[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-enschede-employment-contract-termination-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":46},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},78,"Enschede","nl","enschede",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},156,"employment-contract-termination-nl","Employment Contract Termination","NL","2026-07-08T17:00:45.330Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-06-25T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123124","Burgerlijk Wetboek","art. 7:673 lid 1",1,[27,38],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"722","ECLI:NL:RBOVE:2026:3703","ecli-nl-rbove-2026-3703","","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12160067 \\ EJ VERZ 26-109\n\nBeschikking van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [partij A],\n\ngemachtigde: mr. S. Groen,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TKH LOGISTICS B.V.,\n\ngevestigd en kantoorhoudende te Haaksbergen,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: TKH,\n\ngemachtigde: mr. I. Lintsen.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag (rechts)geldig is.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift dat is ingediend op 26 maart 2026,\n\n- het verweerschrift, met een tegenverzoek,\n\n- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij beide partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [partij A] was sinds 1 maart 2019 in dienst bij TKH. De functie van [partij A] was magazijnmedewerker met een loon van € 2.700,00 bruto per maand.\n\n2.2.. In de ochtend van 30 januari 2026 ontving TKH een e-mail van een klant waarin melding werd gemaakt dat producten van het merk Epiphan en Intronics die in het magazijn van TKH horen te liggen via Marktplaats te koop werden aangeboden. Daarop heeft TKH onderzoek gedaan en geconstateerd dat de producten vermoedelijk door [partij A] te koop werden aangeboden.\n\n2.3.. Vervolgens heeft TKH [partij A] diezelfde dag uitgenodigd voor een gesprek. In het gespreksverslag staat onder meer het volgende:\n\n[afbeelding]2.4.. Op 30 januari 2026 is [partij A] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat onder meer het volgende:\n\n[afbeelding]2.5.. \n [partij A] is het niet eens met het ontslag op staande voet en is daarom deze verzoekschriftprocedure gestart.\n\n3. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek\n\n3.1.. \n [partij A] verzoekt, na wijziging van zijn verzoeken, de kantonrechter om een billijke vergoeding, een vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging en een transitievergoeding toe te wijzen. Volgens [partij A] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. [partij A] verzoekt voorts voor de duur van de procedure doorbetaling van loon bij wijze van voorlopige voorziening.\n\n3.2.. TKH voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. TKH voert ‑ samengevat ‑ aan dat de feiten een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. TKH heeft een tegenverzoek gedaan. TKH verzoekt een verklaring voor recht dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en hij daarom geen recht heeft op een transitievergoeding. TKH heeft ook een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan. Zij verzoekt (voorwaardelijk) dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden zonder toekenning van enige vergoeding.\n\n4. De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.\n\n4.2.. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is. Het moet gaan om zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet hoeft te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.\n\n4.3.. De kantonrechter oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat [partij A] producten uit het magazijn van TKH heeft meegenomen en dat hij deze te koop heeft aangeboden via Marktplaats. In eerste instantie heeft [partij A] ontkend dat de twee producten van het merk Epiphan met een waarde van respectievelijk ongeveer € 2.500,00 en € 450,00, afkomstig zijn uit het magazijn van TKH en dat zijn vrouw één van deze mogelijk heeft gekocht via de webshop Coolblue om video’s op te nemen met hun dochter. Dit kon [partij A] niet aantonen met aankoopbewijzen. Later heeft [partij A] erkend dat de producten afkomstig zijn uit het magazijn van TKH, maar dat het ging om producten die gratis konden worden meegenomen door het personeel van TKH, omdat deze beschadigd waren. Deze stelling van [partij A] acht de kantonrechter ongeloofwaardig, gelet op de uitvoerig gemotiveerde onderbouwing van TKH dat dergelijke producten met een hoge verkoopwaarde nooit gratis beschikbaar worden gesteld aan het personeel. Ook blijkt uit de door TKH overgelegde stukken dat de klant, waarvoor TKH de producten van het merk Epiphan in het magazijn opslaat, als beleid heeft dat beschadigde producten altijd teruggestuurd moeten worden en dus nooit gratis worden aangeboden aan werknemers van TKH. Ook de substantiële wijziging van de verklaring van [partij A] voor het in bezit hebben van de betreffende producten draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn in tweede instantie gegeven verklaring, mede omdat hij desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd zich destijds verwonderd te hebben over de hoge waarde van met name het Epiphan-product dat volgens hem gratis zou zijn aangeboden aan het personeel waardoor het op zijn minst bijzonder is dat je je dat niet zou herinneren als je gevraagd wordt hoe het product in jouw bezit is gekomen.\n\n4.4.. Het wegnemen van producten uit het magazijn van TKH zonder daarvoor te betalen vormt op zichzelf een dringende reden voor ontslag op staande voet. Dat [partij A] door de verkoop van die producten slechts een gering voordeel heeft genoten zoals door hem is gesteld, doet daar niets aan af. Gezien de aard en de ernst van de dringende reden, namelijk het wegnemen van producten zonder daarvoor te betalen, is de kantonrechter van oordeel dat de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van [partij A] en de gevolgen van het ontslag voor [partij A] niet afdoen aan de rechtsgeldigheid en het belang van TKH bij het ontslag op staande voet. Diefstal is namelijk een ernstig feit.\n\nDe dringende reden is onverwijld en voldoende duidelijk aan [partij A] medegedeeld4.5.. Volgens [partij A] zijn de redenen voor het ontslag niet onverwijld aan hem medegedeeld. Uit de ontslagbrief blijkt volgens [partij A] onvoldoende duidelijk welke redenen aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. De kantonrechter volgt die stelling niet. Het gaat erom dat [partij A] wist waarom hij is ontslagen. Uit de ontslagbrief van 30 januari 2026 met in de bijlage een gespreksverslag van het gesprek waarbij [partij A] aanwezig is geweest, volgt voldoende duidelijk welke redenen ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag. Dat in de brief en het verslag geen opsomming is gemaakt van de ontvreemde producten doet daar niets aan af. [partij A] wist bovendien om welke producten het ging. Hij heeft immers op 2 februari 2026 de twee duurste producten ingeleverd bij TKH.\n\n4.6.. Voor zover er al andere feiten aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd, heeft te gelden dat deze niet meer hoeven te worden beoordeeld, omdat het in bezit hebben van twee producten die in het magazijn van TKH behoren te liggen al een dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet. Van een samengestelde dringende reden is geen sprake.\n\nGeen billijke vergoeding4.7.. Het verzoek van [partij A] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is.\n\nGeen transitievergoeding4.8.. Het verzoek om TKH te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [partij A] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Diefstal wordt namelijk expliciet door de wetgever genoemd als voorbeeld van ernstig verwijtbaar handelen.Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd.\n\nGeen vergoeding vanwege onregelmatige opzegging4.9.. TKH heeft [partij A] terecht ontslagen. Daarom hoefde TKH geen opzegtermijn in acht te nemen en is TKH niet gehouden om aan [partij A] een vergoeding te betalen.\n\nGeen voorlopige voorziening tot doorbetaling van loon4.10.. Nu [partij A] tijdens de procedure alsnog heeft berust in het ontslag is de arbeidsovereenkomst definitief geëindigd op 30 januari 2026 en kan hij geen aanspraak meer maken op loon na die datum. Daarom heeft hij geen belang (meer) bij dit verzoek, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.\n\nHet voorwaardelijke ontbindingsverzoek hoeft niet behandeld te worden4.11.. Nu [partij A] zijn verzoeken heeft gewijzigd en dus berust in het ontslag, is de arbeidsovereenkomst geëindigd op 30 januari 2026. Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van TKH hoeft daarom niet behandeld te worden.\n\nDe door TKH verzochte verklaring voor recht is toewijsbaar4.12.. Hiervoor is al geoordeeld dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom geen recht heeft op een transitievergoeding. Dat betekent dat de door TKH verzochte verklaring voor recht toewijsbaar is.\n\n [partij A] moet de proceskosten in het verzoek en het tegenverzoek betalen4.13.. De proceskosten komen voor rekening van [partij A], omdat [partij A] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van TKH worden begroot op € 721,00 (€ 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.14.. De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nop het verzoek\n\n5.1.. wijst de verzoeken af,\n\nop het tegenverzoek\n\n5.2.. verklaart voor recht dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat [partij A] daarom geen recht heeft op een transitievergoeding,\n\n5.3.. wijst het meer of anders verzochte af,\n\nop het verzoek en het tegenverzoek\n\n5.4.. veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.5.. veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking zijn betaald,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026\n\nKamerstukken II2013-2024, 33818, nr. 3, p. 40.\n\n Artikel 7:673 lid 7, onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3703","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:44.849Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":36,"updatedAt":45},"1095","ECLI:NL:RBOVE:2026:3652","ecli-nl-rbove-2026-3652","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12208841 \\ EJ VERZ 26-144\n\nBeschikking van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\ngemachtigde: mr. M.J.J. van Geel,\n\ntegen\n\nde stichting HET STEDELIJK LYCEUM ENSCHEDE,\n\ngevestigd te Enschede,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Het Stedelijk,\n\ngemachtigde: mr. H. Eillert.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. In deze zaak verzoekt [verzoekster] om toekenning van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding na een ontslag op staande voet door Het Stedelijk. De kantonrechter wijst de verzoeken van [verzoekster] toe, omdat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 13,\n\n- het verweerschrift met producties 1 tot en met 12,\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van [verzoekster] ,\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van Het Stedelijk,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [verzoekster] , geboren [geboortedatum] 1997, is sinds 1 augustus 2024 voor bepaalde tijd in dienst bij Het Stedelijk. De functie van [verzoekster] is docent LB binnen de Internationale Schakelklas (ISK) met een loon van € 2.407,23 bruto per maand exclusief emolumenten bij een arbeidsomvang van 0,6 fte.\n\n3.2.. \n [verzoekster] volgde naast haar werk een deeltijdopleiding (0,2 fte) tot docent Nederlands aan het [universiteit] in [plaats 1] . Omstreeks juni 2025 zijn de werkdagen van [verzoekster] gewijzigd, omdat zij ten behoeve van haar opleiding in de periode van 7 oktober 2025 tot 31 januari 2026 stage ging lopen bij het [instelling] , locatie [plaats 2] .\n\n3.3.. Met ingang van 8 oktober 2025 heeft [verzoekster] zich arbeidsongeschikt gemeld voor haar werkzaamheden bij Het Stedelijk.\n\n3.4.. In de probleemanalyse van 11 november 2025 heeft de Arbo Unie – kort gezegd – geoordeeld dat er geen sprake is van benutbare mogelijkheden. De probleemanalyse is opgesteld door dhr. J. Hesselink, verpleegkundige (hierna te noemen: Hesselink) en beoordeeld door mw. A.C. Franke, arts in opleiding tot bedrijfsgeneeskundige. Als eindverantwoordelijke bedrijfsarts is mw. [naam 1] genoteerd.\n\n3.5.. Uit de daarna opgestelde consultrapportages van 24 en 28 november 2025 van Hesselink blijkt dat er nog geen sprake is van benutbare mogelijkheden. In de consultrapportages van 19 januari en 3 februari 2026 is de bedrijfsarts dhr. [naam 2] tot hetzelfde oordeel gekomen. In het verslag van 3 februari 2026 is opgenomen dat ook kort sociaal contact (zoals koffiemomentjes) als te belastend worden geacht.\n\n3.6.. Op 1 december 2025 vindt een e-mailwisseling plaats tussen Hesselink en [teamleider] . Op de vraag van [teamleider] of de constatering dat geen arbeidsmogelijkheden worden gezien ook betekent dat [verzoekster] de studie on hold heeft gezet, antwoordt Hesselink dat hij daar in alle gesprekken naar heeft gevraagd en dat [verzoekster] doet voorkomen dat ze zowel haar studie als stage helemaal on hold heeft gezet, maar dat hij dat natuurlijk niet kan controleren.\n\n3.7.. Op 13 januari, 27 januari en 22 februari 2026 heeft [verzoekster] , na verwijzing door Hesselink, gesprekken gehad bij Het Roessingh. Uit de rapportage van 19 februari 2026blijkt – kort gezegd – wat de klachten van [verzoekster] zijn. Wat betreft de stage staat in het rapport het volgende vermeld:\n\n“(…) Client heeft in de periode tussen oktober 2025 en december 2025 nog wel 2 stage uren per week gedaan. Deze stage loopt zij voor haar deeltijdopleiding op een reguliere middelbare school op 5 minuten afstand van haar huis. Hier werkt ze niet in volle verantwoordelijkheid. Er ontstond een discussie met haar werkgever, waarom ze dezelfde werkzaamheden wel bij stage kon doen, maar niet op haar werk, terwijl cliënt dit juist verklaart doordat het andere werkzaamheden zijn. Inmiddels is ze hier ook mee gestopt.”\n\n3.8.. Op 16 februari 2026 heeft mevrouw [HR-adviseur] , HR-adviseur, (hierna te noemen: [HR-adviseur] ) bij het [instelling] gevraagd of [verzoekster] zich tijdens haar stage (tot en met 31 januari 2026) heeft ziekgemeld. Vanuit het [instelling] is daarop op 16 februari 2026 geantwoord dat er geen ziekmelding is geweest.\n\n3.9.. Op 19 februari 2026 heeft Het Stedelijk de volgende brief naar [verzoekster] gestuurd:\n\n“(…) Onlangs hebben wij echter vernomen dat u van 25 augustus 2025 tot en met 31 januari 2026 bij het [instelling] te [plaats 2] stage heeft gelopen en daarbij lessen heeft verzorgd. U heeft ons noch de bedrijfsarts hierover geïnformeerd, terwijl wij u hier meerdere keren over hebben bevraagd. Dit staat dus haaks op de informatie die u eerder heeft verstrekt aan de bedrijfsarts. Met de verrichte werkzaamheden in het [instelling] staat vast dat u wel degelijk in staat bent tot het verrichten van (uw eigen) werkzaamheden bij het Stedelijk. U was verplicht ons te informeren over deze activiteiten en u heeft de bedrijfsarts onjuiste informatie verstrekt.\n\nGelet op al het voorgaande heeft u geen recht op loon over in ieder geval de periode 25 augustus 2025 tot en met 31 januari 2026. Het onverschuldigd betaalde loon zal op u worden verhaald dan wel met uw salaris worden verrekend. Tevens overwegen wij aanvullende maatregelen, waarbij ontslag niet wordt uitgesloten.\n\nAlvorens hiertoe over te gaan stellen wij u in de gelegenheid u te horen. Hierbij nodig ik u uit voor een hoorgesprek op2 maart 2026 om 10.00 uur (…)”\n\n3.10.. Op 2 maart 2026 heeft er een hoorgesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] , vergezeld door haar echtgenoot, [HR-adviseur] en [manager HR] (manager HR). In het hiervan opgemaakte verslag is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…) Zij (= [verzoekster] , toevoeging ktr.) stelt dat de in de brief genoemde stageperiode (…) niet correct is en dat de stage van kortere duur is geweest (…). Zij geeft aan dat ze meerdere malen haar stage heeft gemeld aan de bedrijfsarts, de verpleegkundige en aan [teamleider] (teamleider) en mevrouw [HR-adviseur] .\n\nDaarnaast geeft mevrouw [verzoekster] aan dat zij met Jeroen Hesselink, de verpleegkundige van de arbodienst, overleg heeft gevoerd over haar stageactiviteiten, en ook de bedrijfsarts op de hoogte heeft gesteld van haar stageactiviteiten.. Volgens haar vormde dit geen belemmering voor haar re-integratie bij Het Stedelijk.\n\nMevrouw [verzoekster] geeft aan verbaasd te zijn over de informatie die bij de werkgever bekend is over haar stage.\n\nVanaf het moment dat zij een afspraak met mevrouw [teamleider] heeft geannuleerd, heeft zij geen contact meer opgenomen met haar leidinggevende, ook niet om afspraken af te zeggen.\n\nMevrouw [HR-adviseur] licht kort de inhoud van de Wet verbetering poortwachter toe (…)”.\n\n3.11.. Op 2 maart 2026heeft Hesselink op de vraag van [HR-adviseur] om schriftelijk te reageren op ‘het stageverhaal’ van [verzoekster] zoals opgenomen in het gespreksverslag van 2 maart 2026 als volgt gereageerd:\n\n“Het is niet aan mij of de bedrijfsarts om inhoudelijk op de brief te reageren. Wat van belang is dat er door ons in diverse rapportages is aangegeven dat ze niet in staat is om te werken op basis van de klachten die ze aangeeft maar dat dit er blijkbaar niet van heeft weerhouden om wel elders te werken (stage adres). Daar moeten jullie het met haar over hebben.\n\nIk heb haar in het begin van het traject meegedeeld dat ik het raar vindt dat ze wel naar stage zou kunnen en niet zou kunnen werken. Als het een kan dan kan het ander ook.”\n\n3.12.. Op 4 maart 2026 is [verzoekster] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief is het volgende aan het ontslag ten grondslag gelegd:\n\n“Dit betekent dat uw dienstverband op en ingaande 5 maart 2026 met onmiddellijke ingang is geëindigd op grond van een dringende reden, te weten het\n\ntijdens ziekte werkzaamheden bent gaan verrichten in het kader van uw stage, terwijl u naar eigen zeggen dan wel volgens de bedrijfsarts in deze periode niet in staat zou zijn om arbeid te verrichten;\n\nu uw werkgever niet heeft geïnformeerd over uw stage activiteiten tijdens ziekte;\n\nu de bedrijfsarts dan wel de verpleegkundige van de arbodienst niet heeft geconsulteerd over uw stage activiteiten tijdens ziekte;\n\nu na zijn geconfronteerd met het bovenstaande tijdens het gesprek op 2 maart 2026 heeft gelogen over het informeren van uw werkgever;\n\nu na te zijn geconfronteerd met het bovenstaande tijdens het gesprek op 2 maart 2026 heeft gelogen over het consulteren van de arbodienst.”\n\n4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter – na wijziging van eis – om een billijke vergoeding toe te kennen van € 28.000,00 bruto. Verder verzoekt [verzoekster] om Het Stedelijk te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Volgens [verzoekster] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat er geen sprake is van een dringende reden, het ontslag op staande voet niet proportioneel is en de dringende reden niet onverwijld is medegedeeld. Subsidiair, namelijk voor het geval er sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, verzoekt [verzoekster] om betaling van de transitievergoeding, omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen.\n\n4.2.. Het Stedelijk voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Het Stedelijk voert ‑ samengevat ‑ aan dat [verzoekster] heeft verzwegen en\u002Fof gelogen dat zij tijdens haar arbeidsongeschiktheid stage liep bij het [instelling] .\n\n5. De beoordeling\n\nDe dringende reden5.1.. Tussen partijen is in geschil of er sprake is van een dringende reden waardoor Het Stedelijk de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] met onmiddellijke ingang mocht opzeggen. Het Stedelijk heeft aan de dringende reden kort gezegd ten grondslag gelegd dat [verzoekster] tijdens haar arbeidsongeschiktheid heimelijk stage heeft gevolgd en zij hierover heeft gelogen tegen haar leidinggevende en de arbodienst.\n\n5.2.. \n [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij haar leidinggevende, [teamleider] , voorafgaand en tijdens haar ziekte heeft geïnformeerd over de stage en zij ook Het Roessingh en de bedrijfsarts heeft geïnformeerd. Van het schenden van haar informatieplicht of misleiding is daarom geen sprake. Bovendien was de stage ten tijde van het ontslag op staande voet al beëindigd.\n\n5.3.. De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen op grond van een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Een ontslag op staande voet is een uiterst middel en is alleen gerechtvaardigd als van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet de aard en ernst van de door de werkgever aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.\n\n5.4.. Voor de beoordeling van de vraag of het door Het Stedelijk gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zijn de dringende redenen zoals vermeld in de ontslagbrief van 4 maart 2026 maatgevend. Het geschil wordt dan ook afgebakend door de daarin genoemde verwijten. Wat betreft de in deze brief genoemde verwijten overweegt de kantonrechter dat [verzoekster] onbetwist heeft gesteld dat zij de drie dagen waarop zij haar werkzaamheden verricht voor Het Stedelijk, in overleg met Het Stedelijk heeft gewijzigd zodat zij vanaf maandag 7 oktober 2025 stage kon gaan lopen bij het [instelling] . Dit betekent dat [verzoekster] niet tijdens haar ziekte stage is gaan lopen, maar op het moment van ziekmelding al begonnen was met de stage. De kantonrechter is verder van oordeel dat het niet aan Het Stedelijk is om zich een oordeel te vormen over de vraag of [verzoekster] al dan niet wel in staat is om stage te lopen terwijl zij zich heeft ziekgemeld voor haar werkzaamheden bij Het Stedelijk. Dit is bij uitstek een kwestie die beoordeeld dient te worden aan de bedrijfsarts en waarbij onderzocht zal dienen te worden wat de belasting is van de onderscheiden werkzaamheden\u002Factiviteiten in relatie tot de beperkingen van [verzoekster] .\n\n5.5.. In het derde aandachtpunt van de ontslagbrief heeft Het Stedelijk als verwijt opgenomen dat [verzoekster] de bedrijfsarts dan wel de verpleegkundige van de arbodienst niet heeft geconsulteerd over de stageactiviteiten tijdens de ziekte. Uit de gedingstukken kan niet worden opgemaakt wat wel of niet met de bedrijfsarts is besproken, daarover is namelijk niets vermeld. Uit de verklaring\u002Fe-mails van Hesselink blijkt ook niet dat [verzoekster] tegen hem heeft gelogen of verzwegen dat zij stage loopt. In die e-mails staat immers enkel dat [verzoekster] heeft doen voorkomen dat zij was gestopt met de stage en dat Hesselink haar in het begin van het traject heeft gezegd dat hij het raar vindt dat [verzoekster] stage zou kunnen lopen tijdens haar arbeidsongeschiktheid, maar niet dat [verzoekster] daadwerkelijk heeft gezegd dat zij is gestopt met haar stage. Bovendien blijkt uit het rapport van Het Roessingh dat [verzoekster] daar volledige openheid van zaken heeft gegeven over haar arbeidsongeschiktheid, werk, opleiding en stage en dat dit rapport met de bedrijfsarts\u002FHesselink is gedeeld. Daaruit blijkt dat [verzoekster] niet de intentie heeft gehad om hierover te liegen. Dit blijkt eveneens uit het gespreksverslag van het hoorgesprek, waarin is opgenomen dat [verzoekster] altijd in de veronderstelling verkeerde dat Het Stedelijk op de hoogte was van haar stage. Dat [verzoekster] op enig moment argwanend werd en hierdoor minder openhartig sprak over haar arbeidsongeschiktheid en stage, is gelet op de correspondentie van Het Stedelijk waarin zij direct dreigde met een loonsanctie niet onbegrijpelijk.\n\n5.6.. Of [verzoekster] ook daadwerkelijk heeft gelogen op 2 maart 2026 over het informeren van de werkgever zoals haar wordt verweten in de ontslagbrief onder het vierde aandachtsstreepje en waarover dan precies, is niet duidelijk geworden omdat het gespreksverslag van 2 maart 2026 in dat opzicht niet helder is. Als bedoeld is dat [verzoekster] in het gesprek van 2 maart 2026 heeft gelogen over het al dan niet voortzettenvan de stage na de ziekmelding bij [teamleider] en [HR-adviseur] dan bevreemdt het dat [verzoekster] hiermee niet is geconfronteerd door [HR-adviseur] aangezien zij ook deelnam aan het gesprek op 2 maart 2026.\n\n5.7.. Uit de verklaring van [teamleider] , neergelegd in de e-mail van 11 mei 2026 zou afgeleid kunnen worden dat [verzoekster] tegen haar gezegd zou hebben dat zij met de stage is gestopt vanwege arbeidsongeschiktheid, maar dat is naar de letter genomen niet aan het ontslag ten grondslag gelegd. Ook is die verklaring door [verzoekster] gemotiveerd betwist en door Het Stedelijk niet nader onderbouwd. Bovendien behoeft [verzoekster] als werkneemster geen openheid van zaken te geven over haar arbeidsongeschiktheid tegenover haar leidinggevende, zolang zij dit wel doet tegenover de bedrijfsarts.\n\n5.8.. Zelfs als zou komen vast te staan dat [verzoekster] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven aan [teamleider] over de voortzetting van de stage na 8 oktober 2025 is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van rechtsgeldig ontslag op staande voet. Hierbij is van belang dat een ontslag op staande voet een uiterste middel is en rekening gehouden dient te worden met onder meer de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] . [verzoekster] is sedert oktober 2025 arbeidsongeschikt en uit de rapportages van de bedrijfsarts van januari en februari 2026 blijkt dat van benutbare mogelijkheden geen sprake is. Ook uit de rapportage van Het Roessingh blijkt dit niet. Juist bij een zieke werknemer dient een ontslag op staande voet nog terughoudender te worden ingezet: deze is per direct van een inkomen verstoken en kan vanwege de arbeidsongeschiktheid ook geen vervangend inkomen verwerven.\n\n5.9.. Dat de handelwijze van [verzoekster] Het Stedelijk schade heeft berokkend doordat re-integratiemogelijkheden zijn gemist zoals bepleit door Het Stedelijk, is veel tekort door de bocht. Daar had dan eerst nader onderzoek naar moeten worden gedaan door de bedrijfsarts en bovendien is dat niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd. Ook is het dan maar de vraag of Het Stedelijk in dat geval voortvarend genoeg heeft gehandeld: als het voor Het Stedelijk zo belangrijk was, dan had zij na de e-mailwisseling van 1 december 2025 tussen [teamleider] en Hesselink nader onderzoek moeten instellen en dat niet pas medio februari 2026 moeten doen.\n\n5.10.. De conclusie van het voorgaande is dan ook dat van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet geen sprake is.\n\nGefixeerde schadevergoeding5.11.. De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt.[verzoekster] heeft ter zitting gesteld dat de opzegtermijn drie maanden beloopt en dat eerst tegen 1 juli 2026 had kunnen worden opgezegd. Het Stedelijk heeft dit niet betwist. De kantonrechter gaat daarom uit van deze opzegtermijn, waardoor de gefixeerde schadevergoeding gelijk is aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn van 4 maart 2026 tot en met 30 juni 2026, te weten € 9.318,31bruto, te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten.\n\nBillijke vergoeding5.12.. Ook het verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.\n\n5.13.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.\n\n5.14.. De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 3.000,00 bruto. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. [verzoekster] was ten tijde van het ontslag op staande voet circa anderhalf jaar in dienst. De arbeidsovereenkomst zou tot en met 31 juli 2026 hebben voortgeduurd, aangezien de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op dat moment zou aflopen en [verzoekster] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het dienstverband hierna zou zijn voortgezet, gelet op haar arbeidsongeschiktheid en de miscommunicaties tussen haar en haar leidinggevende. Ook wordt rekening gehouden met de hoogte van de hiervoor toegekende gefixeerde schadevergoeding.\n\n5.15.. Het Stedelijk zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van 3.000,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.\n\nTransitievergoeding5.16.. Het verzoek om Het Stedelijk te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is.Het Stedelijk wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 1.491,15 bedraagt. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 5 april 2026.\n\nVoorlopige voorziening5.17.. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [verzoekster]. Ook heeft [verzoekster] haar verzoek gewijzigd en berust in het ontslag op staande voet zodat ook om die reden geen grond zou bestaan voor de gevraagde voorlopige voorziening.\n\nProceskosten5.18.. De proceskosten komen voor rekening van Het Stedelijk, omdat Het Stedelijk overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.274,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. veroordeelt Het Stedelijk om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van € 3.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.2.. veroordeelt Het Stedelijk om aan [verzoekster] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 9.318,31 bruto, te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten,\n\n6.3.. veroordeelt Het Stedelijk om aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen van € 1.491,15 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.4.. veroordeelt Het Stedelijk in de proceskosten van € 1.274,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Het Stedelijk niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.5.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.6.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n EA\n\n Met toestemming van [verzoekster] mocht de rapportage worden gedeeld met de verwijzer (bedrijfsarts) en de huisarts.\n\n Op 11 mei 2026 heeft Hesselink nogmaals dezelfde reactie gegeven aan [HR-adviseur] .\n\n Artikel 7:672 lid 11 BW.\n\n Restant maart (€ 2.407,23:31 x 27) + april, mei en juni (3 x € 2.407,23).\n\n Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.\n\nKamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).\n\n Artikel 7:673 lid 1 BW.\n\n Artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3652","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.722Z",20]