[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-tort-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":42,"total":16,"page":25,"limit":97},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},72,"tort-law-nl","Tort Law","NL","2026-07-08T16:54:31.314Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},6,{"min":18,"max":19},"2025-04-09T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,36,39],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124300","Burgerlijk Wetboek","art. 6:162 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122810","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 239",{"provisionId":31,"code":23,"article":32,"count":25},"122926","art. 6:102",{"provisionId":34,"code":28,"article":35,"count":25},"122927","art. 210-216",{"provisionId":37,"code":23,"article":38,"count":25},"124480","art. 6:237",{"provisionId":40,"code":23,"article":41,"count":25},"124482","art. 7:412",[43,54,62,71,80,89],{"id":44,"ecli":45,"slug":46,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":48,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"998","ECLI:NL:GHDHA:2026:1983","ecli-nl-ghdha-2026-1983","","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.341.944\u002F02\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 10425701 CV EXPL 23-9386\n\nArrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nVereniging van Eigenaren Bergingen en Parkeerplaatsen aan [parkeerplaatsen] (ongenummerd) te [plaats],\n\ngevestigd in [plaats],\n\nappellante in het principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. A.J.C. Goldhoorn, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde 1] ,\n\nwonend in [plaats],\n\n2. [geïntimeerde 2],\n\nwonend in [plaats],\n\n3. [geïntimeerde 3] ,\n\nwonend in [plaats],\n\ngeïntimeerden in het principaal hoger beroep,\n\nappellanten in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J. Postma, kantoorhoudend in Rijswijk (Zuid-Holland).\n\nHet hof noemt partijen hierna VVE Parkeerplaatsen, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] . Geïntimeerden worden gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd.1. De zaak in het kort1.1. Deze zaak gaat over geluidsoverlast in een appartementencomplex. Het appartement op de begane grond fungeert als doorgang naar een achterliggend gebouw met parkeerplaatsen en bergingen. Na het plaatsen van een mechanische roldeur ervaren de bewoners van de bovengelegen woningen ( [geïntimeerden] ) geluidshinder. De kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van onrechtmatige hinder en heeft VVE Parkeerplaatsen veroordeeld om de aanbevelingen van een geluidsdeskundige op te volgen. VVE Parkeerplaatsen heeft daarop aanpassingen doorgevoerd aan de constructie van de roldeur.1.2. In hoger beroep wijst het hof het gewijzigde gevorderde bevel toe om de door de deskundige aanbevolen en aanvullende maatregelen door te voeren, maar uitsluitend ten aanzien van [geïntimeerde 1] , omdat zij (nog steeds) geluidsoverlast ervaart. [geïntimeerde 2] woont niet meer in het gebouw en ervaart daarom geen geluidsoverlast meer. Bij [geïntimeerde 3] worden geen overschrijdingen van geluidsnormen gemeten en zij heeft niet onderbouwd dat zij onrechtmatige geluidshinder ervaart.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 2 januari 2024, waarmee VVE Parkeerplaatsen in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2023;\n\nde memorie van grieven van VVE Parkeerplaatsen;\n\nde memorie van antwoord van [geïntimeerden] , met bijlagen 0 tot en met 12;\n\nde bijlage 13 die [geïntimeerden] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.2.2. Op 9 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht, die van VVE Parkeerplaatsen aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd.3. Feitelijke achtergrond3.1. Bij splitsingsakte van 15 november 2006 is het gebouw gelegen aan de [adres] in [plaats] gesplitst in vier appartementsrechten en is de Vereniging van eigenaars gebouw [adres] te [plaats] (hierna: VVE Gebouw) opgericht. Het appartementsrecht met index 1 bevindt zich op de begane grond en geeft volgens de splitsingsakte recht op het uitsluitend gebruik van de poort met achterliggende plaats en verder toebehoren (hierna: appartement 1). De overige drie appartementsrechten hebben betrekking op de appartementen gelegen boven appartement 1 op respectievelijk de eerste, tweede, en derde en vierde verdieping en hebben als bestemming woning.3.2. VVE Parkeerplaatsen is thans eigenaar van appartement 1. VVE Parkeerplaatsen is opgericht als vereniging van eigenaars ten behoeve van het beheer en onderhoud van het gebouw met parkeerplaatsen en bergingen gelegen op het kadastrale perceel [perceelnummer]. Laatstgenoemd perceel bevindt zich direct achter appartement 1. Appartement 1 fungeert thans als doorgang ten behoeve van het kadastrale perceel [perceelnummer]. In het appartementencomplex woonde direct boven appartement 1 [geïntimeerde 2] (A-2). Op de tweede verdieping woont [geïntimeerde 1] (A-3) en op de derde en vierde verdieping woont [geïntimeerde 3] (A-4).3.3. Artikel 2 van het splitsingsreglement van het gebouw luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“3. De eigenaars zijn voor de in het eerste lid bedoelde breukdelen verplicht bij te dragen in de schulden en kosten, die voor rekening van de gezamenlijke eigenaars zijn.\n\n(…)\n\n5. In afwijking van het vorenstaande zullen de kosten verbonden aan onderhoud, reparatie en vernieuwing daaronder begrepen, van kozijnen, ramen, deuren, glas, balkons, alsmede het hang- en sluitwerk aan de kozijnen, ramen en deuren, welke aan de buitengevel van het gebouw zitten, uitsluitend komen ten laste van de eigenaar(s) die daarvan gebruik maakt(maken).\n\nHet onderhoud, casu quo de vernieuwing, dient te geschieden volgens de richtlijnen van de vergadering en na verkregen toestemming van de vergadering.”3.4. Tot 2016 werd de toegang tot appartement 1 gevormd door houten openslaande deuren. In 2016 heeft VvE Parkeerplaatsen deze houten deuren (laten) vervangen door een mechanische roldeur, met daarin een loopdeur voor personen en fietsen. Vanaf dat moment is het onderwerp geluidsoverlast door de deur jaarlijks besproken in de vergadering van eigenaars van VvE Gebouw. [geïntimeerde 2] heeft over de geluidsoverlast veelvuldig contact gezocht met VvE Parkeerplaatsen.3.5. Op 21 september 2021 heeft [naam] van Strooming op verzoek van VvE Gebouw een geluidonderzoek gedaan naar de mechanische roldeur. In haar rapport van 26 oktober 2021 concludeert Strooming dat het geluidsniveau in de woon- en slaapkamers van de woningen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] bij gebruik van de roldeur de normwaardes uit het Bouwbesluit overschrijdt. Strooming deed in het rapport de volgende aanbevelingen om de roldeur in technische zin te laten voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit:\n\n“- Verbeteren van de ophang- en montageconstructie van overheaddeur zodat vibraties en trillingen zo min mogelijk in de constructie terecht kunnen komen. Een overweging kan zijn om een zelfdragende stalen portaal te plaatsen die alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond. De bestaande overheaddeur kan dan aan dit stalen portaal worden gehangen.- Aanbrengen van een geluiddempende omkasting rondom de aandrijfmotor. - Aanbrengen van een geluidwerende bekleding op het plafond. - Afstellen van de deurdranger en zo nodig aanslagrubber gebruiken bij de loopdeur.”3.6. In de definitieve versie van het rapport van 30 november 2021 heeft Strooming deze aanbevelingen herhaald en daarbij aan het eerste aandachtstreepje toegevoegd:\n\n“Het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie is in feite de enige en beste manier om de overdracht van de trillingen richting de bovengelegen woningen te voorkomen.\n\n(…)\n\nBovenstaande maatregelen zijn complementeer aan elkaar en dienen allen in zijn geheel worden toegepast om het juiste effect te kunnen bereiken.”3.7. Op 24 februari 2022 heeft VVE Parkeerplaatsen aan [geïntimeerden] een voorstel gedaan om de geluidsoverlast te verminderen. Dit voorstel vermeldt onder meer het volgende:\n\n“Om toch tot een voor ieder goede oplossing te komen stel ik het volgende voor;• Wij vragen een offerte aan voor het losmaken van de rail van de overhead deur d.m.v. een portaal naar wand of vloer.• Wij bekijken of er een ander sluiting op de loopdeur kan worden aangebracht die minder geluidsoverlast zal veroorzaken.• Wij vragen een tweetal offertes aan voor het isoleren van de verdiepingsvloer; één voor het gedeelte bij de deur alleen en één voor de gehele verdiepingsvloer (…)Wanneer de gehele vloer zal worden geïsoleerd is dat uiteraard niet voor onze rekening (…) Wel wil ik aangegeven dat wij niet tot de uitvoering van bovengenoemde maatregelen zullen overgaan voordat er een meer jaren onderhoudsplan is gemaakt, zoals afgesproken in de laatste vergadering.”3.8. \n [geïntimeerden] heeft niet met dit voorstel ingestemd en uiteindelijk in maart 2023 een procedure aanhangig gemaakt.3.9. Naar aanleiding van het vonnis in eerste aanleg heeft VVE Parkeerplaatsen eind oktober of begin november 2023 werkzaamheden aan de mechanische roldeur laten uitvoeren. [geïntimeerden] heeft VVE Parkeerplaatsen daarna bericht dat de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd conform de aanbevelingen van Strooming. Ook zouden de klachten over het geluids- en trillingsniveau in de woningen zijn verergerd.3.10. Op verzoek van [geïntimeerden] heeft [naam] (die nu werkzaam is bij Sonitus) onderzoek gedaan naar de door VVE Parkeerplaatsen uitgevoerde werkzaamheden. Sonitus heeft haar onderzoek uitgevoerd op basis van drie foto’s. In haar brief van 14 december 2023 concludeerde Sonitus (onder meer) dat “de huidige manier van monteren niet de optredende geluiden zal reduceren waardoor de afname van overlast zal uitblijven” en dat “de wijze van ophanging niet overeenkomt met de aanbevelingen zoals opgenomen in de rapportage van 26 oktober 2021 en 30 november 2021 omdat op de huidige wijze van monteren er nog steeds contact met de wanden wordt gemaakt”. Ook doet zij de volgende aanbevelingen om de geluidsoverlast (verder) te beperken:\n\n“2. Zelfdragende deurconstructie\n\nDe voorkeur zal zijn om de constructie van de overheaddeur zogenaamd vrijdragend te maken. Door deze geheel te ontkoppelen van de bestaande bouwkundige constructie zal de overdracht van het geluid, door middel van contact, aanzienlijk dalen.\n\nEen vrijdragende constructie zal gerealiseerd kunnen worden door langs de beide muren. De opbouw kan als volgt zijn;\n\n• Een horizontaal liggende betonnen balk waarop de stalen kolommen worden gemonteerd De betonnen balken niet tegen de wand aanleggen. Tussen de wand en de balk een dempende rubberstrook aanbrengen die geluidoverdracht zal voorkomen.• De geleiderails worden gemonteerd aan stalen kolommen die rusten op de liggende betonbalk• De constructie zal kunnen bestaan uit 2 stalen kolommen aan de linkerzijde en 2 stalen kolommen aan de rechterzijde. Deze kunnen boven de geleiderails met elkaar gekoppeld worden zodat een stijve onderlinge verbinding ontstaat die ongewenste bewegingen kan minimaliseren.• Bij de montage van de deurgeleiders in de voorgevel zullen Phonex ankers moeten worden toegepast.• De motor zal worden omkleed met een omkasting die aan de onderzijde open moet zijn. De nadruk zal gelegd moeten worden om een dempende laag tussen de motor en het plafond aan te brengen. Door de onderzijde open te houden kan het optredend geluid van de motor in de omliggende ruimte zich verstrooien en zal niet direct richting de bovenliggende woningen worden gestuurd.\n\nEen dergelijke constructie zal geheel vrijstaan van het gehele gebouw en zal de overdracht van geluid via contact minimaal zijn. De verwachting is dat ondergrond een dergelijke constructie zal kunnen dragen daar er ook voldoende autoverkeer is waardoor de ondergrond voldoende draagkracht zal hebben.”3.11. In februari 2024 heeft VVE Parkeerplaatsen opnieuw aanpassingen gedaan aan de roldeur. Op verzoek van [geïntimeerden] heeft Sonitus deze aanpassingen onderzocht, wederom op basis van foto’s. In een mailbericht van 19 april 2024 verwoordt Sonitus haar bevindingen (onder meer) als volgt:\n\n“Als ik zo de foto's bekijk dan vind ik de stalen gele constructie aan de lichte kant. Het idee was om een constructie aan te brengen die de belasting van de dynamische rolbeweging van de deur kan absorberen. Deze constructie lijkt mij te licht om dit effect te kunnen bereiken. Verder is niet te zien hoe de verticale geleider aan de voorgevel is gemonteerd. Als dit op de bestaande manier is dan is het geluid boven net zo hoorbaar als ervoor. Tevens is niet te zien hoe de gele horizontale ligger aan de voorgevel is gemonteerd. Ook hoe onderling stalen delen zijn gemonteerd is niet goed zichtbaar. Er zijn rubber volgringen ed zichtbaar.\n\nIk moet concluderen dat op basis van de foto's ik verwacht dat de overlast nog steeds voortduurt.\"3.12. In maart 2025 heeft Sonitus nieuwe geluidsmetingen verricht in de appartementen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] . Sonitus heeft daarbij geconstateerd dat het geluidsvolume van de mechanische roldeur nog steeds de geluidsnormen in artikel 4.108 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (de vervanger van het Bouwbesluit 2012) overschrijdt. De maximale normwaarde is 30 dB(A), terwijl in het appartement op de eerste verdieping het geluidsvolume bij het openen en sluiten van de roldeur gemiddeld 36,6 dB(A) en maximaal 38,5 dB(A) bedraagt. In het appartement op de tweede verdieping bedraagt het geluidsvolume gemiddeld 30,4 dB(A), en maximaal 34,3 dB(A).3.13. In de zomer van 2025 heeft [geïntimeerde 2] het appartement op de eerste verdieping verkocht. Het appartementsrecht is in augustus 2025 overgedragen aan de nieuwe eigenaar.4. Procedure bij de kantonrechter4.1. \n [geïntimeerden] heeft, samen met VVE Gebouw, VVE Parkeerplaatsen gedagvaard en (na vermeerdering van eis en voor zover nog relevant in hoger beroep) gevorderd, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:\n\nVVE Parkeerplaatsen te gebieden om de aanbevelingen in het rapport van Strooming volledig op te volgen, en een gedeelte van de verdiepingsvloer te voorzien van akoestische en thermische isolatie, conform het voorstel van VVE parkeerplaatsen d.d. 24 februari 2022, op straffe van een dwangsom;\n\nVVE Parkeerplaatsen te gebieden na voltooiing van deze aanpassingen en geluidsmaatregelen een deskundige het geluidsniveau van de poortdeur met toebehoren te laten controleren en meten, binnen een termijn van 3 weken na voltooiing, en voorzover die geluidsniveaus en metingen het maximaal toegestane niveau (zoals opgenomen in het rapport Strooming) nog steeds overschrijden, de VVE Parkeerplaatsen te gebieden om aanvullende geluidsmaatregelen te laten treffen, op straffe van een dwangsom;\n\nmet veroordeling van VVE Parkeerplaatsen in de proceskosten.4.2. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerden] deels toegewezen en (voor zover in hoger beroep relevant) VVE Parkeerplaatsen veroordeeld om binnen vier weken na het vonnis de aanbevelingen in het rapport van Strooming volledig op te volgen en de geadviseerde werkzaamheden te laten uitvoeren, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 15.000,-. De kantonrechter heeft de andere vorderingen van [geïntimeerden] (voor zover in hoger beroep relevant) afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kantonrechter heeft VVE Gebouw niet-ontvankelijk verklaard in de hiervoor weergegeven vorderingen.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. VVE Parkeerplaatsen is in hoger beroep gekomen omdat zij het deels niet eens is met het vonnis. VVE Parkeerplaatsen vordert het vonnis te vernietigen voor zover zij daarin is veroordeeld om werkzaamheden uit te voeren. Daarnaast vordert VVE Parkeerplaatsen in hoger beroep [geïntimeerden] te veroordelen tot vergoeding van de kosten die VVE Parkeerplaatsen heeft gemaakt ter uitvoering van het vonnis en een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] onbevoegd opdracht tot onderzoek heeft gegeven aan Strooming en onbevoegd een opdracht heeft verstrekt aan mr. Postma om namens VVE Gebouw VVE Parkeerplaatsen in rechte te betrekken. VVE Parkeerplaatsen vordert tot slot een proceskostenveroordeling in beide instanties, buitengerechtelijke kosten en rente.5.2. Kort gezegd zien de bezwaren van VVE Parkeerplaatsen op het volgende. Ten eerste is de roldeur onderdeel van de gemeenschappelijke delen van het appartementencomplex en een gemeenschappelijke zaak (grief 5). Het geschil gaat dus over geluidsoverdracht door een gemeenschappelijke zaak (de roldeur) naar de appartementen. [geïntimeerden] spreken daarom de verkeerde partij aan: niet VVE Parkeerplaatsen is verantwoordelijk voor het voorkomen van geluidsoverlast door de roldeur, maar de VVE Gebouw (grief 1 en grief 2). Om dezelfde reden is VVE Parkeerplaatsen niet bevoegd om zelfstandig werkzaamheden aan de roldeur uit te voeren (grief 1 en grief 5) en moeten de kosten voor aanpassingen aan de roldeur worden verdeeld over de leden van de VVE Gebouw. Het is in elk geval niet redelijk dat [geïntimeerden] eist dat de VVE Parkeerplaatsen alle kosten draagt (grief 6). Ten tweede bevinden de appartementen zich in een oud gebouw. Het gebouw was al gehorig voordat de roldeur werd geplaatst en de staat van het gebouw moet worden meegewogen bij de beoordeling of sprake is van onrechtmatige hinder (grief 3). Omdat het gebouw oud is, zijn de normen uit het Bouwbesluit niet van toepassing. Dat die normen worden overschreden rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van onrechtmatige hinder (grief 4). Ten derde zijn de maatregelen die VVE Parkeerplaatsen heeft doorgevoerd kostbaar, en moet worden meegewogen dat de VVE Gebouw ook minder kostbare maatregelen had kunnen treffen (grief 8). Tot slot weegt bij beoordeling of VVE Parkeerplaatsen onrechtmatig heeft gehandeld, mee dat [geïntimeerden] via de vergadering van eigenaars van VVE Gebouw had kunnen besluiten om, voor gemeenschappelijke rekening, andere maatregelen te nemen. Door dat niet te doen, heeft de VVE Gebouw de onrechtmatige hinder in stand gelaten. [geïntimeerden] had dus de VVE Gebouw moeten aanspreken (grief 7).5.3. \n\n [geïntimeerden] wil dat het vonnis wordt bekrachtigd. In hoger beroep heeft zij haar vorderingen gewijzigd en vermeerderd. Na wijziging van eis heeft zij gevorderd:\n\nI. VVE Parkeerplaatsen te gebieden de aanbevelingen in het rapport van Strooming d.d. 30 november 2021 en de brief van Sonitus d.d. 14 december 2023, volledig op te volgen, in het bijzonder het realiseren van een zelfdragend stalen portaal die alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond en het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie van het gebouw, met inachtneming van de bevindingen van de geluidsdeskundige d.d. 19 april 2024, naar aanleiding van de namens VVE Parkeerplaatsen aan [geïntimeerden] toegezonden foto's van de doorgevoerde aanpassingen aan de roldeurconstructie, op straffe van een dwangsom;\n\nII. VVE Parkeerplaatsen te gebieden aanvullende geluidsmaatregelen te treffen, voorzover na realisering van de hiervoor onder I vermelde constructie het geluidsniveau van het gebruik van de roldeurinstallatie en constructie de maximaal toelaatbare niveaus in het Bouwbesluit, in het bijzonder artikel 3.8 als bedoeld in het rapport van Strooming van 30 november 2021, de maximale waardes en normen overschrijdt, binnen een termijn van 2 weken na datum arrest uit te laten voeren, op straffe van een dwangsom;\n\nIII. te bepalen dat, althans voor recht te verklaren, dat VVE Parkeerplaatsen niet, althans niet tijdig, voldaan heeft aan de veroordeling onder 3.3. in het vonnis van de kantonrechter van 6 oktober 2023, en dat het maximum van € 15.000,00 aan dwangsommen verbeurd is en de VVE Parkeerplaatsen te veroordelen om dit bedrag aan dwangsommen aan [geïntimeerden] te voldoen binnen twee weken na de datum van het arrest in deze procedure.5.4. \n [geïntimeerden] legt aan haar gewijzigde eis ten grondslag dat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming onjuist, althans onvolledig heeft opgevolgd, en dat de geluidsoverlast niet voldoende is verholpen. In het bijzonder heeft VVE Parkeerplaatsen nagelaten om een zelfdragend stalen portaal te plaatsen, waarmee de roldeurconstructie in het geheel wordt losgemaakt van de wanden en het plafond van het appartement 1. Omdat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen onjuist of onvolledig is nagekomen, heeft zij niet voldaan aan het vonnis van de kantonrechter, en zijn dwangsommen verbeurd, aldus [geïntimeerden]5.5. VVE Parkeerplaatsen voert hiertegen verweer en voert aan dat zij de aanbevelingen van Strooming wel is nagekomen. Ook stelt zij dat [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] geen belang hebben bij hun vorderingen. [geïntimeerde 2] woont niet meer in het gebouw en zij ervaart daarom geen overlast van de roldeur. In de appartementen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] worden geen geluidswaarden gemeten die de norm uit het Bouwbesluit overschrijden. Voor het overige begrijpt het hof de stellingen van VVE Parkeerplaatsen zo dat zij tegen de gewijzigde vordering sub I dezelfde bezwaren heeft als tegen het vonnis waarvan beroep (zie 5.1 hiervoor).6. Beoordeling in hoger beroep6.1. \n\nOmdat [geïntimeerden] in hoger beroep haar vorderingen heeft gewijzigd, zal het hof hierna eerst beoordelen of die eiswijzigingen toelaatbaar zijn. Daarna bespreekt het hof het meest verstrekkende verweer van VVE Parkeerplaatsen, namelijk dat [geïntimeerden] geen belang (meer) hebben bij hun vorderingen. Het hof beoordeelt daarna of de vorderingen van [geïntimeerden] en van VVE Parkeerplaatsen toewijsbaar zijn.\n\nWijziging van eis [geïntimeerden]6.2. heeft haar vorderingen gewijzigd bij memorie van antwoord. VVE Parkeerplaatsen heeft tegen deze eiswijzigingen geen bezwaar gemaakt en het hof ziet ook ambtshalve geen aanleiding om de gewijzigde vorderingen sub I en III buiten beschouwing te laten.6.3. Het hof vat de gewijzigde vordering sub I van [geïntimeerden] op als incidenteel hoger beroep. Met de gewijzigde vordering sub I beoogt [geïntimeerden] dat VVE Parkeerplaatsen wordt veroordeeld om de aanbevelingen in het definitieve rapport van Strooming op te volgen, met inachtneming van nadere aanbevelingen van Sonitus. Deze vordering vormt daarmee een nadere uitwerking en specificatie van de vordering die door de kantonrechter is toegewezen onder 3.3 van het dictum van het bestreden vonnis. Omdat [geïntimeerden] op dit punt een ander dictum nastreeft, moet de eiswijziging in zoverre worden opgevat als incidenteel hoger beroep. Gelet op de inhoud en het verloop van het debat tijdens de mondelinge behandeling ziet het hof geen aanleiding om de eiswijziging om deze reden wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing te laten. De opmerking van de advocaat van [geïntimeerden] dat [geïntimeerden] geen incidentele grieven tegen het vonnis heeft gericht, had uitdrukkelijk slechts betrekking op de vordering sub II (zie ook 6.4 hierna). Uit de spreekaantekeningen van de advocaat van VVE Parkeerplaatsen leidt het hof af dat ook VVE Parkeerplaatsen de wijziging van eis heeft opgevat als incidenteel hoger beroep. Zo is namens VVE Parkeerplaatsen opgemerkt: “ hebben hun eisen inmiddels gewijzigd en vorderen niet langer nakoming van de aanbevelingen van Strooming maar nieuwe maatregelen daarvoor in de plaats” en: “Bij een nieuwe uitspraak kunnen de oude maatregelen niet meer opgelegd worden, er is alleen ruimte voor het opleggen van nieuwe” (pleitnota mr. Goldhoorn, sub 18, eerste en laatste volzin). Gelet op deze uitlatingen van de advocaat van VVE Parkeerplaatsen en het feit dat VVE Parkeerplaatsen ook inhoudelijk op de gewijzigde vordering is ingegaan, is evenmin sprake van een verrassingsbeslissing als het hof rechtdoet op grond van de gewijzigde eis. Ook hierom staan de eisen van een goede procesorde niet in de weg aan deze eiswijziging van [geïntimeerden]6.4. \n\nHet hof laat de gewijzigde vordering sub II wel buiten beschouwing. Met deze vordering wil [geïntimeerden] dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om aanvullende geluidsmaatregelen te nemen als na uitvoering van de door de deskundigen aanbevolen maatregelen blijkt dat de geluidsvolumes in de appartementen de normen uit het Bouwbesluit nog steeds overschrijden. Deze vordering bouwt (kennelijk) voort op de in eerste aanleg als sub II ingestelde vordering, die er eveneens toe strekte dat VVE Parkeerplaatsen zou worden bevolen om aanvullende geluidsmaatregelen te nemen als uitvoering van de aanbevelingen van Strooming niet voldoende zou blijken (zie 4.1 onder b hiervoor). De kantonrechter heeft die vordering van [geïntimeerden] afgewezen (zie punt 3.6 van het vonnis). Deze vordering is geen onderdeel van het principaal hoger beroep en de advocaat van [geïntimeerden] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat [geïntimeerden] op dit punt geen incidentele grieven tegen het vonnis heeft gericht. Bij die stand van zaken maakt deze vordering geen deel uit van de rechtsstrijd in hoger beroep. Het hof laat dit onderdeel van de eiswijziging daarom buiten beschouwing. Het hof oordeelt in aanvulling hierop dat, ook als deze eiswijziging toelaatbaar zou zijn, het gevorderde bevel om “aanvullende geluidsmaatregelen” te nemen, te onbepaald is om voor toewijzing in aanmerking te kunnen komen.\n\nHebben [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] belang bij hun vorderingen?6.5. Uit artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat een partij alleen een rechtsvordering kan instellen als zij daarbij voldoende belang heeft. Het hof beoordeelt hierna of elk van [geïntimeerden] belang heeft bij de gewijzigde vorderingen sub I en III.6.6. \n [geïntimeerde 2] is sinds augustus 2025 geen eigenaar meer van het appartementsrecht met betrekking tot het appartement op de eerste etage (A-2). Zij ervaart dus geen geluidsoverlast meer. Het hof is van oordeel dat zij daarom geen belang heeft bij de vordering sub I. Het enkele feit dat [geïntimeerde 2] de onderhavige procedure heeft “gemeld” aan de nieuwe eigenaar, zoals tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht, maakt dat niet anders. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde 2] met de nieuwe eigenaar afspraken heeft gemaakt over (de voorzetting van) deze procedure. Het hof zal [geïntimeerde 2] daarom niet-ontvankelijk verklaren in de gewijzigde vordering sub I.6.7. \n [geïntimeerde 2] heeft wel belang bij de gewijzigde vordering sub III. Die vordering stelt de vraag aan de orde of de VVE Parkeerplaatsen op grond van het vonnis dwangsommen heeft verbeurd. Deze dwangsommen zijn verbeurd in de periode dat [geïntimeerde 2] eigenaar was van appartement 1 en daar woonde (aldus [geïntimeerden] ). In zoverre heeft [geïntimeerde 2] dus (financieel) belang bij de vordering sub III.6.8. \n\n [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] wonen in de appartementen A-3 en A-4 en stellen dat zij geluidshinder ervaren in hun woningen die VVE Parkeerplaatsen moet voorkomen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben daarom belang bij de vordering sub I. Het hof zal het verweer van VVE Parkeerplaatsen dat in de appartementen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] geen geluidswaarden worden gemeten die de normen uit het Bouwbesluit\u002FBesluit bouwwerk Leefomgeving overschrijden, bespreken bij de inhoudelijke beoordeling van die vorderingen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben om dezelfde redenen als [geïntimeerde 2] belang bij de vordering sub III.\n\nInleiding vordering ter zake van geluidsoverlast (vordering sub I)6.9. Met hun eiswijziging hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hun oorspronkelijke vordering in die zin gewijzigd dat het gevorderde bevel om aanpassingen aan de roldeur door te voeren, nader is uitgewerkt en gespecificeerd. Het hof zal bij beoordeling van die (gewijzigde) vordering uitgaan van de situatie zoals die op dit moment is. In deze situatie heeft VVE Parkeerplaatsen op basis van het vonnis van de kantonrechter aanpassingen aan de deur verricht. Dit leidt ertoe dat het hof in hoger beroep moet beoordelen of de roldeur, ook nadat VVE Parkeerplaatsen daaraan aanpassingen heeft verricht, onrechtmatige geluidshinder veroorzaakt en of VVE Parkeerplaatsen gehouden is om die geluidshinder (verder) te beperken.6.10. \n\nVoordat het hof toekomt aan de beoordeling of aan de roldeur verdere aanpassingen moeten worden doorgevoerd, zal het hof beoordelen of VVE Parkeerplaatsen voor de roldeur verantwoordelijk is en – in het verlengde daarvan – of zij de kosten voor die eventuele aanpassingen moet dragen.\n\nWie draagt de kosten voor maatregelen aan de roldeur?6.11. Het hof laat in het midden of de roldeur privé-eigendom is van VVE Parkeerplaatsen (zoals [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] stellen) of gemeenschappelijk eigendom is van de leden van VVE Gebouw (zoals VVE Parkeerplaatsen stelt). De reden daarvoor is dat de kosten voor verdere maatregelen, als die benodigd zijn, in beide gevallen voor rekening van VVE Parkeerplaatsen komen. Als de roldeur privé-eigendom is, dient VVE Parkeerplaatsen de kosten om die reden te dragen. Als de roldeur behoort tot de gemeenschappelijke delen van VVE Gebouw, volgt uit het splitsingsreglement dat de kosten voor rekening komen van VVE Parkeerplaatsen. Artikel 2 lid 5 van het splitsingsreglement bepaalt immers dat kosten verbonden aan onderhoud, reparatie en vernieuwing van deuren die aan de buitengevel van het gebouw zitten, uitsluitend ten laste komen van de eigenaar die daarvan gebruikt maakt (zie ook 3.3 hiervoor). Niet in geschil is dat de roldeur in de buitengevel van het gebouw zit en slechts wordt gebruikt om toegang te krijgen tot het achtergelegen perceel. De deur wordt feitelijk dus slechts gebruikt door personen die parkeren op het perceel van VVE Parkeerplaatsen of daar een berging hebben. Dat betekent dat VVE Parkeerplaatsen de exclusieve gebruiker is van de roldeur. Op grond van het splitsingsreglement moet zij daarom de kosten dragen voor aan de roldeur te verrichten aanpassingen. In dat verband overweegt het hof dat [geïntimeerden] niet kan worden verweten dat zij niet op een eerder moment een meerderheidsbesluit hebben genomen ter beperking van de hinder, aangezien dat zou hebben betekend dat [geïntimeerden] , als gedupeerden van de hinder, hiervoor de kosten mede zouden hebben moeten dragen.6.12. VVE Parkeerplaatsen heeft in dit verband nog aangevoerd dat de vergadering van eigenaars van VVE Gebouw op enig moment heeft besloten om de kosten voor de vervanging van deuren die toegang geven tot privégedeelten van eigenaars, te verdelen over de vier VVE-leden. Dat in dat geval van de vervanging van de deuren (kennelijk) eenmalig van artikel 2 lid 5 van het splitsingsreglement is afgeweken, doet aan het voorgaande niets af. De hoofdregel is immers dat kosten voor een deur in de buitengevel ten laste komen van die eigenaar(s) die ervan gebruik maken.6.13. VVE Parkeerplaatsen heeft verder aangevoerd dat zij niet bevoegd is aanpassingen te verrichten aan de roldeur, omdat zij daarvoor toestemming nodig heeft van (de vergadering van eigenaars van) VVE Gebouw. Ook als die toestemming benodigd is (het hof laat dat in het midden), vormt dat echter geen belemmering voor toewijzing van de vordering van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben immers aangegeven in te stemmen met een voorstel van VVE Gebouw om noodzakelijke maatregelen uit te voeren. Daar is hun vordering ook op gericht. Met de aanvullende stem van VVE Parkeerplaatsen zelf is er daarmee hoe dan ook een meerderheid voor een besluit van die strekking.6.14. \n\nDe conclusie is dus dat VVE Parkeerplaatsen verantwoordelijk is voor het doorvoeren van aanpassingen aan de roldeur en daarvan de kosten moet dragen. De vervolgvraag is of VVE Parkeerplaatsen gehouden is om aanvullende werkzaamheden uit te voeren.\n\nVeroorzaakt de roldeur (nog steeds) onrechtmatige hinder?6.15. Tussen partijen is niet in geschil dat het openen en sluiten van de mechanische roldeur hoorbaar is in de bovengelegen appartementen en dat dit geluidshinder oplevert. Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden.6.16. Uit de rapportage van Sonitus van 21 maart 2025 (zie ook 3.12 hiervoor) blijkt dat, ook nadat VVE Parkeerplaatsen geluidsbeperkende maatregelen heeft genomen, bij het openen en sluiten van de roldeur aanzienlijke geluidsvolumes worden gemeten in de appartementen op eerste en tweede verdieping. In het appartement op de tweede verdieping (waar [geïntimeerde 1] woont) is dit gemiddeld 30,4 dB(A) en maximaal 34,3 dB(A). VVE Parkeerplaatsen heeft de juistheid van deze metingen niet weergesproken en het hof gaat daar dus vanuit.6.17. Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (voorheen Bouwbesluit) bevat normen voor de maximale geluidsoverdracht tussen aangrenzende percelen. Artikel 3.2 Bouwbesluit bepaalde dat installaties zoals een lift in een aangrenzend perceel een geluidsniveau van ten hoogste 30 dB mogen veroorzaken en deze normwaarde is thans opgenomen in artikel 4.108 Besluit Bouwwerken Leefomgeving. VVE Parkeerplaatsen heeft aangevoerd dat deze norm uit het Bouwbesluit niet van toepassing is op een oud gebouw. Net als in eerste aanleg, heeft zij echter niet toegelicht welke geluidsnorm wel van toepassing is, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Het hof zal daarom, in navolging van Strooming\u002FSonitus, de norm uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving als richtlijn hanteren.6.18. Het gemeten geluidsniveau ten gevolge van het gebruik van de roldeur in het appartement van [geïntimeerde 1] overschrijdt de norm uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Er is daarom sprake van aanzienlijke geluidshinder in de woning van [geïntimeerde 1] . De roldeur geeft bovendien toegang tot een perceel met vijftien parkeerplaatsen en tien bergingen. Dat betekent dat de roldeur regelmatig wordt gebruikt en dit potentieel gedurende de hele dag (en nacht), op tijdstippen die voor [geïntimeerde 1] niet te voorspellen zijn. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde 1] dergelijke frequente geluidshinder in haar woning niet hoeft te dulden. Dat betekent dat het veroorzaken van de geluidshinder onrechtmatig is en dat VVE Parkeerplaatsen is gehouden om redelijke maatregelen te nemen om die hinder te verminderen.6.19. Het hof volgt VVE Parkeerplaatsen niet in haar verweer dat de staat van het gebouw mede de oorzaak is van de geluidsoverlast. VVE Parkeerplaatsen heeft die stelling niet onderbouwd, bijvoorbeeld door te verwijzen naar een onderzoek waaruit de staat van het gebouw blijkt. De enkele stelling dat het gebouw al gehorig was voordat de roldeur is geplaatst, is hiertoe onvoldoende. Daar komt bij dat ook als vast zou komen te staan dat de staat van het gebouw bijdraagtaan de overdracht van het geluid van de roldeur naar de appartementen, dit VVE Parkeerplaatsen niet ontslaat van haar verplichting om maatregelen te nemen. De roldeur is immers de bron van de geluidsoverlast, en uit het onderzoek van Strooming\u002FSonitus volgt dat het mogelijk is om de constructie van de roldeur zodanig aan te passen dat de geluidsoverdracht naar bovengelegen appartementen wordt verminderd. Voor zover VVE Parkeerplaatsen meent dat ook andere (minder ingrijpende of minder kostbare) maatregelen genomen kunnen worden, had het op haar weg gelegen om dat te onderbouwen, wat zij niet heeft gedaan.6.20. \n\nHet voorgaande heeft betrekking op [geïntimeerde 1] . Ten aanzien van [geïntimeerde 3] heeft VVE Parkeerplaatsen terecht aangevoerd dat uit de rapportage van Sonitus niet blijkt dat in het appartement op de derde en vierde verdieping (waar [geïntimeerde 3] woont) geluidsniveaus worden gemeten die de normen uit het Besluit Bouwwerk Leefomgeving overschrijden. Omdat [geïntimeerde 3] verder niet heeft onderbouwd dat en op welke wijze zij geluidshinder ervaart, zal het hof de vordering sub I ten aanzien van [geïntimeerde 3] afwijzen.\n\nDe door VVE Parkeerplaatsen te nemen maatregelen6.21. Strooming heeft meerdere aanbevelingen gedaan om geluidsoverlast door de roldeur te verminderen. Strooming heeft er daarbij op gewezen dat de aanbevolen maatregelen complementair aan elkaar zijn en gezamenlijk moeten worden gerealiseerd om “het juiste effect” (het hof begrijpt: geluidsreductie) te bereiken (zie nader 3.5 en 3.6 hiervoor). Het is niet in geschil dat deze maatregelen geluidsbeperkend zijn en ook niet dat het haalbaar is om deze te realiseren. VVE Parkeerplaatsen is daarom gehouden om alle aanbevelingen van Strooming op te volgen.6.22. De vervolgvraag is of VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming reeds juist en volledig heeft opgevolgd met de werkzaamheden die zij sinds het vonnis aan de roldeur heeft verricht. Volgens [geïntimeerde 1] is dit niet het geval en zij verwijst daarbij naar onderzoek van Sonitus. Sonitus heeft geconstateerd dat, anders dan Strooming heeft aanbevolen, de roldeur niet vrijdragend is gemaakt door deze geheel los te koppelen van de bestaande bouwkundige constructie (zie ook 3.11 en 3.12 hiervoor). Sonitus beveelt aan om dit alsnog te doen, en geeft daarvoor een concreet stappenplan. Sonitus beveelt tevens aan om bij het plaatsen van de deurgeleiders in de voorgevel zogeheten Phonex-ankers toe te passen. Ook beveelt zij aan om de motor van de roldeur te omkleden met een omkasting die aan de onderzijde open is, en om aan de bovenkant een dempende laag aan te brengen tussen de motor en het plafond. Ook op deze punten is VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming onvoldoende nagekomen, aldus Sonitus.6.23. Tegenover deze gemotiveerde onderbouwing van [geïntimeerden] voert VVE Parkeerplaatsen slechts aan dat zij de aanbevelingen van Strooming wel heeft opgevolgd. Zij onderbouwt dat verder echter niet, terwijl dat wel op haar weg had gelegen. Bij die stand van zaken staat naar oordeel van het hof vast dat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen uit het rapport van Strooming onvoldoende heeft opgevolgd. Zij is daarom gehouden om deze alsnog uit te voeren, met inachtneming van de aanvullende aanbevelingen van Sonitus van 14 december 2023. Zoals bij 6.22 is overwogen, geeft Sonitus een lijst met concrete punten om de geluidsoverlast te verminderen. Het gaat dus niet om “weinig concreet gemaakt[e]” aanbevelingen, zoals VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming typeert.6.24. \n\nVVE Parkeerplaatsen heeft nog aangevoerd dat niet vaststaat dat het doorvoeren van de aanbevelingen van Strooming\u002FSonitus zal leiden tot het geheel oplossen van de geluidsoverlast, omdat het pand verouderd en gehorig is. VVE Parkeerplaatsen heeft deze stelling niet onderbouwd, en bovendien niet gemotiveerd weersproken dat het opvolgen van de aanbevelingen van Strooming\u002FSonitus zal leiden tot verminderingvan de geluidshinder. Daarmee staat naar oordeel van het hof voldoende vast dat het nut heeft om de aanbevolen maatregelen uit te voeren.\n\nTermijn en dwangsom6.25. \n\n [geïntimeerde 1] heeft gevorderd dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om de werkzaamheden uit te voeren binnen twee weken na de datum van het arrest. Het hof acht die termijn praktisch niet haalbaar en zal deze daarom vaststellen op drie maanden na betekening van dit arrest. Het hof zal de door [geïntimeerde 1] gevorderde dwangsom toewijzen, maar deze – in lijn met de kantonrechter – matigen op de wijze zoals weergegeven in het dictum.\n\nZijn dwangsommen verbeurd naar aanleiding van het vonnis (vordering sub III)?6.26. Met haar eiswijziging heeft [geïntimeerden] haar vordering dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om de aanbevelingen van Strooming op te volgen, in die zin gewijzigd dat het gevorderde bevel nader is uitgewerkt en gespecificeerd. Omdat de eiswijziging van [geïntimeerden] op dit punt moet worden opgevat als incidenteel hoger beroep (zie rechtsoverweging 6.3 hiervoor), zal het hof het vonnis op dit punt niet bekrachtigen, maar een nieuwe veroordeling uitspreken met inachtneming van de gewijzigde eis.6.27. \n\nNu het vonnis op dit punt niet wordt bekrachtigd, ontvalt met terugwerkende kracht de grondslag aan de dwangsom die de kantonrechter aan de veroordeling heeft verbonden. Dat betekent dat er geen grondslag is voor de door [geïntimeerden] gevorderde verklaring voor recht dat dwangsommen zijn verbeurd en de veroordeling van VVE Parkeerplaatsen om € 15.000,- aan verbeurde dwangsommen aan [geïntimeerden] te betalen. Het hof zal de gewijzigde vordering sub III van [geïntimeerden] daarom afwijzen.\n\nReconventie6.28. \n\nVVE Parkeerplaatsen heeft bij memorie van grieven twee vorderingen in reconventie ingesteld. VVE Parkeerplaatsen was immers bij de kantonrechter verweerder. Uit artikel 353 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat het niet mogelijk is om voor het eerst in hoger beroep een vordering in reconventie in te stellen. Het hof zal VVE Parkeerplaatsen daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze vorderingen.\n\nConclusie en proceskosten6.29. De conclusie is dat het principale hoger beroep van VVE Parkeerplaatsen niet slaagt, het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde 1] wel slaagt en de gewijzigde vordering sub I van [geïntimeerde 1] voor toewijzing in aanmerking komt. Het hof zal het vonnis daarom deels vernietigen, maar slechts voor wat betreft het aan VVE Parkeerplaatsen opgelegde bevel.6.30. Omdat VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde 1] .6.31. \n\nHet hof begroot de proceskosten in het principale hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 1] op: griffierecht € 116,33 (1\u002F3 × € 349,-) salaris advocaat € 860,- (1\u002F3 × 2 punten × tarief II) nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.165,33\n\nOmdat in het incidentele hoger beroep geen afzonderlijke proceshandelingen zijn verricht, begroot het hof de proceskosten van [geïntimeerde 1] in het incidentele hoger beroep op nihil. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.6.32. Voor het overige zijn de partijen in het principale en incidentele hoger beroep over en weer in het ongelijk gesteld. Het hof zal daarom de proceskosten tussen hen compenseren in die zin dat zij ieder de eigen kosten dragen.7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin principaal en incidenteel hoger beroep\n\n- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2023, doch uitsluitend voor wat betreft de veroordeling onder 3.3;\n\nen in zoverre opnieuw rechtdoende:\n\nten aanzien van [geïntimeerde 2] :\n\n- verklaart [geïntimeerde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering sub I;\n\nten aanzien van [geïntimeerde 3] :\n\n- wijst de vordering sub I af;\n\nten aanzien van [geïntimeerde 1] :\n\nveroordeelt VVE Parkeerplaatsen om binnen drie maanden na betekening van dit arrest de aanbevelingen in het rapport van Strooming van 30 november 2021 en de brief van Sonitus van 14 december 2023 volledig op te volgen en de geadviseerde werkzaamheden te laten uitvoeren, in het bijzonder door het realiseren van een zelfdragend stalen portaal dat alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond en het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie van het gebouw, met inachtneming van de bevindingen van de geluidsdeskundige van 19 april 2024, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat VVE Parkeerplaatsen hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 15.000,-;\n\nbekrachtigt het vonnis voor het overige;\n\nveroordeelt VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] tot op heden begroot op € 1.165,33, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als VVE Parkeerplaatsen deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;\n\nbepaalt dat als VVE Parkeerplaatsen niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, VVE Parkeerplaatsen de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;\n\nveroordeelt VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] begroot op nihil;\n\ncompenseert voor het overige de proceskosten in hoger beroep in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. D. Stoutjesdijk, A.A. Muilwijk-Schaaij en T. Heikens en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\n HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106, r.o. 3.2.2.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1983","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:58.192Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":58,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":52,"updatedAt":61},"1002","ECLI:NL:GHDHA:2026:2023","ecli-nl-ghdha-2026-2023","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.351.028\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F10\u002F667474 \u002F HA ZA 23-906\n\nArrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSelecta Infrastructuur B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nappellante in principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker, kantoorhoudend in Houten,\n\ntegen\n\nDelta Infratechniek B.V.,\n\ngevestigd in Rijssen,\n\ngeïntimeerde in principaal hoger beroep,\n\nappellante in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. H.J. Ligtenbarg, kantoorhoudend in Velp.\n\nHet hof noemt partijen hierna Selecta en Delta.\n\n1. De zaak in het kort1.1. Selecta heeft van Delta opdracht gekregen een glasvezelnetwerk aan te leggen. In het kader daarvan heeft zij boorwerkzaamheden verricht in de omgeving van het Leppa Akwadukt in Friesland. Daarbij heeft zij een folielaag in de bodem, toebehorend aan Rijkswaterstaat, doorboord. Dit heeft de uitstroom van bodemwater en het wegspoelen van zand en grond tot gevolg gehad. Het gaat in deze zaak om de vraag of Selecta jegens Delta is tekortgeschoten en de door Delta als gevolg van dit voorval geleden en nog te lijden schade moet vergoeden.1.2. De rechtbank heeft de door Selecta gevorderde verklaringen voor recht en de verwijzing naar de schadestaatprocedure grotendeels toegewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 19 december 2024, waarmee Selecta in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2024 (niet gepubliceerd);\n\nde memorie van grieven van Selecta, met bijlagen;\n\nde memorie van antwoord in het principaal appel tevens houdende memorie van grieven in het incidenteel appel van Delta, met producties;\n\nde memorie van antwoord in het incidenteel appel van Selecta.3. Feitelijke achtergrond3.1. Nu daarover geen discussie bestaat, gaat het hof uit van de door de rechtbank in haar vonnis van 2 oktober 2024 vastgestelde feiten, met een gering aantal aanpassingen en toevoegingen. Het gaat in deze zaak om het volgende.3.2. Delta is een vennootschap binnen het concern van Delta Rijssen Holding B.V.. Binnen de groep geeft Delta opdracht tot de aanleg van glasvezelnetwerken. De eigendom van die glasvezelnetwerken berust na de aanleg bij Delta Rijssen Glasvezel Investeringen B.V., al dan niet indirect, via projectvennootschappen.3.3. Selecta is een aannemingsbedrijf. Delta en Selecta werken regelmatig samen sinds 2013.3.4. Op 14 mei 2020 hebben Delta (aangeduid als Opdrachtgever) en Selecta (aangeduid als Aannemer) een raamovereenkomst gesloten. In de raamovereenkomst staat, voor zover relevant:\n\n“5a. De Aannemer is gehouden de aanleg van de glasvezel netwerken goed en deugdelijk, naar de bepalingen van deze overeenkomst en met inachtneming van de voor de aan te leggen glasvezel netwerken van belang zijnde of toepasselijke wettelijke voorschriften en beschikkingen van overheidswege, uit te voeren.\n\n5b. Tot de verplichtingen van de Aannemer behoort het verkrijgen van de benodigde vergunningen, instemmingen, beschikkingen, meldingen, toestemmingen en ontheffingen voor het aan te leggen glasvezel netwerk. Opdrachtgever zal Aannemer (juridisch) ondersteunen bij het formaliseren en verkrijgen van de vereiste\u002Fbenodigde toestemmingen.\n\n5c. De Aannemer stelt zich voor de aanvang van de werkzaamheden op de hoogte van de ligging van bestaande kabels en leidingen.\n\n5d. De Aannemer is verplicht de Opdrachtgever bij het aangaan of het tijdens het uitvoeren van deze overeenkomst te waarschuwen voor fouten of gebreken in de door hem voorgeschreven plannen, tekeningen, berekeningen of uitvoeringsvoorschriften, voor tekortkomingen in de door hem gegeven orders of aanwijzingen, alsmede voor gebreken in door de Opdrachtgever ter beschikking gestelde zaken, voor zover de Aannemer deze onvolkomenheden kende of had behoren te kennen.\n\n5e. De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever voor aanspraken van derden tot vergoeding van schade indien deze schade door de uitvoering van de aanleg van de glasvezel netwerken is toegebracht en te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers.”3.5. Een van de projecten, waartoe Delta onder de raamovereenkomst opdracht heeft gegeven, is de aanleg van een glasvezelnetwerk ten noorden van Heerenveen in onder meer de dorpen Akkrum, Aldeboam, Haskerdijken, Luinjeberd, Nes en Tjalleberd alsmede het gebied tussen en rondom deze dorpen.3.6. In het uitvoeringsgebied van dit project bevindt zich het Leppa Akwadukt, dat nabij Akkrum de A32 overspant. Het Leppa Akwadukt en de omringende grond zijn eigendom van Rijkswaterstaat.3.7. Partijen hebben nadere afspraken over dit project vastgelegd in een projectovereenkomst van 9 februari 2021. In artikel 1 van deze projectovereenkomst is ‘het Werk’ omschreven. Artikel 2 gaat over de aanneemsom. In dit artikel staat voor zover van belang het volgende:\n\n“De overeengekomen aanneemsom is inclusief:\n\n- (…)\n\n- Verkrijgen vereiste vergunningen, ontheffingen, beschikkingen, meldingen en toestemmingen in het kader van het ontwerp en de aanleg van het glasvezel netwerk\n\n(…)\n\nDe overeengekomen aanneemsom is exclusief:\n\n- (…)\n\n- (…)\n\n- De kosten van de vergunning en uitvoering van vergunning plichtige boringen\n\n(…)\n\nMateriaal, POP stations, vergunning plichtige boringen en gemeentelijke leges worden verzorgd door de Opdrachtgever. (…)”\n\nIn artikel 4a van de projectovereenkomst staat dat de afspraken in de raamovereenkomst (voor het overige) volledig van toepassing zijn.3.8. Op 3 mei 2021 heeft Selecta bij de gemeente Heerenveen een vergunning aangevraagd voor het uitvoeren van graaf- en boorwerkzaamheden. Die vergunning is haar op 11 mei 2021 verleend.3.9. Delta heeft Selecta per e-mail van 13 juli 2021 als volgt bericht:\n\n“Wij hebben zoals te doen gebruikelijk bij de start van een project oriëntatieklics opgevraagd voor Heerenveen Noord. In de bijlage vinden jullie per klic de Eis-Voorzorgsmaatregelen. Gaan jullie pro-actief in gesprek met deze partijen? Daarnaast is een overzicht van partijen opgenomen die in de grond actief zijn. In de map ‘selecta en delta’ zijn de oriëntatieklics en onderliggende bestanden daarnaast te vinden. (…).”\n\nRijkswaterstaat was een van de partijen die stond vermeld op de lijst die als bijlage bij deze e-mail was gevoegd.3.10. Selecta heeft op 30 november 2021 een KLIC-melding (voluit: Kabels en Leidingen Informatie Centrum, dat is een graafmelding bij het kadaster) gedaan. Zij heeft in reactie op die graafmelding twee standaardbrieven van Rijkswaterstaat ontvangen, waarin onder meer staat:\n\n“In de situatie, waar het om werkzaamheden in een risicovol gebied gaat, ontvangt u geen tekening. Dit kan voorkomen bij werkzaamheden in de buurt van stormvloedkeringen, zeeweringen, dijken, rivieren of verkeerscentrales. Voor de exacte ligging van deze k&l binnen dit gebied (of aanvullende informatie) dient u contact op te nemen met de postbus (mailadres)AreaalgeqevensNN@rws.nl . Geeft u hierbij duidelijk aan om welke locatie dit gaat (b.v. situatieschets, straatnaam, Google maps plaatje en\u002Fof coördinaten).\n\nGraag willen wij u erop attenderen dat u over een vergunning\u002Fmelding op grond van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken\u002FWaterwet moet beschikken om binnen het beheergebied van Rijkswaterstaat werkzaamheden uit te voeren. Meer informatie vindt u op de volgende links: (…).”3.11. En ook:\n\n“Kritisch Gebied\n\nOp basis van de door u verstrekte informatie bevindt uw melding zich in een kritisch gebied van Rijkswaterstaat. Gelieve contact op te nemen met de desbetreffende regio.”3.12. Op 21 december 2021 heeft Selecta in het kader van de opdracht van Delta boorwerkzaamheden uitgevoerd nabij het Leppa Akwadukt. Selecta beschikte op dat moment niet over een vergunning van Rijkswaterstaat als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr).3.13. Bij die werkzaamheden heeft Selecta een folielaag in de bodem, die toebehoorde aan Rijkswaterstaat, op een of meerdere plaatsen doorboord. De folie dient ertoe de zandlaag waarop het Leppa Akwadukt is gebouwd te stabiliseren en te behoeden voor wegspoelen. Als gevolg van de doorboring is een mengsel van bodemwater, zand en grond door de folielaag gedrongen en naar de evenwijdig aan de A32 liggende secundaire weg gestroomd. Rijkswaterstaat heeft terstond noodmaatregelen getroffen, zoals bronbemaling, om de uitstroom van bodemwater en het wegspoelen van zand en grond te beperken. Het is niet duidelijk wanneer de definitieve herstelmaatregelen zullen zijn voltooid.4. Procedure bij de rechtbank4.1. Delta heeft gevorderd, verkort weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, (III) een verklaring voor recht dat Selecta toerekenbaar is tekortgeschoten onder de projectovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde raamovereenkomst, (IV) een verklaring voor recht dat Selecta aansprakelijk is voor de schade die Delta heeft geleden en nog zal lijden en veroordeling van Selecta tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat, (V) een verklaring voor recht dat Selecta op grond van de projectovereenkomst en de raamovereenkomst gehouden is om Delta te vrijwaren voor alle aanspraken van derden, waaronder doch niet uitsluitend van aanspraken van Rijkswaterstaat en (VI) een verklaring voor recht dat Selecta op grond van die vrijwaring gehouden is om alle bedragen die Delta betaalt en\u002Fof moet betalen ter zake de schade van Rijkswaterstaat binnen vijf dagen na een verzoek daartoe aan Delta te vergoeden.4.2. Aan deze vorderingen heeft Delta ten grondslag gelegd, samengevat, dat Selecta is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die volgen uit (onder meer) artikelen 5a, 5b, 5c en 5d van de raamovereenkomst en op grond van art. 6:74 BW aansprakelijk is voor de schade die Delta lijdt. Delta doet in dit verband een beroep op de verplichting tot vrijwaring die ingevolge artikel 5e van de raamovereenkomst op Selecta rust.4.3. Selecta betwist dat zij is tekortgeschoten. Selecta erkent dat voor de werkzaamheden die zij op 20 december 2021 op de schadelocatie heeft uitgevoerd een vergunning van Rijkswaterstaat nodig was. Zij meent echter dat het ontbreken van die vergunning niet aan haar kan worden toegerekend, omdat a) Delta steevast het initiatief nam en voorafgaand aan deze werkzaamheden niet aan haar heeft gevraagd om een vergunning aan te vragen bij Rijkswaterstaat, b) zij niet wist en niet hoefde te begrijpen dat zich daar een onderdeel van een waterstaatswerk bevond, c) zij niet uit ervaring wist dat in de omgeving van aquaducten folie in de ondergrond kan liggen, d) er ter plaatse geen waarschuwingsbordjes aanwezig waren die de aanwezigheid van folie in de ondergrond markeerden, terwijl dit bij andere aquaducten die bij Rijkswaterstaat in beheer zijn, wel het geval is en e) zij over een vergunning van de gemeente Heerenveen beschikte voor de werkzaamheden ter plaatse van de schadelocatie. Selecta doet evenals Delta een beroep op artikel 5e van de raamovereenkomst; volgens haar gaat het om een bepaling die haar aansprakelijkheid beperkt. Subsidiair heeft Selecta aangevoerd dat de schade deels voor rekening van Delta moet blijven, omdat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan Delta zijn toe te rekenen. In dit verband heeft Selecta erop gewezen dat partijen zijn overeengekomen dat Selecta geen ‘vergunning plichtige boringen’ zou uitvoeren.4.4. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 oktober 2024 de hiervoor onder 4.1 weergegeven vorderingen grotendeels toegewezen. Zij heeft overwogen dat Selecta in strijd heeft gehandeld met artikel 5a en artikel 5b van de raamovereenkomst en dat deze tekortkoming toerekenbaar is. Selecta heeft daadwerkelijk een graafmelding gedaan en dat wijst erop dat zij dit tot haar taak rekende. Zij heeft de twee brieven die zij van Rijkswaterstaat ontving, waarin duidelijk stond dat zij een vergunning nodig had, genegeerd. Selecta komt geen beroep toe op artikel 5e van de raamovereenkomst, omdat die bepaling niet kan worden aangemerkt als een ten behoeve van Selecta overeengekomen beperking van de aansprakelijkheid, maar als een bepaling die beoogt Delta in staat te stellen eventuele aanspraken van derden op Selecta af te wenden. Het beroep van Selecta op eigen schuld (artikel 6:101 en artikel 6:102 BW) gaat volgens de rechtbank niet op. Selecta heeft niet voldoende toegelicht dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan Delta kan worden toegerekend. Voor zover Delta al enige fout heeft gemaakt, is de ernst daarvan zo gering dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van Selecta geheel in stand blijft.4.5. Alleen de vordering van Delta tot een verklaring voor recht dat Selecta op grond van de verplichting tot vrijwaring die volgt uit artikel 5e van de raamovereenkomst gehouden is om binnen vijf dagen betalingsverzoeken van Delta te voldoen, is door de rechtbank afgewezen, omdat deze te ver strekt en onvoldoende steun vindt in de raamovereenkomst.4.6. Selecta is in de proceskosten veroordeeld.5. Beoordeling in hoger beroep5.1. Selecta heeft hoger beroep ingesteld. Zij vordert vernietiging van het vonnis van 2 oktober 2024 en veroordeling van Delta in de proceskosten.5.2. \n\nDelta heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar vordering onder VI (zie onder 4.5 hiervoor).\n\nPrincipaal hoger beroep5.3. Selecta heeft voorafgaand aan de genummerde grieven een overzicht van volgens haar relevante feiten en omstandigheden opgenomen. In dat overzicht zijn geen zelfstandige bezwaren opgenomen tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof zal op deze feiten en omstandigheden, voor zover relevant, ingaan bij het bespreken van de grieven.5.4. Grief 1ziet op r.o. 4.9 van het vonnis. Selecta is van mening dat de rechtbank ten onrechte in het midden heeft gelaten of Delta grondroerder was. Volgens Selecta was Delta bij de uitvoering van de opdracht als hoofdaannemer aan te merken en dus tevens als grondroerder in de zin van artikel 1 van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON). Daarom rustte op Delta een eigen verantwoordelijkheid voor wat betreftallegrondroerende werkzaamheden van het project. Selecta stelt in dit verband dat Delta op grond van artikel 2 WIBON verplicht was om voor aanvang van de grondroerende werkzaamheden een graafmelding te doen en onderzoek te verrichten naar de precieze ligging van de ondergrondse kabels.5.5. Het hof overweegt als volgt. Het doet er in de contractuele verhouding tussen Delta en Selecta niet toe of Delta wel of niet als grondroerder in de zin van de WIBON en\u002Fof als hoofdaannemer is aan te merken in het kader van de door Selecta verrichte werkzaamheden. Of Delta als zodanig is aan te merken kan wél van belang zijn in de verhouding tussen Delta en derden als Rijkswaterstaat die Delta tot schadevergoeding willen aanspraken en daarbij een beroep doen op verplichtingen die voor grondroerders uit de WIBON volgen. In de verhouding tussen Selecta en Delta echter gaat het erom of Selecta is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen die volgen uit de tussen partijen gesloten projectovereenkomst en raamovereenkomst en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de schade van Delta. Voor de beantwoording van die vraag is niet van belang of Delta grondroerder en\u002Fof hoofdaannemer is, nog daargelaten dat Delta in de verhouding Delta-Selecta evident opdrachtgever is en in die verhouding op Selecta de verantwoordelijkheid rustte om benodigde vergunningen aan te vragen. Grief 1 faalt derhalve.5.6. Grief 2is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.2 tot en met 4.5 van het vonnis dat Selecta toerekenbaar tekort is geschoten. Deze grief slaagt niet, om de hiernavolgende redenen.5.7. Selecta erkent dat zij een graafmelding heeft gedaan bij Rijkswaterstaat en dat zij naar aanleiding daarvan twee brieven heeft ontvangen van Rijkswaterstaat met de hiervoor onder 3.10 en 3.11 weergegeven tekst. Het hof is van oordeel dat de tekst van die brieven voor Selecta aanleiding gaf om op zijn minst voor mogelijk te houden dat een vergunning van Rijkswaterstaat nodig was voor het boren op de plek waar zij ook daadwerkelijk zou gaan boren, óók als de brieven niet specifiek betrekking hadden op de boring op de schadelocatie maar tevens op eventuele andere locaties in de zogeheten graafpolygoon. Selecta had navraag kunnen en moeten doen bij Rijkswaterstaat, waartoe de brief ‘Bijlage bij graafmelding’ ook uitnodigt. In weerwil van deze brieven heeft Selecta geen nader onderzoek verricht en geen vergunning bij Rijkswaterstaat aangevraagd. Door toch te boren en schade te veroorzaken, heeft Selecta in strijd gehandeld met artikel 5a, 5b en 5c van de raamovereenkomst.5.8. Het hof volgt dan ook niet het standpunt van Selecta dat zij niet toerekenbaar is tekortgeschoten omdat zij er niet op bedacht hoefde te zijn dat zij voor het boren op de schadelocatie een vergunning nodig had. De brieven van Rijkswaterstaat zijn duidelijk. In één van de brieven staat “Op basis van de door u verstrekte informatie bevindt uw melding zich in een kritisch gebied van Rijkswaterstaat.”Daarom kon Selecta niet zonder navraag te doen, ervan uitgaan dat de brieven van Rijkswaterstaat alleen gingen over de grond direct onder het Leppa Akwadukt. Zij kon niet aannemen dat de vergunning van de gemeente Heerenveen volstond en dat de afstand tussen de boorplek en het aquaduct zo groot was dat het boren niet in grond toebehorend aan Rijkswaterstaat zou plaatsvinden. Evenmin komt, gelet op de brieven van Rijkswaterstaat, betekenis toe aan het feit dat er ter plaatse van het folie geen waarschuwingsbordjes waren en dat Selecta geen ervaring had met het boren in de nabijheid van aquaducten.5.9. Dat Selecta op grond van artikel 2a van de projectovereenkomst geen verantwoordelijkheid droeg voor de uitvoering van ‘vergunning plichtige boringen’ (dat zijn zwaardere boringen met een grotere diameter en waarbij meer voorwerk nodig is), en dat Delta verantwoordelijk was voor dergelijke boringen, is niet van belang. Artikel 2a van de projectovereenkomst laat immers onverlet dat Selecta, bij boringen die zij wél uitvoert in het kader van de met Delta overeengekomen werkzaamheden, over de benodigde vergunning(en) moet beschikken. Dit volgt uit artikel 4a van de projectovereenkomst, op grond waarvan artikel 5a, 5b en 5c van de raamovereenkomst op de projectovereenkomst van toepassing zijn. Het hof volgt bovendien het standpunt van Delta dat de schadeveroorzakende boring niet een ‘vergunning plichtige boring’ in de zin van artikel 2a betrof. De ‘vergunning plichtige boring’ waarvoor Delta de verantwoordelijkheid droeg, betrof de boring exact onder het aquaduct (randnummer 29 memorie van antwoord, randnummer 2.19 memorie van grieven, alsmede productie 15 bij de memorie van grieven). De schadeveroorzakende boring van Selecta vond op enige afstand van het aquaduct plaats.5.10. Het hof behandelt hier ook de bij randnummer 2.33 van de memorie van grieven opgenomen stelling van Selecta dat de e-mail van Delta van 13 juli 2021 (zie 3.9 hiervoor) slechts het verzoek inhield om contact op te nemen met de partijen die een zogenoemde Eis-voorzorgsmaatregel hadden opgelegd. Deze stelling gaat niet op. In die e-mail staat de zin “Daarnaast is een overzicht van partijen opgenomen die in de grond actief zijn.”. Dat overzicht vermeldt onder andere Rijkswaterstaat Noord-Nederland. Naar het oordeel van het hof heeft Delta hiermee aan Selecta duidelijk gemaakt dat zij in het kader van haar werkzaamheden voor het project ten noorden van Heerenveen rekening moest houden met mogelijke belangen van Rijkswaterstaat.5.11. Het hof verwerpt in dit kader ten slotte het standpunt van Selecta dat er een waarschuwingsplicht op Delta rustte. Het hof kan dat – niet of onvoldoende toegelichte – standpunt niet rijmen met de verplichtingen die uit hoofde van de raamovereenkomst op Selecta rustten, met de inhoud van de e-mail van Delta van 13 juli 2021 aan Selecta, met het feit dat Selecta op 30 november 2021 zelf een KLIC-melding heeft gedaan en evenmin met het feit dat Selecta naar aanleiding van die graafmelding (waarschuwende) brieven van Rijkswaterstaat heeft ontvangen.5.12. Grief 3houdt in dat de rechtbank in r.o. 4.7 van het vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 5e van de raamovereenkomst geen beperking van aansprakelijkheid behelst.Grief 4klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de schade is te wijten aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van Selecta.5.13. Bij de uitleg van artikel 5e van de raamovereenkomst komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het gaat hier om een overeenkomst tussen commerciële partijen (die zich, kort gezegd, bezig houden met de aanleg van glasvezelnetwerken). Daarom komt groot gewicht toe aan de taalkundige betekenis van de woorden van artikel 5e.5.14. Voor het leesgemak geeft het hof de tekst van artikel 5e nog eens weer:\n\n“5e. De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever voor aanspraken van derden tot vergoeding van schade indien deze schade door de uitvoering van de aanleg van de glasvezel netwerken is toegebracht en te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers.”5.15. Grief 3 faalt omdat artikel 5e van de raamovereenkomst Selecta uitdrukkelijk een verplichting oplegt tot vrijwaring van Delta voor aanspraken tot schadevergoeding van derden (“De Aannemer vrijwaart de Opdrachtgever (…)”). De omschrijving “nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de Aannemer, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leveranciers” duidt niet op een (impliciete) beperking van aansprakelijkheid, maar juist op een omvangrijke vrijwaringsverplichting ten gunste van Delta omdat reeds een verkeerde handeling (met schade als gevolg) een verplichting tot vrijwaring kan doen ontstaan.5.16. Grief 4 faalt eveneens. Uit artikel 5e volgt als gezegd een omvangrijke vrijwaringsverplichting voor aanspraken van derden (als Rijkswaterstaat). Het hof is van oordeel dat op zijn minst sprake is geweest van een verkeerde handeling. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is Selecta in strijd met de raamovereenkomst gaan boren in kritisch gebied, nadat zij door Rijkswaterstaat was gewaarschuwd om daarover eerst met Rijkswaterstaat contact op te nemen..5.17. Grief 5voert aan dat de rechtbank ten onrechte het beroep van Selecta op artikel 6:101 en artikel 6:102 BW heeft verworpen. Delta heeft immers evenmin onderkend dat een vergunning van Rijkswaterstaat vereist was, of wist dat wel maar heeft verzuimd om Selecta hiervan op de hoogte te brengen. Volgens Selecta is sprake van eigen schuld en\u002Fof medeschuld en behoort de schade in de interne draagplicht tussen Delta en Selecta voor een deel voor rekening van Delta te blijven.5.18. Ook deze grief faalt. Het was niet de taak van Delta om ten behoeve van de boring op de schadelocatie een vergunning aan te vragen. Uit artikel 5b van de raamovereenkomst volgt dat het tot de verplichtingen van Selecta behoort om benodigde vergunningen te verkrijgen. In de praktijk deed Selecta dat ook; Delta heeft bij akte ten behoeve van de mondelinge behandeling van 11 september 2024 een viertal vergunningsaanvragen van Selecta in de procedure gebracht (producties 26 t\u002Fm 29). Selecta heeft op 3 mei 2021 zelf een vergunning bij de gemeente Heerenveen aangevraagd, die haar op 11 mei 2021 is verleend (r.o. 2.7 vonnis). Voor de boring op de schadelocatie was het ook Selecta zelf die een graafmelding bij Rijkswaterstaat heeft gedaan. Het lag dus op de weg van Selecta om een vergunning aan te vragen, temeer na de ontvangst van de brieven van Rijkswaterstaat.5.19. Dat, zoals Selecta verder aanvoert ter onderbouwing van grief 5, de schade niet zou zijn ontstaan als Delta tijdig een onderaannemer had ingeschakeld voor het uitvoeren van de ‘vergunning plichtige boring’ waarmee de Boarn zou worden gekruist, omdat Selecta dan op de hoogte zou zijn gebracht van de folielaag in de grond, doet niet ter zake. Dit was, zoals Delta terecht heeft aangevoerd, een andere boring, op een andere plek en met een andere boortechniek. Het hof ziet onvoldoende verband tussen het door Selecta veronderstelde verzuim van Delta om tijdig een vergunning aan te vragen voor het boren onder de Boarn en de beslissing van Selecta om op enige afstand daarvan zonder vergunning te boren in grond van Rijkswaterstaat.5.20. Voor zover Selecta bedoelt dat Delta wist dat Selecta zonder de vereiste vergunning van Rijkswaterstaat zou gaan boren op de schadelocatie, en haar dus had moeten waarschuwen, heeft Selecta die stelling onvoldoende toegelicht.5.21. Grief 6klaagt over het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.11 dat Delta voldoende belang heeft bij haar vorderingen onder III, IV en V van het petitum. Selecta wijst erop dat voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure vereist is dat aannemelijk is dat schade is geleden of zal worden geleden. Rijkswaterstaat heeft Delta nog niet tot schadevergoeding aangesproken, en een eigenaar van een zonnepark die volgens Delta schade zou hebben geleden evenmin. Als Selecta al een verplichting heeft om Delta te vrijwaren, zou deze beperkt moeten zijn tot hetgeen waartoe Delta wordt veroordeeld. Delta kan niet een verklaring voor recht vorderen tot vrijwaring voor aanspraken van een onbeperkt aantal en niet nader gespecificeerde derden.5.22. Grief 7voert in het verlengde van grief 6 aan dat de rechtbank ten onrechte Selecta heeft veroordeeld om Delta te vrijwaren vooralleaanspraken van derden, waaronderaansprakenvan Rijkswaterstaat. Het gaat er volgens Selecta om of Deltagehoudenis deze aanspraken te vergoeden. De verklaring voor recht tot vrijwaring had daarom moeten worden begrensd tot ten hoogste datgene waartoe Delta jegens Rijkswaterstaat wordt veroordeeld.5.23. Ook deze grieven falen. Duidelijk is dat er schade is ontstaan door het doorboren van de folielaag bij het Leppa Akwaduct (zie onder meer productie 13 bij de akte overlegging producties van Delta). Het is bepaald niet denkbeeldig dat Rijkswaterstaat en eventuele andere derden op enig moment de schade proberen te verhalen op Delta als opdrachtgever van Selecta. Het hof acht het dus aannemelijk dat Delta schade zal lijden. De door de rechtbank uitgesproken verklaringen voor recht gaan niet te ver. Deze zijn beperkt tot de schade die het gevolg is van het doorboren van de folie van Rijkswaterstaat nabij het Leppa Akwadukt. Daarmee is de eventuele schadevergoedingsplicht van Selecta voldoende ingekaderd.5.24. De slotsom luidt dat geen van de grieven in het principaal hoger beroep doel treft.5.25. \n\nSelecta heeft in hoger beroep een bewijsaanbod gedaan. Zij heeft de namen van een groot aantal personen genoemd en daarbij in zijn algemeenheid vermeld over welke aspecten van het in deze procedure aan de orde zijnde project deze personen iets zouden kunnen verklaren, bijvoorbeeld “de communicatie tijdens de bouwvergaderingen”. Selecta heeft echter geen specifieke feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander dan het hierboven weergegeven oordeel kunnen leiden. Haar bewijsaanbod wordt daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.\n\nIncidenteel hoger beroep5.26. Grief 1van Delta – haar enige grief – noemt het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.11 van het vonnis dat de vordering onder punt VI van het petitum niet kan worden toegewezen onbegrijpelijk. Volgens Delta vloeit deze vordering simpelweg voort uit de verplichting tot vrijwaring die op Selecta rust. Delta acht de gevorderde termijn van vijf dagen alleszins redelijk, maar kan leven met een door het hof te bepalen langere termijn. In een reguliere vrijwaringsprocedure moet de partij die moet vrijwaren het verschuldigde bedrag binnen twee dagen na betekening van het vonnis voldoen aan de gevrijwaarde partij. Delta biedt aan om de directeur van Delta te laten verklaren over de bedoelingen van partijen met betrekking tot de contractueel overeengekomen verplichting tot vrijwaring.5.27. Deze grief faalt. De termijn van vijf dagen vindt geen grondslag in de tussen Delta en Selecta gesloten overeenkomst(en). De vergelijking met de vrijwaringsprocedure (art. 210-216 Rv) gaat niet op. Het gaat hier om een contractuele verplichting tot vrijwaring; Selecta is niet betrokken in een door Rijkswaterstaat tegen Delta gestarte gerechtelijke procedure waarin schadevergoeding wordt gevorderd. Ten slotte kan ervan uitgegaan worden dat Delta voldoende uit de voeten kan met de door de rechtbank toegewezen vorderingen. Daarmee kan zij haar schade op Selecta verhalen, zo nodig in een volgende gerechtelijke procedure. In zoverre mist Delta dus belang bij de gevorderde verklaring voor recht.5.28. \n\nHet hof passeert het bewijsaanbod van Delta als niet ter zake dienend. Beslissend is wat in artikel 5e van de raamovereenkomst staat en hoe Selecta deze bepaling heeft mogen begrijpen. Delta heeft niet duidelijk gemaakt dat haar directeur iets kan verklaren dat tot een andere uitleg van artikel 5e kan leiden.\n\nConclusie en proceskosten5.29. De conclusie is dat noch het hoger beroep van Selecta, noch het hoger beroep van Delta slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal Selecta als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. Delta zal worden veroordeeld in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.5.30. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Delta in het principaal hoger beroep op:\n\ngriffierecht € 827,-\n\nsalaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II)\n\nnakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 2.306,-5.31. De proceskosten van Selecta in het incidenteel hoger beroep worden begroot op € 645,- aan salaris advocaat (1 punt × 0,5 × tarief II).5.32. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.6. Beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2024;\n\nveroordeelt Selecta in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep, aan de zijde van Delta tot op heden begroot op € 2.306, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Selecta deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;\n\nbepaalt dat als Selecta niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Selecta de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Selecta deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;\n\nveroordeelt Delta in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Selecta tot op heden begroot op € 645,-;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd;\n\nDit arrest is gewezen door mrs. K. Engel, D.A. Schreuder en F.J. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2023","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.376Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":52,"updatedAt":70},"1901","ECLI:NL:GHDHA:2026:942","ecli-nl-ghdha-2026-942","2026-05-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.342.473\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F09\u002F652830\u002FHA ZA 23-751\n\nArrest van 12 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\nwonend in [woonplaats],\n\nappellant,\n\nadvocaat: mr. I.N.A. Denninger, kantoorhoudend in Haarlem,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nkantoorhoudend in [kantoorplaats],\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. L.C. Dufour, kantoorhoudend in Amsterdam.\n\nHet hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde].\n\n1. De zaak in het kort1.1. \n [geïntimeerde] is advocaat. Hij heeft [appellant] bijgestaan in een procedure, waarin aan [appellant] een bedrag is toegewezen. Deze zaak gaat over de vraag of [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten door niet tijdig conservatoir en\u002Fof executoriaal beslag te leggen op vermogensbestanddelen van de wederpartij van [appellant]. Daarnaast is aan de orde of [appellant] facturen van [geïntimeerde] moet betalen. Volgens [appellant] is de prijsafspraak in de vorm van alleen een uurtarief niet transparant, is daarmee sprake van een oneerlijk beding en dient dit ertoe te leiden dat de betalingsverplichting van [appellant] geheel vervalt.1.2. Het hof komt tot het oordeel dat een kans om tijdig executoriaal beslag te laten leggen op een aantal in aanbouw zijnde woonboten door [geïntimeerde] ten onrechte niet is benut. Het staat echter nog niet vast dat deze woonboten in de relevante periode nog in of bij de werkplaats lagen. [appellant] krijgt de gelegenheid dit te bewijzen.1.3. Wat betreft de prijsafspraak komt het hof tot het oordeel dat deze voldoende transparant was. Ook is ten aanzien van de kosten voldaan aan de informatieplicht, omdat duidelijk is hoe de prijs moet worden berekend.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 23 mei 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 april 2024;\n\nde memorie van grieven van [appellant], met bijlage;\n\nde memorie van antwoord van [geïntimeerde], met bijlagen.2.2. Op 27 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.3. Feitelijke achtergrond3.1. \n [appellant] is consument. Hij heeft in 2019 via een obligatielening in totaal € l50.000 uitgeleend aan Houseboats Invest B.V. (hierna Houseboats) ten behoeve van de bouw van zogenoemde watervilla’s, een soort woonboten bestemd voor de verhuur (in de stukken ook wel aangeduid als houseboats). Houseboats vormde samen met andere partijen waaronder Youmanitas Projects C.V. (hierna: Youmanitas) een samenstel van entiteiten dat was gericht op het drijven van de onderneming die watervilla’s bouwt en verkoopt. Het hof zal deze groep ook aanduiden als de Houseboats groep. Youmanitas was de eigenaar van de (in aanbouw zijnde) watervilla’s. Stichting Youmanitas Energy Farms was de beherend vennoot van Youmanitas. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) was de uiteindelijk belanghebbende bij de bij het project betrokken juridische entiteiten.3.2. \n\nDe overeengekomen rentebedragen werden niet of niet op tijd aan [appellant] betaald. In april 2021 verleende [appellant] aan [geïntimeerde] de opdracht om als zijn advocaat de door [appellant] uitgeleende bedragen met rente en kosten op Houseboats te verhalen. In de door [geïntimeerde] opgestelde en door [appellant] ondertekende opdrachtbevestiging staat onder meer:\n\n“U heeft mij, [geïntimeerde], advocaat te Den Haag, (...), op 7-4-2021 de opdracht verstrekt om aan u juridische bijstand te verlenen ter zake: (...)(...)Algemene voorwaarden1. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] toepasselijk. De toepasselijke algemene voorwaarden zijn als bijlage aan deze opdrachtbevestiging gehecht.”3.3. \n\nIn de aangehechte algemene voorwaarden staat onder meer:\n\n“1. [geïntimeerde] jr is een eenmanszaak van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] jr neemt met zijn eenmanszaak deel aan de samenwerking met Deen Advocaten(...)15. Alle vorderingsrechten of andere bevoegdheden uit welke hoofd ook jegens Deen Advocaten vervallen in ieder geval één jaar na het moment waarop de opdrachtgever en of derden bekend werden of redelijkerwijs bekend konden zijn met het bestaan van deze rechten of bevoegdheden.(...)17. Niet alleen Deen Advocaten, maar ook alle personen die bij de uitvoering van enige opdracht van opdrachtgever zijn ingeschakeld, kunnen op deze algemene voorwaarden een beroep doen.”3.4. In mei 2021 heeft [geïntimeerde] namens [appellant] een verzoekschrift voor het leggen van conservatoir beslag ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Het verzoek strekte tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van Houseboats, Smit Holding B.V. en Youmanitas op drie bankrekeningen bij drie verschillende banken. De rechtbank Amsterdam liet op 20 mei 2021 weten dat de voorzieningenrechter niet bereid was verlof te verlenen, omdat de obligatieovereenkomst nog niet was ontbonden en omdat de onderbouwing van de groepsaansprakelijkheid onvoldoende was om ook Smit Holding B.V. en Youmanitas aansprakelijk te kunnen achten. De rechtbank Amsterdam deelde mee dat er een aangepast verzoekschrift kon worden ingediend. [geïntimeerde] heeft geen aangepast verzoekschrift ingediend.3.5. \n [geïntimeerde] heeft op 21 mei 2021 namens [appellant] een ontbindingsbrief naar Houseboats gestuurd. Op 7 juni 2021 heeft [geïntimeerde] namens [appellant] een (herhaalde) sommatie tot betaling aan Houseboats gestuurd en op diezelfde dag ook een dagvaarding betekend aan Houseboats, Youmanitas, Smit Holding B.V., Stichting Youmanitas Energy Farms en [betrokkene 1]. Namens alle gedaagden stelde zich een advocaat, die zich daarna weer heeft onttrokken. Op 24 november 2021 sprak de rechtbank een vonnis op tegenspraak uit waarin alle gedaagden hoofdelijk zijn veroordeeld tot terugbetaling aan [appellant] van het geleende bedrag, inclusief rente en (proces)kosten. Vanwege het ontbreken van verweer is het vonnis gemotiveerd als ware het een verstekvonnis.3.6. \n\nDit vonnis heeft [geïntimeerde] op 25 november 2021 doorgestuurd naar [appellant]. Naar aanleiding van het vonnis is er telefonisch contact geweest tussen [geïntimeerde] en [appellant]. Op 26 november 2021 heeft [geïntimeerde] de deurwaarder gemaild met het verzoek het vonnis ten uitvoer te leggen. De deurwaarder stuurde als reactie een verhaalsformulier. [geïntimeerde] heeft dit formulier ingevuld en onder vermelding van de veroordeelde partijen en samen met KvK-uittreksels van de Houseboats groep teruggestuurd. In het verhaalsformulier staat onder meer:\n\n“VERHAALSINFORMATIE SCHULDENAAR\u002FSCHULDENAREN(...)Overige verhaalsmogelijkheden: Er zouden een aantal watervilla’s door Houseboats Invest in aanbouw zijn. Het adres waar deze zich bevinden is nog niet bekend maar daar wordt aan gewerkt.”3.7. Een kopie van het formulier heeft [geïntimeerde] op 20 december 2021 naar [appellant] gestuurd. De deurwaarder heeft in opdracht van [geïntimeerde] het vonnis op 29 november 2021 betekend aan het huisadres van [betrokkene 1]. Tussen 1 december 2021 en 17 januari 2022 heeft de deurwaarder onder diverse banken en de belastingdienst beslag gelegd. De beslagen troffen geen doel.3.8. \n\nRond 16 februari 2022 is gebleken dat de watervilla’s lagen bij een zekere [betrokkene 2]. Op 16 februari 2022 heeft de deurwaarder onder [betrokkene 2] op de watervilla’s executoriaal beslag gelegd ten laste van alle in het vonnis veroordeelde partijen. Op 1 maart 2022 werd Youmanitas failliet verklaard. Daarmee vervielen alle ten laste Youmanitas gelegde beslagen. De deurwaarder heeft op 7 maart 2022 opnieuw beslag gelegd bij één van de banken ten laste van de overige in het vonnis van 24 november 2021 hoofdelijk veroordeelde partijen. Ook dit beslag trof geen doel. Op 9 maart 2022 berichtte de deurwaarder aan [geïntimeerde] dat verdere executie zinloos leek. In het bericht stond:\n\n“Ik adviseer u het faillisement aan te vragen diverse ebslagen geen effect. Ik ben diverse weekenden op zoek naar de boten geweest. De boten zouden in pandrecht toebehoren aan de aan [betrokkene 1] gelieerde failliete B.V.”3.9. Uit het faillissementsverslag van de curator van Youmanitas van 17 januari 2023 volgt dat de curator de watervilla’s heeft verkocht aan een derde voor een bedrag van € 50.000.3.10. \n [geïntimeerde] heeft [appellant] op 9 januari 2023 verzocht om de deurwaarderskosten van € 4.320,48 te betalen. Op 16 februari 2023 stuurde hij een betalingsherinnering. Diezelfde dag heeft Oomen, de inmiddels nieuwe advocaat van [appellant], aan [geïntimeerde] vragen gesteld over het dossier van [appellant]. [geïntimeerde] heeft deze vragen beantwoord. Op 14 april 2023 heeft Oomen namens [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor door [appellant] gestelde beroepsfouten. [geïntimeerde] heeft op 26 april 2023 op deze aansprakelijkstelling gereageerd en aansprakelijkheid van de hand gewezen. Op 14 augustus 2023 is de dagvaarding betekend. Daarna heeft [geïntimeerde] op 9 oktober 2023 een factuur van € 3.847,80 voor zijn werkzaamheden van april 2021 tot en met april 2023 naar [appellant] gestuurd.4. Procedure bij de rechtbank4.1. \n [appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd (na vermindering van eis) dat de rechtbank (i) [geïntimeerde] veroordeelt om aan [appellant] te betalen al hetgeen [appellant] in geld te vorderen heeft uit hoofde van het vonnis van 24 november 2021 (tussen [appellant] en de Houseboats groep) en (ii) voor recht verklaart dat [geïntimeerde] niets meer te vorderen heeft van [appellant] in verband met de gelegde bankbeslagen en het beslag onder de belastingdienst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.4.2. \n [appellant] legde samengevat aan zijn vordering ten grondslag dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld, door niet de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Bij adequaat handelen van [geïntimeerde] zou op de drie watervilla’s (1) conservatoir beslag zijn gelegd of in elk geval (2) executoriaal beslag gelegd zijn vóór 17 december 2021, de datum waarop de eerste watervilla werd getransporteerd vanuit Havelte. Ook zou hij (3) [appellant] dan de kans hebben gegeven om de onzekerheid die [geïntimeerde] stelde te hebben over de situering van de watervilla’s weg te nemen, zodat hij per direct de deurwaarder alsnog correct had kunnen instrueren. In alle drie de gevallen zou tijdig beslag zijn gelegd op de watervilla’s en zouden deze zonder verdere discussies executoriaal verkocht zijn ruim vóór het faillissement van Youmanitas in maart 2022. Nu dit niet is gebeurd, heeft [appellant] schade geleden: in totaal zou de opbrengst van de watervilla’s na tijdige beslaglegging en veiling zonder meer genoeg zijn geweest om de volledige vordering uit hoofde van het vonnis van 24 november 2021 te verhalen, aldus [appellant]. Hoe dan ook is sprake van een gemiste kans om verhaal op de watervilla’s te nemen, zodat [appellant] in ieder geval recht heeft op een kansschadevergoeding.4.3. \n [geïntimeerde] voerde gemotiveerd verweer en vorderde in reconventie betaling van de door hem voor [appellant] betaalde deurwaarderskosten ten bedrage van € 4.320,48, en een bedrag van € 8.168,28 aan openstaande declaraties. [geïntimeerde] legde aan die vordering ten grondslag dat dit kosten zijn voor verrichtingen waarvoor [appellant] opdracht heeft gegeven.4.4. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen en in reconventie [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 7.130,62 met de wettelijke rente over dat bedrag berekend met ingang van drie dagen na betekening van het vonnis, en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.4.5. De rechtbank kwam kort samengevat op de volgende gronden tot dit oordeel.4.5.1. \n [geïntimeerde] is niet tekortgeschoten door geen conservatoir beslag te leggen. Volgens [geïntimeerde] heeft hij met [appellant] de keuze besproken om af te zien van het conservatoir beslag en de daarmee samenhangende strategische overwegingen, waarna is besloten het conservatoire beslag niet door te zetten. Deze gang van zaken is door [appellant] onvoldoende weersproken.4.5.2. Het verwijt dat [geïntimeerde] niet voor 17 december 2021 executoriaal beslag heeft laten leggen op de watervilla’s wordt door de rechtbank verworpen. [appellant] heeft onvoldoende betwist dat de focus nietlag op het verhaal van de vordering op de watervilla’s, maar op verhaal op de ingelegde gelden. Ook heeft [appellant] onvoldoende betwist dat hij op de hoogte was van de bankbeslagen. [appellant] had [geïntimeerde] erop moeten wijzen dat dit niet de bedoeling was. Daarvan is niets gebleken. [appellant] heeft verder onvoldoende betwist dat er tussen 24 november 2021 en 20 december 2021 veelvuldig telefonisch contact is geweest tussen [geïntimeerde] en [appellant] en dat het leggen van bankbeslagen in overleg met [appellant] is gedaan. Het is bovendien niet komen vast te staan dat de watervilla’s tot 17 december 2021 daadwerkelijk in Havelte waren en dat [geïntimeerde] dat wist.4.5.3. De deurwaarderskosten en de facturen van [geïntimeerde] voor zover betrekking hebbend op handelingen verricht voor de sluiting van het dossier op 17 februari 2023 komen voor vergoeding in aanmerking, in totaal een bedrag van € 7.130,62.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. \n [appellant] vordert in hoger beroep dat het hof zijn vordering alsnog toewijst en de vordering in reconventie van [geïntimeerde] alsnog afwijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de eerste aanleg en de kosten van het hoger beroep.5.2. \n [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.6. Beoordeling in hoger beroepHet beroep van [geïntimeerde] op het in de algemene voorwaarden opgenomen vervalbeding wordt verworpen6.1. \n\n [geïntimeerde] deed in eerste aanleg een beroep op de in artikel 15 van de toepasselijke algemene voorwaarden opgenomen vervaltermijn van één jaar. Artikel 15 luidt als volgt:\n\n“Alle vorderingsrechten of andere bevoegdheden uit welke hoofd ook jegens Deen Advocaten vervallen in ieder geval één jaar na het moment waarop de opdrachtgever en of derden bekend werden of redelijkerwijs bekend konden zijn met het bestaan van deze rechten of bevoegdheden”6.2. \n\nIn artikel 17 van de algemene voorwaarden staat:\n\n“Niet alleen Deen Advocaten, maar ook alle personen die bij de uitvoering van enige opdracht van een opdrachtgever zijn ingeschakeld, kunnen op deze algemene voorwaarden een beroep doen.”6.3. De rechtbank oordeelde op dit punt, dat [geïntimeerde] zich op deze voorwaarden kan beroepen, ook al vermelden deze voorwaarden Deen advocaten. Uit artikel 1 van de algemene voorwaarden blijkt namelijk dat [geïntimeerde] deelneemt aan de samenwerking met Deen advocaten en artikel 17 van die voorwaarden brengt mee dat [geïntimeerde] zich kan beroepen op de vervaltermijn van artikel 15. De rechtbank heeft vervolgens echter in het midden gelaten of het vervalbeding onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar is, omdat zij oordeelde dat de vorderingen van [appellant] op inhoudelijke gronden niet toewijsbaar zijn.6.4. Omdat een van de grieven van [appellant] slaagt (zie hierna), brengt de devolutieve werking van het appel mee dat door de geïntimeerde in eerste aanleg gevoerde verweren die toen zijn verworpen of niet behandeld, alsnog aan de orde moeten komen. Het beroep op het vervalbeding is het verweer van de verste strekking: als dat slaagt, zijn de vorderingen van [appellant] vervallen. Het hof zal dit verweer daarom als eerste behandelen. Daarbij moet het hof ook de stellingen betrekken die [appellant] in eerste aanleg op dit punt heeft ingenomen. [geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat [appellant] grieven had moeten aanvoeren tegen het oordeel dat de voorwaarden van toepassing zijn en ook in hoger beroep opnieuw aan de orde had moeten stellen dat de desbetreffende voorwaarden vernietigbaar zijn. Dat is niet juist. Het vonnis van de eerste aanleg heeft gezag van gewijsde voor zover het gaat om overwegingen waartegen niet is gegriefd, maar uitsluitend voor zover het dictum op die overwegingen steunt. Omdat het dictum in dit geval nu juist niet steunt op de overwegingen van de rechtbank over de algemene voorwaarden, behoefde [appellant] tegen deze overwegingen geen grieven te richten (vgl. HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1779).6.5. Het hof verenigt zich wat betreft de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden op de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] met de overwegingen van de rechtbank (rov. 4.3) en maakt deze tot de zijne. [appellant] heeft in hoger beroep niet nader toegelicht dat en waarom de voorwaarden niet van toepassing zouden zijn op de overeenkomst tussen hem en [geïntimeerde].6.6. \n [appellant] heeft wel aangevoerd dat het vervalbeding onredelijk bezwarend dan wel oneerlijk is. [appellant] is consument en beroept zich op de vernietigbaarheid van het beding, primair met een beroep op art. 6:236 onder g BW (zwarte lijst), subsidiair op art. 6:237 onder h BW (grijze lijst) en meer subsidiair op de algemene norm ex art. 6:233 onder a BW. Het al na een jaar laten vervallen van een claim verstoort volgens [appellant] ernstig het contractuele evenwicht, zeker gelet op het feit dat mr. [geïntimeerde] verzekerd is (en ook moet zijn) voor dergelijke claims. Namens [geïntimeerde] is hiertegen in gebracht dat het voor beroepsbeoefenaren van belang is om na afronding van hun werkzaamheden in een bepaalde kwestie niet nog lange tijd later met claims te worden geconfronteerd. Als redenen daarvoor noemt hij: dossiers en mailboxen worden geschoond en (extern) gearchiveerd, de herinneringen aan een zaak worden minder scherp, advocaten stappen over naar een andere verzekeraar met mogelijke in- en uitloopdiscussies tot gevolg en collega's met wie is samengewerkt aan een zaak stappen over en raken zo uit beeld.6.7. Het hof oordeelt als volgt. Bedingen in algemene voorwaarden die een wettelijke verjarings- of vervaltermijn waarbinnen de wederpartij enig recht moet geldend maken, verkorten tot een verjarings- onderscheidenlijk vervaltermijn van minder dan een jaar, staan op de zogenoemde zwarte lijst onder artikel 6:236 sub g BW. In dit geval gaat het echter om een vervaltermijn van een jaar, dus dit artikel is niet van toepassing. Uit jurisprudentie volgt dat bedingen die een wettelijke vervaltermijn verkorten tot een vervaltermijn van één jaar of meer, niet vallen onder artikel 6:236 sub g noch onder artikel 6:237 sub h BW, en wat hun inhoud betreft alleen getoetst kunnen worden aan de open norm van art. 6:233 sub a BW. Alle andere contractuele vervalbedingen, waaronder vervalbedingen die de factoeen wettelijke verjaringstermijn vervangen, vallen onder art. 6:237 onder h BW (vgl. HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:531, JOR 2020, 192 mt.nt. Spanjaard, en de in die noot genoemde vindplaatsen). Voorts volgt uit de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1698) van art. 6:237 BW dat bedingen die betrekking hebben op gevallen waarin de wet het verval van rechten aan een door een partij binnen een “binnen bekwame tijd” te verrichten handeling verbindt, zoals artikel 6:89 BW, óók worden bestreken door art. 6:236 onder h BW.6.8. Naar het oordeel van het hof vervangt het contractuele vervalbeding uit artikel 15 van de algemene voorwaarden de klachttermijn van artikel 6:89 BW. Ingevolge de parlementaire geschiedenis valt het beding daarmee onder art. 6:236 onder h BW. Het hof merkt op dat ook wanneer het vervalbeding niet geacht moet worden de klachttermijn van artikel 6:89 BW te vervangen omdat in het vervalbeding niet wordt gesproken van een klachtplicht, het beding wordt bestreken door artikel 6:237 onder h BW. In dat geval vervangt het contractuele vervalbeding immers (feitelijk) de wettelijke verjaringstermijn.6.9. Naar het oordeel van het hof valt het beding gezien het voorgaande hoe dan ook onder artikel 6:237 sub h BW en wordt het dus vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Dit brengt mee dat [geïntimeerde] omstandigheden naar voren moet brengen die maken dat het vervalbeding (toch) niet onredelijk bezwarend is. [geïntimeerde] heeft hierover aangevoerd dat hij er belang bij heeft om niet met late claims te worden geconfronteerd omdat informatie over de zaak na verloop van een jaar verloren kan zijn gegaan. Het hof vindt dit argument onvoldoende om het beding niet onredelijk bezwarend te achten.6.10. Van een advocaat mag immers worden verwacht dat hij op een zorgvuldige wijze dossier houdt en vastlegt welke afspraken met een cliënt zijn gemaakt en welke procesbeslissingen op welke gronden zijn genomen. Belangrijke afspraken dienen bij voorkeur schriftelijk aan de cliënt te worden bevestigd, en in ieder geval te worden neergelegd in een telefoonnotitie. Dat een dossier binnen een jaar al zou kunnen zijn geschoond, zoals [geïntimeerde] suggereert, sluit niet aan bij de op een advocaat rustende bewaarplicht van dossiers gedurende vijf jaar (vergelijk artikel 7:412 BW). Tegenover het belang van [geïntimeerde] om niet met late claims te worden geconfronteerd staat bovendien het belang van een cliënt als [appellant], die heeft vertrouwd op de juridische juistheid van de door zijn advocaat verstrekte adviezen. De onbekendheid van [appellant] met de materie was immers de reden dat hij een advocaat in de arm nam. Daarmee verhoudt zich niet een vervaltermijn van slechts een jaar in het geval van een beroepsfout. Van een consument als [appellant] (voormalig vrachtwagenchauffeur) kan ook niet worden verwacht dat hij bedacht is op de consequenties van een vervalbeding als het onderhavige.6.11. Ten overvloede overweegt het hof dat het verval van recht in artikel 15 van de algemene voorwaarden niet is gekoppeld aan enig nalaten van de cliënt. Bij letterlijke lezing vervalt de vordering na een jaar, ook als binnen dat jaar is geklaagd of zelfs een vordering aanhangig is gemaakt. Een dergelijk beding vormt een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en plichten van de gebruiker ([geïntimeerde]) en de wederpartij die consument is ([appellant]).6.12. \n\nDe slotsom is dat het vervalbeding in artikel 15 van de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is en dat [geïntimeerde] daarom geen beroep op dat artikel toekomt. Het hof hoeft daarom niet te beoordelen wanneer de in artikel 15 van de algemene voorwaarden neergelegde vervaltermijn in dit geval is gaan lopen.\n\nHet beroep van [geïntimeerde] op de klachtplicht slaagt niet6.13. \n [geïntimeerde] heeft ook een beroep gedaan op de klachtplicht van artikel 6:89 BW. Volgens [geïntimeerde] is namens [appellant] op 16 februari 2023 voor het eerst een brief aan hem gestuurd met klachten; dat is bijna anderhalf jaar na het vonnis van de rechtbank van 21 november 2021 in de zaak tegen Youmanitas c.s. en bijna een jaar na het faillissement van Youmanitas op 1 maart 2022. [geïntimeerde] is, zo stelt hij, door deze late klacht in zijn belangen geschaad. Door de overstap naar een andere softwareleverancier in mei 2022 zijn een deel van de e-mails van voor die tijd verloren gegaan. Ook registraties van (telefoon)notities zijn hierdoor verloren gegaan. Daarnaast is er WhatsApp belgeschiedenis verdwenen. Ten slotte was er, als [appellant] eerder had geklaagd, wellicht nog een mogelijkheid geweest om het vonnis van 21 november 2021 tegen de andere veroordeelden ten uitvoer te leggen.6.14. De ratio van artikel 6:89 BW is bescherming van de schuldenaar tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten. De lengte van de termijn die beschikbaar is voor het te verrichten onderzoek is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang zijn de aard en waarneembaarheid van het gebrek, de wijze waarop dit aan het licht treedt, en de deskundigheid van de schuldeiser. Bij dit alles is in belangrijke mate mede bepalend of de belangen van de schuldenaar zijn geschaad, en zo ja, in hoeverre. Als die belangen niet zijn geschaad, zal er niet spoedig voldoende reden zijn de schuldeiser een gebrek aan voortvarendheid te verwijten.6.15. Aan de hand van deze maatstaven komt het hof tot het oordeel dat de klacht van [appellant] niet te laat was. Het hof verwijst naar de overwegingen hierboven over het beroep van [geïntimeerde] op de vervaltermijn. [geïntimeerde] heeft onvoldoende toegelicht dat hij door het tijdstip van de klacht in zijn belangen is geschaad. Het ligt op de weg van een advocaat om zodanig dossier te houden dat hij ook na (ruim) een jaar kan nagaan welke adviezen zijn gegeven en wat daaraan ten grondslag lag. Daaraan voegt het hof toe, dat een probleem met software of het overschrijven van belgeschiedenis in de risicosfeer van [geïntimeerde] ligt, en niet in die van [appellant]. Verder geldt dat [appellant] mag afgaan op de juistheid van de door [geïntimeerde] gegeven juridische adviezen en ligt het voor de hand dat hij niet meteen kon doorzien of [geïntimeerde] een fout had gemaakt.6.16. \n\nHet argument dat er, als [appellant] eerder had geklaagd, wellicht nog een mogelijkheid was geweest om het vonnis tegen de andere veroordeelden ten uitvoer te leggen maakt het voorgaande niet anders. [geïntimeerde] doet geen beroep op feitelijke omstandigheden die het bestaan van een alternatieve verhaalmogelijkheid aannemelijk maken. Ook legt [geïntimeerde] niet uit waarom na het vonnis, toen hij nog optrad voor [appellant], niet is geprobeerd van deze alternatieve verhaalmogelijkheden gebruik te maken.\n\n [geïntimeerde] had na het vonnis executoriaal beslag moeten laten leggen in Havelte6.17. De grieven II t\u002Fm IV gaan over de vraag of [geïntimeerde] een beroepsfout heeft gemaakt. Concreet verwijt [appellant] [geïntimeerde] dat hij geen conservatoir beslag heeft laten leggen op de watervilla’s en dat hij, toen het vonnis was verkregen, niet aan de deurwaarder opdracht heeft gegeven om executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s. Volgens [appellant] lagen de watervilla’s tot in ieder geval 17 en 18 december 2021 in Havelte en was dat ook bij [geïntimeerde] bekend, althans had dat moeten zijn.6.18. Het hof sluit zich aan bij het door de rechtbank in haar vonnis van 10 april 2024 in rov. 4.5 weergegeven toetsingskader: [geïntimeerde] moet als advocaat de zorgvuldigheid betrachten die van een redelijk handelend, redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht. [appellant] heeft (in de toelichting op grief 1) opgemerkt dat onvoldoende rekening is gehouden met de gedragsregels, die kleuring geven aan het toetsingskader. In het bijzonder wijst [appellant] op de informatieplicht van de advocaat (gedragsregel 16) en de plicht van de advocaat om bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken te maken over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten en de wijze van declareren. Het hof zal ingaan op de informatieplicht en de plicht duidelijke afspraken te maken voor zover dat voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] relevant is.6.19. Grief II heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] geen beroepsfout heeft gemaakt door geen conservatoir beslag te leggen op de watervilla’s.6.20. Deze grief slaagt niet. Van belang is dat niet de contractuele wederpartij van [appellant], Houseboats, de eigenaar van de watervilla’s was, maar Youmanitas. [geïntimeerde] heeft in mei 2021 een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag ingediend bij de rechtbank. Dat verlof is echter niet gegeven zoals volgt uit een e-mail van de rechtbank van 20 mei 2021. Daarin staat onder meer dat de groepsaansprakelijkheid in het voorliggende verzoekschrift onvoldoende is onderbouwd. [appellant] heeft in zijn grief niet toegelicht, dat de aansprakelijkheid van Youmanitas voor de vordering die [appellant] had op Houseboats op dat moment zodanig onderbouwd kon worden dat het verlof zou zijn gegeven. Dit volgt ook niet uit het vonnis in de bodemprocedure: dat vonnis is, hoewel op tegenspraak gewezen, feitelijk een verstekvonnis en zonder nadere toelichting valt ook niet zonder meer in te zien dat inderdaad sprake was van groepsaansprakelijkheid.6.21. Het was uitgaande van de stand van zaken op dat moment daarom een goed verdedigbare keuze om eerst in te zetten op de bodemprocedure, en het conservatoire beslag niet door te zetten. Uit de eigen stellingen van [appellant] (hij had zijn hele vermogen in het project gestoken) volgt immers dat zijn financiële middelen om aan de procedure te besteden beperkt waren, zodat keuzes gemaakt moesten worden. Hoewel [geïntimeerde] deze keuze(s) onvoldoende heeft vastgelegd – hij heeft geen telefoonnotities, e-mails of brieven overgelegd waaruit blijkt dat en hoe hij deze keuze met [appellant] heeft besproken – is het ook gelet op de stand van zaken op dat moment waarbij er procesrechtelijke keuzes moesten worden gemaakt, onvoldoende aannemelijk dat [appellant] erop had aangedrongen dat het conservatoire beslag zou zijn voortgezet.6.22. Dat ligt anders met betrekking tot het executoriale beslag. Toen met het toewijzende vonnis van 24 november 2021 een titel was verkregen, ook tegen Youmanitas als eigenaar van de watervilla’s, was snel handelen vereist. De omstandigheid dat geen rentebetalingen meer werden gedaan, vormde immers een belangrijke aanwijzing dat de Houseboats groep haar verplichtingen niet meer kon nakomen. Ook het feit dat in de bodemprocedure geen verweer werd gevoerd, wees daarop. Dit maakt het ook onaannemelijk dat er enig positief saldo zou zijn op bekende bankrekeningen van de Houseboats groep. Het lag daarom voor de hand om met het toewijzende vonnis van 24 november 2021 in ieder geval te proberen executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s en niet alleen op de bankrekeningen.6.23. \n\nDat de watervilla’s de meest voor de hand liggende mogelijkheid waren om (een deel van) het toegewezen bedrag te executeren volgt ook uit de brief van [geïntimeerde] die hij schreef aan mr. Oomen op 13 maart 2023, naar aanleiding van vragen die mr. Oomen stelde namens [appellant]. [geïntimeerde] schreef:\n\n“Toen de heer [appellant] bij mij kwam was House Boats Invest al lang en breed gestopt met het nakomen van haar (financiële) verplichtingen. Bovendien bereikte ons via verscheidene kanalen het bericht dat House Boats Invest geen liquide middelen meer had. Vanaf het begin van de zaak leek mij de enige reële manier voor de heer [appellant] om zijn schade te verhalen een beslag op eventueel nog aanwezige houseboats. Dit heb ik de heer [appellant] vaak uitgelegd. Destijds echter, kon niemand mij vertellen of deze houseboats nog bestonden, of zij werkelijk eigendom waren van House Boats Invest B.V. en waar zij zich dan wel bevonden.”6.24. \n [geïntimeerde] heeft hierover gesteld, dat hij de brief van 13 maart 2023 schreef terwijl hij de feiten uit het dossier niet helder voor ogen had. Het hof gaat daaraan voorbij. [geïntimeerde] licht onvoldoende toe welke feiten hij onvoldoende voor ogen had. De brief van 13 maart 2023 sluit juist goed aan bij de in deze zaak vaststaande feiten.6.25. \n [geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat hij ten tijde van het toewijzende vonnis van 24 november 2021 niet wist waar de watervilla’s waren en dat [appellant] hem dat ook niet kon vertellen. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de watervilla’s aanvankelijk werden gebouwd op het adres [adres]. [geïntimeerde] betwist ook niet dat dit adres hem bekend was. Dat de watervilla’s ten tijde van het toewijzende vonnis van 24 november 2021 daar al waren weggehaald, volgt niet uit hetgeen [geïntimeerde] daarover heeft aangevoerd. [geïntimeerde] verwijst naar een nieuwbrief van Houseboats van 5 juli 2021, waarin staat dat productiefaciliteit te Havelte is verkocht en dat de nieuwe pandeigenaar deze faciliteit op termijn zelf wil gaan gebruiken. In de nieuwsbrief staat echter niet per wanneer dat zal zijn. Ook overigens heeft [geïntimeerde] geen feiten gesteld waaruit onomstotelijk volgt dat de watervilla’s vóór 24 november 2021 waren weggehaald in Havelte.6.26. Ten tijde van het vonnis van 24 november 2021 was het adres in Havelte de bij de Kamer van Koophandel geregistreerde vestigingsplaats van Houseboats. Dat vonnis had dus door de deurwaarder daar betekend kunnen worden, in plaats van aan het woonadres van bestuurder [betrokkene 1]. Dan had – zonder (veel) extra kosten te maken, omdat het vonnis hoe dan ook betekend moest worden – door de deurwaarder kunnen worden onderzocht of de watervilla’s daar nog lagen. Dat het te duur was om de deurwaarder naar de watervilla’s te laten zoeken, volgt het hof dus niet. [geïntimeerde] heeft bovendien de deurwaarder op een gegeven moment kennelijk wel degelijk opdracht gegeven om naar de watervilla’s te zoeken, hetgeen de deurwaarder, zo volgt uit diens e-mail van 10 januari 2022, kort voor die datum heeft gedaan. Daar heeft de deurwaarder ook kosten voor in rekening gebracht, die [geïntimeerde] wil doorbelasten aan [appellant]. [geïntimeerde] heeft onvoldoende toegelicht wanneer deze opdracht (in overleg met [appellant]) aan de deurwaarder is gegeven en waarom dat niet meteen na het verkrijgen van het vonnis is gedaan.6.27. Het standpunt van [geïntimeerde] dat hij geen beslag kon laten leggen op de watervilla’s omdat hij niet kon weten waar de watervilla’s lagen, wordt gezien het voorgaande verworpen. Er was wel degelijk reden om aan te nemen dat de watervilla’s kort na het verkrijgen van het veroordelend vonnis nog in Havelte lagen. Er was bovendien een makkelijke manier (het laten betekenen van het vonnis aldaar) om daar achter te komen. Dat [appellant] (in deze executoriale fase) alleen beslag wilde leggen op bankrekeningen en niet op de watervilla’s, zoals [geïntimeerde] stelt, wordt door [appellant] betwist. Deze stelling van [geïntimeerde] is ook niet aannemelijk gezien het doel van [appellant] om – in ieder geval een deel – van het door hem uitgeleende geld terug te krijgen. Het is daarbij voor [appellant] niet relevant of dit gebeurt door een beslag op de watervilla’s en een daarop volgende executoriale verkoop daarvan, of door een beslag op een bankrekening. Voor zover [appellant] zou hebben gedacht dat een beslag op de watervilla’s ertoe zou leiden dat hij zelf eigenaar van de watervilla’s zou worden, heeft [geïntimeerde] hem hierover kennelijk onvoldoende voorgelicht. Er is bovendien geen enkele vastlegging in het dossier waaruit volgt dat hierover overleg met [appellant] heeft plaatsgevonden, zoals telefoonnotities of e-mails. De verhaalsinformatie waaruit blijkt dat alleen executoriaal beslag is gelegd onder banken, heeft [appellant] pas op 20 december 2021 gekregen.6.28. De conclusie uit het voorgaande is dus dat een redelijk bekwaam, redelijk handelend advocaat ervoor had gezorgd dat in de eerste weken na het toewijzend vonnis van 24 november 2021 met bekwame spoed een poging werd gedaan om executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s. Als dat was gelukt, moet er van uit gegaan worden dat – anders dan in de huidige situatie – de watervilla’s executoriaal verkocht hadden kunnen worden nog voor het faillissement van Youmanitas op 1 maart 2022. In zoverre slagen de grieven II t\u002Fm IV.6.29. Voor het oordeel dat [appellant] door het nalaten van [geïntimeerde] schade heeft geleden, moet wel vaststaan dat de watervilla’s in die eerste weken na het vonnis daadwerkelijk nog in Havelte lagen. De bewijslast rust volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op [appellant], die zich beroept op de rechtsgevolgen van deze stelling. Zoals gezegd zijn er geen sluitende aanwijzingen dat de watervilla’s op of rond 24 november 2021 niet meer in Havelte waren. Tussen partijen is niet in geschil dat de watervilla’s rond 16 februari 2022 zijn opgedoken bij een zekere [betrokkene 2]. Het staat echter ook nog niet vast dat de villa’s tot die tijd in Havelte zijn gebleven. [appellant] heeft een e-mail van [betrokkene 2] aan een kantoorgenoot van Oomen overgelegd, waarin [betrokkene 2] verklaart dat het transport van de watervilla’s plaatsvond op 17 en 18 december 2021. Uit dat mailbericht blijkt echter niet waar de watervilla’s toen vandaan kwamen. [appellant] heeft te bewijzen aangeboden dat de watervilla’s tot 17 of 18 december 2021 in Havelte waren, in of buiten de werkplaats aan de Oeveraseweg en zal worden toegelaten tot het leveren van dit bewijs.6.30. Als [appellant] slaagt in dit bewijs, zal nog moeten worden vastgesteld wat de omvang van de schade is die [appellant] heeft geleden doordat geen executoriaal beslag is gelegd. Dat bedrag moet in dat geval worden vastgesteld door een schatting van de opbrengst van de executieverkoop verminderd met de aan die verkoop verbonden deurwaarderskosten. Vooruitlopend op de beoordeling hiervan merkt het hof op dat als uitgangspunt bij de vaststelling daarvan kan dienen het bedrag waarvoor de curator de watervilla’s heeft verkocht, zijnde € 50.000,-. Bij de huidige stand van zaken heeft [appellant] onvoldoende toegelicht dat de watervilla’s bij een executoriale verkoop meer zouden hebben opgebracht. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat de waarde van de watervilla’s substantieel was, onder verwijzing naar een in opdracht van Youmanitas opgemaakt taxatierapport, maar dat verhoudt zich niet tot de beperkte opbrengst bij verkoop door de curator. Dat de waarde ten tijde van die verkoop door de curator aanzienlijk zou zijn teruggelopen door beschadigingen of juridische onduidelijkheid over het eigenaarschap van de watervilla’s, acht het hof onvoldoende toegelicht. Daarbij komt nog dat een executoriale verkoop door een deurwaarder een (aanzienlijk) drukkend effect heeft op de opbrengst. [geïntimeerde] heeft op zijn beurt onvoldoende toegelicht dat de opbrengst, bij verkoop door een deurwaarder, lager zou zijn geweest dan de door de curator gerealiseerde opbrengst.6.31. In het geval [appellant] slaagt in het bewijs zal het hof, in het kader van het vaststellen van de schade, nog moeten ingaan op het beroep op eigen schuld dat [geïntimeerde] heeft gedaan. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] de schade aan zichzelf te wijten, doordat hij een zeer ondoordachte investeringsbeslissing heeft genomen. Die stelling slaagt niet. Dat sprake was van een ondoordachte investeringsbeslissing is juist, maar daar gaat deze zaak niet over. In deze zaak is die beslissing een gegeven en gaat het er om of [geïntimeerde] een beroepsfout heeft gemaakt die ertoe heeft geleid dat [appellant] de schade die van die beslissing het gevolg is niet (gedeeltelijk) op de Houseboats groep heeft kunnen verhalen.6.32. \n\n [geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat de schade het gevolg is van aan [appellant] toerekenbare omstandigheden, doordat [appellant] na het beëindigen van de relatie met [geïntimeerde] onvoldoende moeite heeft gedaan om het toewijzend vonnis van 24 november 2021 te verhalen op de andere veroordeelden, waaronder bestuurder [betrokkene 1]. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van dit verweer rusten op [geïntimeerde]. Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd dat sprake was van reële verhaalsmogelijkheden bij de veroordeelden op andere vermogensbestanddelen dan de watervilla’s. Als [appellant] slaagt in het hem opgedragen bewijs zal bij het vaststellen van de schade dus geen rekening worden gehouden met deze door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheden.\n\nDe declaraties van [geïntimeerde]6.33. Met grief V komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de reconventionele vordering van [geïntimeerde] – na enkele correcties – kon worden toegewezen. Volgens [appellant] dient de rechter – desnoods ambtshalve – de (on)eerlijkheid van een prijsbeding te beoordelen (artikel 3 lid 1 van de richtlijn oneerlijke bedingen) en in dat kader (eerst) of het beding voldoende transparant is, omdat de prijs een kernbeding betreft (artikel 4 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen). [appellant] verwijst daarbij naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna HvJEU) (HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14). Volgens [appellant] is het tussen hem en [geïntimeerde] afgesproken prijsbeding (een uurtarief) onvoldoende transparant. Weliswaar heeft [appellant] afgesproken dat maandelijks werd gefactureerd, maar dat heeft [geïntimeerde] niet gedaan. [appellant] had geen zicht op de tijdsbesteding door [geïntimeerde] en deze heeft [appellant] ook nooit geïnformeerd dat de kosten van de zaak konden oplopen tot meer dan € 9.500,-, aldus [appellant]. Het beding is volgens [appellant] ook oneerlijk, zodat het prijsbeding vernietigd moet worden. Dit brengt mee dat alle bedragen die [appellant] aan [geïntimeerde] heeft voldaan moet terugbetalen, aldus nog steeds [appellant].6.34. \n [geïntimeerde] betwist dat sprake is van een oneerlijk beding. [appellant] wist voldoende van procedures en de daarbij horende kosten en werd daarover ook door derden geadviseerd. Het verwijt van [appellant] dat [geïntimeerde] hem tussentijds geen declaraties heeft gestuurd is volgens [geïntimeerde] ongepast, omdat dit de afspraak was. Tijdens de zitting heeft [geïntimeerde] hierover opgemerkt dat het er gewoon niet van gekomen was. [geïntimeerde] beroept zich verder op artikel 10 van de algemene voorwaarden, waarin staat dat klachten over facturen binnen 30 dagen na de dagtekening van de factuur schriftelijk moeten worden ingediend. Dat heeft [appellant] niet gedaan. Artikel 11 bepaalt verder dat kosten van derden, zoals deurwaarders, voor rekening komen van de opdrachtgever, aldus [geïntimeerde].6.35. \n\nHet hof overweegt als volgt. In de opdrachtbevestiging van [geïntimeerde] staat over de financiële afspraken onder meer het volgende:\n\n2. Het standaard honorarium bedraagt € 150,— per uur, exclusief omzetbelasting en exclusief belaste en onbelaste verschotten. Verschotten zijn de voor u door mij gedane uitgaven, zoals griffierecht, deurwaarderskosten, reis- en verblijfkosten en bureaukosten (porti, telefoon, telefax, fotokopieën en dergelijke). De bureaukosten bedragen 3% van het geldende uurtarief.3. In dit geval komen wij overeen een vast tarief van €150,- exclusief omzetbelasting en exclusief belaste en onbelaste verschotten tot een maximum van 10 declarabele uren en exclusief4. griffierechten. Indien ik meer dan 10 uur aan uw zaak dien te besteden breng ik u mijn standaard uurtarief als hiervoor genoemd onder punt 2 in rekening.5. [geïntimeerde] is gerechtigd opdrachtgever een voorschot in rekening te brengen. Het betaalde voorschot zal worden verrekend met de eerste declaratie.6. U ontvangt van mij per maand een declaratie voor dc door mij verrichte werkzaamheden inclusief de door mij voor u gedane uitgaven.7. De declaraties dienen door u binnen 14 dagen te zijn voldaan, zonder aftrek, korting of verrekening.6.36. Tussen partijen staat verder vast dat [geïntimeerde] bij aanvang van de werkzaamheden een voorschot van € 1.500,- in rekening heeft gebracht. Tussentijds heeft hij verder geen declaraties verzonden. Op 9 oktober 2023 heeft hij een declaratie gezonden voor de werkzaamheden over de periode april 2021 tot en met april 2023.6.37. Artikel 10 van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde], waarin staat dat klachten over facturen binnen 30 dagen na dagtekening daarvan kenbaar moeten worden gemaakt, staat er niet aan in de weg dat het hof (zo nodig ambtshalve) toetst of sprake is van oneerlijk beding. Een ander oordeel zou op onaanvaardbare wijze de werking van het Europese consumentenrecht doorkruisen. Het gaat hier ook niet om een klacht over de inhoud van de factuur als zodanig, maar om het toetsen van de bepalingen van de overeenkomst die ten grondslag liggen aan de factuur.6.38. Het afgesproken uurtarief is een kernbeding. Kernbedingen waarover niet is onderhandeld hoeven alleen ambtshalve te worden getoetst op oneerlijkheid als deze niet transparant zijn (zie artikel 6:231 sub a BW en artikel 4 lid 2 van de richtlijn 93\u002F13\u002FEEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, hierna: de Richtlijn). Er is niet gebleken dat over dit beding is onderhandeld; [geïntimeerde] heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij voor [appellant], omdat [appellant] weinig geld had, zijn vaste lage tarief heeft toegepast, waarover niet is onderhandeld.6.39. In zijn arrest van 12 januari 2023 oordeelde het HvJEU dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder heeft het HvJEU overwogen dat een dienstverlener als [geïntimeerde], voordat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die een consument zoals [appellant] in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.6.40. Het hof moet de transparantie van het tussen [appellant] en [geïntimeerde] overeengekomen beding beoordelen naar het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst (vlg. HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773). Het gaat bij die beoordeling niet om de vraag of het beding (dat al dan niet transparant is) ook daadwerkelijk is nagekomen. De overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] bevat een verbintenis om met redelijke tussenpozen, namelijk maandelijks, tussentijdse facturen te sturen. Naar het oordeel van het hof is een prijsbeding als het onderhavige, waarbij is overeengekomen dat maandelijks tussentijdse facturen zullen worden gestuurd, voldoende transparant. Daarbij betrekt het hof dat in een zaak als de onderhavige zeer lastig te voorspellen is hoeveel uren daaraan uiteindelijk in totaal besteed moeten worden. Hoeveel werk [geïntimeerde] aan de zaak zou moeten besteden, zou immers sterk afhangen van de houding van de wederpartij. Een voorspelling daarvan vooraf voegt daarom niet zoveel toe aan het maandelijks tussentijds declareren.6.41. Ten overvloede overweegt het hof dat als toch zou moeten worden geoordeeld dat het beding niet transparant is, dit niet automatisch betekent dat het ook oneerlijk is. Of het beding oneerlijk is, moet namelijk worden getoetst aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Een gebrek aan transparantie is één van die omstandigheden. In dit geval geldt dat [geïntimeerde] een zeer redelijk uurtarief heeft gehanteerd: € 150,- ligt ruim onder hetgeen gebruikelijk is in de commerciële advocatuur. Verder is niet aannemelijk dat [appellant] de overeenkomst niet had willen sluiten als [geïntimeerde] meer informatie had gegeven over de te verwachten totale kosten. Het was voor [appellant] immers zeer belangrijk om een poging te doen om het aan Houseboats uitgeleende geld via een procedure terug te krijgen. Hierbij komt, zoals hiervoor al overwogen, dat het ramen van de totale kosten in dit geval niet goed mogelijk was. Dit leidt het hof tot de conclusie dat (ook) geen sprake is van een oneerlijk beding.6.42. Daarmee is de (ambtshalve) toetsing nog niet voltooid: het hof moet ook beoordelen of bij het sluiten van de overeenkomst is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen zoals neergelegd in artikel 6:230l onder c of 6:230m onder e BW. Omdat de hiervoor genoemde artikelen gelijkluidend zijn, hoeft het hof niet vast te stellen of het gaat om een overeenkomst gesloten op afstand of buiten de verkoopruimte, of een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte.6.43. De genoemde artikelen schrijven voor, dat de handelaar de consument vóór het aangaan van de overeenkomst informatie verstrekt over de totale prijs van de diensten of, als de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend. In dit geval geldt dat de prijs redelijkerwijs niet vooraf kon worden berekend omdat niet voorspelbaar was hoeveel uren aan de zaak zouden moeten worden besteed. Wel bevat de overeenkomst de manier waarop de prijs moet worden berekend, namelijk het uurtarief vermeerderd met BTW vermenigvuldigd met het aantal bestede uren (vgl. conclusie Wissink vóór HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:1856). De overeenkomst vermeldt ook dat de deurwaarderskosten zullen worden doorberekend. Het hof is van oordeel dat daarmee aan de informatieplicht is voldaan.6.44. De conclusie uit al het voorgaande is dat er geen aanleiding is om de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] te vernietigen en ook niet om een korting toe te passen op de door [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedragen.6.45. Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Het feit dat [geïntimeerde], anders dan overeengekomen, niet maandelijks tussentijds heeft gedeclareerd, vormt een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Een dergelijke tekortkoming kan een grondslag vormen voor schadevergoeding. Dat schade is geleden zal het geval kunnen zijn als de wederpartij van de advocaat aannemelijk kan maken dat hij, als tussentijds was gedeclareerd, aanleiding had gezien om de opdracht aan de advocaat te beëindigen vanwege het oplopen van de kosten. In deze zaak is hierop geen beroep gedaan.6.46. \n [appellant] heeft ten aanzien van de facturen van [geïntimeerde] wel een beroep gedaan op een opschortingsrecht en aangevoerd dat de openstaande facturen verrekend moeten worden met de verschuldigde schadevergoeding. Het hof geeft een bewijsopdracht en zal alle verdere beslissingen aanhouden. Het beroep op het opschortingsrecht hoeft het hof daarom nu niet te behandelen. Op het beroep op verrekening zal zo nodig in het eindarrest worden ingegaan.7. Conclusie7.1. De conclusie uit het voorgaande is dat het hof [appellant] toelaat tot het bewijs van zijn stelling, dat de watervilla’s tussen 24 november 2021 en 17\u002F18 december 2021 hebben gelegen in of bij een loods op het adres [adres].7.2. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.8. Beslissing\n\nHet hof:\n\nlaat [appellant] toe tot het bewijs van zijn stelling, dat de watervilla’s tussen 24 november 2021 en 17\u002F18 december 2021 hebben gelegen in of bij een loods op het adres [adres];\n\nbepaalt dat, als [appellant] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. Schreuder, op 19 juni 2026 om 09:00 uur;\n\nbepaalt dat, als één der partijen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak, opgeeft verhinderd te zijn op de genoemde datum en daarbij de verhinderdata van beide partijen in de maanden juni tot en met oktober van 2026 opgeeft, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;\n\ndeelt mee dat het hof al beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat het niet nodig is deze voor het getuigenverhoor over te leggen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mr. D.A. Schreuder, mr. R.G.C. Veneman en mr. L.M. van Bochove en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:942","2026-04-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.557Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":52,"updatedAt":79},"925","ECLI:NL:GHDHA:2026:502","ecli-nl-ghdha-2026-502","2026-03-31T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nAfdeling Civiel recht\n\nZaaknummer : 200.347.986\n\nZaaknummer rechtbank : C\u002F10\u002F665819 \u002F HA ZA 23-819\n\narrest van 31 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nFinancieel Bureau 10 B.V.,\n\ngevestigd te Rotterdam,\n\nappellante,\n\nhierna: Bureau 10,\n\nadvocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,\n\ntegen\n\nKonfor Home Capelle B.V.\n\ngevestigd te Capelle aan den IJssel,\n\ngeïntimeerde,\n\nhierna te noemen: Konfor Home,\n\nadvocaat: mr. I. Atar te Naarden die zich als zodanig heeft onttrokken.\n\n1. Waar het in deze zaak over gaat\n\nDoor een defecte sprinklerinstallatie in een gehuurde loods heeft Konfor Home waterschade geleden aan door haar opgeslagen meubels. De verzekeraar heeft de schade niet vergoed omdat in de polisvoorwaarden is bepaald dat de sprinklerinstallatie moet zijn gecertificeerd. De betreffende sprinklerinstallatie was dat niet. De vraag in deze zaak is of de assurantietussenpersoon, Bureau 10, aansprakelijk is voor de schade omdat zij haar zorgplicht jegens Konfor Home heeft geschonden door haar onvoldoende te wijzen op de voor verzekerings-dekking cruciale verzekeringsvoorwaarde. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze zorgplicht is geschonden en heeft Bureau 10 veroordeeld tot schadevergoeding. In hoger beroep heeft Konfor Home geen verweer gevoerd. Het hof acht de grieven inzake de schending van de zorgplicht en het causaal verband gegrond en wijst de vordering van Konfor Home alsnog af.\n\n2. Het procesverloop\n\nBij exploot van 17 september 2024 is Bureau 10 in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnissen van 24 april 2024 en 28 augustus 2024. Dit hof heeft bij arrest van 7 januari 2025 een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Vervolgens heeft mr. Atar zich als procesvertegenwoordiger van Konfor Home onttrokken. De mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden. Bij memorie van grieven heeft Bureau 10 elf grieven aangevoerd. Konfor Home heeft geen memorie van antwoord genomen, waarna Bureau 10 arrest heeft gevraagd.\n\n3. De feiten\n\nIn rechtsoverweging 2 van het vonnis van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met de eerste grief wordt deze vaststelling op een punt bestreden, wat (zie hierna onder 6.2) tot een kleine aanpassing leidt. Het hof gaat verder uit van dezelfde feiten als de rechtbank. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.\n\n3.1.. Bureau 10 is een assurantietussenpersoon. Konfor Home exploiteert een keten van meubelwinkels.\n\n3.2.. In 2019 heeft Konfor Home de verzekeringen voor haar winkels ondergebracht bij Bureau 10.\n\n3.3.. \n\nBureau 10 heeft ten behoeve van Konfor Home via een volmachtbedrijf een Bedrijven Totaalplan-pakket bij (een rechtsvoorganger van) Nationale Nederlanden (hierna: NN) afgesloten. Op de verzekering zijn de voorwaarden BB-MKB Brand bedrijven 01-2016\n\nvan toepassing verklaard (hierna: de voorwaarden). Artikel 2.13.1 onder de kop\n\n“lnventaris\u002FGoederen” van deze voorwaarden luidt, voor zover van\n\nBelang, als volgt:\n\n “2.13 Water en stoom\n\nTen aanzien van de sprinklerinstallatie bestaat uitsluitend dekking indien deze installatie op het moment van de schade is voorzien van een geldig certificaat van het Bureau voor Sprinklerbeveiliging.”\n\n3.4.. In oktober 2020 heeft Konfor Home een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een opslagloods aan het Roer 20 in Rotterdam (hierna: het magazijn). In dit pand was een sprinklerinstallatie aanwezig.\n\n3.5.. In november 2020 heeft de bestuurder van Bureau 10, [bestuur] , het magazijn op verzoek van Konfor Home bezocht. Dit bezoek vond plaats in het kader van de wens van Konfor Home om (ook) dat gebouw onder de hiervoor bedoelde verzekering te brengen.\n\n3.6.. Op diezelfde dag is het magazijn op verzoek van Bureau 10 onder de verzekeringsdekking gebracht.\n\n3.7.. De sprinklerinstallatie in het magazijn is niet gecertificeerd.\n\n3.8.. Op 11 mei 2021 is de hoofdleiding van de sprinklerinstallatie in het magazijn gesprongen. Daardoor is schade ontstaan aan de in het magazijn aanwezige voorraad van Konfor Home. De schade is door een onafhankelijke expert vastgesteld op € 52.498,50 inclusief btw.\n\n3.9.. Nationale Nederlanden heeft dekking geweigerd wegens het ontbreken van een geldig certificaat voor de sprinklerinstallatie (artikel 2.13.1 van de voorwaarden).\n\n4. De procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. In eerste aanleg heeft Konfor Home gevorderd i) te verklaren voor recht dat Bureau 10 haar zorgplicht jegens Konfor Home heeft geschonden en aansprakelijk is voor de schade, ii) Bureau 10 te veroordelen tot betaling van € 52.498,50 te vermeerderen met de wettelijke rente, iii) Bureau 10 te veroordelen tot betaling van € 1.299,99 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente, en iv) Bureau 10 te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2.. \n\nBij mondeling tussenvonnis van 24 april 2024 heeft de rechtbank Konfor Home in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat zij door Bureau 10 niet is geïnformeerd over de noodzaak een gecertificeerde sprinklerinstallatie te hebben, een en ander om voor dekking onder de schadeverzekering in aanmerking te komen. Aansluitend aan deze mondelinge behandeling op 24 april 2024 heeft de rechtbank de al op de zitting aanwezige getuigen gehoord. Op een later moment is, in contra-enquête, nog een getuige gehoord. Bij eindvonnis van 28 augustus 2024 is Bureau 10 veroordeeld tot betaling van\n\n€ 42.887,19 te vermeerderen met de wettelijke rente, tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, door de rechtbank begroot op € 1.203,87 en tot betaling van de proceskosten.\n\n5. De vordering en het verweer in hoger beroep\n\n5.1.. Bureau 10 vordert het eindvonnis van 28 augustus 2024 te vernietigen en Konfor Home te veroordelen tot betaling van al hetgeen naar aanleiding van dat vonnis door Bureau 10 reeds is betaald, zijnde ten minste € 53.881,94, althans een zodanig bedrag als het hof juist zal achten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2024, althans vanaf 27 mei 2025 en Konfor Home te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n5.2.. Konfor Home heeft geen memorie van antwoord genomen.\n\n6. De beoordeling in hoger beroep\n\nDevolutieve werking\n\n6.1.. Het hof stelt voorop dat, gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, de grieven moeten worden beoordeeld mede met inachtneming van hetgeen Konfor Home in eerste aanleg heeft aangevoerd.\n\nDe feiten (eerste grief)\n\n6.2.. Met de eerste grief komt Bureau 10 op tegen de door de rechtbank in het eindvonnis onder 2.6 opgenomen datum van het bezoek van de bestuurder van Bureau 10 aan het magazijn. In het vonnis is vermeld dat dit bezoek op 17 november 2020 heeft plaatsgevonden. Volgens Bureau 10 was dat op 12 november 2020. Nu het bezoek ingevolge de stellingen van partijen hoe dan ook in november 2020 heeft plaatsgevonden, heeft het hof hiervoor onder 3.5 het feit in die zin aangepast, zodat de eerste grief geen verdere bespreking behoeft en niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.\n\nDe zorgplicht (grieven twee tot en met vijf)\n\n6.3.. De tweede tot en met de vijfde grief richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Bureau 10 haar zorgplicht heeft geschonden.\n\n6.4.. De zorgplicht van een assurantietussenpersoon houdt in dat hij tegenover zijn opdrachtgever de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn (HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122). De reikwijdte van de op de assurantietussenpersoon rustende zorgplicht is afhankelijk van de aard en inhoud van de opdracht, de belangen van de cliënt voor zover die kenbaar zijn voor de tussenpersoon en de overige omstandigheden van het geval.\n\n6.5.. De rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat (ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv) op Konfor Home de stelplicht en de bewijslast rusten van de omstandigheden die zij ten grondslag legt aan haar stelling dat Bureau 10 is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht. Van Bureau 10 mag worden verwacht dat zij haar betwisting voldoende motiveert door aan te voeren wat zij ter voldoening aan haar zorgplicht heeft gedaan, maar bewijzen hoeft zij deze motivering niet.\n\n6.6.. Konfor Home heeft gesteld dat zij tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 aan Bureau 10 heeft gevraagd om een deugdelijke verzekering af te sluiten voor de door haar opgeslagen goederen in het magazijn. Vervolgens heeft Bureau 10 de verzekering afgesloten bij (de rechtsvoorganger van) NN. Konfor Home betoogt niet bekend te zijn met de polisvoorwaarde ten aanzien van de certificering van de sprinklerinstallatie waar NN een beroep op doet. Daardoor wist Konfor Home niet dat het ontbreken van een certificaat voor de sprinklerinstallatie reden tot afwijzing van de claim zou zijn. Bureau 10 heeft Konfor Home niet geïnformeerd over deze voorwaarde, aldus Konfor Home (in haar inleidende dagvaarding bij de rechtbank) en Bureau 10 was blijkens een e-mailbericht van een van haar medewerkers ( [medewerker] ) zelf ook niet op de hoogte van deze voorwaarde.\n\n6.7.. De rechtbank heeft overwogen dat, anders dan voor wat betreft de op deze verzekering van toepassing zijnde clausules, voor wat betreft de toepasselijke voorwaarden (waaronder de hier in het geding zijnde voorwaarde dat de sprinklerinstallatie gecertificeerd moet zijn) uit de stukken niet kan worden afgeleid dat Bureau 10 Konfor Home over de inhoud daarvan heeft geïnformeerd. De toepasselijkheid van de voorwaarden is op zichzelf wel vermeld op het aanvraagformulier en op het polisblad, maar die stukken bieden geen informatie over de inhoud van de voorwaarden. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft Bureau 10 bovendien erkend dat zij alleen het polisblad en niet ook de toepasselijke voorwaarden aan Konfor Home heeft gemaild. Bureau 10 heeft ook niet gesteld dat zij tijdens het doornemen van het aanvraagformulier of op een ander moment, bijvoorbeeld toen later in 2020 ook het magazijn onder de verzekering werd gebracht, heeft gesproken over de toepasselijkheid en de inhoud van die voorwaarden (zie overweging 4.5 van het vonnis).\n\n6.8.. Bureau 10 heeft betoogd dat haar bestuurder tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 uitdrukkelijk tegen de bestuurder van Konfor Home heeft gezegd dat certificering van de sprinklerinstallatie een voorwaarde is voor verzekeringsdekking. De rechtbank heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 april 2024 Konfor Home in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat zij niet door Bureau 10 is geïnformeerd over de noodzaak een gecertificeerde sprinklerinstallatie te hebben, een en ander om voor dekking onder de schadeverzekering in aanmerking te komen. Ter uitvoering van die bewijsopdracht zijn aansluitend aan de mondelinge behandeling als getuigen gehoord [magazijnbeheerder] (als magazijnbeheerder en hoofd logistiek in dienst van Konfor Home), [huurincassospecialist] (huurincassospecialist) en [bestuurder] (de bestuurder van Konfor Home). In contra-enquête is als getuige gehoord [bestuur] (de bestuurder van Bureau 10). Later, op 17 juni 2024, is ook als getuige gehoord [magazijnmedewerker] (magazijnmedewerker in dienst van Konfor Home).\n\nDe getuigenverklaringen\n\n [magazijnbeheerder]6.9.. heeft verklaard niet steeds bij het gesprek aanwezig te zijn geweest, maar voor zover hij er bij was, is het niet gegaan over een certificaat voor de sprinklerinstallatie. Daarover heeft hij ook achteraf niets gehoord.\n\n [huurincassospecialist]6.10.. \n\n [huurincassospecialist] heeft verklaard aanwezig te zijn geweest tijdens het hele bezoek door Bureau 10 in november 2020 aan het magazijn. Hij blijft bij hetgeen hij in zijn e-mail van 18 mei 2023 heeft geschreven. In die mail staat, voor zover relevant:\n\n“Terwijl ik aankwam zag ik Dhr [bestuur] op de locatie, ik kan goed herinneren dat Dhr [bestuurder] ons opwachtte en we gingen een rondje maken door het bedrijfspand. Het eerste wat mij opviel was de grootte van het pand ten tweede wat mij opviel was het dringend advies direct door Dhr [bestuur] aan Dhr [bestuurder] op met hele hoge spoed vlonders aan te leggen door het pand heen waar de voorraad op kan staan ipv direct op de vloer van het pand. Dit ter voorkoming van schade ivm lekkage en waterschade en ook vereisten vanuit de verzekering.\n\nDhr [bestuur] heeft dit zeker 4 keer benadrukt aan Dhr [bestuurder] . Dusdanig dat ik zelfs als bezoeker het heb kunnen onthouden.\n\nDhr. [bestuur] heeft ook direct advies gegeven over het aanleggen van brandveiligheid instrumenten door het pand heen en ook advies gegeven omtrent alarmering.\n\nDus 3 aspecten:\n\nDe voorraad mag de directe vloer niet raken. Brandveiligheid instrumenten moeten aangelegd worden. En iets over klasse alarm bepaalde specifieke klasse die Mr [bestuurder] moest hebben.”\n\nOp de vraag van de rechtbank aan [huurincassospecialist] of het ook is gegaan over certificering van de sprinklerinstallatie heeft hij als getuige verklaard:\n\n“Mijn antwoord is ja, het ging vooral over de partij die bepaalde werkzaamheden zou gaan verrichten, het was belangrijk dat het niet zomaar een willekeurige partij zou zijn, want het ging om de certificering omwille van de verzekering. Het woord certificering is echt genoemd, dat weet ik heel zeker.”\n\n [bestuurder]6.11.. heeft verklaard [bestuur] te hebben gewezen op de sprinklerinstallatie en dat er geen certificering is. Volgens [bestuurder] heeft [bestuur] daarop gezegd: “Dat is geen probleem, we gaan dat oplossen”. Het gesprek is verder meer gegaan over pallets. Hij heeft verder niets gehoord over certificering.\n\n [bestuur]6.12.. heeft verklaard tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 te hebben gesproken over de noodzaak om de sprinkler te laten certificeren. Hij heeft verklaard te hebben gesproken over brandveiligheid, alarm, calamiteitenplan en vlonders. Dat zijn vaste onderdelen als hij bij een klant op inspectie gaat. Het punt van de certificering van de sprinkler hoort bij het onderwerp brandveiligheid. Volgens [bestuur] heeft [bestuurder] tijdens dat bezoek niet gezegd dat de sprinklerinstallatie niet gecertifieerd was.\n\n [magazijnmedewerker]6.13.. heeft als getuige verklaard tijdens het bezoek van Bureau 10 aan het magazijn in november 2020 aan het werk te zijn geweest. Op de vraag of hij heeft gezien dat [huurincassospecialist] tijdens dat bezoek ook aanwezig was heeft hij verklaard dat er niemand anders bij het gesprek aanwezig was. [bestuur] en [bestuurder] waren er met zijn tweeën.\n\n6.14.. De rechtbank heeft in overweging 4.6 geconcludeerd dat de getuigenverklaringen lijnrecht tegenover elkaar staan. Vervolgens heeft de rechtbank in overweging 4.7 overwogen dat bij de verdere beoordeling van de schending van de zorgplicht in het midden kan worden gelaten of de bestuurder van Bureau 10 tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 nu wel of niet heeft gewezen op de noodzaak van certificering van de sprinklerinstallatie. Zelfs indien dat het geval zou zijn, dan nog is de rechtbank van oordeel dat Bureau 10 haar zorgplicht heeft geschonden. In dat geval is het bezoek in november 2020 het enige moment geweest waarop Bureau 10 Konfor Home heeft gewezen op de in de voorwaarden opgenomen dekkingsvoorwaarde van een gecertificeerde sprinklerinstallatie, aldus de rechtbank.\n\n6.15.. In hoger beroep is door Bureau 10 (zie randnummers 2.34 en 2.35 memorie van grieven) aangevoerd dat ook bij de totstandkoming van de verzekering Konfor Home door Bureau 10 niet alleen is geïnformeerd over de in het polisblad opgenomen clausules, maar ook uitgebreid is geïnformeerd over de pijlers Brand & Veiligheid, waarbij Konfor Home expliciet erop is gewezen dat alle installaties, waaronder de sprinklerinstallatie, gekeurd en gecertificeerd moeten zijn. Zij voegt daaraan toe dat Bureau 10 in totaal vier zakelijke verzekeringen voor de vier (aparte) vestigingen van Konfor Home heeft afgesloten, drie van deze vier vestigingen (ook) heeft bezocht en Konfor Home telkenmale heeft geïnformeerd over de door de verzekeraar gehanteerde clausules, daaronder valt in alle gevallen de eis van een gecertificeerde sprinklerinstallatie, en (algemene) voorwaarden. Deze laatste stelling is in eerste aanleg niet gevoerd en is in hoger beroep niet weersproken. Konfor Home heeft in eerste aanleg gesteld dat zij niet bekend was met de polisvoorwaarde ten aanzien van de certificering van de sprinklerinstallatie en dat zij door Bureau 10 hierover niet is geïnformeerd, maar zij is daarmee niet ingegaan op de mededelingen waarop Bureau 10 zich nu aanvullend beroept, in het bijzonder die in het kader van de andere verzekeringen die, zoals vaststaat, aan de overeenkomst met betrekking tot het magazijn Roer 20 voorafgingen. Ook de bewijslevering van Konfor Home had hierop geen betrekking. Zo deze stellingen al niet als onvoldoende weersproken vaststaan, is in elk geval sprake van een nadere motivering van het door Bureau 10 gevoerde verweer (betwisting) tegen de stelling van Konfor Home. Die motivering wordt ook niet ontkracht of ongeloofwaardig gemaakt door het enkele e-mailbericht van [medewerker] . Uit dat bericht kan niet worden afgeleid dat niemand bij Bureau 10, en dus ook niet ook degenen die de aanvraag hebben behandeld en die de bezoeken aan de locaties hebben afgelegd, van de certificeringseis op de hoogte was.\n\n6.16.. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat de schending van de zorgplicht niet is komen vast te staan. Dat Bureau 10 tijdens het bezoek aan Roer 2020 niet heeft gewezen op de certificeringseis kan, gelet op de lijnrecht tegenover elkaar staande getuigenverklaringen en het ontbreken van ander bewijs, niet als afdoende bewezen worden aangenomen. Als Konfor Home, zoals Bureau 10 heeft aangevoerd, al veelvuldig, bij meerdere gelegenheden, mondeling was gewezen op de noodzaak van certificering voor een sprinklerinstallatie, was het niet nodig om dat (na het bezoek aan het magazijn) nog een keer in een e-mail of WhatsApp bericht te zetten. Een assurantietussenpersoon is ook niet zonder meer verplicht achteraf nog te controleren of de verzekerde zijn advies daadwerkelijk heeft opgevolgd (zoals Bureau 10 ook heeft betoogd). Periodieke controles volstaan doorgaans. Het hof ziet geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit Bureau 10 had moeten afleiden dat Konfor Home ondanks de gedane mededelingen nog niet van de hoed en de rand wist en nog onvoldoende van de noodzaak van certificering was doordrongen. Konfor Home heeft nog gesteld dat zij Bureau 10 bij het bezoek aan Roer 20 heeft gewezen op het ontbreken van een certificering en daarbij heeft verzocht om een passende verzekering, waarop Bureau 10 (volgens [bestuurder] als getuige) zou hebben gezegd dat zij dit zou oplossen. Bureau 10 heeft dit alles echter betwist en het bewijs van deze stelling is, ook door de in eerste aanleg gehoorde getuigen, niet geleverd. Omdat Konfor Home in hoger beroep geen nadere uitwerking aan deze stelling heeft gegeven en ook geen nader bewijs aanbiedt, gaat het hof aan deze stelling voorbij. Dat Bureau 10 na het bezoek in november 2020 aan het magazijn Konfor Home via WhatsApp wel heeft herinnerd aan het plaatsen van de meubels op pallets en het installeren van een alarm, maar de noodzaak van een gecertificeerde sprinklerinstallatie daarbij niet heeft genoemd, heeft Bureau 10 (onweersproken) verklaard door aan te voeren dat Bureau 10 had geconstateerd dat een alarm geheel ontbrak en dat dit punt van de pallets nieuw was; anders dan de noodzaak van certificering die al herhaaldelijk was besproken.\n\n6.17.. Al met al heeft Bureau 10 in hoger beroep ter betwisting van de stelling van Konfor Home Bureau 10 voldoende aangevoerd om de conclusie te kunnen dragen dat geen sprake is van schending van haar zorgplicht. Zo al kan worden gezegd dat Konfor Home voldoende tegenover dit verweer heeft gesteld – het hof is van oordeel dat dat niet het geval is – moet in elk geval worden geconcludeerd dat Konfor Home haar stelling niet heeft bewezen en dat zij geen specifiek aanbod heeft gedaan om dit bewijs alsnog te leveren.\n\n6.18.. De conclusie is dat de grieven twee tot en met vijf doel treffen.\n\nCausaal verband tussen schending zorgplicht en de schade (grieven zes en zeven)\n\n6.19.. Nu het hof van oordeel is dat de zorgplicht niet is geschonden, komt het in beginsel niet toe aan de vraag of er sprake is van causaal verband tussen de tekortkoming van Bureau 10 (de schending van de zorgplicht) en de schade. Niettemin ziet het hof aanleiding te overwegen dat ook wanneer zou moeten worden aangenomen dat de zorgplicht wel is geschonden, de vordering strandt, maar dan op het ontbreken van causaal verband. Daarvoor is het volgende redengevend.\n\n6.20.. Om te komen tot een antwoord op de vraag of de schending van de zorgplicht door Bureau 10 tot schade heeft geleid, moeten twee situaties met elkaar worden vergeleken: 1) de feitelijke situatie met de schending van de zorgplicht (waarin dekking voor de schade van Konfor Home is geweigerd door NN) en 2) de hypothetische situatie zonder die schending. In de laatste situatie gaat het om het antwoord op de vraag wat Konfor Home feitelijk zou hebben gedaan zonder de schending van de zorgplicht door Bureau 10. De stelplicht en de bewijslast van het causaal verband rusten ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op Konfor Home. Omdat Bureau 10 door haar hier tot uitgangspunt te nemen zorgplichtschending Konfor Home de mogelijkheid heeft ontnomen om daadwerkelijk te ervaren wat zonder die normschending zou zijn gebeurd, kunnen in dit verband geen al te strenge eisen worden gesteld aan de stellingen van Konfor Home.\n\n6.21.. Konfor Home heeft (in eerste aanleg) gesteld dat als zij tijdig van de noodzaak van een geldig certificaat op de hoogte was geweest, zij alsnog alles in het werk zou hebben gesteld om van de verhuurder van het magazijn een certificaat te verkrijgen. Ook zou zij er in dat geval voor hebben kunnen kiezen haar meubels in een ander pand op te slaan.\n\n6.22.. \n\nBureau 10 heeft betwist (zowel in eerste aanleg als bij memorie van grieven in hoger beroep) dat Konfor Home (tijdig) certificering van de sprinklerinstallatie had kunnen verkrijgen. Bureau 10 verwijst daarvoor naar de e-mail van de verhuurder van het magazijn, Spee Vastgoedbeheer B.V., van 29 oktober 2021 (productie 15 conclusie van antwoord) waarin staat:\n\n“Zoals u weet hebben wij i.o.m. de huurders en installateurs afgesproken dat de installatie in stand word gehouden totdat het object definitief wordt gesloopt. Dit is ook de reden dat de looptijd van de huurovereenkomsten zeer kort zijn. Certificering is op korte termijn ook helemaal niet haalbaar, want tegen de tijd dat de installatie gecertificeerd is zal het object zijn gesloopt. Overigens kunnen wij u melden dat in september 2021 het onderhoud nog is uitgevoerd.”\n\n6.23.. Naar deze mail (die dateert van een jaar na het afsluiten van de verzekering) is ook in eerste aanleg door Bureau 10 verwezen, waarop Konfor Home ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 april 2024 heeft betoogd dat uit een gesprek met KIWA is gebleken dat certificering op korte termijn wel mogelijk was, hetgeen ter zitting in eerste aanleg door Bureau 10 is betwist. Enig bewijs van de stelling – bijvoorbeeld een verklaring van KIWA – heeft Konfor Home niet geleverd of aangeboden. Er kan daarom niet van worden uitgegaan dat in november 2020, toen de verzekering werd afgesloten en Bureau 10 het magazijn had bezocht, nog een geldige certificering had kunnen worden verkregen. Het standpunt van de verhuurder – van wie Konfor Home in dit opzicht afhankelijk was – wijst er overigens ook niet direct op dat hij van plan was zich – voor dit te slopen pand – nog in te zetten voor het verkrijgen van een certificering.\n\n6.24.. Dat Konfor Home, bij deugdelijke voorlichting over de certificeringseis, ervoor zou hebben gekozen haar meubels in een ander pand op te slaan of bij de keuze voor een opslagruimte met deze eis rekening zou hebben gehouden, wordt betwist door Bureau 10. Daartoe wijst Bureau 10 onder meer naar de omstandigheid (zie randnummer 2.47 memorie van grieven) dat Konfor Home herhaaldelijk gebruik maakt van tijdelijke huurovereenkomsten ter voorkoming van kraak, waarbij niet (zonder meer) geldt dat de verhuurder onderhoudsverplichtingen heeft en waarbij de huurprijs aanzienlijk lager is dan bij reguliere huur van een bedrijfspand. Daaruit blijkt volgens Bureau 10 dat Konfor Home bij de selectie van een opslagruimte andere factoren, zoals de lagere kosten aan huurpenningen, zwaarder laat meewegen dan de cruciale voorwaarden die betrekking hebben op dekking onder een verzekering.\n\n6.25.. In randnummer 2.51 van de memorie van grieven voert Bureau 10 aan dat Konfor Home eveneens heeft nagelaten een alarminstallatie aan te leggen, wat volgens Bureau 10 de conclusie rechtvaardigt dat Konfor Home ook het advies van Bureau 10 (in de hypothetische situatie zonder schending van de zorgplicht) om de sprinklerinstallatie te certificeren niet zou hebben opgevolgd. In eerste aanleg heeft Konfor Home betoogd wel achter de sprinklerinstallatie aan te zijn gegaan in het geval zij zou hebben geweten dat dit een vereiste is voor verzekeringsdekking en heeft zij, zoals de rechtbank in 4.15 heeft overwogen, toegelicht dat het aan de verhuurder was te wijten dat een eerdere verzekering wegens het niet naleven van voorschriften, is geroyeerd. Dat alles neemt echter niet weg dat nu in hoger beroep onweersproken gesteld wordt (en daarmee vaststaat) dat Konfor Home geen actie heeft ondernomen ten aanzien van de alarminstallatie (waarop Bureau 10 haar wel heeft gewezen).\n\n6.26.. Gelet op het voorstaande is het hof van oordeel dat, hoewel aan de stellingen van Konfor Home over het causaal verband geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, de stellingen van Konfor Home door Bureau 10 zodanig zijn weersproken dat een nadere toelichting of onderbouwing van haar gevergd kon worden. Omdat deze ontbreken, net als een voldoende gespecifieerd bewijsaanbod, is het vereiste causaal verband niet komen vast te staan.\n\n6.27.. De conclusie is dat ook de grieven zes en zeven gegrond zijn.\n\nOverige grieven\n\n6.28.. Het slagen van de grieven twee tot en met zeven brengt mee dat de vordering van Konfor Home alsnog - als ongegrond - moet worden afgewezen. De overige grieven inzake eigen schuld (grief acht), voordeelstoerekening (grief negen), de buitengerechtelijke incassokosten, alsmede de veeggrief 11 behoeven geen bespreking meer.\n\nNiet-ontvankelijkheid\n\n6.29.. \n\nVoor zover het hoger beroep ook is gericht tegen de mondelinge uitspraak van\n\n24 april 2024 geldt dat tegen die uitspraak geen grieven zijn gericht, zodat het hoger beroep daartegen niet-ontvankelijk is.\n\nConclusie, proceskosten en terugbetaling\n\n6.30.. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen om de vordering alsnog geheel af te wijzen. Het hof zal Konfor Home, als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.\n\n6.31.. Die kosten zullen voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Bureau 10 zullen worden vastgesteld op:\n\nGriffierecht € 2.837,00\n\nSalaris advocaat € 3.642,00(3 punten x tarief IV € 1.214,00)\n\nTotaal € 6.479,006.32.. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Bureau 10 zullen vastgesteld worden op:\n\nExplootkosten € 115,22\n\nGriffierechten € 2.175,00\n\nSalaris advocaat € 2.353,00 (1 punt x tarief IV € 2.352,00 )\n\n- Nasalaris € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 4.832,22\n\n6.33.. Het hof zal de vordering van Bureau 10 tot veroordeling van Konfor Home om terug te betalen wat zij heeft voldaan uit hoofde van het vonnis waarvan beroep toewijzen. De gevorderde wettelijke rente over het terug te betalen bedrag zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest omdat daarvoor geen sprake is van verzuim.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. verklaart Bureau 10 niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 april 2024;\n\n7.2.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2024;\n\n7.3.. wijst de vordering van Konfor Home alsnog af;\n\n7.4.. veroordeelt Konfor Home tot terugbetaling aan Bureau 10 van hetgeen zij uit hoofde van het vonnis van 28 augustus 2024 heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het wijzen van dit arrest tot aan de voldoening;\n\n7.5.. veroordeelt Konfor Home in de kosten van het hoger beroep van € 4.832,22 en in die van de eerste aanleg van € 6.479,00, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als Konfor Home niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet Konfor Home € 98,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;\n\n7.6.. veroordeelt Konfor Home in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;\n\n7.7.. verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\n7.8.. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, P.M. Verbeek en J.N. de Blécourt en ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:502","2026-04-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:54.829Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":52,"updatedAt":88},"928","ECLI:NL:RBDHA:2026:4722","ecli-nl-rbdha-2026-4722","2026-01-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F671254 \u002F HA ZA 24-711\n\nVonnis van 28 januari 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres]te [woonplaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\nadvocaat: mr. B.L.M. Middeldorp,\n\ntegen\n\n1. [gedaagden sub 1] VOF te [vestigingsplaats] , 2. [gedaagden sub 2] te [woonplaats 2], 3. [gedaagden sub 3] te [woonplaats 3],\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: de zonnestudio,\n\nadvocaat: mr. B.M. Stroetinga.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nVoor het verloop van de procedure wordt verwezen naar het vonnis van\n\n15 januari 2025 en de rolbeslissing van 5 november 2025 en de daarin genoemde stukken.\n\n1.2.. \n\nNa de rolbeslissing is van de zonnestudio een akte met twee bijlagen ontvangen op\n\n19 november 2025 en een antwoordakte van [eiseres] van 17 december 2025. Vervolgens is opnieuw vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nBewijswaardering\n\n2.1.. In genoemd vonnis van 15 januari 2025 is de zonnestudio toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat de schade bij [eiseres] is veroorzaakt door de toerekenbare tekortkoming van de Zonnestudio, als bedoeld onder 4.8 van dat vonnis. In 4.8 is overwogen:\n\n“De rechtbank overweegt dat het tijdsverloop en de aard van het letsel doen vermoeden dat de straling van de zonnebank een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het letsel. Gelet daarop en mede gelet op de normschending en het feit dat de volgens de gebruiksaanwijzing bij huidtype twee behorende veilige bruiningsduur ruimschoots is overschreden, ligt in dit geval het oordeel dat de schade veroorzaakt is door het gebruik van de zonnebank in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank meer voor de hand dan het tegendeel. De rechtbank neemt daarom voorshands het bestaan van een causaal verband (condicio sine qua non verband) tussen de tekortkoming en de schade – en daarmee aansprakelijkheid van de Zonnestudio – aan. De zonnestudio zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs om daarmee het voornoemde vermoeden te ontzenuwen.”\n\n2.2.. De vraag die voorligt is of dit bewijsvermoeden is ontzenuwd met het door de zonnestudio overgelegde rapport van [adviseur] van 5 mei 2025. Voor het antwoord op die vraag geldt het volgende toetsingskader. Dat de zonnestudio wordt geconfronteerd met een bewijsvermoeden, betekent niet dat op haar ook het bewijsrisico komt te rusten. Zij zal in beginsel niet hoeven te bewijzen door welke oorzaak de schade is ontstaan en kan volstaan met het ontkrachten van het vermoeden door bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waardoor voldoende onzeker wordt dat de schade door een toerekenbare tekortkoming aan haar kant is ontstaan. Voor het slagen van het te leveren tegenbewijs is dus voldoende dat het bewijsvermoeden wordt ontzenuwd, wat het geval is wanneer voldoende twijfel wordt gezaaid. In dat geval herleeft de normale bewijslast (en het daarbij behorende bewijsrisico), die op [eiseres] rust. Het te leveren tegenbewijs kanbestaan in het bewijs dat geen tekortkoming aan de kant van de zonnestudio de schade heeft doen ontstaan, maar dat is geen eis. Of in een concreet geval dit tegenbewijs geleverd moet worden geacht, ook als de oorzaak van de schade niet is komen vast te staan, is aan het oordeel van de rechter overgelaten.\n\n2.3.. In het licht van dit beoordelingskader geldt het volgende.\n\n2.4.. \n\n [adviseur], die zich als arts en wetenschapper in Duitsland al bijna dertig jaar bezighoudt met fotobiologische vraagstukken, met name de biologische effecten van licht op levende weefsels en organismen, heeft in zijn rapport van 5 mei 2025 – dat is opgesteld na dossierstudie – de volgende vragen beantwoord:\n\n(1) Is het mogelijk dat een belichting met het solarium van twintig minuten, hoewel in de gebruiksaanwijzing officieel maximaal zes minuten voorgeschreven zijn, tot ernstige huidbeschadigingen (d.w.z. brandwonden van de tweede en derde graad) kan leiden?\n\n(2) Is het mogelijk dat de overschrijding van de stralingswaarden van het solarium (0,368 W\u002Fm2 in plaats van de toegestane 0,3 W\u002Fm2 – of zelfs 0,3499 W\u002Fm2, zoals tegenover de rechtbank werd benadrukt met verwijzing naar de tolerantie van de voedsel- en consumentenbeschermingsautoriteit voor nieuwe lampen) tot een letsel van deze omvang kan leiden?\n\n(3) Hoe waarschijnlijk het is dat deze verwonding door een andere factor is veroorzaakt? Bijvoorbeeld door een fototoxische reactie, medicijnen, enz.\n\n2.5.. In reactie op de derde vraag heeft [adviseur] – samengevat – beschreven dat in de door hem bestudeerde literatuur geen vergelijkbare gevallen voorkomen. Hij wijst erop dat bij [eiseres] na twee weken nog steeds blaarvorming optrad, wat zeer ongebruikelijk is voor pure stralingsschade. Een dergelijk verschijnsel kan wel optreden bij gebruik van een fotosensibiliserende stof. De strikt gelokaliseerde schade (hoofd, decolleté en knieholtes waren niet aangetast) past volgens hem waarschijnlijk bij een stof die als olie, lotion of crème op de huid is aangebracht. Zonder topische fotosensibilisatie (overgevoelige huidreactie die ontstaat door de combinatie van een lokaal aangebracht product en UV(A)-straling) zou moeilijk te verklaren zijn waarom juist een gevoelige regio niet is aangetast. Gezien de buitengewone ernst van de huidbeschadiging (blaarvorming en diepteschade) acht [adviseur] het hoogstwaarschijnlijk dat de oorzaak niet alleen door UV-blootstelling in de zonnebank te verklaren is. Het klinische beeld in combinatie met de lang aanhoudende symptomen wijst sterk op een fototoxische reactie, zoals die kan optreden bij gelijktijdige blootstelling aan UVA-straling en fotosensibiliserende stoffen. In reactie op de andere twee vragen schrijft [adviseur] onder meer het volgende. Dat [eiseres] twintig minuten onder de zonnebank lag waar zes minuten was toegestaan en dat de straling van de lampen de norm (met 0,019 tot 0,068 W\u002Fm2) overschreed, kan volgens [adviseur] niet de enige oorzaak zijn van de bij [eiseres] opgetreden tweede- en derdegraads brandwonden over 30% van haar lichaam. De in de literatuur beschreven drempels voor vorming van blaren zijn in de onderhavige situatie niet gehaald. In zijn nadere reactie van 13 augustus 2025 (op het schrijven van de medisch adviseur van [eiseres] ) schrijft [adviseur] (opnieuw) onder meer nog dat een belangrijk gegeven is dat er geen leasies zijn gedocumenteerd in de knieholten, een gebied dat doorgaans onbedekt, zeer gevoelig en bijzonder kwetsbaar is voor UV-straling. Betrokkenheid van een fotosensibiliserende factor acht hij daarom plausibel. Ook het feit dat sprake was van het ontstaan van nieuwe leasies gedurende meerdere dagen is kenmerkend voor een fototoxische reactie in combinatie met een exogene fotosensibilisator (van buitenaf komende stof die de huid overgevoelig maakt voor UV-licht). Een langdurig en recidiverend beloop zoals hier aan de orde was, acht [adviseur] niet in overeenstemming met een zuiver door straling veroorzaakte schade.\n\n2.6.. De medisch adviseur van de zonnestudio, die blijkens zijn rapport van 3 september 2025 ervaring heeft als chirurg met het behandelen van brandwonden, onder meer opgedaan in het brandwondencentrum Rode Kruis ziekenhuis, meldt onder meer het volgende. Over de expertise van [adviseur] schrijft hij dat hij als arts is gepromoveerd op het onderzoek naar licht geïnduceerde effecten op levende cellen en dat hij al dertig jaar onderzoek doet naar de biologische effecten van licht op levende weefsels en organismen. Ook doet [adviseur] wetenschappelijk onderzoek en heeft hij volgens de medisch adviseur veel meer kennis dan een gemiddeld dermatoloog of (plastisch) chirurg over effecten van UV-straling op weefsel en is hij dus bij uitstek deskundig te noemen. Onder meer merkt de medisch adviseur op dat [adviseur] perfect weergeeft dat de brandwonden niet het gevolg zijn van een genetische component of gebruikte medicatie, omdat het gezicht en de knieholtes niet zijn aangedaan. Het moet gaan om een middel dat is aangebracht. Dat kan niet de lotion zijn die [eiseres] bij de zonnestudio had gekocht, omdat zij dit voornamelijk op haar gezicht heeft gesmeerd en daar geen reactie is opgetreden. De schade kan niet (alleen) door UV-straling zijn veroorzaakt, omdat die straling ophoudt zodra de bron is weggenomen en nog enige dagen kan doorwerken, maar daarna zou genezing moeten optreden. In dit geval ontstonden na ruim tien dagen nog nieuwe blaren. Verder meldt hij onder meer dat ook de behandelend artsen van [eiseres] in het brandwondencentrum twijfels hadden bij alleen blootstelling aan UV-straling in een zonnebank en hebben geprobeerd te achterhalen wat er is gebruikt.\n\n2.7.. In het door [eiseres] overgelegde medisch dossier is over dat laatste onder meer vermeld:\n\n“14-02-2022 (…) Verder nog besproken dat het opvalt dat er verschillende plekken zijn, waaronder haar billen en knieholtes, die niet aangedaan zijn. En dat mocht er een andere reden zijn (bijv mishandeling) voor haar verbranding dat ze dit aan kan geven. Had onder zonnebank een broekje aan en knieen opgetrokken. Nu geen reden voor twijfel aan verhaal. Voornamelijk nu veel pijnklachten. (…) Zus van patient ook op de hoogte gebracht van huidige stand van zaken. Beide geen vragen. Goed gesprek.\n\nPatient akkoord dat wij geannonimiseerd contact opnemen met de zonnebank studio.\n\nGeannonimiseerd contact gehad met [kliniek] in [woonplaats 1] . Gebruiken al hun cremes van Devoted Creations. Hiervan zijn echter multipele producten. Dus nu annoniem niet aan te geven welke er is gebruikt. Zus gaat met patient kijken of ze dit kunnen achterhalen bij de studie en geven dit dan door aan ons.”\n\n2.8.. Wat opvalt aan deze passage – die ter zitting van 28 november 2024 met [eiseres] is besproken – is dat kennelijk contact is opgenomen met een andere zonnestudio. Niet duidelijk is geworden wat de reden daarvan was en of door [eiseres] geprobeerd is bij de juiste zonnestudio te achterhalen welke producten er zijn gebruikt en of dit vervolgens nog met de behandelaren van het brandwondencentrum is besproken. Wat daarvan ook zij, voor de rechtbank is met de rapporten van [adviseur] en de medisch adviseur van [eiseres] voldoende onzeker geworden dat de schade door een toerekenbare tekortkoming van de zonnestudio is ontstaan. Beschreven is dat en waarom er geen sprake kan zijn van alleen door UV-straling veroorzaakte schade. Het voorgaande ontzenuwt het onder 2.1 bedoelde bewijsvermoeden voldoende.\n\n2.9.. Hetgeen van de zijde van [eiseres] is aangevoerd leidt niet tot een andere uitkomst. De medisch adviseur van [eiseres] heeft geschreven (op 13 augustus 2025) dat hem is verzocht het rapport van [adviseur] ‘medisch inhoudelijk te becommentariëren, dit ook vanuit de vraag of hij hiertoe over de vereiste deskundigheid beschikt’. Dat laatste is volgens de medisch adviseur niet het geval. Vooropgesteld wordt dat de medisch adviseur heeft nagelaten toe te lichten welke kennis en ervaring hij zelf heeft op het gebied van brandwonden en het effect van UV-straling op het lichaam, zodat onduidelijk is welke waarde kan worden gehecht aan zijn beknopt weergegeven reactie. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van [adviseur] ten aanzien van de hem voorgelegde vragen. De veronderstelling van [eiseres] voorts dat de zonnestudio mogelijk niet het volledige dossier aan [adviseur] heeft verstrekt, maakt ook niet dat geen waarde aan zijn rapport kan worden gehecht. Uit het rapport blijkt niet dat daarin wordt uitgegaan van informatie die strijdig is met het dossier of dat relevante informatie niet bij [adviseur] bekend was. [eiseres] heeft ook niet gesteld dat dit het geval was. De stelling dat [adviseur] [eiseres] niet heeft gezien of onderzocht kan [eiseres] ook niet baten. Op basis van dossierstudie – met onder meer een tussenvonnis waarin de feiten zijn vastgesteld – heeft [adviseur] een oordeel kunnen geven over de hier te beantwoorden vragen. Niet valt in te zien waarom [eiseres] voor beantwoording van deze vragen had moeten worden gezien of onderzocht.\n\n2.10.. Aldus is het tegenbewijs geleverd. Bij deze stand van zaken is de gevorderde verklaring voor recht dat de zonnestudio aansprakelijk is voor de schade van [eiseres] , niet toewijsbaar. Dat betekent dat de vordering zal worden afgewezen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure op de hierna te melden wijze. Daarbij geldt dat de door de zonnestudio gemaakte deskundigenkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De zonnestudio heeft vergoeding van die kosten niet expliciet gevorderd. Op grond van artikel 239 Rv vallen kosten van een partijdeskundige niet onder de proceskosten (tot betaling waarvan de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld). Ook komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:96 lid 2 BW (ECLI:NL:GHARL:2013:9176).\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. wijst de vordering af;\n\n3.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de zonnestudio begroot op € 3.015,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n3.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.M. de Keuning en in het openbaar uitgesproken op\n\n28 januari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4722","2026-03-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.131Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":93,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":52,"updatedAt":96},"1786","ECLI:NL:RBDHA:2025:28009","ecli-nl-rbdha-2025-28009","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F671825 \u002F HA ZA 24-742\n\nVonnis van 9 april 2025\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser] ,\n\n2. [eiseres],\n\nbeiden te [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: eisers,\n\nadvocaat: mr. J.J. Turenhout,\n\ntegen\n\nGEMEENTE NIEUWKOOP,\n\nte Nieuwveen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de Gemeente,\n\nadvocaat: mrs. T. Barshini.\n\n1. Samenvatting\n\n1.1.. Deze zaak gaat over de vragen of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door [locatie] als gemeentelijk monument aan te wijzen, en zo ja, of de Gemeente de door eisers gevorderde (vertragings)schade moet vergoeden.\n\n1.2.. De rechtbank komt tot het oordeel dat het primaire besluit van de Gemeente tot aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument onrechtmatig was. De rechtbank kan echter op basis van de nu voorliggende informatie nog niet goed beoordelen of alle schade waarvan eisers vergoeding vorderen, voortvloeit uit die onrechtmatige aanwijzing.\n\n1.3.. \n\nDe rechtbank draagt eisers daarom op te bewijzen – kort gezegd – dat de gestelde vertraging in de werkzaamheden en de extra kosten die zij hebben moeten maken, voortvloeien uit de onrechtmatige aanwijzing en niet uit de wijzigingen die hun bouwplannen inhielden ten opzichte van de oorspronkelijke situatie (kort gezegd: een groter restaurant in plaats van een kleiner vissportcentrum, met parkeervoorzieningen die er nog niet waren).\n\nOok draagt de rechtbank de Gemeente het bewijs op van het door haar gevoerde eigen schuld verweer, inhoudende dat een deel van de vertraging bij de verlening van de benodigde vergunningen te wijten is aan eisers zelf.\n\n1.4.. Aan het eind van dit vonnis legt de rechtbank uit hoe de procedure nu verder gaat.\n\n2. Leeswijzer\n\nDit vonnis is als volgt opgebouwd:\n\nDe rechtbank bespreekt eerst hoe de procedure is verlopen (Hoofdstuk 3), van welke feiten zij uitgaat bij de beoordeling van deze zaak (Hoofdstuk 4), wat eisers precies hebben gevorderd en wat de Gemeente daartegen heeft ingebracht (Hoofdstuk 5).\n\nDaarna beoordeelt de rechtbank eerst de rechtmatigheid van het primaire besluit, en dan de toewijsbaarheid van de gevorderde schade. Die beoordeling mondt uit in twee bewijsopdrachten: één aan eisers die ziet op het causaal verband tussen de onrechtmatige aanwijzing en de gevorderde vertragingsschade, en één aan de Gemeente die ziet op haar eigen schuld verweren (Hoofdstuk 6).\n\nHet vonnis sluit af met een uitleg over hoe de procedure verder zal verlopen (Hoofdstuk 7) en een korte opsomming van alle beslissingen (Hoofdstuk 8).\n\n3. De procedure\n\n3.1.. Het procesdossier bestaat uit:\n\n- de dagvaarding van 10 juli 2024, met producties 1-34,\n\n- de conclusie van antwoord van 16 oktober 2024, met producties 1-85,\n\n- de akte overlegging producties van 4 september 2024, met producties 35A-37G,\n\n- het tussenvonnis van 6 november 2024,\n\n- het B-formulier van 31 december 2024 van eisers met daarin een pleitverzoek,\n\n- het bericht van de griffie van 14 januari 2025 met een zittingsagenda en vragen.\n\n3.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 februari 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Mr. Turenhout heeft, zoals voor de zitting verzocht en toegestaan, gebruik gemaakt van pleitnotities, die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Mr. Barshini heeft afgezien van het gebruik van een pleitnota. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.\n\n3.3.. Ten slotte is de datum bepaald waarop dit vonnis wordt gewezen.\n\n4. De feiten\n\n4.1.. Eisers zijn sinds 29 januari 2015 eigenaar van een perceel in Noorden, inclusief 23 hectare water en natuurgrond, dat aan grenst aan een Natura 2000-gebied (de Nieuwkoopse Plassen). Op hun perceel bevond zich het inmiddels gesloopte [locatie] , een boerderij uit de 18e eeuw, die door grondzettingen deels was verzakt. [locatie] werd laatstelijk gebruikt als vissportcentrum met restaurant en bedrijfswoning. Eisers wilden [locatie] laten slopen en op het perceel een restaurant met een bedrijfswoning realiseren.\n\n4.2.. Bij brief van 15 juli 2015 heeft het college van burgermeester en wethouders (hierna: het college) van de Gemeente aan eisers meegedeeld voornemens te zijn [locatie] aan te wijzen tot gemeentelijk monument.\n\n4.3.. \n\nVervolgens heeft het college de monumentencommissie gevraagd een vervolgonderzoek in te stellen naar de monumentale status en waarde van [locatie] .\n\nDe monumentencommissie heeft het college op 8 september 2015 geadviseerd het aanwijzingstraject te vervolgen.\n\n4.4.. Op 24 maart 2016 heeft het college het ontwerpbesluit tot de aanwijzing van [locatie] tot gemeentelijk monument aan eisers gestuurd. In dit ontwerpbesluit motiveerde zij in de zogenaamde ‘redengevende omschrijving’ waarom zij aanleiding zag om tot aanwijzing over te gaan. In deze redengevende omschrijving stond onder meer dat het dak van het hoofdgebouw zeer scheve schouders had, en dat de gevels last hadden van scheurvorming. De aard en de omvang van die scheurvorming waren niet verder onderzocht.\n\n4.5.. De monumentencommissie heeft de Gemeente op 8 april 2016 nader geadviseerd over het ontwerp-aanwijzingsbesluit. De commissie vond [locatie] monumentwaardig, op de in de redengevende omschrijving van het college genoemde gronden.\n\n4.6.. Eisers konden zich niet verenigen met het ontwerpbesluit en hebben hiertegen op 12 april 2016 een zienswijze ingediend.\n\nAanwijzing van [locatie] tot gemeentelijk monument\n\n4.7.. Bij besluit van 26 april 2016 heeft het college [locatie] aangewezen tot beschermd gemeentelijk monument (hierna: het primaire besluit).\n\n4.8.. Op 3 juni 2016 heeft de advocaat van eisers pro forma bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.\n\n4.9.. Bij brief van 3 augustus 2016 is namens eisers het bezwaar tegen het primaire besluit aangevuld met de gronden van het bezwaar en financiële gegevens.\n\n4.10.. De bezwaarschriftencommissie van de gemeente heeft het college op 20 december 2016 geadviseerd om het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit gegrond te verklaren en om dit besluit in te trekken. De commissie overwoog daartoe onder meer het volgende:\n\n“de commissie overweegt dat naast de eerdergenoemde criteria voor cultureel erfgoed bij de aanwijzing als monument ook de financiële gevolgen bij de besluitvorming dienen te worden meegewogen. Daarbij is het college uitgegaan van meerdere objecten in de gemeente die in het (recente) verleden als monument zijn aangewezen en die ook met grondzettingen te maken hadden. Voor het behoud van het object kan volgens het college op grond van ervaringen met andere objecten schade als gevolg van zettingen voorkomen worden met een ter zitting genoemd bedrag van circa € 75.000. Bezwaarmaker daartegen heeft echter een elementen-begroting van het Advies- en ontwerpburo Nico [naam 2] overgelegd, die op een bedrag van € 477.076,73 uitkomt voor het verrichten van noodzakelijke werkzaamheden ter behoud van het object als monument. Op verzoek van de commissie heeft het college hierover middels gerichte vragen een oordeel gevraagd aan de Monumentenwacht Zuid-Holland. De commissie heeft het noodzakelijk geacht de advisering aan te houden tot het beschikbaar komen van het rapport. In het uitgebrachte inspectierapport van 9 november 2016 (….) concludeert Monumentenwachter [naam 1] dat de door bezwaarmaker opgevoerde herstelkosten in de elementenbegroting van c.a. € 475.000,00 (incl. btw) als reëel bedrag moet worden aangemerkt als het gaat om het stabiliseren en in stand houden van “t [locatie] ”. Op grond hiervan komt de commissie tot het oordeel, dat de noodzakelijke kosten voor behoud van het object (nr. 4924) in zijn huidige vorm voor bezwaarmaker een onevenredige belasting vormt en dat zijn bezwaar op dit punt derhalve als gegrond moet worden aangemerkt.”\n\nAanvraag omgevingsvergunning fase I\n\n4.11.. Op 12 december 2016 hebben eisers bij het college een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ aangevraagd, voor het vervangen van vissportcentrum ‘ [locatie] ’ met bedrijfswoning door een ‘restaurant met bedrijfswoning, parkeerkelder en bijbehorende terreinvoorzieningen’.\n\n4.12.. Bij brief van 21 december 2016 heeft het college eisers meegedeeld dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning niet compleet was en dat het bouwplan in strijd was met de bestemmingen ‘horeca’, ‘water’ en ‘waarde-archeologie’ ‘met deels nadere functieaanduidingen’ ‘specifieke vorm van recreatie-vissportbedrijf en bedrijfswoning’ van het destijds geldende bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] (hierna: het bestemmingsplan). Ook moest een BIBOB-toets worden uitgevoerd. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende gegevens binnen vier weken na de verzending van deze brief aan te vullen.\n\n4.13.. Bij brief van 10 januari 2017 heeft [naam 2] , de door eisers ingeschakelde architect, in reactie op deze brief het college namens eisers verzocht om een nadere termijn voor het aanleveren van de gewenste gegevens.\n\n4.14.. \n\nOp 2 februari 2017 heeft naar aanleiding van het verzoek om aanvulling van de gegevens een overleg plaatsgevonden tussen eisers en [naam 2] enerzijds en [naam 3] en [naam 4] namens de Gemeente anderzijds.\n\n [naam 3] en [naam 4] waren beiden betrokken bij de beoordeling van de aanvraag voor de verlening van een omgevingsvergunning. Tijdens dit overleg hebben zij aan eisers en [naam 2] kenbaar gemaakt dat de strijdigheden van het bestemmingsplan niet konden worden opgelost via de afwijkingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt (‘binnenplanse oplossingen’) en dat daarom ook een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’ nodig was om het bouwplan te kunnen uitvoeren.\n\n4.15.. Eisers hebben toen besloten om de benodigde omgevingsvergunningen gefaseerd aan te vragen: omgevingsvergunning fase I voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’ en omgevingsvergunning fase II voor de activiteit ‘bouwen’.\n\n4.16.. Bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2017 heeft het college, in afwijking van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van 20 december 2016, met een aanvullende motivering en een aangepaste redenering, het door eisers ingediende bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en haar primaire besluit gehandhaafd.\n\n4.17.. \n\nOp 21 maart 2017 hebben eisers tegen het besluit van 7 februari 2017 beroep ingesteld bij deze rechtbank (team bestuursrecht). Gelijktijdig hebben zij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank (team bestuursrecht).\n\nDe voorzieningenrechter heeft op 13 april 2017, naar aanleiding van de door eisers aangevoerde gronden, aanleiding gevonden om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de STAB) als deskundige te raadplegen en een rapport te laten uitbrengen.\n\n4.18.. Op 13 april 2017 heeft het college besloten de aanvraag voor een omgevingsvergunning fase I buiten behandeling te stellen, omdat eisers hadden nagelaten de ontbrekende stukken aan te vullen, hoewel zij daartoe wel in de gelegenheid waren gesteld.\n\n4.19.. Op 15 juni 2017 heeft de STAB een rapport uitgebracht. Zij concludeerde dat [locatie] monumentwaardig was in de zin van de Erfgoedverordening en dat de aanwijzing als gemeentelijk monument niet in de weg stond aan een zinvol gebruik van het object.\n\n4.20.. Op 19 juli 2017 hebben eisers hun aanvraag voor de omgevingsvergunning fase I aangevuld met het rapport ‘Vernieuwing [locatie] ’ van Anteagroup en een toelichting op de watertoets van 18 juli 2017.\n\n4.21.. In de e-mail van 25 juli 2017 heeft [naam 3] , naar aanleiding van de watertoets, het volgende aan het Hoogheemraadschap van Rijnland geschreven:\n\n“Graag vraag ik u advies uit te brengen voor het planologisch mogelijk maken van een restaurant met bedrijfswoning op het perceel [adres] . Het bouwgedeelte van de aanvraag zal in een latere fase komen. [naam 5] heeft al eerder advies uitgebracht (zie bijlage). Naar aanleiding van het advies heeft de aanvrager een toelichting op de watertoets op laten stellen. Graag vraag ik bij het advies tevens jullie eigen project damwandconstructie langs de [straatnaam] te betrekken vanwege raakvlakken en wensen van de initiatiefnemer. Het zou vervelend zijn als dit niet op elkaar zou aansluiten.”\n\n4.22.. In een e-mail van 27 juli 2017 heeft [naam 5] van het Hoogheemraadschap van Rijnland het volgende – voor zover van belang – geantwoord:\n\n“In het plan zien wij geen toename van verhard oppervlak. Derhalve bestaat er geen compensatieverplichting ten behoeve van het graven van water.\n\nWel hebben wij een opmerking over dit plan. Intussen is duidelijk geworden dat het plan zoals de opdrachtgever voor staat niet gerealiseerd kan worden zonder de beheergrenzen tussen ons waterschap en het waterschap AGVte wijzigen. (…)\n\nOm de beheergrenzen te wijzigen dienen beide waterschapsbesturen hiertoe de noodzaak in te zien en dit te willen faciliteren. De kans daarop achten wij niet erg groot. Er ontbreekt immers een maatschappelijk belang om dit te doen, uitsluitend een particulier belang. Bovendien zou een dergelijke beheergebiedswijziging nogal wat praktische problemen opleveren ten aanzien van bevoegdheden en beheer.\n\nDe reden dat er een beheersgebiedswijziging dient plaats te vinden voor dit project is dat er niet gebouwd kan worden zoals is weergegeven op de locatie waar nu een waterkering is gelegen. De kering zou dan om het plangebied heen verlegd moeten worden zodat op de locatie van de huidige kering geen beperkingen meer gelden. Echter, die nieuwe kering zal net zoals nu het geval is, onder het bevoegd gezag moeten (blijven) vallen van AGV. Dit is echter niet mogelijk omdat het ene bevoegde gezag niet bevoegd kan zijn over beheerobjecten in een beheergebied van een anderbevoegd gezag, hetgeen een gegeven is. Deze optie valt daarom af.\n\nMocht de initiatiefnemer zijn project willen realiseren dan rest naar onze mening niets anders dan dat hij contact opneemt met AGV omdat zij binnenkort de waterkering ter plaatse gaan versterken en mogelijk deelgenoot willen worden in dit plan en zich daarvoor willen inzetten. Wanneer dit zo is vernemen wij dit van AGV en zullen tegen die tijd onze mening gaan vormen over een eventuele beheergebiedsgrenswijziging.”\n\n4.23.. Op basis van alle door eisers aangeleverde nieuwe gegevens en rapporten heeft het college geconstateerd dat op grond van het Besluit omgevingsrecht en de Wet natuurbescherming de aanhaakverplichting tussen de omgevingsvergunning en de natuurvergunning van toepassing is, en dat een verklaring van geen bedenkingen (vvgb)-natuur nodig is om de omgevingsvergunning fase I te kunnen verlenen.\n\n4.24.. Namens eisers is aan Bureau Aandacht Natuur gevraagd in het kader van de benodigde vvgb-natuur een natuuronderzoek uit te voeren. Op 28 september 2017 heeft Bureau Aandacht Natuur het rapport ‘Toetsing Wet Natuurbescherming’ uitgebracht.\n\n4.25.. Op 5 december 2017 heeft de Omgevingsdienst Haaglanden, namens Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland, een vvgb-natuur verleend.\n\n4.26.. Op 21 december 2017 heeft de voorzieningenrechter nadere vragen gesteld over het rapport van de STAB.\n\n4.27.. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 24 augustus 2018 het beroep van eisers tegen het besluit van 7 februari 2017 ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college [locatie] in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen als gemeentelijk monument, en dat eisers door die aanwijzing financieel niet onevenredig werden belast.\n\n4.28.. Op 3 oktober 2018 hebben eisers tegen deze uitspraak (pro forma) beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) Op 2 november 2018 hebben eisers de beroepsgronden aangevuld.\n\n4.29.. De Afdeling heeft op 4 december 2019 het beroep van eisers gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 7 februari 2017 vernietigd. De Afdeling heeft – voor zover van belang – het volgende overwogen:\n\n“6. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat [locatie] monumentwaardig is in de zin van de Erfgoedverordening 2010. Evenmin is in geschil dat [locatie] onderhevig is aan grondzettingen en dat, voor het behoud van dat pand, de gevolgen daarvan moeten worden geredresseerd. Partijen zijn evenwel verdeeld over de wijze waarop dit moet geschieden en of de daarmee gepaard gaande kosten niet dermate hoog zijn dat in redelijkheid had moeten worden afgezien van de aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument.\n\nZinvol (her)gebruik\n\n7. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat [appellant A] en [appellant B] aannemelijk hebben gemaakt dat [locatie] alleen in stand kan worden gehouden door deze te voorzien van een nieuwe fundering en door het reeds verzakte gedeelte daarvan op te vijzelen. Het enkel herstellen van de fundering van het pand leidt, zoals [appellant A] en [appellant B] ter zitting hebben toegelicht en zoals door het college ter zitting is erkend, tot een stahoogte van 1.80 meter in de bedrijfswoning en het daaraan grenzende gedeelte van het restaurant op de begane grond. Het betoog van het college dat tegen niet al te hoge kosten meer stahoogte kan worden gecreëerd door de verdiepingsvloer te verwijderen, wordt niet gevolgd. Daarbij is van belang dat [naam 2] ter zitting desgevraagd en onbetwist heeft toegelicht dat de hoofdspantconstructies en de verdiepingsvloer de stabiliteit van het pand waarborgen en een dragende functie hebben. Volgens [naam 2] kunnen de hoofdspantconstructies niet worden verwijderd, hetgeen betekent dat er geen sprake is van een vrije loop. Ook de verdiepingsvloer kan niet worden verwijderd zonder dat een (staal)constructie in de plaats wordt aangebracht. De kosten voor het plaatsen van een zodanige constructie en een verdiepingsvloer hoger in het pand, waardoor op de begane grond meer stahoogte ontstaat en het op de eerste verdieping gelegen slaapgedeelte van de bedrijfswoning behouden kan blijven, benaderen de kosten voor funderingsherstel met opvijzeling. Daarbij komt dat het college desgevraagd ter zitting heeft aangegeven geen onderzoek te hebben verricht naar de monumentale waarde van de verdiepingsvloer, zodat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of die vloer verwijderd mag worden zonder een daarvoor verleende omgevingsvergunning.\n\n Dat [locatie] alleen in stand kan worden gehouden door deze te voorzien van een nieuwe fundering en door het reeds verzakte gedeelte daarvan op te vijzelen, volgt voorts uit de vaststelling dat het enkel herstellen van de fundering van dat pand ertoe leidt dat de in het verzakte gedeelte daarvan gesitueerde deuren een naar huidig gebruik te lage dagmaathoogte krijgen en dat de afstand tussen de zich daar bevindende vensters en de vloer op de begane grond kleiner wordt. Ter zitting is dit door het college erkend. Deze problemen kunnen, naar de Afdeling ter zitting is gebleken, niet allemaal worden weggenomen. Zo kunnen de (kozijnen van de) drie buitendeuren aan de westgevel van [locatie] niet worden opgehoogd door de plaats van de dakrand. Daarbij komt dat het college desgevraagd ter zitting heeft aangegeven geen onderzoek te hebben verricht naar de monumentale waarde van de in het verzakte gedeelte van het pand gesitueerde deuren, zodat ook niet met zekerheid kan worden vastgesteld of (de kozijnen van) die deuren, voor zover dat al mogelijk is, mogen worden opgehoogd zonder een daarvoor verleende omgevingsvergunning.\n\nHet betoog slaagt.\n\nEvenredigheid financiële belasting\n\n8. Het behoud van [locatie] en een zinvol (her)gebruik daarvan worden slechts gewaarborgd, zoals de Afdeling hiervoor onder 7 heeft geoordeeld, indien het pand wordt voorzien van een nieuwe fundering en het verzakte gedeelte daarvan wordt opgevijzeld. Niet in geschil is dat de kosten daarvoor, uitgaande van de door [naam 2] opgestelde begroting van 5 juli 2016, minstens € 473.076,73 inclusief btw bedragen.\n\n De vraag of het college in dit bedrag, alsmede de bijkomende renovatiekosten, aanleiding had moeten vinden af te zien van de aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden beantwoord aan de hand van de door [appellant A] en [appellant B] voorgestane vergelijking met de marktwaarde van [locatie], zoals vastgesteld door de SAOZ in het rapport van 2 augustus 2017. Daartoe is van belang dat de marktwaarde van een pand in belangrijke mate wordt beïnvloed door diens staat van onderhoud. De door [appellant A] en [appellant B] voorgestane vergelijking brengt derhalve met zich dat monumentwaardige panden met een slechte staat van onderhoud, doorgaans niet kunnen worden aangewezen als gemeentelijk monument, nu de kosten van instandhouding daarvan de (te realiseren) marktwaarde in de regel zullen overtreffen. De Afdeling acht dit niet verenigbaar met het belang van de bescherming van monumentale panden, zoals gewaarborgd in de hier van toepassing zijnde regelgeving.\n\n De door de rechtbank in navolging van het college gemaakte vergelijking tussen de kosten van instandhouding van [locatie], alsmede de bijkomende renovatiekosten, en de door [appellant A] en [appellant B] begrote kosten voor de door hen beoogde nieuwbouw, komt de Afdeling evenmin juist voor. Daartoe is van belang dat de door [appellant A] en [appellant B] begrote kosten voor de door hen beoogde nieuwbouw geenszins te relateren zijn aan [locatie], omdat het daarbij wat de grootte van de bedrijfsruimte betreft om een geheel ander project gaat. De kosten voor de beoogde nieuwbouw zijn gebaseerd op een horecaruimte van 220 m2, terwijl die ruimte in [locatie] 65 m2 bedraagt. [appellant A] en [appellant B] gaan er blijkens het verhandelde ter zitting ook vanuit dat de beoogde nieuwbouw meer inkomsten zal genereren. Anders dan de rechtbank is de Afdeling daarom van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of [appellant A] en [appellant B] door de aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument al dan niet financieel onevenredig worden belast, niet bepalend is dat de kosten van instandhouding en bijkomende renovatie in dezelfde orde van grootte liggen als de kosten van de beoogde nieuwbouw.\n\n Het komt de Afdeling reëler voor om in de vergelijking de kosten van instandhouding en bijkomende renovatiekosten van het pand af te zetten tegen de herbouwwaarde van het bestaande pand. De kosten van een pand met een vergelijkbare maatvoering als die van [locatie] zijn immers meer te relateren aan [locatie] dan de beoogde nieuwbouw. Het college heeft deze vergelijking ten onrechte niet gemaakt.\n\nHet betoog slaagt.\n\nConclusie\n\n9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 februari 2017 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op het door [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 26 april 2016 gemaakte bezwaar dient te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.”\n\n4.30.. Bij brief van 5 februari 2020 heeft het college eisers geïnformeerd dat zij met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling (alsnog) het bezwaar van eisers gegrond heeft verklaard en heeft besloten het primaire besluit te herroepen. In de brief staat – voor zover relevant – het volgende:\n\n“Wij hebben met inachtneming van de uitspraak van de afdeling besloten, het op 3 juni 2016 pro forma ingediende bezwaarschrift, welke bij brief van 3 augustus 2016 met gronden van bezwaar is aangevuld, ontvankelijk en gegrond te verklaren. Wij hebben besloten de aanwijzing van het pand ’t [locatie] , aan [adres] tot gemeentelijk monument te herroepen.\n\nHet vervallen van de gemeentelijke monumentenstatus heeft consequenties voor het ingediende bouwplan door uw cliënt op het perceel (…). Over de voortgang van deze procedure volgt binnenkort een afzonderlijk besluit.”\n\nAanvraag omgevingsvergunning fase II\n\n4.31.. \n\nOp 30 juli 2020 hebben eisers een omgevingsvergunning fase II aangevraagd.\n\nHet college heeft eisers in haar (ongedateerde) brief verzocht de daarin opgesomde aanvullende gegevens uiterlijk 1 december 2020 te verstrekken.\n\n4.32.. Enkele omwonenden hebben bij de Gemeente zienswijzen ingediend tegen het voorgenomen bouwplan, onder meer over verwachte parkeeroverlast, verkeersstromen en de schaalgrootte van de nieuwbouw.\n\n4.33.. Naar aanleiding van de zienswijzen van de omwonenden hebben eisers het bouwplan aangepast. In verband daarmee zijn nieuwe stikstofberekeningen gemaakt en is namens eisers een nieuwe vvgb-natuur aangevraagd.\n\n4.34.. Bij e-mail van 15 september 2020 heeft de Gemeente [naam 2] verzocht om aanvullende gegevens aan te leveren.\n\n4.35.. Op 10 november 2020 heeft [naam 2] namens eisers diverse rapporten aan het college gestuurd.\n\n4.36.. Op 17 december 2020 heeft de Omgevingsdienst West-Holland een advies uitgebracht over het door eisers aangeleverde ‘Verkennend bodemonderzoek nieuwbouw ten behoeve van de vervanging vissportcentrum [locatie] , [adres] ’. De Omgevingsdienst heeft geconcludeerd dat de locatie nog niet geschikt is voor de nieuwbouw van een restaurant met bedrijfswoning. Geadviseerd wordt om de omgevingsvergunning te verlenen als voldaan wordt aan de in het advies genoemde voorwaarden, waaronder het doen van een zogenoemde BUS-melding.\n\nVerlening omgevingsvergunningen fase I en II\n\n4.37.. Bij besluit van 27 mei 2021 heeft het college aan eisers een omgevingsvergunning fase I verleend voor de activiteit ‘handelen in strijd met de regels van de ruimtelijke ordening’. Bij besluit van diezelfde datum heeft het college aan eisers een omgevingsvergunning fase II voor de activiteiten ‘bouwen en inrit aanpassen\u002Fverleggen’ verleend. Deze besluiten, met bijbehorende stukken, hebben van 3 juni 2021 tot en met 15 juli 2021 ter inzage gelegen.\n\nBeroepsprocedure omgevingsvergunningen fase I en II\n\n4.38.. Op 13 juli 2021 hebben twee derde-belanghebbenden bij deze rechtbank (team bestuursrecht) beroep ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunningen. Op 27 augustus 2021 hebben zij aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank (team bestuursrecht) verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n4.39.. Op 21 juli 2021 zijn de sloop- en bouwwerkzaamheden aangevangen.\n\n4.40.. Bij uitspraak van 29 oktober 2021 heeft de voorzieningenrechter de besluiten van 27 mei 2021 geschorst totdat de rechtbank in beroep een uitspraak heeft gedaan.\n\n4.41.. Op 24 december 2021 hebben eisers de voorzieningenrechter van deze rechtbank (team bestuursrecht) verzocht de schorsing van de besluiten van 27 mei 2021 op te heffen.\n\n4.42.. Bij uitspraak van 8 april 2022 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen en de schorsing opgeheven.\n\nAanvraag watervergunning\n\n4.43.. \n\nOp 14 september 2021 heeft [naam 2] , namens eisers, om het bouwplan te kunnen realiseren een watervergunning aangevraagd bij het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het waterschap) voor de volgende activiteiten:\n\n1) heien van palen in de kern en beschermingszone van een secundaire waterkering,\n\n2) bouwen van een gebouw in een secundaire waterkering en\n\n3) bouwen van een gebouw in een verholen secundaire waterkering (oostzijde).\n\n4.44.. Bij e-mailbericht van 1 oktober 2021 heeft het waterschap [naam 2] geïnformeerd dat de aanvraag onvoldoende gegevens bevatte om in behandeling te kunnen worden genomen. [naam 2] is door het waterschap in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen vóór 29 oktober 2021. Op 14 oktober 2021 heeft de Gemeente de ontbrekende gegevens ontvangen.\n\n4.45.. Op 12 november 2021 heeft het waterschap een watervergunning verleend.\n\nAdvies in verband met stikstofaspecten en vvgb-planologie\n\n4.46.. Op 10 november 2021 heeft het college een nader advies gevraagd aan de Omgevingsdienst West-Holland voor de stikstofaspecten van het project. Op 16 november 2021 heeft de Omgevingsdienst West-Holland het gevraagde advies uitgebracht.\n\n4.47.. Op 16 december 2021 heeft de gemeenteraad de vvgb-planologie aan eisers verleend.\n\n4.48.. Het college heeft op 8 maart 2022 een herstelbesluit genomen waarin voorschriften met betrekking tot het gebruik van het terras zijn opgenomen.\n\nAansprakelijkstelling\n\n4.49.. Bij brief van 6 november 2023 hebben eisers de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden (vertragings)schade. De Gemeente heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.\n\n5. Het geschil\n\n5.1.. Eisers vorderen – samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld (I). Daarnaast vorderen eisers vergoeding van de schade die zij hebben geleden door het handelen van de Gemeente van in totaal € 630.427,06 met rente en kosten (II) alsmede veroordeling van de Gemeente tot vergoeding van gederfde huurinkomsten, op te maken bij staat (III). Tot slot vorderen eisers dat de rechtbank de Gemeente veroordeelt in de proceskosten (IV).\n\n5.2.. Eisers leggen aan hun vorderingen – samengevat – ten grondslag dat de Gemeente jegens hen een onrechtmatige daad heeft gepleegd door [locatie] aan te wijzen als gemeentelijk monument. Volgens eisers hebben zij daardoor onnodige vertraging opgelopen in het realiseren van het bouwplan. De aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument stond volgens eisers in de weg aan de sloop. Eisers stellen dat zij door het handelen van de Gemeente schade hebben geleden.\n\n5.3.. \n\nDe Gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van eisers, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers in de proceskosten. Volgens de Gemeente is het primaire besluit niet onrechtmatig, omdat de Afdeling zich daarover niet heeft uitgesproken en dit besluit niet is herroepen of gewijzigd.\n\nVerder ontbreekt volgens de Gemeente het causaal verband tussen het primaire besluit en de door eisers gestelde vertraging bij het verlenen van de omgevingsvergunningen. Die vertraging was volgens de Gemeente te wijten aan de afhandeling van de zienswijzen, omdat delen van het bouwplan in strijd waren met het bestemmingsplan en eisers onvoldoende parkeergelegenheid hadden geregeld en voor de brug naar de parkeervoorziening een watervergunning nodig was.\n\n5.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n6. De beoordeling\n\n6.1.. De rechtbank moet beoordelen of de Gemeente aansprakelijk is voor de door eisers gestelde schade wegens een door de Gemeente gepleegde onrechtmatige daad, en zo ja, of de zaak moet worden verwezen naar de schadestaatprocedure.\n\n6.2.. Van een onrechtmatige daad is sprake in geval van een inbreuk op een recht of een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, tenzij er een rechtvaardigingsgrond is (zie artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). De stelplicht en bewijslast rusten daarbij op eisers: zij moeten feiten en omstandigheden aandragen – en zo nodig bewijzen – die de conclusie rechtvaardigen dat de Gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en dat zij daardoor schade hebben geleden.\n\nPrimair besluit tot aanwijzing onrechtmatig? – Ja\n\n6.3.. Met de vernietiging van de beslissing op bezwaar staat nog niet vast dat het primaire besluit ook onrechtmatig is. Het antwoord op de vraag of het primaire besluit rechtmatig of onrechtmatig is, hangt in het algemeen af van de besluitvorming die na de vernietiging van de beslissing op bezwaar plaatsvindt.\n\n6.4.. In deze zaak is het primaire besluit door de Gemeente herroepen. Wanneer een besluit van een bestuursorgaan op grond van een daartegen gemaakt bezwaar door dat bestuursorgaan wordt herroepen, hangt het af van de redenen die daartoe hebben geleid en de omstandigheden waaronder het primaire besluit tot stand is gekomen, of het nemen van het primaire besluit onrechtmatig was, en zo ja, of deze onrechtmatige daad aan het betrokken overheidslichaam kan worden toegerekend.\n\n6.5.. \n\nUit de vernietiging van het besluit op bezwaar kán dus de onrechtmatigheid van het primaire besluit blijken, maar dit hoeft niet: de gebreken die aan het besluit op bezwaar kleefden, kleven niet altijd ook aan het primaire besluit. Wanneer het primaire besluit bijvoorbeeld om beleidsmatige redenen wordt herroepen, of omdat zich na het primaire besluit nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, hoeft het primaire besluit niet onrechtmatig te zijn geweest.\n\nAnders ligt het wanneer het primaire besluit op rechtmatigheidsgronden wordt herroepen, bijvoorbeeld wegens een onjuiste wetsuitleg of strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dan is het primaire besluit wel onrechtmatig – ook als dit niet met zoveel woorden in het nieuwe besluit wordt gezegd.\n\n6.6.. \n\nIn deze zaak is volgens de Gemeente sprake van nieuwe feiten en omstandigheden omdat de financiële informatie, die nodig was om een zorgvuldige financiële belangenafweging te maken, door eisers pas in de bezwaarprocedure is aangeleverd. De Gemeente meent dat dit volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling voor risico van eisers komt, al kon zij niet benoemen welke jurisprudentie dit betreft.\n\nEisers menen dat het op de weg van de Gemeente ligt om voorafgaand aan een ingrijpend besluit als een aanwijzing tot monument zorgvuldig alle belangen te inventariseren en af te wegen op de voet van artikel 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Zij menen dat de Gemeente dit heeft nagelaten.\n\n6.7.. De rechtbank komt tot het oordeel dat het primaire besluit op rechtmatigheidsgronden is herroepen, zodat dit besluit onrechtmatig is. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.\n\n6.7.1.. \n\nDe gemeente heeft haar besluit tot herroeping niet anders gemotiveerd dan dat dit “met inachtneming van de uitspraak van de afdeling” is genomen, zodat uit het besluit niet direct is af te leiden of de herroeping op rechtmatigheidsgronden heeft plaatsgevonden.\n\nGelet op het motiveringsbeginsel en het gegeven dat het in deze zaak om een voor eisers belastend primair besluit ging dat de Gemeente op eigen initiatief had genomen, zal de rechtbank eventuele onduidelijkheid over de reden van de herroeping van het primaire besluit voor rekening van de Gemeente laten.\n\n6.7.2.. Omdat het primaire besluit ter motivering volledig verwijst naar de uitspraak van de Afdeling tot vernietiging van de beslissing op bezwaar, zal de rechtbank deze uitspraak betrekken bij de beantwoording van de vraag of het primaire besluit is herroepen op rechtmatigheidsgronden (zoals eisers stellen) of op gewijzigde omstandigheden (zoals de Gemeente aanvoert).\n\n6.7.3.. De Afdeling heeft geoordeeld dat:\n\nde gemeente in het besluit geen rekening had gehouden met de dragende functie van de hoofdspantconstructies en de verdiepingsvloer;\n\nde gemeente geen onderzoek had verricht naar de voor het besluit relevante monumentale waarde van de verdiepingsvloer en de in het verzakte gedeelte van het pand gesitueerde (kozijnen van) deuren); en dat\n\nde gemeente “ten onrechte” geen vergelijking had gemaakt tussen de kosten van instandhouding en bijkomende renovatiekosten van het pand en de herbouwwaarde van het bestaande pand.\n\n6.7.4.. De door de Afdeling benoemde aspecten waren al relevant ten tijde van het primaire besluit, nu eisers in hun zienswijze tegen het ontwerpbesluit hadden aangegeven dat instandhouding van [locatie] een onevenredige financiële inspanning van hen zou vergen, gelet op de slechte staat waarin het verkeerde, waaronder de ook door de Gemeente al opgemerkte verzakking en scheurvorming. In hun zienswijze wezen eisers erop dat in het ontwerpbesluit de kanttekening stond dat de scheurvorming in [locatie] niet was onderzocht, terwijl onderzoek daarnaar gezien de slechte onderhoudsstaat volgens eisers wel noodzakelijk was om een zorgvuldige afweging te kunnen maken.\n\n6.7.5.. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdelinggeldt dat als door de eigenaar concreet is gesteld dat de voorgenomen monumentenstatus negatieve gevolgen heeft voor bijvoorbeeld herontwikkeling of verkoop en dit genoegzaam is gemotiveerd, deze aspecten reeds bij de aanwijzing van belang zijn. Het ligt dan op de weg van het betrokken bestuursorgaan om op deze belangen in te gaan en aannemelijk te maken dat er alternatieve mogelijkheden zijn voor een zinvol hergebruik van het monument waardoor het met de aanwijzing te dienen belang van het behoud van het monument prevaleert boven het belang van de eigenaar om de aanwijzing achterwege te laten. Ingeval het bestuur aannemelijk heeft gemaakt dat dergelijk hergebruik mogelijk is, is het vervolgens aan de eigenaar om het tegendeel aannemelijk te maken.\n\n6.7.6.. Tegen de achtergrond dat sprake was van een belastend besluit op initiatief van de Gemeente en de Gemeente zelf ook al bouwkundige gebreken had opgemerkt, waren de hiervoor in 6.7.4 genoemde stellingen van eisers een voldoende concrete onderbouwing van hun standpunt dat instandhouding van [locatie] een onevenredige financiële inspanning zou vergen. Daarom lag het op de weg van de Gemeente om daarop in te gaan en zonodig nader onderzoek te (laten) doen naar de staat van [locatie] om een zinvolle vergelijking te kunnen maken tussen de kosten van instandhouding en bijkomende renovatiekosten van het pand en de herbouwwaarde van het bestaande pand – zoals de Afdeling ook (concreter) heeft geoordeeld ten aanzien van de beslissing op bezwaar.\n\n6.8.. De onder I gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen.\n\nCausaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de gevorderde schade - Maatstaf\n\n6.9.. Eisers hebben verschillende schadeposten opgevoerd, waarvan zij stellen dat die het gevolg zijn van het onrechtmatige primaire besluit.\n\n6.10.. Volgens de Gemeente zijn de meeste van deze schadeposten geen gevolgen van het primaire besluit, maar – kort gezegd – van omstandigheden die in de risicosfeer van eisers zelf liggen.\n\nMaatstaf: hypothetische situatie zonder onrechtmatig besluit\n\n6.11.. In deze zaak heeft de Gemeente na de herroeping van het primaire besluit geen nader besluit hoeven nemen. In dergelijke gevallen moet de rechter nagaan hoe het bestuursorgaan zou hebben beslist (of gehandeld) als het onrechtmatige besluit niet was genomen. Het causale verband als bedoeld in art. 6:162 lid 1 BW waar het hier om gaat, moet namelijk worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven.\n\nWelke schade vloeit i.c. voort uit het onrechtmatige besluit? – Bewijsopdrachten\n\nGevorderde schade en daartegen gevoerde verweren\n\n6.12.. Eisers vorderen in deze procedure vertragingsschade, in de vorm van hogere bouwkosten en gederfde huurinkomsten.\n\n6.12.1.. \n\nNaast een verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de vergoeding van gederfde huurinkomsten, vorderen eisers in deze procedure toewijzing van een schadebedrag van in totaal € 630.427,06. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\nMeerkosten sloop- en bouwwerkzaamheden € 600.263,87\n\nKosten voor de architect € 22.613,39\n\nKosten voor het opstellen van het rapport door Van Empel € 7.549,80\n\n € 630.427,06\n\n6.12.2.. Daarbij gaan eisers ervan uit dat zij zonder de aanwijzing alleen een sloopmelding hadden hoeven doen en dat zij de omgevingsvergunning niet geknipt, maar in één keer hadden kunnen aanvragen voor het gehele bouwplan. Die vergunning had onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) binnen zes maanden na de aanvraag verleend moeten worden, op grond van artikel 3:18 Awb. Volgens eisers waren de planologische afwijkingen in hun bouwplannen beperkt en bovendien op verzoek van de Gemeente toegevoegd, in verband met de verkeersveiligheid. Eisers stellen dat zij daarom in de hypothetische situatie op 26 april 2016, of uiterlijk op 12 juni 2017, over een geldige omgevingsvergunning hadden beschikt en met de bouw hadden kunnen beginnen.\n\n6.12.3.. Eisers stellen dat zij zonder het onrechtmatige besluit dus niet zouden zijn geconfronteerd met de extra verplichtingen en drempelwaarden die voortvloeiden uit de PAS-uitspraak, zodat zij ook geen kosten hadden moeten maken voor de daarmee gemoeide deskundigenrapporten.\n\n6.12.4.. Als eerder met de bouw had kunnen worden begonnen, zou [locatie] eerder klaar zijn geweest, zodat eisers het eerder hadden kunnen verhuren en huurinkomsten hadden kunnen genieten.\n\n6.13.. De Gemeente voert verweer. Zij vindt dat eisers de schadeposten onvoldoende hebben onderbouwd. Ook meent de Gemeente dat het niet aan de aanwijzing tot gemeentemonument te wijten is dat het zo lang heeft geduurd dat met de sloop van het oude [locatie] en de werkzaamheden voor het nieuwe [locatie] kon worden begonnen. De Gemeente meent dat de omgevingsvergunning fase I pas omstreeks mei 2020 ter inzage zou zijn gelegd, ook als de aanwijzing van [locatie] tot monument achterwege was gebleven. Daartoe heeft de Gemeente het volgende aangevoerd.\n\n6.13.1.. Na de beoordeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning fase I concludeerde het college dat er een aanhaakplicht gold, waardoor een verklaring van geen bezwaar van het waterschap nodig was (een ‘vvgb-natuur’). [locatie] was namelijk gelegen op de scheiding van de beheergebieden waterschap Amstel, Gooi en Vecht en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht was ten tijde van de vergunningsaanvraag bezig met het versterken van de waterkering door middel van het aanleggen van een nieuwe damwandconstructie. De plannen van eisers – vooral de brug naar de parkeervoorziening – raakten aan deze constructie, daarom moesten zij een watervergunning aanvragen. Dit had niets te maken met de aanwijzing tot monument, maar heeft volgens de Gemeente wel geleid tot vertraging in het realiseren van het bouwplan.\n\n6.13.2.. Na het verlenen van de vvgb-natuur was de aanvraag nog niet compleet en kon het college niet overgaan tot terinzagelegging van het ontwerpbesluit. De voortdurende discussie die eisers met het college hebben gevoerd over de uitleg van het bestemmingsplan en de geldende parkeernormen heeft volgens de Gemeente ook voor een aanzienlijke vertraging in de beoordeling van de omgevingsvergunning fase I gezorgd. Eisers moesten nog onderzoek laten verrichten naar de parkeersituatie in de omgeving van [locatie] . Eisers hadden onvoldoende parkeergelegenheid voor de (grotere) nieuwbouw geregeld.\n\n6.13.3.. Naast het parkeren moest ook rekening worden gehouden met de geluidsaspecten (aantonen van aanvaardbaar woon- en leefklimaat) en de toename van het aantal verkeersbewegingen op en rond het parkeereiland. De vertraging in de beoordeling van de omgevingsvergunningen had volgens de Gemeente ook te maken met de afhandeling van de ingediende zienswijzen, mede gelet op het feit dat delen van het bouwplan in strijd waren met het bestemmingsplan.De Gemeente verwijst onder meer naar haar brief van 7 februari 2020.Het verwerken van de zienswijzen van de omwonenden heeft volgens de Gemeente ongeveer 11 maanden geduurd.\n\n6.13.4.. Ook was er volgens de Gemeente een uitgebreide Wabo-procedure nodig, omdat de door het college geconstateerde strijdigheden met het bestemmingsplan niet konden worden opgelost met de binnenplanse afwijkingsbevoegdheden. Dit betekent dat eisers de vergunningen ook zonder het onrechtmatige besluit gefaseerd hadden moeten aanvragen.\n\n6.13.5.. Daarbij komt dat eisers hun bouwplannen meermaals hebben aangepast, waardoor het college genoodzaakt was deze aanpassingen opnieuw te beoordelen en nieuwe gegevens moesten worden aangeleverd. De beoordeling van omgevingsvergunning fase II heeft volgens de Gemeente lange tijd stil gelegen door het ontbreken van relevante stukken die eisers moesten aanleveren. De Gemeente verwijst in dit kader onder meer naar haar brieven van 9 februari 2017en 13 april 2017,het bericht van [naam 2] van 29 maart 2018en de verschillende rapporten die als producties 55-58 bij conclusie van antwoord zijn overgelegd.\n\n6.13.6.. Verder had de PAS-uitspraak van de Afdeling op 29 mei 2019 tot gevolg dat de vvgb-natuur van 5 december 2017 niet meer geldig was en een nieuwe vvgb-natuur moest worden aangevraagd bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Vanwege de hiervoor genoemde vertragende factoren zouden eisers volgens de Gemeente ook last hebben gehad van deze uitspraak, en van de gevolgen van de inval in Oekraïne daarna.\n\n6.13.7.. Tot slot meent de Gemeente dat eisers ondanks het aanwijzingsbesluit een vergunning voor sloop van een monument hadden kunnen aanvragen, waardoor eventuele vertraging door de aanwijzing voorkomen of beperkt had kunnen worden. Ook hadden eisers het indienen van aanvragen en opgevraagde informatie volgens de Gemeente niet mogen uitstellen totdat duidelijk was wat er met het aanwijzingsbesluit zou gebeuren.\n\nOordeel rechtbank: toewijsbaarheid vertragingsschade nog onduidelijk\n\n6.14.. De rechtbank is van oordeel dat het causaal verband tussen de vertragingsschade en de onrechtmatige aanwijzing tot gemeentelijk monument nadere toelichting behoeft. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.\n\n6.14.1.. Eisers stellen dat zij zonder de onrechtmatige aanwijzing hadden kunnen volstaan met een sloopmelding en dat zij een ongesplitste vergunningaanvraag hadden kunnen doen, waardoor zij inschatten dat zij in elk geval op 12 juni 2017 over een geldige omgevingsvergunning hadden kunnen beschikken en met de bouw hadden kunnen beginnen. Deze inschatting komt de rechtbank niet op voorhand aannemelijk voor, omdat de bouwplannen van eisers meer omvatten dan het vervangen van het oude vissportcentrum met bedrijfswoning door nieuwbouw van dezelfde omvang en met dezelfde functie. Het vissportcentrum moest een (groter) restaurant worden, en er moest een parkeerkelder met bijbehorende terreinvoorzieningen komen die in de oorspronkelijke situatie niet bestonden.\n\n6.14.2.. \n\nDergelijke wijzigingen in een bestaande situatie kunnen in het omgevingsrecht gevolgen hebben voor de door de aanvrager te volgen procedure, de betrokken bestuursorganen en belangen, en de inspraakmogelijkheden voor omwonenden. De Gemeente heeft over de gevolgen van die wijzigingen voor de te volgen procedure en het daarmee gemoeide tijdsbestek gemotiveerde standpunten ingenomen (zie hiervoor onder 6.13.1-6.13.5), die eisers met het ter zitting aangevoerde nog niet voldoende hebben geadresseerd.\n\nDe rechtbank zal eisers daarom toelaten tot het bewijs van hun stellingen dat:\n\na. a) zij op 26 april 2016, of uiterlijk op 12 juni 2017, over de benodigde vergunningen zouden hebben beschikt en met de bouw hadden kunnen beginnen, en dat\n\nb) de opgelopen vertraging volledig te wijten is aan de onrechtmatige aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument.\n\n6.14.3.. \n\nDe Gemeente heeft ook eigen schuld verweren gevoerd (zie hiervoor onder 6.13.2 en 6.13.5). Zij heeft gesteld dat het meermaals is voorgekomen dat eisers hun plannen meermaals (uit eigen beweging) hebben gewijzigd, waardoor de Gemeente opnieuw moest beslissen, dat eisers ten onrechte vasthielden aan binnenplanse oplossingen voor strijdigheden met het bestemmingsplan en dat eisers onvoldoende parkeergelegenheid hadden geregeld. Ook stelt de Gemeente dat zij eisers in het kader van de omgevingsvergunning meermaals om aanvullende informatie heeft gevraagd, maar dat eisers die informatie met vertraging aanleverden. Eisers hebben dit alles weersproken (zie hiervoor onder 6.12.2 en 6.12.3), zodat het aan de Gemeente is om haar stellingen te bewijzen.\n\nDe rechtbank zal de Gemeente daarom toelaten tot het bewijs van haar onder 6.13.2 en 6.13.5 verkort weergegeven stellingen over vertraging die aan eisers is toe te rekenen.\n\n6.14.4.. \n\nZoals ter zitting al toegelicht, gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van de Gemeente dat eisers ondanks het aanwijzingsbesluit een vergunning voor sloop van een monument hadden kunnen aanvragen, waardoor eventuele vertraging door de aanwijzing voorkomen of beperkt had kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat in redelijkheid niet van eisers kon worden verwacht dat zij kosten, moeite en tijd zouden besteden aan het aanvragen van een vergunning voor het slopen van het oude [locatie] dat de Gemeente – ondanks hun bezwaren – kort daarvoor als monument had aangewezen. De Gemeente heeft niets aangevoerd op grond waarom eisers in het kader van die vergunningsaanvraag een andere beslissing van de Gemeente hadden mogen verwachten dan diezelfde Gemeente recent in het kader van de aanwijzingsprocedure had genomen.\n\nDaarmee is overigens nog niet beslist op de rest van het in 6.14.3 bedoelde eigen schuld verweer van de Gemeente.\n\n7. Hoe nu verder?\n\n7.1.. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen zodat partijen in een aktekunnen aangeven hoe zij aan hun bewijsopdracht willen voldoen. Ook kunnen zij suggesties doen voor de inrichting van de in dat kader te volgen procedure.\n\n7.2.. Voor zover partijen het bewijs willen leveren door middel van informatie die schriftelijk of digitaal kan worden aangeleverd, moeten partijen die informatie direct met hun akte indienen, zodat de wederpartij daarop in de antwoordakte kan reageren.\n\n7.3.. Als partijen getuigen willen doen horen, moeten zij in de akte opnemen:\n\n- de namen en contactgegevens van de te horen personen;\n\n- de verhinderdata van henzelf, de wederpartij en de te horen personen voor de maanden september, oktober en november 2025.\n\n7.4.. Vier weken later komt de zaak weer op de rol voor het nemen van een antwoordakte. In die akte kunnen partijen reageren op de regiesuggesties die de wederpartij heeft gedaan. Ook kunnen zij in reactie op de door de wederpartij overgelegde informatie eventueel aanvullende informatie in het geding brengen, zodat alle schriftelijk\u002Fdigitaal beschikbare informatie bij iedereen bekend is voordat aan nadere bewijsverrichtingen wordt toegekomen.\n\n7.5.. Daarna komt de zaak op de rol voor rolbeslissing voortprocederen; de rechtbank zal dan naar aanleiding van de akten en mede aan de hand van de suggesties van partijen beslissen hoe de verdere procedure het beste kan worden ingericht.\n\n7.6.. De rechtbank gaat ervanuit dat partijen in de periode tussen dit vonnis en de in 7.5 bedoelde rolbeslissing contact met elkaar opnemen om te bespreken of zij geheel of gedeeltelijk tot een minnelijke regeling kunnen komen.\n\n7.7.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n8.1.. draagt eisers op te bewijzen dat:\n\na. a) zij op 26 april 2016, of uiterlijk op 12 juni 2017, over de benodigde vergunningen zouden hebben beschikt en met de bouw hadden kunnen beginnen, en dat\n\nb) de opgelopen vertraging volledig te wijten is aan de onrechtmatige aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument.\n\n8.2.. draagt de Gemeente op te bewijzen haar onder 6.13.2 en 6.13.5 verkort weergegeven stellingen over de vertraging die aan eisers is toe te rekenen.\n\n8.3.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 14 mei 2025voor de in 7.1 bedoelde akte,\n\n8.4.. bepaalt dat, als partijen bewijsstukkenwillen overleggen, zij die stukken dan direct bij die akte in het geding moeten brengen,\n\n8.5.. bepaalt dat, als partijen getuigenwillen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maandenseptembertot en metnovember 2025dan direct bij de in 7.1 bedoelde akte moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald,\n\n8.6.. bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van C.J-A. Seinen, in het Paleis van Justitie te Den Haag, Prins Clauslaan 60,\n\n8.7.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 juni 2025voor de in 7.4 bedoelde antwoordakte,\n\n8.8.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025.\n\n2565\n\n [Rb: Amstel Gooi en Vecht.]\n\nECLI:NL:RBDHA:2018:12119 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12119).\n\n [Rb: Besluit Uniforme Saneringen.]\n\n HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2087 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AW2087)(Enschede\u002FGerridzen - tot besluitvorming na vernietiging bob is i.c. niet gekomen; dan is voor de burgerlijke rechter uitgangspunt dat het besluit rechtmatig is); HR 19 december 2008,ECLI:NL:HR:2008:BF3257 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BF3257), r.o. 3.5.2 (Hoogland\u002FRotterdam – primair besluit bleef in besluitvorming na vernietiging intact  Uiteindelijk heeft de bestuursrechtelijke procedure erin geresulteerd dat het primaire besluit in stand is gebleven en onherroepelijk is geworden. Onder die omstandigheden is voor de burgerlijke rechter uitgangspunt dat het primaire besluit rechtmatig is, al op het tijdstip waarop het is genomen.)\n\n HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:HR:1998:ZC2588)(Boeder\u002FStaat), r.o. 5.2.\n\n Rechtbank Noord-Holland (MK Haarlem) 28 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12759 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:12759).\n\n Rechtbank Oost-Brabant 30 januari 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:475 (https:\u002F\u002Fwww.legalintelligence.com\u002Fdocuments\u002F31777548?srcfrm=basic+search&docindex=2&stext=herroeping%20van%20een%20primair%20besluit%20op%20rechtmatigheidsgronden).\n\n Vgl. ECLI:NL:RBOVE:2021:1627 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2021:1627).\n\n ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1226, r.o. 4.2.\n\n HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112 (Hengelo\u002FWevers), r.o. 3.5.2.\n\n Alinea 35-42 pleitnota eisers.\n\nProducties 47 en 53 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 38 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 17 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 20 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 31 bij conclusie van antwoord.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28009","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.856Z",20]