[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-damage-compensation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":54,"limit":55},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},136,"damage-compensation-nl","Damage Compensation","NL","2026-07-08T16:58:07.457Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,47],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1539","ECLI:NL:RBNNE:2026:2618","ecli-nl-rbnne-2026-2618","","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F3616\n uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit Zeerijp, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Blokzijl),\n\nen\n\nde minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voorheen: staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – Herstel Groningen), Nationaal Coördinator Groningen, NCG\n\n(gemachtigden: mrs. R.M. Don en G.H. Poort).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door NCG van de aanvraag van eiser bij het ‘meldpunt kosten versterking’. Eiser heeft in 2016 met de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) een vaststellingsovereenkomst gesloten. De woning van eiser is na deze vaststellingsovereenkomst gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Tussen eiser en NAM is overeengekomen dat eiser voor de sloop-nieuwbouw zelf een bedrag van € 120.000 zou betalen. Eiser heeft zich op 9 februari 2024 bij de NCG gemeld en verzocht om een vergoeding van deze €120.000. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank stelt in deze uitspraak vast dat dat er naar aanleiding van een door eiser genoemde motie uit 2022 geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is, omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank verklaart zich verder onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 9 februari 2024 een melding gedaan bij het ‘meldpunt kosten versterking’ en verzocht om een vergoeding van € 120.000. Dit zijn de kosten die hij zelf heeft gemaakt in verband met de sloop-nieuwbouw van zijn woning. NCG heeft deze aanvraag met het besluit van 2 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is NCG bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. NCG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van NCG.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] in Zeerijp. Eiser heeft in 2016 met NAM een vaststellingsovereenkomst gesloten. De woning is in het kader van deze vaststellingsovereenkomst gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Tussen partijen is overeengekomen dat NAM de kosten voor de sloop-nieuwbouw tot een bepaald bedrag\n\nzou vergoeden en dat eiser zelf een bedrag van € 120.000 zou meebetalen aan de sloop-nieuwbouw. Partijen hebben elkaar finale kwijting verleend.\n\n3.1.. Vanaf 1 januari 2020 wordt de versterking van woningen in Groningen uitgevoerd door NCG.\n\n3.2.. Tijdens het wetgevingsoverleg van 6 december 2022 is door de leden Beckerman en Nijboer de volgende motieingediend:\n\n“(…) overwegende dat veel gedupeerden zelf kosten maken voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun huis; constaterende dat alle gedupeerden recht moeten hebben om terug te krijgen wat ze hadden; verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, een regeling voor te bereiden om deze kosten alsnog te vergoeden en deze aan de Kamer voor te leggen (…).”3.3.. Hierbij is door een van de indieners van de motie, in het debat met de staatssecretaris, naar voren gebracht dat hij bij een avond in Groningen was, waarbij een aantal bewoners kwamen met casuïstiek over zelf gemaakte kosten. In reactie hierop heeft de staatssecretaris het volgende naar voren gebracht:\n\n“Ik wil graag inventariseren hoe groot het probleem is, maar ik ga nu niet toezeggen dat ik een regeling ga voorbereiden voordat ik heb geïnventariseerd hoe groot het probleem is. Daar zit mijn probleem.”\n\n3.4.. Vervolgens is op 13 december 2022 een gewijzigde motievoorgelegd, waarbij de derde zin (red: vanaf ‘verzoekt’) nu als volgt luidt:\n\n“verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, en de Kamer daarover in het eerste kwartaal van 2023 te informeren”\n\n3.5.. Op 6 september 2023 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, in antwoord op Kamervragen, naar voren gebracht dat een meldpunt zal worden ingericht waar bewoners zich kunnen melden die menen dat zij zelf kosten hebben gemaakt voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen of kosten die daar direct uit voortkomen en dat dit meldpunt uiterlijk per 1 oktober 2023 bij de NCG wordt opengesteld. \n\n3.6.. Na openstelling van het meldpunt is door eiser de in deze zaak aan de orde zijnde melding gedaan.\n\nStandpunten partijen\n\n4. NCG heeft besloten om de kosten niet te vergoeden omdat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. NCG stelt zich op het standpunt dat NCG op grond van de Tijdelijke Wet Groningen (TwG) alleen bevoegd is om de schade te vergoeden als een deskundige – in opdracht van NCG – heeft geconstateerd dat de woning niet voldoet aan de veiligheidsnorm en NCG daaropvolgend een versterkingsbesluit heeft genomen. NCG heeft met betrekking tot de woning van eiser geen versterkingsbesluit genomen. Omdat geen versterkingsbesluit is genomen, komt NCG niet toe aan de uitzondering genoemd in artikel 13j, zevende lid, aanhef en onder a, van de TwG.\n\n4.1.. Eiser voert aan dat het ‘meldpunt kosten versterking’ is opgericht naar aanleiding van de motie van de leden Beckerman en Nijboer voor bewoners die eigen geld hebben moeten inzetten voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun (door de gaswinning beschadigde) woning (zie 3.2 en 3.4). Uit het antwoord van de staatssecretaris op de vragen van de Tweede Kamer blijkt volgens eiser dat het meldpunt is ingericht zonder inperking tot specifieke categorieën. Het vereiste van een versterkingsbesluit leidt volgens eiser tot onevenredig nadelige gevolgen voor eiser. Het primaire doel is volgens eiser herstel van de rechten van individuele gedupeerden. Dit doel wordt volgens hem gefrustreerd door afwijzing van de aanvraag op grond van een formeel vereiste, terwijl de staatssecretaris expliciet heeft toegezegd dat bewoners zoals eiser hun kosten vergoed krijgen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 1979en doet een beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.\n\nBeoordeling\n\n5. De rechtbank stelt vast dat er naar aanleiding van de in 2022 ingediende motie geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. Het op 6 september 2023 door de staatssecretaris gegeven antwoord kan niet gelijk worden gesteld met een, naast de TwG, opgezette, publiekrechtelijke regeling waarmee in de hier aan de orde zijnde casus een vergoeding van de NCG kan worden afgedwongen. Voor zover eiser zich in dit kader beroept op het vertrouwensbeginsel leest de rechtbank in het antwoord niet een aan eiser gerichte toezegging dat zijn casus op grond van de TwG zal worden afgewikkeld.Ook uit het door eiser aangehaalde arrest van de Hoge Raad kan in een casus als onderhavige geen bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal worden afgeleid.\n\n5.1.. Als het gaat om de bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal in zaken waarin geen publiekrechtelijke regeling is opgetuigd kent de Awb de Wet nadeelcompensatie (Wns).\n\n5.2.. Voor inwerkingtreding van de Wns was, bij de beantwoording van de vraag of een beslissing van een bestuursorgaan over schadevergoeding wegens gesteld onrechtmatig overheidshandelen kan worden aangemerkt als besluit in de zin van de Awb, van belang of was voldaan aan de vereisten van de zogenoemde materiële en processuele connexiteit. Aan het vereiste van materiële connexiteit was voldaan, indien de beweerdelijk geleden schade was veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening door het bestuursorgaan dat de schadebeslissing neemt, van een door dat orgaan aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Alleen in een dergelijk geval leverde een schriftelijke beslissing omtrent schade die niet was gebaseerd op een in een wet of een beleidsregel voorziene specifieke schadevergoedingsregeling, in beginsel een zogenoemd zelfstandig of zuiver schadebesluit op.\n\n5.3.. Op 1 juli 2013 is de Wns in werking getreden.Hierbij is de Awb gewijzigd, onder meer door toevoeging van een nieuw onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, en door toevoeging van de artikelen 8:88 tot en met 8:95. Met deze wijziging is beoogd de toegankelijkheid van de bestuursrechter voor een schadeprocedure te verbeteren door de introductie van een verzoekschriftprocedure. Waar een oordeel van de bestuursrechter over schadeveroorzakend handelen door het bestuursorgaan vóór de inwerkingtreding van de Wns enkel kon worden verkregen door bij het bestuursorgaan een zelfstandig schadebesluit uit te lokken en daartegen bezwaar te maken en beroep in te stellen, kan nu door middel van de verzoekschriftprocedure rechtstreeks bij de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding worden ingediend wegens (bepaald) onrechtmatig overheidshandelen. De verzoekschriftprocedure is daarmee in de plaats gekomen van het zelfstandig schadebesluit en het zelfstandig schadebesluit is door de toevoeging van onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, van de Awb op de lijst van besluiten gekomen waartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.\n\n5.4.. De rechtbank ziet ten eerste in het betoog van eiser geen grond voor het oordeel dat de beslissing van de NCG voldoet aan de eisen om te kunnen spreken van een zelfstandig schadebesluit. Maar ook als dat wel zo zou zijn komt de rechtbank, gelet op artikel 8:4, eerste lid aanhef en onder f, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb tot het oordeel dat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.Uit de wet volgt namelijk dat tegen deze besluiten geen beroep openstaat bij de bestuursrechter (zie 5.3). Omdat NCG het bezwaar heeft afwezen in plaats van niet-ontvankelijk te verklaren komt het bestreden besluit daarom voor vernietiging in aanmerking.\n\n5.5.. De rechtbank overweegt dat de per 1 juli 2013 in werking getreden Wns in onderhavige procedure evenmin kan leiden tot een vergoeding. De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88 van de Awb bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:\n\neen onrechtmatig besluit\n\neen onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;\n\nhet niet tijdig nemen van een besluit;\n\neen andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbenden zijn.\n\n5.6.. \n\nDe hiervoor onder 5.5 opgesomde lijst is limitatief, wat betekent dat de bestuursrechter alleen bevoegd is om een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een van de hiervoor in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, vermelde oorzaken. Eiser heeft in beroep geen onrechtmatig besluit of een ander in\n\nartikel 8:88, eerste lid, van de Awb vermelde schadeoorzaak aangewezen ten gevolge waarvan hij stelt schade te hebben geleden. Eiser koppelt de door hem veronderstelde schade aan de vaststellingsovereenkomst die hij heeft gesloten met NAM. NCG heeft geen rol gehad bij de totstandkoming van deze vaststellingsovereenkomst, dan wel de versterking van de woning van eiser. De vaststellingsovereenkomst die eiser heeft gesloten kan ook niet - zoals hij heeft aangevoerd - gelijkgesteld worden met een versterkingsbesluit als bedoeld in de TwG. Bovendien is ingevolge artikel 8:89 van de Awb de bestuursrechter enkel bevoegd op een verzoek om schadevergoeding te beslissen, voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000 bedraagt.Het door eiser verzochte bedrag gaat het maximum van € 25.000 te boven zodat de bestuursrechter ook om die reden niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de bestuursrechter onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\nHet beroep op het gelijkheidsbeginsel\n\n6. Met betrekking tot het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank nog het volgende.\n\n6.1.. Eiser stelt dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van andere gedupeerden die wel aanvullende vergoeding hebben ontvangen, zonder deugdelijke motivering voor dit onderscheid.\n\n6.2.. NCG stelt zich op het standpunt dat eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet voldoende heeft onderbouwd met concrete voorbeelden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval dat ongelijk behandeld wordt, zonder dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Er zijn geen regels opgesteld die eiser in onderhavige procedure te gelde kan maken. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat er andere gedupeerden zijn die wél een vergoeding hebben ontvangen, ondanks dat er geen versterkingsbesluit is genomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond omdat de NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is, moet NCG het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. NCG moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten x € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 28 augustus 2025;\n\n- bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;\n\n- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat NCG het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt NCG tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. J.Y.B. Jansen en mr. L.M. Praamstra, leden, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nKamerstukken II2020\u002F21, 33 529, nr. 866\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 94\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 118, blz. 82-83.\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 115; de gewijzigde motie is aangenomen (stemmingen moties Groningen, 13 december 2022).\n\nAanhangsel Handelingen II2022\u002F23, nr. 3575, p. 2.\n\n HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595.\n\n ABRvS 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, r.o. 4.5.\n\n ABRvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2195, r.o. 3.1.\n\n Stb. 2013, 50.\n\n ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1824: vergelijk de geschiedenis van de totstandkoming van de Wns, Kamerstukken II, 2010\u002F11, 32 621, nr. 3, blz. 40 en blz. 46-47\n\n Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1348, r.o. 3.1.\n\n ABRvS 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1050, r.o. 8.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2618","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:26.090Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1541","ECLI:NL:RBNNE:2026:2622","ecli-nl-rbnne-2026-2622","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F4750\n uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit Borgsweer, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Blokzijl),\n\nen\n\nde minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voorheen: staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – Herstel Groningen), Nationaal Coördinator Groningen, NCG\n\n(gemachtigde: mrs. R.M. Don en G.H. Poort).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door NCG van de aanvraag van eiser bij het ‘meldpunt kosten versterking’. Eiser heeft in 2018 met de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) een vaststellingsovereenkomst gesloten. De woning van eiser is na deze vaststellingsovereenkomst gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Eiser heeft zich op 21 december 2023 gemeld bij het ‘meldpunt kosten versterking’ en verzocht om een aanvullende vergoeding van € 19.600. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank stelt in deze uitspraak vast dat dat er naar aanleiding van de door eiser genoemde motie in 2022 geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is, omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank verklaart zich verder onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 21 december 2023 een melding gedaan bij het ‘meldpunt kosten versterking’ en verzocht om een vergoeding van € 19.600. NCG heeft deze aanvraag met het besluit van 23 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 november 2025 op het bezwaar van eiser is NCG bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. NCG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de NCG.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten\n\n3. Eiser is eigenaar van de woning aan [adres] in Borgsweer. Eiser heeft in 2018 met NAM een vaststellingsovereenkomst gesloten. De woning is in het kader van deze vaststellingsovereenkomst gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Tussen partijen is overeengekomen dat NAM de kosten voor de sloop-nieuwbouw zou vergoeden tot een bepaald bedrag. Partijen hebben elkaar finale kwijting verleend. Tijdens de bouw is volgens eiser gebleken dat de vergoeding van NAM onvoldoende was. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij hierdoor werkzaamheden in eigen beheer heeft moeten uitvoeren. In het ingediende beroepschrift heeft eiser een bedrag van € 19.600 als eigen kosten genoemd en is vermeld dat hij deze kosten bij akte nader zal specificeren.\n\n3.1.. Vanaf 1 januari 2020 wordt de versterking van woningen in Groningen uitgevoerd door de NCG.\n\n3.2.. Tijdens het wetgevingsoverleg van 6 december 2022 is door de leden Beckerman en Nijboer de volgende motieingediend:\n\n“(…) overwegende dat veel gedupeerden zelf kosten maken voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun huis; constaterende dat alle gedupeerden recht moeten hebben om terug te krijgen wat ze hadden; verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, een regeling voor te bereiden om deze kosten alsnog te vergoeden en deze aan de Kamer voor te leggen (…).”3.3.. Hierbij is door een van de indieners van de motie, in het debat met de staatssecretaris, naar voren gebracht dat hij bij een avond in Groningen was, waarbij een aantal bewoners kwamen met casuïstiek over zelf gemaakte kosten. In reactie hierop heeft de staatssecretaris het volgende naar voren gebracht:\n\n“Ik wil graag inventariseren hoe groot het probleem is, maar ik ga nu niet toezeggen dat ik een regeling ga voorbereiden voordat ik heb geïnventariseerd hoe groot het probleem is. Daar zit mijn probleem.”\n\n3.4.. Vervolgens is op 13 december 2022 een gewijzigde motievoorgelegd, waarbij de derde zin (red: vanaf ‘verzoekt’) nu als volgt luidt:\n\n“verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, en de Kamer daarover in het eerste kwartaal van 2023 te informeren”\n\n3.5.. Op 6 september 2023 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, in antwoord op Kamervragen, naar voren gebracht dat een meldpunt zal worden ingericht waar bewoners zich kunnen melden die menen dat zij zelf kosten hebben gemaakt voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen of kosten die daar direct uit voortkomen en dat dit meldpunt uiterlijk per 1 oktober 2023 bij de NCG wordt opengesteld. \n\n3.6.. Na openstelling van het meldpunt is door eiser de in deze zaak aan de orde zijnde melding gedaan.\n\nStandpunten partijen\n\n4. NCG heeft besloten om de kosten niet te vergoeden omdat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. NCG stelt zich op het standpunt dat NCG op grond van de Tijdelijke Wet Groningen (TwG) alleen bevoegd is om de schade te vergoeden als een deskundige – in opdracht van NCG – heeft geconstateerd dat de woning niet voldoet aan de veiligheidsnorm en NCG daaropvolgend een versterkingsbesluit heeft genomen. NCG heeft met betrekking tot de woning van eiser geen versterkingsbesluit genomen. Omdat geen versterkingsbesluit is genomen, komt NCG niet toe aan de uitzondering genoemd in artikel 13j, zevende lid, aanhef en onder a, van de TwG.\n\n4.1.. Eiser voert aan dat het ‘meldpunt kosten versterking’ is opgericht naar aanleiding van de motie van de leden Beckerman en Nijboer voor bewoners die eigen geld hebben moeten inzetten voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun (door de gaswinning beschadigde) woning (zie 3.2 en 3.4). Uit het antwoord van de staatssecretaris op de vragen van de Tweede Kamer blijkt volgens eiser dat het meldpunt is ingericht zonder inperking tot specifieke categorieën. Het vereiste van een versterkingsbesluit leidt volgens eiser tot onevenredig nadelige gevolgen voor eiser. Het primaire doel is volgens eiser herstel van de rechten van individuele gedupeerden. Dit doel wordt gefrustreerd door afwijzing van de aanvraag op grond van een formeel vereiste, terwijl de staatssecretaris expliciet heeft toegezegd dat bewoners zoals eiser hun kosten vergoed krijgen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 1979en doet een beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.\n\nBeoordeling\n\n5. De rechtbank stelt vast dat er naar aanleiding van de in 2022 ingediende motie geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. Het op 6 september 2023 door de staatssecretaris gegeven antwoord kan niet gelijk worden gesteld met een, naast de TwG, opgezette, publiekrechtelijke regeling waarmee in de hier aan de orde zijnde casus een vergoeding van de NCG kan worden afgedwongen. Voor zover eiser zich in dit kader beroept op het vertrouwensbeginsel leest de rechtbank in het antwoord niet een aan eiser gerichte toezegging dat zijn casus op grond van de TwG zal worden afgewikkeld.Ook uit het door eiser aangehaalde arrest van de Hoge Raad kan in een casus als onderhavige geen bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal worden afgeleid.\n\n5.1.. Als het gaat om de bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal in zaken waarin geen publiekrechtelijke regeling is opgetuigd kent de Awb de Wet nadeelcompensatie (Wns).\n\n5.2.. Voor inwerkingtreding van de Wns was, bij de beantwoording van de vraag of een beslissing van een bestuursorgaan over schadevergoeding wegens gesteld onrechtmatig overheidshandelen kan worden aangemerkt als besluit in de zin van de Awb, van belang of was voldaan aan de vereisten van de zogenoemde materiële en processuele connexiteit. Aan het vereiste van materiële connexiteit was voldaan, indien de beweerdelijk geleden schade was veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening door het bestuursorgaan dat de schadebeslissing neemt, van een door dat orgaan aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Alleen in een dergelijk geval leverde een schriftelijke beslissing omtrent schade die niet was gebaseerd op een in een wet of een beleidsregel voorziene specifieke schadevergoedingsregeling, in beginsel een zogenoemd zelfstandig of zuiver schadebesluit op.\n\n5.3.. Op 1 juli 2013 is de Wns in werking getreden.Hierbij is de Awb gewijzigd, onder meer door toevoeging van een nieuw onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, en door toevoeging van de artikelen 8:88 tot en met 8:95. Met deze wijziging is beoogd de toegankelijkheid van de bestuursrechter voor een schadeprocedure te verbeteren door de introductie van een verzoekschriftprocedure. Waar een oordeel van de bestuursrechter over schadeveroorzakend handelen door het bestuursorgaan vóór de inwerkingtreding van de Wns enkel kon worden verkregen door bij het bestuursorgaan een zelfstandig schadebesluit uit te lokken en daartegen bezwaar te maken en beroep in te stellen, kan nu door middel van de verzoekschriftprocedure rechtstreeks bij de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding worden ingediend wegens (bepaald) onrechtmatig overheidshandelen. De verzoekschriftprocedure is daarmee in de plaats gekomen van het zelfstandig schadebesluit en het zelfstandig schadebesluit is door de toevoeging van onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, van de Awb op de lijst van besluiten gekomen waartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.\n\n5.4.. De rechtbank ziet ten eerste in het betoog van eiser geen grond voor het oordeel dat de beslissing van de NCG voldoet aan de eisen om te kunnen spreken van een zelfstandig schadebesluit. Maar ook als dat wel zo zou zijn komt de rechtbank, gelet op artikel 8:4, eerste lid aanhef en onder f, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb tot het oordeel dat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.Uit de wet volgt namelijk dat tegen deze besluiten geen beroep openstaat bij de bestuursrechter (zie 5.3). Omdat NCG het bezwaar heeft afwezen in plaats van niet-ontvankelijk te verklaren komt het bestreden besluit daarom voor vernietiging in aanmerking.\n\n5.5.. De rechtbank overweegt dat de per 1 juli 2013 in werking getreden Wns in onderhavige procedure evenmin kan leiden tot een vergoeding. De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88 van de Awb bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:\n\neen onrechtmatig besluit\n\neen onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;\n\nhet niet tijdig nemen van een besluit;\n\neen andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbenden zijn.\n\n5.6.. \n\nDe hiervoor onder 5.5 opgesomde lijst is limitatief, wat betekent dat de bestuursrechter alleen bevoegd is om een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een van de hiervoor in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, vermelde oorzaken. Eiser heeft in beroep geen onrechtmatig besluit of een ander in\n\nartikel 8:88, eerste lid, van de Awb vermelde schadeoorzaak aangewezen ten gevolge waarvan hij stelt schade te hebben geleden. Eiser koppelt de door hem veronderstelde schade aan de vaststellingsovereenkomst die hij heeft gesloten met NAM. NCG heeft geen rol gehad bij de totstandkoming van deze vaststellingsovereenkomst, dan wel de versterking van de woning van eiser. De vaststellingsovereenkomst die eiser heeft gesloten kan ook niet - zoals hij heeft aangevoerd - gelijkgesteld worden met een versterkingsbesluit als bedoeld in de TwG. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de bestuursrechter onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\nHet beroep op het gelijkheidsbeginsel\n\n6. Met betrekking tot het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank nog het volgende.\n\n6.1.. Eiser stelt dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van andere gedupeerden die wel aanvullende vergoeding hebben ontvangen, zonder deugdelijke motivering voor dit onderscheid.\n\n6.2.. NCG stelt zich op het standpunt dat eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet voldoende heeft onderbouwd met concrete voorbeelden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval dat ongelijk behandeld wordt, zonder dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Er zijn geen regels opgesteld die eiser in onderhavige procedure te gelde kan maken. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat er andere gedupeerden zijn die wél een vergoeding hebben ontvangen, ondanks dat er geen versterkingsbesluit is genomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is, moet NCG het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. NCG moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten x € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 3 november 2025;\n\n- bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;\n\n- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat NCG het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt NCG tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. J.Y.B. Jansen en mr. L.M. Praamstra, leden, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nKamerstukken II2020\u002F21, 33 529, nr. 866\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 94\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 118, blz. 82-83.\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 115; de gewijzigde motie is aangenomen (stemmingen moties Groningen, 13 december 2022).\n\nAanhangsel Handelingen II2022\u002F23, nr. 3575, p. 2.\n\n HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595.\n\n ABRvS 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, r.o. 4.5.\n\n ABRvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2195, r.o. 3.1.\n\n Stb. 2013, 50.\n\n ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1824: vergelijk de geschiedenis van de totstandkoming van de Wns, Kamerstukken II, 2010\u002F11, 32 621, nr. 3, blz. 40 en blz. 46-47\n\n Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1348, r.o. 3.1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2622","2026-07-13T00:29:26.171Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":46},"1542","ECLI:NL:RBNNE:2026:2621","ecli-nl-rbnne-2026-2621","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F4715\n uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit Termunterzijl, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Blokzijl),\n\nen\n\nde minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voorheen: staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – Herstel Groningen), Nationaal Coördinator Groningen, NCG\n\n(gemachtigde: mrs. R.M. Don en G.H. Poort).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door NCG van de aanvraag van eiser bij het ‘meldpunt kosten versterking’. Eiser heeft met de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) een schikking getroffen, welke is vastgelegd in het proces-verbaal van de comparitie van 25 september 2019. De woning van eiser is na deze schikking gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Eiser heeft zich op 19 oktober 2023 bij de NCG gemeld en in eerste instantie verzocht om een vergoeding van ca. € 45.000. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank stelt in deze uitspraak vast dat dat er naar aanleiding van de door eiser genoemde motie uit 2022 geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is, omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank verklaart zich verder onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 19 oktober 2023 een melding gedaan bij het ‘meldpunt kosten versterking’ en verzocht om een vergoeding van ca. € 45.000. Dit zijn volgens eiser de kosten die hij zelf heeft gemaakt in verband met de sloop-nieuwbouw van zijn woning. NCG heeft deze aanvraag met het besluit van 23 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is NCG bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. NCG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van NCG.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten\n\n3. Eiser is eigenaar van de woning aan [adres] in Termunterzijl. Eiser heeft met NAM een schikking getroffen, welke is vastgelegd in het proces-verbaal van de comparitie van 25 september 2019. De woning van eiser is na deze schikking gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Partijen hebben elkaar finale kwijting verleend. Volgens eiser heeft dit uiteindelijk meer gekost dan door NAM, NCG of een derde zijn vergoed. Eiser heeft tijdens de beroepsprocedure deze kosten becijferd op een bedrag van € 51.273,97. Het gaat volgens eiser om de volgende kosten:\n\nLegeskosten bouwvergunning: € 9.226,95\n\nFactuur Ritsma Ingenieurs: € 3.075\n\nFactuur impregneren: € 1.713,41\n\nEigen kosten schoor\u002Fstutplan: € 7.688,58\n\nEigen kosten herstel en versterken voorgevel van huis: € 15.000\n\nBetonvloer\u002Fschuimbeton\u002Finkassingen: € 14.570,03.\n\n3.1.. Vanaf 1 januari 2020 wordt de versterking van woningen in Groningen uitgevoerd door NCG.\n\n3.2.. Tijdens het wetgevingsoverleg van 6 december 2022 is door de leden Beckerman en Nijboer de volgende motieingediend:\n\n“(…) overwegende dat veel gedupeerden zelf kosten maken voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun huis; constaterende dat alle gedupeerden recht moeten hebben om terug te krijgen wat ze hadden; verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, een regeling voor te bereiden om deze kosten alsnog te vergoeden en deze aan de Kamer voor te leggen (…).”3.3.. Hierbij is door een van de indieners van de motie, in het debat met de staatssecretaris, naar voren gebracht dat hij bij een avond in Groningen was, waarbij een aantal bewoners kwamen met casuïstiek over zelf gemaakte kosten. In reactie hierop heeft de staatssecretaris het volgende naar voren gebracht:\n\n“Ik wil graag inventariseren hoe groot het probleem is, maar ik ga nu niet toezeggen dat ik een regeling ga voorbereiden voordat ik heb geïnventariseerd hoe groot het probleem is. Daar zit mijn probleem.”\n\n3.4.. Vervolgens is op 13 december 2022 een gewijzigde motievoorgelegd, waarbij de derde zin (red: vanaf ‘verzoekt’) nu als volgt luidt:\n\n“verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, en de Kamer daarover in het eerste kwartaal van 2023 te informeren”\n\n3.5.. Op 6 september 2023 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, in antwoord op Kamervragen, naar voren gebracht dat een meldpunt zal worden ingericht waar bewoners zich kunnen melden die menen dat zij zelf kosten hebben gemaakt voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen of kosten die daar direct uit voortkomen en dat dit meldpunt uiterlijk per 1 oktober 2023 bij de NCG wordt opengesteld. \n\n3.6.. Na openstelling van het meldpunt is door eiser de in deze zaak aan de orde zijnde melding gedaan.\n\nStandpunten partijen\n\n4. NCG heeft besloten om de kosten niet te vergoeden omdat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. NCG stelt zich op het standpunt dat NCG op grond van de Tijdelijke Wet Groningen (TwG) alleen bevoegd is om de schade te vergoeden als een deskundige – in opdracht van NCG – heeft geconstateerd dat de woning niet voldoet aan de veiligheidsnorm en NCG daaropvolgend een versterkingsbesluit heeft genomen. NCG heeft met betrekking tot de woning van eiser geen versterkingsbesluit genomen. Omdat geen versterkingsbesluit is genomen, komt NCG niet toe aan de uitzondering genoemd in artikel 13j, zevende lid, aanhef en onder a, van de TwG.\n\n4.1.. Eiser voert aan dat het ‘meldpunt kosten versterking’ is opgericht naar aanleiding van de motie van de leden Beckerman en Nijboer voor bewoners die eigen geld hebben moeten inzetten voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun (door de gaswinning beschadigde) woning (zie 3.2 en 3.4). Uit het antwoord van de staatssecretaris op de vragen van de Tweede Kamer blijkt volgens eiser dat het meldpunt is ingericht zonder inperking tot specifieke categorieën. Het vereiste van een versterkingsbesluit leidt volgens eiser tot onevenredig nadelige gevolgen voor eiser. Het primaire doel is volgens eiser herstel van de rechten van individuele gedupeerden. Dit doel wordt volgens hem gefrustreerd door afwijzing van de aanvraag op grond van een formeel vereiste, terwijl de staatssecretaris expliciet heeft toegezegd dat bewoners zoals eiser hun kosten vergoed krijgen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 1979en doet een beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.\n\nBeoordeling\n\n5. De rechtbank stelt vast dat er naar aanleiding van de in 2022 ingediende motie geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. Het op 6 september 2023 door de staatssecretaris gegeven antwoord kan niet gelijk worden gesteld met een, naast de TwG, opgezette, publiekrechtelijke regeling waarmee in de hier aan de orde zijnde casus een vergoeding van de NCG kan worden afgedwongen. Voor zover eiser zich in dit kader beroept op het vertrouwensbeginsel leest de rechtbank in het antwoord niet een aan eiser gerichte toezegging dat zijn casus op grond van de TwG zal worden afgewikkeld.Ook uit het door eiser aangehaalde arrest van de Hoge Raad kan in een casus als onderhavige geen bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal worden afgeleid.\n\n5.1.. Als het gaat om de bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal in zaken waarin geen publiekrechtelijke regeling is opgetuigd kent de Awb de Wet nadeelcompensatie (Wns).\n\n5.2.. Voor inwerkingtreding van de Wns was, bij de beantwoording van de vraag of een beslissing van een bestuursorgaan over schadevergoeding wegens gesteld onrechtmatig overheidshandelen kan worden aangemerkt als besluit in de zin van de Awb, van belang of was voldaan aan de vereisten van de zogenoemde materiële en processuele connexiteit. Aan het vereiste van materiële connexiteit was voldaan, indien de beweerdelijk geleden schade was veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening door het bestuursorgaan dat de schadebeslissing neemt, van een door dat orgaan aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Alleen in een dergelijk geval leverde een schriftelijke beslissing omtrent schade die niet was gebaseerd op een in een wet of een beleidsregel voorziene specifieke schadevergoedingsregeling, in beginsel een zogenoemd zelfstandig of zuiver schadebesluit op.\n\n5.3.. Op 1 juli 2013 is de Wns in werking getreden.Hierbij is de Awb gewijzigd, onder meer door toevoeging van een nieuw onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, en door toevoeging van de artikelen 8:88 tot en met 8:95. Met deze wijziging is beoogd de toegankelijkheid van de bestuursrechter voor een schadeprocedure te verbeteren door de introductie van een verzoekschriftprocedure. Waar een oordeel van de bestuursrechter over schadeveroorzakend handelen door het bestuursorgaan vóór de inwerkingtreding van de Wns enkel kon worden verkregen door bij het bestuursorgaan een zelfstandig schadebesluit uit te lokken en daartegen bezwaar te maken en beroep in te stellen, kan nu door middel van de verzoekschriftprocedure rechtstreeks bij de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding worden ingediend wegens (bepaald) onrechtmatig overheidshandelen. De verzoekschriftprocedure is daarmee in de plaats gekomen van het zelfstandig schadebesluit en het zelfstandig schadebesluit is door de toevoeging van onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, van de Awb op de lijst van besluiten gekomen waartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.\n\n5.4.. De rechtbank ziet ten eerste in het betoog van eiser geen grond voor het oordeel dat de beslissing van de NCG voldoet aan de eisen om te kunnen spreken van een zelfstandig schadebesluit. Maar ook als dat wel zo zou zijn komt de rechtbank, gelet op artikel 8:4, eerste lid aanhef en onder f, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb tot het oordeel dat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.Uit de wet volgt namelijk dat tegen deze besluiten geen beroep openstaat bij de bestuursrechter (zie 5.3). Omdat NCG het bezwaar heeft afwezen in plaats van niet-ontvankelijk te verklaren komt het bestreden besluit daarom voor vernietiging in aanmerking.\n\n5.5.. De rechtbank overweegt dat de per 1 juli 2013 in werking getreden Wns in onderhavige procedure evenmin kan leiden tot een vergoeding. De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88 van de Awb bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:\n\neen onrechtmatig besluit\n\neen onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;\n\nhet niet tijdig nemen van een besluit;\n\neen andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbenden zijn.\n\n5.6.. \n\nDe hiervoor onder 5.5 opgesomde lijst is limitatief, wat betekent dat de bestuursrechter alleen bevoegd is om een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een van de hiervoor in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, vermelde oorzaken. Eiser heeft in beroep geen onrechtmatig besluit of een ander in\n\nartikel 8:88, eerste lid, van de Awb vermelde schadeoorzaak aangewezen ten gevolge waarvan hij stelt schade te hebben geleden. Eiser koppelt de door hem veronderstelde schade aan de vaststellingsovereenkomst die hij heeft gesloten met NAM. NCG heeft geen rol gehad bij de totstandkoming van deze vaststellingsovereenkomst, dan wel de versterking van de woning van eiser. De vaststellingsovereenkomst die eiser heeft gesloten kan ook niet - zoals hij heeft aangevoerd - gelijkgesteld worden met een versterkingsbesluit als bedoeld in de TwG. Bovendien is ingevolge artikel 8:89 van de Awb de bestuursrechter enkel bevoegd op een verzoek om schadevergoeding te beslissen, voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000 bedraagt.Het door eiser verzochte bedrag gaat het maximum van € 25.000 te boven zodat de bestuursrechter ook om die reden niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de bestuursrechter onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\nHet beroep op het gelijkheidsbeginsel\n\n6. Met betrekking tot het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank nog het volgende.\n\n6.1.. Eiser stelt dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van andere gedupeerden die wel aanvullende vergoeding hebben ontvangen, zonder deugdelijke motivering voor dit onderscheid.\n\n6.2.. NCG stelt zich op het standpunt dat eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet voldoende heeft onderbouwd met concrete voorbeelden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval dat ongelijk behandeld wordt, zonder dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Er zijn geen regels opgesteld die eiser in onderhavige procedure te gelde kan maken. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat er andere gedupeerden zijn die wél een vergoeding hebben ontvangen, ondanks dat er geen versterkingsbesluit is genomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is, moet NCG het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. NCG moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten x € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 13 oktober 2025;\n\n- bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;\n\n- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat NCG het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt NCG tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. J.Y.B. Jansen en mr. L.M. Praamstra, leden, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nKamerstukken II2020\u002F21, 33 529, nr. 866\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 94\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 118, blz. 82-83.\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 115; de gewijzigde motie is aangenomen (stemmingen moties Groningen, 13 december 2022).\n\nAanhangsel Handelingen II2022\u002F23, nr. 3575, p. 2.\n\n HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595.\n\n ABRvS 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, r.o. 4.5.\n\n ABRvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2195, r.o. 3.1.\n\n Stb. 2013, 50.\n\n ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1824: vergelijk de geschiedenis van de totstandkoming van de Wns, Kamerstukken II, 2010\u002F11, 32 621, nr. 3, blz. 40 en blz. 46-47\n\n Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1348, r.o. 3.1.\n\n ABRvS 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1050, r.o. 8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2621","2026-07-13T00:29:26.217Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":51,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":31,"updatedAt":53},"945","ECLI:NL:RBDHA:2026:9242","ecli-nl-rbdha-2026-9242","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.18135\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft op 10 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\n1.1.. Eiser heeft op 1 april 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n1.2.. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.\n\n1.3.. De minister heeft de maatregel van bewaring op 9 april 2026, na een belangenafweging, opgeheven.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen via een telefoonverbinding. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 februari 2026volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 23 februari 2026, de maatregel van bewaring rechtmatig is.\n\n3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de bewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\nWat vindt eiser?\n\n4. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig was. Hiertoe voert eiser aan dat er na de meest recente uitspraak van 24 februari 2026 geen sprake meer was van zicht op uitzetting, omdat nog steeds geen reactie van de Algerijnse autoriteiten was ontvangen op lp-aanvraag. Eiser heeft bovendien aangegeven dat hij bereid is terug te keren en dat hij wil meewerken. Eiser stelt dat het argument dat de minister afhankelijk is van de medewerking van Algerije niet valide is. Daarnaast voert eiser aan dat de minister in de afgelopen maanden volstrekt onvoldoende heeft gedaan om de uitzetting te bevorderen. De minister had eerder op dossierniveau moeten informeren naar de stand van zaken en aandacht moeten vragen voor deze zaak. Tot slot voert eiser aan dat, gelet op het voorgaande, de minister al eerder de belangenafweging in het voordeel van eiser had moeten laten uitvallen.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdelingvan 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt.De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lpvoor eiser te zullen verstrekken. Het lp-traject liep bovendien niet dusdanig lang dat dit de conclusie rechtvaardigt dat er alleen daarom al geen sprake meer was van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.\n\n5.1.. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat op 9 maart 2026 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd en dat op 12 maart 2026 is gerappelleerd ten aanzien van de lp-aanvraag. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om te concluderen dat de minister op dossierniveau had moeten rappelleren.\n\n5.2.. In het kader van de verzwaarde belangenafweging heeft de minister op de zitting toegelicht dat op 9 april 2026 een belangenafweging is gemaakt en deze in het voordeel van eiser heeft laten uitvallen, waarna de maatregel is opgeheven. De rechtbank is niet gebleken van feiten en omstandigheden die voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om de bewaring bij een afweging van de belangen eerder op te heffen.\n\n5.3.. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 23 februari 2026 op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n NL26.8870, ECLI:NL:RBDHA:2026:3697.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ECLI:NL:RVS:2024:2842.\n\n Laissez-passer.\n\n Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9242","2026-07-13T00:28:56.138Z",1,20]