[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-planning-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":45},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},112,"planning-law-nl","Planning Law","NL","2026-07-08T16:56:56.673Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2023-07-14T00:00:00.000Z","2025-11-06T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123823","Algemene wet bestuursrecht","art. 2:4",1,[27,38],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1828","ECLI:NL:RBDHA:2025:28011","ecli-nl-rbdha-2025-28011","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F7739\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen\n Stichting [eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. E.G.M. Huisman),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. L. Robbemond en L. Hogeveen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder om haar een last onder dwangsom op te leggen.1.1.. Met het primaire besluit van 13 september 2023 heeft verweerder de last onder dwangsom opgelegd in verband met het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand aan de [adres] in Gouda (het pand). Met het bestreden besluit van 13 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven, onder aanvulling van de motivering daarvan. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.1.3.. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 31 juli 2025 gelijktijdig behandeld met het beroep van eiseres met zaaknummer SGR 24\u002F6289. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder. Namens eiseres was aanwezig: [naam 1]. De rechtbank doet in beide zaken afzonderlijk uitspraak.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het hof) van 15 december 2020heeft het Hof de verbodenverklaring van de [organisatie 1] en [organisatie 2] bekrachtigd, omdat zij door hun gedragingen en cultuur een bedreiging voor de openbare orde vormen. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in zijn arrest van 15 juli 2022.De [organisatie 1]-charter in Nederland bestaat uit achttien charters, met in totaal ongeveer 240 leden. Er zijn twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en zestien stichtingen verbonden aan de [organisatie 1]-charters in Nederland.\n\n2.1.. Het hof heeft verder overwogen dat de Nederlandse charters - voor zover zij geen formele verenigingen zijn - als informele verenigingen zijn aan te merken. Zij vallen dus niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van [organisatie 1]. Dat neemt niet weg dat de verklaring voor recht ten aanzien van [organisatie 2] en de verbodenverklaring van [organisatie 1] indirect wel gevolgen hebben voor de Nederlandse charters en hun leden. Als de verklaring en het verbod eenmaal onherroepelijk zijn, staat het hen ook niet meer vrij om de werkzaamheid van [organisatie 2] en [organisatie 1] voort te zetten. Onder meer betekent dit dat de leden niet meer in het openbaar de colors van de Hells Angels mogen dragen en de charters niet meer onder deze naam naar buiten mogen treden.2.2.. \n\nHet charter van de [organisatie 1] in Gouda is een stichting, die dus niet direct onder\n\nde verbodenverklaring van [organisatie 1] valt. Het staat de stichting echter niet meer vrij\n\nom de werkzaamheden van het [organisatie 2] voort te zetten. Naar aanleiding van het arrest van de\n\nHoge Raad heeft verweerder de politieverzocht om relevante informatie over het charter\n\nvan de [organisatie 1] in Gouda.\n\nRelatie tussen de twee beroepszaken\n\n3. Op de zitting zijn twee beroepszaken tegelijk behandeld vanwege de samenhang.\n\nDe beroepsprocedure met zaaknummer SGR 24\u002F6289 gaat over het besluit van de\n\nburgemeester om het pand van eiseres voor onbepaalde tijd te sluiten, omdat het pand als\n\nopenbare inrichting\u002Fclubhuis in gebruik was.Dit is in strijd is met de Algemene plaatselijke\n\nverordening Gouda 2020 (hierna APV).De burgemeester vindt het, op grond van de\n\nbevindingen uit de bestuurlijke rapportages, aannemelijk dat [organisatie 2] charter Gouda, althans\n\neiseres, de werkzaamheden van de verboden verklaarde organisatie [organisatie 1] in enige\n\nvorm voortzet en daarom ook zelf onder het betreffende verbod valt, en dat de activiteiten\n\ndan wel bijeenkomsten die in en vanuit het pand worden georganiseerd, strekken tot\n\nvoortzetting van de activiteiten van [organisatie 2] (charter Gouda) en dat die activiteiten een\n\nernstige bedreiging vormen voor de openbare orde. De burgemeester stelt zich op het\n\nstandpunt dat hij bevoegd is om het pand voor onbepaalde tijd te sluiten, dat de sluiting het\n\ngeschikte middel is om de openbare orde te beschermen en de geconstateerde overtredingen\n\ndefinitief te beëindigen en om herhaling van de geconstateerde overtredingen te voorkomen.\n\nOok stelt hij zich op het standpunt dat de sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het\n\nwoon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang dat de\n\novertredingen ernstig zijn, gelet op de geweldscultuur van de verboden organisatie [organisatie 2],\n\nwaaraan eiseres kan worden gelieerd en dat er sprake is van recidive. Tot slot staat in het\n\nbesluit dat volgens verweerder geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken\n\ndat van de sluiting moet worden afgezien. Het beroep gericht tegen dit sluitingsbesluit heeft\n\ndeze rechtbank bij uitspraak van vandaag ongegrond verklaard.\n\n3.1.. \n\nIn de zaak waar het in deze uitspraak over gaat, heeft het college van burgemeester\n\nen wethouders (hierna: verweerder) eiseres een last onder dwangsom opgelegd, omdat\n\nis geconstateerd dat het pand wordt gebruikt als clubhuis, wat in strijd is met het\n\nbestemmingsplan. De last houdt in dat eiseres binnen drie dagen na oplegging van de last het strijdig gebruik van het pand staakt en gestaakt houdt. Aan de overtreding van de last is een eenmalige dwangsom verbonden van € 7.500,- te verbeuren ineens.\n\nWat heeft verweerder besloten?\n\n 4. Met het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres, naar aanleiding van een integrale controle op 14 april 2023 naar het gebruik van het pand, een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de Wabo.4.1. Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres is verweerder bij zijn besluit gebleven, met aanvulling van de motivering daarvan en onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie van 2 augustus 2024, waarin is verwezen naar het advies van de commissie van 18 april 2024 in de andere zaak. Verweerder heeft aan het besluit derdenwerkingtoegekend en het besluit in het Kadaster ingeschreven.4.2.. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de aanleiding voor de last onder dwangsom een integrale controle was naar het gebruik van het pand van eiseres, uitgevoerd op 14 april 2023, door gemeentelijke toezichthouders, de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) en de politie. Van de bevindingen tijdens deze controle hebben zij rapportages opgesteld en aan verweerder verstrekt.In deze rapportages hebben de toezichthouders geconstateerd dat het pand als clubhuis in gebruik was.\n\n4.3.. Bij en in het lokaal zijn de volgende feiten en omstandigheden geconstateerd:\n\n- aan de buitenzijde van het lokaal viel op dat op en aan het pand meerdere camera's waren geïnstalleerd;\n\n- buiten, vóór de roldeur van het lokaal stonden meerdere motoren. Deze motoren stonden blijkens politieregistraties op naam staan van (herkende) [organisatie 2]-leden;\n\n- eveneens buiten het lokaal stonden personen van wie de legitimatiebewijzen zijn opgevraagd, de namen zijn genoteerd en zijn gecontroleerd. Deze personen zijn (herkende) [organisatie 2]-leden;\n\n- uit het lokaal klonken stemmen en muziek;\n\n- in het pand, op de begane grond werd een luxe keuken aangetroffen, voorzien van een gasfornuis, afzuigkap, wasbak, magnetron, koelkast en veel kastruimte. In dezelfde ruimte bevond zich een eettafel met zes stoelen;\n\n- in de ruimte op de begane grond van het pand werden achter de roldeur een aanhanger en negen motoren, merk Harley Davidson, aangetroffen. Bij twee van de motoren lag een helm op de zitplaats. Bij een derde motor hing de helm aan het stuur met daaronder een jas. De kentekens wezen uit dat de motoren op naam stonden van [organisatie 2]-leden;\n\n- de begane grond was niet ingericht als garage waar motoren worden gerepareerd. Wel lag er wat gereedschap, maar dat was niet geschikt om professioneel mee te kunnen sleutelen;\n\n- op de etage (eerste verdieping) was een ruimte ingericht om bijeenkomsten te kunnen houden. Er waren in de ruimte diverse losse zit-en statafels met krukken en stoelen aanwezig en tevens vaste banken. Achterin de ruimte bevond zich één lange hoge tafel die als bar diende, met daarachter een grote glazen koelkast, gevuld met alcoholhoudende drank (bier). Op het moment van de controle waren in laatstgenoemde ruimte 20 á 30 personen (mannen) aanwezig die alcohol (bier) nuttigden. Er werd harde muziek afgespeeld;\n\n- één van de aanwezige mannen verklaarde tegenover de toezichthouder van de ODMH dat er een \"gezellig samenzijn\" werd gehouden;\n\n- tegenover de politie verklaarde de aanwezige heer [naam 2], bij de politie bekend als [organisatie 2]-lid van charter Gouda, dat de aanwezige personen de verjaardag vierden van iemand van de groep die 60 was geworden;\n\n- aan het plafond in de betreffende ruimte hingen slingervlaggetjes en slingers met het nummer 60 erop, alsook een doek met de tekst \"[eiseres]\" en een afbeelding erop;\n\n- in de ruimte hingen verder aan de muur (en plafond) een geluidinstallatie, dartboard, barverlichting en verschillende barornamenten;\n\n- linksachter in de ruimte bevonden zich twee afsluitbare toiletten met een afbeelding van de [eiseres] erop;\n\n- tegenover zowel de ODMH als de politie werd verklaard dat de begane grond van het pand vaak voor het stallen van en het hobbymatig sleutelen aan en schoonmaken van motoren werd gebruikt en de bovenverdieping als vergaderruimte;\n\n- er werden geen aanwijzingen gevonden waaruit kon worden afgeleid dat in het lokaal bedrijfsactiviteiten plaatsvonden.\n\n4.4.. \n\nVoorafgaand aan deze integrale controle op 14 april 2023 is verschillende keren\n\ndoor de politie geconstateerd dat het pand voor het houden van bijeenkomsten in de avond\n\nin gebruik was. In de periode augustus 2020 tot februari 2023 heeft verweerder diverse\n\nbestuurlijke rapportages ontvangen van de politie waarin bevindingen over het pand zijn\n\nopgenomen die tot januari 2017 teruggaan.De belangrijkste bevindingen uit deze\n\nrapportages zijn:\n\nuit de bestuurlijke rapportage van 4 januari 2022 blijkt dat er al jarenlang, minimaal om de twee weken – eiseres zelf spreekt over \"wekelijks\" - samenkomsten zijn in en bij het pand. Het gaat hierbij om groepen van verschillende samenstellingen (namelijk ook andere aan [organisatie 2] gelieerde personen), die niet alleen bestaan uit vrijwilligers van eiseres;\n\nuit de bestuurlijke rapportage van 2 augustus 2022 blijkt dat omstreeks 23:00 uur mensen in het pand aanwezig waren na de begrafenis van een lid van de [organisatie 3]. Uit deze rapportage blijkt ook dat op vrijdag 15 juli 2022 een groep van ongeveer tien personen aanwezig was in het pand naar aanleiding van de civiele verbodsverklaring van [organisatie 1];\n\nuit de bestuurlijke rapportage van 11 november 2022 blijkt dat er op de vrijdagavonden 2, 9, 16 en 23 september 2022 steeds een groep van ongeveer twintig personen in het pand aanwezig was van omstreeks 19:30 uur tot middernacht. Uit deze bestuurlijke rapportage blijkt ook dat op 1 oktober 2021 ongeveer twintig personen in het pand aanwezig waren. Er werd bier gedronken en er was eten in een \"kippiepan\" warm gemaakt. Ook blijkt uit deze bestuurlijke rapportage dat op 19 augustus 2022 ongeveer achttien personen in het pand aanwezig waren. Er werd muziek gedraaid en er werd gedronken uit groene flesjes, vermoedelijk betrof dit bier;\n\nuit de bestuurlijke rapportage van 21 februari 2023 blijkt dat er op 11 februari 2023 omstreeks 00:15 uur nog mensen in het pand aanwezig waren.\n\n4.5.. Verweerder concludeert, op basis van de geconstateerde feiten en omstandigheden zoals vermeld in de hiervoor aangehaalde rapportages, dat het hoofdgebruik van het pand een clubhuis- of verenigingsfunctie is, zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning is verleend. Dit gebruik is in strijd met het bestemmingsplan ‘Oostpolder’.Het pand is uitsluitend bestemd voor bedrijfsmatig gebruik.Daarnaast concludeert verweerder dat het pand niet bedrijfsmatig in gebruik was voor opslag van motoren. Dit blijkt uit het geringe aantal motoren dat bij de controle in het pand is aangetroffen, het vrijwel ontbreken van betalingen van kosten van huur van een stallingsplaats, de beperkte ruimte die in het pand voorhanden is voor stalling in verhouding tot de omvang van de samenkomstruimte en keukenfaciliteit en het feit dat het pand overdag niet in gebruik was. Evenmin is sprake van bedrijfsmatige reparaties. Dit volgt uit de aard en beperkte hoeveelheid gereedschap dat in het pand is aangetroffen. Dit maakt dat het gebruik van het pand op twee manieren in strijd was met het bestemmingsplan, namelijk het hoofdgebruik van het pand als clubhuis en het niet bedrijfsmatig en ondergeschikte gebruik van het pand als stallings- en sleutelruimte. Hiermee overtrad eiseres het verbod zoals omschreven in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n5. Eiseres is het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom. Eiseres is een stichting, opgericht in 2007, heeft een bestuur en een aantal vrijwilligers die gebruik maken van het pand dat eiseres huurt sinds 2011. Het pand was tot het opleggen van de last onder dwangsom in gebruik voor de stalling en onderhoud van motoren van vrijwilligers en voor de opslag van materialen voor Harley Davidson-evenementen die eiseres organiseert, zoals ritten. Ook kwamen het bestuur en de vrijwilligers van eiseres wekelijks samen in het pand om te vergaderen. Op wat eiseres in beroep aanvoert, gaat de rechtbank hierna in.\n\nWat zijn de regels?\n\n6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de last onder dwangsom is opgelegd vóór 1 januari 2024, is op het bestreden besluit de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen de last onder dwangsom ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToetsingskader\n\n8. Een bestuursorgaan is bevoegd om handhavend op te treden door middel van het opleggen van een last onder bestuursdwang dan wel last onder dwangsom als sprake is van een overtreding, een gedraging in strijd met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. De bevoegdheid van verweerder volgt uit artikel 125 van de Gemeentewet in samenhang met de artikelen 5:4 en 5:1 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n8.1.. Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, zonder te beschikken over een toereikende omgevingsvergunning, is een overtreding van het verbod neergelegd in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.\n\n8.2.. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen.Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025 geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak.Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden.\n\n8.3.. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat is gediend met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er sprake van een bijzonder geval waarin van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Voor het antwoord op de vraag of concreet zicht op legalisatie bestaat, moet worden gekeken naar de feiten en omstandigheden ten tijde van de besluitvorming.\n\n8.4.. \n\nDe rechtbank toetst de rechtmatigheid van het bestreden besluit en maakt een beoordeling ‘ex tunc’. De rechtbank beoordeelt of verweerder zich ten tijde van het bestreden besluit van 13 augustus 2024 op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij handhavend mocht optreden. Deze overtreding betreft de strijd met het bestemmingsplan.\n\nIs sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo?\n\n9. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat geen sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.\n\n9.1.. \n\nAllereerst volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat de commissie in haar advies van 2 augustus 2024 in deze zaak niet zonder meer feiten en overwegingen uit het advies van de commissie van 18 april 2024 in de andere zaak mag overnemen. In het advies van 2 augustus 2024 stelt de commissie vast dat verweerder alleen de rapportage van\n\n17 april 2024 aan het primaire besluit ten grondslag heeft gelegd. Alleen op basis van deze rapportage kan volgens de commissie niet worden geconcludeerd dat de hoofdactiviteit van het pand een clubhuis- of verenigingsfunctie is. Daarom adviseert de commissie de feiten en overwegingen die in het advies van 18 april 2024 aan de orde zijn gekomen en die hebben geleid tot het oordeel dat alle rapportages in onderling verband moeten worden bezien en die naar het oordeel van de commissie voldoende zijn voor de vaststelling dat de hoofdactiviteit van het pand een clubhuis- of verenigingsfunctie is, mee te nemen in de beslissing op bezwaar.\n\n9.2.. De rechtbank overweegt dat verweerder dit advies heeft overgenomen en terecht heeft gewezen op de samenhang tussen beide procedures waarbij het gebruik van het pand centraal staat. Eiseres heeft tegen het sluitingsbesluit van de burgemeester en het dwangsombesluit van verweerder grotendeels dezelfde argumenten aangedragen. Als gevolg daarvan vertonen beide adviezen een zekere mate van overlap. Eiseres erkent deze samenhang ook zelf. De constateringen ten aanzien van het gebruik van het pand zijn in beide zaken aan de besluitvorming ten grondslag gelegd. Hiermee zijn de constateringen en overwegingen in het advies in de andere zaak ook relevant voor de beoordeling in deze zaak. In wat eiseres aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding dat verweerder deze feiten en omstandigheden uit de ander zaak niet ten grondslag mag leggen aan het bestreden besluit.9.3.. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder ook voor wat betreft zijn motivering van het besteden besluit naar het andere advies verwijzen. Uit de besluitvorming van verweerder volgt namelijk dat hij zich ervan heeft vergewist dat het advies in de andere zaak zorgvuldig tot stand is gekomen, dat de redeneringen daarin begrijpelijk zijn en dat de getrokken conclusies daarop aansluiten.Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die reden geven voor twijfel hieraan.9.4.. Gelet hierop volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat het bestreden besluit alleen is gebaseerd op de bevindingen van de controle op 14 april 2023, dat dit onvoldoende is voor de conclusie dat het hoofdgebruik van het pand een clubhuis- of verenigingsfunctie is en dat de bestuurlijke rapportage hiervoor nauwelijks onderbouwing bevatten. Zoals verweerder in zijn besluitvorming uitvoerig heeft toegelicht heeft verweerder alle rapportages in onderling verband bezien.\n\n9.5.. Volgens vaste jurisprudentie mag een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller hiervan weergeven. Dit geldt ook voor een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende bestuurlijke rapportage. Als die bevindingen worden betwist, dan zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n9.6.. Verweerder stelt zich daarom terecht op het standpunt dat hij in beginsel mag uitgaan van de inhoud van een bestuurlijke rapportage. De gebruikte rapportages bevatten verschillende concrete waarnemingen en bevindingen met betrekking tot het gebruik van het pand. Vast staat dat eiseres de bevindingen in de verschillende rapportages niet inhoudelijk heeft betwist dan wel stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat het pand bedrijfsmatig in gebruik was, al dan niet als stalling voor motoren. Wat eiseres aanvoert geeft geen aanleiding om aan de inhoud van de conclusies van de bestuurlijke rapportages te twijfelen. Verweerder mocht de bestuurlijke rapportages daarom aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen.\n\n9.7.. Dat eiseres in beroep toch vasthoudt aan haar standpunt dat het pand hoofdzakelijk in gebruik was voor de stalling van motoren van de vrijwilligers en de stalling van (eventuele) materialen voor evenementen en dat het pand daarnaast in gebruik was voor kleinschalig onderhoud en (lichte) reparaties aan de motoren en voor vergaderingen, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft voldoende toegelicht in zijn besluitvorming welk gebruik van het pand is geconstateerd en waarom dat gebruik in strijd is met het bestemmingsplan.\n\nVertrouwensbeginsel\n\n10. Eiseres betoogt dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder van handhaving had moeten afzien. Het gaat daarbij om de omstandigheid dat in 2016 schikkingsafspraken zijn gemaakt waardoor een gedoogsituatie is ontstaan. Het pand is naar aanleiding van de schikkingsafspraken aangepast. Volgens eiseres was het gebruik ten tijde van het bestreden besluit in overeenstemming met de schikkingsafspraken en mocht zij erop vertrouwen dat zij aan het bestemmingsplan voldeed.\n\n10.1.. In 2016 heeft de burgemeester met eiseres schikkingsafspraken gemaakt, nadat hij een handhavingstraject was gestart, omdat eiseres in hetzelfde pand een clubhuis exploiteerde, zonder dat daarvoor een vergunning was verleend. Dit handhavingstraject is beëindigd bij brief van 14 oktober 2016, waarin deze schikkingsafspraken zijn opgenomen.10.2.. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van verweerder toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan waaruit zij mocht afleiden dat verweerder niet tot handhaving zou kunnen overgaan in geval één of meer overtredingen worden geconstateerd.10.3.. Anders dan eiseres stelt, heeft zij zich naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden aan de schikkingsafspraken. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het bestreden besluit van 17 mei 2024 in de andere zaak en naar het advies van de commissie van 2 augustus 2024, voldoende gemotiveerd. Het pand was namelijk ten tijde van belang in gebruik als clubhuis, terwijl uit de schikkingsafspraken volgt dat in het pand geen clubhuis of andere inrichting van vermakelijkheid meer mocht worden geëxploiteerd. Het pand mocht immers, gelet op de schikkingsafspraken, in overeenstemming met de geldende regelgeving alleen worden gebruikt voor vergaderingen als nevenactiviteit van de hoofdactiviteit die op grond van dat bestemmingsplan is toegestaan, dat wil zeggen voor opslag en stalling. Tijdens verschillende controles is echter gebleken dat het gebruik van de benedenverdieping van het pand voor opslag en stalling van motoren niet de hoofdactiviteit van het pand is. Het pand is niet ingericht of geschikt gemaakt voor opslag en stalling en ook is niet gebleken dat die activiteiten plaatsvinden. Ook is uit de bestuurlijke rapportages niet gebleken van wekelijkse vergaderingen in het pand. Gebleken is dat de bijeenkomsten geen duidelijk doel hadden. Bovendien is het pand niet ingericht op het houden van vergaderingen.\n\n10.4.. Verweerder heeft verder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat hij zich niet aan deze schikkingsafspraken gebonden acht, omdat de burgemeester – en niet verweerder – de schikkingsafspraken in het kader van zijn bevoegdheid op grond van de APV heeft gemaakt met eiseres.\n\n10.5.. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat de burgemeester, mede vanwege de rechtsontwikkelingen omtrent zogenoemde Outlaw Motorcycle Gangs op de gemaakte afspraken is teruggekomen.\n\n10.6.. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres wist dat zij zich aan de afspraken moest houden en dat verweerder opnieuw handhavend kon optreden als zij zich niet zou houden aan de afspraken. Dit volgt uit de brief van 13 oktober 2026 en het gespreksverslag van 16 juni 2016.\n\n10.7.. \n\nGelet op het vorenstaande is er geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. In wat eiseres aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van deze last. Daarbij is van belang dat handhaving tegen een met de wet strijdige situatie als uitgangspunt heeft te gelden.\n\nEvenredigheidsbeginsel\n\n11. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat het opleggen van een last onder dwangsom onevenredig is, omdat de burgemeester ook al heeft besloten tot sluiting van hetzelfde pand voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft, onder verwijzing naar het advies van de commissie van 2 augustus 2024, voldoende toegelicht dat hij en de burgemeester verschillende bevoegdheden op basis van verschillende wettelijke grondslagen hebben. Dit maakt dat beide handhavingsprocedures naast elkaar kunnen worden gevoerd. De aard en het doel van beide besluiten zijn immers verschillend: de sluiting vormt een onmiddellijke beheersmaatregel gericht op directe beëindiging van de geconstateerde (openbare-orde)overtredingen van de APV. De last onder dwangsom ziet daarentegen op het duurzaam beëindigen van planologisch strijdig gebruik van het pand en is dus (mede) gericht op de toekomst.\n\n11.1.. De rechtbank is van oordeel dat de last geschikt is om het doel (het voorkomen van verdere overtreding) te bereiken. Een last onder dwangsom is in het algemeen een geschikt middel om een overtreder te dwingen om een overtreding te beëindigen. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat met het opleggen van de last in dit geval niet kan worden bereikt dat zij de overtreding beëindigt.\n\n11.2.. \n\nDe rechtbank oordeelt ook dat het opleggen van de last onder dwangsom noodzakelijk was, gelet op de geconstateerde ernst en de omvang van de overtreding.\n\nEr is al langdurig sprake van een overtreding. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat het opleggen van een last onder dwangsom in dit geval verder gaat dan nodig. Er is geen ander, minder ingrijpend middel waarmee verweerder hetzelfde resultaat kon bereiken.\n\n11.3.. De rechtbank acht de last tot slot ook evenwichtig. Gelet op het ruimtelijke belang van het bestemmingsplan en het zwaarwegende belang van handhaving, is het bestreden besluit tevens evenwichtig in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Ook de begunstigingstermijn en de hoogte van de dwangsom acht de rechtbank evenredig.\n\nOnduidelijkheid van de last\n\n12. Dat de het onduidelijk is welk gebruik van het pand in strijd is met de geldende regelgeving volgt de rechtbank niet. Zowel uit de formulering van de last als uit de genoemde herstelmogelijkheden blijkt voldoende duidelijk en concreet wat van eiseres wordt verlangd en wanneer. Verweerder heeft voldoende duidelijk gemotiveerd wat de last inhield. In wat eiseres aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.\n\n13. Verweerder heeft zich daarom terecht bevoegd geacht om handhavend op te treden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:GHARL:2020:10406.\n\n ECLI:NL:HR:2022:1114.\n\n Zie rechtsoverweging 5.67 van de hiervoor genoemde beschikking van 15 december 2020.\n\n Politie-eenheid Den Haag, team Gouda.\n\n Op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de APV en artikel 2:16 eerste lid, aanhef en onder e, van de APV.\n\n Met ingang van 19 juni 2023 om 10:00 uur.\n\n Op grond van de artikelen 2:9, eerste lid, van de APV, artikel 2:12, onder d, van de APV en artikel 2:16, eerste lid, onder e, van de APV.\n\n Zie de rapportages van de gemeentelijk toezichthouders van 15 april 2023, van de ODMH van 17 april 2023, van de politie van 18 april 2023 en een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 17 mei 2023. In deze rapportages zijn waarnemingen en bevindingen opgenomen die teruggaan tot januari 2017.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.\n\n Als genoemd in artikel 5.18 van de Wabo.\n\n Zie de rapportages van de gemeentelijk toezichthouders van 15 april 2023, van de ODMH van 17 april 2023, van de politie van 18 april 2023 en een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 17 mei 2023. In deze rapportages zijn waarnemingen en bevindingen opgenomen die teruggaan tot januari 2017.\n\n De resultaten zijn weergegeven in de bestuurlijke rapportages van 4 januari 2022, 2 augustus 2022, 11 november 2022 en 21 februari 2023.\n\n Artikel 5 en 1.13 van het Bestemmingsplan.\n\n Behorende tot milieucategorie 1, 2 en 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, opgenomen in bijlage 1 bij de planregels van het bestemmingsplan.\n\n Dit volgt uit artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 oktober 2024, ECLI:NL:2024:4375.\n\n Uitspraken van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678 en van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3137.\n\n Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NK:RVS:2023:1247.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117 en 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916.\n\n Op grond van het oude artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2009.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28011","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:40.784Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":36,"updatedAt":44},"1470","ECLI:NL:RBDHA:2023:10352","ecli-nl-rbdha-2023-10352","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 21\u002F5754\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2023 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp\n\n(gemachtigde: mr. S.W. Boot).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 26 maart 2021 (primair besluit) heeft het college de bij besluit van 7 mei 1974 verleende vergunning voor de bouw van een bedrijfswoning ingetrokken.\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 20 juli 2021 op het bezwaar van eiser is het college bij de intrekking gebleven.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. Het college heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door mr. Goumans, en namens het college mr. S.W. Boot, vergezeld door [naam] .\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Op 7 mei 1974 heeft het college aan de toenmalige eigenaar van het perceel [adres] nabij [nummer] , kadastraal bekend als: gemeente [gemeenteplaats] , sectie [X] , nummer [kadastraal nummer] , een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfswoning ten behoeve van een varkensmesterij. Deze vergunning is op enig moment bij een opvolgend eigenaar in het ongerede geraakt.\n\n2.1.. Eiser is sinds 2015 eigenaar van het perceel. Hij heeft het college verzocht om een afschrift van de vergunning. Na diverse zoekpogingen is deze vergunning gevonden en op 9 maart 2021 aan eiser overhandigd. Tegelijkertijd heeft het college het voornemen kenbaar gemaakt aan eiser om de omgevingsvergunning voor de bouw van een bedrijfswoning in te trekken. Eiser heeft op 24 maart 2021 hiertegen een zienswijze tegen dit voornemen ingediend. Het college heeft de zienswijze niet gevolgd en de omgevingsvergunning ingetrokken in het primaire besluit.\n\n2.2.. Eiser heeft bezwaar ingediend tegen het intrekkingsbesluit. De gemeentelijke commissie behandeling bezwaarschriften (hierna: de commissie) heeft advies uitgebracht naar aanleiding van dit bezwaar. De commissie adviseert om het bezwaar ongegrond te verklaren en het primaire besluit in stand te laten. Het college heeft het advies overgenomen onder aanvulling van de motivering.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de beroepsgronden die hij heeft ingediend.\n\nMocht het college afwijken van het advies van de commissie?\n\n4. Eiser betoogt dat het college ten onrechte afwijkt van het advies van de commissie. De enkele verwijzing naar het verweerschrift is onvoldoende als onderbouwing voor die afwijking, nu de commissie commentaar heeft gegeven op dat verweerschrift.\n\n4.1.. In het bestreden besluit wordt door het college verwezen naar (delen van) het advies van de commissie. Verder wordt de conclusie van dat advies integraal overgenomen. Voor de motivering van de afwijking van de onderbouwing van het advies heeft het college volstaan met een verwijzing naar zijn verweerschrift in bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het gegeven dat de motivering van het advies niet geheel is overgenomen, niet dat er niet conform artikel 3:49 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is gehandeld. Het staat het college immers vrij tot een eigen overweging te komen ten aanzien van het advies. Voorts heeft het college mogen vasthouden aan zijn eerdere onderbouwing van de intrekking zoals verwoord in het verweerschrift in bezwaar. De grond slaagt niet.\n\nHeeft het college vooringenomen gehandeld?\n\n6. Eiser stelt dat het besluit in strijd is met het verbod op vooringenomenheid van artikel 2:4 Awb. Hiervoor zijn volgens eiser verschillende redenen. De behandelend ambtenaar is in het verleden betrokken geweest bij een handhavingszaak tegen eiser, waarbij het college in hoger beroep in het ongelijk is gesteld. Dezelfde ambtenaar heeft al begin 2021 aan eiser te kennen gegeven dat er op betreffende locatie geen bedrijfswoning mag worden gebouwd. Ook is het primaire besluit genomen twee dagen nadat de zienswijze is ingediend, zodat daarover geen college-overleg kan hebben plaatsgevonden. Daarnaast is de vergunning half januari 2021 gevonden, maar pas anderhalve maand later, tegelijkertijd met het voornemen tot intrekken, overhandigd. Hierdoor stond eiser voor een voldongen feit. Vervolgens heeft een toezichthouder van de gemeente gefrustreerd dat eiser de door hem spoorslags begonnen bouw van de bedrijfswoning kon voortzetten doordat hij weigerde de rooilijn aan te geven en de bouwhoogte te bepalen. Tot slot is er voor een ander adres in dezelfde gemeente ook reeds een bedrijfswoning toegestaan.\n\n6.1.. Het college bestrijdt dat de betreffende ambtenaar een persoonlijk belang bij de zaak heeft. Het is ook niet waar dat zij in haar eentje de hele behandeling van de procedure over de handhaving heeft gedaan. De besluitvorming rond het primaire besluit heeft plaatsgevonden door het hoofd Ruimte, Belastingen en Gegevensbeheer, die daartoe is gemandateerd. Het besluit is genomen me medeweten en instemming van het college. Van vooringenomenheid is dan ook volstrekt geen sprake volgens het college.\n\n6.2.1. Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid. Ingevolge het tweede lid waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.\n\n6.2.2.. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:701) is in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2:4 van de Awb (Kamerstukken II 1998\u002F89, 21221, 3, p. 53–55) benadrukt dat de strekking van artikel 2:4 is dat het erom gaat dat het bestuursorgaan de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden. Het gaat erom, zo is in de toelichting opgemerkt, dat de overheid de nodige objectiviteit moet betrachten en zich niet door vooringenomenheid mag laten leiden.\n\n6.3.. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat het college vooringenomen is geweest bij de totstandkoming van het besluit. Er is geen enkele aanwijzing dat een ambtenaar van de gemeente doelbewust heeft geacteerd om een bepaalde uitkomst te bewerkstelligen. Het enkele feit dat een behandelend ambtenaar ook betrokken is geweest bij een procedure die het college in hoger beroep heeft verloren is daarvoor onvoldoende. Dat de omgevingsvergunning pas enkele weken na de vondst naar eiser is opgestuurd is evenmin grond om vooringenomenheid aan te nemen. Het college heeft toegelicht dat na de vondst van de vergunning er eerst intern overleg heeft plaatsgevonden over hoe met de situatie om te gaan. Gelet op het feit dat het om een vergunning van 47 jaar terug ging, is dit voorstelbaar dat het college enige tijd nodig had om de belangen af te wegen en tot een conclusie te komen over de te volgen handelwijze. Verder is begrijpelijk dat het college na bekendmaking van het voornemen tot intrekken van de vergunning niet wilde meewerken aan het bepalen van de voorgevelrooilijn en bouwhoogte. Daarmee zou immers een dubbelzinnig signaal zijn afgegeven. Dat het college voor een bedrijfswoning op een ander perceel wel vergunning heeft verleend, is op zichzelf al evenmin een aanwijzing voor vooringenomenheid. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n6.4.. Voor zover eiser met zijn grond over de verlening van een vergunning voor een bedrijfswoning op een ander perceel een beroep dat op het gelijkheidsbeginsel slaagt dit ook niet. Ter zitting heeft verweerder daarover onweersproken toegelicht dat het een andere situatie betrof en dat het ging om een perceel waar een ander bestemmingsplan op van toepassing is.\n\nWas het college bevoegd tot het nemen van het intrekkingsbesluit?\n\n7. Eiser voert aan dat het college niet bevoegd is om het intrekkingsbesluit te nemen, omdat hij al aan het bouwen was voordat het intrekkingsbesluit werd genomen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van 18 november 2002 van de rechtbank Roermond.\n\n7.1.. Het college betoogt dat de bevoegdheid tot het intrekken van een bouwvergunning ontstaat en blijft bestaan als niet binnen 26 weken gebruik wordt gemaakt van de verguning. Het alsnog gebruik maken van de vergunning, nadat reeds kenbaar was gemaakt dat het voornemen bestond de vergunning in te trekken, doet volgends het college aan de bevoegdheid niets af.\n\n7.2.. Ingevolge artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.\n\n7.3.. Vaststaat dat van de vergunning van 7 mei 1974 geen gebruik is gemaakt binnen 26 weken. De werkzaamheden die eiser heeft uitgevoerd op het terrein zijn immers pas in maart 2021 gestart. Het college was daarom in beginsel bevoegd tot intrekking van de vergunning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nMocht het college in dit geval gebruikmaken van zijn bevoegdheid de omgevingsvergunning in te trekken?\n\n8. Volgens eiser zijn zijn belangen onvoldoende meegewogen in de besluitvorming. Het geen gebruik kun maken van de vergunning betekent financieel nadeel voor eiser. Ten eerste was het bestaan van de bouwmogelijkheid op het perceel verdisconteerd in de aankoopprijs van het perceel. Maar ook neemt de waarde van het gevestigde paardenfokkerijbedrijf af, doordat het niet mogelijk is om het voor een paardenfokkerij benodigde toezicht te houden. Eiser wijst erop dat de paardenfokkerij daar legaal is gevestigd. Voor zover verweerder stelt dat het bouwplan niet aan de bouwtechnische eisen voldoet, had hij de tijd moeten krijgen om de nodige aanpassingen door te voeren.\n\n8.1. Het college wijst erop dat de opeenvolgende bestemmingsplannen al sinds 1975 geen (woon)bebouwing ter plaatse toestaan. Verder is er sinds 2013 een bestendige gedragslijn dat verouderde vergunningen worden ingetrokken, zoals ook blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag.Dat eiser alsnog gebruik wil maken van de vergunning, betekent niet dat het college niet over kan gaan op het intrekken van de vergunning. De algemene belangen die gediend zijn met de intrekking wegen volgens het college zwaarder dan de financiële belangen van eiser. Het college betwijfelt of een bedrijfswoning noodzakelijk is voor de paardenfokkerij. Eiser heeft het perceel immers aangekocht, ondanks de onzekerheid over het bestaan van een bouwvergunning. Tot slot is de destijds verleende vergunning niet in lijn met de huidige bouwregelgeving.\n\n8.2.. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie, is de intrekking van een omgevingsvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid. Bij de toepassing van die bevoegdheid komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De rechter toetst of het bestuursorgaan in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.\n\n8.3.. Het is eveneens vaste jurisprudentiedat bij de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning alle in aanmerking te nemen belangen moeten worden betrokken en tegen elkaar afgewogen. Daartoe behoren naast de door het bestuursorgaan gestelde belangen, waaronder het realiseren van gewijzigde planologische inzichten, ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is voldoende om de intrekking van een ongebruikte vergunning te rechtvaardigen.\n\n8.4.. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die het college ervan hadden moeten weerhouden om het bestreden besluit te nemen. Het college heeft in redelijkheid gewicht toe kunnen kennen aan de zeer lange periode waarin de vergunning niet is gebruikt. Dat de vergunning ook bij de gemeente in het ongerede was geraakt en eerst na diverse zoekpogingen is gevonden, vormt geen reden voor een ander oordeel, nu de verzoeken van eiser om de vergunning te zoeken zeer lange tijd na afloop van de 26-weken termijn bij het college binnen zijn gekomen. Verder mocht het college ook belang hechten aan een actueel vergunningenbestand waarin geen ongebruikte vergunningen zijn opgenomen die zijn verleend op basis van verouderde of vervallen regelgeving. Niet is gebleken dat het college daarin niet consistent handelt. Dat eiser ter zitting één voorbeeld heeft gegeven van een niet ingetrokken bouwvergunning die dertig jaar oud is en waarbij het plan nog niet is gerealiseerd, is onvoldoende om aan te nemen dat er geen sprake is van een bestendige gedragslijn.\n\n8.5.. Ook is van belang dat het planologische beleid van de gemeente sinds 1975 geen bedrijfswoningen meer toestaat. Het feit dat, volgens eiser, de vergunning onder het overgangsrecht valt van de elkaar opvolgende bestemmingsplannen, helpt hem niet, nu het meerdere bestemmingsplannen betreft en overgangsrecht niet legaliseert. Het college heeft onder deze omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om eiser de kans te bieden het bouwplan zodanig aan te passen dat het voldoet aan het Bouwbesluit 2012, zoals dat thans luidt. Daar komt nog bij dat niet valt uit te sluiten dat het bouwplan zodanige wijzigingen behoeft dat in feite sprake zou zijn van een nieuwe aanvraag. Hoewel het door eiser gestelde financiële belang bij behoud van de vergunning aannemelijk is, maakt niet dat het ook doorslaggevend is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor het exploiteren van de paardenfokkerij noodzakelijk is dat een bedrijfswoning op het perceel wordt gerealiseerd. In dat kader acht de rechtbank van belang dat eiser ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat de paardenfokkerij al enige jaren functioneert. Bovendien heeft eiser welbewust een perceel gekocht waarvan hij slechts op basis van mededelingen van de verkoper aannam dat er in het verleden vergunning was verleend voor de bouw van een bedrijfswoning. Daarmee heeft hij een risico genomen, dat niet op het college kan worden afgewenteld. Dat eiser voorafgaand aan het primaire besluit al aanstalten had gemaakt om met de bouwwerkzaamheden te starten en in dat kader kosten heeft gemaakt ondanks dat hem al een voornemen tot intrekking van de vergunning was overhandigt, moet eveneens voor eigen rekening en risico komen. In het feit zelf dat deze werkzaamheden waren gestart heeft het college evenmin aanleiding hoeven zien om de intrekking van de vergunning af te zien, nu deze werkzaamheden pas zijn gestart na ontvangst van het voornemen tot intrekking van de vergunning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het college heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de bouwvergunning in te trekken. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n10. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. M.W. ten Brummelhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op\n\n14 juli 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraak van 18 november 2002 van de rechtbank Roermond, ECLI:NL:RBROE:2002:AF1580.\n\n Uitspraak van 29 juli 2020 van de rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2020:8020.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 oktober 2019, ECLI: NL:RVS:2019:3642.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1825.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:10352","2026-07-13T00:29:22.590Z",20]