[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-value-added-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":73},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},78,"value-added-tax-nl","Value Added Tax","NL","2026-07-08T16:55:03.373Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2024-09-18T00:00:00.000Z","2026-05-06T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122451","Algemene wet bestuursrecht","art. 6:8",1,[27,38,47,56,65],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"454","ECLI:NL:GHDHA:2026:1592","ecli-nl-ghdha-2026-1592","","Rolnummer: 22-000600-24\n\nParketnummer: 10-996552-17\n\nDatum uitspraak: 6 mei 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,\n\nadres: [adres] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. [B.V. 1] op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 27 november 2014 te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)(maand)aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [B.V. 1] betreffende de\u002Fhet tijdvak(ken):\n\n- januari 2011 en\u002Fof februari 2011 en\u002Fof maart 2011 en\u002Fof april 2011 en\u002Fof mei 2011 en\u002Fof juni 2011 en\u002Fof juli 2011 en\u002Fof augustus 2011 en\u002Fof september 2011 en\u002Fof oktober 2011 en\u002Fof november 2011 en\u002Fof december 2011 en\u002Fof\n\n- februari 2012 en\u002Fof maart 2012 en\u002Fof april 2012 en\u002Fof mei 2012 en\u002Fof juni 2012 en\u002Fof juli 2012 en augustus 2012 en\u002Fof september 2012 en\u002Fof oktober 2012 en\u002Fof november 2012 en\u002Fof december 2012 en\u002Fof\n\n- januari 2013 en\u002Fof februari 2013 en\u002Fof maart 2013 en\u002Fof april 2013 en\u002Fof mei 2013 en\u002Fof juni 2013 en\u002Fof juli 2013 en\u002Fof augustus 2013 en\u002Fof september 2013 en\u002Fof oktober 2013 en\u002Fof november 2013 en\u002Fof december 2013 en\u002Fof\n\n- januari 2014 en\u002Fof februari 2014 en\u002Fof maart 2014 en\u002Fof april 2014 en\u002Fof mei 2014 en\u002Fof juni 2014 en\u002Fof juli 2014 en\u002Fof augustus 2014 en\u002Fof september 2014 en\u002Fof oktober 2014 onjuist en\u002Fof onvolledig heeft gedaan, immers heeft\u002Fhebben zij en\u002Fof haar\u002Fhun mededaders(s) - zakelijk weergegeven - (telkens) opzettelijk op de\u002Fhet bij de Inspecteur der belastingen en\u002Fof de Belastingdienst te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, in elk geval de Belastingdienst, ingeleverde\u002Fingezonden aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting (betreffende de\u002Fhet genoemde tijdvak(ken)) (ten name van de genoemde rechtspersoon) (telkens) een te laag bedrag aan omzet en\u002Fof een te laag bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend en\u002Fof een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en\u002Fof een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl dat feit\u002Fdie feiten (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van bovengenoemd strafbare feit zij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en\u002Fof aan welke verboden gedraging(en) zij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;\n\nDe in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;\n\n2. [B.V. 2] op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 oktober 2016 te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)(maand)aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [B.V. 2] betreffende de\u002Fhet tijdvak(ken):\n\n-januari 2012 en\u002Fof februari 2012 en\u002Fof maart 2012 en\u002Fof mei 2012 en\u002Fof juni 2012 en\u002Fof juli 2012 en\u002Fof augustus 2012 en\u002Fof september 2012 en\u002Fof november 2012 en\u002Fof\n\n-januari 2013 en\u002Fof februari 2013 en\u002Fof maart 2013 en\u002Fof april 2013 en\u002Fof juli 2013 en\u002Fof oktober 2013 en\u002Fof november 2013 en\u002Fof\n\n-januari 2014 en\u002Fof februari 2014 en\u002Fof maart 2014 en\u002Fof mei 2014 en\u002Fof juli 2014 en\u002Fof oktober 2014 en\u002Fof december 2014 en\u002Fof -februari 2015 en\u002Fof maart 2015 en\u002Fof mei 2015 en\u002Fof juni 2015 en\u002Fof juli 2015 en\u002Fof augustus 2015 en\u002Fof september 2015 en\u002Fof oktober 2015 en\u002Fof november 2015 en\u002Fof\n\n-januari 2016 en\u002Fof februari 2016 en\u002Fof maart 2016 en\u002Fof april 2016 en\u002Fof mei 2016 en\u002Fof juni 2016 en\u002Fof juli 2016 en\u002Fof augustus 2016 en\u002Fof september 2016 onjuist en\u002Fof onvolledig heeft gedaan,\n\nimmers heeft\u002Fhebben hij en\u002Fof zijn\u002Fhun mededaders(s) - zakelijk weergegeven - (telkens) opzettelijk op de\u002Fhet bij de Inspecteur der belastingen en\u002Fof de Belastingdienst te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, in elk geval de Belastingdienst, ingeleverde\u002Fingezonden aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting (betreffende de\u002Fhet genoemde tijdvak(ken)) (ten name van de genoemde rechtspersoon) (telkens) een te laag bedrag aan omzet en\u002Fof een te laag bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend en\u002Fof een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en\u002Fof een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl dat feit\u002Fdie feiten (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van bovengenoemd strafbare feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en\u002Fof aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n 3. [B.V. 3] op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2017 te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)(maand en\u002Fof kwartaal)aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [B.V. 3] betreffende de\u002Fhet tijdvak(ken):\n\n- tweede kwartaal 2015 en\u002Fof vierde kwartaal 2015 en\u002Fof -januari 2016 en\u002Fof februari 2016 en\u002Fof maart 2016 en\u002Fof april 2016 en\u002Fof mei 2016 en\u002Fof juni 2016 en\u002Fof juli 2016 en\u002Fof augustus 2016 en\u002Fof september 2016 en\u002Fof oktober 2016 en\u002Fof november 2016 en\u002Fof december 2016 en\u002Fof\n\n- januari 2017 en\u002Fof februari 2017 en\u002Fof maart 2017 en\u002Fof april 2017 onjuist en\u002Fof onvolledig heeft gedaan, immers heeft\u002Fhebben hij en\u002Fof zijn\u002Fhun mededaders(s)- zakelijk weergegeven - (telkens) opzettelijk op de\u002Fhet bij de Inspecteur der belastingen en\u002Fof de Belastingdienst te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, in elk geval de Belastingdienst, ingeleverde\u002Fingezonden aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting (betreffende de\u002Fhet genoemde tijdvak(ken)) (ten name van de genoemde rechtspersoon) (telkens) een te laag bedrag aan omzet en\u002Fof een te laag bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend en\u002Fof een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en\u002Fof een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl dat feit\u002Fdie feiten (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van bovengenoemd strafbare feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en\u002Fof aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n4. zij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 12 april 2017, te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (een) geschrift(en) dat\u002Fdie bestemd was\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-077) en\u002Fof -een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-081) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-085) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-087) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-080) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-082) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-086) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-083) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-088) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-079) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-084) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 12 april 2017 (DOC-078),\n\nalthans een of meer geschrift(en), (telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat\u002Fdie bestemd was\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en\u002Fof heeft vervalst, met het oogmerk om deze\u002Fdit verklaring(en)\u002Fgeschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken en\u002Fof vervalsen (telkens) hierin bestaan dat op\u002Fin die verklaring(en) betalingsgedrag, althans dat\u002Fdie geschrift(en) valselijk, immers in strijd met de waarheid is vermeld:\n\n- dat (volgens de Belastingdienst) door [B.V. 3] alle verschuldigde loonheffingen en\u002Fof premie(s) volksverzekering en\u002Fof werknemersverzekering en \u002Fof omzetbelasting (over een periode voorafgaand aan de datum zoals vermeld op de desbetreffende verklaringen betalingsgedrag) is\u002Fzijn betaald en\u002Fof -dat die\u002Fdat verklaring(en)\u002Fgeschrift(en) afkomstig was\u002Fwaren van en\u002Fof opgemaakt en\u002Fof ondertekend was\u002Fwaren door\u002Fvan ((een) medewerker(s) van) de Belastingdienst;\n\nen\u002Fof\n\nzij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 12 april 2017, te 's-Gravenhage en\u002Fof Amsterdam en\u002Fof Gorinchem en\u002Fof Badhoevedorp en\u002Fof Lijnden en\u002Fof Rotterdam en\u002Fof Ridderkerk en\u002Fof Hendrik-Ido-Ambacht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met(een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal opzettelijk gebruik heeft gemaakt en\u002Fof doen gebruik maken van (een) vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), als ware dat geschrift\u002Fdie geschriften echt en onvervalst, immers heeft verdachte een of meerdere verklaring(en) betalingsgedrag, te weten -een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-077) en\u002Fof -een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-081) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-085)en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-087) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-080) en\u002Fof -een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-082) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-086) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-083) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-088) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-079) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-084) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 12 april 2017 (DOC-078) althans een of meer geschrift(en), (telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat\u002Fdie bestemd was\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen, opgestuurd en\u002Fof doen opsturen en\u002Fof verstrekt en\u002Fof doen verstrekken en\u002Fof afgegeven en\u002Fof doen afgeven aan [B.V. 4] en\u002Fof [B.V. 5] en\u002Fof [B.V. 6] en\u002Fof [B.V. 7] en\u002Fof [B.V. 8] en\u002Fof [B.V. 9] , althans een of meer (andere) rechtsperso(o)n(en) en bestaande die valsheid of vervalsing daarin dat op\u002Fin de verklaring(en) betalingsgedrag valselijk, immers in strijd met de waarheid was vermeld:\n\n- dat (volgens de Belastingdienst) door [B.V. 3] alle verschuldigde loonheffingen en\u002Fof premie(s) volksverzekering en\u002Fof werknemersverzekering en \u002Fof omzetbelasting (over een periode voorafgaand aan de datum zoals vermeld op de desbetreffende verklaringen betalingsgedrag) is\u002Fzijn betaald en\u002Fof\n\n- dat die\u002Fdat verklaring(en)\u002Fgeschrift(en) afkomstig was\u002Fwaren van en\u002Fof opgemaakt en\u002Fof ondertekend was\u002Fwaren door\u002Fvan ((een) medewerker(s) van) de Belastingdienst.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van het voorarrest. Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de inbeslaggenomen administratie terug gaat naar de verdachte.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot iets andere bewezenverklaringen komt.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. [B.V. 1] op één of meerderetijdstippen inof omstreeksde periode van 1 januari 2011 tot en met 27 november 2014 te 's-Gravenhageen\u002Fof Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,meermalen,althans eenmaal (telkens)opzettelijk(een)bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten(een)(maand)aangifte(n)voor de omzetbelasting ten name van [B.V. 1] betreffende de\u002Fhettijdvak(ken):\n\n- januari 2011 en\u002Foffebruari 2011 en\u002Fofmaart 2011 en\u002Fofapril 2011 en\u002Fofmei 2011 en\u002Fofjuni 2011 en\u002Fofjuli 2011 en\u002Fofaugustus 2011 en\u002Fofseptember 2011 en\u002Fofoktober 2011 en\u002Fofnovember 2011 en\u002Fofdecember 2011 en\u002Fof\n\n- februari 2012 en\u002Fofmaart 2012 en\u002Fofapril 2012 en\u002Fofmei 2012 en\u002Fofjuni 2012 en\u002Fofjuli 2012 en augustus 2012 en\u002Fofseptember 2012 en\u002Fofoktober 2012 en\u002Fofnovember 2012 en\u002Fofdecember 2012 en\u002Fof\n\n- januari 2013 en\u002Foffebruari 2013 en\u002Fofmaart 2013 en\u002Fofapril 2013 en\u002Fofmei 2013 en\u002Fofjuni 2013 en\u002Fofjuli 2013 en\u002Fofaugustus 2013 en\u002Fofseptember 2013 en\u002Fofoktober 2013 en\u002Fofnovember 2013 en\u002Fofdecember 2013 en\u002Fof\n\n- januari 2014 en\u002Foffebruari 2014 en\u002Fofmaart 2014 en\u002Fofapril 2014 en\u002Fofmei 2014 en\u002Fofjuni 2014 en\u002Fofjuli 2014 en\u002Fofaugustus 2014 en\u002Fofseptember 2014 en\u002Fofoktober 2014 onjuist en\u002Fofonvolledig heeft gedaan, immers heeft\u002Fhebbenzijen\u002Fof haar\u002Fhun mededaders(s)- zakelijk weergegeven -(telkens)opzettelijk op de\u002Fhetbijde Inspecteur der belastingen en\u002Fof de Belastingdienst te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, in elk gevalde Belastingdienst, ingeleverde\u002Fingezonden aangiftebiljet(ten)voor de omzetbelasting(betreffende de\u002Fhetgenoemde tijdvak(ken)) (ten name van de genoemde rechtspersoon) (telkens)een te laag bedrag aan omzet en\u002Fofeen te laag bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend en\u002Fofeen te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en\u002Fofeen te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijldat feit\u002Fdie feiten(telkens)ertoe strekte(n)dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van bovengenoemd strafbare feit zij, verdachte,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en\u002Fofaan welke verboden gedraging(en)zij,verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n2. [B.V. 2] op één of meerderetijdstippen inof omstreeksde periode van 1 januari 2012 tot en met 31 oktober 2016 te 's-Gravenhageen\u002Fof Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen,althans eenmaal (telkens)opzettelijk(een)bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten(een)(maand)aangifte(n)voor de omzetbelasting ten name van [B.V. 2] betreffende de\u002Fhettijdvak(ken):\n\n- januari 2012 en\u002Foffebruari 2012 en\u002Fofmaart 2012 en\u002Fofmei 2012 en\u002Fofjuni 2012 en\u002Fofjuli 2012 en\u002Fofaugustus 2012 en\u002Fofseptember 2012 en\u002Fofnovember 2012 en\u002Fof\n\n- januari 2013 en\u002Foffebruari 2013 en\u002Fofmaart 2013 en\u002Fofapril 2013 en\u002Fofjuli 2013 en\u002Fofoktober 2013 en\u002Fofnovember 2013 en\u002Fof\n\n- januari 2014 en\u002Foffebruari 2014 en\u002Fofmaart 2014 en\u002Fofmei 2014 en\u002Fofjuli 2014 en\u002Fofoktober 2014 en\u002Fofdecember 2014 en\u002Fof\n\n- februari 2015 en\u002Fofmaart 2015 en\u002Fofmei 2015 en\u002Fofjuni 2015 en\u002Fofjuli 2015 en\u002Fofaugustus 2015 en\u002Fofseptember 2015 en\u002Fofoktober 2015 en\u002Fofnovember 2015 en\u002Fof\n\n- januari 2016 en\u002Foffebruari 2016 en\u002Fofmaart 2016 en\u002Fofapril 2016 en\u002Fofmei 2016 en\u002Fofjuni 2016 en\u002Fofjuli 2016 en\u002Fofaugustus 2016 en\u002Fofseptember 2016 onjuist en\u002Fofonvolledig heeft gedaan,\n\nimmers heeft\u002Fhebbenzijen\u002Fof zijn\u002Fhun mededaders(s)- zakelijk weergegeven -(telkens)opzettelijk op de\u002Fhetbijde Inspecteur der belastingen en\u002Fof de Belastingdienst te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, in elk gevalde Belastingdienst, ingeleverde\u002Fingezonden aangiftebiljet(ten)voor de omzetbelasting(betreffende de\u002Fhetgenoemde tijdvak(ken)) (ten name van de genoemde rechtspersoon) (telkens)een te laag bedrag aan omzet en\u002Fofeen te laag bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend en\u002Fofeen te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en\u002Fofeen te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijldat feit\u002Fdie feiten(telkens)ertoe strekte(n)dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van bovengenoemd strafbare feitzij, verdachte,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,opdracht heeft gegeven en\u002Fofaan welke verboden gedraging(en)zij, verdachte,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n3. [B.V. 3] op één of meerderetijdstippen inof omstreeksde periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2017 te 's-Gravenhageen\u002Fof Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,meermalen, althans eenmaal (telkens)opzettelijk(een)bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten(een)(maanden\u002Fof kwartaal)aangifte(n)voor de omzetbelasting ten name van [B.V. 3] betreffende de\u002Fhettijdvak(ken):\n\n- tweede kwartaal 2015 en\u002Fofvierde kwartaal 2015 en\u002Fof\n\n- januari 2016 en\u002Foffebruari 2016 en\u002Fofmaart 2016 en\u002Fofapril 2016 en\u002Fofmei 2016 en\u002Fofjuni 2016 en\u002Fofjuli 2016 en\u002Fofaugustus 2016 en\u002Fofseptember 2016 en\u002Fofoktober 2016 en\u002Fofnovember 2016 en\u002Fofdecember 2016 en\u002Fof\n\n- januari 2017 en\u002Foffebruari 2017 en\u002Fofmaart 2017 en\u002Fofapril 2017\n\nonjuist en\u002Fofonvolledig heeft gedaan, immers heeft\u002Fhebbenzijen\u002Fof zijn\u002Fhun mededaders(s)- zakelijk weergegeven -(telkens)opzettelijk op de\u002Fhetbij deInspecteur der belastingen en\u002Fof de Belastingdienst te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, in elk geval deBelastingdienst, ingeleverde\u002Fingezonden aangiftebiljet(ten)voor de omzetbelasting(betreffende de\u002Fhetgenoemde tijdvak(ken)) (ten name van de genoemde rechtspersoon) (telkens)een te laag bedrag aan omzet en\u002Fofeen te laag bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend en\u002Fofeen te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en\u002Fofeen te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijldat feit\u002Fdie feiten (telkens)ertoe strekte(n)dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van bovengenoemd strafbare feitzij, verdachte,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,opdracht heeft gegeven en\u002Fofaan welke verboden gedraging(en)zij, verdachte,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n4. zij, op één of meertijdstippen inof omstreeksde periode van 1 juni 2015 tot en met 12 april 2017, te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,meermalen, althans eenmaal (een)geschrift(en) dat\u002Fdie bestemdwas\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-077) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-081) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-085) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-087) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-080) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-082) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-086) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-083) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-088) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-079) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-084) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 12 april 2017 (DOC-078),\n\nalthans een of meer geschrift(en), (telkens)zijnde(een)geschrift(en) dat\u002Fdie bestemdwas\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen,(telkens) valselijk heeft opgemaakt en\u002Fofheeft vervalst, met het oogmerk om deze\u002Fditverklaring(en)\u002Fgeschrift(en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende datvalselijk opmaken en\u002Fofvervalsen(telkens)hierin bestaan datop\u002Fin die verklaring(en)betalingsgedrag, althans dat\u002Fdie geschrift(en)valselijk, immers in strijd met de waarheid is vermeld:\n\n- dat (volgens de Belastingdienst) door [B.V. 3] alle verschuldigde loonheffingen en\u002Fofpremie(s)volksverzekering en\u002Fofwerknemersverzekering en\u002Fofomzetbelasting (over een periode voorafgaand aan de datum zoals vermeld op de desbetreffende verklaringen betalingsgedrag) is\u002Fzijn betaald en\u002Fof\n\n- dat die\u002Fdatverklaring(en)\u002Fgeschrift(en)afkomstigwas\u002Fwaren van en\u002Fofopgemaakt en\u002Fofondertekendwas\u002Fwaren door\u002Fvan ((een)medewerker(s)van)de Belastingdienst;\n\nen\u002Fof\n\nzij, op één of meertijdstippen inof omstreeksde periode van 1 juni 2015 tot en met 12 april 2017, te 's-Gravenhageen\u002Fof Amsterdam en\u002Fof Gorinchem en\u002Fof Badhoevedorp en\u002Fof Lijnden en\u002Fof Rotterdam en\u002Fof Ridderkerk en\u002Fof Hendrik-Ido-Ambacht,althans in Nederland, tezamen en in vereniging met(een) ander(en), althans alleen,meermalen, althans eenmaalopzettelijk gebruik heeft gemaakten\u002Fof doen gebruik makenvan(een) vals(e) ofvervalst(e)geschrift(en), als waredat geschrift\u002Fdie geschriften echt en onvervalst, immers heeft verdachteeen of meerdereverklaring(en)betalingsgedrag, te weten\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-077) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-081) en\u002Fof\n\n–een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-085) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-087) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-080) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-082) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-086) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-083) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-088) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-079) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-084) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 12 april 2017 (DOC-078)\n\nalthans een of meer geschrift(en), (telkens)zijnde (een) geschrift(en) dat\u002Fdie bestemd was\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen, opgestuurd en\u002Fof doen opsturen en\u002Fof verstrekt en\u002Fof doen verstrekken en\u002Fof afgegeven en\u002Fof doen afgeven aan [B.V. 4] en\u002Fof [B.V. 5] en\u002Fof [B.V. 6] en\u002Fof [B.V. 7] en\u002Fof [B.V. 8] en\u002Fof [B.V. 9], althans een of meer (andere) rechtsperso(o)n(en)en bestaande dievalsheid ofvervalsing daarin datop\u002Fin de verklaring(en)betalingsgedrag valselijk, immers in strijd met de waarheid was vermeld:\n\n- dat (volgens de Belastingdienst)door [B.V. 3] alle verschuldigde loonheffingen en\u002Fofpremie(s)volksverzekering en\u002Fofwerknemersverzekering en\u002Fofomzetbelasting (over een periode voorafgaand aan de datum zoals vermeld op de desbetreffende verklaringen betalingsgedrag)is\u002Fzijn betaald en\u002Fof\n\n-dat die\u002Fdatverklaring(en)\u002Fgeschrift(en)afkomstigwas\u002Fwaren van en\u002Fofopgemaakt en\u002Fofondertekendwas\u002Fwaren door\u002Fvan ((een)medewerker(s)van)de Belastingdienst.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij tot het feit opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen,terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij tot het feit opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij tot het feit opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging meermalen gepleegd.\n\nHet onder 4 bewezenverklaarde levert op:\n\nvalsheid in geschrift, meermalen gepleegd.\n\nen\n\nopzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDoor de raadsman is bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle\n\nrechtsvervolging, aangezien sprake is geweest van putatieve overmacht in de zin van\n\neen noodtoestand. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat zij werd geconfronteerd met een conflict van plichten waarbij zij de plicht tot het (op tijd) betalen van omzetbelasting heeft opgeofferd [en deze (deels) heeft opgeschort] om te voldoen aan de maatschappelijke plicht om een nog levensvatbaar bedrijf in de lucht te houden en het personeel door te betalen. De raadsman concludeert tot ontslag van rechtsvervolging.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\n De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat het verweer dient te worden verworpen nu de verdachte het betalen van de salarissen van het personeel niet had mogen laten voorgaan op het doen van juiste aangiften omzetbelasting en het daarop betalen daarvan, ook gelet op de omstandigheid dat de fiscus een preferente schuldeiser is. Bovendien is sprake geweest van een lange periode waarover de gedragingen hebben plaatsgevonden en waren er redelijke alternatieve mogelijkheden voorhanden.\n\nBeoordeling\n\nNu de verdediging zich beroept op putatieve overmacht begrijpt het hof het verweer van de verdachte aldus dat sprake is van een beroep op de buitenwettelijke schulduitsluitingsgrond van afwezigheid van strafrechtelijke relevante schuld (ook wel aangeduid als afwezigheid van alle schuld, verder: AVAS) met betrekking tot de aan de verdachte onder 1, 2 en 3 verweten gedragingen.\n\nVoor een geslaagd beroep op AVAS dient de verdachte verontschuldigbaar te hebben gedwaald omtrent haar plicht om de juiste aangifte omzetbelasting te doen.\n\nOp grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat de verdachte als feitelijk leidinggever van de drie bedrijven verantwoordelijk was voor het correct en tijdig doen van de aangiften omzetbelasting. Zij heeft dat op de bewezenverklaarde wijze nagelaten.\n\nNaar het oordeel van het hof blijken uit hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen feiten en omstandigheden op grond waarvan de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent de te maken afweging. Enerzijds wist zij heel goed dat zij de wettelijke plicht had om juiste en volledige aangiften en afdrachten van de omzetbelasting te doen en anderzijds zijn geen omstandigheden gesteld die het standpunt ondersteunen dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat zij moest voldoen aan de gestelde ongeschreven maatschappelijke plicht om het loon door te betalen ten koste van de verplichtingen jegens de belastingdienst en\u002Fof dat zij geen andere afweging kon maken dan zij heeft gedaan. Zij heeft de situatie jarenlang laten voorduren en bovendien in dat kader ook nog verklaringen omtrent betalingsgedrag vervalst waaruit zou volgen dat zij aan haar belastingverplichtingen had voldaan, opdat ondernemingen op basis van deze onjuiste voorstelling van zaken de ondernemingen waarvan ze feitelijk leidinggever was, zouden blijven contracteren voor het leveren van diensten. Voorts werd de financiële ruimte die ontstond door de te lage aangiften en afdrachten omzetbelasting, onder andere gebruikt om een oude belastingschuld af te betalen.\n\nOnder die omstandigheden is het naar het hof derhalve niet aannemelijk geworden dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent een bij de belastingwet voorziene verplichting om de aangiften juist en volledig te doen.\n\nHet hof verwerpt dan ook het verweer van de verdediging en de verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich jarenlang schuldig gemaakt aan belastingfraude. Zij heeft feitelijk leiding gegeven aan, en opdracht verstrekt tot, het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting door drie ondernemingen. Het is van essentieel belang dat de Belastingdienst vertrouwen kan stellen in de juistheid van de ingediende belastingaangiften. Dit essentiële vertrouwen is in deze zaak, door toedoen van de verdachte, ernstig geschaad. De verdachte heeft namelijk in een periode van ruim zes jaar structureel aangiften omzetbelasting ingediend die niet overeenkwamen met de werkelijkheid, met als gevolg dat zij de Belastingdienst heeft benadeeld, en daarmee de samenleving als geheel, voor miljoenen euro’s.\n\nEvenals de rechtbank gaat het hof bij de berekening van de omvang van het nadeel\n\nuit van het feitelijk geleden nadeel. Dat houdt in dat het te veel betaalde bedrag aan omzetbelasting in bepaalde maanden wordt afgetrokken van het nadeelbedrag over de maanden en jaren dat te weinig belasting is betaald. Het hof komt dan uit op een berekend fiscaal nadeelbedrag van om en nabij € 3,9 miljoen.\n\nDe verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het vervalsen van verklaringen omtrent betalingsgedrag en het gebruik daarvan. Zij gebruikte deze verklaringen om tegenover klanten de indruk te wekken dat de bedrijven aan al hun fiscale verplichtingen hadden voldaan om hen door deze onjuiste voorstelling van zaken ertoe te bewegen met die ondernemingen te blijven contracteren.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 april 2026, waaruit blijkt dat aan de verdachte eerder door het Openbaar Ministerie een strafbeschikking is opgelegd voor het plegen van valsheid in geschrift en dat de verdachte zich kort hierna wederom schuldig heeft gemaakt aan hetzelfde strafbare feit.\n\nHet hof zal bij het bepalen van de straf uitgaan van dit eerder genoemde benadelingsbedrag van € 3,9 miljoen. Daarbij merkt het hof op dat het oriëntatiepunt fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als benedengrens bij een fraudebedrag van een miljoen euro of meer een gevangenisstraf van 24 maanden of meer inhoudt. De hierboven beschreven ernst en duur van de feiten rechtvaardigen hier de keuze om een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren op te leggen. Een taakstraf is bij dit feitencomplex niet aan de orde.\n\nAls strafmatigend neemt het hof in aanmerking dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 25 augustus 2016, te weten het moment van het geven van de cautie en het verhoor van de verdachte bij de Belastingdienst over de onderhavige feiten. In eerste aanleg zijn meer dan twee jaren verstreken tussen het aanvangen van de termijn en het vonnis, dat is gewezen op 15 februari 2021. De redelijke termijn is in eerste aanleg overschreden met bijna 2,5 jaren. In totaal heeft de verdachte dus 4,5 jaar na haar eerste verhoor moeten wachten op een oordeel van de rechtbank. Hiervoor is geen goede verklaring te geven: de verdachte heeft direct na haar aanhouding in haar verhoren de strafbare feiten bekend en zij heeft zelf ook geen onderzoekswensen ingediend.\n\nIn de appelfase zijn ook meer dan twee jaren verstreken tussen het namens de verdachte instellen van het hoger beroep op 1 maart 2021 en het wijzen van het arrest op 6 mei 2026. De redelijke termijn is in hoger beroep overschreden met ruim 3 jaren, terwijl de verdachte ook in hoger beroep geen onderzoekswensen heeft ingediend. Inmiddels zijn dus bijna 10 jaar verstreken sinds het eerste verhoor van de verdachte.\n\nHet hof zal vanwege de ernstige overschrijding van de redelijke termijn geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.\n\nVoorts houdt het hof in matigende zin rekening met de proceshouding van de verdachte. Ze heeft de fraude onmiddellijk toegeven en haar verantwoordelijkheid niet ontkend. Tevens houdt het hof houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder haar leeftijd (bijna 74 jaar) en haar gezondheidssituatie\n\nAlles afwegende ziet het hof aanleiding om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de maximale duur die de wet kent, namelijk twee jaar.\n\nInbeslaggenomen voorwerpen\n\nTen aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggeven voorwerpen beslist het hof,\n\novereenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging,\n\nals volgt.\n\nHet hof zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de aan dit arrest gehechte beslaglijst onder 5 t\u002Fm 26 vermelde voorwerpen\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 51, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van2 (twee) jaren.\n\nBepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf alsdan in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de op de lijst van inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, namelijk de voorwerpen genummerd:\n\n- 5 t\u002Fm 26.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M. Koole, als voorzitter, mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. V.M. de Winkel, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 mei 2026.\n\nmr. M.I. Veldt-Foglia is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1592","2026-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:31.135Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":42,"fullText":43,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":36,"updatedAt":46},"1724","ECLI:NL:GHDHA:2026:1881","ecli-nl-ghdha-2026-1881","2026-04-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-25\u002F548\n\nUitspraak van 8 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: N.A. Gangadin)\n\nen\n\nde ontvanger van de Belastingdienst, de Ontvanger,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 juni 2025, nummer SGR 24\u002F7856.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Ontvanger heeft belanghebbende een aanmaning gezonden ter zake van een aan hem voor het jaar 2024 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (de aanmaning en de naheffingsaanslag). Bij de aanmaning zijn bij beschikking kosten van vervolging ten bedrage van € 9 in rekening gebracht (de aanmaningskosten). De Ontvanger heeft vervolgens een dwangbevel aan belanghebbende betekend met bevel tot betaling van de aanslag en de aanmaningskosten. In het dwangbevel heeft de Ontvanger voor de betekening bij beschikking een bedrag van € 49 in rekening gebracht (de betekeningskosten).\n\n1.2.. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Ontvanger belanghebbendes bezwaren tegen de aanmaningskosten en dwangbevelkosten gegrond verklaard en verminderd tot nihil. De Ontvanger heeft een proceskostenvergoeding van € 156 toegekend.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 15 februari 2026 nadere stukken ingediend.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2. De Ontvanger heeft de bezwaren tegen de aanmaningskosten en betekeningskosten bij uitspraak op bezwaar gegrond verklaard. Ter zake van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft de Ontvanger in de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar vermeld:\n\n“Forfaitaire vergoeding rechtsbijstand\n\nUw cliënt heeft recht op onderstaande forfaitaire vergoeding voor het inschakelen van rechtsbijstand.\n\nIndienen van het bezwaar: 1 punt\n\nVergoeding per punt € 624,00\n\nWegingsfactor van dit bezwaar (zeer licht) 0,25\n\n € 156,00\n\nWegingsfactor\n\nHet gewicht van de zaak wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid. De uitkomst van de beoordeling dient in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.\n\nIk ben van mening dat dit een zaak is met een zeer licht gewicht, omdat u als gemachtigde had kunnen volstaan met een verwijzing naar de nog lopende procedure tegen de betreffende aanslag en het ingediende verzoek om uitstel.\n\nGelet op de inhoud en de omvang van het bezwaar ben ik van mening dat er sprake is van een geringe werkbelasting. Ik heb de wegingsfactor vastgesteld op 0,25.\n\nSamenhang\n\nAangezien ik uw bezwaar tegen de aanmaningskosten\u002Fdwangbevelkosten voor de aanslag (…) gelijktijdig heb behandeld en het in beide gevallen gaat om bezwaren tegen kosten van vervolging waarbij de werkzaamheden van de gemachtigde nagenoeg identiek (konden) zijn, zie ik deze zaken als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Gelet op het bovenstaande keer ik slechts eenmaal een kostenvergoeding uit. Het totale bedrag aan kostenvergoeding voor dit bezwaar heb ik daarom vastgesteld op € 156,00. Dit bedrag zal op korte termijn worden uitbetaald of verrekend.”\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Ontvanger als verweerder:\n\n“8. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder uitgaan van wegingsfactor 0,25. De inspanning van de gemachtigde heeft zich in de bezwaarfase kunnen beperken tot de schriftelijke melding dat de aanmaningskosten respectievelijk de dwangbevelkosten onterecht in rekening zijn gebracht omdat eiser uitstel van betaling had. De twee geschriften zijn nagenoeg gelijkluidend, op één zin na. Het betreft dan ook eenvoudige, beperkte werkzaamheden van korte duur die slechts een geringe inspanning van de rechtsbijstandverlener vergden.\n\n9. Nu de bezwaren van eiser gelijktijdig zijn behandeld, rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener nagenoeg identiek konden zijn, is sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 Bpb. Volgens de bijlage bij het Bpb geldt voor minder dan 4 samenhangende zaken een factor 1. Verweerder heeft dan ook terecht éénmaal proceskostenvergoeding toegekend. Omstandigheden voor een hogere vergoeding acht de rechtbank niet aanwezig.\n\n10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.\n\n11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In geschil is of de Rechtbank de kostenvergoeding voor de bezwaarfase tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. In bijzonder in geschil is de hoogte van de wegingsfactor. Niet langer in geschil is dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de kostenvergoeding en tot vaststelling van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase met toepassing van een wegingsfactor van primair 1 en subsidiair 0,5.\n\n4.3.. De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\n5.1.. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Ontvanger voor de bezwaarfase ten onrechte een kostenvergoeding heeft toegekend met toepassing van wegingsfactor 0,25 (zeer licht), omdat de gemachtigde van belanghebbende meerdere inhoudelijke proceshandelingen heeft verricht. Zo heeft hij afzonderlijke bezwaarschriften ingediend tegen de aanmaningskosten en de betekeningskosten en inhoudelijke gronden aangevoerd onder verwijzing naar beleid en jurisprudentie. Vanwege deze extra werkbelasting, hetgeen het gevolg is van meerdere fouten van de Ontvanger tijdens de invorderingsprocedure, dient een wegingsfactor van 1 dan wel 0,5 te worden gehanteerd, aldus belanghebbende.5.2.. De Ontvanger stelt dat de Rechtbank terecht is uitgegaan van een wegingsfactor van 0,25.\n\n5.3.. Het Hof stelt voorop dat het als beoordelende instantie op grond van een eigen waardering dient te beoordelen in welke gewichtscategorie van onderdeel C1 van de Bijlage bij het Bpb de zaak valt (vgl. HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:915, r.o. 3.3.3). Hierbij moet per fase van de procedure worden beoordeeld welke wegingsfactor van toepassing is (HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243, r.o. 3.2.2). Het aan een zaak toekomende gewicht wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang, de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener (vgl. HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162, r.o. 3.3).\n\n5.4.. Hoewel de gemachtigde van belanghebbende twee afzonderlijke bezwaarschriften heeft ingediend, die overigens nagenoeg gelijkluidend zijn, is sprake van een zeer eenvoudig te beslechten geschil waarbij zijn werkzaamheden en inspanningen gering zijn geweest. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat een wegingsfactor van 0,25 (‘zeer licht’) passend is vanwege de eenvoud van het geschil en de daarmee gepaard gaande eenvoudige, beperkte werkzaamheden van korte duur van de gemachtigde.\n\n5.5.. Hetgeen belanghebbende daartegenover heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat een hogere wegingsfactor moet worden toegekend enkel omdat de Ontvanger heeft erkend dat de aanmaning en het dwangbevel ten onrechte zijn gegeven. Voor zover belanghebbende verwijst naar een aantal uitspraken in belastingzaken waarin een hogere wegingsfactor dan 0,25 is toegepast, overweegt het Hof dat de feiten in deze zaken andersluidend zijn dan in de onderhavige zaak en dat de gewichtscategorie in iedere zaak op grond van een eigen waardering dient te worden beoordeeld.\n\n5.6.. Voor zover belanghebbende stelt dat de uitspraak van de Rechtbank onvoldoende is gemotiveerd doordat belanghebbendes verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank van 25 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23359 (SGR 23\u002F6435) niet is beoordeeld, overweegt het Hof dat de feiten in deze zaak niet gelijk zijn aan de onderhavige zaak. Bijkomend overweegt het Hof dat het enkele feit dat de Rechtbank deze uitspraak in dit geval niet expliciet in haar oordeel heeft betrokken niet tot de conclusie leidt dat haar motivering ontoereikend is.\n\nSlotsom\n\n5.7.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, T.A. de Hek en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer T.A. de Hek.\n\nDe griffier, de raadsheer,\n\nT.S.K.L. Tjon T.A. de Hek\n\nDe beslissing is op 8 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1881","2026-06-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:35.917Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":52,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":36,"updatedAt":55},"734","ECLI:NL:GHDHA:2026:890","ecli-nl-ghdha-2026-890","2026-03-25T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-25\u002F22 en BK-25\u002F23\n\nUitspraak van 25 maart 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: H. Weisfelt)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 december 2024, nummers SGR 22\u002F8184 en SGR 22\u002F8185.\n\nProcesverloop\n\n1.1.1.. Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 4.107 (naheffingsaanslag I). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 759 aan belastingrente in rekening gebracht en is een boete van € 882 opgelegd.\n\n1.1.2.. Aan belanghebbende is over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 12.367 (naheffingsaanslag II). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 1.976 aan belastingrente in rekening gebracht en is een boete van € 2.421 opgelegd.\n\n1.2.. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de boetebeschikking bij naheffingsaanslag I verminderd. Het bezwaar tegen naheffingsaanslag II heeft de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard en aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Vervolgens heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag II en de daarbij behorende boetebeschikking verminderd.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 365. Het oordeel van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\nvermindert naheffingsaanslag I tot € 955 aan omzetbelasting, met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente, en vermindert boete I tot € 94;\n\nvermindert naheffingsaanslag II tot € 4.464 aan omzetbelasting, met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente, en vermindert boete II tot € 466;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot het bedrag van € 2.998;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiser te vergoeden.”\n\n1.4.. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Partijen hebben een pleitnota overgelegd. Gelijktijdig met de behandeling van de onderhavige zaken zijn ter zitting ook de zaken met de nummers BK-25\u002F18 en BK-25\u002F19 en de zaken met nummers BK-25\u002F22 en BK-25\u002F23 behandeld. Al hetgeen in de ene zaak wordt aangevoerd, wordt geacht te zijn aangevoerd in de andere zaken, tenzij het specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. \n\n [A] en [B] investeren gezamenlijk, in hun eigen namen, in onroerende zaken. Bij brief van 3 november 2020 heeft de Inspecteur laten\n\nweten dit samenwerkingsverband aan te merken als belastingplichtige voor de\n\nomzetbelasting.\n\n2.2.. \n\n [A] is enig aandeelhouder van [B.V. 1] en [B] is enig aandeelhouder van [B.V. 2] .\n\n [B.V. 1] en [B.V. 2] zijn ieder voor de helft de aandeelhouders van [B.V. 3] . De onderneming van [B.V. 3] bestaat uit de aankoop, renovatie en verkoop van woningen.\n\n [B.V. 1] en [B.V. 2] zijn ook, ieder voor een derde, aandeelhouder in [B.V. 4] . De derde aandeelhouder van [B.V. 4] is [B.V. 5] . Enig aandeelhouder van [B.V. 5] is [C] (broer van [B] ). [B.V. 5] is actief op het gebied van bouwbegeleiding.\n\nVoorts zijn [B.V. 1] en [B.V. 2] , ieder voor de helft, de aandeelhouders van [B.V. 6] . Deze vennootschap drijft een groothandel in bouwmaterialen.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft in de loop van de jaren 2012 tot en met 2017 ruim 50 onroerende zaken verworven. Overwegend waren dat woningen in gedateerde staat, die na aankoop werden gerenoveerd en vervolgens door belanghebbende werden verhuurd. In enkele gevallen werden woningen na renovatie niet verhuurd maar doorverkocht. De woningen werden overwegend van derden verworven en een aantal keren van [B.V. 3] . Daarbij ging het om woningen die [B.V. 3] niet goed verkocht kreeg of waar anderszins iets mee aan de hand was. Daarnaast bezit belanghebbende enige garages die zij verhuurt.\n\n2.4.. Bij de renovaties gaat belanghebbende steeds op dezelfde wijze te werk als [B.V. 3] en [B.V. 4] . Zij schakelt daarvoor dezelfde vaste architect en aannemer in, maakt eveneens gebruik van de diensten van [B.V. 5] en laat de woningen opknappen in dezelfde stijl, met gebruikmaking van dezelfde van [B.V. 6] betrokken standaardmaterialen als [B.V. 3] en [B.V. 4] dat doen.\n\n2.5.. Belanghebbende had in de onderhavige perioden [B.V. 7] ingeschakeld. [B.V. 7] is ontbonden met achterlating van aanzienlijke omzetbelastingschulden.\n\n2.6.1.. \n\nOp 17 december 2018 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek bij [A] en [B] aangekondigd. Het is afgerond met een controlerapport van 20 juli 2021. In dit rapport heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende op grond van artikel 12, lid 5, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in samenhang met artikel 24b van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UBOB) met een aannemer moet worden gelijkgesteld – dat hij een zogenaamde ‘eigenbouwer’ is – en daarom de verleggingsregeling van toepassing is op de diensten van de aannemer aan belanghebbende. Voorts heeft hij de verhuur van de garages op de voet van artikel 7, lid 2, onderdeel b, Wet OB als belaste prestatie aangemerkt.\n\nIn het verlengde daarvan heeft de Inspecteur naheffingsaanslagen aangekondigd. Bij de berekening daarvan heeft hij de omzetbelasting die [B.V. 7] (wel) heeft voldaan, toegerekend en in mindering gebracht op de bedragen aan verlegde omzetbelasting die belanghebbende als eigenbouwer had moeten verantwoorden.\n\nVoorts heeft de Inspecteur vergrijpboetes aangekondigd, met de motivering dat belanghebbende grofschuldig nalatig is geweest door niet te onderkennen eigenbouwer te zijn, alsmede verzuimboetes ter zake van de verhuur van de garages.\n\n2.6.2.. Het controlerapport vermeldt onder meer:\n\n“4.1.3 Beoordeling eigenbouwerschap en toepassing van de verleggingsregeling\n\n4. 1.3.1 Bedrijfsactiviteiten (projectontwikkeling)\n\nDoor belanghebbenden worden gedateerde woningen met onder andere achterstallig onderhoud gekocht, volledig gerenoveerd\u002Fverbouwd voor eigen rekening en uiteindelijk in de verhuur (en incidenteel verkoop) op de woningmarkt aangeboden. Verder is in een aantal gevallen op projectmatige wijze een object ontwikkeld: aankoop van het registergoed, inwendig volledig gesloopt, bouwkundig gesplitst in verschillende appartementen en verbouwd en op de woningmarkt aangeboden in de verkoop of aangeboden voor de verhuur. Voorts hebben belanghebbenden appartementen ontwikkeld\u002Fgebouwd op de panden [adres 1] en [adres 2] en twee garages gebouwd. Ook komt het voor dat vóór de aanvang van de verbouwing al een koper is gevonden en dat in gezamenlijk overleg de verbouwing door middel van nadere afspraken wordt uitgevoerd. Hierbij wordt dan gerefereerd aan 'door [B.V. 3] gehanteerde opleveringsniveau'en aan referentieobjecten welke al door [B.V. 3] zijn verbouwd\u002Fgerenoveerd. Voor een nadere omschrijving van werkzaamheden bij de verbouwingen wordt verwezen naar de hoofdstuk 3 waarin een aantal projecten en de betrokkenheid van de belanghebbenden bij deze projecten uitgebreid is beschreven. Ten behoeve van deze werkzaamheden zijn door belanghebbenden aannemers ingehuurd om deze werkzaamheden van stoffelijke aard te verrichten. Uit de bovengenoemde omstandigheden en activiteiten van het samenwerkingsverband volgt het eigenbouwerschap en dit heeft tot gevolg dat de (onder)aannemers de verleggingsregeling moeten toepassen. De eerder genoemde uitzonderingen op de verleggingsregeling doen zich bij het samenwerkingsverband niet voor.\n\n4. 1.3.2 Geen opdracht van een opdrachtgever\n\n(…)\n\nDe opdrachtgever wordt door belanghebbenden gevonden tijdens het uitvoeren van het werk of na de voltooiing van het werk. Het komt ook voor dat al een afnemer\u002Fopdrachtgever wordt gevonden voordat de verbouwing plaatsvindt. In dat geval kan het samenwerkingsverband als aannemer aangemerkt worden. Ook dan geldt verplicht de verleggingsregeling. Er worden dan immers overeenkomsten met klanten gesloten waarbij met de kopende partij al afspraken worden gemaakt op welke wijze de verbouwingen worden uitgevoerd en wat de verbouwing inhoudt, waaronder de uitvoering keuken, badkamer et cetera.\n\n4. 1.3.3 Het werk behoort tot de normale bedrijfsuitoefening\n\n(…)\n\nDe algehele leiding over de werkzaamheden berust in dit geval bij het samenwerkingsverband. Van belang daarbij is dat het samenwerkingsverband zo'n 65 en [B.V. 3] vanaf 2008 tot 2017 circa 200 panden op deze manier hebben verbouwd en gerenoveerd. Het samenwerkingsverband en in het verlengde daarvan [B.V. 3] hebben derhalve meer kennis dan een 'normale' opdrachtgever. Weliswaar wordt ook bouwbegeleiding ingehuurd van de heer [C] via [B.V. 5] h.o.d.n. [Adviesbureau] , maar het veronderstelde aantal uren dat de heer [C] aan de bouwprojecten van het samenwerkingsverband en [B.V. 3] heeft besteed, maakt niet dat er sprake is van algehele leiding door derden. Voor wat betreft het aantal veronderstelde uren merken wij op dat de bouwbegeleider vermoedelijk beperkt is ingezet wanneer de grootboekrekeningen en bankafschriften worden afgespeurd. Voor wat betreft inzet van de heer [C] dan wel zijn vennootschap zijn in 2014 geen afschrijvingen te bespeuren. In 2015 bedraagt dit € 3.050 en € 2.796. Alleen in 2017 is een substantieel bedrag van € 22.543 ontvangen. Belanghebbenden hebben verklaard dat de heer [C] circa € 500 per project ontvangt en meer voor de grotere projecten. Op de rekeningafschriften zien wij een enkele keer € 508, wat aansluit bij de\n\nverklaring van belanghebbenden. Wij vragen ons echter af hoeveel werk belanghebbenden\n\ndaadwerkelijk uit handen is genomen. Het bedrag is inclusief omzetbelasting waardoor het een zeer geringe vergoeding betreft. Bij het becommentariëren van het conceptrapport hebben belanghebbenden aangegeven dat de inzet van [C] zeer intensief is. Gelet op hetgeen is vastgelegd en is af te leiden uit de administratie achten wij intensieve inzet zeer onwaarschijnlijk.\n\nBlijkens ons ten dienste staande gegevens die volgen uit het inleidend gesprek bij gelieerde\n\nvennootschap [B.V. 3] heeft de heer [A] verklaard dat hij prijsafspraken maakte met de heer [D] , bestuurder van [Ltd. 1] en medewerker van [B.V. 7] (onderaannemers van het samenwerkingsverband in 2014 tot en met 2016). Dit is tevens gebleken uit het e-mailverkeer tussen [B.V. 7] (onderaannemer in 2015 en 2016) en [B.V. 3] waarbij naar voren komt dat de rol bij prijsafspraken direct maar ook indirect bij belanghebbenden als DGA's ligt. Tevens is gebleken dat belanghebbenden actief betrokken zijn bij de verbouwingen ten behoeve van de verhuur. Zo bespreekt de heer [B] en\u002Fof [A] met de architecten en bouwkundigen hoe hij de verbouwing ziet, wat zij precies met het pand willen en of hun ideeën met betrekking tot de verbouwing\u002Fsplitsing mogelijk zijn. Met de (potentiële) kopers worden voornamelijk door de heer [B] en\u002Fof [A] afspraken gemaakt over hoe het pand verbouwd wordt en of de wensen van de klant mogelijk zijn.\n\nBij specifieke bouwkundige vragen wordt de koper in bepaalde gevallen naar de heer [C] verwezen. Echter, de bemoeienis van de heer [C] lijken ons zoals eerder beschreven niet heel intensief, gezien de vergoedingen voor zijn werkzaamheden die hij van het samenwerkingsverband ontvangt. De heer [C] dient met de belanghebbenden te overleggen. Nergens is uit gebleken dat hij zelfstandig (zonder toestemming van de\n\nbelanghebbenden) beslissingen mag nemen. Tijdens een bespreking op 3 maart 2021 hebben\n\nbelanghebbenden erkend dat presterende partijen graag een handtekening zien van de\n\nopdrachtgevers. Wij nemen aan dat het toezicht op het verloop van de verbouwingen mede door de belanghebbenden wordt verricht.\n\nVan belang is voorts dat belanghebbenden al dan niet via [B.V. 3] zich sinds 2008 met deze activiteiten bezighouden en dat de heer [B] in het verleden een\n\ncontrollersfunctie bij een bouwbedrijf heeft bekleed. Naast de algemene kennis op het gebied van aankoop, verbouwing en verkoop, beschikt de heer [B] ook over technische kennis. De technische kennis van de heer [B] blijkt onder meer uit zijn werkervaring, de taakverdeling van de werkzaamheden en de aard van zijn werkzaamheden en hetgeen de heer [A] over de heer [B] zegt op de website van [B.V. 3] : \"Hij is de technische man van ons tweeën. Vrijwel zijn gehele familie zit in de aannemerij. Hij is opgegroeid tussen architecten, ingenieurs en uitvoerders. [B] is theoretisch uitstekend onderlegd en door zijn praktijkervaring heeft hij een groot technisch inzicht. Hij kan een pand beoordelen op zijn huidige staat en de bouwkundige mogelijkheden. [B.V. 3] is zijn vermogen om overzicht te bewaren bij complexe projecten.\"Daarnaast blijkt de technische kennis van de heer [B] onder meer uit een door hem opgestelde zeer uitgebreide offerte in februari 2014 namens [B.V. 4] van een verbouwing van het pand [adres 3] te [woonplaats] voor een bedrag van ruim € 190.000. De offerte begint met:\"Beste […] en […] , In aansluiting op onze diverse besprekingen en gedane opname ter plaatse bevestigen wij de volgende werkzaamheden in uitvoering te zullen nemen en wel (...)\".\n\nWat volgt zijn zeven pagina's met beschrijvingen van werkzaamheden. Vervolgens wordt\n\nafgesloten met \"Vertrouwende u hiermee een passende aanbieding te hebben gedaan, Met\n\nvriendelijke groet, [B] \u002F [B.V. 4] \".\n\nGezien de jarenlange ervaring met betrekking tot dit soort objecten en het gezamenlijke optreden voor [B.V. 3] en het samenwerkingsverband moet de organisatorische en technische kennis ook bij de heer [A] aanwezig zijn. Dit blijkt onder meer uit de intensieve bemoeienis tijdens de ontwikkeling van projecten en de contacten met architecten, het offreren en het maken van afspraken met kopers. Daarnaast blijkt de organisatorische en technische kennis van de heer [A] onder meer uit zijn werkervaring, de taakverdeling van de werkzaamheden en de aard van zijn werkzaamheden.\n\nHet voornoemde volgt met name uit het bij [B.V. 3] uitgevoerde onderzoek. Gelet op vermenging van eenzelfde netwerk en de aanwezige kennis veronderstellen wij dat de situatie van belanghebbenden nooit veel kan afwijken van de situatie bij [B.V. 3] In de navolgende alinea wordt aan het voornoemde nadere invulling gegeven.\n\nBelanghebbenden hebben hun projecten doorgaans mede laten financieren. Uit de taxatierapporten die ten behoeve hiervan zijn opgestelde blijkt meer dan incidenteel dat belanghebbenden hun te maken kosten aanzienlijk lager inschatten dan de taxateur. De reden die zij hiervoor hebben aangevoerd is dat zij de verbouwing deels in eigen beheer laten uitvoeren. Als voorbeeld citeren wij uit het taxatierapport van de [adres 4] : \"Kosten volgens opgave toekomstige eigenaren circa € 30. 000, waarbij de werkzaamheden deels in eigen beheer en deels door derden, doch vaste relaties, worden uitgevoerd, waardoor het als reële schatting van de kosten wordt aangemerkt. Indien de werkzaamheden geheel door derden worden uitgevoerd, in opdracht van een particulier, worden de kosten geschat op € 45.000”Wij nemen gelet op het voornoemde aan dat belanghebbenden zich inhoudelijk bemoeien met de projecten. Verder merken wij op dat uit het gros van de taxatierapporten die zijn opgemaakt voorafgaand aan de verbouwing blijkt dat werkzaamheden deels in eigen beheer worden uitgevoerd. Het heeft er dus alle schijn van dat de feitelijk leiding bij belanghebbenden berust.\n\nOp basis van de opgedane ervaringen met [B.V. 3] zagen de heren [B] en\n\n [A] kennelijk een markt voor soortgelijke activiteiten door middel van een aannemingsbedrijf dan wel ontstond er vraag van de particuliere woningbezitter om soortgelijke verbouwingen\u002Frenovaties in opdracht te verrichten. Dit heeft geresulteerd in de oprichting van het aannemingsbedrijf [B.V. 4] op […] 2012. Sinds de oprichting van [B.V. 4] in 2012 zijn er tot 2017 ongeveer 60 woningen ingrijpend verbouwd of gerenoveerd.\n\nDe kennis, kunde en vakmanschap en ondernemingszin van beide aandeelhouders in de burgerlijke (ver)bouw blijkt ook uit het feit dat zij gezamenlijk het volledige kapitaalbelang in [B.V. 6] bezitten. Via deze vennootschap worden allerlei bouwmaterialen ingekocht, al dan niet door middel van import. Niet onaannemelijk zijn de voordelen die komen kijken bij grootschalige inkoop. De bouwmaterialen worden geleverd aan het samenwerkingsverband, [B.V. 3] en [B.V. 4] ten behoeve van de uit te voeren projecten, maar ook aan niet-gelieerde bouwbedrijven. Het betreft dan bijvoorbeeld de levering van vloerdelen, badkameruitrusting (o.a. doucheschermen, wand- en vloertegels), deuren, deurbeslag, hang- en sluitwerk. In koopovereenkomsten bij verbouwingsstelposten voor vloeren, sanitair, tegels en deurbeslag wordt regelmatig verwezen naar de 'collectie [B.V. 3] '. Hiermee wordt dan bedoeld de via [B.V. 6] te verwerken materialen. Op het bedrijfsadres van de ondernemingen aan de [adres 5] te [woonplaats] zijn op de benedenverdieping diverse door [B.V. 6] te leveren artikelen uitgestald in de showroom.\n\nUit dit alles blijkt dat de eigen technische en\u002Fof organisatorische kennis bij het belanghebbenden en [B.V. 3] aanwezig is en een veel grotere rol speelt dan bij een 'normale' opdrachtgever. Daarmee ligt de algehele leiding en verantwoordelijkheid van de uitgevoerde projecten bij belanghebbenden en [B.V. 3] en daarmee dus niet bij derden.”\n\n2.7.1.. Met dagtekening van 30 november 2020 heeft de Inspecteur over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 naheffingsaanslag I ten bedrage van € 4.107 opgelegd. Daarvan ziet € 3.152 op toepassing van de verleggingsregeling en € 955 op de verhuur van garages. Bij de aanslag is belastingrente in rekening gebracht en is boete I ten bedrage van € 882 opgelegd. Dat bedrag bestaat voor € 788 uit een vergrijpboete en voor € 94 uit een verzuimboete.\n\n2.7.2.. Met dagtekening van 28 augustus 2021 heeft de Inspecteur over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 naheffingsaanslag II ten bedrage van € 12.367 opgelegd. Daarvan ziet € 7.903 op toepassing van de verleggingsregeling en € 4.464 op de verhuur van garages. Bij de aanslag is belastingrente in rekening gebracht en is boete II ten bedrag van € 2.421 opgelegd. Dat bedrag bestaat voor € 1.975 uit een vergrijpboete en voor € 446 uit een verzuimboete.\n\n2.8.. \n\nIn de uitspraak op bezwaar van 25 november 2022 heeft de Inspecteur naheffingsaanslag I in stand gelaten en boete I wegens overschrijding van de redelijke termijn met 20% verminderd tot € 705 (vergrijpboete € 630 en verzuimboete € 75).\n\nBij uitspraak van eveneens 25 november 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen naheffingsaanslag II en boete II niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Wel is daarbij boete II wegens overschrijding van de redelijke termijn verminderd tot € 1.937 (vergrijpboete € 1.580 en verzuimboete € 60).\n\n2.9.1.. Bij brief van 19 december 2022, ontvangen door de Rechtbank op 20 december 2022, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.\n\n2.9.2.. De Rechtbank heeft bij brief van 22 december 2022 belanghebbende gelegenheid gegeven de gronden binnen vier weken aan te vullen.\n\n2.9.3.. Bij brief van 23 januari 2023, ontvangen door de Rechtbank op dezelfde datum, heeft belanghebbende de gronden van het beroep kort weergegeven en verzocht om de termijn voor het aanvoeren van nadere gronden met acht weken te verlengen.\n\n2.9.4.. Naar aanleiding van voormeld verzoek heeft de Rechtbank bij brief van 30 januari 2023 belanghebbende gelegenheid gegeven de gronden binnen acht weken aan te vullen.\n\n2.9.5.. Bij brief van 24 maart 2023, ontvangen door de Rechtbank op dezelfde datum, heeft belanghebbende de gronden aangevuld.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:\n\n“Ontvankelijkheid\n\n12. Eiser heeft met dagtekening van 19 december 2022 pro-forma beroepschriften tegen de uitspraken op bezwaar van 25 november 2022 ingediend, die door de rechtbank zijn ontvangen op 20 december 2022. Bij brief van 22 december 2022 heeft de rechtbank eiser verzocht haar beroepen uiterlijk binnen vier weken van de gronden te voorzien, mitsdien voor 20 januari 2023. Dat heeft eiser gedaan bij brief van 23 januari 2024, door de rechtbank ontvangen op 24 januari 2024.\n\n13. Op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien het niet de gronden bevat, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het binnen een door de rechtbank gestelde termijn te motiveren. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard om de reden dat eiser de gronden enige dagen na het einde van de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend.\n\n14. De rechtbank ziet in die overschrijding van de door haar gestelde termijn geen aanleiding de beroepen niet-ontvankelijkheid te verklaren.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nIn de zaak SGR 22\u002F8185: ontvankelijkheid bezwaar\n\n15. Bij de gecombineerde hoorzitting van 17 januari 2022 inzake de bezwaren van [B.V. 3] , [B.V. 4] en dat van eiser tegen naheffingsaanslag I heeft eiser naar voren gebracht dat hij bij die bijeenkomst voor het eerst vernam dat nog een tweede naheffingsaanslag was opgelegd. Nadat verweerder bij e-mail van 1 februari 2022 duplicaat van naheffingsaanslag II aan eiser had toegezonden, heeft eiser daar bij brief van dezelfde dag bezwaar tegen gemaakt.\n\n16. Verweerder acht het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Eiser stelt zich op het standpunt dat naheffingsaanslag II eerst is bekend gemaakt met de toezending van het duplicaat-biljet op 1 februari 2022 en dat hij mitsdien binnen de daarvoor geldende termijn in bezwaar is gekomen.\n\n17. Bij haar beoordeling neemt de rechtbank de navolgende feiten in aanmerking.\n\nHet kantoor van [B.V. 3] en [B.V. 4] is eind maart \u002F begin april 2020 verhuisd, van de [adres 6] te [woonplaats] naar de [adres 7] aldaar. De adreswijziging is aan verweerder doorgegeven.\n\nBij brief van 3 november 2020, per adres [adres 6] , heeft verweerder te kennen gegeven het samenwerkingsverband tussen [A] en [B] aan te merken als belastingplichtige voor de omzetbelasting. Ook naheffingsaanslag I, met dagtekening van 30 november 2020, is toegezonden aan het adres [adres 6] . Namens eiser is daartegen bezwaar gemaakt door zijn gemachtigde. Vanaf dat moment verliep de correspondentie tussen verweerder en eiser via de gemachtigde. Naheffingsaanslag II is met dagtekening van 28 augustus 2021 toegezonden aan het adres [adres 6] . Dit poststuk heeft eiser, naar hij stelt, niet bereikt.\n\n18. Eiser heeft niet enig adres aan verweerder opgegeven. Het is verweerder zelf die, toen hij bevond dat het samenwerkingsverband als entiteit voor de heffing van omzetbelasting heeft te gelden, ervoor koos aan eiser gerichte post te verzenden naar het adres [adres 6] . Dat deed hij terwijl hem bekend was dat – met de verhuizing van het kantoor van [B.V. 3] en [B.V. 4] – de plek van waaruit [A] en [B] hun samenwerkingsverband bestierden al ruim een half jaar eerder aan de [adres 7] was terecht gekomen. Door niettemin naheffingsaanslag II te verzenden aan het adres [adres 6] is deze niet op de in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven wijze bekend gemaakt, maar is dat eerst met toezending van het duplicaat-biljet gebeurd. De bezwaartermijn is daarmee eerst op 1 februari 2022 aangevangen (artikel 6:8 Awb).\n\n19. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser voor zover het zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen naheffingsaanslag II gegrond.\n\nIn beide zaken: eigenbouwerschap\n\n20. Krachtens artikel 12, vijfde lid, van de Wet OB wordt in de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen de belasting geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend. In het vijfde lid van artikel 24b van het UBOB is het geval aangewezen waarin de levering bestaat uit een werk van stoffelijke aard dat betrekking heeft op een onroerende zaak dat door een onderaannemer aan een aannemer wordt geleverd. Het derde lid stelt met een aannemer gelijk, degene die het werk uitvoert in de normale uitoefening van zijn bedrijf zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen (de ‘eigenbouwer’).\n\n21. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser een bedrijf uitoefent in de zin van artikel 24b, vijfde lid, van het UBOB en dat de renovaties werken van stoffelijke aard zijn die zijn uitgevoerd in de normale uitoefening van dat bedrijf. Nu eiser dat niet heeft weersproken en dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, gaat ook de rechtbank daarvan uit.\n\n22. Of eiser als eigenbouwer kan gelden, spitst zich daarmee erop toe of jij die werken heeft ‘uitgevoerd’, in de zin van artikel 24b, derde lid, van het UBOB. Voor een bevestigende beantwoording van die vraag is niet vereist dat eiser die werken ook zelf geheel of gedeeltelijk heeft uitgevoerd, maar volstaat het dat de algehele leiding bij het tot stand brengen van de werken bij hem berustte.[2] Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 24b UBOB[3] volgt dat die leiding betrekking moet hebben op het werk in eigenlijke zin. De gelijkstelling van de eigenbouwer met een aannemer is namelijk erdoor ingegeven dat hij daarmee vergelijkbaar is in die zin, dat ook van de eigenbouwer het bedrijf “het bouwen” is.[4] De wetgever heeft daarbij benadrukt dat de eigenbouwer “goed [moet] worden onderscheiden van de opdrachtgever … die een overeenkomst met een aannemer sluit”.[5] De rechtbank leidt daaruit als het onderscheidende criterium af dat een eigenbouwer betrokken is bij bouwkundige vragen en problemen die rijzen bij de uitvoering van het bouwproject en daarin een beslissende stem heeft. Aldus komt het erop aan, of eiser een verdergaande bemoeienis had met de bouwwerkzaamheden in eigenlijke zin dan een ‘normale’ opdrachtgever pleegt te hebben.\n\n23. Verweerder heeft zijn standpunt omtrent het eigenbouwerschap in beroep onderbouwd door te verwijzen naar zijn verweerschrift in de zaken van [B.V. 3] . Dat heeft hij ermee toegelicht dat de activiteiten van eiser “in het verlengde liggen” van die van [B.V. 3] , waarmee hij klaarblijkelijk gezegd wil hebben dat eiser wat betreft de renovaties op dezelfde wijze te werk gaat als [B.V. 3] . De stellingen van verweerder over die werkwijze laten zich, toegespitst op de onderhavige zaken, samenvatten als volgt.\n\n [B] en [A] voeren zelf de besprekingen met de architecten. In de gevallen waarin een bouw- en\u002Fof splitsingsvergunning moet worden aangevraagd zijn zij daarbij steeds ook zelf betrokken. In voorkomend geval richt eiser een vereniging van eigenaren op. Eiser maakt prijsafspraken met de aannemers. De offertes van de aannemers plegen summier te zijn en in enkele gevallen is niet eens een schriftelijke offerte uitgebracht. In de taxatierapporten die ten behoeve van de financiering zijn opgesteld, zijn de kosten van renovatie structureel lager ingeschat dan in de markt gebruikelijk is. Gelet op het aantal renovaties waar [B] en [A] in de loop van de tijd bij betrokken zijn geweest, zullen zij de technische en organisatorische know-how hebben verworven die nodig is om het bouwproces te kunnen leiden. Het tijdsbeslag van [B.V. 5] was zodanig gering, dat het niet anders kan of [B] en [A] hebben zich ook zelf met begeleiding van de bouw ingelaten.\n\n24. Eiser heeft hier het navolgende tegenover gesteld.\n\nVergunningaanvragen worden ingediend door de architect, namens eiser als de eigenaar van het desbetreffende object. De renovaties zijn steeds volgens een standaardconcept uitgevoerd. Eiser werkte steeds met dezelfde aannemer, die het concept kende zodat aan de offerte niet veel meer te pas kwam dan een prijsopgave op basis van de aangeleverde plannen van de architect. Door te werken met een standaardconcept worden schaalvoordelen behaald, onder andere bij de inkoop van materialen, waardoor de renovaties minder kostten dan gemiddeld in de markt gebruikelijk is. Eiser betwist te beschikken over know-how op het gebied van bouwen. Daarvoor schakelt hij [B.V. 5] in, voor de vragen die tijdens het bouwproces opkomen en voor de controle van het werk bij de oplevering.\n\n25. Aangezien verweerder zich op de verleggingsregeling beroept, rust op hem de last te bewijzen dat eiser de algehele leiding had over de bouwwerkzaamheden.\n\nDe door verweerder gestelde werkzaamheden van eiser betreffen vooral de voorbereiding en het verlenen van opdrachten aan de aannemer. Verweerder heeft omtrent de bouwwerkzaamheden in eigenlijke zin wezenlijk niet meer naar voren gebracht, dan dat het gelet op de tijdsbesteding van [B.V. 5] niet anders kan of eiser was daarbij betrokken. Gelet op wat naar voren is gekomen over de werkwijze van eiser acht de rechtbank aannemelijk dat hij de uitvoering van de met de architect uitgewerkte plannen aan de aannemer heeft kunnen overlaten, en dat hij de weinige bemoeienis die daar nog wel bij kwam kijken aan [B.V. 5] had uitbesteed.\n\nDe rechtbank is daarmee van oordeel dat verweerder niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de betrokkenheid van eiser bij de bouw in betekende mate verder ging dan die van een ‘gewone’ opdrachtgever.\n\n26. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\n27. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\n28. Eiser heeft op 22 december 2020 bezwaar gemaakt tegen naheffingsaanslag I. Vanaf dat moment tot de uitspraak van de rechtbank zijn ruim drieënhalf jaar verstreken. Omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat de redelijke termijn met (afgerond) twee jaar is overschreden. De rechtbank ziet daarin aanleiding een vergoeding ter zake van immateriële schade toe te kennen van € 2.000. De termijnoverschrijding is voor anderhalf jaar toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor een half jaar aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom een bedrag van € 1.500 aan eiser te vergoeden en de Staat een bedrag van € 500.\n\nProceskosten\n\n29. Nu de beroepen van eiser gegrond zijn, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Daarbij merkt zij de onderhavige zaken aan als samenhangend, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), met de zaken van [B.V. 3] en die van [B.V. 4] .\n\n30. Eiser heeft in de bezwaarfase aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. In de beroepsfase heeft hij verzocht om integrale proceskostenvergoeding.\n\n31. Om af te wijken van een forfaitaire proceskostenvergoeding moet op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit sprake zijn van een bijzondere omstandigheid. Bijzondere omstandigheden die een hogere dan forfaitaire proceskostenvergoeding kunnen rechtvaardigen doen zich voor als verweerder een besluit neemt of handhaaft terwijl op dat moment duidelijk is dat het besluit in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden, of als hij anderszins in vergaande mate onzorgvuldig handelt.[6]\n\n32. Van verweerders standpunt omtrent het eigenbouwerschap was niet zodanig voorzienbaar dat het in rechte geen stand zou houden, dat om die reden afwijking van het forfait geboden is.\n\nAnders is dat met betrekking tot de vergrijpboete. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder beter moeten weten, dan te verdedigen dat het standpunt van eiser omtrent het eigenbouwerschap niet pleitbaar zou zijn.\n\nBij uitspraken van heden in de zaken van [B.V. 3] en van [B.V. 4] oordeelt de rechtbank in gelijke, respectievelijk vergelijkbare zin over de aan hen opgelegde vergrijpboeten.\n\n33. Eiser heeft geen opgave gedaan van de door hem belopen kosten van rechtsbijstand en heeft niet gespecificeerd welke tijd zijn gemachtigde aan welke onderwerpen heeft besteed. De rechtbank kan daardoor niet bepalen welk bedrag aan kosten van rechtsbijstand is gemoeid met standpunten die verweerder tegen beter weten in heeft betrokken, maar wel constateert zij dat de gemachtigde in betekenende mate tijd heeft besteed aan de bestrijding van de boeten. Om deze redenen geeft de rechtbank toepassing aan artikel 2, derde lid, van het Besluit door de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding te verdubbelen.\n\n34. De rechtbank stelt aldus de te vergoeden kosten op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 8.994 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875, factor 1,5 vanwege het aantal beroepen en vermenigvuldigd met 2 om de hiervoor genoemde reden).\n\nDe rechtbank kent in de onderhavige zaken een derde van deze vergoeding, derhalve € 2.998 toe aan eiser.\n\n(…)\n\n[2] HR 15 oktober 1986, ECLI:NL:HR:AS8673, r.o. 4.3.\n\n[3] Artikel 24b UBOB is ingevoerd bij Besluit van 19 juni 1982, Stb. 357. Het derde lid is daarbij toegelicht met de opmerking dat de bepaling is overgenomen uit de Wet ketenaansprakelijkheid (Wet van 4 juni 1981, Stb. 370).\n\n[4] Kamerstukken II, 1978-1979, 15 697, nr. 3, blz. 13 en bijlage 2 daarbij, blz. 33.\n\n[5] Kamerstukken II, 1978-1979, 15 697, nr. 3, blz. 20.\n\n[6] Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In geschil is of:\n\na. a) de beroepen terecht ontvankelijk zijn verklaard door de Rechtbank;\n\nb) de Rechtbank terecht heeft beoordeeld of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II ontvankelijk is;\n\nc) de Rechtbank het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II terecht ontvankelijk heeft verklaard;\n\nd) de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende geen eigenbouwer is;\n\ne) recht bestaat op interne compensatie voor een bedrag van € 19.615 over 2015 en € 12.438 over 2016;\n\nf) de Rechtbank terecht de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding heeft verdubbeld;\n\ng) de Rechtbank terecht een proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de bezwaarfase.\n\n4.1.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat de vergrijpboeten terecht zijn vernietigd.\n\n4.2.. De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen, subsidiair tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen naheffingsaanslag II en handhaving van naheffingsaanslag I. Meer subsidiair concludeert de Inspecteur tot handhaving van beide naheffingsaanslagen. Indien het Hof van oordeel is dat belanghebbende een eigenbouwer is maar de naheffingsaanslagen om een andere reden verminderd worden, doet de Inspecteur een beroep op interne compensatie. In alle gevallen concludeert de Inspecteur tot behoud van de beslissing van de Rechtbank de vergrijpboeten te vernietigen. Verder concludeert de Inspecteur tot vermindering van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase en tot vernietiging van de veroordeling in de proceskosten voor de bezwaarfase.\n\n4.3.. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot veroordeling van de Inspecteur in de werkelijke proceskosten.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nZijn de beroepen terecht ontvankelijk verklaard door de Rechtbank?\n\n5.1.. De Inspecteur stelt dat de Rechtbank de beroepen van belanghebbende ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert aan dat de Rechtbank belanghebbende op 22 december 2022 heeft verzocht om de gronden van het beroep binnen een termijn van vier weken in te dienen, zijnde uiterlijk 20 januari 2023. Belanghebbende heeft de gronden van het beroep pas op 23 januari 2023 ingediend. Omdat belanghebbende de termijn heeft overschreden en de Rechtbank niets heeft vastgesteld over de eventuele verschoning van de overschrijding van de termijn dienen de beroepen niet-ontvankelijk te worden verklaard.\n\n5.2.1.. Op grond van artikel 6:5, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt het beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste de gronden van het bezwaar.\n\n5.2.2.. Artikel 6:6, aanhef, onderdeel a, en slotregel, Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.\n\n5.2.3.. Het procesreglement van de Rechtbank (geldend in 2022 en 2023) vermeldt voor zover van belang:\n\n“Artikel 2.4 Herstel van een verzuim en opvragen machtiging (de artikelen 6:5, 6:6, 8:24 en 8:36a van de Awb)\n\n1. Indien sprake is van een herstelbaar verzuim als bedoeld in artikel 6:6 of 8:36a van de Awb of indien de bestuursrechter van een gemachtigde een machtiging verlangt, stelt de bestuursrechter de indiener van het beroepschrift per bericht in de gelegenheid binnen vier weken het verzuim te herstellen dan wel de machtiging in te zenden.\n\n(…)\n\n3. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens een verzuim als bedoeld in het eerste lid vindt slechts plaats, indien:\n\na. in het geval op papier wordt geprocedeerd de uitnodiging om het verzuim te herstellen bij aangetekende brief is verzonden of anderszins vaststaat dat de uitnodiging is ontvangen,\n\nb. in de uitnodiging is medegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld en het verzuim niet verschoonbaar is, en\n\nc. binnen de termijn geen herstel heeft plaatsgevonden en dit verzuim niet verschoonbaar is.”\n\n5.3.. Artikel 6:6, Awb bevat geen verplichting maar een discretionaire bevoegdheid voor de Rechtbank om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren (vgl. HR 2 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7608, BNB 1987\u002F318). Anders dan de Inspecteur meent, volgt uit artikel 2.4 van het procesreglement (zie 5.2.3) ook geen verplichting een beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Dat artikel stelt slechts de voorwaarden waaronder de rechtbanken kunnen overgaan tot de niet-ontvankelijkverklaring van een beroep.\n\n5.4.1.. Belanghebbende heeft in haar brief, ontvangen door de Rechtbank op 23 januari 2023, de gronden van het beroep kort weergegeven en verzocht om de termijn voor het aanvoeren van nadere gronden met acht weken te verlengen. De Rechtbank is bij brief van 30 januari 2023 aan dit verzoek tegemoetgekomen (zie 2.9). Zoals uit overweging 14 van haar uitspraak volgt, heeft de Rechtbank geen reden gezien de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Het Hof vindt dit oordeel niet onlogisch. Het feit dat belanghebbende de motivering enkele dagen na de aanvankelijk gestelde termijn heeft ingediend en dat aan belanghebbende vervolgens (nogmaals) uitstel is verleend om de beroepen verder te motiveren, heeft het verdere goede verloop van de procedure niet belemmerd. De Inspecteur is bijvoorbeeld niet benadeeld door het feit dat de motivering later is ingediend. Hij heeft immers voldoende gelegenheid gehad daarop te reageren. Daarbij weegt het belang van belanghebbende dat haar beroepen worden beoordeeld door de rechter in dit geval zwaarder dan het feit dat de motivering enkele dagen later dan de aanvankelijk gestelde termijn is ontvangen.\n\n5.4.2.. De situatie van belanghebbende verschilt ook van de door de Inspecteur aangehaalde situatie in de uitspraak van dit Hof, ECLI:NL:GHDHA:2022:948. In de laatstgenoemde zaak was belanghebbende een paar maanden te laat met het indienen van de gronden van het beroep. In dit geval heeft belanghebbende de brief met de verkorte motivering en het uitstelverzoek slechts enkele dagen te laat ingediend en heeft de Rechtbank (nogmaals) uitstel verleend om de beroepen verder te motiveren. Nadat de Rechtbank het verzochte uitstel had verleend, heeft belanghebbende de motivering binnen de gestelde termijn ingediend (zie 2.9).\n\n5.4.3.. Dat de Inspecteur zich niet kan vinden in het oordeel van de Rechtbank of op een uitgebreidere motivering rekende, betekent niet dat de Rechtbank het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Wat er verder ook zij van deze stelling van de Inspecteur, hij heeft het standpunt ingenomen dat de zaak niet hoeft te worden teruggewezen naar de Rechtbank en hieraan geen verdere conclusie verbonden zodat deze stelling nergens toe leidt.\n\n5.5.. Het Hof oordeelt dat de beroepen terecht ontvankelijk zijn verklaard door de Rechtbank.\n\nHeeft de Rechtbank terecht beoordeeld of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II ontvankelijk is?\n\n5.6.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte ambtshalve heeft beoordeeld of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II ontvankelijk was. Belanghebbende heeft in beroep geen gronden aangevoerd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. De Rechtbank had, gelet op onder andere het arrest ECLI:NL:HR:2021:1153, niet ambtshalve mogen beoordelen of de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar door de Inspecteur terecht is geweest.\n\n5.7.1.. Anders dan de Inspecteur meent, heeft de Rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring niet ambtshalve beoordeeld. Het Hof licht dit als volgt toe.\n\n5.7.2.. De toelichting op de uitspraken op bezwaar van 4 november 2022 vermeldt met betrekking tot het bezwaar tegen naheffingsaanslag II onder meer:\n\n“Ondanks de niet-ontvankelijkheid neem ik uw bezwaarschrift wel in behandeling als een verzoek om ambtshalve vermindering. Dit houdt in dat u geen beroep kunt aantekenen tegen mijn inhoudelijke beslissing. U kunt wel beroep instellen tegen mijn beslissing uw bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren.”\n\n5.7.3.. Het beroepschrift vermeldt het aanslagnummer van naheffingsaanslag II. Dit aanslagnummer wordt ook vermeld in de nadere motivering. Uit de toelichting op de uitspraak op bezwaar volgt dat met betrekking tot de naheffingsaanslag II alleen beroep kon worden ingesteld tegen de beslissing van de Inspecteur het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren. Gelet op de vermelding van het aanslagnummer van naheffingsaanslag II in het beroepschrift en de nadere motivering heeft belanghebbende dus (mede) beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de Inspecteur van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II.\n\n5.7.. Bovendien werpt de Inspecteur de (niet-)ontvankelijkheid van het bezwaar zelf op in zijn verweerschrift.\n\n5.8.1.. Het Hof voegt hier het volgende aan toe. Het voormelde arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153, vermeldt, voor zover van belang (het Hof heeft de voetnoten in het citaat weggelaten):\n\n“4.3.3. Tot nu toe komt het in de praktijk voor dat de rechter ook de tijdigheid van een bij het bestuursorgaan ingediend bezwaarschrift ambtshalve beoordeelt. De Hoge Raad heeft deze praktijk in belastingzaken in het verleden aanvaard. De Hoge Raad ziet echter aanleiding deze rechtspraak te heroverwegen. De hiervoor in 4.3.2 vermelde bepalingen van de Awb brengen namelijk niet zonder meer mee dat in een volgende instantie ambtshalve de tijdigheid van het aanwenden van een rechtsmiddel in de vorige instantie opnieuw moet worden beoordeeld. Verder valt niet in te zien welk zwaarwegend belang gediend kan zijn met ambtshalve beoordeling van die ontvankelijkheid in (hoger) beroep.\n\n4.3.4.. Gelet op hetgeen in 4.3.2 en 4.3.3 is overwogen, zal de Hoge Raad voortaan het uitgangspunt hanteren dat de rechter de tijdigheid van een bezwaar of beroep in een vorige instantie niet ambtshalve behoort te beoordelen. In zoverre komt de Hoge Raad terug van de hiervoor in 4.3.3 bedoelde rechtspraak. Dit betekent dat de rechtbank het bij het bestuursorgaan gemaakte bezwaar niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding nietontvankelijk mag verklaren, en dat het hof het bij de rechtbank ingestelde beroep of het bij het bestuursorgaan gemaakte bezwaar niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk mag verklaren.”\n\n5.8.2.. Het Hof stelt voorop dat overweging 4.3.4 van het voormelde arrest betrekking heeft op een andere situatie dan in deze zaak aan de orde is. Voor wat betreft de beoordeling door de rechtbank gaat het in die overweging om een bezwaar dat door het bestuursorgaan ontvankelijk is verklaard en dat vervolgens door de rechtbank niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk mag worden verklaard. In deze zaak is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en heeft de Rechtbank dat beoordeeld. Het voormelde arrest is daarom niet van toepassing. Bovendien wordt met een beoordeling van de Rechtbank of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard een zwaarwegend belang van belanghebbende gediend, te weten het recht op toegang tot de rechter. Hiervan uitgaande mocht de Rechtbank de ontvankelijkheid van het bezwaar beoordelen.\n\nHeeft de Rechtbank het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II terecht ontvankelijk verklaard?\n\n5.9.1.. De regel dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden, lijdt uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt als gevolg van een fout van de Belastingdienst, zoals een verkeerde adressering die aan deze dienst is te wijten. In zo’n geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:45).\n\n5.9.2.. Het risico van een onjuiste adressering ligt in beginsel bij de verzender van het geschrift, in casu de Inspecteur. Dit is slechts anders ingeval een onjuiste adressering is te wijten aan degene voor wie het geschrift is bestemd, in dit geval de belastingplichtige, zoals zich bijvoorbeeld kan voordoen indien deze niet heeft zorggedragen voor een juiste vermelding in het bevolkingsregister, of niet gedurende een lopende briefwisseling heeft opgegeven dat een adreswijziging heeft plaatsgevonden (HR 3 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1935).\n\n5.10.1.. De Inspecteur heeft een samenwerkingsverband vastgesteld tussen [B] en [A] en dit samenwerkingsverband aangemerkt als belastingplichtige. Het samenwerkingsverband is geen rechtspersoon en is niet geregistreerd bij de Kamer van Koophandel. Het lag daarom voor de hand om de correspondentie voor het samenwerkingsverband te sturen naar het privéadres van [B] en [A] zoals geregistreerd in de Basisregistratie Personen. Bovendien was bekend dat [B] en [A] een gemachtigde hadden, zodat de Inspecteur ook een kopie van de correspondentie naar de gemachtigde had kunnen sturen.\n\n5.10.2.. Daarbij komt dat de adreswijziging van de [adres 5] naar de [adres 7] voor de andere entiteiten van [B] en [A] , te weten [B.V. 3] en [B.V. 4] , eind maart\u002Fbegin april 2020 is doorgegeven. De Inspecteur heeft pas daarna, in zijn brief van 3 november 2020, de belastingplicht van het samenwerkingsverband vastgesteld. Deze brief is verzonden naar de [adres 5] . De Inspecteur heeft geen afdoende verklaring kunnen geven waarom de correspondentie met betrekking tot het samenwerkingsverband naar de [adres 5] is verzonden terwijl hij i) wist dat voor de andere entiteiten een adreswijziging was doorgegeven en ii) het bovendien voor de hand lag om de correspondentie naar het privéadres van [B] en [A] te sturen. De verklaring van de Inspecteur dat het adres van het samenwerkingsverband is gekoppeld aan de [adres 5] door een medewerker die inmiddels met pensioen is, is daartoe onvoldoende. Dit kan belanghebbende immers niet worden aangerekend. Dit maakt dat de verkeerde adressering aan de Inspecteur is te wijten, zodat niet gezegd kan worden dat de bekendmaking van de naheffingsaanslag II met de verzending daarvan aan de [adres 5] op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.\n\n5.11.. Het voorgaande brengt mee dat de naheffingsaanslag II voor het eerst bekend is gemaakt met de toezending van het duplicaat-biljet op 1 februari 2022. Aangezien belanghebbende bij brief van dezelfde dag bezwaar heeft gemaakt, is het bezwaar tijdig ingediend en dus ontvankelijk.\n\nHeeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat belanghebbende geen eigenbouwer is?\n\n5.12.1.. Op grond van artikel 12, lid 5, Wet OB in verbinding met artikel 24b, van het UBOB wordt in geval van onderaanneming en uitlening van personeel in de bouw, waarbij een werk van stoffelijke aard met betrekking tot onroerende zaken (of schepen) wordt uitgevoerd, de heffing van omzetbelasting verlegd van degene die de prestatie (levering of dienst) verricht naar degene aan wie de prestatie wordt verleend (de afnemer, zijnde de aannemer of eigenbouwer). Deze verlegging brengt met zich dat de afnemer de verschuldigde omzetbelasting op aangifte moet voldoen en - indien en voor zover hij aftrekrecht heeft - die omzetbelasting in dezelfde aangifte als voorbelasting weer in aftrek kan brengen. Voorwaarde is daarbij dat een onderaannemer ten behoeve van een aannemer of eigenbouwer het werk van stoffelijke aard uitvoert.\n\n5.12.2.. Aannemer is degene, die zich jegens een ander, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking tegen een te betalen prijs een werk van stoffelijke aard uit te voeren. De verleggingsregeling is van toepassing op de prestatie die een onderaannemer verricht aan de (hoofd)aannemer. Op de prestatie die de aannemer voor zijn opdrachtgever verricht is de verleggingsregeling niet van toepassing, behoudens de situatie van een opdrachtgever die als eigenbouwer moet worden aangemerkt. Als eigenbouwer wordt aangemerkt degene die zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard uitvoert dat betrekking heeft op onroerende zaken (of schepen).\n\n5.12.3.. In het “Besluit van 19 juni 1982 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, Stb. 357 is onder meer opgemerkt:\n\n“Behoudens de beperking tot de drie eerdergenoemde sectoren is voor de terminologie en het bereik van de verleggingsregeling zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de Wet Ketenaansprakelijkheid. Deze samenloop biedt het voordeel dat veel van hetgeen tijdens de parlementaire behandeling van deze wet over het bereik en de daarin gehanteerde begrippen naar voren is gebracht, tevens geldt voor de verleggingsregeling. Voorts zullen praktijk en jurisprudentie zich parallel kunnen ontwikkelen en in voorkomende gevallen voor beide regelingen van waarde zijn. De rechtszekerheid en een verantwoorde uitvoering zullen hierdoor worden bevorderd.”\n\n5.12.4.. Met betrekking tot het begrip eigenbouwer in de Wet ketenaansprakelijkheid is een nadere invulling gegeven in de Resolutie van 25 juli 1986, nr. 286-10846:\n\n“Of een bedrijf voor de toepassing van de Wet ketenaansprakelijkheid is te beschouwen als een \"eigenbouwer\", valt volgens Staatssecretaris Koning niet in algemene termen aan te geven. Bedrijven en uitgevoerde werkzaamheden zullen steeds, van geval tot geval beoordeeld moeten worden. Enkele kenmerken voor de karakterisering als \"eigenbouwer\" zijn:\n\n1. Een werk wordt niet uitgevoerd in opdracht van een opdrachtgever maar het bedrijf werkt \"voor de markt\";\n\n2. Een bedrijf voert een werk uit ter voorziening in zijn eigen behoefte aan bijv. bedrijfsmiddelen, waarbij\n\n- niet van belang is of het bedrijf winst beoogt en\u002Fof feitelijk maakt. (…)\n\n- de activiteiten moeten passen binnen de normale bedrijfsuitoefening. Daarbij is de statutaire doelomschrijving niet van belang, noch hetgeen overigens in de bedrijfstak waartoe dit bedrijf behoort, gebruikelijk is. Het incidenteel vervaardigen van een bedrijfsmiddel leidt niet tot een handelen als eigenbouwer.\n\n3. Wanneer een bedrijf een geheel werk uitbesteedt kan toch sprake zijn van\n\n\"eigenbouwer\", nl. wanneer\n\na. het betrokken bedrijf de werkzaamheden ook wel zelf geheel of gedeeltelijk pleegt uit te voeren;\n\nb. het uiteindelijk tot stand te brengen werk past binnen het kader van het bedrijf, terwijl dat bedrijf ook vaak een schakel vormt bij de uitvoering, doordat eigen technische- of organisatorische know-how een belangrijkere rol speelt dan bij normale opdrachtgevers.\n\n(…)”\n\n5.12.5.. Om de vraag, of een belastingplichtige als bedoeld in artikel 24b, lid 3, van het UBOB “in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard uitvoert”, bevestigend te kunnen beantwoorden, kan niet de eis worden gesteld dat moet komen vast te staan dat die belastingplichtige zelf het desbetreffende werk feitelijk geheel of gedeeltelijk kan uitvoeren. Immers een werk wordt in de normale uitoefening van het bedrijf door de belastingplichtige uitgevoerd in de hierboven bedoelde zin indien die belastingplichtige van het tot stand brengen van zodanige werken zijn bedrijf maakt. Daartoe is niet vereist dat hij die werken ook zelf geheel of gedeeltelijk feitelijk uitvoert of kan uitvoeren. Voldoende is dat de algehele leiding bij het tot stand brengen van de werken bij hem berust (HR 15 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AS8673, r.o. 4.3).\n\n5.12.6.. In de memorie van toelichting bij de Invorderingswet 1989 (Kamerstukken II 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 92) staat onder meer:\n\n“Voor deze opvatting vind ik steun in de memorie van toelichting bij de Wet ketenaansprakelijkheid, waarin is opgemerkt dat de bepaling inzake de eigenbouwer ruim moet worden uitgelegd, alsmede dat men aan eigenbouwerschap niet kan ontkomen door het gehele werk uit te besteden.»\n\nIn concreto wordt daarna aandacht besteed aan de woningcorporatie en het gemeentelijk grondbedrijf:\n\n«Woningcorporaties en andere zogenaamd toegelaten instellingen oefenen naar mijn oordeel een bedrijf uit. Indien voor eigen rekening en risico een nieuwbouwproject wordt gerealiseerd, hetzij voor de verkoop, hetzij voor de verhuur, kunnen zich verschillende situaties voordoen. In het onderstaande wordt ervan uitgegaan dat de corporatie het bouwen niet door eigen werknemers laat verrichten. Indien het realiseren van een nieuwbouwproject slechts eenmalig of sporadisch voorkomt is de corporatie geen eigenbouwer. Indien het realiseren van een nieuwbouwproject meer dan sporadisch geschiedt, is de corporatie naar mijn oordeel eveneens geen eigenbouwer, tenzij de corporatie een zodanige ervaring en know-how met betrekking tot het bouwen heeft, dat zij met gebruikmaking daarvan feitelijk op dezelfde wijze optreedt als een hoofdaannemer die het gehele werk uitbesteedt.”\n\n5.13.. Tussen partijen is niet in geschil dat de diensten van de (onder)aannemers als werken van stoffelijke aard zijn aan te merken. De Inspecteur stelt dat belanghebbende is opgetreden als eigenbouwer als bedoeld in artikel 24b, lid 3, van het UBOB, zodat de verleggingsregeling van toepassing is en zij dus de omzetbelasting is verschuldigd ter zake van de diensten die de (onder)aannemers hebben verricht. Belanghebbende bestrijdt dat zij is opgetreden als eigenbouwer. Belanghebbende voert aan dat zij een handelsonderneming is en het uitvoeren van werk van stoffelijke aard niet tot de normale uitoefening van haar bedrijf behoort. Verder ontbreekt bij belanghebbende de technische en organisatorische kennis om leiding te kunnen geven bij het tot stand brengen van de werken van stoffelijke aard met betrekking tot onroerende zaken.\n\n5.14.. Het is aan de Inspecteur om de feiten aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende is aan te merken als eigenbouwer als bedoeld in artikel 24b, lid 3, UBOB en dat daarmee de verleggingsregeling van toepassing is. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.12.1 tot en met 5.12.6 betekent dit dat hij aannemelijk moet maken dat het verrichten van renovaties onderdeel is van de normale uitoefening van het bedrijf van belanghebbende. Aangezien belanghebbende de renovaties volledig uitbesteedt, is daarbij van belang dat aannemelijk wordt gemaakt dat de algehele leiding van de renovaties bij belanghebbende berust. Uit de aangehaalde passage in 5.12.6 volgt dat aannemelijk is dat de algehele leiding bij belanghebbende berust als belanghebbende een zodanige ervaring en know-how met betrekking tot de renovaties heeft, dat zij met gebruikmaking daarvan feitelijk op dezelfde wijze optreedt als een hoofdaannemer die het gehele werk uitbesteedt.\n\n5.15.. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de algehele leiding van de renovaties bij belanghebbende berust en motiveert dit oordeel als volgt.\n\n5.16.1.. De werkwijze van belanghebbende was erop gericht om gedateerde panden te moderniseren volgens een standaardconcept, door belanghebbende een “ [B.V. 3] pand” genoemd, om deze vervolgens te verhuren aan particulieren. Hierbij werden voornamelijk “cosmetische wijzigingen” aangebracht, gericht op het bewerkstelligen van zoveel mogelijk licht(inval) en vierkante meters. Verder werd een aantal standaardwerkzaamheden verricht zoals het plaatsen van een nieuwe keuken, het leggen van een nieuwe vloer, het plaatsen van nieuwe deuren, het vervangen van de badkamer en het toilet, het vervangen van kozijnen, het stuken en sauzen van muren en plafonds en schilderen aan de binnenzijde waarbij gebruik werd gemaakt van vaste kleuren en lijnen.\n\n5.16.2.. Uit de correspondentie die [B] en [A] hebben gevoerd met onder andere de architect volgt dat zij zich bemoeien met de indeling van de panden waarbij zij steeds het standaardconcept voor ogen hebben. Zo worden aanwijzingen gegeven over het plaatsen van lichtkoepels, de plaats waar de badkamer moet komen, het plaatsen van kastenwanden, het doorbreken van muren om een ruimte groter te maken, het plaatsen dan wel vergroten van dakkapellen, het verplaatsen van trappen en het realiseren van openslaande deuren.\n\n5.16.3.. Verder schrijft belanghebbende voor welke materialen en kleuren gebruikt moeten worden om het pand in de mal van het standaardconcept te gieten. Daarbij gebruikt zij de materialen, zoals deuren, die door de gelieerde vennootschap [B.V. 6] in bulk worden ingekocht, zodat de kosten laag gehouden kunnen worden. Voor keukens maakt zij gebruik van de keukens van [naam] die belanghebbende vanwege de grote afname korting geeft.\n\n5.16.4.. Belanghebbende werkte voor alle panden samen met dezelfde aannemer omdat deze op de hoogte was van het standaardconcept dat belanghebbende wilde toepassen. Voor het beantwoorden van vragen tijdens de renovaties en de controle van het werk (bij de oplevering) maakte belanghebbende gebruik van de diensten van [B.V. 5] die ook op de hoogte was van het door belanghebbende bedachte standaardconcept. Door steeds samen te werken met dezelfde personen was het voor belanghebbende mogelijk de feitelijke uitvoering van het standaardconcept, na afstemming met de architect (zie 5.16.2), uit te besteden aan de vaste aannemer.\n\n5.16.5.. Belanghebbende heeft bij de renovaties een meer omvattende rol dan een ‘normale’ opdrachtgever omdat zij haar eigen technische en organisatorische kennis inzet om de renovaties tot het naar hem gewenste resultaat te brengen. Via de gelieerde vennootschap [B.V. 6] koopt zij materialen in bulk in die gebruikt worden bij de renovaties. Ook heeft belanghebbende haar kennis en ervaring gebruikt om een standaardconcept te ontwikkelen voor renovaties die op al haar panden kan worden toegepast. De bemoeienis van belanghebbende met de renovaties, onder andere bij het uitdenken van het standaardconcept, de aanwijzingen volgens dit concept aan de architect, [B.V. 5] en de aannemer en de inkoop van materialen via [B.V. 6] , heeft steeds een professioneel karakter gehad. De renovaties waren immers gericht op de commerciële, op winst gerichte doelstelling van belanghebbende. Kennis van zaken met betrekking tot de (inkoop van de) te gebruiken renovatiematerialen en hetgeen gerenoveerd dient te worden alsmede de wijze waarop om een woning aantrekkelijk te maken voor een huurder of koper moet noodzakelijk zijn geweest. Dit blijkt ook uit het feit dat de kosten van renovatie, vanwege het “in eigen beheer” uitvoeren van de werkzaamheden, in de taxatierapporten die ten behoeve van de financiering zijn opgesteld meer dan incidenteel lager zijn ingeschat dan in de markt gebruikelijk is. Dat belanghebbende het standaardconcept met haar (organisatorische) kennis dusdanig efficiënt heeft weten in te richten en voor het beantwoorden van vragen tijdens de renovaties en de controle van het werk (bij de oplevering) gebruik maakt van de diensten van [B.V. 5] , zodat zij zich niet of weinig met de feitelijke uitvoering daarvan hoeft te bemoeien (zie 5.16.4), betekent niet dat zij haar overkoepelende betrokkenheid bij de uitwerking van het concept en de daarbij behorende renovaties uit handen heeft gegeven.\n\n5.16.6.. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende de algehele leiding heeft met betrekking tot de renovaties. Wellicht ten overvloede merkt het Hof op dat gelet op de regelmaat waarmee belanghebbende renovaties van de te verhuren woningen liet uitvoeren deze behoorden tot haar normale bedrijfshandelingen (vgl. HR 29 augustus 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4370, r.o. 3). Bij belanghebbende gaat het om meer dan 50 renovaties.\n\n5.17. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat belanghebbende wordt aangemerkt als eigenbouwer en dat het hoger beroep van de Inspecteur slaagt.\n\nBestaat recht op interne compensatie voor een bedrag van € 19.615 over 2015 en € 12.438\n\nover 2016?\n\n5.18.. Het beroep van de Inspecteur op interne compensatie behoeft geen behandeling, aangezien hij in het gelijk wordt gesteld dat belanghebbende kwalificeert als eigenbouwer.\n\nHeeft de Rechtbank terecht de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding verdubbeld?\n\n5.19.1.. \n\nOp grond van artikel 8:75, lid 1, Awb is de bestuursrechter bevoegd een partij\n\nte veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in\n\nverband met de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep bij de\n\nbestuursrechter. In het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) zijn nadere regels\n\nopgenomen over de kosten waarop de veroordeling betrekking kan hebben en de wijze\n\nwaarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Ter zake van de kosten van\n\nberoepsmatig verleende rechtsbijstand zijn tarieven opgenomen in de bijlage bij het Besluit.\n\nOp grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit kan de rechter in bijzondere omstandigheden\n\nnaar boven of naar beneden afwijken van die tarieven, of afzien van toekenning van een\n\nproceskostenvergoeding.\n\n5.19.2.. Van een bijzondere omstandigheid als hiervóór bedoeld kan sprake zijn indien het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Voor een hogere proceskostenvergoeding is voorts plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal zouden (HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802).\n\n5.19.3.. De Rechtbank heeft in dit verband geoordeeld dat de Inspecteur tegen beter weten in heeft volgehouden dat het standpunt van belanghebbende omtrent het eigenbouwerschap niet pleitbaar zou zijn. Hierin heeft de Rechtbank een bijzondere omstandigheid gevonden om naar boven af te wijken van de in het Besluit geregelde forfaitaire proceskostenvergoeding door deze te verdubbelen. De Rechtbank heeft daarmee voldoende gemotiveerd waarom sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit. Daarbij komt dat het dossier (interne) e-mails van de Inspecteur bevat die het standpunt van belanghebbende en de pleitbaarheid daarvan ondersteunen. Het Hof voegt hier nog aan toe dat de bijzondere omstandigheid ook gevonden kan worden in de (negatieve) proceshouding van de Inspecteur. Het dossier bevat bijvoorbeeld ook (interne) e-mails van de Inspecteur die -begrijpelijkerwijs- als grievend worden ervaren door belanghebbende. Enige empathie op dit punt aan de zijde van de Inspecteur ontbreekt. De (negatieve) proceshouding laat zich bijvoorbeeld ook zien in de formalistische en starre opstelling van de Inspecteur met betrekking tot de formeelrechtelijke aspecten. Gelet op de (financiële) invloed van een belastingprocedure zoals deze op een belastingplichtige had een minder formalistische proceshouding van de Inspecteur voor de hand gelegen.\n\nHeeft de Rechtbank terecht een proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase?\n\n5.20.. \n\nDe Inspecteur stelt dat de Rechtbank ten onrechte een vergoeding voor de\n\nbezwaarfase heeft toegekend. De Inspecteur voert aan dat hij in de uitspraak op bezwaar\n\nbelanghebbendes verzoek om een proceskostenvergoeding heeft afgewezen. Uit de\n\nprocesstukken blijkt volgens de Inspecteur niet dat het beroep van belanghebbende ook\n\nbetrekking heeft op deze afwijzing. De Rechtbank is dan ook buiten de rechtsstrijd getreden\n\ndoor toch een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de bezwaarfase, aldus de\n\nInspecteur.\n\n5.21.. \n\nNiet in geschil is dat belanghebbende in de bezwaarfase heeft verzocht om een\n\nproceskostenvergoeding zodat voldaan is aan het vereiste van artikel 7:15, lid 3, van de Awb.\n\nVerder heeft belanghebbende in het beroepschrift verzocht om: “veroordeling in de kosten\n\nvan het geding in alle instanties van verweerder.” Aangezien de Rechtbank (onder andere)\n\nheeft geoordeeld dat de Inspecteur de boetes ten onrechte heeft opgelegd, mocht zij een\n\nproceskostenvergoeding toekennen voor de bezwaarfase. Gelet op het verzoek van\n\nbelanghebbende is de Rechtbank, anders dan de Inspecteur meent, niet buiten de rechtsstrijd\n\ngetreden.\n\nSlotsom\n\n5.22.. Het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof:\n\nvernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarin de naheffingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen zijn verminderd;\n\nbevestigt de uitspraak op bezwaar voor zover daarin de naheffingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen in stand worden gelaten.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, W. de Wit en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nR. Wijkstra L.D.M.A Reijs\n\nDe beslissing is op 25 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:890","2026-04-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:45.560Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":60,"fullText":61,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":36,"updatedAt":64},"738","ECLI:NL:GHDHA:2025:2836","ecli-nl-ghdha-2025-2836","2025-12-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-24\u002F740 tot en met 24\u002F750\n\nUitspraak van 17 december 2025\n\nin het geding tussen:\n\n [X B.V.] , c.s.te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: B.F.M. de Koning)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 juli 2024, nummers SGR 23\u002F2304 tot en met SGR 23\u002F2314.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Belanghebbende heeft over de periode van maart 2020 tot en met januari 2022 elf keer een maandaangifte omzetbelasting ingediend waarin een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting is gedaan. In die aangiften zijn de volgende verzoeken om teruggaaf gedaan:\n\nTijdvak\n\nTeruggaaf\n\nMaart 2020\n\n€ 280.200\n\nAugustus 2020\n\n€ 265.733\n\nDecember 2020\n\n€ 388.064\n\nJuni 2021\n\n€ 457.631\n\nJuli 2021\n\n€ 570.682\n\nAugustus 2021\n\n€ 266.509\n\nSeptember 2021\n\n€ 95.168\n\nOktober 2021\n\n€ 155.335\n\nNovember 2021\n\n€ 271.424\n\nDecember 2021\n\n€ 202.329\n\nJanuari 2022\n\n€ 199.371\n\n1.2.. De Inspecteur heeft de verzoeken om teruggaaf bij beschikkingen afgewezen.\n\n1.3.. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren tegen de beschikkingen afgewezen.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 559. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 17 oktober 2025 een nader stuk ingediend.\n\n1.6.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 6 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). In de periode waar de verzoeken om teruggaaf op zien, bestond belanghebbende uit [Holding B.V.] (Holding) en haar beide dochtermaatschappijen [Handel B.V.] ( [Handel] ) en [Beheer B.V.] (Beheer).\n\n2.2.. \n\nOp 30 november 2022 is het faillissement van [Handel] uitgesproken. Vanaf dat moment\n\nbestaat belanghebbende nog uit Holding en Beheer.\n\n2.3.. De ondernemingsactiviteiten van [Handel] bestaan volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel uit:\n\n- Groothandel in ferrometalen en -halffabricaten;\n\n- Handelsbemiddeling in brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten;\n\n- Het in- en verkopen van oude metalen; en\n\n- Het optreden als commissionair op het gebied van oude metalen.\n\n2.4.1.. Belanghebbende heeft in haar maandaangiften de in 1.1 vermelde verzoeken om teruggaaf gedaan. De Inspecteur heeft op 9 oktober 2020 (tijdvak augustus 2020), 4 februari 2021 (tijdvak december 2020), 9 augustus 2021 (tijdvak juni 2021), 13 september 2021 (tijdvak juli 2021), 11 oktober 2021 (tijdvak augustus 2021), 9 november 2021 (tijdvak september 2021), 15 december 2021 (tijdvak oktober 2021), 11 januari 2022 (tijdvak november 2021), 9 februari 2022 (tijdvak december 2021) en 9 maart 2022 (tijdvak januari 2022) verzocht om aanvullende informatie bij de door belanghebbende ingediende aangiften omzetbelasting. In antwoord daarop heeft belanghebbende hem onder meer alle facturen toegezonden die op de transacties in de genoemde elf maanden betrekking hebben. De facturen maken melding van transacties tussen [Handel] en de volgende vier ondernemers:\n\n- [B.V. 1]\n\n- [B.V. 2]\n\n- [B.V. 3]\n\n- de heer [A] , handelende onder de naam [Bedrijf 4]\n\nBelanghebbende verzoekt om een teruggaaf van in totaal € 3.152.446. De verdeling van de voorbelasting van € 3.152.446 per tijdvak en ondernemer is als volgt:\n\nTijdvak\n\nvoorbelasting\n\nondernemer\n\nMaart 2020\n\n€ 280.200\n\n [B.V. 1]\n\nAugustus 2020\n\n€ 265.733\n\n [B.V. 1]\n\nDecember 2020\n\n€ 388.064\n\n [B.V. 1]\n\nJuni 2021\n\n€ 457.631\n\n [B.V. 2] en [B.V. 3]\n\nJuli 2021\n\n€ 570.682\n\n [B.V. 2] en [B.V. 3]\n\nAugustus 2021\n\n€ 266.509\n\n [B.V. 3]\n\nSeptember 2021\n\n€ 95.168\n\n [B.V. 3]\n\nOktober 2021\n\n€ 155.335\n\n [B.V. 3] en [Bedrijf 4]\n\nNovember 2021\n\n€ 271.424\n\n [Bedrijf 4]\n\nDecember 2021\n\n€ 202.329\n\n [Bedrijf 4]\n\nJanuari 2022\n\n€ 199.371\n\n [Bedrijf 4]\n\n2.4.2.. Volgens de facturen hebben de genoemde vier ondernemers in de vermelde maanden steeds zowel aan [Handel] leveringen verricht, als goederen van [Handel] betrokken. De facturen voor de leveringen aan [Handel] werden door [Handel] opgesteld (‘self-billing’). De facturen ter zake van de leveringen door [Handel] aan de genoemde vier ondernemers werden eveneens door [Handel] opgesteld.\n\n2.5.. Tot de stukken van het geding behoren overeenkomsten tussen [Handel] en de vier ondernemers op grond waarvan maandelijks de op de aan- en verkoopfacturen vermelde en over en weer verschuldigde bedragen werden verrekend.\n\n2.6.. De Inspecteur heeft aanvankelijk de verzoeken om teruggaaf geweigerd, omdat volgens hem de vier hiervoor genoemde ondernemers btw-fraude hadden gepleegd en [Handel] wist of had moeten weten dat zij met de aan- en verkoop van deze goederen deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude, althans dat zij niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verlangd om ervoor te zorgen dat zij door de handelingen die zij verrichtte niet betrokken raakte bij belastingfraude.\n\n2.7.. \n\nMet dagtekening van 15 november 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende laten weten voor de beoordeling van de bezwaarschriften, die belanghebbende tegen de weigering had ingediend, nadere informatie nodig te hebben en heeft hij haar gevraagd om:\n\n“ - Alle correspondentie en schriftelijke vastlegging met betrekking tot de quotaties van de orders, de kwaliteitscontrole van de goederen door de leveranciers of [Handel] , de inspectie van de goederen, vastlegging van het land van herkomst van de goederen en vastlegging van tijdstip en plaats van de leveringen;\n\n- Alle informatie, correspondentie en overige stukken over de wijze waarop deze leveringen tot stand zijn gekomen;\n\n- Alle interne en externe correspondentie met betrekking tot deze leveringen;\n\n- De schriftelijke vastlegging van de leveringen aan [Handel] ;\n\n- Indien is afgeweken van de algemene voorwaarden de schriftelijke vastlegging hiervan;\n\n- Indien mondeling afspraken zijn gemaakt de schriftelijke vastlegging hiervan.”\n\n2.8.. In de e-mail van 25 november 2022 liet de Inspecteur in reactie op een bericht van belanghebbende van de dag ervoor weten dat zijn verzoek om informatie betrekking had “op de beoordeling van de voorbelasting in kwestie” en bood hij haar de gelegenheid alsnog aan het verzoek om informatie te voldoen. Belanghebbende heeft in haar e-mail van 29 november 2022 aan de Inspecteur laten weten dat hij wat haar betreft uitspraak op de bezwaarschriften kon doen op basis van het dossier zoals hem dat op dat moment ter beschikking stond. De daaropvolgende uitnodigingen van de Inspecteur voor een hoorzitting zijn zonder reactie gebleven.\n\n2.9.1.. Bij brief van 3 februari 2023 aan de curator van [Handel] kondigde de Inspecteur aan de bezwaarschriften te zullen afwijzen en gaf hij de motivering daarvoor. In deze brief stelde hij voorop:\n\n“Ik kom tot de conclusie dat [Handel] geen recht heeft op aftrek van voorbelasting. [Handel] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de materiële vereisten van artikel 15 Wet OB is voldaan. Meer specifiek neem ik het standpunt in dat [Handel] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de goederen daadwerkelijk zijn geleverd aan [Handel] .”\n\n2.9.2.. Voorts handhaafde de Inspecteur, subsidiair, zijn standpunt dat [Handel] had moeten weten dat haar leveranciers btw-fraude pleegden, althans niet alles had gedaan dat redelijkerwijs van haar verwacht had kunnen worden om niet bij dergelijke fraude betrokken te raken. De Inspecteur heeft de bezwaren vervolgens afgewezen.\n\nOnderzoek [naam onderzoek]\n\n2.10.. Het Team Financieel-economische Criminaliteit van de Politie heeft onderzoek gedaan naar onder meer de (handels)activiteiten van [Handel] en de bij deze onderneming betrokken personen en handelspartners.\n\n2.11.. Het proces-verbaal van bevindingen met documentcode […] vermeldt onder meer:\n\n“Samenvatting\n\nDoor [Handel] worden grote sommen geld (in totaal bijna EUR 26 miljoen en USD 825.000) overgemaakt naar de [buitenlandse] bankrekening van [Ltd. 5] uit [buitenland 1] (hierna te noemen: \" [Ltd. 5] \"). De documentatie doet vermoeden dat deze betalingen zien op goud- en kabelaankopen door [Handel] bij [Ltd. 5] . Op haar beurt lijkt [Ltd. 5] goud en kabel te kopen van [Ltd. 6] (hierna te noemen: \" [Ltd. 6] \") van de [buitenland 2] . [Handel] verkoopt het goud en kabel vervolgens door aan een viertal bedrijven in Nederland (en éénmaal aan een bedrijf in [buitenland 3] ). [Handel] koopt bij deze bedrijven juist andere metalen in en verkoopt deze vervolgens door aan [Ltd. 5] , die het op haar beurt weer aan [Ltd. 6] verkoopt. Deze goederenstroom loopt derhalve in tegengestelde richting aan de goud- en kabelstroom. Alle partijen in deze keten hebben overeenkomsten van verrekening met hun handelspartners gesloten. De verschuldigde betalingen voor de aan- en verkopen van goud en kabel worden op basis hiervan verrekend met de verschuldigde betalingen voor de aan- en verkopen van andere metalen. Vereenvoudigd is deze keten als volgt schematisch weer te geven:\n\n[Afbeelding verwijderd in verband met pseudonimisering]\n\nHet ziet er naar uit dat [Handel] , ook na verrekening, meer verschuldigd is aan [Ltd. 5] dan andersom. Over de periode medio 2019 tot en met begin 2022 maakt [Handel] immers in totaal bijna EUR 26 miljoen en USD 825.000 over naar [Ltd. 5] . In diezelfde periode zijn slechts drie overboekingen van [Ltd. 5] naar [Handel] geweest van totaal ruim GPS 252.000. Hierbij dient te worden opgemerkt dat [Handel] en [Ltd. 5] ook contante betalingen kunnen hebben gedaan, maar hierover is op dit moment nog niets te zeggen.\n\nEr zijn echter diverse aanwijzingen dat de goud- en kabel(door-)leveringen in het geheel niet hebben plaatsgevonden of in ieder geval niet in de omvang zoals die wordt voorgesteld:\n\n1. [Handel] heeft geen bedrijfseconomische reden voor de aan- en verkoop van goud, omdat de winst marginaal is;\n\n2. Het door [Handel] aan derden geleverde goud wordt niet doorverkocht, althans dit is niet te zien op de bankrekeningen van deze derden;\n\n3. De door derden aan [Handel] geleverde andere metalen worden niet ingekocht, althans dit is niet te zien op de bankrekeningen van deze derden;\n\n4. Weegbonnen en transportdocumenten ontbreken;\n\n5. Het door [Handel] ingekochte goud ligt al op de werf van [Handel] ;\n\n6. Transport van andere metalen van [Ltd. 5] naar [Ltd. 6] moet naar het adres van een schoenzolenfabrikant in [buitenland 4] ;\n\n7. Transporten van andere metalen hebben niet plaatsgevonden, dus de goud- en kabeltransporten waarmee wordt verrekend vermoedelijk ook niet;\n\n8. [Ltd. 6] betaalt aan [FZE 7] van [B] (die zoals eerder beschreven in Encrochat en Sky ECC voorkomt met betrekking tot witwassen en verdovende middelen en over geld in [buitenland 5] wil beschikken);\n\n9. [Ltd. 6] betaalt aan [FZCO 8] en [FZCO 9] . Alle drie de bedrijven komen voor in Sky ECC met betrekking tot gefingeerde goudcontracten;\n\n10. [Ltd. 5] komt in Sky ECC onder andere voor met betrekking tot de aankoop van suiker, terwijl [Ltd. 5] en [Handel] niet in suiker handelen.”\n\n2.12.. Het proces-verbaal van bevindingen met documentcode […] vermeldt onder meer:\n\n“ [Handel B.V.] levert op papier metalen aan [Ltd. 5] , een\n\nonderneming van [C] . Deze metalen moeten in opdracht van [Ltd. 5] worden vervoerd naar het vestigingsadres (postbus) van de onderneming [SRO 10] in [buitenland 6] , welke op papier onder leiding staat van [D] . Transporteurs die door [Ltd. 5] voor deze transporten zijn ingeschakeld betreffen transportondernemingen in [buitenland 6] . Zij zijn benaderd door de autoriteiten in [buitenland 6] en geconfronteerd met de transportdocumenten. Zij ontkennen dat de transportdocumenten van hen zijn en dat zij de transporten hebben uitgevoerd. Zij geven ook aan geen zakelijke relatie met [Ltd. 5] en\u002Fof [Handel B.V.] te onderhouden.\n\n [Ltd. 5] heeft op papier de metalen doorverkocht aan [Ltd. 6] , een onderneming welke op papier onder leiding staat van [D] .\n\n [Ltd. 5] verkoopt goud aan [Handel B.V.] . Er zijn wel facturen en afleverbewijzen aangetroffen van deze verkopen maar geen transportdocumenten. Gebleken is dat [Handel B.V.] dit goud heeft doorverkocht aan ondernemingen in Nederland. De Belastingdienst heeft getracht deze handel te verifiëren in de administraties van deze ondernemingen maar de administraties van deze ondernemingen zijn niet aangetroffen, onvolledig en\u002Fof verdwenen.\n\nUit analyse van de bankrekeningen van deze ondernemingen zijn geen ontvangsten uit de verkopen van goud gebleken. Daarmee wordt het vermoeden versterkt dat goudleveringen niet hebben plaatsgevonden. Voornoemde Nederlandse ondernemingen zijn veelal ook de ondernemingen waar [Handel B.V.] haar metalen heeft ingekocht die zij doorverkoopt aan [Ltd. 5] .\n\n(…)\n\nTransportondernemingen in [buitenland 6] ( [Transportonderneming 11] , [Transportonderneming 12] en [Transportonderneming 13] ), welke door [Ltd. 5] zouden zijn ingehuurd voor transport van handel met\u002Fvan [Handel B.V.] naar [SRO 10] , zijn geconfronteerd met transportdocumenten. Alle drie geven aan dat zij de transporten niet hebben uitgevoerd, geen relatie hebben met [Handel B.V.] en\u002Fof [Ltd. 5] en dat de stempels op de CMR documenten niet van hen zijn.\n\nEen transportonderneming in [buitenland 4] ( [Transportonderneming 14] ), welke door [Ltd. 5] zou zijn ingehuurd voor handel met [B.V. 15] naar [SRO 10] , geeft aan dat transporten wel zijn uitgevoerd maar dat de materialen zijn afgeleverd bij [B.V. 1] in Nederland en niet in [buitenland 6] zoals het CMR-document vermeldt. [E] zou de vertegenwoordiger van [Ltd. 5] zijn en hij voerde alle contacten met [Transportonderneming 14] .\n\nDe transporten in opdracht van [Ltd. 5] vermelden op de transportdocumenten dat de materialen afgeleverd moeten worden bij [SRO 16] (danwel [SRO 10] \u002F [SRO 17] ) in [buitenland 6] op het adres van deze onderneming, te weten [adres] in [buitenlandse woonplaats] . Deze locatie betreft een virtueel kantoor zonder opslagruimtes. Uit het controlesysteem voor btw-nummers (VIES) zijn geen aangiftes van goederen of diensten van de andere lidstaten voor deze onderneming gebleken. De Belastingdienst in [buitenland 6] heeft geen enkele aanwijzing kunnen vinden dat transporten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.”\n\n2.13.. Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer […] vermeldt onder meer:\n\n“Op 11 en 12 oktober 2022 vond een doorzoeking plaats bij [ [Handel] ] (…)\n\nTijdens deze doorzoeking is administratie in beslag genomen, waaronder administratie uit het kantoor van [F] (…).\n\nOp de grote tafel werd een stapel papieren aangetroffen en in beslaggenomen (…). Het grootste deel van deze stapel papieren betroffen 69 leveringsbonnen.\n\nDe leveringsbonnen betreffen bewijzen dat door [Handel] goederen zijn geleverd aan een afnemer. Zowel de leverancier als de afnemer dienen voor de levering te tekenen. Alle leveringsbonnen zijn blanco op de naam en de handtekening van de afnemer na. De afnemer op alle leveringsbonnen is [G-1] . Onder zijn naam staat een handtekening. Als de naam [G-2] in blauwe kleur is geschreven, dan is de handtekening ook in de blauwe kleur. Als de naam [G-1] in zwarte kleur is geschreven, dan is de handtekening ook in zwarte kleur.\n\nAlle handtekeningen lijken op elkaar, met dien verstande dat meestal de handtekening uit de letters T en F bestaat en enkele malen is de volledige naam van [G] in de handtekening verwerkt.\n\nUit bovenstaande blijkt dat [G-1] kennelijk al getekend voor de ontvangst van goederen afkomstig van [Handel] die nog niet geleverd zijn.”\n\nBevindingen [B.V. 1]\n\n2.14.1.. Van 3 januari 2020 tot en met 8 april 2021 heeft belanghebbende self-billing facturen inclusief btw opgemaakt voor aankopen van metalen van [B.V. 1]\n\n2.14.2.. Bestuurders van [B.V. 1] waren van 26 november 2019 tot en met 1 januari 2020 [B.V. 18] , van 1 januari 2020 tot en met 1 april 2021 de heer [G-1] en vanaf 1 april 2021 [Stichting 19] . Bestuurder van [Stichting 19] is de heer [H] .\n\n2.14.3.. Aandeelhouder van [B.V. 1] was van 26 november 2019 tot en met 23 juni 2020 [B.V. 18] en van 23 juni 2020 tot en met 1 juli 2021 [B.V. 18] voor 25% en de heer [G-1] voor 75%. Directeur en aandeelhouder van [B.V. 18] is de heer [I] .\n\n2.14.4.. \n\nOp 27 september 2021 is bij de KvK geregistreerd dat [B.V. 1]\n\n is ontbonden door middel van een ontbindingsbesluit. In het Handelsregister van de KvK is opgenomen \"op 27-09-2021 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 1-7-2021\".\n\n2.15.1.. Tijdens de doorzoeking bij [Handel] zijn diverse weegbonnen aangetroffen waarbij is aangegeven dat [B.V. 1] de opdrachtgever is voor het transporteren van metalen naar belanghebbende. Deze weegbonnen zijn blauw van kleur en er staat \"Origineel\" op geschreven. Achter diverse weegbonnen zitten witte weegbonnen met dezelfde gegevens, echter met een andere opdrachtgever dan [B.V. 1] De opdrachtgevers zijn dan [Bedrijf 20] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 21] .\n\n2.15.2.. Daarnaast werd in de kantoorruimte van [F] blanco briefpapier van [B.V. 1] aangetroffen.2.15.3.. Tijdens de doorzoeking bij belanghebbende zijn ook diverse CMR’s aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen met documentcode […] staat hierover het volgende vermeld:\n\n“Een CMR bestaat uit 4 delen:\n\nDeel 1: rode opdruk voor afzender\n\nDeel 2: blauwe opdruk voor ontvanger\n\nDeel 3: groene opdruk voor vervoerder\n\nDeel 4: zwarte opdruk voor tweede vervoerder (indien aanwezig)\n\nUit de aangetroffen CMR's blijkt dat telkens [SRO 17] de opdrachtgever is voor het transporteren van metalen naar [Handel] . De transporten zijn uitgevoerd door:\n\n(…)\n\nOpvallend is dat zowel deel 1 (bedoeld voor de afzender\u002Fopdrachtgever), deel 3 (bedoeld voor de vervoerder) en deel 4 (voor een eventuele tweede vervoerder) aanwezig waren, terwijl deel 2 (voor de ontvanger) bij verreweg de meeste CMR's ontbreken.\n\nDeel 1 zou in het bezit moeten zijn van [SRO 17] .\n\nDeel 2 zou in het bezit moeten zijn van [Handel] .\n\nDeel 3 en 4 zouden in het bezit moeten zijn van de vervoerders. (…)”\n\n2.16.. Uit de bankrekeningen van [B.V. 1] blijkt niets van een inkoop van metalen bij derden.\n\nBevindingen [B.V. 2]\n\n2.17.. \n\nVan 1 april 2021 tot en met 26 juli 2021 heeft belanghebbende self-billing\n\nfacturen inclusief btw opgemaakt voor aankopen van [B.V. 2] Enig aandeelhouder en bestuurder sinds de oprichting is [J] .\n\n2.18.. \n\nOp 12 december 2022 en 26 januari 2023 is [J] verhoord in het onderzoek [naam onderzoek] . [J] heeft verklaard dat hij een katvanger is en niets weet van belanghebbende. [J] verklaart dat hij niet weet wat de naam van zijn onderneming is en geeft aan de onderneming nooit te hebben gezien. [J] verklaart niets af te weten van de self-billing facturen van [Handel] . Ook verklaart hij dat de handtekeningen op de\n\ndocumenten, waaronder de afleverbonnen, niet van hem zijn. [J] geeft aan niets te weten van de handel met belanghebbende en geeft aan ook geen koopovereenkomst te zijn aangegaan met [Handel] . Hij heeft geen kennis van de leveringen van [B.V. 2] aan belanghebbende. Met betrekking tot de stempel op de overeenkomst tussen [Handel] en [B.V. 2] verklaart [J] dat hij deze stempel nooit heeft gezien.\n\n2.19.1.. In een proces-verbaal van bevindingen met BVH nummer […] staat onder meer:\n\n“Op 11 en 12 oktober 2022 vond een doorzoeking plaats bij [Handel B.V.] (hierna: [Handel] )\n\n(…)\n\nIn voornoemde kantoorruimte zijn diverse documenten aangetroffen met betrekking tot de onderneming [B.V. 2](hierna: [B.V. 2] ).\n\n(…)\n\nBlanco CMR documenten\n\nAangetroffen zijn vier originele reeds ingevulde CMR-documenten (deel 1 t\u002Fm 4) van afzender [B.V. 2] en ontvanger [Handel] met [B.V. 2] als transporteur. De documenten zijn al ondertekend door de afzender en de transporteur, zijnde [B.V. 2] .”\n\n2.19.2.. Tijdens de voormelde doorzoeking is ook een bedrijfstempel gevonden van [B.V. 2]\n\n2.20.. Uit de bankrekeningen van [B.V. 2] blijkt niets van een inkoop van metalen bij derden.\n\nBevindingen [B.V. 3]\n\n2.21.. Van 31 maart 2021 tot en met 7 oktober 2021 heeft belanghebbende self-billing facturen inclusief btw opgemaakt voor aankopen van [B.V. 3]\n\n2.22.. \n\nUit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [B.V. 3] een\n\nvennootschap is, waarvan [B.V. 22] de bestuurder en enig aandeelhouder is. Van die Holding is sinds de oprichting de bestuurder en enig aandeelhouder [K] . Sinds 18 september 2020 is [Stichting 19] zelfstandig bevoegd medebestuurder van de Holding. Van die Stichting is [H] de bestuurder.\n\nDe correspondentie namens [B.V. 3] wordt gevoerd door [G-1] en [I] hoewel deze personen - op papier - geen bemoeienissen hebben met [B.V. 3] In deze correspondentie worden de verkopen en inkopen in kaart gebracht.\n\n2.23.. Uit de bankrekeningen van [B.V. 3] blijkt niets van een inkoop van metalen bij derden.\n\nBevindingen [Bedrijf 4]\n\n2.24.. Van 1 oktober 2021 tot en met 19 januari 2022 heeft belanghebbende self-billing facturen inclusief btw opgemaakt voor aankopen van [Bedrijf 4] . [Bedrijf 4] is de eenmanszaak van [A] .\n\n2.25.. \n\nOp 2 februari 2023 is [A] als getuige verhoord in het onderzoek [naam onderzoek]\n\nHij verklaart tijdens het verhoor dat de naam van belanghebbende ( [Handel] ) hem niets zegt.\n\nDaarbij geeft hij aan niet bekend te zijn met het emailadres van [Bedrijf 4] . [A] geeft aan nooit werkzaam te zijn geweest in de metaalhandel. Hij weet niets af van de omzet, de leveranciers en de afnemers van [Bedrijf 4] . [A] verklaart dat hij tegen een vergoeding van € 200 à 300 zijn handtekening zette onder documenten.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“16. Op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet brengt een ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden in aftrek de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan die ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht, voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Op degene die vorenbedoeld recht op aftrek wil uitoefenen, rust in beginsel de last te bewijzen dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan, waaronder de voorwaarde dat de in rekening gebrachte kosten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met het jegens een ander verrichten van een prestatie onder bezwarende titel die niet is vrijgesteld van omzetbelasting.[1]\n\n17. Eiseres heeft gesteld dat de facturen ter zake van de leveringen aan [Handel] in combinatie met de overeenkomsten van verrekening tussen [Handel] en de vier andere partijen zodanig begin van bewijs vormen dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat de leveringen van goederen aan eiseres in werkelijkheid niet hebben plaatsgehad.\n\n18. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De facturen ter zake van de gestelde leveringen aan [Handel] zijn door [Handel] zelf opgesteld (‘self-billing’) en zijn naar de stelling van eiseres geheel betaald door middel van verrekening met facturen ter zake van leveringen dóór [Handel] , aan dezelfde ondernemers die volgens de facturen áán haar geleverd zouden hebben, en welke facturen eveneens door [Handel] zijn opgesteld. Gelet hierop maakt eiseres, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, met enkel deze facturen en overeenkomsten van verrekening naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat is voldaan aan de materiële voorwaarde voor het aftrekrecht dat andere ondernemers aan de ondernemer ( [Handel] ) leveringen hebben verricht.\n\n19. Bovendien heeft verweerder de gestelde transacties niet slechts bloot weersproken, maar is door hem gesteld dat de door de vier ondernemers in de desbetreffende periode verantwoorde btw maar een fractie bedraagt wat het had moeten zijn op basis van de facturen; dat één van de vier ondernemers kort na de laatste (gestelde) transacties met eiseres is ontbonden en dat van de andere drie het btw-identificatienummer is ingetrokken; en dat bij de vier ondernemers ten dele dezelfde natuurlijke personen betrokken zijn.\n\n20. Eiseres heeft gesteld dat verweerder te lang heeft gedaan over het nemen van de afwijzende beschikkingen en hij pas in de bezwaarfase het standpunt heeft betrokken dat eiseres de leveringen aan [Handel] met bewijs diende te staven. Hierin volgt de rechtbank eiseres niet. Verweerder heeft eiseres bij brief van 12 oktober 2022 laten weten ter beoordeling van de bezwaarschriften nadere informatie nodig te hebben en heeft gepreciseerd welke gegevens hij in dat verband wenste te ontvangen. Dat waren alle gegevens die licht (kunnen) werpen op de totstandkoming en uitvoering van de gestelde leveringen. In zijn e-mail van 25 november 2022 heeft verweerder verduidelijkt die informatie te hebben gevraagd om het recht op vooraftrek te kunnen beoordelen. Eiseres heeft geen informatie verstrekt en heeft overigens ook niet gereageerd op de uitnodiging van verweerder voor een hoorgesprek. De uitspraak op de bezwaarschriften is er primair mee gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde leveringen aan [Handel] daadwerkelijk hebben plaatsgehad. Daarmee lag het op de weg van eiseres om de door haar gestelde leveringen met bewijs te onderbouwen.\n\n21. Voor zover eiseres met het voorgaande betoogt dat het door het handelen van verweerder voor haar onmogelijk of onevenredig moeilijk is geworden die leveringen aan te tonen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De in de vaststellingsovereenkomsten vermelde bedragen tellen op tot leveringen aan [Handel] door de vier genoemde ondernemers van ruim meer dan € 74,5 mln. De rechtbank acht niet voorstelbaar dat transacties met een dergelijk volume niet in ruime mate voor eiseres eenvoudig beschikbare sporen zouden nalaten, mede in aanmerking genomen dat verweerder om die sporen vroeg toen nog niet drie jaar na de oudste en nog niet een jaar na de meest recente transacties waren verstreken. Wat eiseres over het handelen van de verweerder naar voren heeft gebracht, doet naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet eraan af dat zij bewijs had moeten bijbrengen van het werkelijkheidsgehalte van de door haar gestelde transacties.\n\n22. Gelet op wat hiervoor is overwogen behoeft het subsidiaire standpunt van eiseres geen behandeling en dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n(…)\n\n[1] HR 29 september 2017, nr. 15\u002F04099, ECLI:NL:HR:2017:2461.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In geschil is of de onder 1.1 genoemde teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot toewijzing van de teruggaafverzoeken. Voorts verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding.\n\n4.3.. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\n5.1.. De Rechtbank heeft beslist dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Het Hof sluit zich aan bij dit oordeel en de motivering die de Rechtbank daarbij in haar uitspraak in overweging 16 tot en met 21 heeft gegeven. Het Hof vult dit oordeel als volgt aan.\n\n5.2.. Belanghebbende wijst erop dat – samengevat – de Inspecteur meerdere jaren bezig is geweest met de beoordeling van haar teruggaafverzoeken en daarbij steeds wisselende standpunten heeft ingenomen. Belanghebbende verzoekt het Hof deze achtergrond tot uitdrukking te laten komen in de bewijslastverdeling.\n\n5.3.. Op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet OB brengt een ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden in aftrek de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan die ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht, voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat degene, die voormeld recht op aftrek wil uitoefenen, in beginsel de last heeft te bewijzen dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan (HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2461). Het Hof ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van voormelde bewijsregel. Dit geldt te meer gelet op hetgeen is overwogen onder 5.5.1 tot en met 5.6.5.\n\n5.4.. Ter zitting heeft belanghebbende nog aangevoerd dat zij niet meer informatie heeft met betrekking tot de leveringen waarvoor zij omzetbelasting in aftrek wil brengen omdat haar volledige administratie in beslag is genomen in verband met het strafrechtelijk onderzoek [naam onderzoek] . Bovendien heeft het lang geduurd voordat de Inspecteur vragen ging stellen over de geclaimde aftrek van omzetbelasting, aldus nog steeds belanghebbende.\n\n5.5.1.. Dat belanghebbende als gevolg van de inbeslagname van haar volledige administratie in bewijsnood verkeert, vindt het Hof niet aannemelijk. Uit het strafrechtelijk onderzoek volgt namelijk niet dat in de administratie van belanghebbende meer stukken zijn gevonden met betrekking tot de desbetreffende leveringen dan belanghebbende al heeft overgelegd. Voor zover in de administratie van belanghebbende wel andere informatie is gevonden met betrekking tot die leveringen, is op basis van die informatie niet aannemelijk dat [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 4] daadwerkelijk leveringen hebben verricht aan [Handel] . Daar komt bij dat de inbeslagname van de administratie heeft plaatsgevonden op 11 en 12 oktober 2022 (2.13), terwijl de Inspecteur op 15 november 2022 (2.7) heeft verzocht om meer informatie met betrekking tot de genoemde leveringen. Dat belanghebbende nu voor het eerst ter zitting van het Hof aanvoert dat sprake zou zijn van bewijsnood omdat haar administratie in beslag is genomen, is dan ook niet geloofwaardig.\n\n5.5.2.. Dat belanghebbende door toedoen van de Inspecteur in bewijsnood is gekomen omdat het lang heeft geduurd voordat de Inspecteur vragen ging stellen over geclaimde aftrek van omzetbelasting, vindt het Hof ook niet aannemelijk. De Inspecteur heeft ter zitting toegelicht, en dit volgt ook uit het dossier (2.4.1), dat hij met betrekking tot tien van de elf aangiften binnen een jaar na ontvangst van de aangifte heeft verzocht om aanvullende informatie. Vervolgens heeft hij in november 2022 (nogmaals) gelegenheid geboden aan belanghebbende om aanvullende informatie te verstrekken waaraan belanghebbende geen behoefte had (2.8).\n\n5.5.3.. Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat uit de overgelegde facturen volgt dat goederen zijn geleverd en de wijze waarop daarvoor is betaald. De Rechtbank motiveert volgens belanghebbende niet waarom deze informatie niet volstaat om het bestaan van de leveringen aannemelijk te maken.\n\n5.6.1.. Anders dan belanghebbende meent, heeft de Rechtbank in overweging 18 en 19 van haar uitspraak voldoende gemotiveerd waarom de door belanghebbende overgelegde ‘self-billing’ facturen niet volstaan om aannemelijk te maken dat [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 4] leveringen hebben verricht aan [Handel] .\n\n5.6.2.. Daar komt bij dat uit het onderzoek [naam onderzoek] , dat de Inspecteur in hoger beroep heeft ingebracht, volgt dat:\n\n sprake is van onregelmatigheden in de documentatie van de transporten tussen [B.V. 1] en [Handel] ;\n\n de enig bestuurder en aandeelhouder van [B.V. 2] onder meer heeft verklaard niets af te weten van de self-billing facturen, dat de handtekeningen op de documenten, waaronder de afleverbonnen, niet van hem zijn en dat hij geen koopovereenkomst is aangegaan met [Handel] ;\n\n tijdens een doorzoeking bij [Handel] blanco CMR-documenten zijn aangetroffen die zijn ondertekend door de afzender en transporteur, zijnde [B.V. 2] ;\n\n tijdens een doorzoeking bij [Handel] een bedrijfsstempel van [B.V. 2] is gevonden en de enig bestuurder en aandeelhouder van [B.V. 2] heeft verklaard deze bedrijfsstempel nooit te hebben gezien;\n\n het onduidelijk is hoe [B.V. 1] , [B.V. 2] en [B.V. 3] aan de grote hoeveelheden metalen zijn gekomen die zij hebben verkocht aan [Handel] aangezien uit de bankrekeningen niet blijkt van inkoop van metalen bij derden;\n\n de eigenaar van [Bedrijf 4] onder meer heeft verklaard dat hij niet bekend is met [Handel] , niet bekend is met het emailadres van [Bedrijf 4] , nooit werkzaam te zijn geweest in de metaalhandel en niets afweet van de omzet, leveranciers en afnemers van [Bedrijf 4] en hij voor een vergoeding van € 200 à 300 zijn handtekening zette onder documenten.\n\n5.6.3.. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.6.1 en 5.6.2 heeft de Inspecteur gemotiveerd betwist dat de leveringen aan [Handel] door [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 4] hebben plaatsgevonden. De door belanghebbende zelf opgestelde facturen en de overgelegde verrekeningsovereenkomsten die onder andere zijn ondertekend door zogenaamde ‘katvangers’ zijn, zoals de Rechtbank al heeft overwogen, dan niet voldoende om aannemelijk te maken dat belanghebbende aan de voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek heeft voldaan.\n\n5.6.4.. Bovendien volgt uit de algemene voorwaarden (“ [Handel] 2020 general procurement terms and conditions”) van belanghebbende dat sprake zou zijn van offertes van de orders (artikel 3 van de algemene voorwaarden), vastlegging van het land van herkomst (artikel 4 van de algemene voorwaarden), kwaliteitscontrole van de goederen door de leveranciers of belanghebbende (artikel 5 van de algemene voorwaarden), inspectie van de goederen (artikel 6 van de algemene voorwaarden), vaststelling van het tijdstip en de plaats van de leveringen (artikel 7 van de algemene voorwaarden), garanties met betrekking tot gevaarlijke stoffen (artikel 8 van de algemene voorwaarden) en de vaststelling van het gewicht en de prijs van de goederen.\n\n5.6.5.. Gelet op het standpunt van belanghebbende dat de leveringen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, de algemene voorwaarden en de bedragen waarvoor aan belanghebbende zou zijn geleverd, is het dan onbegrijpelijk dat belanghebbende niet meer stukken kan overleggen met betrekking tot de betwiste leveringen dan de facturen en verrekeningsovereenkomsten.\n\n5.6.6.. Dit geldt temeer omdat belanghebbende onder andere handelt in metalen waarop in bepaalde gevallen, genoemd in artikel 12, lid 5, Wet OB in verbinding met artikel 24 bb, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, een verleggingsregeling geldt. In dit verband heeft belanghebbende zowel self-billing facturen opgesteld met toepassing van de verleggingsregeling als self-billing facturen waarop de verleggingsregeling niet is toegepast. Uit de door belanghebbende opgestelde facturen blijkt onvoldoende om wat voor goederen het gaat, omdat deze niet nader zijn gespecificeerd. Ook bestaan onduidelijkheden met betrekking tot het vervoer van de metalen. Hierdoor is met betrekking tot de gestelde leveringen door [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 4] aan [Handel] niet duidelijk of daarop voormelde verleggingsregeling van toepassing is. Gelet op de verschillende btw-regimes die belanghebbende toepast, mag van haar worden verwacht dat zij een zorgvuldige administratie bijhoudt van de desbetreffende leveringen door vermelde vier ondernemers. Dat heeft zij nagelaten, waardoor zij de door haar gestelde bewijsnood zelf heeft veroorzaakt.\n\nSlotsom\n\n5.7.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nR. Wijkstra L.D.M.A Reijs\n\nDe beslissing is op 17 december 2025 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2836","2026-01-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:45.777Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":69,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":36,"updatedAt":72},"776","ECLI:NL:GHDHA:2024:1681","ecli-nl-ghdha-2024-1681","Rolnummer: 22-000992-20\n\nParketnummers: 10-996716-17 en 10-993044-19\n\nDatum uitspraak: 18 september 2024\n\nTEGENSPRAAKGerechtshof Den Haag\n\nmeervoudige kamer voor strafzaken\n\nArrest\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de recht Rotterdam van 6 maart 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,\n\nadres: [woonadres], [woonplaats].\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder parketnummer 10-996716-17 1, 2 subsidiair en 3 en het onder parketnummer 10-993044-19 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:\n\n1. [bedrijf 1] in de periode van 1 april 2011 tot en met 1 mei 2013 te Rotterdam en\u002Fof Venlo en\u002Fof Apeldoorn en\u002Fof elders in Nederland (in haar hoedanigheid van algemeen fiscaal vertegenwoordiger) meermalen [bedrijf 2] (gevestigd te Hong Kong met BTW-nummer [BTWnummer]) heeft doen plegen het opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,te weten kwartaalaangiften omzetbelasting over de jaren 2011 en\u002Fof 2012 en\u002Fof het eerste kwartaal 2013, onjuist en\u002Fof onvolledig doen (DOC-050, 6 tot en met 14),\n\nimmers heeft [bedrijf 1] (in haar hoedanigheid van algemeen fiscaal vertegenwoordiger van [bedrijf 2]) telkens opzettelijk in die (digitale) aangiften ten name van [bedrijf 2] een te laag bedrag aan belaste prestaties (rubriek 1a) en\u002Fof een te laag bedrag aan (af te dragen) omzetbelasting (AMB-013 en AMB-004, tabel 11, dossier p. 424) opgegeven,\n\nterwijl dat feit er (telkens) toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n2.\n\nprimair hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 mei 2013 te Rotterdam en\u002Fof Venlo en\u002Fof elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,meermalen opzettelijk een hoeveelheid geld (tot een totaal van ongeveer 4,7 miljoen euro), die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 2] en\u002Fof [bedrijf 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem,verdachte, en\u002Fof [bedrijf 1] en\u002Fof [bedrijf 4] en\u002Fof [bedrijf 5] en\u002Fof [bedrijf 6],\n\nen welke hoeveelheid geld hij, verdachte, en\u002Fof [bedrijf 1] (telkens) uit hoofde van het beroep van algemeen fiscaal vertegenwoordiger van [bedrijf 2] en\u002Fof tegen geldelijke vergoeding (in het kader van de fiscale en financiële dienstverlening) onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;\n\n subsidiair [bedrijf 1] in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 mei 2013 te Rotterdam en\u002Fof Venlo en\u002Fof elders in Nederland meermalen opzettelijk\n\neen hoeveelheid geld (tot een totaal van ongeveer 4,7 miljoen euro), die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 2] en\u002Fof [bedrijf 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en\u002Fof [bedrijf 1]en\u002Fof [bedrijf 4] en\u002Fof [bedrijf 5] en\u002Fof [bedrijf 6],\n\nen welke hoeveelheid geld [bedrijf 1] (telkens) uit hoofde van het beroep van algemeen fiscaal vertegenwoordiger van [bedrijf 2] en\u002Fof tegen geldelijke vergoeding (in het kader van haar fiscale en financiële dienstverlening), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,\n\naan welke verboden gedragingen hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n3. [bedrijf 1] op verschillende tijdstippen in de periode 1 februari 2015 tot en met 31 mei 2017 te Rotterdam en\u002Fof elders in Nederland (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken en\u002Fof bescheiden en\u002Fof ander gegevensdragers of de inhoud daarvan, deze (telkens) in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld, immers heeft [bedrijf 1]\n\n(op of omstreeks 25 februari 2015) rekeningafschriften op naam van [bedrijf 1](betreffende de rekening-courant bij de [bank] met nummer [bankrekeningnummer 1]) (DOC-027-01, DOC-063, DOC-027-02 en DOC-064) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 12 en 13 september 2016) (digitale bestanden met) Excel spreadsheets betrekking hebbende op de (Nederlandse) omzet\u002Fverkoopfacturen van [bedrijf 2] over de jaren 2011 en\u002Fof 2012 (DOC-004-D) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 20 september 2016) een drietal sets bescheiden met betrekking tot de currentnummers [currentnummer 1], [currentnummer 2] en [currentnummer 3]\n\nen\u002Fof de verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] met nummer [factuurnummr 1] d.d. 8 september 2011 (DOC-010-01 blad 5, blz. 1024) en\u002Fof [factuurnummer 2] d.d. 28 september 2011 (DOC-010-02 blad 6, blz. 1031) en\u002Fof [factuurnummer 3] d.d. 9 september 2011 (DOC-010-03 blad 5, blz. 1037) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 22 september 2016) de verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] betreffende currentnummers [currentnummer 4], [currentnummer 5], [currentnummer 6] en [currentnummer 7](DOC-014-01, 02, 03 en 04) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 17 maart 2017) (28) verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7]] (H14\u002F1; DOC-037-D) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 10 april 2017) (3 enveloppen met) verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] (H15\u002F1 tot en met H15\u002F4; DOC-042-01 tot en met 04) en\u002Fof(in mei 2017) (17) verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] (H15\u002F5; DOC-044-D)\n\nbeschikbaar gesteld en\u002Fof verstrekt aan de controlerende belastingambtenaren ([belastingambtenaar 1] en\u002Fof [belastingambtenaar 2]) (nadat op 22 april 2014 de eindcontrole omzetbelasting van [bedrijf 2] was aangezegd aan de vennootschap als fiscaal vertegenwoordiger en de Belastingdienst in de tussenliggende periode van ruim twee jaren op de voet van de artikelen 47 en 48 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en\u002Fof artikel 31a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 bij herhaling verzocht heeft om de administratie in te zien of beschikbaar te krijgen en\u002Fof om overlegging van spreadsheets en\u002Fof facturen en\u002Fof bankrekeningafschriften in samenhang met de omzetbelastingaangiften namens [bedrijf 2]),\n\nbestaande die valsheid of vervalsing uit - zakelijk weergegeven:\n\n-(onder meer) de wijziging van de naam [naam 1] in [bedrijf 2] op die rekeningafschriften en\u002Fof -(onder meer) de weglating en\u002Fof wijziging van verkoopomzet op de Excel spreadsheets en\u002Fof\n\n-(onder meer) de wijziging van factuurbedragen en\u002Fof in rekening gebrachte omzetbelasting op die verkoopfacturen,\n\nterwijl dat feit er (telkens) toe strekte dat er te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.\n\nParketnummer 101993044-19\n\nPrimair:\n\nhij in of omstreeks de periode van 7 november 2017 tot en met 8 januari 2018 te Venlo en\u002Fof Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),\n\nmet het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid en\u002Fof door een of meer listige kunstgrepen en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels,\n\n[bedrijf 8] en\u002Fof [bedrijf 9] heeft bewogen tot het aangaan van een schuld (te weten het aangaan van een kredietovereenkomst ter hoogte van 50.000,- euro), en\u002Fof tot afgifte van een\n\ngeldbedrag (van 50.000; euro) door overmaking naar de bankrekening (met nummer [bankrekeningnummer 2]) ten name van hem, verdachte, hebbende hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) met voren omschreven oogmerk\n\n- zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en\u002Fof listiglijk en\u002Fof bedrieglijk in strijd met de waarheid via de website van [bedrijf 9] een kredietaanvraag voor een persoonlijke lening (ter grootte van 50.000,- euro)\n\ningediend en ter onderbouwing van deze aanvraag een (vals) pensioenoverzicht van mijnpensioenoverzicht.nl op naam van hem, verdachte, inhoudende een pensioen van 55.857,- euro per jaar (dossier p. 31) en\u002Fof een (vals)\n\nrekeningafschrift van rekeningnummer [bankrekeningnummer 2], inhoudende een\n\ncreditsaldo (van 9.012,29 euro op 30 november 2017) en\u002Fof een salarisbetaling van [bedrijf 10] aan hem, verdachte, over de maand november (dossier p. 39 - 46) ingediend, waardoor [bedrijf 8] en\u002Fof [bedrijf 9] werd(en) bewogen tot het aangaan van bovengenoemde schuld en\u002Fof afgifte;\n\nSubsidiair:\n\nhij in of omstreeks de periode van 7 november 2017 tot en met 8 januari 2018 te Venlo en\u002Fof Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),\n\nopzettelijk\n\n- een pensioenoverzicht op naam van hem, verdachte, van\n\nmijnpensioenoverzicht.nl, gedateerd 22 december 2017 (dossier p. 31) en\u002Fof\n\n- een rekeningafschrift (8 pagina's) van de [bank] op naam van hem, verdachte, en\u002Fof [naam 2] met rekeningnummer [bankrekeningnummer 3] (dossier p. 39-46),\n\n- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, zulks (telkens) met het\n\noogmerk om die\u002Fdat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken en\u002Fof dat vervalsen (telkens) hierin bestaan dat\n\n- op genoemd pensioenoverzicht was opgenomen dat hij, verdachte, een bedrag\n\nvan 44.743,00 euro bruto per jaar ontvangt van [levensverzekering] en\u002Fof een\n\ngezamenlijk pensioen van 55.857,- euro bruto per jaar ontvangt en\u002Fof\n\n- op genoemd rekeningafschrift was vermeld dat hij, verdachte, een salarisbetaling van [bedrijf 10] ten bedrage van 4.068,38 euro had\n\nontvangen over de maand november en\u002Fof de bankrekening een creditsaldo (van 9.012,29 euro op 30 november 2017) had.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met aanvulling van de gronden en behoudens de straf. De advocaat-generaal vordert dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf- en de motivering daarvan.\n\nHet vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.\n\nProcesverloop\n\nOp 22 maart 2023 heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden en verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde een deskundige te benoemen om onderzoek te doen naar – samengevat – de vraag of een tumor gedragsverandering kon veroorzaken bij de verdachte.\n\nDit heeft geresulteerd in een deskundigenrapport van dr. A.J.A. de Louw d.d. 12 oktober 2023 (hierna: het rapport De Louw).\n\nVerweren verdediging\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd – samengevat - dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten verminderd toerekeningsvatbaarheid was ten gevolge van (het groeien van) een tumor in zijn hoofd. Het gedrag van de verdachte zou daardoor de afgelopen jaren veranderd zijn en hierdoor zou hij niet de keuzes hebben gemaakt die hij anders waarschijnlijk wel gemaakt zou hebben. De verdediging heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar het rapport van De Louw.\n\nDe verdediging heeft verder aangevoerd dat de verdachte detentieongeschikt is. In dit verband heeft de verdediging de rapportages van arts en medisch adviseur Dienst Justitiële Inrichtingen [medisch adviseur] d.d. 27 maart 2024 en 23 augustus 2024, waarin deze concludeert dat de verdachte detentiegeschikt is, betwist. De verdediging heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat de medische situatie van de verdachte achteruitgaat, dat hij veel nazorg nodig heeft, dat er snel gereageerd moet kunnen worden bij een zeer wel te verwachten medisch incident en dat de verdachte regelmatig medische controles moet ondergaan. Volgens de verdediging is het medisch gezien een onacceptabel risico om de verdachte te detineren.\n\nVerder heeft de verdediging aangevoerd dat er geen strafdoel mee is gediend als de verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd.\n\nOordeel inzake verminderde toerekeningsvatbaarheid\n\nIn diens rapport concludeert De Louw dat de medische aandoening van de verdachte geleid zou kunnen hebben tot gedragsveranderingen, maar hij merkt ook op dat de gedragsmatige problematiek pas evident werd na de operatieve ingreep die de verdachte in augustus 2020 heeft ondergaan. Bovendien overweegt De Louw dat ‘Op basis van de ter beschikking gestelde medische gegevens het niet mogelijk [is] om vast te stellen dat de tumor bij verdachte heeft geleid tot aantasting van zijn mogelijkheden om weloverwogen besluiten te nemen.’\n\nHet hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan het rapport De Louw dat op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en het hof is voorts van oordeel dat de bevindingen van deze deskundige worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing.\n\nMede gelet op hetgeen De Louw, heeft geconcludeerd is het hof van oordeel dat hetgeen door en namens de verdachte ter onderbouwing van het beroep op verminderde toerekenbaarheid naar voren is gebracht onvoldoende aanknopingspunten bevat om te komen tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar was. Het procesdossier en ook het onderzoek ter terechtzitting nopen evenmin tot een dergelijk oordeel. Het beroep op de verminderde toerekeningsvatbaarheid wordt daarom verworpen.\n\nOordeel hof inzake detentiegeschiktheid\n\n[Medisch adviseur], arts en medisch adviseur Dienst Justitiële Inrichtingen heeft twee rapportages uitgebracht (27 maart 2024 en 23 augustus 2024) en heeft, na raadpleging van een specialist ouderengeneeskunde, in beide rapportages – samengevat - geconcludeerd dat er in detentie voldoende mogelijkheden zijn om de verdachte de medische zorg te bieden die hij nodig heeft en dat de verdachte detentiegeschikt is.\n\nOok ten aanzien van deze rapportages geldt dat het hof geen aanleiding heeft om eraan te twijfelen dat deze op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De conclusies van de rapportages zijn voldoende gemotiveerd en navolgbaar.\n\nHet hof neemt deze conclusies over en is van oordeel dat de verdachte detentiegeschikt is. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ter onderbouwing van het standpunt dat de verdachte niet detentiegeschikt is, leidt het hof niet tot een ander oordeel.\n\nHet voorgaande betekent dat het hof ervan uitgaat dat de verdachte ten tijde van de feiten volledig toerekeningsvatbaar was en voorts dat de verdachte detentiegeschikt is.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting.\n\nJustitiële documentatie\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 augustus 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Dit is echter langer geleden en het hof stelt vast dat verdachte geen thans relevante eerdere veroordelingen heeft.\n\nPersoonlijke omstandigheden, redelijke termijn en tijdsverloop\n\nUit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat de verdachte met serieuze medische omstandigheden te kampen heeft. Het hof zal daarmee rekening houden in de bepaling van de hoogte van de straf in zoverre dat het hof 6 maanden minder zal opleggen dan de in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden.\n\nHet hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden met ruim 2,5 jaar is overschreden, nu op 16 maart 2020 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld en het hof eindarrest wijst op 18 september 2024.\n\nHet hof zal deze overschrijding – alsmede het forse tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten - verdisconteren in de straf in die zin dat het hof op de in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden andermaal 6 maanden in mindering zal brengen.\n\nHet voorgaande betekent dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf van (48 maanden minus tweemaal 6 maanden) 36 maanden zal opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 47, 51, 57 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van36 (zesendertig) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A. de Lange, mr. F.W. Pieters en mr. M. Pheijffer, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 september 2024.\n\nMr. M. Pheiffer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1681","2024-09-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.551Z",20]