vaststellingsovereenkomst van de mediation van 7 mei 2026, overlegd ter zitting van 12 mei 2026;\n\nde bereidverklaring van de grootmoeder vaderszijde van 12 mei 2026, overlegd ter zitting van 12 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde grootmoeder vaderszijde met haar advocaat;\n\n [naam 1] namens de Raad;\n\n- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.\n\n1.3.. De moeder is niet verschenen. De moeder is wel juist opgeroepen. In het kader van de pilot kosteloze rechtsbijstand bij gezagsbeëindiging is op 16 februari 2026 mr. J. Gravesteijn (op dat moment de voorkeursadvocaat van de moeder) toegevoegd aan de moeder, nadat hij te kennen heeft gegeven bereid te zijn de moeder bij te staan. Op 8 april 2026 heeft mr. J. Gravesteijn de rechtbank bericht zich te onttrekken in de zaken C\u002F09\u002F698273 (het verzoek tot gezagsbeëindiging) en C\u002F09\u002F698787 (het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling). Desgevraagd heeft mr. J. Gravesteijn de rechtbank telefonisch toegelicht dat hij voordat hij zich onttrok de moeder een maand de tijd had gegeven om een nieuwe advocaat te vinden, zodat er een warme overdracht kon plaatsvinden. Nu er zich geen nieuwe advocaat stelde heeft de rechtbank op 28 april 2026 de moeder een brief gestuurd, waarin zij er op werd gewezen dat zij recht heeft op juridische bijstand en dat zij hiervoor zelf een advocaat kon benaderen of de rechtbank kon vragen om een (nieuwe) advocaat aan te wijzen. De moeder diende dit zo snel als mogelijk aan de rechtbank door te geven. De moeder heeft naar aanleiding van de brief niets aan de rechtbank laten weten. Een uur voor aanvang van de zitting heeft de moeder gebeld naar de rechtbank en te kennen gegeven niet aanwezig te zullen zijn, omdat zij niet naar de rechtbank durfde te komen zonder een advocaat. Een advocaat had haar niet teruggebeld en die zou zij vandaag gaan bellen. Ter zitting heeft de rechtbank telefonisch contact met de moeder opgenomen en haar naar haar standpunt gevraagd. Gezien het belang van [minderjarige] bij duidelijkheid en nu de moeder de mogelijkheid tot rechtsbijstand heeft gehad, heeft de rechtbank alles afwegende besloten de behandeling van de verzoeken niet aan te houden. Desgevraagd door de voorzitter heeft de moeder laten weten geen behoefte te hebben de zitting verder telefonisch bij te wonen.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige] is erkend door de vader, [de vader] .\n\n2.2.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft bij de grootmoeder vaderszijde en verblijft uit hoofde van een contactregeling met de moeder een aantal nachten per week bij de moeder.\n\n2.4.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 mei 2026.\n\n2.5.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 31 mei 2026.\n\n2.6.. De gecertificeerde instelling heeft zich bij brief van 19 januari 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.\n\n2.7.. De grootmoeder vaderszijde heeft zich bij brief van 12 mei 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.\n\n3. Het verzoek\n\nVerzoek I: gezagsbeëindiging en benoeming voogdij\n\n3.1.. De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De moeder kampt met jarenlange verslavingsproblematiek en is in het verleden wisselend beschikbaar geweest voor [minderjarige] . Sinds 2022 is er sprake van een machtiging tot uithuisplaatsing en sindsdien verblijft [minderjarige] bij de grootmoeder moederszijde. Ondanks de ondertoezichtstelling en de ingezette hulpverlening, is het niet gelukt om te komen tot een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De moeder is niet in staat om de volledige zorg over [minderjarige] te dragen en het lukt haar onvoldoende – door de terugvallen in middelengebruik die zij heeft – een structurele stabiele factor te zijn in het leven van [minderjarige] . In januari 2025 heeft de gecertificeerde instelling bepaald dat [minderjarige] niet meer bij de moeder zal opgroeien. Het perspectief ligt volgens de gecertificeerde instelling bij de grootmoeder vaderszijde. De moeder kan dit opvoedperspectief niet goed begrijpen, omdat het volgens haar juist het afgelopen jaar – waarmee de moeder doelt op 2025 – beter gaat. De Raad ziet dat het vanaf december 2025 opnieuw minder goed gaat met de moeder, waarbij er twee incidenten zijn geweest waarbij de moeder weer is teruggevallen in haar middelengebruik. Gelet op de terugkerende zorgen over het persoonlijk functioneren van de moeder zal [minderjarige] volgens de Raad ernstig bedreigd worden in zijn ontwikkeling als hij volledig teruggeplaatst zou worden bij de moeder. Daarbij is de Raad van mening dat de aanvaardbare termijn is verstreken. Zoals reeds genoemd verblijft [minderjarige] al sinds 2022 bij de oma vaderszijde en ligt het perspectief niet meer bij de moeder. De Raad heeft niet de verwachting dat de moeder de volledige verzorging voor [minderjarige] zal kunnen dragen. Daarnaast is het op dit moment voor [minderjarige] onduidelijk waar hij op de langere termijn mag opgroeien en ervaart hij last van de onzekerheid over zijn opvoedplek.\n\n3.3.. De Raad ziet het belang van de voortzetting van het verblijf bij de grootmoeder vaderszijde, maar vindt het op dit moment te vroeg om de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde te beleggen. De grootmoeder vaderszijde is namelijk voornemens om naar [land] te verhuizen. Die wens is al lange tijd bekend bij de gecertificeerde instelling. Als de voogdij bij de grootmoeder zal komen te liggen, dan zal ook [minderjarige] naar [land] verhuizen en zal de hulpverlening wegvallen. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . Daarbij heeft [minderjarige] op dit moment een uitgebreide zorgregeling met de moeder en die zal dan worden beperkt. De Raad heeft in dat licht ook zorgen over het grillige en ambivalente contact tussen de moeder en de grootmoeder vaderszijde. Als hij in [land] verblijft zou de grootmoeder vaderszijde het contact tussen de moeder en [minderjarige] zelfstandig kunnen stoppen. Het is belangrijk dat een gecertificeerde instelling hierin nog ondersteuning kan bieden. Verder is het van belang dat er nog toezicht kan worden gehouden op het contact tussen [minderjarige] en de vader. De vader is bekend met agressie- en verslavingsproblematiek en is in december 2025 vrij gekomen uit detentie, waarna er opnieuw een incident heeft plaatsgevonden bij de moeder. Het is belangrijk dat de gecertificeerde instelling deze situatie met de vader kan vormgeven. Als [minderjarige] in [land] verblijft is het zicht volledig weg. De Raad is zich bewust van het feit dat dit een complex besluit is, nu haar advies inhoudt dat [minderjarige] niet mee naar [land] kan en de grootmoeder hierdoor of niet naar [land] kan verhuizen of [minderjarige] in een neutraal pleeggezin terecht zal komen, wat voor hem ook heel ingrijpend zal zijn. Desondanks is de Raad van mening dat er op dit moment nog te veel risico’s en drempels zijn voor het beleggen van de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde en daarmee de verhuizing naar [land] . Volgens de Raad is het op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] dat de gecertificeerde instelling wordt belast met de voogdij. De gecertificeerde instelling kan zich voor de hiervoor genoemde punten inzetten – waarbij het van belang is dat er meer regie wordt gepakt dan de afgelopen periode – en zij kunnen vervolgens zelf inschatten wanneer het mogelijk wél passend is dat de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde wordt belegd. Ter zitting heeft de Raad benadrukt dat zij niet van mening is dat de voogdij nooit naar de grootmoeder vaderszijde zou kunnen, maar dat het daarvoor op dit moment volgens de Raad nog te vroeg is.\n\nVerzoek II: verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n3.4.. De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] – als het verzoek tot gezagsbeëindiging wordt afgewezen – in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.5.. De gecertificeerde instelling stelt daartoe als volgt. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is nog onverminderd aanwezig. Deze bedreiging is met name gelegen in de aanhoudende onzekerheid over zijn toekomst, de complexe dynamiek tussen de betrokken volwassenen en de blijvende zorgen over het persoonlijke functioneren van de moeder. Ondanks de ingezette hulpverlening is de moeder structureel onvoldoende in staat om een duurzame, stabiele, veilige en voorspelbare opvoedomgeving te bieden. Het blijft daarom nodig dat de gecertificeerde instelling regie blijft voeren om de belangen van [minderjarige] te bewaken, escalaties te voorkomen, afstemming tussen de betrokkenen te blijven faciliteren en te blijven onderzoeken welke route en verblijfplaats het minst schadelijk zijn voor zijn ontwikkeling. Daarbij is het op dit moment in het belang van [minderjarige] dat de plaatsing bij de grootmoeder vaderszijde wordt gecontinueerd. Er zijn op dit moment geen alternatieven die minder belastend zijn en hij ervaart een voor hem vertrouwde, veilige en stabiele opvoedomgeving bij de grootmoeder. Een plaatsing van [minderjarige] in een neutraal pleeggezin is op dit moment voor [minderjarige] zeer onwenselijk en schadelijk voor zijn emotionele ontwikkeling en gevoel van veiligheid. Binnen de plaatsing bij de grootmoeder vaderszijde kan zorgvuldig gezocht worden naar een toekomstperspectief dat recht doet aan ieders belang.\n\n4. De standpunten\n\nVerzoek I\n\n4.1.. De moeder heeft telefonisch medegedeeld achter de concept-vaststellingsovereenkomst te staan die ter zitting is ingediend door de grootmoeder vaderszijde. Daarnaast wil de moeder absoluut niet dat de gecertificeerde instelling de voogdij krijgt. De afgelopen maanden is er geen contact geweest met de jeugdbeschermer en de moeder ziet haar andere dochter – waarvan haar gezag is beëindigd – niet meer. De moeder wil daarom niet dat de gecertificeerde instelling de voogdij krijgt over [minderjarige] , omdat zij dan denkt dat zij nog een kind – in haar eigen woorden – kwijt is. Dan wil de moeder liever dat de grootmoeder vaderszijde de voogdij krijgt, als zij een goede contactregeling met [minderjarige] heeft en hem elke maand ziet.\n\n4.2.. Door en namens de grootmoeder vaderszijde is verweer gevoerd tegen het benoemen van de gecertificeerde instelling als voogd. De grootmoeder vaderszijde verzoekt op basis van artikel 1:275 lid 2 BW om te worden belast met de voogdij (en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren). [minderjarige] verblijft al sinds zijn geboorte in de weekenden bij de grootmoeder vaderszijde. Vanaf 2021 is de grootmoeder pleegouder geworden en de afgelopen drieënhalf jaar draagt de grootmoeder de dagelijkse zorg over [minderjarige] . Volgens de grootmoeder heeft zij haar wens om naar [land] te verhuizen al in 2023 kenbaar gemaakt bij de gecertificeerde instelling. Op dat moment was er nog sprake van een plan voor terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Door de gecertificeerde instelling is toen aangegeven dat er een tweesporenbeleid zou gaan gelden, één gericht op terugplaatsing bij de moeder en als dit niet mogelijk was, een verblijf van [minderjarige] bij de grootmoeder vaderszijde in [land] . In 2023 heeft de grootmoeder vaderszijde haar huis verkocht en in 2024 is het huis in [land] gekocht. Omdat er nog steeds sprake was van een mogelijke terugkeer van [minderjarige] naar de moeder, is [minderjarige] in [plaats 2] naar school gegaan. Toen het perspectief niet meer bij de moeder lag is besloten om [minderjarige] in [plaats 2] op school te laten. Dit om te voorkomen dat [minderjarige] , gezien zijn kwetsbaarheid en grote behoefte aan structuur, twee keer in korte tijd van school zou moeten wisselen – één keer in Nederland en één keer bij vertrek naar [land] . Om dit te faciliteren is de grootmoeder vaderszijde tijdelijk verhuisd naar [plaats 1] . Tijdens het perspectiefonderzoek is onderzocht of een neutraal pleeggezin passend is voor [minderjarige] , maar dit wordt door de gecertificeerde instelling niet passend geacht. Ook de pleegzorgbegeleider en de systeemtherapeut hebben te kennen gegeven dat het heel belangrijk is dat [minderjarige] bij de grootmoeder blijft, nu dit de stabiele persoon is in zijn leven. De Raad heeft naar voren gebracht dat hun voornaamste bezwaar is dat de hulpverlening wegvalt, maar op dit moment regelen de moeder en de grootmoeder vaderszijde bijna alles onderling. De grootmoeder vaderszijde heeft één keer per jaar een huisbezoek van de pleegzorgbegeleider en daarnaast houdt zij de gecertificeerde instelling op de hoogte als de contactmomenten anders lopen dan gepland. Daarnaast hebben de betrokken instanties ook aangegeven dat zij verwachten dat de grootmoeder – als zij hulp nodig heeft – deze hulpverlening goed zal weten te vinden in [land] . Verder heeft de grootmoeder vaderszijde de afgelopen jaren – ook de afgelopen maanden toen de jeugdbeschermer was uitgevallen – het contact tussen [minderjarige] en de moeder altijd gefaciliteerd. Door de instanties wordt de regie voor het contact tussen [minderjarige] en de moeder al jarenlang grotendeels bij de grootmoeder vaderszijde gelegd. Het was daarbij steeds aan de grootmoeder vaderszijde om te bepalen of het contact met de moeder op dat moment verantwoord en veilig was. Het verwijt van de Raad dat de grootmoeder vaderszijde eventueel zelf het contact zou kunnen stoppen, heeft haar diep gekwetst. Zij heeft zich juist de afgelopen jaren maximaal ingespannen om het contact met de moeder vorm te geven, hoe ingewikkeld het soms ook was, en heeft laten zien dat zij goed met de moeder afspraken kan maken. Door grootmoeder vaderszijde met de voogdij te belasten wordt de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Daarnaast kan [minderjarige] door de voogdijbenoeming meeverhuizen naar [land] , zodat de huidige opvoedsituatie, waarin [minderjarige] een stabiele hechtingsrelatie met de grootmoeder heeft opgebouwd, kan worden gecontinueerd. Ter zitting heeft de grootmoeder vaderszijde een door haar en de moeder ondertekende vaststellingsovereenkomst overgelegd die is opgesteld naar aanleiding van een gesprek met een mediator. In deze overeenkomst staat dat de moeder instemt met het eenhoofdig gezag bij de grootmoeder vaderszijde én met de verhuizing van [minderjarige] naar [land] mét een maandelijkse weekendregeling met de moeder en nog een aantal extra afspraken over dit contact. De grootmoeder vaderszijde zal zich tot het uiterste inspannen om het contact tussen [minderjarige] en de moeder te blijven waarborgen. In dit licht verzoekt de grootmoeder aan de rechtbank om te bepalen dat [minderjarige] en de moeder minimaal eenmaal per maand contact hebben, waarbij de grootmoeder vaderszijde en [minderjarige] naar Nederland zullen reizen, tenzij de moeder die betreffende maand naar [land] komt. Ten aanzien van het contact tussen [minderjarige] en de vader heeft de grootmoeder vaderszijde ter zitting naar voren gebracht dat zij de afgelopen jaren al heeft moeten kiezen voor [minderjarige] , door haar eigen zoon de deur te wijzen en niet bij haar te laten slapen, ondanks dat hij geen eigen woning heeft. Zij heeft de ontwikkeling van [minderjarige] altijd boven die van [minderjarige] vader gezet en zal dit ook blijven doen. Als het in niet in het belang van [minderjarige] is om contact te hebben met de vader, dan zal er ook geen contact plaatsvinden.\n\n4.3.. De gecertificeerde instelling kan instemmen met het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder. Het perspectief van [minderjarige] ligt niet meer bij de moeder en de aanvaardbare termijn is verstreken. De gecertificeerde instelling ziet dat het ten aanzien van het benoemen van de voogdij gaat om een zeer complexe situatie. In januari 2025 heeft de gecertificeerde instelling bepaald dat het perspectief van [minderjarige] bij de grootmoeder ligt. Op dat moment is het plan ontstaan dat [minderjarige] mee kan verhuizen naar [land] , zodat hij bij een voor hem veilige en vertrouwde opvoeder kan opgroeien, zonder de ingrijpende plaatsing in een neutraal pleeggezin. Na overleg met de Centrale Autoriteit lijkt de enige aangewezen route om [minderjarige] met de grootmoeder vaderszijde mee te laten verhuizen dat zij als pleegouder de voogdij krijgt. De Raad heeft daarentegen, nadat zij onderzoek heeft gedaan, aangegeven dat zij dit niet in belang van [minderjarige] acht. De gecertificeerde instelling ziet de door de Raad genoemde risico’s ook, maar ziet daarnaast ook veel mogelijkheden bij de grootmoeder vaderszijde. Dit maakt dat er sprake is van een heel ingewikkeld dilemma. Daarbij benadrukt de gecertificeerde instelling dat volgens hen een plaatsing in een neutraal pleeggezin onwenselijk is. Desondanks zien zij ook de ambivalentie in het contact tussen de moeder en grootmoeder vaderszijde en is de rol van de vader nog niet heel duidelijk uitgekristalliseerd. Dit zou de komende periode dan nog verder uitgezocht moeten worden. Daarentegen ziet de gecertificeerde instelling dat het ook belangrijk is dat er een keuze wordt gemaakt over het verblijf, nu juist de onzekerheid over zijn toekomst als een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] wordt gezien.\n\nVerzoek II\n\nDe moeder en de grootmoeder vaderszijde hebben zich niet over dit verzoek uitgelaten.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:\n\na. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of\n\nb. de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2.. Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouders daartoe niet in staat zijn. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.\n\n5.3.. De rechtbank overweegt in dit geval als volgt. De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan en de beëindiging van het gezag van de moeder een gerechtvaardigde en proportionele inmenging vormt in het privé- en gezinsleven van de moeder en [minderjarige] . [minderjarige] is enkele dagen na zijn geboorte (voorlopig) onder toezicht gesteld – waarna de ondertoezichtstelling tot op heden telkens is verlengd – en sinds 2022 is er sprake van een formele uithuisplaatsing bij de grootmoeder vaderszijde. Ondanks de kinderbeschermingsmaatregelen is het de afgelopen jaren niet gelukt om te komen tot een daadwerkelijke duurzame en structurele verbetering voor [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De moeder kampt met complexe problematiek in haar persoonlijk functioneren en de rechtbank constateert dat er sprake is van een hardnekkig patroon waarin de moeder lijkt te profiteren van de hulpverlening, haar leven beter op orde heeft en dan alsnog terugvalt in haar (verslavings-)problematiek. Hoewel de rechtbank ziet dat de moeder nu gedeeltelijk de verzorging en opvoeding draagt over haar oudste twee kinderen (van 13 en 15 jaar), constateert de rechtbank ook dat deze kinderen een andere opvoedingsbehoefte hebben en de vader van deze kinderen een stabiele factor vormt in hun leven. Bij een onrustige periode in het leven van de moeder kan deze vader de kinderen opvangen en hij kan ook de moeder in het algemeen ontlasten doordat de kinderen elke week in het weekend bij hem verblijven. Hiertegenover staat dat de vader van [minderjarige] een (extra) trigger lijkt te zijn voor (de problematiek van) de moeder. Dit zorgt voor extra spanning bij de moeder en heeft een aantal maanden geleden nog tot een heftig incident geleid dat opnieuw impact heeft gehad op [minderjarige] (en zijn veiligheidsgevoel). De rechtbank is van oordeel dat de moeder [minderjarige] op dit moment nog steeds een onvoldoende veilige en stabiele opvoedomgeving kan bieden – die hij gezien zijn jonge leeftijd en kwetsbaarheid wel nodig heeft – en dat hij hierdoor ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarbij deelt de rechtbank, gelet op het patroon van de afgelopen jaren, de verwachting van de Raad en de gecertificeerde instelling dat de moeder ook in de nabije toekomst onvoldoende in staat zal zijn om zelfstandig de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging over [minderjarige] te dragen.\n\n5.4.. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het voor [minderjarige] van groot belang is dat hij duidelijkheid krijgt over waar hij gaat opgroeien. Hoewel de gecertificeerde instelling begin 2025 al heeft bepaald dat niet meer actief wordt gewerkt aan een terugplaatsing bij de moeder, blijft er onzekerheid over zijn verblijfsplek bestaan. Er blijft onduidelijkheid voor [minderjarige] of hij met de grootmoeder kan meeverhuizen naar [land] – welk voornemen ook bij hem al langer bekend was – of dat hij toch in Nederland zal blijven met het gevolg dat hij dan in een neutraal pleeggezin zal moeten worden geplaatst. Ondanks zijn jonge leeftijd krijgt [minderjarige] de onrust over zijn verblijfsplek in de toekomst mee. Hij laat ook bepaalde kindsignalen zien die mogelijk te herleiden zijn naar deze onduidelijkheid, zoals onder meer opstandig gedrag. Gelet op het feit dat het niet meer de verwachting is dat de moeder de opvoeding en verzorging kan dragen, in combinatie met de onrust en onduidelijkheid die [minderjarige] zelf ervaart, is de rechtbank van oordeel dat de zogenoemde aanvaardbare termijn – de termijn hoe lang een kind onduidelijkheid kan ervaren over zijn toekomstperspectief – is verstreken. De maatregelen van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank niet langer passend. Uit het systeem van de wet volgt immers dat deze maatregelen niet geëigend zijn als terugplaatsing niet meer aan de orde is. Dat verhoudt zich niet tot de tijdelijkheid van die maatregelen, die er in beginsel op gericht zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer bij de ouder met gezag te leggen. Daarbij is de rechtbank er ook niet van overtuigd dat het de moeder gaat lukken – gelet op haar persoonlijk problematiek en de complexe relaties met de grootmoeder vaderszijde en de vader – om in het vrijwillig kader zelfstandig de hulp vorm te geven die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] weg te nemen. Volgens de rechtbank is er op dit moment dan ook geen minder ingrijpende maatregel mogelijk en wordt aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals gesteld in artikel 8 EVRM, voldaan. De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder dan ook toewijzen.\n\nBenoeming voogdij\n\n5.5.. Aangezien de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, moet de rechtbank een voogd over [minderjarige] benoemen. De Raad heeft verzocht om de gecertificeerde instelling te belasten met de voogdij en de grootmoeder vaderszijde heeft een zelfstandig verzoek gedaan om haar met de voogdij over [minderjarige] te belasten. Zowel de gecertificeerde instelling als de grootmoeder vaderszijde hebben zich bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.\n\n5.6.. De rechtbank constateert dat los van de vraag wie gezagsbeslissingen over [minderjarige] mag nemen, het bepalen van de voogdij in de huidige situatie ook van grote invloed is op de vraag waar [minderjarige] de komende jaren zal opgroeien en verblijven. Immers, mocht de grootmoeder vaderszijde de voogdij over [minderjarige] verkrijgen dan zal [minderjarige] in de aankomende zomer met de grootmoeder verhuizen naar [land] . Mocht de voogdij bij de gecertificeerde instelling komen te liggen dan is het niet mogelijk dat [minderjarige] met de grootmoeder meeverhuist. Dit zal betekenen dat een neutraal pleeggezin voor [minderjarige] gevonden zal moeten worden.\n\n5.7.. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de het het meest in het belang is van [minderjarige] als de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde wordt belegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In beginsel heeft het de voorkeur dat de voogdij wordt belegd bij een natuurlijk persoon, te weten degene die met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige is belast. Per slot van rekening weet doorgaans de dagelijkse verzorger en opvoeder wat het meest in het belang van het kind is en kan daarop snel acteren. Sinds de geboorte van [minderjarige] is de grootmoeder vaderszijde actief betrokken in het leven van [minderjarige] en zij heeft al die jaren (eerst gedeeltelijk) een verzorgende en opvoedende rol gehad voor [minderjarige] . De afgelopen jaren heeft de grootmoeder vaderszijde daarbij laten zien de belangen van [minderjarige] voorop te stellen en keuzes gemaakt – onder meer in het vormgeven van het contact met de vader, het uitstellen van de verhuizing naar [land] en het tijdelijk verhuizen naar [plaats 1] , zodat [minderjarige] op zijn huidige school kon blijven – die het belang van [minderjarige] hebben gediend. Dit is bewonderingswaardig, omdat deze keuzes ook ingrijpend zijn geweest voor de grootmoeder vaderszijde zelf. De grootmoeder vaderszijde heeft zich daarnaast telkens ingezet om het contact tussen de moeder en [minderjarige] te waarborgen en ervoor te zorgen dat deze contactregeling veilig verloopt. De grootmoeder vaderszijde heeft vanuit de verschillende hulpverleningsinstanties ook de regie gekregen over dit contact en de rechtbank stelt vast dat dit de afgelopen jaren goed is verlopen en dat er geen stukken of signalen zijn waaruit blijkt dat de gecertificeerde instelling hierop moest ingrijpen. De rechtbank ziet dat er soms sprake was van ambivalentie in het contact tussen de moeder en de grootmoeder vaderszijde, maar ziet ook dat het contact telkens weer werd hersteld. De rechtbank is er dan ook van overtuigd dat de grootmoeder vaderszijde in staat is om de juiste gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen.\n\n5.8.. Vervolgens komt de vraag aan de orde of het in het belang van [minderjarige] is dat hij meeverhuist naar [land] , nu dit in de huidige situatie verbonden is aan het beleggen van de voogdij bij grootmoeder vaderszijde. Anders dan de Raad is de rechtbank van oordeel dat dit wel in het belang is van [minderjarige] , mede gelet op de andere realistische alternatieven. Duidelijk is dat de grootmoeder vaderszijde in het instabiele leven dat [minderjarige] heeft gekend, de afgelopen jaren een zeer belangrijk en stabiel hechtingsfiguur voor hem is geweest. De rechtbank vindt het van het grootste belang dat de grootmoeder vaderszijde deze rol voor [minderjarige] kan blijven vervullen. Daarbij ziet de rechtbank dat de grootmoeder vaderszijde al jarenlang het plan heeft om naar [land] te verhuizen en dit ook al jaren geleden kenbaar heeft gemaakt aan de gecertificeerde instelling. De rechtbank stelt vast dat de grootmoeder vaderszijde de verhuizing zorgvuldig en doordacht heeft voorbereid. Zo is er een huis met een kamer voor [minderjarige] , is er een school gevonden en is hij al bekend met de verblijfplaats in [land] – hij heeft zelfs al een vriendje – doordat hij hier al meermaals is geweest. De rechtbank is van oordeel dat een plaatsing in een neutraal pleeggezin een nog ingrijpender inbreuk zal zijn in het leven van [minderjarige] . Naast de veranderingen die hij dan ook hoogstwaarschijnlijk mee zal maken in de vorm van een nieuwe school en een nieuw huis, zal hij dan ook te maken krijgen met nieuwe (hoofd)opvoeders en zal hij de grootmoeder vaderszijde als hechtingsfiguur moeten missen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de situatie op dit moment – los van de verhuizing naar [land] – ook tijdelijk is. De grootmoeder is immers tijdelijk verhuisd naar [plaats 1] om dichter in de buurt van de school van [minderjarige] in [plaats 2] te zijn, wat in zal houden dat ook indien zij in Nederland zou blijven, mogelijk op korte termijn grote veranderingen zullen plaatsvinden ten aanzien van zijn verblijfsplaats en school (en daaruit volgend mogelijk ook ten aanzien van het contact met de moeder).\n\n5.9.. De rechtbank is zich er verder van bewust dat de verhuizing naar [land] betekent dat [minderjarige] minder contact zal hebben met de moeder. De rechtbank begrijpt dat dit ook een grote impact heeft op de moeder. Desondanks acht de rechtbank het belang van [minderjarige] dat zijn grootmoeder vaderszijde als hoofdopvoeder betrokken blijft op dit moment zwaarder wegen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging mee dat de moeder zelf duidelijk te kennen heeft gegeven niet te willen dat [minderjarige] naar een neutraal pleeggezin gaat en dat de voogdij bij de gecertificeerde instelling komt te liggen. De moeder heeft daarbij ook een (concept) vaststellingsovereenkomst getekend, waarin onder meer staat dat de moeder kan instemmen met een verhuizing van [minderjarige] naar [land] en met het eenhoofdig gezag bij de grootmoeder vaderszijde, mits er een duidelijke contactregeling is, die in deze vaststellingsovereenkomst is vastgelegd. De rechtbank kan in de onderhavige procedure het verzoek van de grootmoeder vaderszijde om een zorgregeling (conform de vaststellingsovereenkomst) vast te stellen tussen de moeder en [minderjarige] niet toewijzen, maar de rechtbank heeft kennis genomen van de regeling in de vaststellingsovereenkomst en kan deze regeling onderschrijven. De rechtbank is van oordeel dat deze regeling tegemoetkomt aan de belangen van [minderjarige] . De moeder heeft een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] en het is van groot belang voor zijn ontwikkeling dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder op structurele basis wordt voortgezet. De rechtbank heeft gezien het verloop van de contactregeling in de afgelopen jaren – waarin de grootmoeder vaderszijde heeft aangetoond dit contact ondanks soms uitdagende omstandigheden telkens te kunnen faciliteren – voldoende vertrouwen dat de grootmoeder vaderszijde in samenspraak met de moeder in staat is om dit contact vorm te geven en uit te voeren.\n\n5.10.. Eén van de voornaamste bezwaren die de Raad naar voren heeft gebracht voor de verhuizing naar [land] is het wegvallen van de hulpverlening. Uit het onderzoek van de Raad volgt echter dat zowel de regressietherapeut als de pleegzorgbegeleider te kennen hebben gegeven dat zij verwachten dat de grootmoeder vaderszijde in staat is om zelf hulp te vinden in [land] als zij die nodig heeft. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat de huidige hulpverlening op dit moment minimaal is en slechts bestaat uit (beperkte) pleegzorgbegeleiding en de betrokkenheid van een jeugdbeschermer. Dit contact ziet met name – zoals naar voren gebracht door de grootmoeder vaderszijde en niet weersproken door de gecertificeerde instelling – op de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] , waarin de grootmoeder vaderszijde zelf de regie heeft. Daarnaast heeft de Raad zorgen over het contact tussen de vader en [minderjarige] en het gebrek aan toezicht hierop. De rechtbank stelt vast dat het de afgelopen jaren met de aanwezigheid van de gecertificeerde instelling niet is gelukt om tot een vaste contactregeling te komen, mede door de problematiek en detentie van de vader. Recent is opnieuw geprobeerd om tot contactherstel te komen, maar dit is niet van de grond gekomen. Op dit moment zit de vader opnieuw in detentie. De rechtbank erkent dat er risico’s zullen zijn in dit contact, maar heeft er voldoende vertrouwen in dat de grootmoeder vaderszijde hierin de belangen van [minderjarige] voorop zal stellen, zoals zij altijd heeft gedaan.\n\nRekening en verantwoording vermogen van [minderjarige]\n\n5.11.. De rechtbank zal bepalen dat de moeder aan de grootmoeder vaderszijde die tot voogdes wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] .Dit betekent dat zij de grootmoeder vaderszijde op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de pleegmoeder vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.5.12.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.13.. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank acht het gezien de behoefte aan duidelijkheid van [minderjarige] niet in zijn belang dat hij nog langer onzekerheid ervaart over zijn verblijfplek. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat de verhuizing nog deze zomer kan plaatsvinden, zodat [minderjarige] na de zomervakantie direct kan starten op zijn nieuwe school, en de overgang van Nederland naar [land] op de minst ingrijpende wijze voor hem kan plaatsvinden. Het voorgaande weegt volgens de rechtbank zwaarder dan het risico dat [minderjarige] na een eventueel andersluidende beslissing in hoger beroep weer terug zal moeten verhuizen naar Nederland.\n\nAfwijzing verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n5.14.. Door het beëindigen van het gezag van de moeder komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en zij zal dit verzoek afwijzen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. \n\nbeëindigt het ouderlijk gezag van\n\n- [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1992 in [geboorteplaats 2] ;\n\nover de minderjarige:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ;\n\n6.2.. \n\nbenoemt tot voogdes over voornoemde minderjarige:\n\n- [grootmoeder vaderszijde] ,geboren op [geboortedatum 3] 1973 in [geboorteplaats 2] ;\n\n6.3.. bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van voornoemde minderjarige;\n\n6.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.5.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, mr. T.E.F. Reijnders en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, op 29 mei 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.\n\n Artikel 1:276, eerste lid, BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17486","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:46.103Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":61,"updatedAt":71},"465","ECLI:NL:RBDHA:2026:17439","ecli-nl-rbdha-2026-17439","2026-05-28T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-8765\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F694899\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 14 november 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift.\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in een brief aan de rechter laten weten wat zij van het verzoek vinden.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder met haar advocaat;\n\nde vader;\n\nmevrouw [naam] van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2007 tot [datum 2] 2019.\n\n- Zij zijn de ouders van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats];\n\n- Partijen zijn ook de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats],\n\n- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats],\n\n- De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.\n\n- Bij beschikking van de rechtbank Limburg van 13 maart 2019 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 11 november 2020 zijn [jongmeerderjarige], [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland van 11 november 2020 tot 11 november 2021. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 oktober 2022 is de ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd tot 11 november 2023.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 16 november 2022 is – voor zover van toepassing – het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag afgewezen en is ten aanzien van de zorgregeling bepaald dat het contact tussen de vader en de kinderen zal plaatsvinden onder regie van de jeugdbeschermer.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 3 november 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengd voor de periode van 11 november 2023 tot 11 november 2024. Bij beschikking van deze rechtbank van 5 november 2024 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 11 november 2025.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder verzoekt te bepalen dat haar voortaan alleen het ouderlijk gezag toekomt over de minderjarige kinderen van partijen;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vader heeft op de zitting heeft gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nGezag\n\nWettelijk kader\n\nHet wettelijk uitgangspunt is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gezamenlijk gezag kan alleen worden beëindigd, als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nOntvankelijkheid\n\nHet is de rechtbank gebleken dat er al een tijd geen contact meer is tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Voor [minderjarige 2] is dat het geval sinds begin 2024 en voor [minderjarige 1] is dat al langer het geval, waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat de minimale basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. De communicatie tussen partijen is, ondanks de ondertoezichtstelling, onverminderd slecht en er is al geruime tijd geen communicatie mogelijk tussen de ouders. Hierin valt volgens de moeder op korte termijn geen verbetering te verwachten. [jongmeerderjarige] en [minderjarige 1] hebben al jarenlang geen contact met de vader. Het is de jeugdbeschermer niet gelukt om contact tussen [minderjarige 2] en de vader tot stand te brengen. [minderjarige 2] heeft bij de jeugdbeschermer aangegeven geen contact meer te willen met de vader. Volgens de moeder heeft de vader aan de jeugdbeschermer laten weten dat hij geen contact meer wenst met de moeder en de jeugdbeschermer en ook niet mee wil werken aan eventuele hulpverlening. Ook heeft hij aangegeven geen toestemmingsformulieren meer te zullen tekenen. Dit brengt voor de moeder onherroepelijk problemen met zich mee voor te nemen gezagsbeslissingen, zoals een schoolkeuze of de aanvraag van reisdocumenten. Handhaving van het gezamenlijk gezag betekent hierdoor dat de kinderen klem of verloren raken tussen partijen. Daarom is wijziging van het gezag noodzakelijk, zodat de moeder gezagsbeslissingen voortaan alleen kan nemen.\n\nDe vader heeft op de zitting verweer gevoerd. Hij heeft bevestigd dat hij heeft gezegd geen contact meer te willen met de hulpverlening en geen toestemmingsformulieren meer te zullen tekenen. Dit komt door hoe het de afgelopen jaren is gegaan. De moeder heeft de zorgregeling eenzijdig stopgezet. Er is hem niet eerder om toestemming voor gezagsbeslissingen gevraagd. De vader heeft van [minderjarige 1] begrepen dat voor organisaties verzwegen is dat hij de gezaghebbende vader is, waardoor hem niet om toestemming is gevraagd. Volgens de vader komen de kinderen klem te zitten als hij contact heeft met de moeder. Dat gaat altijd lelijk en daar heeft hij geen zin meer in en wil hij de kinderen niet aandoen. De vader wil het gezag wel uit blijven oefenen, maar contact hebben met de moeder gaat niet. In deze situatie acht de vader het beter als de moeder alles zelf gaat doen. De deur voor de kinderen blijft altijd open, maar voor de moeder is deze dicht.\n\nDe Raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat de vader mee heeft gewerkt aan het eerder uitgevoerde Raadsonderzoek voor [minderjarige 1]. De vader heeft overal toestemming voor gegeven en was betrokken. De Raad wilde dan ook graag de zitting afwachten om te horen hoe de vader denkt over het gezag. De Raad vindt het knap wat de vader zegt in het belang van de kinderen. De Raad acht het wel van belang dat de moeder de vader blijft informeren.\n\nDe rechtbank overweegt dat er veel is gebeurd tussen partijen. Er is geen communicatie tussen hen. Op de zitting heeft de vader aangegeven dat hij moegestreden is. Hij wil op geen enkele manier contact met de moeder en heeft haar overal geblokkeerd. Hij wil niet betrokken worden in het leven van de kinderen, omdat hij dan contact moet hebben met de moeder en dat wil hij niet in het belang van de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat bij deze stand van zaken de minimale basis voor gezamenlijk ouderlijk gezag ontbreekt. Het is daarom in het belang van de kinderen dat de moeder alleen met het gezag wordt belast, zodat de rechtbank het verzoek van de moeder zal toewijzen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbepaalt dat voortaan alleen aan de moeder het gezag zal toekomen over de minderjarigen:\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats];\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats];\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17439","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:31.749Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":67,"fullText":76,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":61,"updatedAt":78},"387","ECLI:NL:RBDHA:2026:17436","ecli-nl-rbdha-2026-17436","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-7121\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F691898\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 29 september 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende te op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.J.M. Vélu te Rotterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nFeiten\n\n De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad.\n\n Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .\n\n De vader heeft [de minderjarige] met toestemming van de moeder op 23 juni 2023 erkend.\n\n De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.\n\n [de minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden sinds oktober 2024 zijn gewijzigd.\n\nBeoordeling\n\nHet wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over het kind blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan derhalve worden beëindigd indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien\n\nb) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nDe moeder stelt dat de vader niet goed voor [de minderjarige] zorgt wanneer zij bij hem is. Zij heeft autisme en is op extra hulp aangewezen. Volgens de moeder is het te druk bij de vader thuis voor [de minderjarige] , gelet op de aanwezigheid van de andere kinderen van de vader. De moeder heeft in oktober 2024 de omgangsregeling stopgezet, omdat zij aan [de minderjarige] merkte dat deze vorm van contact haar geen goed deed. Daarnaast geeft zij aan geen contact te hebben met de vader en als er wel contact is, dat dit slecht verloopt. De moeder stelt dat de vader een eigen leven heeft met een nieuw gezin en dat [de minderjarige] daar niet tussen past. Momenteel ondervindt de moeder geen problemen met de gezamenlijke gezagsuitoefening, maar zij geeft aan graag problemen in de toekomst voor te blijven.\n\nOp de zitting heeft de vader aangegeven dat hij [de minderjarige] sinds oktober 2024 niet meer gezien heeft. Wel hebben de vader en [de minderjarige] wekelijks contact waarbij zij elkaar berichten sturen via de telefoon. De vader heeft aangegeven dat hij niet uit het gedrag van [de minderjarige] heeft kunnen afleiden dat het haar te druk was bij hem thuis, hij dacht dat zij het juist leuk bij hem had. De vader heeft zich neergelegd bij het verbreken van het contact, omdat hij ervan uitgaat dat de moeder het beste weet wat goed is voor [de minderjarige] . Nooit heeft de vader de gezamenlijke gezagsuitoefening dwars willen zitten en hij heeft daarom dan ook altijd de benodigde documenten ondertekend. Op die manier bleef hij ook op de hoogte omtrent huidige ontwikkelingen van [de minderjarige] .\n\nOp de zitting is gebleken dat de vader [de minderjarige] graag zou willen zien en beide ouders hebben de bereidheid uitgesproken om zich hiervoor in te gaan zetten. Op aanraden van de Raad zal de moeder zal hiervoor een aanmelding doen bij het wijkteam of Family Supporters. Het doel hiervan is dat de vader handvatten krijgt zodat hij kan leren om te gaan met het autisme van [de minderjarige] en er gewerkt kan worden aan contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] .\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting daarnaast gebleken dat er een aantal misverstanden tussen de ouders zijn geweest waardoor er nu een gebrek aan contact is tussen de vader en [de minderjarige] . Om het gezamenlijk gezag te beëindigen moet de rechtbank toetsen of [de minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders. De rechtbank concludeert dat hier geen sprake van is, nu de vader vooralsnog altijd de benodigde documenten heeft ondertekend binnen een redelijke termijn. Ook is niet gebleken dat het anderszins in het belang van [de minderjarige] is dat de moede het eenhoofdig gezag verkrijgt. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag daarom afwijzen.\n\nBeslissing De rechtbank:\n\nwijst het verzoek van de moeder af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17436","2026-07-13T00:28:27.211Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":67,"fullText":83,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":61,"updatedAt":85},"407","ECLI:NL:RBDHA:2026:17449","ecli-nl-rbdha-2026-17449","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-7613\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F692764\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 7 oktober 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. D.G. Nagel in Almere.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nAls informant wordt aangemerkt:\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\nProcedure\n\nBij beschikking van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, zich onbevoegd verklaard van het verzoek kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin die zich op dat moment bevond, verwezen naar deze rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift.\n\nOp 19 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam 1] namens William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (de jeugdbeschermer);\n\n [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nDe minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] .\n\nDe vader heeft [de minderjarige] erkend.\n\nDe ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 9 mei 2019.\n\n [de minderjarige] is in juli 2023 uit huis geplaatst. Tot zijn uithuisplaatsing verbleef hij bij de vader en ging hij om de week gedurende het weekend naar de moeder.\n\nBij beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2025 heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, bepaald:\n\ndat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] wordt verlengd tot 13 juli 2026;\n\ndat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder wordt verlengd tot 13 juli 2026, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;\n\ndat het gezag over [de minderjarige] , voor zover dit betrekking heeft op de aanmelding bij een onderwijsinstelling, gedurende de periode van de machtiging tot uithuisplaatsing, te weten tot 13 juli 2026, wordt uitgeoefend door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader heeft geen verweer gevoerd.\n\nBeoordeling\n\nBevoegdheid\n\nArtikel 265 Rv bepaalt dat in zaken betreffende minderjarigen de rechter van de woonplaats van de minderjarige bevoegd is. Een minderjarige volgt op grond van artikel 1:12 lid 1 BW de woonplaats van de persoon die het gezag over hem uitoefent. Als beide ouders tezamen het gezag uitoefenen maar niet dezelfde woonplaats hebben, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie hij feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven. De ouders van [de minderjarige] hebben niet dezelfde woonplaats. [de minderjarige] verblijft feitelijk bij geen van hen, omdat hij uithuisgeplaatst is. Daarvoor verbleef hij feitelijk bij zijn vader. De woonplaats van de vader van [de minderjarige] bevindt zich in het arrondissement van de rechtbank Den Haag, die daarom bevoegd is.\n\nEenhoofdig gezag\n\nWettelijk kader\n\nDe rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder stelt dat er geen contact is tussen de vader en [de minderjarige] . Ondanks de pogingen van de gecertificeerde instelling lukt het niet om de vader te bewegen tot onderhouden van contact met [de minderjarige] . Daarnaast komt de vader zijn verplichtingen niet na als gezaghebbende ouder, zodat er wordt voldaan aan het klem en verloren-criterium. De vader ondertekende de formulieren voor het onderwijs van [de minderjarige] niet, waardoor de gecertificeerde instelling genoodzaakt was om gedeeltelijke gezagsuitoefening te verzoeken. Nu het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wel goed is en er gekeken wordt of er toegewerkt kan worden naar thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, acht de moeder het van belang dat haar alleen het ouderlijk gezag toekomt. Het is immers noodzakelijk dat alle benodigde hulpverlening kan worden aangevraagd indien dit nodig is vanwege problematiek van [de minderjarige] en voorts dat ook overschrijvingen naar bijvoorbeeld een andere school kunnen worden gerealiseerd, zonder dat de minderjarige klem en verloren dreigt te raken, omdat de vader daartoe niet zijn benodigde medewerking verleent.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat er sinds de uithuisplaatsing in 2023 geen contact is tussen de vader en [de minderjarige] , ondanks meerdere pogingen tot contactherstel van de gecertificeerde instelling. De vader geeft dus geen invulling aan zijn ouderlijke verantwoordelijkheid. Dat beeld wordt versterkt door het feit dat de vader in deze procedure geen verweer heeft gevoerd en dat hij niet op de zitting is verschenen. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat gezagsbeslissingen over [de minderjarige] niet genomen kunnen worden vanwege het ontbreken van de toestemming van de vader. De moeder en de jeugdbeschermer hebben op de zitting toegelicht dat er eerder vervangende toestemming nodig is geweest voor inschrijving van [de minderjarige] op school en dat de vader al twee jaar lang weigert om de inschrijving van [de minderjarige] in de Basisregistratie Personen (BRP) te wijzigen ondanks dat de gecertificeerde instelling dit heeft verzocht. Gelet op de onbereikbaarheid van de vader voorziet de rechtbank, net als de moeder en de gecertificeerde instelling, problemen als er in de toekomst gezagsbeslissingen over [de minderjarige] genomen moeten worden, met name met betrekking tot de hulpverlening voor [de minderjarige] . De rechtbank acht het gelet op voorgaande in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] zal uitoefenen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen.\n\nBrief aan [de minderjarige]\n\nDe rechter heeft in een aparte brief aan [de minderjarige] de beslissing uitgelegd. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap [de minderjarige] heeft ontvangen.\n\nBeste [de minderjarige] ,\n\nIk ben de kinderrechter met wie je een tijdje terug gepraat hebt. Ik vond het erg knap van je dat je alleen naar binnen durfde. Je vond het namelijk best wel spannend, zei je.\n\nVoor jou is het allerbelangrijkste dat je bij mama mag wonen. Daar kan ik helaas niet over beslissen. Ik weet dat je dat erg jammer vindt. Je moeder vindt dat ook erg jammer.\n\nIk heb besloten dat je vader geen gezag meer over jou heeft. Dat betekent dat hij bijvoorbeeld niet mag meebeslissen als je naar de dokter toe moet.\n\nIk vond het erg leuk om met je te praten, [de minderjarige] . Je lijkt me een aardige jongen. En je kunt goed nadenken over wat je wil en dat vertellen. Ik wens je veel succes met alles!\n\nMet vriendelijke groet,\n\nErik Boot\n\nKinderrechter\n\nBeslissing De rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat voortaan aan de moeder het eenhoofdig gezag toekomt over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17449","2026-07-13T00:28:28.165Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":67,"fullText":90,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":91,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":61,"updatedAt":92},"521","ECLI:NL:RBDHA:2026:17469","ecli-nl-rbdha-2026-17469","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummers: C\u002F09\u002F692121 \u002F JE RK 25-1662 en C\u002F09\u002F705647 \u002F FA RK 26-5095\n\nDatum uitspraak: 28 mei 2026\n\nBeschikking van de meervoudige kamer\n\nBeëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij\n\nAfwijzing aangehouden verzoek machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaken van\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,\n\nhierna te noemen de gecertificeerde instelling,\n\nen\n\nde Raad voor de Kinderbescherming ’sGravenhage,\n\nhierna te noemen de Raad,\n\nover de minderjarige\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe rechtbank merkt in beide zaken als belanghebbende aan:\n\n [de moeder], hierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat mr. A. Ramsaroep uit Den Haag.\n\nDe rechtbank merkt in de zaak van de Raad ook als belanghebbenden aan:\n\nmr. K. Moene, hierna te noemen de bijzondere curator,\n\nen\n\nde gecertificeerde instellingvoornoemd.\n\nDe rechtbank betrekt de Raadin de zaak van de gecertificeerde instelling voor het inwinnen van advies.\n\n1. Het (verdere) verloop van de procedure(s)\n\n1.1.. Bij beschikking van 14 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 22 mei 2026. Het verzoektot de machtiging tot uithuisplaatsing is voor het overige aangehouden en voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Aan de Raad is verzocht een adviesrapport uit te brengen ten behoeve van deze zitting.\n\n1.2.. Bij beschikking van 26 februari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg aansluitend verleend tot 1 juni 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden en de verdere behandeling is bepaald op 28 mei 2026 bij de meervoudige kamer van deze rechtbank.\n\n1.3.. Op 15 mei 2026 heeft de rechtbank een briefrapportage van de gecertificeerde instelling ontvangen van 12 mei 2025 met twee bijlagen.\n\n1.4.. Op 21 mei 2026 heeft de rechtbank het verzoekvan de Raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag ontvangen, met zeven bijlagen, waaronder het rapport van 20 mei 2026.\n\n1.5.. Op 28 mei 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank het aangehouden verzoek van de gecertificeerde instelling en het verzoek van de Raad gecombineerd behandeld. Daarbij waren aanwezig:\n\n [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;\n\n [naam 3] namens de Raad;\n\nde advocaat van de moeder;\n\nde bijzondere curator;\n\n [minderjarige] .\n\n1.6.. De moeder is niet in persoon bij de zitting aanwezig geweest. De advocaat heeft de reden daarvoor medegedeeld en namens de moeder tijdens de zitting haar standpunt naar voren gebracht. De advocaat heeft daarbij zijn spreekaantekeningen overgelegd.\n\n1.7.. Op 27 mei 2026 heeft de kinderrechter, tevens voorzitter van de meervoudige kamer, apart met [minderjarige] gesproken over hoe het met haar gaat en wat zij vindt van de verzoeken. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter, met goedvinden van [minderjarige] , samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige] is erkend door [naam 4] .\n\n2.2.. Bij beschikking van 26 augustus 2025 is bepaald dat de moeder eenhoofdig is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n [minderjarige] woont sinds augustus 2026 bij de ouders van haar vriend (hierna: haar schoonouders), samen met haar vriend en hun dochtertje, dat op [datum] 2025 is geboren.\n\n2.4.. Bij beschikking van 22 oktober 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 27 november 2026 en de huidige machtiging tot uithuisplaatsing verleend.\n\n2.5.. Bij beschikking van 19 maart 2026 heeft de kantonrechter in deze rechtbank de bijzondere curator benoemd.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1.. Het aangehouden verzoek van de gecertificeerde instelling strekt tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (te weten bij de schoonouders) voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\n3.2.. De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] te beëindigen en de gecertificeerde instelling te benoemen tot voogd. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De beoordeling van de rechtbank\n\n4.1.. De rechtbank beoordeelt eerst het verzoek van de Raad, omdat beëindiging van het gezag een verderstrekkende kinderbeschermingsmaatregel is dan het kader waarbinnen een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend (ondertoezichtstelling).\n\n4.2.. Beëindiging van ouderlijk gezag op verzoek van de Raad is een kinderbeschermingsmaatregel. Het doel daarvan is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is of als de ouder het gezag misbruikt.Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. De rechtbank beoordeelt ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.\n\n4.3.. In het geval van [minderjarige] en de moeder is de rechtbank van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag is voldaan en dat de inmenging van deze maatregel in het privé- en gezinsleven van de moeder en [minderjarige] gerechtvaardigd is. De rechtbank legt hierna uit waarom.\n\n4.4.. De relatie tussen de moeder en [minderjarige] is complex en staat al langere tijd ernstig onder druk. De moeder is het oneens met keuzes die [minderjarige] heeft gemaakt ten aanzien van haar geloof en haar relatie en maakt zich naar eigen zeggen zorgen dat [minderjarige] in een slechte situatie is beland waarvan zij de gevolgen niet kan overzien. Op die zorgen zal de rechtbank later terugkomen. Voor het oordeel over het gezag is voor de rechtbank van belang hoe de moeder haar rol als gezaghebbende ouder vervult. Het beeld dat de Raad hierover heeft geschetst, gesteund door de gecertificeerde instelling, is door de moeder niet met concrete argumenten weerlegd. Wel is namens de moeder naar voren gebracht dat zij een andere visie heeft, samenhangend met haar zorgen, maar dat zij zich erbij neerlegt als haar ouderlijk gezag wordt beëindigd. Zij hoopt dat [minderjarige] daarmee geholpen is en rust krijgt.\n\n4.5.. De rechtbank overweegt daarom als volgt. Sinds [minderjarige] ervoor gekozen heeft de relatie met de vader van haar dochtertje te herstellen heeft de moeder haar handen van [minderjarige] afgetrokken en geen verantwoordelijkheid meer genomen als gezaghebbende ouder. [minderjarige] is toen met haar dochtertje bij haar schoonouders gaan wonen (augustus 2025). Vast staat dat dat [minderjarige] niet meer bij de moeder zal gaan wonen. Ze willen dat allebei niet. De moeder heeft duidelijk gemaakt dat [minderjarige] thuis niet meer welkom is. De moeder heeft ook niet vrijwillig meegewerkt aan belangrijke zaken die nodig zijn als [minderjarige] niet thuis kan wonen, zoals inschrijvingen (voor de huisarts) en het verlenen van toestemming (voor vakanties). Daarnaast kan door toedoen van de moeder [minderjarige] niet over haar bankrekening beschikken en geen nieuwe rekening openen. Dat is de reden geweest voor de benoeming van de bijzondere curator door de kantonrechter. Ook is er kinderbijslag van de rekening van [minderjarige] (bedoeld voor haar dochtertje) gehaald door de moeder. Ter zitting is daarover namens de moeder verklaard dat zij dit geld wilde veiligstellen en heeft bewaard voor haar kleindochter, maar eerder heeft zij gezegd dat zij daarmee een mobiele telefoon heeft verrekend. Wat de reden ook is, de moeder heeft [minderjarige] financieel klem gezet. [minderjarige] heeft daar veel last van en het zorgt enkel voor verdere verwijdering van elkaar. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat de moeder niet in het belang van [minderjarige] handelt en schade toebrengt aan de ontwikkeling en toekomst van [minderjarige] . Het is een verdrietige constatering dat [minderjarige] – als kind en jonge moeder – niet kan rekenen op haar moeder en daarmee een belangrijke steunfiguur in haar leven mist.4.6.. Voor de rechtbank is duidelijk dat de moeder de verzorging en opvoeding van [minderjarige] feitelijk niet draagt en dat ook niet meer zal doen.Daarnaast is de rechtbank ook van oordeel dat de moeder, anders dan zij stelt, bewust op een kwalijke manier met haar gezagspositie omgaat omdat ze het oneens is met de keuze van [minderjarige] voor haar relatie en geloofsovertuiging. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van misbruik van gezag.In het licht van de zorgen die de moeder zegt te hebben is haar handelen ook onbegrijpelijk voor de rechtbank. Door haar weigerachtige houding en het financieel klemzetten moet [minderjarige] juist steunen op haar schoonfamilie, die door de moeder wordt beticht van slechte intenties.\n\n4.7.. De onderliggende zorgen van de moeder maken het oordeel van de rechtbank over het gezag niet anders. De rechtbank hecht eraan deze zorgen wel te bespreken, mede omdat deze aanleiding zijn geweest voor de kinderrechter om de Raad om advies te vragen.4.8.. Kort gezegd is volgens de moeder sprake van een afhankelijkheidsrelatie van [minderjarige] ten opzichte van haar vriend, tevens de vader van hun dochtertje, en zijn familie. De moeder heeft [minderjarige] zien veranderen en keuzes zien maken die zij niet op een andere manier kan verklaren. Die afhankelijkheid zou onder meer blijken uit een Islamitisch huwelijk gesloten op haar 14e verjaardag (in 2024). De moeder is het er daarom niet mee eens dat [minderjarige] onder toeziend oog van de gecertificeerde instelling bij de schoonouders verblijft.4.9.. De kinderrechter heeft deze zorgen serieus genomen en op basis van de verklaringen geoordeeld dat de signalen van een religieuze huwelijksvoltrekking tijdens de minderjarigheid van [minderjarige] moeten worden onderzocht. De signalen waren onder meer verklaringen over een ceremoniële setting in het bijzijn van een Imam en een foto op de 14e verjaardag van [minderjarige] en haar vriend met een document voor zich dat [minderjarige] in haar bezit zou hebben. Op verzoek van de kinderrechter heeft de Raad onderzoek gedaan naar de situatie van [minderjarige] om advies te kunnen geven over de machtiging tot uithuisplaatsing.\n\n4.9.. Op basis van zijn onderzoek heeft de Raad niets kunnen vinden dat erop duidt dat hier sprake is van een Islamitisch huwelijk, een gedwongen huwelijk of een gedwongen kindhuwelijk. Aan geen van de formele vereisten daarvoor is voldaan. De signalen berusten volgens de Raad op misverstanden. [minderjarige] en haar vriend hebben -in aanwezigheid van een vriend- op haar 14e verjaardag hun verkering naar elkaar uitgesproken, met een zelf gemaakt document. Dit is weggegooid toen [minderjarige] de relatie voor de geboorte van het dochtertje heeft verbroken. Ook is, aldus de Raad, niet gebleken van een gedwongen of ongewenste afhankelijkheid van [minderjarige] ten opzichte van haar vriend en schoonouders. Evenals de gecertificeerde instelling ziet de Raad geen aanleiding om de bedoelingen van de schoonouders in twijfel te trekken. Zij bieden haar geborgenheid en veiligheid en ondersteunen haar op alle gebieden, met oog en ruimte voor haar ontwikkeling als adolescent. Ze gaat weer volledig naar school en pakt samen met haar vriend de verzorging van hun dochtertje goed op. De slotsom is dat het juist fijn is voor [minderjarige] dat zij door dit gezin is opgevangen, nu zij geen steun vindt bij haar moeder.\n\n4.10.. De rechtbank constateert dat de zorgen over een vermeend kindhuwelijk voldoende zijn weggenomen door het rapport van de Raad. De beschikbare informatie wijst niet uit dat het religieuze huwelijk heeft plaatsgevonden. Overigens zou het nietig zijn als dat wel het geval was. Verder worden de zorgen van de moeder over een gedwongen of onwenselijke afhankelijkheidspositie van [minderjarige] ten opzichte van haar schoonfamilie niet door de feiten gesteund. De vrees dat [minderjarige] in een situatie zit waar zij niet uit kan komen is voldoende weggenomen door het onderzoek van de Raad. Daarbij merkt de rechtbank op dat de relatie tussen [minderjarige] en haar vriend eerder een periode verbroken geweest, en ook toen zijn er geen zorgen ontstaan over dwang vanuit of (negatieve) beïnvloeding door (de familie van) haar vriend. Tot slot zijn er veiligheidsafspraken gemaakt door de gecertificeerde instelling met de schoonouders om risico’s weg te nemen, zoals de afspraak dat indien de relatie tussen [minderjarige] en haar vriend zou uit gaan, zij met het dochtertje bij de schoonouders kan blijven wonen en hij zal verhuizen. Feit is dat zij nu ook samen ouders zijn en de zorg dragen voor hun dochtertje, over wie overigens geen zorgen bestaan.\n\n4.11.. Uit het voorgaande trekt de rechtbank de conclusie, voor zover dat aan haar oordeel is onderworpen, dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] in het gezin van haar schoonouders op dit moment in haar belang is.4.12.. Door de beëindiging van het gezag van de moeder moet de rechtbank een voogd over [minderjarige] benoemen die voortaan de gezagsbeslissingen neemt.De gecertificeerde instelling heeft verklaard dat te willen doen en de rechtbank vindt dat in het belang van [minderjarige] . De jeugdbeschermers hebben [minderjarige] intensief gesteund in de afgelopen maanden. Daardoor is het [minderjarige] gelukt om ondanks de onrust positieve stappen te zetten, zoals op school en ten aanzien van haar eigen moederschap. De rechtbank heeft het vertrouwen dat de gecertificeerde instelling de belangen van [minderjarige] zal behartigen en in het bijzonder oog zal houden voor de kwetsbare positie van [minderjarige] in relatie tot haar moeder en schoonfamilie. Bovendien draagt de gecertificeerde instelling ook de voogdij over het dochtertje.\n\n4.13.. Bij de benoeming van de voogdij zal de rechtbank bepalen dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] .Dat betekent dat zij de gecertificeerde instelling op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de gecertificeerde instelling vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.4.14.. De beslissing tot beëindiging van het ouderlijk gezag wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n4.15.. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat.\n\n4.16.. Als gevolg van de beslissing over het gezag, de voogdij en de uitvoerbaarheid bij voorraad is er geen belang meer bij een beslissing op het aangehouden verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing. Voor de volledigheid zal de rechtbank dat verzoek voor het overige afwijzen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. \n\nbeëindigt het ouderlijk gezag van de moeder\n\n [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1989 in [geboorteplaats] ,\n\n over de minderjarige\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\n5.2.. \n\nbenoemt tot voogd over voornoemde minderjarige\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,\n\n5.3.. bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van voornoemde minderjarige;5.4.. wijst het aangehouden verzoek van de gecertificeerde instelling over de machtiging tot uithuisplaatsing af;5.5.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 door mr. R.G. de Lange-Tegelaar, mr. M.H. Rochat en mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.\n\nDe beslissing is schriftelijk vastgesteld op 25 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 810, eerste lid, Rv.\n\n Zaaknummer C\u002F09\u002F692121 \u002F JE RK 25-1662\n\n Zaaknummer C\u002F09\u002F705647 \u002F FA RK 26-5095.\n\n Zaaknummer 12118647 EJ26-71285, pro forma aangehouden tot 19 september 2026.\n\n Artikel 1:266, eerste lid, BW.\n\n Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.\n\n Artikel 1:266, eerste lid, sub a, BW.\n\n Artikel 1:266, eerste lid, sub b, BW.\n\n Artikel 1:275, eerste lid, BW.\n\n Artikel 1:276, eerste lid, BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17469","2026-07-13T00:28:34.578Z",{"id":94,"ecli":95,"slug":96,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":67,"fullText":97,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":61,"updatedAt":99},"544","ECLI:NL:RBDHA:2026:17453","ecli-nl-rbdha-2026-17453","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-9531\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F696236\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Vervangende toestemming erkenning en gezag\n\nBeschikking op het op 10 december 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. E.D. Radenovska te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende ten aanzien van het verzoek aangaande de vervangende toestemming tot erkenning wordt aangemerkt:\n\n [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ,\n\nde minderjarige,\n\nin rechte vertegenwoordigd door mr. E.G.S.N. Asselbergs,\n\nadvocaat te ’s-Gravenhage,\n\nin de hoedanigheid van bijzondere curator.\n\nAls belanghebbende ten aanzien van het verzoek aangaande het gezag wordt aangemerkt:\n\nStichting Jeugdbescherming west Haaglanden,\n\nde voorlopige voogdes,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling,\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van:\n\n- het verzoekschrift, ingekomen op 10 december 2025;\n\n- het verslag van de bijzondere curator, ingekomen op 4 maart 2026;\n\n- het bericht van 11 maart 2026 van de zijde van de man;\n\n- het bericht van 12 maart 2026 van de zijde van de bijzondere curator;\n\n- het bericht van 12 maart 2026 van de zijde van de man.\n\nFeiten\n\n-Uit de affectieve relatie tussen de man en [de moeder] (hierna: de moeder) is [de minderjarige] op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] geboren.\n\n-[de minderjarige] is niet erkend.\n\n-De moeder is op [datum] 2025 overleden.\n\n-De moeder was van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast.\n\n-[de minderjarige] verblijft sinds het overlijden van de moeder bij de man en diens moeder.\n\n-Bij beschikking van deze rechtbank van 28 oktober 2025 is de gecertificeerde instelling belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] tot 20 januari 2026. De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 18 december 2025 verzocht om de man te belasten met de voogdij over [de minderjarige] . Op dit verzoek is nog geen beslissing genomen, zodat de voorlopige voogdij van de gecertificeerde instelling na 20 januari 2026 is blijven doorlopen.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 6 januari 2026 is mr. E.G.S.N. Asselbergs voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [de minderjarige] ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de man strekt ertoe:\n\n- primair: de man vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij [de minderjarige] kan erkennen;\n\nsubsidiair: het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen;\n\n- de man met het gezag over [de minderjarige] te belasten,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe bijzondere curator verzoekt zelfstandig het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nBeoordeling\n\nVervangende toestemming erkenning\n\nDe man heeft primair verzocht hem vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen. Subsidiair heeft de man verzocht om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.\n\nVoor de bijzondere curator staat vast dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] . Zij acht het in het belang van [de minderjarige] dat het vaderschap van de man komt vast te staan. De bijzondere curator heeft op zich geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen. Haar voorkeur gaat echter uit naar gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man omdat dit terugwerkt tot de geboorte van [de minderjarige] .\n\nNadat de man kennis heeft genomen van het verslag van de bijzondere curator, heeft hij gepersisteerd bij zijn primaire verzoek.\n\nDe rechtbank ziet in erkenning geen nadeel voor [de minderjarige] en nu dit de uitdrukkelijke wens van de vader is, zal de rechtbank het primaire verzoek van de man beoordelen.\n\nArtikel 1:204, derde lid, BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.\n\nDe moeder kan door haar overlijden geen toestemming meer geven voor de erkenning door de man. Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 1:204 BW dient onder het ontbreken van toestemming ook te worden begrepen het geval dat de moeder geen toestemming meer kan geven omdat zij is overleden.\n\nNu voldoende is komen vast te staan dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] , alle betrokkenen het eens zijn met het verzoek en de rechtbank niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] in het gedrang kan komen, zal de rechtbank het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen, toewijzen. Het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator om het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen, zal worden afgewezen.\n\nUit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.\n\nGezag\n\nDe rechtbank zal de beslissing op het verzoek van de man om hem met het gezag over [de minderjarige] te belasten aanhouden. Op dit verzoek kan pas worden beslist nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na de datum van deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde moet zijn gegaan. Het verzoek van de man aangaande het gezag zal samen met het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot voorziening in de voogdij (zaaknummer C\u002F09\u002F696516) worden behandeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1984 te [geboorteplaats 1] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1983 te [geboorteplaats 2] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ;\n\nwijst af het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator;\n\nbeschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;\n\nbepaalt dat de beslissing ten aanzien van het gezagpro forma wordt aangehouden tot1 november 2026;\n\nbepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door\n\nmr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17453","2026-07-13T00:28:36.001Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":67,"fullText":104,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":61,"updatedAt":106},"459","ECLI:NL:RBDHA:2026:17438","ecli-nl-rbdha-2026-17438","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-1055\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F680135\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026\n\nGezag, vervangende toestemming, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, informatieregelingBeschikking op het op 5 februari 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Schuerman te [geboorteplaats 1] .\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.V. Paniagua te [geboorteplaats 1] .\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet aanvullend verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoeken;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 14 februari 2025;\n\n-het F9-bericht met de brief d.d. 12 januari 2026 van de zijde van de moeder;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 28 januari 2026;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 28 januari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 3 februari 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht met de brief d.d. 5 februari 2026 van de zijde van de moeder;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 6 februari 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 13 april 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 27 april 2026 met bijlagen.\n\nDe minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben op 2 februari 2026 in een gesprek met de rechter hun mening gegeven.\n\nOp 5 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde advocaat van de moeder;\n\n [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nOp de zitting heeft de advocaat van de moeder een wrakingsverzoek gedaan en ter onderbouwing daarvan een pleitnota overgelegd. Na het voordragen van de pleitnota door de advocaat van de moeder is de zitting gesloten.\n\nHet wrakingsverzoek is afgewezen door de wrakingskamer.\n\nOp 30 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam 2] namens de Raad.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2015 tot [datum 2] 2023.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ,\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] .\n\n- De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de vader.\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2023, die is hersteld bij beschikking van 16 maart 2023, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is – voor zover hier van belang – een co-ouderschapsregeling bepaald waarbij de kinderen de ene week bij de vader zijn en de andere week bij de moeder met een wisselmoment op maandag om 19.00 uur, waarbij de ouders in onderling overleg in het traject ouderschapsbemiddeling nadere afspraken kunnen maken.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 8 augustus 2024 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] voortaan bij de vader zal zijn en zijn de ouders verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding, met voorkeur voor het Wilmahuis en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe vader verzoekt:\n\nte bepalen dat hij alleen wordt belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] per datum indiening verzoekschrift;\n\nvervangende toestemming te verlenen voor de bijschrijving van de minderjarige kinderen op de zorgverzekering van de vader;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nDaarnaast verzoekt de moeder zelfstandig:\n\nindien de verzoeken van de vader niet direct worden afgewezen, doorverwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer;\n\nde Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken om onderzoek te doen naar de verzoeken van de vader en de rechtbank te adviseren;\n\nde minderjarigen (voorlopig) onder toezicht te stellen van een GI;\n\nde zorgregeling\u002Fomgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen te wijzigen naar een zorgregeling waarbij de kinderen om de 14 dagen een weekend van vrijdag tot zondag bij de moeder zijn en alle vakanties bij helfte worden verdeeld;\n\neen informatieregeling vast te stellen waarbij de vader de moeder eens per vier weken dient te informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de minderjarige en dat de vader de moeder telkens informeert onder meer met toezending van een recente foto van de minderjarige, althans een informatieregeling te treffen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;\n\nBij wijze van voorlopige voorziening:\n\neen voorlopige zorgregeling\u002Fomgangsregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen en de moeder middels begeleide bezoeken naar de uitbreiding van een zorgregeling werken;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vader heeft op de zitting verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nVoorlopige voorziening\n\nOp grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp dat in de voorlopige voorzieningenprocedure voorligt, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige zorgregeling\u002Fomgangsregeling afwijzen bij gebrek aan belang.\n\nVerwijzing naar de meervoudige kamer\n\nJuridisch kader\n\nAls een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling en beslissing door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer, bestaande uit drie leden. De enkelvoudige kamer kan ook in andere gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen (artikel 15 lid 2 Rv).\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt om een verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer, omdat het de zoveelste rechtszaak is tussen de ouders na een langlopende en ingewikkelde echtscheiding en de beslissing over het verzoek van de vader over het eenhoofdig gezag een zo vergaande beslissing is dat deze volgens haar meervoudig genomen moet worden.\n\nDe vader ziet geen reden om de zaak meervoudig te behandelen en is van mening dat de kinderrechter de zaak in een eindbeschikking kan afdoen op basis van de stukken en de zitting.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank is de zaak geschikt voor behandeling en beslissing door één rechter. Daarom wijst zij dit verzoek van de moeder af.\n\nOnderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming\n\nDe rechtbank acht zich op grond van de stukken en de zitting voldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen in het belang van de kinderen en ziet ook verder geen redenen om een raadsonderzoek te gelasten. Daartoe overweegt de rechtbank dat er al veel hulpverlening betrokken is geweest bij partijen, waaronder een bijzondere curator. De kinderen hebben aangegeven rust te willen; ze hebben al heel veel gesprekken met hulpverleners gevoerd en ze hopen dat daar een einde aan komt. Zoals ook door de Raad op de zitting naar voren gebracht, is het de vraag of het in het belang van de kinderen is om ze aan nog een onderzoek bloot te stellen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat een raadsonderzoek tot nieuwe inzichten zal leiden. Daarbij komt, zoals ook door de vader aangevoerd, dat de kinderen behoefte hebben aan rust en duidelijkheid. Een raadsonderzoek gaat lang duren en brengt ook weer onzekerheid met zich mee. Dit alles overwegende zal de rechtbank het verzoek van de moeder om een raadsonderzoek afwijzen.\n\nGezag\n\nWettelijk kader\n\nUitgangspunt is dat de ouders, ook na een scheiding, gezamenlijk het gezag over hun kinderen blijven uitoefenen. Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gezamenlijk gezag kan alleen worden beëindigd, als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nOntvankelijkheid\n\nHet is de rechtbank gebleken dat er al geruime tijd geen contact meer is tussen de moeder en de kinderen, waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vader is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vader verzoekt hem te belasten met het éénhoofdig gezag over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] , omdat de minimale basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. Voor het nemen van gezagsbeslissingen moet een ouder voldoende betrokken zijn en ook weten hoe het staat met het welzijn en de behoefte van de kinderen. De moeder is al jaren niet betrokken bij het leven van de kinderen en heeft geen zicht op hun ontwikkeling. Met [de minderjarige 2] is er vanaf juni 2022 geen contact en met [de minderjarige 1] vanaf medio 2023. De kinderen verzetten zich tegen het contact met de moeder. De vader ervaart bovendien moeilijkheden in de communicatie met de moeder. De moeder werkt onvoldoende mee bij te nemen gezagsbeslissingen, zoals vakanties, het aanvragen van identiteitsbewijzen voor de kinderen en de bijschrijving van de kinderen op de zorgverzekering van de vader. Dat geeft de vader en kinderen spanning en stress. Als de vader wordt belast met het eenhoofdig gezag dan sluit dat aan bij de feitelijke situatie. Ook geeft dat de kinderen rust, stabiliteit en duidelijkheid.\n\nDe moeder stelt zich op het standpunt dat er niet is voldaan aan de wettelijke vereisten om het gezamenlijke gezag te kunnen beëindigen. Het klopt dat er geen contact is tussen haar en de kinderen, zij wordt structureel buitengesloten door de vader. Desondanks blijft zij zoveel mogelijk actief betrokken bij de kinderen. De moeder is gestart met het documenteren van de ontwikkelingen van de kinderen. Op deze manier heeft zij zicht op het leven van de kinderen en is zij in staat samen met de vader gezagsbeslissingen te nemen. Hoewel er al geruime tijd geen constructief overleg tussen de ouders heeft plaatsgevonden is er geen sprake van een gezagsvacuüm, volgens de moeder. De vader heeft gezagsbeslissingen zelfstandig kunnen nemen. Zij heeft geen gezagsbeslissingen tegengewerkt. De moeder is bang dat zij volledig uit het leven van de kinderen verdwijnt als de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast. Het ouderlijk gezag is op dit moment het enige wat haar verbindt met de kinderen.\n\nDe rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt van de wetgever is. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van de kinderen het gezag aan één van de ouders moet toekomen.\n\nDe rechtbank ziet zich in dit geval gesteld voor een keuze tussen twee kwaden. In stand houden van het gezamenlijk gezag betekent dat partijen gezamenlijk beslissingen moeten nemen over de kinderen terwijl de verstandhouding tussen hen heel slecht is en de communicatie feitelijk niet bestaand. Dat maakt het samen nemen van beslissingen voor de kinderen heel lastig zo niet onmogelijk. Dit levert voor de kinderen veel onzekerheid en onrust op. Daar staat tegenover dat wanneer de moeder geen gezag meer heeft, het risico bestaat dat zij volledig uit het leven van de kinderen verdwijnt. Het gezag is op dit moment het laatste lijntje van de moeder met de kinderen. Beide situaties zijn niet goed voor de kinderen en de rechtbank moet daarin een belangafweging maken.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de moeder aangegeven niet aan gezagsbeslissingen in de weg te willen staan. Tegelijkertijd is het de rechtbank uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken gebleken dat het partijen vaker niet dan wel lukt om samen gezagsbeslissingen te nemen. Er is steeds tussenkomst van een derde nodig, zoals de bijzondere curator, de advocaten of de rechtbank zoals in deze procedure waar het gaat om de bijschrijving van de kinderen op de zorgverzekering van de vader. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat partijen niet in staat zijn samen beslissingen te nemen. Gelet op de al jaren ernstig verstoorde verstandhouding tussen de ouders, ligt het niet in de lijn der verwachting dat dit (in de nabije toekomst) zal veranderen. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hebben hier last van, het levert voor hen steeds stress en onzekerheid op. Daarbij komt dat er bij de kinderen door gebeurtenissen uit het verleden grote weerstand is tegen contact met de moeder, waardoor het voor hen extra belastend is als gezagsbeslissingen niet kunnen worden genomen. De rechtbank weegt ook mee dat de moeder op dit moment geen rol speelt in het leven van de kinderen. Ook daar is niet de verwachting dat dit (op korte termijn) zal veranderen. Zij kan daarom niet een sparring partner voor de vader zijn waar het gaat om gezagsbeslissingen die in het belang van de kinderen moeten worden genomen. De rechtbank ziet een moeder die van haar kinderen houdt en niets liever wil dan betrokken worden in het leven van haar kinderen, maar door alles wat er is gebeurd niet altijd in staat lijkt mee te werken in het belang van de kinderen.\n\nDit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat het in het belang van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] noodzakelijk is dat de vader alleen de beslissingen over hen kan nemen en dat hij met het eenhoofdig gezag over hen wordt belast. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook toewijzen. Anders dan de vader verzoekt zal de rechtbank bepalen dat dit geldt vanaf de datum van deze beschikking.\n\nVervangende toestemming zorgverzekering\n\nNu de rechtbank de vader met het eenhoofdig gezag zal belasten, kan hij zelfstandig de kinderen bijschrijven op zijn zorgverzekering en heeft hij de toestemming van de moeder niet meer nodig. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen wegens een gebrek aan belang.\n\n(Voorlopige) ondertoezichtstelling\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:255, eerste lid, BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en: (a) de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en (b) de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen. Op grond van het tweede lid is een ouder bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad niet tot indiening van het verzoek overgaat.\n\nOp grond van artikel 1:257 lid 1 BW kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. Op grond van artikel 1:257 lid 2 BW is artikel 1:255 lid 2 BW overeenkomstig van toepassing. De kinderrechter bepaalt de duur van dit toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde herroepen.\n\nOntvankelijkheid\n\nDe rechtbank overweegt dat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek op grond van artikel 1:255, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu de Raad op de zitting heeft laten weten niet over te gaan tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat er gewerkt moet worden aan het negatieve en vertekende beeld dat de kinderen van haar hebben. Volgens de moeder is er sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en zijn de ouders tot op heden niet in staat gebleken om hulp te regelen die nodig is om deze zorgen weg te nemen.\n\nDe vader is het hier niet mee eens. De kinderen worden volgens hem helemaal niet in hun ontwikkeling en veiligheid bedreigd, zodat er niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten.\n\nOp basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor een (spoed) ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Op een eerdere zitting is er ook al gesproken over een mogelijke ondertoezichtstelling. In de beschikking van 8 augustus 2024 is hierover het volgende opgenomen: “Op de zitting is nog gesproken over een mogelijk raadsonderzoek naar een eventuele kinderbeschermingsmaatregel, zodat een jeugdbeschermer met de ouders mee kan kijken. De Raad vindt dit echter niet in het belang van de kinderen is. Een jeugdbeschermer wordt dan verantwoordelijk gemaakt voor het probleem dat de ouders niet lijken te kunnen oplossen.”Dat is naar het oordeel van de rechtbank nog altijd de situatie. Daarbij komt dat de Raad op deze zitting wederom heeft aangegeven geen aanleiding te zien voor een ondertoezichtstelling.\n\nOmgang\n\nJuridisch kader\n\nNu de rechtbank de vader zal belasten met het eenhoofdig gezag, zal de rechtbank hierna daar waar van toepassing de term omgang gebruiken.\n\nOp grond van artikel 1:377e lid 1 BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders, van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt, als de kinderen niet onder toezicht gesteld worden, om een regeling waarbij de kinderen, al dan niet met een opbouwregeling, om de veertien dagen één weekend van vrijdag tot zondag en de vakanties bij helfte bij haar verblijven. Op de zitting heeft de advocaat van de moeder aangegeven dat de moeder begrijpt dat dit verzoek niet volledig kan worden toegewezen. Zij zet echter hoog in, in de hoop dat er op deze manier contactherstel tussen de moeder en de kinderen tot stand komt. Het is aan de rechtbank om hierin een afweging te maken.\n\nDe vader heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij te allen tijde het contact van de kinderen met de moeder heeft aangemoedigd en gestimuleerd. Op enig moment hebben de kinderen aangegeven dat zij zich dusdanig gepusht voelden terwijl ze niet naar de moeder wilden, dat ze het vertrouwen in hem aan het verliezen waren. Daar heeft de vader de grens getrokken in het stimuleren. Als de kinderen contact willen met hun moeder dan zal de vader dat ondersteunen. De kinderen weten wie hun moeder is en ze hebben een leeftijd waarop ze hierin zelfstandig een keuze kunnen maken. Voor contactherstel en het opstarten van de zorgregeling is al veel hulpverlening ingezet, zonder resultaat. De kinderen verzetten zich steeds. Gelet op de leeftijd van de kinderen moet er rekening worden gehouden met hun mening.\n\nHet is de rechtbank duidelijk geworden dat er veel is gebeurd tussen partijen. Er zijn meerdere procedures gevoerd en verschillende hulpverleningstrajecten opgestart. Het laatste traject, begeleide omgang via ’t Zorghuisje, is vastgelopen omdat de weerstand bij de kinderen te groot was. ‘t Zorghuisje heeft geconcludeerd dat herstel van het contact een beladen thema is en dat verdere stappen in het tempo van de kinderen moeten gebeuren. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de kinderen consequent zijn in hun verhalen. Hun ervaringen zijn heftig. De rechtbank constateert dat dit voor de moeder moeilijk is om te horen. Zij herkent de door de kinderen aangehaalde ervaringen niet en kan dit ook niet begrijpen. Zoals ook eerder door de bijzondere curator opgemerkt, is voor een mogelijk contactherstel nodig dat de kinderen zich gezien en gehoord voelen. Zij hebben het nodig om serieus genomen te worden. Dit is voor de moeder (op dit moment) niet haalbaar. De rechtbank ziet, evenals in eerdere procedures, geen draagvlak bij de kinderen en partijen om een omgangsregeling te bepalen. Het verzoek van de moeder zal de rechtbank dan ook afwijzen.\n\nInformatieregeling\n\nJuridisch kader\n\nOp grond van artikel 1:377b, lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen. Over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt een informatieregeling, waarbij de vader de moeder eens per vier weken moet informeren over de kinderen. De vader kan zich hierin vinden, maar wil mede gelet op de leeftijd van de kinderen ééns per kwartaal de moeder informeren.\n\nDe rechtbank acht het gelet de leeftijd op de kinderen niet nodig dat de vader de moeder elke vier weken op de hoogte houdt. De rechtbank gaat mee in de voorgestelde frequentie door de vader en stelt vast dat de vader de moeder eens per kwartaal informeert over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de minderjarigen met toezending van een recente foto van de minderjarigen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat voortaan alleen aan de vader het gezag zal toekomen over de minderjarigen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] ;\n\n*\n\nbepaalt een informatieregeling waarbij de vader de moeder eens per kwartaal moet informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de kinderen met toezending van een recente foto van de kinderen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17438","2026-07-13T00:28:31.378Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":111,"fullText":112,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":61,"updatedAt":115},"289","ECLI:NL:RBDHA:2026:17381","ecli-nl-rbdha-2026-17381","2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-5736\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F689278\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 25 juli 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J.J. van Kuijk in ‘s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.F. Mandos in Rijswijk.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 23 september 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 16 april 2026 met bijlagen van de moeder.\n\nOp 29 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nDe minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van de volgende kinderen:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] .\n\nDaarnaast zijn zij de ouders van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedag 2] 2005 in [geboorteplaats 2] .\n\nDe vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 20 juni 2017.\n\n [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt haar met het eenhoofdig gezag te belasten over [minderjarige] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nEenhoofdig gezag\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:253n, eerste lid Burgerlijk Wetboek (BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, BW, hierop ook van toepassing. Het gezamenlijk\n\ngezag kan daarom worden beëindigd als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nStandpunten\n\nDe moeder stelt dat is voldaan aan de wettelijke criteria om het gezamenlijk gezag te beëindigen. De vader is jarenlang niet betrokken geweest bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . De vader heeft herhaaldelijk gedetineerd gezeten en de afwezigheid van de vader heeft een behoorlijke impact gehad op [minderjarige] . Inmiddels verblijft [minderjarige] weer regelmatig bij haar vader, maar dan houdt de vader zich niet aan de regels en structuur die de ouders voor [minderjarige] hebben afgesproken. De moeder is van mening dat de vader daarmee niet in het belang van [minderjarige] handelt.\n\nDe vader stelt dat er geen overleg plaatsvindt tussen de ouders en dat dit aan de moeder te wijten is, die de regels bepaalt en vader dan alleen maar de optie geeft om daarmee in te stemmen. De vader erkent dat hij de regels met betrekking tot het internetgebruik van [minderjarige] in het verleden niet altijd strak heeft gehandhaafd, maar stelt dat hij dat nu wel doet. De vader betwist dat er een risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raakt en stelt dat het ook niet noodzakelijk is dat het gezag wordt gewijzigd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt, op basis van de stukken en de nadere toelichting op de zitting, vast dat de communicatie tussen de ouders niet op constructieve wijze verloopt. Dit heeft er echter tot op heden niet toe geleid dat de ouders niet in staat waren om gezamenlijk beslissingen over [minderjarige] te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen reëel risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken.\n\nDe rechtbank overweegt voorts dat de problematiek die de moeder het meeste zorgen baart, namelijk dat de vader zich niet altijd heeft gehouden aan de eerder gemaakte afspraken, niet wordt opgelost door beëindiging van het gezag van de vader. Daarom acht de rechtbank wijziging van het gezag ook niet anderszins noodzakelijk. De rechtbank merkt in dit kader het volgende op. De oplossing voor deze problematiek is gelegen in het gezamenlijk overleg tussen de ouders over wat [minderjarige] nodig heeft en wat passend is voor haar leeftijd en ontwikkeling. Op de zitting is gebleken dat beide ouders inzien dat [minderjarige] een beïnvloedbaar meisje is en dat het daarom van belang is dat op een aantal leefgebieden – in ieder geval bij het gebruik van social media – strenge regels gelden en dat die regels consequent gehandhaafd worden. Het ligt op de weg van de moeder, als hoofdverzorger, om goed uit te leggen waarom zij bepaalde regels van belang vindt. Als de vader het niet (langer) eens is met regels die de ouders voor [minderjarige] zijn overeengekomen, ligt het op zijn weg om daarover met moeder in overleg te treden en tot er nieuwe afspraken zijn gemaakt, de oude regels te handhaven tegenover [minderjarige] .\n\nDit alles leidt tot de conclusie dat de rechtbank het verzoek van de moeder zal afwijzen.\n\nBeslissingDe rechtbank:\n\nwijst het verzoek van de moeder af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17381","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.861Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":120,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":122,"parsedAt":61,"updatedAt":123},"1602","ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","ecli-nl-rbdha-2026-17233","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-1859\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700170\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 23 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw],\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. El Aqde te Amsterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man],\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.G. de Jong te ‘s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van 7 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;\n\nhet verweerschrift, tevens verzoekschrift.\n\nOp 12 mei 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:\n\n- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- het minderjarige kind van partijen, [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de vrouw wordt toevertrouwd;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nTevens heeft de man zelfstandig verzocht:\n\n- primair: te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres];\n\n- subsidiair: te bepalen dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is;\n\n- het minderjarige kind van partijen [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de man toe te vertrouwen;\n\n- en een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van het minderjarige kind van partijen vast te stellen, in die zin dat [minderjarige] afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders verblijft, met dien verstande dat:\n\n- in de even weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- in de oneven weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n en daarbij te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 250,-- met een maximum van € 25.000,-- verbeurt per dag dat zij haar medewerking niet verleent aan de voorlopige zorgregeling;\n\n en te bepalen dat de feestdagen afwisselend in onderling overleg bij helfte worden gedeeld;\n\neen en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordelingToevertrouwing minderjarige, uitsluitend gebruik echtelijke woning en zorgregeling\n\nStandpunten van partijen\n\nDe vrouw stelt dat het in het belang is van [minderjarige] dat zij bij uitsluiting gebruik mag maken van de echtelijke woning, dat [minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd en dat de contacten tussen de man en [minderjarige] onder professionele begeleiding worden opgestart. De vrouw voert daartoe aan dat zij vermoedt dat de man kampt met psychiatrische problematiek, dat er een patroon is van intieme terreur en verbaal en fysiek geweld, waarvan [minderjarige] getuige is geweest. Professionele omgangsbegeleiding is gelet op deze voorgeschiedenis noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] en de vrouw te waarborgen. Het is ook in het belang van [minderjarige] dat hij – samen met de vrouw, die altijd zijn hoofdverzorger is geweest – in zijn vertrouwde omgeving kan wonen, zodat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend zou moeten worden. De vrouw verblijft nu met [minderjarige] bij haar moeder, maar dat is voor zowel de vrouw als [minderjarige] onwenselijk.\n\nDe man heeft betwist dat de vrouw altijd de hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest en gesteld dat er sprake is geweest van gedeelde zorg. De man wenst dat [minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd, nu hij [minderjarige] sinds het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning niet meer heeft gezien en de vrouw hiermee heeft laten zien dat zij niet in het belang van [minderjarige] handelt. De man heeft geen beschikking over andere woonruimte waar hij voor [minderjarige] kan zorgen en daarom wil hij dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem wordt toegekend. Subsidiair verzoekt de man de rechtbank om een birdnestingregeling vast te stellen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n [minderjarige] is getuige is geweest van hoogoplopende ruzies tussen partijen. Dat is onwenselijk, maar de rechtbank ziet daarin geen aanleiding om te oordelen dat het contact tussen de man en [minderjarige] alleen onder begeleiding zou kunnen worden opgestart. Dat de veiligheid van [minderjarige] in het geding zou zijn als hij bij de man verblijft – doordat sprake is van psychiatrische problematiek bij de man en\u002Fof omdat sprake is van een patroon van geweld of intieme terreur – is door de vrouw niet onderbouwd en ook niet anderszins aannemelijk geworden. Dat betekent dat de rechtbank een onbegeleide zorgregeling zal vaststellen. De rechtbank vindt voor de voorlopig vast te stellen zorgregeling een opbouwregeling als na te melden nodig, omdat [minderjarige] pas 2 jaar is en hij de man na enkele hoogopgelopen ruzies 3 maanden niet heeft gezien. De rechtbank zal het verzoek om te bepalen dat de feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld afwijzen, nu de vast te stellen voorlopige zorgregeling er uiteindelijk op neerkomt dat de ouders [minderjarige] de helft van de tijd bij zich hebben en daarmee ook ongeveer de helft van de feestdagen.\n\nHet voorgaande houdt in dat de over en weer gedane verzoeken met betrekking tot de toevertrouwing van [minderjarige] zullen worden afgewezen.\n\nMet betrekking tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning overweegt de rechtbank als volgt. Beide partijen hebben geen goed alternatief voor woonruimte. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij afwisselend door beide ouders verzorgd wordt. De rechtbank zal daarom vaststellen dat sprake zal zijn van birdnesting, waarbij [minderjarige] in zijn vertrouwde omgeving kan verblijven en de ouders om en om met hem in de echtelijke woning verblijven. De rechtbank realiseert zich dat birdnesting geen ideale situatie is voor beide partijen, maar op dit moment is dit wel de situatie die het meest in het belang is van [minderjarige].\n\nHet verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen.\n\nOp de zitting is nog gesproken over de overdracht. Nu er sprake zal zijn van birdnesting kan [minderjarige] in de echtelijke woning blijven en kunnen de ouders elkaar aflossen in de echtelijke woning. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich ervoor zullen inspannen om de overdrachten, in het belang van [minderjarige], rustig te laten verlopen en elkaar in het bijzijn van [minderjarige] geen verwijten te maken. Het ligt daarbij op de weg van de ouder die de woning moet verlaten om ervoor te zorgen dat alle benodigde spullen klaar staan op het moment van de wissel, zodat partijen niet langdurig gezamenlijk in de echtelijke woning hoeven te verblijven.\n\nDwangsom\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de man tot het opleggen van een dwangsom afwijzen. De vrouw heeft zich ter zitting weliswaar verzet tegen onbegeleid contact tussen [minderjarige] en de man, maar zij heeft tevens verklaard dat zij inziet dat het in het belang is van [minderjarige] om contact te hebben met zijn vader. De rechtbank verwacht dat de vrouw uitvoering zal geven aan de voorlopige zorgregeling, omdat zij inziet dat contact in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank vindt het opleggen van een dwangsom in dit stadium daarom prematuur.\n\nUniform hulpaanbod\n\nOp de zitting hebben beide ouders de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De vrouw zou graag zien dat ook het traject ook ziet op omgangsbegeleiding, maar de rechtbank ziet daartoe, zoals hiervoor is overwogen, geen aanleiding. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.\n\nDe rechtbank verzoekt de ouders om in de scheidingsprocedure bekend onder kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van het ouderschapsbemiddelingstraject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nstelt de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], als volgt vast:\n\nde eerste twee weken na heden: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 10.00 uur tot 15.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 9.00 uur tot 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag van 9.00 uur tot donderdag 18.00 uur en zondag van 9.00 uur tot maandag 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\ndaarna: [minderjarige] verblijft afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders, met dien verstande dat:\n\n- [minderjarige] in de even weken op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- [minderjarige] in de oneven weken op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en beveelt mitsdien dat de man gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is en beveelt mitsdien dat de vrouw gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n*\n\nstelt vast dat de ouders, te weten:\n\n [de man],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nen\n\n [de vrouw],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres;\n\nbij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;\n\nbeveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:\n\nKenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;\n\nbepaalt dat de ouders de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 informeren over het verloop van voornoemd traject;\n\nbepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat om deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.133Z",20]