[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-victim-compensation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":39,"total":16,"page":25,"limit":65},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},96,"victim-compensation-nl","Victim Compensation","NL","2026-07-08T16:56:12.456Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[21,26,29,33,36],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122600","Burgerlijk Wetboek","art. 6:108 lid 4",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122601","art. 6:108 lid 3",{"provisionId":30,"code":31,"article":32,"count":25},"122750","Wetboek van Strafrecht","art. 302",{"provisionId":34,"code":31,"article":35,"count":25},"122751","art. 300",{"provisionId":37,"code":31,"article":38,"count":25},"122752","art. 300 lid 4",[40,51,58],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":49,"updatedAt":50},"829","ECLI:NL:GHDHA:2026:2238","ecli-nl-ghdha-2026-2238","","Rolnummer: 22-003380-25\n\nParketnummer: 10-180764-21\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,\n\nthans gedetineerd in [detentieadres].\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) opgelegd. Verder is een beslissing genomen op de vordering tot ontzetting van de verdachte uit het recht om het beroep uit te oefenen van beroepschauffeur, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nIn hoger beroep heeft het hof de verdachte bij arrest van 16 juli 2024 ter zake van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte opgelegd de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994. Tot slot zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals nader omschreven in het arrest van het hof van 16 juli 2024.\n\nTegen dat arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.\n\nBij arrest van 11 november 2025 heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van € 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor vergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij].\n\nDe Hoge Raad overwoog (onder meer):\n\n“3.5\n\nHet hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij niet als levensgezel in de zin van\n\nartikel 6:108 lid 4, aanhef en onder b, BW kan worden beschouwd, omdat zij niet duurzaam\n\nmet het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde, maar dat zij wel in een\n\n‘LAT-relatie’ stond met het slachtoffer. Volgens het hof heeft zij ‘daarmee’ in voldoende\n\nmate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de\n\nzin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW kan worden aangemerkt.\n\nDat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de onder 3.2.2\n\nweergegeven bijlage van het ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij\n\nweliswaar inhoudt dat sprake was van een ‘hechte en duurzame’ LAT-relatie tussen de\n\nbenadeelde partij en het slachtoffer, maar dat de daaraan door de benadeelde partij ten\n\ngrondslag gelegde stellingen door de verdediging zijn betwist onder verwijzing naar het\n\nontbreken van stukken waaruit dit blijkt. Bij die stand van zaken had het hof aan de hand\n\nvan de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en\n\nomstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden - in het bijzonder de\n\nonderbouwing door de benadeelde partij van de in de wetsgeschiedenis bedoelde duur en\n\nhechtheid van de relatie - in voldoende mate zijn komen vast te staan.\n\n3.6\n\nHet cassatiemiddel slaagt. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f lid 1\n\nvan het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel ten behoeve van de benadeelde partij\n\nniet in stand kan blijven (vgl. HR 18juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).\n\nIn de omstandigheid dat het hof – in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, rechtsoverweging 3.9 – bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van schokschade rekening heeft gehouden met de hoogte van de vergoeding van de affectieschade, ziet de Hoge Raad aanleiding om de zaak ook terug te wijzen ten aanzien van de beslissing over de vergoeding van schokschade.\n\n4. Beslissing\n\nDe Hoge Raad:\n\n- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de\n\nvordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van\n\n€ 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor\n\nvergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij];\n\n- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien van de\n\nbeslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van\n\naffectieschade en schokschade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel\n\nten behoeve van [de benadeelde partij] opnieuw wordt berecht en afgedaan;\n\n- verwerpt het beroep voor het overige.”\n\nOmvang van de zaak\n\nGelet op het arrest van de Hoge Raad is de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen, uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ten aanzien van de gevorderde affectieschade en schokschade en ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nVordering tot schadevergoeding [de benadeelde partij]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [de benadeelde partij], de partner van [het slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 52.068,19.\n\nGelet op de beslissing van de Hoge Raad is thans uitsluitend de vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 47.500,- aan de orde, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 30.000,- voor schokschade.\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in voldoende mate heeft aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was dat zij als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden aangemerkt. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 42.500,-, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor schokschade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft het bestaan van een LAT-relatie tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet betwist, maar wel de intensiteit, de aard en de duur daarvan ter discussie gesteld. De verdediging betwist dat er sprake was van een langdurige, hechte LAT-relatie, zodat [de benadeelde partij] niet als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW kan worden aangemerkt.\n\nAffectieschade\n\nOp grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 BW en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Ook staat daarin welke vaste, maximale bedragen per categorie toewijsbaar zijn. Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’. Indien een vordering niet onder een van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4 sub g BW), als een persoon meent toch als naaste in de zin van deze wet te moeten worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten aantonen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep na terugwijzing heeft de benadeelde partij, anders dan in eerste aanleg, de grondslag van de vordering tot vergoeding van affectieschade, beperkt tot artikel 6:108 lid 4 sub g BW.\n\nVoor vergoeding van affectieschade op deze grondslag dient te kunnen worden vastgesteld dat er een zodanige nauwe persoonlijke relatie tussen de benadeelde partij en het overleden slachtoffer bestond dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt. Daarbij is niet de formele maar de feitelijke verhouding tussen betrokkenen beslissend. Of sprake is van een zodanige nauwe persoonlijke relatie dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard, de duur en de intensiteit van de relatie.\n\nTer onderbouwing van de aard, de duur en de intensiteit van de relatie heeft de benadeelde partij, in aanvulling op de eerder ingediende onderbouwing op de vordering, in WhatsApp met het slachtoffer gevoerde gesprekken over de periode 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 alsmede een aantal foto's van haar met het slachtoffer overgelegd.\n\nOp grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat tussen de benadeelde partij en het slachtoffer gedurende meerdere jaren sprake was van een hechte affectieve relatie. Ten aanzien van de aard van de relatie is niet betwist dat het een affectieve relatie betrof. Ten aanzien van de intensiteit van deze relatie was sprake van dagelijks - al dan niet telefonisch, via WhatsApp of FaceTime - contact tussen de benadeelde en het slachtoffer. Wat betreft de duur van die relatie neemt het hof in aanmerking dat uit de inhoud van de overgelegde WhatsApp-gesprekken blijkt dat zij in ieder geval in de periode van 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 (vrijwel) dagelijks contact met elkaar onderhielden via WhatsApp.\n\nMet betrekking tot de aard, de duur en de intensiteit van de relatie acht het hof voorts van belang dat uit de inhoud van de WhatsApp-gesprekken en de door de benadeelde partij gegeven toelichting blijkt dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een liefdesrelatie die verder ging dan een vriendschappelijke relatie. Er was sprake van wederzijdse affectie en intimiteit, zij verbleven meerdere malen per week bij elkaar en zij namen een belangrijke plaats in elkaars leven in. Ze waren elkaars steun en toeverlaat, aldus de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof wijzen deze omstandigheden op een hechte affectieve relatie over tenminste een periode van drieënhalf jaar.\n\nVoorts vindt het bestaan van een affectieve relatie steun in de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021, opgesteld door [naam diagnostisch medewerker], diagnostisch medewerker, mede namens [naam psychiater], psychiater, waarin wordt gesproken over behandeling, gericht op trauma- en rouwklachten over het verlies van haar partner.\n\nUit de door de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering aangevoerde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maakt het hof op dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie, te weten een langdurige, hechte LAT-relatie, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 jo lid 4 sub g BW als naaste wordt aangemerkt.\n\nGelet daarop zal het hof het voor naasten bepaalde forfaitaire schadebedrag van € 17.500,- wegens affectieschade toewijzen.\n\nSchokschade\n\nVan de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ kan sprake zijn als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond is geraakt (zogenoemde ‘schokschade’).\n\nVoor de toewijzing van schadevergoeding vanwege schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld\n\n(zie het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.7).\n\nOp grond van de toelichting op de vordering door de benadeelde partij en de stukken uit het dossier – kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij na het verongelukken van het slachtoffer als één van de eerste politieambtenaren ter plaatse was. De benadeelde partij heeft het zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat aangetroffen. Dit is door de verdediging niet betwist.\n\nZoals hiervoor reeds overwogen was sprake van een langdurige, hechte LAT- relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij. Uit de hiervoor genoemde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 is gebleken dat de benadeelde partij gediagnosticeerd is met een Posttraumatische stressstoornis (PTSS) die is ontstaan door de confrontatie met de gevolgen van het misdrijf. PTSS is een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 heeft de benadeelde partij toegelicht dat haar behandeling bij de psycholoog ongeveer een half jaar geleden is afgerond. Dit betreft een behandel periode van bijna 5 jaren na het misdrijf. Zij heeft thans nog gesprekken met een geestelijk medewerker.\n\nHet hof stelt vast dat bij de benadeelde partij psychische schade is ontstaan als gevolg van het misdrijf en stelt dan ook vast dat er sprake is van geestelijk letsel waardoor de benadeelde partij in haar persoon is aangetast. Op grond van deze feiten en omstandigheden staat in voldoende mate vast dat de benadeelde partij schokschade heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde.\n\nGelet op alle omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van het hof daarmee niet alleen jegens het (primaire) slachtoffer, maar ook jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en kan hij aansprakelijk worden gehouden voor de schade die als gevolg van deze hevige emotionele schok bij haar is ontstaan.\n\nTen aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag overweegt het hof het volgende.\n\nBij de benadeelde partij is sprake van een samenloop van aanspraken wegens schokschade en affectieschade. Als één van de eerste politieambtenaren die het zeer zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat heeft aangetroffen, is de emotionele schok zeer hevig geweest. Op grond van de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 kan lastig onderscheid worden gemaakt tussen de geestelijke problematiek die het gevolg is van het overlijden van het slachtoffer en de schade die het directe gevolg is van confrontatie met het slachtoffer.\n\nHet hof dient dan ook schattenderwijs naar billijkheid vast te stellen welk bedrag als vergoeding voor schokschade in aanmerking komt. Het hof acht daarbij van belang de hoogte van de toegewezen affectieschade, de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst van het psychisch letsel van de benadeelde partij en de gevolgen daarvan voor haar. Voorts betrekt het hof in zijn oordeel hetgeen blijkens rechtspraak in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van schokschade. Al deze factoren in aanmerking nemend schat het hof naar billijkheid de geestelijke schade van de benadeelde partij op € 25.000,-.\n\nVoor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor wat betreft het gevorderde bedrag aan schokschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [de benadeelde partij]\n\nNu het hof oordeelt dat de verdachte tot een bedrag van € 42.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [de benadeelde partij].\n\nBESLISSING\n\nHet hof, voor zover aan het oordeel van dit hof onderworpen:\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [de benadeelde partij], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 96 (zesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van [de benadeelde partij] niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 7 juli 2021.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2238","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:50.096Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":55,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":49,"updatedAt":57},"892","ECLI:NL:GHDHA:2026:2246","ecli-nl-ghdha-2026-2246","Rolnummer: 22-002927-23\n\nParketnummer: 09-159505-22\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 september 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,\n\nadres: [woonadres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, waarbij bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, te weten – kort weergegeven – een meldplicht en een ambulante behandeling. Voorts is aan de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid op de voet van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd inhoudende, kortgezegd, een contact- en locatieverbod voor de duur van 3 jaren. De rechtbank heeft eveneens de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevolen. Tot slot is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Het bevel voorlopige hechtenis is opgeheven.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal hard tegen het gezicht\u002Fhoofd heeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl zij op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en\u002Fof een gebroken oogkas\u002Fneus, althans één of meerdere fracturen en\u002Fof een septumdeviatie (scheefstaande neus) heeft toegebracht, door die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal hard tegen het gezicht\u002Fhoofd te schoppen\u002Ftrappen, terwijl zij op de grond lag;\n\nmeer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, ter uitvoering aan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht\u002Fhoofd heeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 2] op\u002Ftegen de neus en\u002Fof het gezicht heeft gestompt\u002Fgeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland, zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), heeft mishandeld, door op\u002Ftegen de neus en\u002Fof het gezicht van die [slachtoffer (minderjarige) 2] te stompen\u002Fslaan;\n\n3.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 26 juni 2022 te Wateringen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,\n\nzijn kind, te weten\n\n [slachtoffer (minderjarige) 3] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] ) en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 4] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] ,\n\nheeft mishandeld, door\n\n die [slachtoffer (minderjarige) 3] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nop de trap aan zijn been te trekken, waardoor hij ten val kwam en\u002Fof zijn broek naar beneden te trekken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘hufter’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nbij haar haren te pakken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘dikzak’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘kutwijf’ te noemen) en\u002Fof\n\nbuiten in de kou te laten eten en\u002Fof\n\nmet kleren en al onder de douche te zetten en\u002Fof\n\nafwasmiddel in de mond te spuiten\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\n- bij de haren te pakken en\u002Fof met hun hoofden tegen elkaar te slaan\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 4] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘klootzak te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 5] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘dom’ en\u002Fof ‘sukkel’ te noemen),\n\nterwijl verdachte deze feiten stelselmatig beging tegen minderjarigen.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede dat hem de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr wordt opgelegd, inhoudende een contact- en locatieverbod voor de duur van acht jaren, met aftrek van de reeds ten uitvoer gelegde periode. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.\n\nOverwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nTen aanzien van feit 1\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde, te weten poging tot doodslag. Daartoe is aangevoerd dat de geweldshandelingen van de verdachte van een dusdanige kracht waren dat daarmee een aanmerkelijke kans bestond op letsel waardoor [slachtoffer (minderjarige) 1] zou komen te overlijden, en dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van één schop of trap met ongeschoeide voet. Van een aanmerkelijke kans op de dood was, mede gezien de rapportage van het NFI, geen sprake. Nu uit de beschreven letsels en de geschatte herstelduur niet volgt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dient de verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken. De verdediging heeft zich voor wat betreft het meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nAantal schoppen\n\nUit het dossier volgt dat [slachtoffer (minderjarige) 1] op 27 juni 2022 om 02.00 uur ’s nachts aangifte heeft gedaan van zware mishandeling op 26 juni 2022. Ze heeft verklaard dat ze een harde ruk voelde aan haar haar, achterover ten val kwam en dat haar vader, de verdachte, haar toen begon te schoppen terwijl ze op de grond lag. Ze weet niet meer hoe vaak, maar hij heeft meerdere keren op de linkerkant van haar gezicht getrapt met de zijkant van zijn voet. Hij trapte heel hard en ze voelde heel veel pijn aan de linkerkant van haar hoofd. Tijdens haar verhoor in augustus 2022 heeft zij verklaard dat het meer dan vijf schoppen waren, het waren er heel veel, ze zag dat hij meerdere keren schopte. De verdachte heeft zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft hij verklaard één trap te hebben gegeven. Het NFI heeft, desgevraagd, niet kunnen beoordelen of het vastgestelde letsel waarschijnlijker was bij één trap of vijf trappen in het gezicht.\n\nHet hof heeft evenwel geen reden te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer (minderjarige) 1] , die haar eerste verklaring heeft afgelegd vlak na het incident en consequent heeft verklaard dat het om meerdere schoppen ging. Het hof acht het wettig en overtuigend bewijs voor meerdere schoppen aanwezig en zal daarvan bij de verdere beoordeling van de tenlastelegging uitgaan.\n\nPrimair tenlastegelegde - poging tot doodslag\n\nHet hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is vereist dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, al dan niet in voorwaardelijke vorm. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou overlijden bewust heeft aanvaard.\n\nHet hof heeft in het voorgaande vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer (minderjarige) 1] op 26 juni 2022, terwijl zij op de grond lag, meermalen met zijn blote voet tegen het gezicht heeft geschopt. Dit betreft een ernstig en gewelddadig handelen. Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid met welke kracht dit is gebeurd en op welke plaats van het gezicht de schoppen precies terecht zijn gekomen. Het enkele schoppen tegen het hoofd brengt niet zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood met zich mee. Het hoofd is weliswaar een kwetsbaar onderdeel van het lichaam met vitale functies, maar de schedel biedt een wezenlijke bescherming tegen van buitenaf inwerkend geweld. Daarnaast leidt een eventuele beschadiging van de hersenen niet steeds tot de dood. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat onvoldoende gegevens voorhanden zijn om te kunnen vaststellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op overlijden. Reeds daarom kan niet worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer (minderjarige) 1] .\n\nHet hof zal de verdachte vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.\n\nSubsidiair tenlastegelegde - zware mishandeling\n\nVoor een bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nHet hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 Sr wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.\n\nUit de stukken volgt dat bij [slachtoffer (minderjarige) 1] een onderhuidse bloeduitstorting rondom het linkeroog en op de linkerwang, een subconjunctivale bloeding in het linkeroog, een vermoedelijke kneuzing van het kaakgewricht, een mogelijke milde kneuzing van de linkeroogbol en kleine nasale fracturen zijn vastgesteld. Hoewel het hof dit letsel als niet gering en niet te veronachtzamen aanmerkt, kan niet worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 Sr. Hoewel dit letsel mogelijk als zwaar zal worden ervaren, ligt de lat om dat in juridisch strafrechtelijke zin te kunnen vaststellen op grond van wet en jurisprudentie hoog. Het hof overweegt dat uit de voorhanden zijnde stukken niet zonder meer aannemelijk is geworden dat de persisterende klachten van [slachtoffer (minderjarige) 1] verband houdende met een verminderde doorgankelijkheid van de neus, wat een gevolg kan zijn van een scheef neustussenschot en\u002Fof vergrote onderste neusschelpen, zijn te relateren aan doorgemaakt trauma op 26 juni 2022. Bovendien is tot op heden medisch ingrijpen in de vorm van een operatie niet noodzakelijk geweest.\n\nDe verdachte wordt daarom vrijgesproken van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling.\n\nTen aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde stelt het hof voorop dat voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nHet hof is van oordeel dat het meermaals schoppen tegen het gezicht van een op de grond liggend persoon naar zijn aard een gedraging is die een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, bijvoorbeeld hersenletsel of ernstig letsel aan een oog, in het leven roept. Door aldus te handelen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans voor ogen heeft gezien en hij heeft deze kans door zijn handelen ook aanvaard.\n\nHet hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nDe advocaat-generaal acht de verdachte schuldig aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer (minderjarige) 2] . Door met de vuist een stomp in het gezicht van [slachtoffer (minderjarige) 2] te geven heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft het subsidiair tenlastegelegde.\n\nHet hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 2] op 19 november 2021 éénmaal op de neus heeft gestompt of geslagen. [slachtoffer (minderjarige) 2] heeft daarbij letsel in de vorm van een kneuzing van de neus opgelopen. Het hof acht geen bewijs aanwezig voor een poging zware mishandeling. Uit het eenmaal stompen of slaan op de neus volgt niet dat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ontstond. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 primair tenlastegelegde.\n\nWel komt het hof tot een bewezenverklaring van de onder 2 subsidiair tenlastegelegde mishandeling.\n\nTen aanzien van feit 3\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de kinderen en de moeder niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, omdat deze onbetrouwbaar zijn. Daartoe is aangevoerd dat in de periode waarin en nadat de feiten zouden hebben plaatsgevonden veelvuldig over de situatie is gesproken, waardoor betrokkenen elkaar in hun beleving van de gebeurtenissen zouden hebben beïnvloed en versterkt. De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van de verdachte van de onder 3 tenlastegelegde fysieke vormen van mishandeling van zijn kinderen. Voor wat betreft dat deel van de tenlastelegging dat ziet op de zogenaamde psychische mishandeling heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit omdat – kort gezegd – zonder enige fysieke component geen sprake kan zijn van mishandeling.\n\nHet hof overweegt als volgt en stelt voorop dat verklaringen van getuigen voor het bewijs kunnen worden gebezigd, indien deze betrouwbaar worden geacht en voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.\n\nNaar het punt van de mogelijkheid van zogenaamde ‘collaborative storytelling’is in deze zaak op verzoek van de verdediging onderzoek verricht. Dr. G. Wolters, voorheen universitair hoofddocent, thans gastdocent aan de universiteit Leiden bij het departement psychologie en gespecialiseerd in het menselijk geheugen, heeft op 30 september 2025 rapport uitgebracht. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de essentie van de verklaringen van alle gezinsleden in 2022 en 2023 met elkaar overeenkomt en dat er geen patroon is dat de aard van de beschuldigingen in de loop van de tijd ‘groter’ (ernstiger) wordt door een proces van onderlinge beïnvloeding en ‘collaborative storytelling’.Hierdoor is volgens de deskundige geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de individuele verklaringen.\n\nHet hof sluit zich bij deze bevindingen aan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaringen van de kinderen onderling en met die van de moeder op essentiële onderdelen consistent zijn en in voldoende mate steun vinden in elkaar. Dat op onderdelen sprake is van beperkte strijdigheden, is niet ongebruikelijk en niet van dien aard dat daaraan doorslaggevende betekenis toekomt.\n\nHet verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.\n\nHet hof stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte zijn kinderen gedurende een langere periode meermalen heeft geslagen. Deze gedragingen hebben zich voorgedaan over een periode van meerdere jaren en hadden (aldus) een stelselmatig karakter. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling, nu sprake is van opzettelijk toepassen van lichamelijk geweld tegen zijn kinderen waardoor pijn en\u002Fof letsel is veroorzaakt. Van een aantal tenlastegelegde feitelijke fysieke handelingen wordt de verdachte vrijgesproken nu daarvoor onvoldoende bewijs aanwezig is.\n\nVoor de overige tenlastegelegde niet-fysieke gedragingen, te weten het schelden, kleineren en\u002Fof denigrerend toespreken van de kinderen, is het hof van oordeel dat deze geen mishandeling opleveren in de zin van art. 300 Sr. Het hof wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad met nummer ECLI:NL:HR:2026:1005 waaruit volgt dat gedragingen die uitsluitend – dat wil zeggen: zonder inwerking op het lichaam van het slachtoffer – psychisch leed tot gevolg hebben, niet onder het in artikel 300 Sr bedoelde begrip ‘mishandeling’ vallen. Ook is geen sprake van mishandeling in de zin van artikel 300 Sr als niet op het lichaam inwerkende gedragingen psychisch leed hebben veroorzaakt dat vervolgens heeft geleid tot nadelige lichamelijke gevolgen, zoals buikpijn of braakverschijnselen door stress. Dit betekent ook dat onder ‘benadeling van de gezondheid’ zoals bedoeld in art. 300 lid 4 Sr, niet de enkele benadeling van de geestelijke gezondheid valt. Van dit deel van de tenlastelegging zal het hof de verdachte daarom vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. meer subsidiairhij opof omstreeks26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, ter uitvoering aan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaaltegen het gezicht\u002Fhoofdheeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiairhij opof omstreeks19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland, zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), heeft mishandeld, door op\u002Ftegen de neusen\u002Fof het gezichtvan die [slachtoffer (minderjarige) 2] te stompen\u002Fslaan;\n\n3. hij in of omstreeksde periode van 1 januari 2012 tot en met 26 juni 2022 te Wateringen, althans in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\nzijn kinderen, te weten\n\n [slachtoffer (minderjarige) 3] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 4] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] ,\n\nheeft mishandeld, door\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 3] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nop de trap aan zijn been te trekken, waardoor hij ten val kwam en\u002Fof zijn broek naar beneden te trekken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘hufter’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nbij haar haren te pakken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘dikzak’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘kutwijf’ te noemen) en\u002Fof\n\nbuiten in de kou te laten eten en\u002Fof\n\nmet kleren en al onder de douche te zetten en\u002Fof\n\nafwasmiddel in de mond te spuiten\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\n- bij de haren te pakken en\u002Fof met hun hoofden tegen elkaar te slaan\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 4]meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘klootzak te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 5] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘dom’ en\u002Fof ‘sukkel’ te noemen),\n\nterwijl verdachte deze feiten stelselmatig beging tegen minderjarigen.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn kind.\n\nHet onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn kind.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn kind,meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 1] , destijds 14 jaar, door haar hard aan haar haar naar de grond te trekken en vervolgens meerdere malen hard tegen haar gezicht te trappen\u002Fschoppen. Zij heeft hier bloeduitstortingen, kneuzingen en kleine fracturen van de neus aan overgehouden. Ook heeft de verdachte zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 2] , destijds 15 jaar, mishandeld door haar met zijn vuist op haar neus te slaan. Hierbij heeft [slachtoffer (minderjarige) 2] een kneuzing van haar neus opgelopen. Deze mishandelingen stonden niet op zichzelf, nu de verdachte zich verder jarenlang schuldig heeft gemaakt aan het stelselmatig slaan van niet alleen [slachtoffer (minderjarige) 1] en [slachtoffer (minderjarige) 2] , maar ook van zijn andere drie minderjarige en jonge kinderen: [slachtoffer (minderjarige) 3] , zijn oudste kind en [slachtoffer (minderjarige) 4] en [slachtoffer (minderjarige) 5] , zijn jongste kinderen. Het ging hierbij om flinke tikken\u002Fklappen.\n\nDoor de kinderen veelvuldig te slaan heeft de verdachte de psychische en lichamelijke integriteit van zijn kinderen geschonden, zoals ook volgt uit de door de dochters voorgelezen slachtofferverklaringen ter terechtzitting in hoger beroep. Het veelvuldig slaan van zijn kinderen heeft verder aanzienlijke afbreuk gedaan aan de veiligheid die de kinderen van de verdachte hadden mogen verwachten. Bekend is dat de gevolgen van kindermishandeling nog zeer lang kunnen doorwerken en zich op verschillende manieren kunnen manifesteren, ook in het volwassen leven.\n\nDe verdachte heeft nagenoeg geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Voor zover hij überhaupt erkent dat er gewelddadige conflictsituaties hebben plaatsgevonden, lijkt hij die voornamelijk af te schuiven op het gedrag van zijn kinderen en hij lijkt de ernst van zijn gedrag niet in te zien.\n\nHet hof heeft gezien dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.\n\nAlles afwegende is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het reeds ondergane voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.\n\nDeze gevangenisstraf is lager dan gevorderd nu het hof tot een andere bewezenverklaring komt. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient ertoe om de ernst van de feiten te onderstrepen en de verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Het hof zal geen bijzondere voorwaarden in de vorm van begeleiding en behandeling aan dit voorwaardelijk deel verbinden, nu de verdachte op de terechtzitting van het hof uitdrukkelijk heeft verklaard hier niet voor open te staan. Het hof acht het aangewezen om een proeftijd van drie jaren aan het voorwaardelijk deel te verbinden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.\n\nVoorts acht het hof het aangewezen om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, te weten een contact- en locatieverbod. De verdachte wil contact met zijn kinderen, maar uit de slachtofferverklaringen en de toelichting van de advocaat van de slachtoffers blijkt dat de kinderen nog steeds angst hebben voor de verdachte en dat zij in het geheel geen contact met hem willen. Omdat in ieder geval (een deel van) de kinderen nog minderjarig en woonachtig zijn bij hun moeder, de ex-vrouw van de verdachte, zal het contactverbod zich ook ten aanzien van haar uitstrekken. Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt tegen zijn kinderen, zal het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr bevelen. Het hof zal de periode gedurende welke het contact- en locatieverbod van kracht is bepalen op in totaal vijf jaar, met aftrek van de periode waarin deze verboden vanwege de door de in eerste aanleg genomen beslissing reeds hebben gegolden.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben de aangevers zich als benadeelde partijen gevoegd en elk een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde:\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] heeft een vordering ingediend tot een bedrag van\n\n€ 14.500,- ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde;\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] ) heeft een vordering ingediend tot een bedrag van\n\n€ 12.500,- ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde;\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] hebben elk een vordering ingediend tot een bedrag van € 10.000,- ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.\n\nIn hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot deze in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.\n\nHet hof stelt voorop dat voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade op de voet van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek, slechts plaats is indien is voldaan aan de in dat artikel gestelde vereisten. Voor zover hier van belang kan aanspraak bestaan op vergoeding, indien sprake is van lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam, dan wel van een aantasting in de persoon op andere wijze. Van laatstgenoemde categorie is volgens bestendige rechtspraak sprake indien geestelijk letsel is vastgesteld.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan kindermishandeling gedurende vele jaren en heeft daarmee de lichamelijke integriteit van zijn kinderen geschonden en hun geestelijke gezondheid benadeeld. Alle kinderen hebben in hun vordering toegelicht dat zij nog last hebben van de onveilige en onzekere omgeving die de verdachte voor hen heeft gecreëerd. Bij alle kinderen is er als gevolg van de mishandelingen PTSS geconstateerd en vindt er traumabehandeling plaats of is er een advies tot een dergelijke behandeling.\n\nHet hof heeft bij vaststelling van de schadevergoeding aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 1]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 1] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van de feiten, het opgelopen letsel, en hetgeen door [slachtoffer (minderjarige) 1] ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de vordering zich leent - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van\n\n€ 6.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 6.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer (minderjarige) 1] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 2]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 2] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van de feiten, het opgelopen letsel, en hetgeen dat door [slachtoffer (minderjarige) 2] ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de vordering zich leent - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van\n\n€ 4.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer (minderjarige) 2] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] immateriële schade hebben geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat de vorderingen zich lenen - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot elk een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot vergoeding van de geleden schade. Deze kunnen in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte driemaal tot een bedrag van € 3.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van elk van de slachtoffers [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] .\n\nKosten in verband met alle vorderingen\n\nNu de vorderingen deels worden toegewezen, veroordeelt het hof de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van450 (vierhonderdvijftig) dagen.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 250 (tweehonderdvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nLegt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde\n\n- voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met zijn kinderen [slachtoffer (minderjarige) 3] , [slachtoffer (minderjarige) 2] , [slachtoffer (minderjarige) 1] , [slachtoffer (minderjarige) 5] en [slachtoffer (minderjarige) 4] en met hun moeder, [naam moeder] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Dit betekent ook geen contact bij de school of bij de sportverenigingen waar de kinderen lid van zijn;\n\n- zich voor de duur van 5 jaren niet zal ophouden in Naaldwijk, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod noodzakelijk vindt.\n\nBeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.\n\nToepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.\n\nBeveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaaris.\n\nHeft op het door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.\n\nBeveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.\n\nBeveelt dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.000,- (zesduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 1] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.000,- (zesduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 2] ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.000,- (vierduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 2] , ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,- (vierduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 5] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 5] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 3] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 3] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 4] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 4] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. C. Fetter en mr. K. Versteeg, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2246","2026-07-13T00:28:53.233Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":62,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":49,"updatedAt":64},"1267","ECLI:NL:RBDHA:2026:18665","ecli-nl-rbdha-2026-18665","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummers: 09\u002F290140-25 (dagvaarding I), 09\u002F029669-25 (dagvaarding II, ttz.gev.) en\n\n 16\u002F177451-20 (tul)\n\nDatum uitspraak: 29 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],\n\n BRP-adres: [adres 1] te [woonplaats],\n\nop dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats].\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 15 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van Dongen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. F.C. Knoef naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nhij in of omstreeks 29 maart 2025 tot en met 26 oktober 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster], door op verschillende data en\u002Fof tijdstippen in voormelde periode - één of meermalen sms-berichten en\u002Fof whatsapp-berichten aan die [aangeefster] te sturen, - één of meermalen te bellen naar die [aangeefster] en\u002Fof haar voicemail in te spreken, - daarbij gebruik te maken van meerdere verschillende telefoonnummers met het oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen;\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\n hij op of omstreeks 26 januari 2025 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, ter hoogte van [adres 2] te 's-Gravenhage, in elk geval op of aan de openbare weg en\u002Fof op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [aangever] door die voornoemde [aangever] een of meerdere malen tegen zijn hoofd, althans tegen zijn lichaam te slaan en\u002Fof een of meerdere malen tegen zijn lichaam te schoppen.3. De bewijsbeslissing\n\n3.1.. Inleiding\n\nDe verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij zich in de periode van 29 maart 2025 tot en met 26 oktober 2025 schuldig heeft gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin [aangeefster] (hierna ook: de aangeefster) (dagvaarding I) en dat hij op 26 januari 2025 samen met een ander of anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [aangever] (hierna ook: de aangever) (dagvaarding II).3.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.\n\n3.3.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het bij dagvaarding II ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Naar zijn mening is de verklaring van [aangever] onvoldoende betrouwbaar.\n\nTen aanzien van dagvaarding I heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.4.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden voor het ten laste gelegde onder dagvaarding I.\n\n3.5.. Bewijsoverwegingen\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nDe verdachte heeft na een ruzie met de aangeefster op 29 maart 2026 een whatsapp-bericht aan haar gestuurd inhoudende “Weet niet wat er met jou aan de hand is maar je ken beter iemand anders zoeken”. De aangeefster begreep daaruit dat de relatie was beëindigd. Zij heeft vervolgens niet gereageerd en verder geen enkel contact meer met de verdachte gehad. De verdachte heeft daarop met verschillende telefoonnummers meerdere sms-berichten en whatsapp-berichten aan aangeefster gestuurd en haar meerdere malen gebeld en haar voicemail ingesproken. Ook nadat de aangeefster op 10 juli 2025 aangifte tegen de verdachte heeft gedaan, is hij met dit gedrag doorgegaan. De verdachte heeft hierin volhard tot kort voor zijn aanhouding, namelijk tot en met 26 oktober 2025. Met dit gedrag heeft de verdachte stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Dat de verdachte aangeeft dat hij recht heeft op duidelijkheid en alleen een antwoord te hebben gewild over de status van de relatie en het voorgenomen huwelijk tussen hem en aangeefster, rechtvaardigt niet dat hij eenzijdig contact met haar bleef zoeken. Het kan gelet op de voortdurende radiostilte niet anders dan dat het voor de verdachte duidelijk was dat aangeefster geen contact meer met hem wilde. Temeer nu de verdachte verschillende telefoonnummers gebruikte om contact te krijgen met aangeefster, en zij op geen van de berichten heeft gereageerd. Voor de volledigheid wijst de rechtbank nog op het arrest van de Hoge Raad waaruit volgt dat niet is vereist dat aangeefster aan de verdachte expliciet kenbaar heeft gemaakt geen contact meer met hem te willen hebben (Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2015:1447, 2 juni 2015). Het ten laste gelegde feit kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\nDe verklaring van de aangever, inhoudende dat hij buiten op straat bij de woning van de moeder van de verdachte door de verdachte en zijn broer(s) is geslagen en geschopt, wordt in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen. Dat zijn verklaring op andere (niet ten laste gelegde) onderdelen, zoals de aanwezigheid van een schroevendraaier of een stuk hout, geen steun vindt in het dossier, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid van die verklaring.\n\nBij de aangever is letsel aangetroffen dat past bij zijn verklaring. Ook is uit het buurtonderzoek gebleken dat kinderen hebben gezien dat hij aanbelde bij de woning van de moeder van de verdachte en dat hij daarna werd aangevallen door meerdere mannen. Volgens de kinderen werd hij vervolgens vechtend de straat uit begeleid.\n\nUit de verklaring van de aangever blijkt tot slot dat de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld gepleegd tegen de aangever.\n\nDe rechtbank acht dan ook het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.6.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nhij in de periode van29 maart 2025 tot en met 26 oktober 2025 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster], door op verschillende data en tijdstippen in voormelde periode - meermalen sms-berichten en whatsapp-berichten aan die [aangeefster] te sturen, - meermalen te bellen naar die [aangeefster] en haar voicemail in te spreken, - daarbij gebruik te maken van meerdere verschillende telefoonnummers met het oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doenente dulden;\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\n hij op 26 januari 2025 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, ter hoogte van [adres 2] te 's-Gravenhage, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [aangever] door die voornoemde [aangever] meerdere malen tegen zijn hoofd, althans tegen zijn lichaam te slaan en meerdere malen tegen zijn lichaam te schoppen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\n4.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht de verdachte ten aanzien van dagvaarding II te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu hij heeft gehandeld uit noodweer. Er was volgens de raadsman sprake van een (onmiddellijk dreigende) wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging door de verdachte geboden was. Het is aannemelijk dat de aangever (het slachtoffer), toen hij aanbelde bij de woning van de moeder van de verdachte, het conflict over zijn opgeslagen goederen bij de verdachte die hij terug wilde, met (dreiging met) geweld heeft proberen te beslechten. Het handelen van de verdachte voldoet voorts aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.\n\n4.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het noodweerverweer van de verdachte moet worden verworpen, nu in het dossier geen aanknopingspunten aanwezig zijn dat er sprake was van een noodweersituatie.\n\n4.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de raadsman gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden. Daaruit volgt immers niet dat het slachtoffer met geweld of dreiging met geweld de woning van de moeder van de verdachte probeerde binnen te dringen.\n\nGelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging(en) niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het noodweerverweer wordt dan ook verworpen.\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er voor het overige ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De strafoplegging\n\n6.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, alsmede dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met een bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) en voorts een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).\n\n6.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht aan de verdachte, mede gelet op de verzochte vrijspraak, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van dagvaarding II, een gemaximeerde tbs met voorwaarden op te leggen.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nDe ernst van de feiten\n\nDe verdachte heeft gedurende een periode van ruim zeven maanden het slachtoffer, zijn ex-partner, stelselmatig lastiggevallen door haar veelvuldig te bellen en berichten te sturen.\n\nDoor zo te handelen heeft de verdachte de privacy van het slachtoffer ernstig geschonden en bij haar gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. De verdachte is een paar maanden voor het bewezenverklaarde ook veroordeeld voor belaging van een andere ex-partner, waarvoor hij onder andere tbs met voorwaarden opgelegd heeft gekregen. Ook liep verdachte in een proeftijd van een veroordeling uit 2021, eveneens ter zake van belaging. De rechtbank kent aan de herhaling van het stalkingsgedrag van de verdachte strafverzwarende betekenis toe, ondanks de verminderde toerekenbaarheid van dit gedrag aan de verdachte, waarover hieronder meer. Bij het plegen van dit feit heeft de verdachte zijn frustratie vanwege het verbreken van de relatie door zijn ex-partner niet kunnen beheersen en haar op dwingende manier en niet aflatend benaderd om duidelijkheid van haar te krijgen. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een feit als dit hiervan nog geruime tijd psychische schade kunnen ondervinden.\n\nDe verdachte heeft zich daarnaast samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het slachtoffer heeft aan het incident fysiek letsel overgehouden. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Naast de gevolgen voor het slachtoffer, leiden dit soort strafbare feiten tot gevoelens van onrust en angst in de maatschappij. Het feit heeft zich immers in het openbaar afgepeeld, waarbij buurtbewoners getuigen zijn geweest van het geweld.\n\nHet strafblad van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden diverse malen veroordeeld is geweest voor soortgelijke feiten, laatstelijk op 30 augustus 2024, waarbij aan de verdachte onder andere de maatregel van tbs met voorwaarden is opgelegd. Hoewel deze veroordeling niet onherroepelijk is, weegt de rechtbank dit in het nadeel van de verdachte mee. Voorts liep hij in een proeftijd voor een veroordeling uit 2021 voor een soortgelijk delict.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van [naam 1], psychiater, van 16 april 2026.\n\nDe rapporteur heeft geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, waarbij er sprake is van een licht verstandelijke beperking. Voorts was er sprake van evidente trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De trekken van de persoonlijkheidsstoornis en de licht verstandelijke beperking hebben invloed gehad op de gedragingen van de verdachte tijdens de ten laste gelegde feiten en beïnvloedde zijn gedragskeuzes. De rapporteur adviseert daarom de tenlastegelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nHet recidiverisico wordt door de rapporteur als hoog ingeschat. De kans op agressie of antisociale opvattingen of handelingen wordt sterk verhoogd als de verdachte geconfronteerd wordt met een niet te beïnvloeden externe stressor, die hij als krenkend, denigrerend en prikkelend ervaart, met name als hij de situaties niet goed begrijpt of als onduidelijk ervaart. Adequate hulpverlening en begeleiding is daarom noodzakelijk, maar dit is tot op heden moeizaam gebleken, om welke reden reeds getracht is de lopende maatregel tbs met voorwaarden om te zetten naar een tbs met dwangverpleging. Dit bleek echter niet mogelijk, gezien de lopende cassatie met betrekking tot die veroordeling. De rapporteur adviseert de maatregel van tbs op te leggen. Een tbs met voorwaarden zou daarin theoretisch de voorkeur hebben, gezien de bereidwilligheid van de verdachte om mee te werken aan behandeling en begeleiding. Gelet op het voorgaande is de maatregel van tbs volgens de rapporteur aangewezen. Een tbs met voorwaarden zou daarin theoretisch de voorkeur hebben, maar mocht een tbs met voorwaarden niet haalbaar worden geacht, is een tbs met dwangverpleging aangewezen. De rapporteur benadrukt de noodzakelijkheid van een adequate behandeling en een uitbreid resocialisatietraject met stringente controle en begeleiding.\n\nDe rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van drs. [naam 2], gezondheidszorgpsycholoog, van 16 april 2026.\n\nDe rapporteur concludeert dat er bij de verdachte sprake is van een combinatie van een licht verstandelijke beperking en trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dit beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen ook ten tijde van het ten laste gelegde. De rapporteur adviseert dan ook de ten laste gelegde feiten in (licht) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De rapporteur schat het recidiverisico zonder passende hulpverlening en juridisch kader als matig tot hoog in. De verdachte recidiveert opnieuw in agressief gedrag en stalking van een ex-partner. Dit ondanks de langdurige behandeling die hij heeft gehad en het juridisch kader dat hem boven het hoofd hangt. De rapporteur adviseert een tbs met voorwaarden. In dit kader is behandeling gegarandeerd. De rapporteur is van mening dat een tbs met voorwaarden in deze strafzaak de voorkeur heeft. Als een dergelijk kader niet haalbaar is, resteert er niets anders dan een tbs met dwangverpleging.\n\nDe rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 9 juni 2026. Ook is de rapporteur ter zitting als deskundige gehoord.\n\nDe reclassering adviseert negatief ten aanzien van een tbs met voorwaarden. Volgens de reclassering is het recidiverisico en het risico op onttrekken aan voorwaarden hoog.\n\nBij herhaling is gebleken dat de verdachte in woord meewerkt, maar niet in daad. De verdachte kent een uitgebreid justitieel verleden, waarbij er gesproken kan worden van een zorgwekkend delict- en gedragspatroon. De reclassering acht het zorgwekkend dat de eerdergenoemde (behandel)interventies tot op heden niet hebben geresulteerd in een aanvaardbaar laag recidiverisico en in een langdurige positieve gedragsverandering bij betrokkene.\n\nGelet op de bescherming van de maatschappij acht de reclassering het niet verantwoord dat de verdachte zonder adequate behandeling en begeleiding terugkeert in de maatschappij. De reclassering is van mening dat het zwaartepunt moet liggen bij een intensieve, langdurende klinische behandeling binnen een strikt- en gestructureerd kader, zonder tijdsdruk. Primair voor het vergroten van het eigen probleeminzicht, het reguleren van de eigen emoties en het vergroten van het probleemoplossende- en reflectieve vermogen, en secundair om binnen een veilige- en stabiele context te kunnen toetsen of de verdachte profiteert van de ingezette interventies om vervolgens de resocialisatie van de verdachte - onder strike voorwaarden - De reclassering is van mening dat de elementen die noodzakelijk zijn om te kunnen interveniëren binnen het kader van een tbs met voorwaarden niet- of onvoldoende aanwezig zijn. De reclassering ziet in het kader van recidivebeperking geen mogelijkheden om een resocialisatieplan met passende (behandel)interventies op te stellen, geen mogelijkheden om voorwaarden te concretiseren en geen mogelijkheden om uitvoering te geven aan een effectief toezicht.\n\nBij een veroordeling adviseert de reclassering daarnaast een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr aan de verdachte op te leggen. Voorts adviseert de reclassering een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr aan de verdachte op te leggen en de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel.\n\nDe op te leggen straf en maatregel\n\nDe rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de Pro Justitia rapporteurs over en legt deze ten grondslag aan haar beslissing dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte verminderd kunnen worden toegerekend. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen straf.\n\nGelet op de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als strafsoort worden volstaan. Mede indachtig de persoon van de verdachte en diens verminderde toerekeningsvatbaarheid acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maandenpassend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies uit de Pro Justitia rapporten en het reclasseringsrapport over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en dat, teneinde dat risico te verminderen, een intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling, zoals door de gedragsdeskundigen beschreven, noodzakelijk is.\n\nDe rapporteur van de reclassering concludeert dat er onvoldoende mogelijkheden zijn om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. Daarnaast zijn in het verleden al diverse ambulante en klinische behandelingen mislukt. Voorts is aan de verdachte vlak voor de thans bewezenverklaarde feiten een tbs met voorwaarden opgelegd en heeft hij zich tijdens dat traject ook niet aan de voorwaarden gehouden. Hoewel aan de verdachte in dat traject wellicht nog niet alle hulp is geboden, zijn er geen indicaties dat aan de verdachte niet een reële kans is geboden om mee te werken aan dat traject en zich aan de voorwaarden te houden. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank een tbs-maatregel met voorwaarden thans niet meer aan de orde.\n\nDe vraag resteert of de door de rechtbank noodzakelijk geachte behandeling in het kader van tbs met dwangverpleging kan en moet worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan het wettelijke vereiste voor het opleggen van tbs nu in ieder geval het begane feit (onder dagvaarding II) een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist en dat zulks tevens geldt voor verpleging van overheidswege. Daartoe is redengevend dat de begane feiten ernstig zijn, dat het recidiverisico hoog is en dat de complexe problematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling vereist. Voorts zijn minder verstrekkende mogelijkheden door de Pro Justitia rapporteurs overwogen maar deze mogelijkheden zijn ontoereikend (gebleken) om het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau te kunnen verminderen.\n\nDe rechtbank zal dan ook de maatregel van de tbs met dwangverpleging opleggen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat ten aanzien van dagvaarding II sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling langer kan duren dan vier jaren.\n\nDe rechtbank ziet gelet daarop geen meerwaarde om daarnaast aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr of een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr op te leggen.\n\n7. De vordering van de benadeelde partij\u002Fde schadevergoedingsmaatregel\n\n [aangeefster]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 7.311,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 588,- aan materiële schade en € 6.723,- aan immateriële schade.\n\n [aangever]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 11.127,33, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 127,33 aan materiële schade en € 11.000,- aan immateriële schade.\n\n7.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot:\n\n- gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;\n\n- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever] tot een bedrag van € 1.127,33, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] heeft de raadsman matiging verzocht voor wat betreft de immateriële schade, gelet op de Rotterdamse schaal. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman afwijzing verzocht, nu causaal verband ontbreekt.\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering voor wat betreft € 10.000,- die is ingediend met het oog op een eventueel hoger beroep. Ten aanzien van de € 1.000,- immateriële schade heeft de raadsman matiging verzocht wegens eigen schuld van de benadeelde partij.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster]\n\nDe vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.\n\nDeze schade is ook rechtstreeks ontstaan door het bewezenverklaarde feit. Hoewel de belaging niet mede bestond uit het opzoeken van de benadeelde partij bij haar woning, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen de geleden schade en het gepleegde strafbare feit. Zonder de belaging zou de benadeelde partij hier niet toe zijn overgegaan, terwijl de gevorderde schade gelet op de voorgeschiedenis van de verdachte ter zake van belaging van een andere ex-partner ook in redelijkheid aan de verdachte kan worden toegerekend. De benadeelde partij heeft gerechtvaardigd ervan kunnen uitgaan dat de verdachte ook in haar geval bij de woning zou kunnen komen, waarmee de rechtbank de kosten van maatregelen ter bescherming van haar veiligheid kwalificeert als schade als gevolg van het strafbare feit.\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van de materiële schade de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 3.000,-. Daarbij heeft de rechtbank tevens aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal, uitgaande van een aantasting van de persoon van de benadeelde partij op andere wijze, gezien de aard en ernst van de normschending en de gevolgen hiervan. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een ernstige vorm van belaging, categorie 17 sub b.\n\nDe rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van de immateriële schade de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 oktober 2025, de laatste dag van de bewezenverklaarde periode.\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van\n\n€ 3.588,- , bestaande uit € 588,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nSchadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen:\n\n- een bedrag van € 588,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;\n\n- een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;\n\nten behoeve van [aangeefster].\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever]\n\nTen laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld in vereniging dat bestond uit slaan en schoppen tegen [aangever]. Hoewel niet kan worden vastgesteld welk letsel van [aangever] door de verdachte is toegebracht, brengt in dit geval het bepaalde in artikel 6:166 Burgerlijk Wetboek (BW) (groepsaansprakelijkheid) met zich mee dat de schade, die door het openlijk geweld is veroorzaakt, aan ieder van de verdachten kan worden toegerekend. Voor hoofdelijke aansprakelijkheid is de deelname aan het groepsgeweld voldoende, ongeacht de vorm die deze deelname heeft aangenomen. Voor de aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:166 BW is verder vereist dat de groepsleden wisten, of behoorden te weten dat het groepsoptreden de kans op de schade zoals die nu geleden is, vergrootte. Vast is komen te staan dat de verdachte een voldoende wezenlijke en significante bijdrage aan het groepsgeweld heeft geleverd door de benadeelde partij te slaan en schoppen. Door zo te handelen behoorde de verdachte op zijn minst te weten dat hij daarmee de kans vergrootte op het ontstaan van de geleden schade.\n\nDe vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,-. De rechtbank heeft daarbij tevens aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal, licht lichamelijk letsel (categorie 13 sub c). De rechtbank ziet geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen vanwege eigen schuld van de benadeelde partij.\n\nDe rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen. Dit deel van de vordering betreft een verhoging van de immateriële schade bij een eventueel hoger beroep. Enig concreet aanknopingspunt op grond waarvan aannemelijk is of kan zijn dat meer schade is geleden, dan wel in de toekomst wordt geleden, dan de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, is niet aangevoerd. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank geen grond voor een niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij wegens een onevenredige belasting van het strafproces en zal zij de vordering dus voor het overige afwijzen.\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van\n\n€ 1.127,33, bestaande uit € 127,33 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nOmdat de verdachte het bewezenverklaarde strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met medeverdachten heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover één van de medeverdachten een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en\u002Fof proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor het bij dagvaarding II bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.127,33, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever].\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging\n\nDe rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, nu de toewijzing van deze vordering niet meer opportuun wordt geacht, gelet op de reeds op te leggen straf en maatregel aan de verdachte.\n\n9. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n- 36f, 37a, 37b, 57, 141 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6. bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van dagvaarding I\n\nbelaging\n\nten aanzien van dagvaarding II\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon\n\nverklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\ngelast de terbeschikkingstelling van de verdachte en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] deels toe tot een bedrag van € 3.588,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 588,- vanaf 23 juli 2025, en over een bedrag van\n\n€ 3.000,- vanaf 26 oktober 2025, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangeefster];\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.588,-,\n\nvermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 588,- vanaf 23 juli 2025, en over een bedrag van € 3.000,- vanaf 26 oktober 2025, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] deels toe tot een bedrag van € 1.127,33 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2025, tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangever];\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;\n\nveroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.127,33, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2025, ten behoeve van [aangever];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 11 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;\n\nwijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met het parketnummer 16\u002F177451-20.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. C. Hofman, voorzitter,\n\nmr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,\n\nmr. R.P. van der Weide, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18665","2026-07-13T00:29:12.963Z",20]