[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-road-traffic-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":61},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},65,"road-traffic-nl","Road Traffic","NL","2026-07-08T16:54:19.226Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2023-12-20T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122472","Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie","art. 34",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122600","Burgerlijk Wetboek","art. 6:108 lid 4",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"122601","art. 6:108 lid 3",[34,45,54],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":44},"829","ECLI:NL:GHDHA:2026:2238","ecli-nl-ghdha-2026-2238","","Rolnummer: 22-003380-25\n\nParketnummer: 10-180764-21\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,\n\nthans gedetineerd in [detentieadres].\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) opgelegd. Verder is een beslissing genomen op de vordering tot ontzetting van de verdachte uit het recht om het beroep uit te oefenen van beroepschauffeur, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nIn hoger beroep heeft het hof de verdachte bij arrest van 16 juli 2024 ter zake van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte opgelegd de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994. Tot slot zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals nader omschreven in het arrest van het hof van 16 juli 2024.\n\nTegen dat arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.\n\nBij arrest van 11 november 2025 heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van € 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor vergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij].\n\nDe Hoge Raad overwoog (onder meer):\n\n“3.5\n\nHet hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij niet als levensgezel in de zin van\n\nartikel 6:108 lid 4, aanhef en onder b, BW kan worden beschouwd, omdat zij niet duurzaam\n\nmet het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde, maar dat zij wel in een\n\n‘LAT-relatie’ stond met het slachtoffer. Volgens het hof heeft zij ‘daarmee’ in voldoende\n\nmate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de\n\nzin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW kan worden aangemerkt.\n\nDat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de onder 3.2.2\n\nweergegeven bijlage van het ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij\n\nweliswaar inhoudt dat sprake was van een ‘hechte en duurzame’ LAT-relatie tussen de\n\nbenadeelde partij en het slachtoffer, maar dat de daaraan door de benadeelde partij ten\n\ngrondslag gelegde stellingen door de verdediging zijn betwist onder verwijzing naar het\n\nontbreken van stukken waaruit dit blijkt. Bij die stand van zaken had het hof aan de hand\n\nvan de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en\n\nomstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden - in het bijzonder de\n\nonderbouwing door de benadeelde partij van de in de wetsgeschiedenis bedoelde duur en\n\nhechtheid van de relatie - in voldoende mate zijn komen vast te staan.\n\n3.6\n\nHet cassatiemiddel slaagt. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f lid 1\n\nvan het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel ten behoeve van de benadeelde partij\n\nniet in stand kan blijven (vgl. HR 18juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).\n\nIn de omstandigheid dat het hof – in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, rechtsoverweging 3.9 – bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van schokschade rekening heeft gehouden met de hoogte van de vergoeding van de affectieschade, ziet de Hoge Raad aanleiding om de zaak ook terug te wijzen ten aanzien van de beslissing over de vergoeding van schokschade.\n\n4. Beslissing\n\nDe Hoge Raad:\n\n- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de\n\nvordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van\n\n€ 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor\n\nvergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij];\n\n- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien van de\n\nbeslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van\n\naffectieschade en schokschade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel\n\nten behoeve van [de benadeelde partij] opnieuw wordt berecht en afgedaan;\n\n- verwerpt het beroep voor het overige.”\n\nOmvang van de zaak\n\nGelet op het arrest van de Hoge Raad is de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen, uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ten aanzien van de gevorderde affectieschade en schokschade en ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nVordering tot schadevergoeding [de benadeelde partij]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [de benadeelde partij], de partner van [het slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 52.068,19.\n\nGelet op de beslissing van de Hoge Raad is thans uitsluitend de vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 47.500,- aan de orde, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 30.000,- voor schokschade.\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in voldoende mate heeft aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was dat zij als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden aangemerkt. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 42.500,-, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor schokschade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft het bestaan van een LAT-relatie tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet betwist, maar wel de intensiteit, de aard en de duur daarvan ter discussie gesteld. De verdediging betwist dat er sprake was van een langdurige, hechte LAT-relatie, zodat [de benadeelde partij] niet als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW kan worden aangemerkt.\n\nAffectieschade\n\nOp grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 BW en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Ook staat daarin welke vaste, maximale bedragen per categorie toewijsbaar zijn. Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’. Indien een vordering niet onder een van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4 sub g BW), als een persoon meent toch als naaste in de zin van deze wet te moeten worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten aantonen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep na terugwijzing heeft de benadeelde partij, anders dan in eerste aanleg, de grondslag van de vordering tot vergoeding van affectieschade, beperkt tot artikel 6:108 lid 4 sub g BW.\n\nVoor vergoeding van affectieschade op deze grondslag dient te kunnen worden vastgesteld dat er een zodanige nauwe persoonlijke relatie tussen de benadeelde partij en het overleden slachtoffer bestond dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt. Daarbij is niet de formele maar de feitelijke verhouding tussen betrokkenen beslissend. Of sprake is van een zodanige nauwe persoonlijke relatie dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard, de duur en de intensiteit van de relatie.\n\nTer onderbouwing van de aard, de duur en de intensiteit van de relatie heeft de benadeelde partij, in aanvulling op de eerder ingediende onderbouwing op de vordering, in WhatsApp met het slachtoffer gevoerde gesprekken over de periode 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 alsmede een aantal foto's van haar met het slachtoffer overgelegd.\n\nOp grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat tussen de benadeelde partij en het slachtoffer gedurende meerdere jaren sprake was van een hechte affectieve relatie. Ten aanzien van de aard van de relatie is niet betwist dat het een affectieve relatie betrof. Ten aanzien van de intensiteit van deze relatie was sprake van dagelijks - al dan niet telefonisch, via WhatsApp of FaceTime - contact tussen de benadeelde en het slachtoffer. Wat betreft de duur van die relatie neemt het hof in aanmerking dat uit de inhoud van de overgelegde WhatsApp-gesprekken blijkt dat zij in ieder geval in de periode van 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 (vrijwel) dagelijks contact met elkaar onderhielden via WhatsApp.\n\nMet betrekking tot de aard, de duur en de intensiteit van de relatie acht het hof voorts van belang dat uit de inhoud van de WhatsApp-gesprekken en de door de benadeelde partij gegeven toelichting blijkt dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een liefdesrelatie die verder ging dan een vriendschappelijke relatie. Er was sprake van wederzijdse affectie en intimiteit, zij verbleven meerdere malen per week bij elkaar en zij namen een belangrijke plaats in elkaars leven in. Ze waren elkaars steun en toeverlaat, aldus de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof wijzen deze omstandigheden op een hechte affectieve relatie over tenminste een periode van drieënhalf jaar.\n\nVoorts vindt het bestaan van een affectieve relatie steun in de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021, opgesteld door [naam diagnostisch medewerker], diagnostisch medewerker, mede namens [naam psychiater], psychiater, waarin wordt gesproken over behandeling, gericht op trauma- en rouwklachten over het verlies van haar partner.\n\nUit de door de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering aangevoerde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maakt het hof op dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie, te weten een langdurige, hechte LAT-relatie, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 jo lid 4 sub g BW als naaste wordt aangemerkt.\n\nGelet daarop zal het hof het voor naasten bepaalde forfaitaire schadebedrag van € 17.500,- wegens affectieschade toewijzen.\n\nSchokschade\n\nVan de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ kan sprake zijn als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond is geraakt (zogenoemde ‘schokschade’).\n\nVoor de toewijzing van schadevergoeding vanwege schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld\n\n(zie het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.7).\n\nOp grond van de toelichting op de vordering door de benadeelde partij en de stukken uit het dossier – kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij na het verongelukken van het slachtoffer als één van de eerste politieambtenaren ter plaatse was. De benadeelde partij heeft het zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat aangetroffen. Dit is door de verdediging niet betwist.\n\nZoals hiervoor reeds overwogen was sprake van een langdurige, hechte LAT- relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij. Uit de hiervoor genoemde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 is gebleken dat de benadeelde partij gediagnosticeerd is met een Posttraumatische stressstoornis (PTSS) die is ontstaan door de confrontatie met de gevolgen van het misdrijf. PTSS is een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 heeft de benadeelde partij toegelicht dat haar behandeling bij de psycholoog ongeveer een half jaar geleden is afgerond. Dit betreft een behandel periode van bijna 5 jaren na het misdrijf. Zij heeft thans nog gesprekken met een geestelijk medewerker.\n\nHet hof stelt vast dat bij de benadeelde partij psychische schade is ontstaan als gevolg van het misdrijf en stelt dan ook vast dat er sprake is van geestelijk letsel waardoor de benadeelde partij in haar persoon is aangetast. Op grond van deze feiten en omstandigheden staat in voldoende mate vast dat de benadeelde partij schokschade heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde.\n\nGelet op alle omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van het hof daarmee niet alleen jegens het (primaire) slachtoffer, maar ook jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en kan hij aansprakelijk worden gehouden voor de schade die als gevolg van deze hevige emotionele schok bij haar is ontstaan.\n\nTen aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag overweegt het hof het volgende.\n\nBij de benadeelde partij is sprake van een samenloop van aanspraken wegens schokschade en affectieschade. Als één van de eerste politieambtenaren die het zeer zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat heeft aangetroffen, is de emotionele schok zeer hevig geweest. Op grond van de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 kan lastig onderscheid worden gemaakt tussen de geestelijke problematiek die het gevolg is van het overlijden van het slachtoffer en de schade die het directe gevolg is van confrontatie met het slachtoffer.\n\nHet hof dient dan ook schattenderwijs naar billijkheid vast te stellen welk bedrag als vergoeding voor schokschade in aanmerking komt. Het hof acht daarbij van belang de hoogte van de toegewezen affectieschade, de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst van het psychisch letsel van de benadeelde partij en de gevolgen daarvan voor haar. Voorts betrekt het hof in zijn oordeel hetgeen blijkens rechtspraak in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van schokschade. Al deze factoren in aanmerking nemend schat het hof naar billijkheid de geestelijke schade van de benadeelde partij op € 25.000,-.\n\nVoor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor wat betreft het gevorderde bedrag aan schokschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [de benadeelde partij]\n\nNu het hof oordeelt dat de verdachte tot een bedrag van € 42.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [de benadeelde partij].\n\nBESLISSING\n\nHet hof, voor zover aan het oordeel van dit hof onderworpen:\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [de benadeelde partij], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 96 (zesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van [de benadeelde partij] niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 7 juli 2021.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2238","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:50.096Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":49,"fullText":50,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":43,"updatedAt":53},"1774","ECLI:NL:RBDHA:2024:14402","ecli-nl-rbdha-2024-14402","2024-08-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F891\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nhet Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder\n\n(gemachtigde: drs. [naam] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA).\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 21 december 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de oplegging van de EMA gebleven.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de vader van eiser en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Op 15 oktober 2023 heeft de politie een mededeling naar verweerder gestuurd waaruit blijkt dat eiser is aangehouden voor het rijden onder invloed van alcohol. Uit het proces-verbaal blijkt dat een ademalcoholgehalte van 475 μg\u002Fl is vastgesteld. Verweerder heeft eiser daarom opgelegd om deel te nemen aan een cursus over alcohol en verkeer, de EMA.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n3. Eiser stelt dat hij medicijnen heeft gebruikt waardoor een extreme verhoging van het alcoholpromillage is ontstaan. Daarnaast heeft hij een erfelijke afwijking die ook van invloed is geweest op het gemeten alcoholpromillage. Tot slot stelt hij dat zijn recht is ontnomen om via een bloedonderzoek aan te tonen dat het gemeten promillage niet klopte.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n4. De rechtbank oordeelt dat verweerder aan eiser een EMA heeft mogen opleggen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de medicijnen die hij heeft gebruikt (amoxicilline, mometason en amitriptyline) in samenhang met een mogelijk bij hem aanwezige erfelijke ziekte de hoogte van het ademalcoholgehalte hebben beïnvloed. Dat uit jurisprudentie en uit informatie van de fabrikant over de chemische werking van de medicijnen zou blijken dat de medicijnen het alcoholgehalte in het lichaam versterken, zoals de vader van eiser op de zitting heeft betoogd, is door eiser niet onderbouwd met documenten of een verwijzing naar de vindplaats van deze informatie. Ook is het bloedonderzoek uitgevoerd in juni 2024 en blijkt hieruit niet wat eisers leverwaarden waren ten tijde van eisers aanhouding in oktober 2023. Verder is niet duidelijk hoe de bloedwaarden van invloed zouden kunnen zijn op het gemeten ademalcoholgehalte, waarmee wordt gemeten hoe groot de alcoholconcentratie is in de uitgeademde lucht. Eisers beroepsgrond dat hem bij zijn aanhouding het recht is ontnomen om via een bloedonderzoek aan te tonen dat het gemeten ademalcoholgehalte onjuist was, slaagt niet. Uit het proces-verbaal van het verhoor bij de politie blijkt dat aan eiser is medegedeeld dat hij het recht had op een tegenonderzoek door middel van een bloedproef op eigen kosten. Vervolgens is aan hem gevraagd of hij hier gebruik van wilde maken, waarop eiser ontkennend heeft geantwoord.\n\n5. Eiser heeft de rechtbank verzocht om meer tijd om informatie te verzamelen. De rechtbank overweegt echter dat eiser al sinds oktober 2023 de tijd heeft gehad om informatie te verzamelen en dat de rechtbank eerder al zes weken uitstel aan eiser heeft verleend om zijn beroepsgronden in te dienen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om eiser nogmaals een aanvullende termijn te bieden om nadere informatie te verzamelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:14402","2024-09-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.174Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":58,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":43,"updatedAt":60},"753","ECLI:NL:RBDHA:2023:20232","ecli-nl-rbdha-2023-20232","VonnisRECHTBANK DEN HAAG\n\nTeam handel\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F636623 \u002F HA ZA 22-867\n\nVonnis van 20 december 2023\n\nin de zaak van\n\n1. VEGA INTERNATIONAL CAR-TRANSPORT AND LOGISTIC-TRADING GESELLSCHAFT M.B.H., te Salzburg (Oostenrijk),\n\n2. VEGA INTERNATIONAL CAR-TRANSPORT GMBH, te Ulm (Duitsland),\n\neisers,\n\nadvocaat mr. D.G.J. Sanderink te Enschede,\n\ntegen\n\nDE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat), te Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat mr. E.H. Pijnacker Hordijk te Den Haag.\n\nPartijen zullen hierna VEGA en de Staat genoemd worden.\n\n1. De procedure1.1.. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 11 oktober 2022, met producties 1 tot en met 35,\n\nde conclusie van antwoord,\n\nhet tussenvonnis van 5 juli 2023, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\nde akte overlegging producties van de Staat, met producties 1 tot en met 9.\n\n1.2.. Op 8 november 2023 is de mondelinge behandeling gehouden. De advocaten hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van schriftelijke spreekaantekeningen, die tot de processtukken behoren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder ter zitting is besproken en naar voren gebracht.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\nDeze zaak gaat, kort weergegeven, over het volgende.2.1.. VEGA is een in Duitsland en Oostenrijk gevestigde transportonderneming. VEGA vervoert in opdracht van klanten voertuigen binnen de EU, in het bijzonder trekkers van vrachtwagens. Het gaat veelal om fabrieksnieuwe voertuigen. VEGA brengt de motorvoertuigen over, door deze op hun eigen wielen over de weg (dus niet via ‘truck-on-truck’ vervoer) van de fabriek naar vestigingen of afnemers van de fabrikant in andere EU-lidstaten te rijden. De voertuigen zijn geen eigendom van VEGA. VEGA is alleen de transporteur en levert de chauffeurs. VEGA maakt daarvoor gebruik van eigen chauffeurs of van zzp’ers.\n\n2.2.. De nieuwe voertuigen die VEGA vervoert staan nog niet ingeschreven in Nederland of in een andere lidstaat. Voor de overbrenging beschikt VEGA over Oostenrijkse en Duitse ‘handelaarskentekens’. Deze handelaarskentekens zijn daartoe door de bevoegde autoriteiten in Oostenrijk en Duitsland aan VEGA afgegeven. De handelaarskentekens worden door VEGA op de over te brengen voertuigen aangebracht. Op de eindbestemming worden de kentekens weer verwijderd. De over te brengen voertuigen zijn tijdens de rit verzekerd door de verzekeringsmaatschappij van VEGA.\n\n2.3.. Een belangrijk onderdeel van de vervoersactiviteiten van VEGA betreft het vervoer van fabrieksnieuwe voertuigen vanuit Gent (België) via Nederland naar Duitsland. Een deel van de voertuigen wordt dan vanuit Duitsland verder vervoerd (via het spoor) naar eindbestemmingen elders in Europa. De Nederlandse politie houdt met enige regelmaat chauffeurs van VEGA in Nederland staande tijdens het overbrengen van de voertuigen. Ook worden dan met enige regelmaat voertuigen in beslag genomen en boetes opgelegd aan de chauffeurs. De reden hiervoor is dat de Nederlandse autoriteiten zich op het standpunt stellen dat de door VEGA gebruikte Oostenrijkse en Duitse handelaarskentekens geen kentekens zijn als bedoeld in de artikelen 36 en 37 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).\n\n2.4.. Artikel 36 WVW 1994 bepaalt, kort gezegd, dat aan de eigenaar of houder van een motorrijtuig op de weg door de Dienst Wegverkeer (RDW) een geldig kenteken voor dat voertuig moet zijn afgegeven. Artikel 37 lid 1 onder b WVW 1994 houdt een uitzondering in voor voertuigen met een buitenlands kenteken. Artikel 37 lid 1 onder b bepaalt dat artikel 36 VWW 1994 niet van toepassing is op:\n\n“in het buitenland geregistreerde motorrijtuigen en aanhangwagens, die zich in het internationaal verkeer bevinden, mits ter zake van de registratie van het betrokken voertuig door het daartoe bevoegde gezag in het buitenland een bewijs is afgegeven dat voldoet aan de daaraan gestelde eisen in de tussen Nederland en het betrokken land van kracht zijnde internationale overeenkomst en het betrokken voertuig voldoet aan de eisen die in die overeenkomst dan wel bij algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van die overeenkomst aan dat voertuig worden gesteld met betrekking tot de toelating tot het internationaal verkeer.”\n\n2.5.. De Staat neemt het standpunt in dat de Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens van VEGA niet aan artikel 37 lid 1 onder b WVW 1994 voldoen, omdat de voertuigen waarvoor een handelaarskenteken wordt gebruikt niet in het buitenland geregistreerd zijn. De handelaarskentekens staan namelijk op naam van de onderneming (VEGA) en zijn niet gekoppeld aan een bepaald voertuig, aldus – kort weergegeven – de Staat.\n\n2.6.. VEGA stelt – kort gezegd – dat de Staat in strijd handelt met het vrije verkeer van goederen, zoals gewaarborgd door de artikelen 34 en 35 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie(‘WVEU’) door VEGA te verbieden om met voertuigen met Oostenrijkse of Duitse handelaarstekens in Nederland op de openbare weg te rijden (hierna kortheidshalve te noemen: ‘het Verbod’). Ook is VEGA van mening dat het Verbod een beperking vormt van de door de artikelen 15 lid 2 en\u002Fof 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘het Handvest’) gewaarborgde vrijheden omdat het Verbod VEGA belemmert bij het verrichten van haar diensten en het verrichten van haar economische activiteiten en handelsactiviteiten.\n\n2.7.. VEGA heeft vanaf begin 2021 overleg gevoerd met de Staat over haar gebruik van de Oostenrijkse en Duitse handelaarskentekens in Nederland. Tijdens deze gesprekken is onder meer aan de orde gekomen dat de Staat het gebruik van Belgische, Luxemburgse en Duitse handelaarskentekens op de Nederlandse wegen onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde doeleinden toestaat, op grond van respectievelijk een beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie van 2 december 1992 (hierna ook te noemen: ‘de Benelux-beschikking’) en een internationale afspraak met Duitsland, vervat in een brief van het Duitse Bundesministerium für Verhehr, Bau und Stadsentwicklung van 2 april 2009. De transportactiviteiten van VEGA vallen buiten de met Duitsland gemaakte afspraak, omdat tussen Nederland en Duitsland alleen is afgesproken dat het handelaarskenteken mag worden gebruikt voor de overbrenging van voertuigen van het bedrijf zelf en voor de opbouw en ombouw van of herstelwerkzaamheden aan het voertuig.\n\n2.8.. Tijdens verdere gesprekken in 2022 heeft de Staat te kennen gegeven op zichzelf ervoor open te staan om ook met Oostenrijk in bilateraal verband afspraken te maken over het gebruik van handelaarskentekens. Het was in oktober 2022 nog niet duidelijk of zo’n bilateraal verdrag zal worden gesloten en zo ja, wanneer en of zo’n verdrag het gebruik van handelaarskentekens voor de activiteiten van VEGA zal toestaan. De Staat heeft aan VEGA medegedeeld dat zij tot het (mogelijke) moment dat enig verdrag tot stand komt, handhavend zal blijven optreden tegen het gebruik van Oostenrijkse en Duitse handelaarskentekens in Nederland.\n\n2.9.. VEGA is daarop deze bodemprocedure begonnen, waarin VEGA – kort weergegeven – een verklaring voor recht vordert dat het Verbod in strijd is met het door het WVEU gewaarborgde vrije verkeer van goederen (zie hierna, onder 3).\n\n2.10.. VEGA erkent daarbij dat VEGA en haar chauffeurs geen onbeperkt recht hebben om met voertuigen met Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens over de weg te rijden, gezien het algemeen belang van verkeersveiligheid en het tegengaan van strafbare feiten. VEGA is dan ook van mening dat dit vervoer aan bepaalde cumulatieve voorwaarden moet voldoen, vergelijkbaar met de voorwaarden die in de Benelux-beschikking zijn gesteld voor het gebruik van Belgische en Luxemburgse handelaarskentekens in Nederland. De door VEGA genoemde voorwaarden voor het rijden en\u002Fof stilstaan op de Nederlandse wegen met voertuigen met Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens houden het volgende in:\n\nHet kentekenbewijs dat hoort bij de handelaarskentekens die op het voertuig zijn aangebracht, is in het voertuig aanwezig;\n\nDe handelaarskentekens die op het voertuig zijn aangebracht, worden gebruikt in overeenstemming met de wetgeving van de lidstaat die de handelaarskentekens heeft afgegeven;\n\nHet voertuig is verzekerd tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer in Nederland aanleiding kan geven en het bij die verzekering behorende verzekeringsbewijs is aanwezig in het voertuig;\n\nIn het voertuig is een document aanwezig waaruit de verzender, de ontvanger, het vertrekpunt en de eindbestemming van de overbrenging van het voertuig met de handelaarskentekens blijken; en\n\nDe deelname van het voertuig aan het verkeer in Nederland vindt plaats in het kader van de overbrenging van dat voertuig binnen de EU.\n\n3. Het geschil3.1.. VEGA vordert in deze procedure – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nvoor recht verklaart dat de artikelen 36 en 37 WVW 1994 wegens strijd met het VWEU en\u002Fof het Handvest ten aanzien van VEGA en haar chauffeurs buiten toepassing moeten blijven, voor zover zij bij de overbrenging van voertuigen Oostenrijkse of Duitse handelaarskentekens gebruiken en aan de hiervoor onder 2.10 omschreven voorwaarden voldoen;\n\nvoor recht verklaart dat VEGA en haar chauffeurs op grond van het VWEU en\u002Fof het Handvest het recht hebben met voertuigen met Oostenrijkse of Duitse handelaarskentekens over de Nederlandse wegen te rijden en\u002Fof daarop stil te staan in het kader van de overbrenging van die voertuigen, voor zover zij daarbij aan de onder 2.10 genoemde voorwaarden voldoen en de wettelijke voorschriften naleven die geen betrekking hebben op de kentekenplicht als bedoeld in de artikelen 36 en 37 WVW 1994;\n\nde Staat verbiedt om strafrechtelijke en\u002Fof bestuursrechtelijke maatregelen tegen VEGA, haar chauffeurs en\u002Fof door hen overgebrachte voertuigen te treffen of door de politie te doen treffen om de enkele reden dat die voertuigen met Oostenrijkse of Duitse handelaarskentekens op de Nederlandse weg rijden of stilstaan, mits zij aan de onder 2.10 omschreven voorwaarden voldoen;\n\nbepaalt dat de Staat aan VEGA een dwangsom van € 10.000 verbeurt voor elke strafrechtelijke en\u002Fof bestuursrechtelijke maatregel die de Staat in strijd met het onder iii. bedoelde verbod tegen VEGA, haar chauffeurs en\u002Fof door hen overgebrachte voertuigen treft of door de politie doet treffen;\n\nmet veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente bij niet betaling binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis.\n\n3.2.. De Staat heeft verweer gevoerd. De Staat is van mening dat de vorderingen van VEGA niet-ontvankelijk verklaard moeten worden voor zover zij op de individuele chauffeurs zien en voor het overige moeten worden afgewezen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, verder ingegaan.\n\n4. De beoordelingIs VEGA ontvankelijk in al haar vorderingen?\n\n4.1.. Centraal in deze zaak staat de uit de artikelen 36 en 37 WVW 1994 voortvloeiende kentekenplicht, op grond waarvan het voor ondernemingen zoals VEGA niet is toegestaan om (nog niet in Nederland of het buitenland geregistreerde) voertuigen met gebruikmaking van Oostenrijkse of Duitse handelaarskentekens op hun eigen wielen over de Nederlandse weg te rijden. Tussen partijen is in geschil of het Verbod een ontoelaatbare beperking vormt op het vrije verkeer van goederen, zoals dat wordt gewaarborgd door de artikelen 34 en 35 WVEU.\n\n4.2.. De Staat heeft vóór alle inhoudelijke verweren aangevoerd dat de vorderingen van VEGA voor een deel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, namelijk voor zover VEGA in deze procedure mede opkomt voor de belangen van de chauffeurs. De individuele chauffeurs kunnen een strafbeschikking afwachten en hun klachten over de rechtmatigheid van de artikelen 36 en 37 WVW 1994 door de strafrechter laten toetsen aan het Europees Unierecht. Er staat hiermee voor de individuele chauffeurs een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open, aldus de Staat.\n\n4.3.. De rechtbank volgt de Staat niet in dit verweer. Met VEGA is de rechtbank van oordeel dat VEGA met de toevoeging ‘en haar chauffeurs’ niet beoogt op te komen voor de (gebundelde) individuele belangen van haar chauffeurs, maar dat VEGA hiermee opkomt voor haar eigen commerciële bedrijfsbelang om haar chauffeurs zonder belemmeringen met Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens voertuigen te kunnen laten vervoeren over de Nederlandse weg. Bij alle ingestelde vorderingen gaat het om dit eigen (bedrijfseconomische) belang van VEGA. VEGA ondervindt op dit moment rechtstreeks hinder van het uit de artikelen 36 en 37 WVW 1994 voortvloeiende Verbod, omdat zij niet met haar handelaarskentekens door Nederland kan rijden, ook omdat – volgens VEGA – sommige chauffeurs dat inmiddels weigeren. VEGA kan zich tot de burgerlijke rechter wenden om een oordeel te krijgen over de verbindendheid of de rechtmatigheid van het Verbod (wegens mogelijke strijd met Europees Unierecht). Van VEGA kan niet worden verlangd dat zij het op strafrechtelijke of bestuursrechtelijke maatregelen laat aankomen, om deze vraag beantwoord te krijgen.VEGA is dus ontvankelijk in al haar vorderingen.\n\nIs het Verbod een kwantitatieve beperking als bedoeld in de artikelen 34 en 35 WVEU?\n\n4.4.. De Staat heeft aanvankelijk in de conclusie van antwoord nog aangevoerd dat het hem niet duidelijk is of, en zo ja waarom, VEGA op grond van Duitse en Oostenrijkse regelgeving gerechtigd is om handelaarskentekens te gebruiken voor haar activiteiten. VEGA heeft vervolgens voorafgaand aan de zitting de betreffende Duitse en Oostenrijkse nationale wettelijke voorschriften overgelegd, op grond waarvan aan VEGA Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens zijn afgegeven.VEGA heeft toegelicht dat zij op grond van die nationale wetgeving de aan haar uitgegeven handelaarskentekens mag gebruiken voor het overbrengen van (nieuwe) voertuigen op hun eigen wielen. Uit randnummer 3.2 van de pleitnota van de Staat maakt de rechtbank op dat de Staat – gezien deze nadere toelichting – niet langer betwist dat de Duitse en Oostenrijkse wetgeving het gebruik van nationale handelaarskentekens door transportondernemingen zoals VEGA toestaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de Staat – op grond van het Unierechtelijk gewaarborgde vrije verkeer van goederen – vervolgens moet toestaan dat die uitgegeven buitenlandse handelaarskentekens ook op Nederlands grondgebied door VEGA kunnen worden gebruikt voor de invoer en overbrenging van voertuigen.\n\n4.5.. Bij de beantwoording van deze vraag moet, allereerst, het volgende worden vooropgesteld. Er is op EU niveau wel geharmoniseerde regelgeving met betrekking tot de wederzijdse erkenning van de kentekenbewijzen die door andere lidstaten bij de inschrijving van motorvoertuigenzijn afgegeven. Zo bepaalt artikel 4 van de Richtlijn 1999\u002F37\u002FEG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (hierna: ‘de Kentekenbewijzenrichtlijn’) dat lidstaten het door een andere lidstaat afgegeven kentekenbewijs erkennen voor de identificatie van het voertuig in het wegverkeer en voor de nieuwe inschrijving ervan in een andere lidstaat. Ook het Verdrag van Wenen inzake het wegverkeer, Wenen van 8 november 1968(hierna: ‘het Verdrag’) – waarvan artikel 37 lid 1 onder b van de WVW 1994 de implementatie vormt – neemt de inschrijving van een voertuig met een daaraan gekoppeld kentekenbewijs als grondslag voor de internationale wederzijdse erkenning en het toestaan van het gebruik van die voertuigen op de weg.\n\n4.6.. Echter: er is op EU niveau geen geharmoniseerde regelgeving voor de verstrekking en de erkenning van handelaarskentekens, die niet aan een (ingeschreven) voertuig zijn gekoppeld. Het ontbreken van een gemeenschappelijke regeling op dit gebied betekent, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: ‘het HvJEU’), dat de individuele lidstaten bij uitsluiting bevoegd zijn om zelf voorschriften te stellen voor de erkenning en de toelating van handelaarskentekens op hun grondgebied. Wel moeten de lidstaten bij de uitoefening van die bevoegdheid de in het WVEU opgenomen fundamentele vrijheden eerbiedigen, waaronder dus ook het vrije verkeer van goederen, zoals beschermd door de artikelen 34 en 35 WVEU.\n\n4.7.. Een eerste geschilpunt tussen partijen is of in dit geval wel sprake is van een beperking van het vrije verkeer van goederen. VEGA stelt dat dit zo is, maar de Staat betwist dat. Volgens de Staat volgt uit de Europese jurisprudentie dat, wil sprake zijn van een beperking van het vrije verkeer van goederen, moet komen vast te staan dat ofwel (1) buitenlandse ondernemers minder gunstig worden behandeld dan binnenlandse ondernemers, ofwel (2) de toegang van bepaalde goederen op een markt in aanzienlijke mate wordt beperkt. De Staat verwijst daartoe naar de uitspraken van het HvJEU C-591\u002F17 (Oostenrijk\u002FDuitsland), punten 120 tot en met 122, en C-110\u002F05 (Commissie\u002FItalië), punten 56 tot en met 58.\n\n4.8.. Van discriminatie (1) is volgens de Staat geen sprake, omdat het ook voor Nederlandse ondernemingen niet is toegestaan om handelaarskentekens te gebruiken voor de handelstransacties zoals VEGA die voor ogen heeft. Handelaarskentekens kunnen in Nederland namelijk alleen maar door twee groepen (rechts)personen worden verkregen. De eerste groep betreft (in Nederland ingeschreven) ondernemingen met een erkenning ‘bedrijfsvoorraad’, die in voertuigen handelen die zij in hun bedrijfsvoorraad hebben opgenomen om te verkopen en waarbij het handelaarskenteken kan worden gebruikt voor bijvoorbeeld een proefrit. De tweede groep omvat exploitanten van een onderneming die voertuigen bedrijfsmatig herstellen of bewerken en waarbij het voertuig met een handelaarskenteken voor een derde wordt gebracht, gehaald of getest, bijvoorbeeld in het kader van een reparatie of een poetsbeurt. Een vervoersbedrijf zoals VEGA kan in Nederland dus geen handelaarskenteken verkrijgen.\n\n4.9.. Ook de markttoegang van goederen (het toelaten van niet-geregistreerde voertuigen) wordt door het Verbod niet belemmerd (2). Ook zonder handelaarskenteken kunnen niet-geregistreerde voertuigen in Nederland worden ingevoerd en overgebracht. Eventuele belemmeringen zijn hoe dan ook te onzeker en indirect om te kunnen spreken van een beperking van het vrije verkeer van goederen, aldus – telkens en kort weergegeven – de Staat.\n\n4.10.. De rechtbank gaat niet mee in dit betoog van de Staat. Daarvoor is het volgende redengevend. Gezien de activiteiten van VEGA, gaat het in deze procedure met name erom of VEGA goederen (voertuigen) in Nederland met gebruikmaking van Duitse of Oostenrijkse handelaarskentekens moet kunnen invoeren of via Nederland moet kunnen doorvoeren naar een andere EU-lidstaat (met name Duitsland). Artikel 34 WVEU verbiedt kwantitatieve invoerbeperkingen tussen de lidstaten en maatregelen van gelijke werking. Onder ‘maatregel van gelijke werking’ wordt volgens vaste rechtspraak van het HvJEU verstaan iedere overheidsmaatregel die de handel tussen de lidstaten direct of indirect, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren.Ook volgt uit de rechtspraak van het HvJEU dat het vrije verkeer van goederen één van de fundamentele beginselen van het WVEU is en dat dit vrije verkeer een algemeen beginsel van vrije doorvoer van goederen binnen de Europese Unie (hierna: ‘de EU’) impliceert. Maatregelen die de doorvoer van goederen binnen de EU over een bepaalde route met een bepaald vervoersmiddel belemmeren kunnen dan ook onverenigbaar zijn met de uit de artikelen 34 en 35 WVEU voortvloeiende verplichtingen, ook als er alternatieve routes en andere vervoerswijzen zijn om de betrokken goederen te kunnen transporteren.\n\n4.11.. De rechtbank stelt vervolgens vast dat VEGA voldoende gemotiveerd en onvoldoende weersproken heeft gesteld dat het Verbod VEGA ertoe dwingt om:\n\nofwel over te brengen voertuigen om Nederland heen te rijden, met langere transporttijden en extra kosten tot gevolg;\n\nofwel de voertuigen op een oplegger te vervoeren (‘truck-on-truck’), wat complexer, duurder en trager is dan vervoer op eigen wielen,\n\nofwel elk van de voertuigen enkel voor het vervoer in of door Nederland in een andere lidstaat te registreren, wat meer administratie vraagt en eveneens extra kosten met zich brengt.\n\nHet Verbod raakt volgens VEGA meer dan 300 voertuigen per week en dus duizenden voertuigen per jaar. VEGA heeft eveneens gesteld dat chauffeurs vanwege de aanhoudingen en maatregelen van de Nederlandse politie weigeren om door Nederland te rijden.\n\n4.12.. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende onderbouwd dat het Verbod nadelige gevolgen kan hebben voor de invoer van goederen naar Nederland en voor de doorvoer van goederen binnen de EU via Nederland en omgekeerd, omdat transportondernemingen zoals VEGA door het Verbod af kunnen zien van het vervoer van voertuigen naar en via Nederland, of gedwongen worden om te kiezen voor duurdere en minder efficiënte alternatieven. Het Verbod moet daarmee worden aangemerkt als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, die in beginsel onverenigbaar is met de uit artikelen 34 en 35 WVEU voortvloeiende verplichtingen, tenzij die maatregel kan worden gerechtvaardigd door één van de in artikel 36 VWEU omschreven redenen van algemeen belang of op grond van dwingende vereisten. De rechtbank gaat hierna in op de vraag of zo’n rechtvaardigingsgrond zich hier voordoet.\n\nIs de beperking gerechtvaardigd?\n\n4.13.. Volgens vaste Europese rechtspraak kan een belemmering van het vrije verkeer van goederen worden gerechtvaardigd door één van de in artikel 36 VWEU omschreven redenen van algemeen belang of op grond van dwingende vereisten, zoals – maar niet alleen – de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid en de verkeersveiligheid.Wel moet de beperkende maatregel, om een beperking op het vrije verkeer van goederen te rechtvaardigen, aan het evenredigheidsbeginsel voldoen. Dit houdt in dat de beperkende maatregelen geschikt moeten zijn om de verwezenlijking van de genoemde doelstellingen van algemeen belang te verzekeren (geschiktheidseis) en niet verder mogen gaan dan voor het bereiken van die doelstellingen noodzakelijk is (noodzakelijkheidseis). Verder is in de Europese rechtspraak het volgende opgemerkt met betrekking tot de toets of een beperkende maatregel in kwestie voldoende evenredig is:\n\n Een beperkende maatregel kan alleen geschikt worden geacht om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, wanneer het bereiken daarvan daadwerkelijk op coherente en stelselmatige wijze wordt nagestreefd.\n\n Het is aan de nationale autoriteiten van de lidstaat om aan te tonen dat de beperkende regeling passend en noodzakelijk is om de gestelde doelen te bereiken en dat die doelen niet kunnen worden bereikt met gebodsbepalingen of beperkingen die minder ver gaan of minder nadelig zijn voor de handel binnen de EU.\n\n De lidstaat moet deugdelijk bewijs of een onderzoek overleggen waaruit de geschiktheid en de evenredigheid van de genomen beperkende maatregel blijkt.\n\n Wel moet hierbij in acht worden genomen dat het, bij gebreke van geharmoniseerde regelgeving, aan de lidstaat is om te beslissen op welk niveau hij de bescherming van de verkeersveiligheid wil verzekeren en hoe dit moet gebeuren. De lidstaat beschikt hier dus over een bepaalde beoordelingsmarge. Dat betekent dat de op de lidstaat rustende bewijslast niet zo ver gaat dat hij positief moet aantonen dat met geen enkele andere voorstelbare maatregel het bereiken van de nagestreefde doelstelling onder dezelfde omstandigheden kan worden verzekerd. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om een doelstelling zoals de verkeersveiligheid te verwezenlijken door algemene en eenvoudige regels in te voeren die bestuurders gemakkelijk kunnen begrijpen en toepassen en die de bevoegde autoriteiten zonder moeilijkheden kunnen handhaven en controleren.\n\n4.14.. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat het verbod op het gebruik van handelaarskentekens voor de overbrenging van voertuigen wordt gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, namelijk het belang van een effectieve handhaving van wet- en regelgeving ter bescherming van onder meer de verkeersveiligheid, milieuvoorschriften en de bestrijding van criminaliteit, zoals het voorkomen van fraude en de handel in gestolen voertuigen. Tussen partijen staat – terecht – niet ter discussie dat dit op zichzelf doelstellingen van algemeen belang zijn die, mits evenredig, een beperking op het vrije verkeer van goederen kunnen rechtvaardigen. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het Verbod aan het evenredigheidsbeginsel voldoet. De rechtbank is met de Staat van oordeel dat dit zo is. Daartoe wordt het volgende overwogen.\n\n4.15.. Vast staat dat de Staat voor de controle op en sanctionering van strafbare feiten (zoals verkeersovertredingen) onder meer gebruik maakt van geautomatiseerde systemen van kentekenherkenning, via het Automatic Number Plate Recognition(ANPR) systeem. Een speciale camera met ANPR-techniek leest kentekens van voorbijrijdende voertuigen en vergelijkt die met kentekens uit een achterliggend databestand. Bij kentekens uit andere lidstaten maakt de Staat hiervoor gebruik van de Europese softwaretoepassing EUCARIS (European Vehicle and Driving Licence Information System). Bij voertuiggeregistreerde kentekens kunnen via EUCARIS details worden gevonden over het merk en type voertuig, het bouwjaar en bepaalde technische gegevens (onder andere de voertuigcategorie), alsook gegevens over de eigenaar van het voertuig. Dit is anders bij buitenlandse handelaarskentekens. De Staat heeft met een voorbeelduitdraai uit EUCARIS laten zien – en voldoende onderbouwd – dat bij een zoektocht op een (Duits) handelaarskenteken geen gegevens kunnen worden gevonden over het bij dat kenteken behorende voertuig of de eigenaar van dat voertuig. Wel is de houder van het kenteken te zien (in VEGA’s geval: VEGA).\n\n4.16.. Volgens de Staat belemmert dit ontbreken van de voertuiggegevens bij buitenlandse handelaarskentekens de effectieve handhaving van wet- en regelgeving op (onder andere) het gebied van de verkeersveiligheid en milieuvoorschriften. Zo zijn in sommige gevallen de technische gegevens van het voertuig van belang om te kunnen vaststellen of er überhaupt een overtreding is begaan, bijvoorbeeld als het gaat om overtreding van milieuvoorschriften (het niet eerbiedigen van milieuzones) waarvoor de technische specificaties van een voertuig van belang kunnen zijn.\n\n4.17.. Ook is de registratie van het voertuig van belang voor de efficiënte handhaving op verkeersveiligheidsgerelateerde overtredingen. De Staat heeft in dit verband gewezen op de Cross Order EnforcementRichtlijn (EU) 2015\u002F413met betrekking tot de preventie en handhaving van verkeersveiligheid gerelateerde verkeersovertredingen (hierna ook: ‘de CBE-richtlijn’), die tot doel heeft verkeersregels binnen de EU effectiever te handhaven door de toepassing van sancties te vergemakkelijken, ongeacht de lidstaat waar het voertuig is ingeschreven. In artikel 4 van de CBE-richtlijn is bepaald dat de lidstaten voor onderzoek naar verkeersveiligheidsgerelateerde overtredingen (automatisch) gegevens met betrekking tot voertuigen en gegevens met betrekking tot de eigenaar of houder van het voertuig uit elkaars kentekenregisters moeten kunnen opvragen. Als sprake is van een buitenlands geregistreerd kenteken worden die gegevens door de Staat uit EUCARIS gehaald en worden boetes opgelegd aan de kentekenhouder conform de CBE-richtlijn. Buitenlandse handelaarskentekens zijn niet (voertuig)geregistreerd, waardoor de handhaving bij voertuigen met een handelaarskenteken minder goed mogelijk is, zeker wanneer de overtredingen met automatische nummerplaatherkenning (ANPR) zijn geconstateerd en geautomatiseerd worden verwerkt, zoals snelheidsovertredingen en rijden door rood licht. Het ANPR-systeem kan niet zomaar worden toegepast op buitenlandse handelaarskentekens en, voor zover dit al zou kunnen, heeft de Nederlandse politie moeten constateren dat de aanlevering van gegevens in EUCARIS over houders van handelaarskentekens vanuit andere lidstaten zeer verschillend en vergaand incompleet is: sommige landen leveren wel (wat) gegevens over de verantwoordelijke, andere helemaal niets. Het is dus bij buitenlandse handelaarskentekens – in strijd met het doel van de CBE-richtlijn – veel lastiger om (automatisch) onderzoek te doen naar verkeersovertredingen en daarvoor boetes te innen, aldus – nog steeds – de Staat.\n\n4.18.. De Staat heeft verder gesteld dat het toelaten van handelaarskentekens – om de onder 4.15 genoemde redenen – ook de controle en opsporing van commune strafbare feiten, zoals fraude en (grensoverschrijdende) handel in gestolen auto’s bemoeilijkt. Zo kan bijvoorbeeld aan de hand van een foto van een voertuig en het kenteken, via het kentekenregister (bijvoorbeeld via EUCARIS) worden opgezocht of het kenteken hoort bij het betreffende voertuig. Als dat niet het geval is, is dat een duidelijk aanknopingspunt dat er iets niet in de haak is. Bij buitenlandse handelaarskentekens is zo’n controle niet op dezelfde efficiënte manier mogelijk, omdat bij handelaarskentekens gegevens over het voertuig in EUCARIS ontbreken. Het is bij handelaarskentekens veel moeilijker om het voertuig en de eigenaar daarvan via het kenteken (via nummerplaatherkenning) te identificeren. Door dit gebrek aan identificatiemogelijkheden zou het risico ontstaan dat gestolen voertuigen door het gebruik van buitenlandse handelaarskentekens onder de radar blijven en voor criminele doeleinden worden gebruikt, aldus de Staat.\n\n4.19.. VEGA heeft hiertegenover betoogd dat een algeheel verbod op het gebruik van Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens niet evenredig is, omdat de door de Staat genoemde controle- en opsporingsbelangen ook met minder vergaande maatregelen kunnen worden beschermd, namelijk door aan het gebruik van handelaarskentekens alle voorwaarden te verbinden die VEGA in deze procedure (zie 2.10) heeft voorgesteld. VEGA wijst erop dat de Nederlandse autoriteiten bij een controle op een handelaarskenteken in EUCARIS kunnen zien wie de houder van het Duitse of Oostenrijkse handelaarskenteken is en sancties aan die kentekenhouder kunnen sturen; eventuele ontbrekende (adres)gegevens kunnen dan door samenwerking met de Duitse of Oostenrijkse autoriteiten worden verkregen. Bovendien kunnen, als het voertuig staande wordt gehouden en een overtreding heeft begaan, boetes of andere sancties aan de bestuurder worden opgelegd, aldus VEGA.\n\n4.20.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Staat in deze procedure voldoende onderbouwd dat het Verbod een geschikte en noodzakelijke maatregel is om de openbare zedelijkheid en de verkeersveiligheid te beschermen, omdat bij het toestaan van het gebruik van buitenlandse handelaarskentekens minder goed kan worden gecontroleerd en gehandhaafd op overtreding van (verkeers)wet- en regelgeving. De rechtbank gaat niet mee in het betoog van VEGA dat het Verbod ontoelaatbaar is, omdat de verkeersveiligheid en de openbare zedelijkheid ook met de door VEGA voorgestelde – minder vergaande – maatregelen goed kunnen worden beschermd. Uit de onder 4.13 weergegeven Europese rechtspraak volgt dat het, bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling, aan de Staat is om te bepalen op welk niveau hij de verkeersveiligheid en de openbare zedelijkheid wil beschermen en dat de Staat op grond van deze beoordelingsmarge mag kiezen voor een systeem dat effectief en eenvoudig door de bevoegde autoriteiten kan worden gehandhaafd. In dit geval maakt de Staat voor een efficiënte handhaving op verkeersovertredingen en de identificatie van voertuigen veel gebruik van automatische nummerplaatherkenning, zonder dat het voertuig wordt aangehouden. Hiermee kan de Staat – bij buitenlandse kentekens van geregistreerde voertuigen – via EUCARIS snel gegevens opvragen over het voertuig en de eigenaar of houder, en grensoverschrijdend boetes innen. Ook met de door VEGA voorgestelde maatregelen is ditzelfde efficiënte niveau van (geautomatiseerde) handhaving bij buitenlandse handelaarskentekens niet mogelijk, omdat dan via EUCARIS niet aan de hand van het kenteken automatisch gegevens over het voertuig en de bestuurder of houder kunnen worden verkregen. Bovendien blijft dan het probleem bestaan dat de politie voor de verificatie van die gegevens afhankelijk is van de aanlevering daarvan door andere lidstaten, die volgens de Staat in de praktijk wisselend en gebrekkig is. Dat de aanlevering en de verificatie van de voertuig- en houdergegevens bij een Oostenrijkse onderneming zoals VEGA mogelijk op weinig problemen zal stuiten, betekent niet dat aan de Staat het recht kan worden ontzegd om – ter bescherming van de belangen van een effectieve en eenvoudige handhaving op (verkeers)wet- en regelgeving – het gebruik van alle buitenlandse handelaarskentekens op de Nederlandse weg niet toe te staan, behalve in een aantal beperkte door de Staat zelf in bilateraal verband met andere landen afgesproken – gevallen.\n\n4.21.. Van belang hierbij is ook, dat de door de Staat gehanteerde eis dat voertuigen in het buitenland moeten zijn geregistreerd om in Nederland op de weg te kunnen rijden en een aan het voertuig gekoppeld kenteken moeten dragen, aansluit op de Europese regelgeving en samenwerkingsafspraken met betrekking tot het gebruik van voertuigen op elkaars wegennet en informatie-uitwisseling met betrekking tot voertuigen. Zo is in de inleidende overwegingen van de Kentekenrichtlijnbepaald: “alle lidstaten eisen dat een bestuurder van een in een ander lidstaat ingeschreven voertuig, om aan het wegverkeer op hun grondgebied te mogen deelnemen, houder is van een bij dat voertuig behorend kentekenbewijs”. Daarnaast is in de Kentekenrichtlijn bepaald dat het door een andere lidstaat afgegeven kentekenbewijs wordt erkend voor de identificatie van het voertuig in het internationale verkeer en dat de lidstaten via een doeltreffend systeem gegevens moeten kunnen uitwisselen om beter te kunnen controleren, met name ter bestrijding van fraude en handel in gestolen auto’s.\n\n4.22.. Dit uitgangspunt, dat lidstaten aan de hand van een kenteken een voertuig moeten kunnen identificeren, keert ook terug in de Europese samenwerkingsafspraken die specifiek zijn gemaakt ten behoeve van de doelen die de Staat met het Verbod nastreeft. Gewezen kan worden op de al eerder genoemde CBE-richtlijn, die tot doel heeft om de verkeersveiligheid beter te waarborgen door lidstaten in staat te stellen effectiever onderzoek te kunnen naar verkeersovertredingen door buitenlandse verkeersdeelnemers. Maar ook kan worden gewezen op het Besluit 2008\u002F615\u002FJBZ inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit, dat tot doel heeft de informatie-uitwisseling tussen lidstaten te verbeteren met het oog op het opsporen en onderzoeken van (grensoverschrijdende) strafbare feiten. In beide regelingen is tot uitgangspunt genomen dat de autoriteiten van een lidstaat – met het oog op het bereiken van deze doelen – in elkaars kentekenregisters aan de hand van het kenteken (automatisch) gegevens moeten kunnen opvragen met betrekking tot de voertuigen en de eigenaars of houders.\n\n4.23.. De rechtbank is van oordeel dat het tegen deze achtergrond niet onevenredig kan worden geoordeeld dat de Staat, voortbouwend op deze samenwerkingsafspraken, ter bescherming van de verkeersveiligheid en ten behoeve van een betere opsporing en bestrijding van strafbare feiten verlangt dat voertuigen en de eigenaars en houders daarvan aan de hand van hun kenteken (via automatische nummerplaatherkenning) kunnen worden geïdentificeerd en daarom het gebruik van buitenlandse handelaarskentekens, waarbij die voertuiggegevens niet of veel moeilijker te verifiëren zijn, op de Nederlandse weg niet toestaat.\n\n4.24.. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van VEGA dat de Staat de door haar genoemde opsporings- en veiligheidsbelangen niet stelselmatig en consequent nastreeft – en willekeurig handelt – doordat de Staat het gebruik van Belgische, Luxemburgse en Duitse handelaarskentekens voor niet-geregistreerde voertuigen wél onder bepaalde voorwaarden toestaat (op basis van respectievelijk de Benelux-beschikking en een bilaterale afspraak), ondanks dat het door de Staat genoemde kernbezwaar (controle en voertuigidentificatie via automatische nummerplaatherkenning is niet mogelijk) ook dan blijft bestaan.\n\n4.25.. De Staat heeft toegelicht dat de met de Benelux-landen en Duitsland afgesproken uitzonderingen zien op beperkte categorieën, die in aard en omvang verschillen van de (in aantallen omvangrijke) transportactiviteiten die VEGA uitvoert. De afspraken die de Staat in de Benelux-beschikking heeft gemaakt over het gebruik van Belgische en Luxemburgse handelaarskentekens, zien volgens de Staat op een beperkte, handelbare verkeersstroom. Het gaat uitsluitend om voertuigen die op basis van een intra-Benelux koopovereenkomst naar een afnemer in Nederland worden gebracht. Door nauwe samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische politie is hierop goed te handhaven. Deze verkeersstroom verschilt van de activiteiten van VEGA, die op wekelijkse basis 300 voertuigen Nederland wil invoeren of via Nederland wil doorvoeren. Bovendien heeft Nederland een soortgelijke afspraak niet met Duitsland gemaakt. De Staat heeft onweersproken gesteld dat de bilaterale afspraak met Duitsland inhoudt dat het handelaarskenteken alleen mag worden gebruikt voor de overbrenging van voertuigen van het bedrijf zelf en voor de opbouw en ombouw van of herstelwerkzaamheden aan het voertuig. Met die beperkte afspraken is het Duitse ondernemingen dus niet toegestaan om handelaarskentekens in te zetten voor transacties waarvoor VEGA transportdiensten aanbiedt, aldus (onweersproken) de Staat.\n\n4.26.. Aan de omstandigheid dat de Staat met drie van zijn buurlanden afspraken heeft gemaakt over het toelaten van handelaarskentekens voor beperkte categorieën onder bepaalde voorwaarden, kan niet de conclusie worden verbonden dat de Staat incoherent handelt, als het gaat om de bescherming van de verkeersveiligheid en de openbare zedelijkheid. Het uit de artikelen 36 en 37 WVW 1994 voortvloeiende verbod op het gebruik van buitenlandse handelaarskentekens op de Nederlandse weg is een geschikte en evenredige maatregel om te bewerkstelligen dat voertuigen en hun eigenaars kunnen worden geïdentificeerd en dat effectief kan worden gecontroleerd en gehandhaafd op overtreding van (verkeers)wet- en regelgeving. Aan de Staat komt de vrijheid toe om zelf met aangrenzende landen voor beperkte categorieën verkeersstromen en onder voorwaarden een uitzondering op dit verbod overeen te komen. Het maken van die beperkte uitzonderingen, maakt niet dat de Staat haar doelstellingen niet op coherente of consequente wijze nastreeft. Evenmin betekent het maken van die beperkte uitzonderingen voor vervoersstromen uit grensstaten, dat de Staat verplicht is om ook handelaarskentekens uit andere EU-lidstaten onder dezelfde voorwaarden toe te staan. VEGA kan zich dan ook niet met succes beroepen op de afspraken die in de Benelux-beschikking zijn gemaakt.\n\n4.27.. De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat het Verbod geen ontoelaatbare beperking van het vrije verkeer van goederen vormt, omdat de beperking van het vrije verkeer wordt gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, te weten de bescherming van de verkeersveiligheid en de openbare zedelijkheid. Om dezelfde reden is geen sprake van een ontoelaatbare beperking van de vrijheid van diensten en ondernemerschap, zoals gewaarborgd door de artikelen 15 lid 2 en 16 van het Handvest (vergelijk artikel 52 lid 1 van het Handvest).\n\n4.28.. De vorderingen van VEGA worden dus afgewezen. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt VEGA veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de kant van de Staat worden begroot op:\n\n- griffierecht € 676,-\n\n- salaris advocaat € 1.196,- (2 punten × tarief II € 598,-)\n\n- nakosten € 173,-(plus de evt. verhoging zoals genoemd in de beslissing)\n\nTotaal € 2.045,-\n\nDe rente over de proceskosten wordt vanaf de in de beslissing genoemde datum toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst de vorderingen af;\n\n5.2.. veroordeelt VEGA in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 2.045,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als VEGA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet gedaagde € 90,- extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.3.. veroordeelt VEGA in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n5.4.. verklaart de kostenveroordeling onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2023.\n\nPbEU2012, C 326.\n\n Vergelijk Hoge Raad 11 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2169 en Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049, 4.2.2.\n\n In Oostenrijk: § 45 Kraftfahrgesetz; in Duitsland: § 16 Fahrzeug-Zulassungsverordnung (thans: § 41 lid 1 en 3 Fahrzeug-Zulassungsverordnung.\n\nTrb.2023, 139.\n\n Vergelijk HvJEU 2 oktober 2003, ECLI:EU:C:2003:538 (Grilli), punt 37-40.\n\n HvJEU 18 juni 2019, ECLI:EU:C:2019:504 (Oostenrijk\u002FDuitsland) en HvJEU 10 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:66 (Commissie\u002FItalië).\n\n Zie HvJEU 11 juli 1974, ECLI:EU:C:1974:82 (Dassonville), punt 5.\n\n Zie bijvoorbeeld HvJEU 21 december 2011, ECLU:EU:C:2011:854 (Commissie\u002FOostenrijk), punt 113.\n\n Zie ten aanzien van de verkeersveiligheid o.a. HvJEU Commissie\u002FItalië(voetnoot 4), punt 60.\n\n Zie o.a. HvJEU Commissie\u002FOostenrijk(voetnoot 6), punt 125 en 126e; HvJEUCommissie\u002FItalië(voetnoot 4), punten 65-67 en HvJEU 23 december 2015, ECLI:EU:C:2015:845 (Scotch Whisky Association\u002FLord Adocate), punten 53 tot en met 55.\n\n Richtlijn 2015\u002F413\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen (PbEU2015, L 68).\n\n Richtlijn 199\u002F37\u002FEU van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEU1999, L 138), overweging 2.\n\n Zie artikelen 4 en 9 en inleidende overwegingen 2 en 9 van de Kentekenbewijzenrichtlijn.\n\n Besluit 2008\u002F615\u002FJBZ van de Raad van 23 juni 2008 (PbEU2008, L 210).\n\n Zie artikel 12 van Besluit 2008\u002F615\u002FJBZ.\n\ntype: 2431","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:20232","2026-07-13T00:28:46.562Z",20]