[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-planning-enforcement-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":58,"limit":59},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},105,"planning-enforcement-nl","Planning Enforcement","NL","2026-07-08T16:56:40.793Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2023-11-20T00:00:00.000Z","2026-05-01T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,50],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1681","ECLI:NL:RBDHA:2026:11003","ecli-nl-rbdha-2026-11003","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 23\u002F6629, 24\u002F2357 en 24\u002F32uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen\n\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.R.D.D. Speelman)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, het college\n\n(gemachtigde: mr. J. dos Santos).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een last onder dwangsom aan eiser (SGR 23\u002F6629), het buiten behandeling stellen van twee aanvragen om een omgevingsvergunning (SGR 24\u002F32) en het invorderen van een dwangsom (SGR 24\u002F2357). Eiser is het niet eens met deze besluiten. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de bestreden besluiten.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. Eiser krijgt dus gelijk en de beroepen zijn daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\nZaak SGR 23\u002F6629\n\n2. Op 23 november 2020 heeft een toezichthouder van de afdeling Veiligheid, Toezicht en Handhaving van de gemeente Leidschendam-Voorburg geconstateerd dat op de uitbouw van de woning aan de [adres 1] door eiser, eigenaar van de bovengelegen woning aan de Parkweg 85A, een dakterras met hekwerk is gerealiseerd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.\n\n2.1.. Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. De last strekt tot (1) het verwijderen en verwijderd houden van het hekwerk op de uitbouw bij de woning aan de [adres 1] , (2) het plaatsen van een valbeveiliging bij de deur die toegang geeft tot het dak en (3) het staken en gestaakt houden van het gebruik van het dak van de uitbouw als dakterras.2.2.. Bij besluit van 24 augustus 2023 heeft het college de bezwaren van eiser tegen het opleggen van de last onder dwangsom ongegrond verklaard.\n\nZaak SGR 24\u002F322.3.. Op 15 oktober 2022 heeft eiser een omgevingsvergunning verzocht ter legalisatie van zijn dakterras.\n\n2.4.. Bij brief van 17 november 2022 heeft het college aan eiser meegedeeld dat het zijn verzoek om een omgevingsvergunning niet in behandeling kan nemen.\n\n2.5.. Op 17 februari 2023 heeft eiser opnieuw verzocht om een omgevingsvergunning ter legalisatie van zijn dakterras.\n\n2.6.. Bij brief van 27 februari 2023 heeft het college dit verzoek buiten behandeling gesteld onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2.7.. Bij besluit van 22 november 2023 heeft het college de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 17 november 2022 en 27 februari 2023 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.\n\nZaak SGR 24\u002F23572.8.. Bij brief van 13 december 2023 heeft het college aan eiser medegedeeld dat een toezichthouder tijdens een controle op 16 november 2023 heeft geconstateerd dat het gebruik van het dakterras niet is gestaakt.\n\n2.9.. Bij besluit van 8 februari 2024 heeft het college een dwangsom van € 1.500,- bij eiser ingevorderd.\n\nIn alle zaken2.10.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 24 augustus 2023, 22 november 2023 en 8 februari 2024. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.11.. De rechtbank heeft de zaken gevoegd en op 20 maart 2026 behandeld op zitting. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank eerst ingaan op de door eiser verzochte omgevingsvergunning (zaak 24\u002F32). Vervolgens zal het opleggen van de last onder dwangsom worden beoordeeld (zaak 23\u002F6629). Tot slot zal de rechtbank het invorderen van de dwangsom beoordelen (zaak 24\u002F2357).\n\nDe omgevingsvergunning (SGR 24\u002F32)\n\n4. Het college heeft de verzoeken van eiser om een omgevingsvergunning voor het dakterras niet in behandeling genomen. Volgens het college kunnen deze verzoeken niet worden aangemerkt als aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, omdat eiser geen belanghebbende is. Het college stelt zich hiertoe op het standpunt dat het dakterras niet gerealiseerd kan worden, omdat eiser niet beschikt over de hiervoor vereiste privaatrechtelijke toestemming van zijn buren.\n\n5. Eiser betoogt dat hij wel belanghebbende is. Hij voert aan dat alle betrokken omwonenden op enig moment hebben ingestemd met de realisatie van het dakterras. Eiser verwijst hiertoe naar een proces-verbaal van een zitting bij de rechtbank Den Haag van 5 juli 2022,de splitsingsakte van 26 oktober 2022, de notulen van de vergadering van de Vereniging van Eigenaren (VvE) van 16 november 2022 en een door de omwonenden ondertekende brief van 23 november 2019. Verder voert eiser aan dat toestemming van de eigenaren van de naastgelegen woning [adres 2] niet nodig is, omdat een op de zij-erfgrens aanwezig privacyscherm ervoor zorgt dat er vanaf het dakterras geen zicht is op het naastgelegen erf. Voor zover ten aanzien van dit erf sprake zou zijn van een privaatrechtelijke belemmering, is die volgens eiser dan ook weggenomen.\n\n5.1.. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.\n\n5.2.. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.\n\n5.3.. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bij de beoordeling van de belanghebbendheid de hoofdregel geldt dat degene die een verzoek om vergunning indient, in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op het verzoek. Dit kan anders zijn als het verzoek om het verlenen van een vergunning betrekking heeft op gronden die bij een ander in eigendom zijn of waarop een ander zakelijke rechten heeft. Als aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt omdat de rechthebbende hiervoor geen toestemming wil geven en er geen mogelijkheid bestaat om de activiteit te verwezenlijken tegen de wens van de rechthebbende in, dan is de verzoeker geen belanghebbende. In dat geval is het verzoek om vergunning geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.\n\n5.4.. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie zich hier niet voordoet. Eiser heeft in dit verband terecht gewezen op onder meer het proces-verbaal van een zitting bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2022, waaruit volgt dat de eigenaren van de woning aan de [adres 1] toestemming verlenen voor de aanleg en het gebruik van het reeds gerealiseerde dakterras op hun uitbouw. Ook in de akte van splitsing van 26 oktober 2022 wordt bevestigd dat de eigenaren van de uitbouw de aanwezigheid van het dakterras accepteren. Dat betekent dat niet aannemelijk is geworden dat het dakterras niet kan worden gelegaliseerd omdat de rechthebbenden op de uitbouw hiertegen bezwaar hebben. Het college heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat eiser geen belanghebbende is bij zijn verzoek om een omgevingsvergunning voor het dakterras.\n\n5.4.1.. \n\nVoor zover het college meent dat het dakterras te dicht op de erfgrens is gerealiseerd en dat hiervoor daarom de instemming van omwonenden is vereist, leidt dit niet tot een ander oordeel. De vraag of sprake is van privaatrechtelijke belangen van derden die eraan in de weg kunnen staan dat een omgevingsvergunning voor het dakterras wordt verleend, dient het college te beantwoorden bij de beoordeling van de aanvraag voor die omgevingsvergunning. Daartoe zal het college deze aanvraag dus eerst in behandeling moeten nemen. Bij de beoordeling van de aanvraag zal het college acht moeten slaan op de door eiser overgelegde documenten waaruit volgens hem blijkt dat de betrokken omwonenden akkoord zijn met de realisatie van het dakterras.\n\nHet betoog van eiser slaagt.\n\n5.5.. De conclusie van het voorgaande is dat het college de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. De rechtbank zal het bestreden besluit van 22 november 2023 daarom vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.\n\nHet opleggen van de last onder dwangsom (SGR 23\u002F6629)\n\n6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór 1 januari 2024 een last onder dwangsom is opgelegd voor een gepleegde overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing, tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Het college heeft de last onder dwangsom vóór 1 januari 2024 opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.\n\n7. Eiser betoogt dat het college de last onder dwangsom niet mocht opleggen, omdat – zo begrijpt de rechtbank het betoog van eiser – sprake is van concreet zicht op legalisatie van het dakterras. Eiser heeft er in dit verband op gewezen dat zowel de bewoners van de [adres 1] als de betrokken overige omwonenden geen bezwaar hebben tegen het dakterras.\n\n8. Het college stelt zich op het standpunt dat de last onder dwangsom terecht is opgelegd. Volgens het college is sprake van een overtreding. Concreet zicht op legalisatie hiervan ontbreekt, nu het college niet bereid is de voor het dakterras vereiste omgevingsvergunning te verlenen.\n\n8.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding, nu het dakterras strijd oplevert met het bestemmingsplan en zonder de hiervoor vereiste omgevingsvergunning is gerealiseerd. Eiser heeft zijn beroepsgrond dat het dakterras kon worden gerealiseerd met gebruikmaking van een bouwvergunning die in 1980 is verleend ter zitting ingetrokken. De rechtbank zal hierover daarom geen oordeel geven.\n\n8.2.. Het is vaste rechtspraak dat het algemeen belang gediend is met handhaving. Gelet op dit algemeen belang, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder dwangsom op te leggen, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.\n\n8.3.. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er sprake is van concreet zicht op legalisatie. Bij strijd met het bestemmingsplan bestaat concreet zicht op legalisatie, als er een ontvankelijke aanvraag is ingediend en het college bereid is de gevraagde afwijking van het bestemmingsplan toe te staan.Die situatie doet zich hier niet voor. In beginsel volstaat het feit dat het college niet bereid is om een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken, namelijk als op voorhand duidelijk is dat het standpunt om niet mee te werken aan legalisatie rechtens niet houdbaar is. De weigering om planologische medewerking te verlenen moet zeer terughoudend worden getoetst.\n\n8.4.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat het college in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat concreet zicht op legalisatie ontbreekt. Hierboven is onder 5.5 overwogen dat het college de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning voor het dakterras ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. Dat ten tijde van het besluit op bezwaar geen ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning was ingediend, kan eiser daarom niet worden tegengeworpen. Het college heeft verder ter zitting bevestigd dat – als de aanvraag om een omgevingsvergunning inhoudelijk zou zijn beoordeeld – de enige reden om géén omgevingsvergunning te verlenen zou zijn gelegen in het ontbreken van de toestemming van de omwonenden. Dat betekent dat het college zich op het standpunt stelt dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan vergunningverlening in de weg staat. Naar het oordeel van de rechtbank is op voorhand niet zeker of dit standpunt van het college kan worden gevolgd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een privaatrechtelijke belemmering slechts in de weg kan staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan, als deze belemmering evident is. Dat wil zeggen dat zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van het dakterras de toestemming van een ander is vereist en die ander deze toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven.Gelet op de door eiser overgelegde stukken waarmee hij zijn standpunt heeft onderbouwd dat de betrokken omwonenden op enig moment hebben ingestemd met de aanwezigheid van het dakterras, is naar het oordeel van de rechtbank twijfelachtig of sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter.\n\nHet betoog van eiser slaagt.\n\n8.5.. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de opgelegde last onder dwangsom onvoldoende duidelijk is waar het gaat om het staken en gestaakt houden van het gebruik van het dak van de uitbouw als dakterras. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen.De rechtbank is van oordeel dat de last aan dit criterium voldoet, omdat het staken van het gebruik van het dakterras naar normaal spraakgebruik duidelijk is.\n\n8.6.. Gelet op wat is overwogen onder 8.4 is het beroep tegen het bestreden besluit van 24 augustus 2023 gegrond. De rechtbank zal dit besluit vernietigen omdat het niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een draagkrachtige motivering. Het college zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiser moeten beslissen.\n\nDe invordering van de dwangsom (SGR 24\u002F2357)\n\n9. Bij besluit van 8 februari 2024 heeft het college bij eiser een dwangsom van € 1.500,- ingevorderd omdat eiser niet tijdig heeft voldaan aan de last om het gebruik van het dakterras te staken en gestaakt te houden (hierna: last 3).\n\n9.1.. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 24 augustus 2023 is van rechtswege mede gericht tegen het invorderingsbesluit van 8 februari 2024. Dit volgt uit artikel 5:39, eerste lid, van de Awb.\n\n10. Onder verwijzing naar een rapport van een controle die is uitgevoerd op 16 november 2023, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat eiser niet tijdig aan last 3 heeft voldaan. Volgens het college was het gebruik van het dakterras ten tijde van de controle niet gestaakt.\n\n11. Eiser bestrijdt het standpunt van het college dat hij niet tijdig aan last 3 heeft voldaan.\n\n11.1.. Dit betoog van eiser slaagt. Uit het controlerapport en de daarbij gevoegde foto’s volgt dat het hekwerk rond het dakterras ten tijde van de controle was verwijderd en los op het dak lag. Verder is geconstateerd dat de schuifpui die toegang gaf tot het dakterras met een hangslot was afgesloten en is op de foto’s zichtbaar dat in de hoek van het dakterras tegen de woning aan wat tuinmeubilair is opgestapeld. Gelet op deze bevindingen van de toezichthouder en op de onweersproken toelichting van eiser ter zitting dat de huurders van de woning niet beschikten over de sleutel van het hangslot waarmee de schuifpui kon worden geopend, was naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van de controle geen sprake van een overtreding van last 3. Het dakterras was op het moment van de controle niet als zodanig in gebruik en hiervoor – door de verwijdering van het hekwerk – ook niet meer geschikt. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser ook gehouden was tot verwijdering van de tegels op de uitbouw en tot het weghalen van het opgeslagen tuinmeubilair, volgt dit niet uit het handhavingsbesluit.\n\n11.2.. Het college heeft daarom ten onrechte aangenomen dat eiser niet heeft voldaan aan last 3 en is ten onrechte tot invordering van de dwangsom overgegaan.\n\n12. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de invorderingsbeschikking van 8 februari 2024 vernietigen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. De beroepen van eiser zijn gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. Het college zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 4 oktober 2022 (SGR 23\u002F6229) en op de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 17 november 2022 en 27 februari 2023 (SGR 24\u002F32).\n\n14. Omdat de beroepen gegrond zijn, veroordeelt de rechtbank het college in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (2 punten voor het indienen van een beroepschrift in de zaken SGR 23\u002F6629 en 24\u002F32 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nIn zaak SGR 23\u002F6629:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 24 augustus 2023;\n\n- draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze\n\n uitspraak;\n\n- bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- aan hem vergoedt.\n\nIn zaak SGR 24\u002F32:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 22 november 2023;\n\n- draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze\n\n uitspraak;\n\n- bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- aan hem vergoedt.\n\nIn zaak SGR 24\u002F2357:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 8 februari 2024.\n\nIn alle zaken gezamenlijk:\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr., A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zaaknummer 9144842\u002F21-50250.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1232.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1691.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5796.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1186.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1555.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11003","2026-05-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:33.258Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1828","ECLI:NL:RBDHA:2025:28011","ecli-nl-rbdha-2025-28011","2025-11-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F7739\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen\n Stichting [eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. E.G.M. Huisman),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. L. Robbemond en L. Hogeveen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder om haar een last onder dwangsom op te leggen.1.1.. Met het primaire besluit van 13 september 2023 heeft verweerder de last onder dwangsom opgelegd in verband met het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand aan de [adres] in Gouda (het pand). Met het bestreden besluit van 13 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven, onder aanvulling van de motivering daarvan. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.1.3.. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 31 juli 2025 gelijktijdig behandeld met het beroep van eiseres met zaaknummer SGR 24\u002F6289. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder. Namens eiseres was aanwezig: [naam 1]. De rechtbank doet in beide zaken afzonderlijk uitspraak.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het hof) van 15 december 2020heeft het Hof de verbodenverklaring van de [organisatie 1] en [organisatie 2] bekrachtigd, omdat zij door hun gedragingen en cultuur een bedreiging voor de openbare orde vormen. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in zijn arrest van 15 juli 2022.De [organisatie 1]-charter in Nederland bestaat uit achttien charters, met in totaal ongeveer 240 leden. Er zijn twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en zestien stichtingen verbonden aan de [organisatie 1]-charters in Nederland.\n\n2.1.. Het hof heeft verder overwogen dat de Nederlandse charters - voor zover zij geen formele verenigingen zijn - als informele verenigingen zijn aan te merken. Zij vallen dus niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van [organisatie 1]. Dat neemt niet weg dat de verklaring voor recht ten aanzien van [organisatie 2] en de verbodenverklaring van [organisatie 1] indirect wel gevolgen hebben voor de Nederlandse charters en hun leden. Als de verklaring en het verbod eenmaal onherroepelijk zijn, staat het hen ook niet meer vrij om de werkzaamheid van [organisatie 2] en [organisatie 1] voort te zetten. Onder meer betekent dit dat de leden niet meer in het openbaar de colors van de Hells Angels mogen dragen en de charters niet meer onder deze naam naar buiten mogen treden.2.2.. \n\nHet charter van de [organisatie 1] in Gouda is een stichting, die dus niet direct onder\n\nde verbodenverklaring van [organisatie 1] valt. Het staat de stichting echter niet meer vrij\n\nom de werkzaamheden van het [organisatie 2] voort te zetten. Naar aanleiding van het arrest van de\n\nHoge Raad heeft verweerder de politieverzocht om relevante informatie over het charter\n\nvan de [organisatie 1] in Gouda.\n\nRelatie tussen de twee beroepszaken\n\n3. Op de zitting zijn twee beroepszaken tegelijk behandeld vanwege de samenhang.\n\nDe beroepsprocedure met zaaknummer SGR 24\u002F6289 gaat over het besluit van de\n\nburgemeester om het pand van eiseres voor onbepaalde tijd te sluiten, omdat het pand als\n\nopenbare inrichting\u002Fclubhuis in gebruik was.Dit is in strijd is met de Algemene plaatselijke\n\nverordening Gouda 2020 (hierna APV).De burgemeester vindt het, op grond van de\n\nbevindingen uit de bestuurlijke rapportages, aannemelijk dat [organisatie 2] charter Gouda, althans\n\neiseres, de werkzaamheden van de verboden verklaarde organisatie [organisatie 1] in enige\n\nvorm voortzet en daarom ook zelf onder het betreffende verbod valt, en dat de activiteiten\n\ndan wel bijeenkomsten die in en vanuit het pand worden georganiseerd, strekken tot\n\nvoortzetting van de activiteiten van [organisatie 2] (charter Gouda) en dat die activiteiten een\n\nernstige bedreiging vormen voor de openbare orde. De burgemeester stelt zich op het\n\nstandpunt dat hij bevoegd is om het pand voor onbepaalde tijd te sluiten, dat de sluiting het\n\ngeschikte middel is om de openbare orde te beschermen en de geconstateerde overtredingen\n\ndefinitief te beëindigen en om herhaling van de geconstateerde overtredingen te voorkomen.\n\nOok stelt hij zich op het standpunt dat de sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het\n\nwoon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang dat de\n\novertredingen ernstig zijn, gelet op de geweldscultuur van de verboden organisatie [organisatie 2],\n\nwaaraan eiseres kan worden gelieerd en dat er sprake is van recidive. Tot slot staat in het\n\nbesluit dat volgens verweerder geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken\n\ndat van de sluiting moet worden afgezien. Het beroep gericht tegen dit sluitingsbesluit heeft\n\ndeze rechtbank bij uitspraak van vandaag ongegrond verklaard.\n\n3.1.. \n\nIn de zaak waar het in deze uitspraak over gaat, heeft het college van burgemeester\n\nen wethouders (hierna: verweerder) eiseres een last onder dwangsom opgelegd, omdat\n\nis geconstateerd dat het pand wordt gebruikt als clubhuis, wat in strijd is met het\n\nbestemmingsplan. De last houdt in dat eiseres binnen drie dagen na oplegging van de last het strijdig gebruik van het pand staakt en gestaakt houdt. Aan de overtreding van de last is een eenmalige dwangsom verbonden van € 7.500,- te verbeuren ineens.\n\nWat heeft verweerder besloten?\n\n 4. Met het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres, naar aanleiding van een integrale controle op 14 april 2023 naar het gebruik van het pand, een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de Wabo.4.1. Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres is verweerder bij zijn besluit gebleven, met aanvulling van de motivering daarvan en onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie van 2 augustus 2024, waarin is verwezen naar het advies van de commissie van 18 april 2024 in de andere zaak. Verweerder heeft aan het besluit derdenwerkingtoegekend en het besluit in het Kadaster ingeschreven.4.2.. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de aanleiding voor de last onder dwangsom een integrale controle was naar het gebruik van het pand van eiseres, uitgevoerd op 14 april 2023, door gemeentelijke toezichthouders, de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) en de politie. Van de bevindingen tijdens deze controle hebben zij rapportages opgesteld en aan verweerder verstrekt.In deze rapportages hebben de toezichthouders geconstateerd dat het pand als clubhuis in gebruik was.\n\n4.3.. Bij en in het lokaal zijn de volgende feiten en omstandigheden geconstateerd:\n\n- aan de buitenzijde van het lokaal viel op dat op en aan het pand meerdere camera's waren geïnstalleerd;\n\n- buiten, vóór de roldeur van het lokaal stonden meerdere motoren. Deze motoren stonden blijkens politieregistraties op naam staan van (herkende) [organisatie 2]-leden;\n\n- eveneens buiten het lokaal stonden personen van wie de legitimatiebewijzen zijn opgevraagd, de namen zijn genoteerd en zijn gecontroleerd. Deze personen zijn (herkende) [organisatie 2]-leden;\n\n- uit het lokaal klonken stemmen en muziek;\n\n- in het pand, op de begane grond werd een luxe keuken aangetroffen, voorzien van een gasfornuis, afzuigkap, wasbak, magnetron, koelkast en veel kastruimte. In dezelfde ruimte bevond zich een eettafel met zes stoelen;\n\n- in de ruimte op de begane grond van het pand werden achter de roldeur een aanhanger en negen motoren, merk Harley Davidson, aangetroffen. Bij twee van de motoren lag een helm op de zitplaats. Bij een derde motor hing de helm aan het stuur met daaronder een jas. De kentekens wezen uit dat de motoren op naam stonden van [organisatie 2]-leden;\n\n- de begane grond was niet ingericht als garage waar motoren worden gerepareerd. Wel lag er wat gereedschap, maar dat was niet geschikt om professioneel mee te kunnen sleutelen;\n\n- op de etage (eerste verdieping) was een ruimte ingericht om bijeenkomsten te kunnen houden. Er waren in de ruimte diverse losse zit-en statafels met krukken en stoelen aanwezig en tevens vaste banken. Achterin de ruimte bevond zich één lange hoge tafel die als bar diende, met daarachter een grote glazen koelkast, gevuld met alcoholhoudende drank (bier). Op het moment van de controle waren in laatstgenoemde ruimte 20 á 30 personen (mannen) aanwezig die alcohol (bier) nuttigden. Er werd harde muziek afgespeeld;\n\n- één van de aanwezige mannen verklaarde tegenover de toezichthouder van de ODMH dat er een \"gezellig samenzijn\" werd gehouden;\n\n- tegenover de politie verklaarde de aanwezige heer [naam 2], bij de politie bekend als [organisatie 2]-lid van charter Gouda, dat de aanwezige personen de verjaardag vierden van iemand van de groep die 60 was geworden;\n\n- aan het plafond in de betreffende ruimte hingen slingervlaggetjes en slingers met het nummer 60 erop, alsook een doek met de tekst \"[eiseres]\" en een afbeelding erop;\n\n- in de ruimte hingen verder aan de muur (en plafond) een geluidinstallatie, dartboard, barverlichting en verschillende barornamenten;\n\n- linksachter in de ruimte bevonden zich twee afsluitbare toiletten met een afbeelding van de [eiseres] erop;\n\n- tegenover zowel de ODMH als de politie werd verklaard dat de begane grond van het pand vaak voor het stallen van en het hobbymatig sleutelen aan en schoonmaken van motoren werd gebruikt en de bovenverdieping als vergaderruimte;\n\n- er werden geen aanwijzingen gevonden waaruit kon worden afgeleid dat in het lokaal bedrijfsactiviteiten plaatsvonden.\n\n4.4.. \n\nVoorafgaand aan deze integrale controle op 14 april 2023 is verschillende keren\n\ndoor de politie geconstateerd dat het pand voor het houden van bijeenkomsten in de avond\n\nin gebruik was. In de periode augustus 2020 tot februari 2023 heeft verweerder diverse\n\nbestuurlijke rapportages ontvangen van de politie waarin bevindingen over het pand zijn\n\nopgenomen die tot januari 2017 teruggaan.De belangrijkste bevindingen uit deze\n\nrapportages zijn:\n\nuit de bestuurlijke rapportage van 4 januari 2022 blijkt dat er al jarenlang, minimaal om de twee weken – eiseres zelf spreekt over \"wekelijks\" - samenkomsten zijn in en bij het pand. Het gaat hierbij om groepen van verschillende samenstellingen (namelijk ook andere aan [organisatie 2] gelieerde personen), die niet alleen bestaan uit vrijwilligers van eiseres;\n\nuit de bestuurlijke rapportage van 2 augustus 2022 blijkt dat omstreeks 23:00 uur mensen in het pand aanwezig waren na de begrafenis van een lid van de [organisatie 3]. Uit deze rapportage blijkt ook dat op vrijdag 15 juli 2022 een groep van ongeveer tien personen aanwezig was in het pand naar aanleiding van de civiele verbodsverklaring van [organisatie 1];\n\nuit de bestuurlijke rapportage van 11 november 2022 blijkt dat er op de vrijdagavonden 2, 9, 16 en 23 september 2022 steeds een groep van ongeveer twintig personen in het pand aanwezig was van omstreeks 19:30 uur tot middernacht. Uit deze bestuurlijke rapportage blijkt ook dat op 1 oktober 2021 ongeveer twintig personen in het pand aanwezig waren. Er werd bier gedronken en er was eten in een \"kippiepan\" warm gemaakt. Ook blijkt uit deze bestuurlijke rapportage dat op 19 augustus 2022 ongeveer achttien personen in het pand aanwezig waren. Er werd muziek gedraaid en er werd gedronken uit groene flesjes, vermoedelijk betrof dit bier;\n\nuit de bestuurlijke rapportage van 21 februari 2023 blijkt dat er op 11 februari 2023 omstreeks 00:15 uur nog mensen in het pand aanwezig waren.\n\n4.5.. Verweerder concludeert, op basis van de geconstateerde feiten en omstandigheden zoals vermeld in de hiervoor aangehaalde rapportages, dat het hoofdgebruik van het pand een clubhuis- of verenigingsfunctie is, zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning is verleend. Dit gebruik is in strijd met het bestemmingsplan ‘Oostpolder’.Het pand is uitsluitend bestemd voor bedrijfsmatig gebruik.Daarnaast concludeert verweerder dat het pand niet bedrijfsmatig in gebruik was voor opslag van motoren. Dit blijkt uit het geringe aantal motoren dat bij de controle in het pand is aangetroffen, het vrijwel ontbreken van betalingen van kosten van huur van een stallingsplaats, de beperkte ruimte die in het pand voorhanden is voor stalling in verhouding tot de omvang van de samenkomstruimte en keukenfaciliteit en het feit dat het pand overdag niet in gebruik was. Evenmin is sprake van bedrijfsmatige reparaties. Dit volgt uit de aard en beperkte hoeveelheid gereedschap dat in het pand is aangetroffen. Dit maakt dat het gebruik van het pand op twee manieren in strijd was met het bestemmingsplan, namelijk het hoofdgebruik van het pand als clubhuis en het niet bedrijfsmatig en ondergeschikte gebruik van het pand als stallings- en sleutelruimte. Hiermee overtrad eiseres het verbod zoals omschreven in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n5. Eiseres is het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom. Eiseres is een stichting, opgericht in 2007, heeft een bestuur en een aantal vrijwilligers die gebruik maken van het pand dat eiseres huurt sinds 2011. Het pand was tot het opleggen van de last onder dwangsom in gebruik voor de stalling en onderhoud van motoren van vrijwilligers en voor de opslag van materialen voor Harley Davidson-evenementen die eiseres organiseert, zoals ritten. Ook kwamen het bestuur en de vrijwilligers van eiseres wekelijks samen in het pand om te vergaderen. Op wat eiseres in beroep aanvoert, gaat de rechtbank hierna in.\n\nWat zijn de regels?\n\n6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de last onder dwangsom is opgelegd vóór 1 januari 2024, is op het bestreden besluit de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen de last onder dwangsom ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToetsingskader\n\n8. Een bestuursorgaan is bevoegd om handhavend op te treden door middel van het opleggen van een last onder bestuursdwang dan wel last onder dwangsom als sprake is van een overtreding, een gedraging in strijd met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. De bevoegdheid van verweerder volgt uit artikel 125 van de Gemeentewet in samenhang met de artikelen 5:4 en 5:1 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n8.1.. Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, zonder te beschikken over een toereikende omgevingsvergunning, is een overtreding van het verbod neergelegd in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.\n\n8.2.. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen.Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025 geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak.Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden.\n\n8.3.. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat is gediend met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er sprake van een bijzonder geval waarin van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Voor het antwoord op de vraag of concreet zicht op legalisatie bestaat, moet worden gekeken naar de feiten en omstandigheden ten tijde van de besluitvorming.\n\n8.4.. \n\nDe rechtbank toetst de rechtmatigheid van het bestreden besluit en maakt een beoordeling ‘ex tunc’. De rechtbank beoordeelt of verweerder zich ten tijde van het bestreden besluit van 13 augustus 2024 op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij handhavend mocht optreden. Deze overtreding betreft de strijd met het bestemmingsplan.\n\nIs sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo?\n\n9. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat geen sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.\n\n9.1.. \n\nAllereerst volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat de commissie in haar advies van 2 augustus 2024 in deze zaak niet zonder meer feiten en overwegingen uit het advies van de commissie van 18 april 2024 in de andere zaak mag overnemen. In het advies van 2 augustus 2024 stelt de commissie vast dat verweerder alleen de rapportage van\n\n17 april 2024 aan het primaire besluit ten grondslag heeft gelegd. Alleen op basis van deze rapportage kan volgens de commissie niet worden geconcludeerd dat de hoofdactiviteit van het pand een clubhuis- of verenigingsfunctie is. Daarom adviseert de commissie de feiten en overwegingen die in het advies van 18 april 2024 aan de orde zijn gekomen en die hebben geleid tot het oordeel dat alle rapportages in onderling verband moeten worden bezien en die naar het oordeel van de commissie voldoende zijn voor de vaststelling dat de hoofdactiviteit van het pand een clubhuis- of verenigingsfunctie is, mee te nemen in de beslissing op bezwaar.\n\n9.2.. De rechtbank overweegt dat verweerder dit advies heeft overgenomen en terecht heeft gewezen op de samenhang tussen beide procedures waarbij het gebruik van het pand centraal staat. Eiseres heeft tegen het sluitingsbesluit van de burgemeester en het dwangsombesluit van verweerder grotendeels dezelfde argumenten aangedragen. Als gevolg daarvan vertonen beide adviezen een zekere mate van overlap. Eiseres erkent deze samenhang ook zelf. De constateringen ten aanzien van het gebruik van het pand zijn in beide zaken aan de besluitvorming ten grondslag gelegd. Hiermee zijn de constateringen en overwegingen in het advies in de andere zaak ook relevant voor de beoordeling in deze zaak. In wat eiseres aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding dat verweerder deze feiten en omstandigheden uit de ander zaak niet ten grondslag mag leggen aan het bestreden besluit.9.3.. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder ook voor wat betreft zijn motivering van het besteden besluit naar het andere advies verwijzen. Uit de besluitvorming van verweerder volgt namelijk dat hij zich ervan heeft vergewist dat het advies in de andere zaak zorgvuldig tot stand is gekomen, dat de redeneringen daarin begrijpelijk zijn en dat de getrokken conclusies daarop aansluiten.Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die reden geven voor twijfel hieraan.9.4.. Gelet hierop volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat het bestreden besluit alleen is gebaseerd op de bevindingen van de controle op 14 april 2023, dat dit onvoldoende is voor de conclusie dat het hoofdgebruik van het pand een clubhuis- of verenigingsfunctie is en dat de bestuurlijke rapportage hiervoor nauwelijks onderbouwing bevatten. Zoals verweerder in zijn besluitvorming uitvoerig heeft toegelicht heeft verweerder alle rapportages in onderling verband bezien.\n\n9.5.. Volgens vaste jurisprudentie mag een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller hiervan weergeven. Dit geldt ook voor een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende bestuurlijke rapportage. Als die bevindingen worden betwist, dan zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n9.6.. Verweerder stelt zich daarom terecht op het standpunt dat hij in beginsel mag uitgaan van de inhoud van een bestuurlijke rapportage. De gebruikte rapportages bevatten verschillende concrete waarnemingen en bevindingen met betrekking tot het gebruik van het pand. Vast staat dat eiseres de bevindingen in de verschillende rapportages niet inhoudelijk heeft betwist dan wel stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat het pand bedrijfsmatig in gebruik was, al dan niet als stalling voor motoren. Wat eiseres aanvoert geeft geen aanleiding om aan de inhoud van de conclusies van de bestuurlijke rapportages te twijfelen. Verweerder mocht de bestuurlijke rapportages daarom aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen.\n\n9.7.. Dat eiseres in beroep toch vasthoudt aan haar standpunt dat het pand hoofdzakelijk in gebruik was voor de stalling van motoren van de vrijwilligers en de stalling van (eventuele) materialen voor evenementen en dat het pand daarnaast in gebruik was voor kleinschalig onderhoud en (lichte) reparaties aan de motoren en voor vergaderingen, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft voldoende toegelicht in zijn besluitvorming welk gebruik van het pand is geconstateerd en waarom dat gebruik in strijd is met het bestemmingsplan.\n\nVertrouwensbeginsel\n\n10. Eiseres betoogt dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder van handhaving had moeten afzien. Het gaat daarbij om de omstandigheid dat in 2016 schikkingsafspraken zijn gemaakt waardoor een gedoogsituatie is ontstaan. Het pand is naar aanleiding van de schikkingsafspraken aangepast. Volgens eiseres was het gebruik ten tijde van het bestreden besluit in overeenstemming met de schikkingsafspraken en mocht zij erop vertrouwen dat zij aan het bestemmingsplan voldeed.\n\n10.1.. In 2016 heeft de burgemeester met eiseres schikkingsafspraken gemaakt, nadat hij een handhavingstraject was gestart, omdat eiseres in hetzelfde pand een clubhuis exploiteerde, zonder dat daarvoor een vergunning was verleend. Dit handhavingstraject is beëindigd bij brief van 14 oktober 2016, waarin deze schikkingsafspraken zijn opgenomen.10.2.. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van verweerder toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan waaruit zij mocht afleiden dat verweerder niet tot handhaving zou kunnen overgaan in geval één of meer overtredingen worden geconstateerd.10.3.. Anders dan eiseres stelt, heeft zij zich naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden aan de schikkingsafspraken. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het bestreden besluit van 17 mei 2024 in de andere zaak en naar het advies van de commissie van 2 augustus 2024, voldoende gemotiveerd. Het pand was namelijk ten tijde van belang in gebruik als clubhuis, terwijl uit de schikkingsafspraken volgt dat in het pand geen clubhuis of andere inrichting van vermakelijkheid meer mocht worden geëxploiteerd. Het pand mocht immers, gelet op de schikkingsafspraken, in overeenstemming met de geldende regelgeving alleen worden gebruikt voor vergaderingen als nevenactiviteit van de hoofdactiviteit die op grond van dat bestemmingsplan is toegestaan, dat wil zeggen voor opslag en stalling. Tijdens verschillende controles is echter gebleken dat het gebruik van de benedenverdieping van het pand voor opslag en stalling van motoren niet de hoofdactiviteit van het pand is. Het pand is niet ingericht of geschikt gemaakt voor opslag en stalling en ook is niet gebleken dat die activiteiten plaatsvinden. Ook is uit de bestuurlijke rapportages niet gebleken van wekelijkse vergaderingen in het pand. Gebleken is dat de bijeenkomsten geen duidelijk doel hadden. Bovendien is het pand niet ingericht op het houden van vergaderingen.\n\n10.4.. Verweerder heeft verder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat hij zich niet aan deze schikkingsafspraken gebonden acht, omdat de burgemeester – en niet verweerder – de schikkingsafspraken in het kader van zijn bevoegdheid op grond van de APV heeft gemaakt met eiseres.\n\n10.5.. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat de burgemeester, mede vanwege de rechtsontwikkelingen omtrent zogenoemde Outlaw Motorcycle Gangs op de gemaakte afspraken is teruggekomen.\n\n10.6.. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres wist dat zij zich aan de afspraken moest houden en dat verweerder opnieuw handhavend kon optreden als zij zich niet zou houden aan de afspraken. Dit volgt uit de brief van 13 oktober 2026 en het gespreksverslag van 16 juni 2016.\n\n10.7.. \n\nGelet op het vorenstaande is er geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. In wat eiseres aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van deze last. Daarbij is van belang dat handhaving tegen een met de wet strijdige situatie als uitgangspunt heeft te gelden.\n\nEvenredigheidsbeginsel\n\n11. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat het opleggen van een last onder dwangsom onevenredig is, omdat de burgemeester ook al heeft besloten tot sluiting van hetzelfde pand voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft, onder verwijzing naar het advies van de commissie van 2 augustus 2024, voldoende toegelicht dat hij en de burgemeester verschillende bevoegdheden op basis van verschillende wettelijke grondslagen hebben. Dit maakt dat beide handhavingsprocedures naast elkaar kunnen worden gevoerd. De aard en het doel van beide besluiten zijn immers verschillend: de sluiting vormt een onmiddellijke beheersmaatregel gericht op directe beëindiging van de geconstateerde (openbare-orde)overtredingen van de APV. De last onder dwangsom ziet daarentegen op het duurzaam beëindigen van planologisch strijdig gebruik van het pand en is dus (mede) gericht op de toekomst.\n\n11.1.. De rechtbank is van oordeel dat de last geschikt is om het doel (het voorkomen van verdere overtreding) te bereiken. Een last onder dwangsom is in het algemeen een geschikt middel om een overtreder te dwingen om een overtreding te beëindigen. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat met het opleggen van de last in dit geval niet kan worden bereikt dat zij de overtreding beëindigt.\n\n11.2.. \n\nDe rechtbank oordeelt ook dat het opleggen van de last onder dwangsom noodzakelijk was, gelet op de geconstateerde ernst en de omvang van de overtreding.\n\nEr is al langdurig sprake van een overtreding. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat het opleggen van een last onder dwangsom in dit geval verder gaat dan nodig. Er is geen ander, minder ingrijpend middel waarmee verweerder hetzelfde resultaat kon bereiken.\n\n11.3.. De rechtbank acht de last tot slot ook evenwichtig. Gelet op het ruimtelijke belang van het bestemmingsplan en het zwaarwegende belang van handhaving, is het bestreden besluit tevens evenwichtig in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Ook de begunstigingstermijn en de hoogte van de dwangsom acht de rechtbank evenredig.\n\nOnduidelijkheid van de last\n\n12. Dat de het onduidelijk is welk gebruik van het pand in strijd is met de geldende regelgeving volgt de rechtbank niet. Zowel uit de formulering van de last als uit de genoemde herstelmogelijkheden blijkt voldoende duidelijk en concreet wat van eiseres wordt verlangd en wanneer. Verweerder heeft voldoende duidelijk gemotiveerd wat de last inhield. In wat eiseres aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.\n\n13. Verweerder heeft zich daarom terecht bevoegd geacht om handhavend op te treden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:GHARL:2020:10406.\n\n ECLI:NL:HR:2022:1114.\n\n Zie rechtsoverweging 5.67 van de hiervoor genoemde beschikking van 15 december 2020.\n\n Politie-eenheid Den Haag, team Gouda.\n\n Op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de APV en artikel 2:16 eerste lid, aanhef en onder e, van de APV.\n\n Met ingang van 19 juni 2023 om 10:00 uur.\n\n Op grond van de artikelen 2:9, eerste lid, van de APV, artikel 2:12, onder d, van de APV en artikel 2:16, eerste lid, onder e, van de APV.\n\n Zie de rapportages van de gemeentelijk toezichthouders van 15 april 2023, van de ODMH van 17 april 2023, van de politie van 18 april 2023 en een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 17 mei 2023. In deze rapportages zijn waarnemingen en bevindingen opgenomen die teruggaan tot januari 2017.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.\n\n Als genoemd in artikel 5.18 van de Wabo.\n\n Zie de rapportages van de gemeentelijk toezichthouders van 15 april 2023, van de ODMH van 17 april 2023, van de politie van 18 april 2023 en een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 17 mei 2023. In deze rapportages zijn waarnemingen en bevindingen opgenomen die teruggaan tot januari 2017.\n\n De resultaten zijn weergegeven in de bestuurlijke rapportages van 4 januari 2022, 2 augustus 2022, 11 november 2022 en 21 februari 2023.\n\n Artikel 5 en 1.13 van het Bestemmingsplan.\n\n Behorende tot milieucategorie 1, 2 en 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, opgenomen in bijlage 1 bij de planregels van het bestemmingsplan.\n\n Dit volgt uit artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 oktober 2024, ECLI:NL:2024:4375.\n\n Uitspraken van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678 en van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3137.\n\n Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NK:RVS:2023:1247.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117 en 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916.\n\n Op grond van het oude artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2009.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28011","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.784Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":31,"updatedAt":49},"516","ECLI:NL:RBDHA:2023:20227","ecli-nl-rbdha-2023-20227","2023-12-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 23\u002F7026 en SGR 23\u002F3114\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2023 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n [eiser 1] , te [woonplaats] , en [eiser 2] B.V., te [vestigings] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. F. Smitshoek),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, het college\n\n(gemachtigde: B. van den Berg).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Boomkwekerij [derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. C.A. Blankenstein).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers tegen het besluit van het college van 27 oktober 2022 waarbij eisers is gelast binnen zes maanden de splitsing van de woonboerderij op het perceel [adres] te [plaats] in vier wooneenheden ongedaan te maken.\n\nMet het besluit van 28 maart 2023 heeft het college het bezwaar van eiseres [eiser 1] niet-ontvankelijk verklaard.\n\nMet het besluit van 18 oktober 2023 heeft het college geweigerd de begunstigingstermijn te verlengen.\n\nHet college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\nDe voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres [eiser 1] , [naam] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Belanghebbende heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen de situatie ter plaatse. Op 24 augustus 2022 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat in de woonboerderij op het perceel [adres] te [plaats] (het perceel) vier wooneenheden zijn gerealiseerd met eigen ingangen en voorzieningen.\n\nOp 29 september 2022 heeft het college eiseres [eiser 1] ( [eiser 1] ) meegedeeld dat het voornemen bestaat om handhavend op te treden tegen de situatie in de woonboerderij op dit perceel.\n\nOp 12 oktober 2022 heeft [eiser 1] hiertegen een zienswijze ingediend.\n\nBij besluit van 27 oktober 2022 (verzonden op 31 oktober 2022) heeft het college [eiser 1] gelast de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) binnen zes maanden na dagtekening van het besluit de splitsing van de woonboerderij op het perceel in vier wooneenheden ongedaan te maken, zodat er weer sprake is van één woning, onder verbeurte van een dwangsom van\n\n€ 10.000,- eenmalig en ineens.\n\nOp 20 december 2022 hebben eisers hiertegen bezwaar gemaakt.\n\nMet het besluit van 28 maart 2023 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de Commissie bezwaarschriften van 23 januari 2023, het bezwaar van [eiser 1] niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.\n\nEisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld (zaaknr. SGR 23\u002F3114).\n\nHet college heeft op verzoek van [eiser 1] op 28 april 2023 een besluit genomen om de begunstigingstermijn te verlengen tot en met 27 oktober 2023 vanwege schaarste aan woonruimte in Nederland en de nijpende situatie van de bewoners die er al geruime tijd wonen.\n\nMet de brief van 10 oktober 2023 hebben eisers het college verzocht om de begunstigingstermijn verder te verlengen.\n\nMet het bestreden besluit van 18 oktober 2023 heeft het college geweigerd de begunstigingstermijn verder te verlengen. Hierin is overwogen dat inmiddels bijna een jaar is verstreken na oplegging van de last. Het college acht deze termijn ruimschoots voldoende om de overtredingen te beëindigen. Een lopende beroepsprocedure is in beginsel geen reden om een begunstigingstermijn te verlengen, te meer nu het bezwaar van [eiser 1] tegen de opgelegde last niet-ontvankelijk is verklaard. Uit het verzoek van 10 oktober 2023 blijkt niet dat niet binnen de gestelde begunstigingstermijn kan worden voldaan aan de last. Niet inzichtelijk is gemaakt welke stappen er reeds zijn genomen om de bewoners elders te huisvesten, aldus het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om voorlopige voorziening zich richt op beide besluiten van 28 maart 2023 en 18 oktober 2023.\n\n4. Nu het verzoek om voorlopige voorziening zich mede richt tegen het besluit van het college van 18 oktober 2023, ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of met betrekking tot dat besluit is voldaan aan het connexiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.\n\n5. De voorzieningenrechter stelt vast dat eisers geen bezwaar hebben gemaakt tegen dit besluit, omdat zij er vanuit gaan dat dit een besluit is in de zin van artikel 6:19 van de Awb. Het bestreden besluit van 18 oktober 2023 betreft de weigering van het college om de in het besluit van 28 april 2023 gewijzigde begunstigingstermijn verder te verlengen. Het besluit van 28 april 2023 houdt een wijziging in van de oorspronkelijke begunstigingstermijn als opgenomen in de bij het besluit van 27 oktober 2022 opgelegde last onder dwangsom, die bij het bestreden besluit van 28 maart 2023 vanwege niet-ontvankelijkheid van het bezwaar in stand is gelaten. Het besluit van 18 oktober 2023 is derhalve een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 28 maart 2023 mede betrekking heeft op het besluit van het college van 18 oktober 2023, zodat aan het connexiteitsvereiste is voldaan.\n\n6. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eisers tegen beide bestreden besluiten van 28 maart 2023 en\n\n18 oktober 2023. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\nDerde belanghebbende\n\n7. De voorzieningenrechter volgt eisers niet in hun kennelijke stelling dat Boomkwekerij [derde-partij] B.V geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. Zij is immers gevestigd op het naastgelegen perceel en heeft het verzoek om handhaving gedaan dat heeft geleid tot de opgelegde last onder dwangsom. De -overigens door belanghebbende betwiste- stellingen van eisers dat er vanwege de afstand en milieuregels geen gevaar is voor gezondheidsschade van de bewoners van de woonboerderij door het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen door belanghebbende ziet op de inhoudelijke beoordeling en is niet relevant voor de beoordeling van de vraag of zij belanghebbende is in de zin van genoemd artikel.\n\nHet besluit van 28 maart 2023\n\n8. Eisers voeren aan dat het bezwaar van [eiser 1] ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar is. Zij stellen dat [eiser 1] pas op 12 december 2022 bekend is geworden met het besluit van 27 oktober 2022, omdat zij op die dag pas is teruggekeerd van een langdurig verblijf in het buitenland, waar zij voor haar werk verbleef. In het als bezwaarschrift bedoelde e-mailbericht van 20 december 2022 is daarom abusievelijk vermeld dat zij op 10 november 2022 met het besluit van 27 oktober 2022 bekend is geworden. Aangezien geen sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar had het college volgens eisers niet van de hoorplicht mogen afzien.\n\nHet college heeft in het besluit van 28 maart 2023, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2470), overwogen dat verblijf in het buitenland geen verschoonbare reden is voor termijnoverschrijding.\n\n9. De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit van het college van 27 oktober 2022 op 31 oktober 2022 is verstuurd. Niet in geschil is dat [eiser 1] buiten de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken een bezwaarschrift heeft ingediend.\n\n10. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkheid achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.\n\n11. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdelingbehoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de indiener van een bezwaarschrift om er zorg voor te dragen dat ook in geval van afwezigheid of ziekte wordt voldaan aan de wettelijke vereisten verbonden aan het maken van bezwaar, door bijvoorbeeld een derde in te schakelen. Wegens het dwingende karakter van de bezwaartermijn kan daarop slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, waarin aannemelijk wordt gemaakt dat er geen mogelijkheid was om zorg te dragen voor inschakeling van een derde, een uitzondering worden aanvaard, aldus de Afdeling.\n\n12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat er in dit geval sprake was van een dergelijk uitzonderlijk geval. Daarnaast is uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken -anders dan eisers stellen- niet aannemelijk geworden dat [eiser 1] gedurende de gehele bezwaartermijn in het buitenland verbleef. Dat kan niet worden afgeleid uit de overgelegde verklaring van de opdrachtgever [bedrijfsnaam] B.V. en evenmin uit de eigen schriftelijke verklaring van [eiser 1] . Zij heeft ter zitting ook aangegeven dat zij tussen de ritten door wel een enkele keer thuis is geweest. De door [eiser 1] genoemde omstandigheden dat het een stressvolle periode voor haar was, dat zij vanwege de drukte maar heel kort thuis was en snel weer weg moest en dat zij belangrijk werk deed ten behoeve van het Rode Kruis, zijn onvoldoende zwaarwegend om aan te nemen dat zij niet in staat was om zicht te (laten) houden op post van het college, temeer nu zij op de hoogte was van het voornemen van het college om onderhavige last onder dwangsom op te leggen. Dat zij tijdens de bezwaartermijn via Whatsapp contact had met de wethouder en deze geen melding zou hebben gemaakt van het besluit van 27 oktober 2022 doet daar niet aan af.\n\nHieruit volgt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en dat het college het bezwaar van [eiser 1] terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n13. De uitspraken waarnaar eisers in dit verband hebben verwezen, te weten de uitspraken van de Afdeling van 18 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:786) en van 26 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1239) en van de rechtbank Limburg van 23 maart 2022 (ECLI:NL:RBLIM:2022:2220), hebben geen betrekking op identieke situaties en\n\nkunnen de voorzieningenrechter daarom niet tot een ander oordeel leiden. Van belang daarbij is nog dat in dit geval wel sprake is van een derde-belanghebbende.\n\nOok het door eisers genoemde wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat dat wetsvoorstel nog niet is aangenomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden van [eiser 1] in dit geval onvoldoende zwaarwegend zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De voorzieningenrechter verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen.\n\n14. De voorzieningenrechter volgt eisers verder niet in de stelling dat het college eisers had moeten horen alvorens op het bezwaar te beslissen. Eisers hadden de redenen voor de termijnoverschrijding reeds aangegeven in het bezwaarschrift en de Commissie bezwaarschriften heeft in haar advies met die omstandigheden rekening gehouden.\n\n15. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 28 maart 2023 ongegrond is en het daartegen gerichte verzoek om voorlopige voorziening zal worden afgewezen.\n\nHet besluit van 18 oktober 2023\n\n16. De voorzieningenrechter zal vervolgens de rechtmatigheid van het besluit van\n\n18 oktober 2023 beoordelen.\n\n17. Eisers voeren hiertegen aan dat het lopende beroep voor het college reden had moeten zijn om de begunstigingstermijn te verlengen tot de uitspraak op dat beroep dan wel om tot dat moment af te zien van handhavingsacties, omdat de gevolgen van handhavend optreden onomkeerbaar en prematuur zijn.\n\nDaarnaast voeren zij onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) aan dat handhaving daarom in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verder moet handhavend optreden volgens eisers worden opgeschort, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat diverse bewoners al geruime tijd ter plaatse woonachtig zijn en op (korte) termijn geen (betaalbare) vervangende woonruimte kunnen vinden. Eisers achten handhavend optreden daarom onevenredig.\n\n18. Aangezien dit besluit uitsluitend betrekking heeft op de begunstigingstermijn, kan hetgeen eisers hebben aangevoerd over de rechtmatigheid van het handhavend optreden in het kader van de beoordeling van het besluit van 18 oktober 2023 niet meer aan de orde komen.\n\n19. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een begunstigingstermijn ertoe strekt de overtreder de gelegenheid te bieden de overtreding te beëindigen zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Als uitgangspunt geldt dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen.Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn komt het bestuursorgaan enige vrijheid toe.De begunstigingstermijn strekt er niet toe eisers in de gelegenheid te stellen de uitkomst van een door hen ingesteld beroep af te wachten.\n\n20. De voorzieningenrechter stelt vast dat de met het besluit van 27 oktober 2022 gestelde begunstigingstermijn als gevolg van de tegen dit besluit gevoerde procedures is verlengd tot en met 27 oktober 2023. Dat betekent dat eisers inmiddels een jaar de gelegenheid hebben gehad om te voldoen aan de hen opgelegde last onder dwangsom. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat deze termijn te kort was om aan de last te voldoen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat gesteld noch gebleken is dat de bewoners (tevergeefs) op zoek zijn geweest naar alternatieve -eventueel tijdelijke- woonruimte. Eisers worden dan ook niet gevolgd in hun stelling dat de bewoners geen geschikte woonruimte kunnen vinden. Eisers hebben verder niet gesteld, althans niet onderbouwd, dat er sprake zal zijn van een noodsituatie voor de bewoners als de last wordt geeffectueerd. Daarnaast kan de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 eisers niet baten, nu die betrekking heeft op het vertrouwensbeginsel, waarop eisers geen beroep hebben gedaan.\n\n21. Gelet hierop heeft het college met het bestreden besluit van 18 oktober 2023 op goede gronden verdere verlenging van de begunstigingstermijn kunnen weigeren, zodat het daartegen ingestelde beroep eveneens ongegrond is en het daartegen gerichte verzoek om voorlopige voorziening eveneens zal worden afgewezen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. Het beroep tegen de bestreden besluiten van 28 maart 2023 en het besluit van\n\n18 oktober 2023 is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten standhouden. Gelet hierop is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 maart 2023 ongegrond;\n\n- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2023 ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2023.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2918) en van 26 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2860)\n\nZie onder meer de uitspraak van 27 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4943 en van\n\n14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2470\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1791\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2147\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2797","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:20227","2026-07-13T00:28:34.293Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":54,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":31,"updatedAt":57},"523","ECLI:NL:RBDHA:2023:18279","ecli-nl-rbdha-2023-18279","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 22\u002F1072\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2023 in de zaak tussen\n \n [eiser], uit [woonplaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. E.W.M. Aalsma),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Lisse, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. D. Van Werkhoven).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om een dwangsom van € 50.000 in te vorderen.\n\n1.1.. Verweerder is in het besluit van 26 juli 2021 (het primaire besluit) overgegaan tot invordering van deze dwangsom. Met het besluit van 27 januari 2022 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam].\n\nVoorgeschiedenis\n\n2. Eiser is de eigenaar van ‘[hotelnaam]’ op de [adres] in [plaats]. Verweerder heeft in 2020 verschillende controles uitgevoerd bij dit pand. Bij deze controles heeft verweerder geconstateerd dat het pand niet in gebruik was als hotel, maar dat er arbeidsmigranten werden gehuisvest. Dit is volgens verweerder in strijd met het bestemmingsplan.\n\n2.1.. Bij besluit van 16 september 2020 heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd om het gebruik van het pand voor de huisvesting van arbeidsmigranten voor 15 oktober 2020 te beëindigen en beëindigd te houden. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om schorsing van dit besluit.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft voorafgaand aan de zitting een ordemaatregel genomen waarmee het besluit was geschorst tot het moment waarop uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan. Die uitspraak is gedaan op 17 november 2020. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd. Wel wordt het bedrag van de dwangsom verlaagd naar €50.000,- ineens.\n\n2.3.. Op 7 december 2020 heeft verweerder een controle uitgevoerd. Hierbij is geconstateerd dat er nog steeds arbeidsmigranten in het pand werden gehuisvest. Dit betekent volgens verweerder dat niet is voldaan aan de opgelegde last en dat de dwangsom is verbeurd. Verweerder heeft daarom de verbeurde dwangsom van €50.000,- ingevorderd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiser tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd.\n\n3.1.. Het beroep is gericht tegen het invorderingsbesluit. Het beroep tegen het besluit over de oplegging van de last onder de dwangsom is ingetrokken. Dit heeft tot gevolg dat de last onder dwangsom in rechte onaantastbaar is geworden.\n\nWas er sprake van een overtreding na afloop van de begunstigingstermijn?\n\n4. Eiser betoogt dat de begunstigingstermijn nog niet was verlopen ten tijde van het controlebezoek op 7 december 2020. Eiser is ervan uitgegaan dat hij na de uitspraak van de voorzieningenrechter op 17 november 2020 nog 4 weken had om aan de last te voldoen. Volgens eiser wordt hem met terugwerkende kracht verweten dat hij niet op tijd aan de last heeft voldaan.\n\n4.1.. De rechtbank overweegt dat in het besluit van 16 september 2020 staat dat de begunstigingstermijn loopt tot 15 oktober 2020. Dit betekent dat eiser voor deze datum had moeten voldoen aan de last. Dit besluit is tijdelijk geschorst door de ordemaatregel van de voorzieningenrechter. Deze ordemaatregel is geëindigd door de uitspraak van 17 november 2020. Hierdoor is het besluit weer van kracht geworden en daarmee ook de begunstigingstermijn tot 15 oktober 2020. Dit betekent dat de begunstigingstermijn ten tijde van de controle op 7 december 2020 was verlopen.\n\n4.2.. De rechtbank overweegt dat eiser er ten onrechte van uit is gegaan dat hij na de uitspraak van de voorzieningenrechter een (nieuwe) termijn van 4 weken had om aan de last te voldoen. De voorzieningenrechter heeft de begunstigingstermijn immers niet verlengd. In de uitspraak is hierover niets vermeld. Dit betekent dat eiser had moeten begrijpen dat de uitspraak van de voorzieningenrechter niets heeft veranderd aan de begunstigingstermijn, zodat deze nog altijd liep tot 15 oktober 2020. Er is geen sprake van terugwerkende kracht. Het besluit is weliswaar kortstondig geschorst geweest, maar het is niet zo dat met terugwerkende kracht de begunstigingstermijn is gewijzigd.\n\n4.3.. Eiser heeft ter zitting aangeven dat niet wordt betwist dat er op 7 december 2020 nog arbeidsmigranten in het hotel waren gehuisvest. Dat betekent dat op dat moment niet aan de last werd voldaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat daarmee een dwangsom is verbeurd.\n\nMocht verweerder tot invordering van de verbeurde dwangsom overgaan?\n\n5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot invordering van het hele bedrag. Er zijn redenen om van invordering af te zien of het ingevorderde bedrag te matigen. Hij heeft er immers alles aan gedaan om aan de last te voldoen en aan de gemeente laten weten dat hij hier druk mee bezig was. Het grootste deel van de arbeidsmigranten had al andere huisvestiging en tijdens de controle waren er nog slechts enkele mensen aanwezig. Het pand was op 10 december 2020, drie dagen na de constatering, volgens eiser helemaal leeg.\n\n5.1.. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet aan het belang van invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat de verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.\n\n5.2.. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat er geen zodanig bijzondere omstandigheden zijn dat van invordering moet worden afgezien. Dat eiser zijn best heeft gedaan om aan de last te voldoen, dit aan verweerder heeft laten weten, dat er nog slechts een paar arbeidsmigranten aanwezig waren en dat deze 3 dagen later waren vertrokken, heeft verweerder in redelijkheid niet als bijzondere omstandigheden hoeven aanmerken. Eiser moet immers binnen de begunstigingstermijn voldoen aan de last en niet op een later moment. De rechtbank ziet niet dat het voor eiser evident niet mogelijk was om op tijd aan de last te voldoen. Daarbij vindt de rechtbank bovendien van belang dat, door de schorsing van het besluit van 16 september 2020 en de door de omstandigheid dat pas op 7 december 2020 is gecontroleerd, eiser in de praktijk langer de tijd heeft gehad om aan de last te voldoen. Voor zover eiser er op wijst dat de beslissing op zijn bezwaar tegen het besluit van 16 september 2020 pas drie maanden na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 november 2020 is genomen, ziet de rechtbank niet in waarom dit relevant zou zijn voor het al dan niet kunnen invorderen van de dwangsom.\n\n5.3.. Ter zitting heeft eiser nog gewezen op een uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023.Die uitspraak ziet echter op een andere situatie. De Afdeling overwoog immers dat in die zaak het handhavend optreden op zichzelf onevenredig is, terwijl het in de zaak van eiser alleen gaat over het overgaan tot invordering van een verbeurde dwangsom. De aangehaalde uitspraak biedt dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2020:11565.\n\n Kamerstukken II 2003\u002F04, 29 702, nr. 3, blz. 115.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2086.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:181.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:18279","2023-11-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.700Z",1,20]