[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-family-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":36,"total":16,"page":25,"limit":70},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21,26,29,33],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122741","Burgerlijk Wetboek","art. 1:250",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123744","art. 10:31",{"provisionId":30,"code":31,"article":32,"count":25},"123745","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 815 lid 6",{"provisionId":34,"code":23,"article":35,"count":25},"123747","",[37,46,54,62],{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":35,"language":7,"source":42,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":44,"updatedAt":45},"1175","ECLI:NL:RBNNE:2026:2630","ecli-nl-rbnne-2026-2630","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Groningen\n\nZaaknummers: C\u002F18\u002F256236 \u002F JE RK 26-847 (vots en muhp)\n\n C\u002F18\u002F256347 \u002F FA RK 26-3093 (schorsing gezag)\n\nC\u002F18\u002F257460 \u002F FA RK 26-3759 (beëindiging gezag)\n\nBeschikking van 7 juli 2026 over de beëindiging van het gezag over\n\n [Naam minderjarige],\n\ndie is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2019 in de gemeente [geboorteplaats] ,\n\nen die hierna ' [de minderjarige] ' wordt genoemd,\n\nnaar aanleiding van de verzoeken van:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\nregio Noord Nederland, locatie Groningen,\n\ndie hierna 'de Raad' wordt genoemd.\n\nDe kinderrechter wijst als belanghebbenden aan:\n\n [Naam van de moeder],\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nen die hierna 'de moeder' wordt genoemd,\n\nadvocaat: mr. [naam van de advocaat] , die kantoor houdt in [plaatsnaam] ,\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,\n\ndie is gevestigd in Groningen,\n\nen die hierna 'de GI' wordt genoemd.\n\n1. Het (verdere) verloop van de procedure\n\nIn de zaken met zaaknummers C\u002F18\u002F256236 \u002F JE RK 26-847 en C\u002F18\u002F256347 \u002F FA RK 26-30931.1.. Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 13 mei 2026.\n\nIn de zaak met zaaknummer C\u002F18\u002F257460 \u002F FA RK 26-37591.2.. Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de Raad, dat de rechtbank heeft ontvangen op 5 juni 2026.\n\nIn alle zaken1.3.. Op 10 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaken gelijktijdig mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met de moeder, haar advocaat, drs. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , die de Raad vertegenwoordigen, en [naam 4] en [naam 5] , die de GI vertegenwoordigen.\n\n1.4.. Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.\n\n1.5.. Omdat de wet bepaalt dat de “kinderrechter” het verzoek over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing behandelt en de “rechtbank” beslist over de verzoeken met betrekking tot het gezag, moet in deze beschikking onder “de kinderrechter” worden verstaan: de kinderrechter of de rechtbank, afhankelijk van het behandelde verzoek.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De kinderrechter kan bij de beoordeling van de verzoeken uitgaan van de volgende feiten die onweersproken blijken uit wat de Raad en de GI hebben gerapporteerd en wat in toelichting en reactie daarop is verteld tijdens de mondelinge behandeling van de zaken.\n\n2.2.. \n [De minderjarige] (7) is geboren uit de relatie van zijn ouders. De vader heeft hem erkend. De ouders hebben niet geregeld dat zij samen het ouderlijk gezag over hem uitoefenen: de moeder oefent daarom van rechtswege dat gezag alleen uit.\n\n2.3.. Tot voor kort woonde [de minderjarige] bij de moeder en zag hij de vader vrijwel alle weekenden, waarbij [de minderjarige] geregeld bij de vader logeerde. De moeder werkte niet en ontving een uitkering; de vader werkt in de wegenbouw en verblijft doordeweeks (maandag tot en met donderdag) in Duitsland, waarna hij op donderdag naar huis komt. De ouders hebben een zogeheten “latrelatie”.\n\n2.4.. De moeder had een intensieve vriendschapsrelatie met vriendin [voorletter 1] , die samen met haar dochter [voorletter 2] veelvuldig in de woning van de moeder verbleef.\n\n2.5.. Op 1 mei 2026 ontvangt de GI via het ouder-kind-huis waar vriendin [voorletter 1] op dat moment verblijft, onthullingen van vriendin [voorletter 1] over de aanleiding van [voorletter 2] haar ziekenhuisopname in februari 2026.\n\n2.6.. In het weekend van 2 en 3 mei 2026 vertelt vriendin [voorletter 1] in het ouder-kind-huis over ernstige strafbare kindermishandeling, door haar en de moeder gepleegd ten aanzien van [voorletter 2] Dat geeft aanleiding om een spoedrapportage op te stellen dat op 4 mei 2026 bij de Raad terechtkomt. Daarin wordt beschreven dat vriendin [voorletter 1] verklaart dat [voorletter 2] onder invloed van de moeder gedurende langere periode in de kelder van de woning van de moeder is opgesloten, met kabelbinders is vastgebonden aan een verwarmingsbuis, geen eten kreeg, werd geslagen en geschopt en alleen voor school uit de kelder mocht; deze handelingen zouden door de moeder zijn gefilmd.\n\n2.7.. Naar aanleiding van deze informatie wordt de kelder van de woning van de moeder door de Raad bekeken; het betreft een kleine, donkere kelder zonder raam, waar een volwassen persoon niet rechtop kan staan, met enkele opgeslagen spullen en een deken.\n\n2.8.. De moeder en vriendin [voorletter 1] zijn op 14 mei 2026 aangehouden en verblijven sindsdien in voorlopige hechtenis op verdenking van onder meer poging tot doodslag, vrijheidsberoving, zware mishandeling en het in hulpeloze toestand brengen en laten van [voorletter 2] De tenlastelegging ziet op de ernstige ondervoeding, het vastbinden in de kelder, het slaan en schoppen en andere mishandelingen.\n\n2.9.. Hoewel de moeder geen gezag heeft over [voorletter 2] , speelt de strafbare mishandeling zich volgens justitie hoofdzakelijk af in haar woning en heeft zij zich veelal bemoeid met de zorg en opvoeding van [voorletter 2] , zodat ook jegens haar een verantwoordelijkheid wordt aangenomen voor het leed dat door de moeder van [voorletter 2] aan [voorletter 2] is toegebracht.\n\n2.10.. Op 4 mei 2026 maakt de Raad op basis van de beschikbare informatie de inschatting dat [de minderjarige] getuige moet zijn geweest van de ernstige mishandelingen van [voorletter 2] en daardoor zelf ernstig in zijn ontwikkeling en veiligheid is en wordt bedreigd. De Raad gaat op grond van zijn onderzoeksbevindingen ervan uit dat [de minderjarige] langdurig en structureel is blootgesteld aan zeer ernstige kindermishandeling en verwaarlozing van [voorletter 2] in zijn directe woonomgeving, waarbij de ernstige mishandelingen van [voorletter 2] zich veelal in de woning van de moeder hebben afgespeeld.\n\n2.11.. De Raad heeft (nog) niet definitief vastgesteld of, en zo ja, op welke wijze en in welke mate [de minderjarige] zelf direct fysiek slachtoffer is geweest van mishandeling. De Raad constateert gelijktijdig dat de gevolgen van het getuige zijn van fysieke mishandeling van [voorletter 2] , voor de ontwikkeling van [de minderjarige] vergelijkbaar is met die van eigen fysieke mishandeling. [De minderjarige] wordt volgens de Raad daardoor ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd.\n\n2.12.. Gezien de ernst van de bedreiging acht de Raad direct ingrijpen noodzakelijk en hij verzoekt op 4 mei 2026 een voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [de minderjarige] .\n\n2.13.. De kinderrechter wijst deze verzoeken toe. [De minderjarige] wordt diezelfde dag geplaatst in een gezinshuis op een geheimgehouden adres.\n\n2.14.. Op basis van aanvullende informatie verzoekt de Raad vervolgens om schorsing van het gezag van de moeder en in samenhang daarmee een voorlopige voogdijmaatregel, met benoeming van de GI als voogd. Ook deze maatregelen worden door de kinderrechter uitgesproken.\n\n2.15.. Uit wat verder wordt gerapporteerd over [de minderjarige] voor zijn uithuisplaatsing, wordt duidelijk dat hij bekend was met lichamelijke problemen, waaronder darm‑ en plasproblemen; er was contact met een kinderarts en er werden darmspoelingen voorbereid.\n\n2.16.. Uit wat wordt gerapporteerd over [de minderjarige] na zijn uithuisplaatsing, wordt duidelijk dat [de minderjarige] in het gezinshuis goed eet, voor hem nieuw eten probeert en dat hij opvallend weinig voedsel kent. Ook valt op dat zijn eerdere darm‑ en plasproblemen in het gezinshuis niet meer worden waargenomen, waardoor de geplande darmspoelingen niet nodig zijn.\n\n2.17.. Bij [de minderjarige] wordt in het gezinshuis een seksuele preoccupatie gezien die niet passend is voor zijn leeftijd: hij pakt veelvuldig zijn geslachtsdeel vast aan tafel, spreekt over “neukende mensen” en bekijkt en ‘liked’ filmpjes op sociale media waarin mensen seks hebben.\n\n2.18.. \n [De minderjarige] vertelt wisselend en vaak warrig over belastende thuissituaties, zoals het smeren met ontlasting waarin [voorletter 2] zou moeten liggen, het bonken van [voorletter 2] haar hoofd op de grond, de aanwezigheid van drugs in de woning en spinnen en slangen in de kelder. [De minderjarige] geeft aan bang te zijn voor die kelder.\n\n2.19.. \n [De minderjarige] weigert een gesprek met de politie, kan niet goed uitleggen waarom en wil ook niet met de GI in gesprek of reageert met ontwijkende antwoorden; hij is alleen naar de gezinshuismoeder opener.\n\n2.20.. Na plaatsing in het gezinshuis had [de minderjarige] aanvankelijk frequent (beeld)belcontact met de moeder, deels via zijn eigen telefoon, waarbij hij zijn locatie aan haar doorstuurde. Naar aanleiding hiervan is zijn eigen telefoon ingenomen en is een AOL op het adres van het gezinshuis geplaatst.\n\n2.21.. In het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wordt door het gezinshuis een dynamiek gezien die eerder op een gelijkwaardige partner‑interactie lijkt dan op een moeder‑kindinteractie die past bij de leeftijd van [de minderjarige] . Daarbij blijkt dat [de minderjarige] gezien zijn leeftijd veel weet van wat er speelt.\n\n2.22.. Sinds de aanhouding van de moeder op 14 mei 2026 is er geen contact tussen [de minderjarige] en zijn ouders; [de minderjarige] reageert op de uitleg dat de moeder “bij de politie is om haar kant van het verhaal te vertellen” relatief passief, stelt geen nadere vragen en heeft in de daaropvolgende weken niet gevraagd wanneer hij zijn ouders weer mag zien of spreken.\n\n2.23.. In de eerste week na de uithuisplaatsing vraagt [de minderjarige] wel of hij “voor altijd” in het gezinshuis mag blijven wonen.\n\n2.24.. In gesprekken met de Raad, de GI en tijdens de mondelinge behandeling erkent de moeder dat [voorletter 2] ernstig en structureel is mishandeld door vriendin [voorletter 1] in haar woning, maar ontkent zij daaraan zelf actief deel te hebben genomen. Zij stelt dat zij soms wel wat heeft gezegd, maar geen mogelijkheden zag om in te grijpen vanwege angst en bedreiging door vriendin [voorletter 1]\n\n2.25.. De moeder ontkent dat [de minderjarige] door haar is mishandeld en stelt dat hij niet is geslagen.\n\n2.26.. De moeder is thans gedetineerd; het strafrechtelijk onderzoek zal naar verwachting veel tijd in beslag nemen en er is geen zicht op beëindiging van haar detentie binnen een afzienbare termijn.\n\n2.27.. De Raad is op grond van deze feiten en omstandigheden tot de slotsom gekomen dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en de GI tot voogd over hem wordt benoemd.\n\n3. De (verdere) beoordeling\n\n3.1.. Het gaat in de gevoegd behandelde zaken over de nu zeven jaar oude [de minderjarige] . Ten aanzien van [de minderjarige] zijn uiteenlopende kinderbeschermingsmaatregelen verzocht en genomen. Inmiddels is de Raad tot de slotsom gekomen dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder over hem wordt beëindigd en heeft de Raad een daarop gericht verzoek gedaan. De Raad heeft daarbij verzocht om de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen.\n\n3.2.. De kinderrechter zal beide verzoeken in deze beschikking toewijzen. Hij legt hierna uit waarom hij vindt dat de gezagsbeëindiging in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is en waarom op grond van de nu bekende feiten en omstandigheden hij vindt, net als de Raad, dat de GI (eerst) tot voogd over [de minderjarige] moet worden benoemd.\n\nWaarom vindt de Raad dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd?3.3.. De Raad acht het uitermate zorgwekkend dat de moeder een situatie van zeer ernstige en langdurige onveiligheid in haar woning heeft laten voortbestaan, zonder de mishandelingen te stoppen of tijdig adequate hulp in te schakelen, terwijl zij als primaire opvoeder van [de minderjarige] een fundamentele verantwoordelijkheid had voor een veilige opvoedomgeving.\n\n3.4.. De Raad stelt vast dat [de minderjarige] hierdoor gedurende langere tijd is blootgesteld aan extreem geweld en een chronisch onveilige opvoedomgeving, met ingrijpende gevolgen voor zijn fysieke, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling, ook op de langere termijn.\n\n3.5.. De Raad ziet geen reëel perspectief dat de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn alsnog in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding op een veilige en adequate wijze te dragen, mede gezien de ernst van de verdenkingen tegen haar, de te verwachten duur van het strafproces, haar detentie en het ontbreken van voldoende probleembesef en beschermend handelen.\n\n3.6.. Om [de minderjarige] duidelijkheid te bieden over zijn woon‑ en opvoedperspectief en zijn veiligheid duurzaam te waarborgen, acht de Raad het noodzakelijk dat dit perspectief niet langer bij de moeder wordt gezocht, maar bij een neutrale derde.\n\n3.7.. De Raad verzoekt daarom de kinderrechter het gezag van de moeder over [de minderjarige] te beëindigen.\n\nWaarom wil de Raad dat de GI de voogd over [de minderjarige] wordt?3.8.. Ten aanzien van de vader acht de Raad het op dit moment, gelet op de ernst en complexiteit van de situatie en de nog bestaande zorgen over zijn veiligheidsinschatting, te vroeg om hem met het gezag te belasten. De Raad meent dat binnen de voogdijmaatregel moet worden onderzocht welke rol de vader op langere termijn in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] kan vervullen.\n\n3.9.. De Raad acht in dit verband bovendien het vrijwillige hulpverleningskader gezien de ernst van de zorgen en de ontkennende\u002Fbagatelliserende houding van de ouders volstrekt ontoereikend om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen.\n\n3.10.. De Raad verzoekt de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen, zodat een onafhankelijke professionele instantie zijn belangen kan behartigen, de regie kan voeren over contacten en passende hulpverlening kan inzetten.\n\nWaar vindt de Raad dat [de minderjarige] moet wonen?3.11.. Zowel de moeder als de vader geven aan dat zij kunnen instemmen met onderzoek naar plaatsing bij opa en oma vaderszijde, met [de minderjarige] in de weekenden bij de vader. De Raad acht het echter aangewezen dat de GI binnen het kader van de voogdijmaatregel onderzoekt wat het duurzame woonperspectief van [de minderjarige] is: bij zijn vader, bij zijn grootouders of elders, en welke rol de ouders nog kunnen spelen in het leven van [de minderjarige] , steeds beoordeeld vanuit het belang van [de minderjarige] .\n\nWat vindt de moeder van het verzoek?3.12.. De moeder heeft verteld, samengevat weergegeven, dat zij [de minderjarige] mist en dat zij bij de vorige mondelinge behandeling op advies van haar strafrechtadvocaat nauwelijks heeft kunnen verklaren, maar nu haar verhaal wil doen.\n\n3.13.. De moeder erkent vervolgens een aandeel in de gebeurtenissen, maar betwist dat zij [de minderjarige] zelf heeft mishandeld en ontkent ook dat hij in de kelder heeft gezeten. De moeder ervaart dat zij net als beide kinderen, zelf slachtoffer is van het geweld van vriendin [voorletter 1] , die haar sloeg, haar hand brak en tegen wie [de minderjarige] vaak moest ingrijpen.\n\n3.14.. Volgens de moeder zijn haar herhaalde zorgen over [voorletter 2] niet serieus genomen, heeft zij achteraf grote spijt dat zij [voorletter 2] niet zelf uit de situatie heeft gehaald, en werden de door haar geuite zorgen door vriendin [voorletter 1] gebagatelliseerd en door de omgeving “door de vingers gezien”.\n\n3.15.. Zij voert verder verschillende signalen aan waarin [voorletter 2] uitspraken deed over seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader van [voorletter 2] De moeder verwijst naar derden die zij ook bij naam noemt, die hierover iets zouden hebben gehoord of (bij haar) gemeld, waarmee zij de stelling van vriendin [voorletter 1] weerspreekt dat alle verhalen over seksueel misbruik zouden zijn gelogen. De moeder beschrijft ook een ernstig incident waarbij vriendin [voorletter 1] een groot mes aan [voorletter 2] gaf en haar aanspoorde haar te steken, waarna [de minderjarige] het mes afpakte, en zij schetst vriendin [voorletter 1] als iemand die plots agressief kan worden en ook fysiek geweld tegen [voorletter 2] gebruikt wanneer [voorletter 2] bijvoorbeeld verwijst naar de vader van [voorletter 2]\n\n3.16.. In haar voorstelling speelt zich rond 2024 een complex relatieverloop af tussen vriendin [voorletter 1] en de vader van [voorletter 2] en anderen, waarbij de vader van [voorletter 2] volgens haar rond augustus 2024 definitief bij vriendin [voorletter 1] is vertrokken en vriendin [voorletter 1] daarna met [voorletter 2] bij haar kwam, wat gepaard ging met geweld tegen [voorletter 2]\n\n3.17.. Ten aanzien van [de minderjarige] benadrukt de moeder dat zij hem niet heeft mishandeld en dat zijn ontlastingsproblemen al langer bestaan en samenhangen met angst sinds het overlijden van zijn opa in februari 2024. De moeder herkent het geschetste beeld van een seksuele preoccupatie en online zoekgedrag van [de minderjarige] niet, mede omdat hij thuis geen vrije toegang tot zijn telefoon had.\n\n3.18.. De moeder stelt dat zij momenteel geen contact met haar partner heeft, licht toe dat zij samen hebben afgezien van het formaliseren van zijn gezag om praktische redenen, dat zij begrijpt dat zij vanuit detentie geen gezag kan uitoefenen, maar vindt dat de vader dat wel zou kunnen. De moeder geeft tot slot aan opgelucht te zijn dat zij nu meer heeft kunnen vertellen dan bij de vorige mondelinge behandeling.\n\nWat vindt de vader van het verzoek?3.19.. De vader oefent geen gezag uit over [de minderjarige] . De verzochte maatregel die nu wordt genomen betreft uitsluitend de beëindiging van het gezag van de moeder en grijpt rechtstreeks en uitsluitend in in de rechtsbetrekking tussen de moeder en [de minderjarige] . De rechtspositie van de vader wordt hierdoor niet rechtstreeks geraakt. Zijn eventueel nog te realiseren wens om zelf met het gezag over [de minderjarige] te worden belast, kan hij desgewenst in een afzonderlijke procedure aan de orde stellen.\n\n3.20.. De kinderrechter acht de vader daarom in deze gezagsbeëindigingsprocedure niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 798, lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kinderrechter heeft wel kennisgenomen van het standpunt van de vader zoals dat kenbaar is uit het onderzoeksrapport van de Raad en de daarop door hemzelf gegeven reactie, die in het onderzoeksrapport integraal is opgenomen. Die reactie vertaalt zich echter niet in een relevant argument dat in de beoordeling kan worden betrokken, behoudens voor zover de vader opmerkt dat hij doordeweeks in Duitsland werkt en daardoor in de huidige situatie beperkt beschikbaar is voor de dagelijkse verzorging en dat hij daarom ook een optie ziet waarin zijn ouders als pleegouders fungeren, met [de minderjarige] in de weekenden bij hem.\n\nWat beslist de kinderrechter?3.21.. De kinderrechter stelt op grond van de hiervoor onder de kop “De feiten” weergegeven feiten en omstandigheden vast dat bij [de minderjarige] sprake is van een zeer ernstige en langdurige ontwikkelingsbedreiging. [de minderjarige] is gedurende langere tijd blootgesteld aan extreem geweld, ernstige mishandeling en verwaarlozing van [voorletter 2] , die zich grotendeels in de woning van de moeder hebben afgespeeld. [De minderjarige] is daarvan herhaaldelijk oor‑ en ooggetuige geweest en daardoor slachtoffer geworden van zeer ernstige emotionele kindermishandeling in een chronisch onveilige en traumatiserende opvoedomgeving.\n\n3.22.. De kinderrechter acht het bijzonder zorgwekkend dat de moeder, ondanks haar positie als primaire opvoeder en beschermer van [de minderjarige] , deze situatie van dermate ernstige onveiligheid gedurende langere tijd heeft laten ontstaan en\u002Fof voortbestaan zonder de mishandelingen te stoppen of tijdig adequate hulp in te schakelen, terwijl zij een fundamentele verantwoordelijkheid had voor een veilige opvoedomgeving van [de minderjarige] .\n\n3.23.. Daarbij betrekt de kinderrechter dat de moeder thans gedetineerd is wegens verdenking van het medeplegen van zeer ernstige, stelselmatige kindermishandeling en verwaarlozing en dat het strafrechtelijk onderzoek naar verwachting nog geruime tijd zal voortduren.\n\n3.24.. Daarbij betrekt de kinderrechter ook dat er geen zicht is op het ontstaan van (voldoende) probleembesef en - inzicht, en daarom op verandering en beschermend handelen bij de moeder binnen een voor [de minderjarige] en zijn ontwikkeling aanvaardbare termijn.\n\n3.25.. Gelet op de ernst en duur van de ontwikkelingsbedreiging, het ontbreken van perspectief op herstel van voldoende opvoedingscapaciteit bij de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn, en de noodzaak om [de minderjarige] onmiddellijk duidelijkheid en stabiliteit te bieden ten aanzien van zijn woon‑ en opvoedperspectief, is de kinderrechter van oordeel dat beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] in zijn belang noodzakelijk is, zoals bedoeld is in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n3.26.. De kinderrechter oordeelt verder dat het gezag over [de minderjarige] (vooralsnog) moet worden belegd bij een neutrale derde, te weten de GI.\n\n3.27.. De kinderrechter ziet geen aanleiding om in het kader van deze procedure te (laten) onderzoeken of de vader gezag over [de minderjarige] kan uitoefenen. Met de Raad heeft de kinderrechter zorgen over de mate waarin de vader in staat is de volledige impact van de situatie op [de minderjarige] onder ogen te zien, eerdere signalen te herkennen en een adequate veiligheidsinschatting te maken, mede gezien zijn (aanvankelijke) nadruk op de belangen van de moeder.\n\n3.28.. De kinderrechter vindt dat de noodzaak tot beëindiging van het gezag en benoeming van de GI als voogd mede wordt bepaald door de ontkennende\u002Fbagatelliserende houding van de ouders, die volstrekt ontoereikend is om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen. Uitgaande van de onderzoeksbevindingen van de Raad en wat tijdens de mondelinge behandeling daarover is gebleken, dringt zich het beeld op dat beide ouders denken en redeneren vanuit hun eigen of elkaars belangen, verlangens en wensen, en (nog) niet tot het inzicht en besef zijn gekomen dat onder hun verantwoordelijkheid [de minderjarige] gedurende langere tijd is blootgesteld aan extreem geweld en een chronisch onveilige opvoedomgeving, met grote impact op zijn fysieke, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling.\n\n3.29.. Gelet op de aard en ernst van de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] , de veelheid aan lopende en te verwachten strafrechtelijke en civiele trajecten rondom de moeder, de noodzaak van gespecialiseerde hulpverlening en de ingewikkelde vragen over zijn woon‑ en contactperspectief met de ouders, acht de kinderrechter het aangewezen dat de voogdij niet wordt belegd bij een persoon uit het netwerk, maar bij een professionele instantie. De GI beschikt over de noodzakelijke deskundigheid en onafhankelijkheid om als neutrale derde de regie te voeren over de zorg, behandeling, schoolgang en contactregeling. De GI is ook in staat de veiligheid van [de minderjarige] structureel te bewaken en in de verschillende procedures consistent zijn belangen te behartigen. Daarom zal de kinderrechter de GI tot voogd over [de minderjarige] benoemen.\n\n3.30.. De beëindiging van het gezag en de benoeming van de GI tot voogd over [de minderjarige] brengen met zich dat geen belang meer bestaat bij een behandeling van en beslissing op de overige verzoeken die ten aanzien van [de minderjarige] zijn gedaan.\n\nWaarom wordt deze beschikking gepubliceerd?3.31.. Deze zaak valt onder meerdere categorieën die volgens het door de Rechtspraak gehanteerde “Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2024” aanleiding geven tot publicatie.\n\n3.32.. Het gaat om een zaak waarin (een vorm van) kindermishandeling en andere ernstige feiten aan de orde zijn. Volgens de selectiecriteria komen uitspraken over ernstige strafbare feiten en zaken met groot maatschappelijk belang in aanmerking voor publicatie. Daarnaast is sprake van aanzienlijke mediabelangstelling. In het besluit en in het daarop gebaseerde beleid is opgenomen dat mediabelangstelling een zelfstandige grond vormt om een uitspraak te publiceren. In de praktijk worden uitspraken in zaken met duidelijke mediabelangstelling vaak op of kort na de dag van de uitspraak gepubliceerd. Dit verklaart waarom de eerder gegeven beschikking op de dag van de uitspraak is gepubliceerd en ook deze beschikking op de dag van de uitspraak zal worden gepubliceerd. Ten derde betreft het een maatschappelijk relevante kwestie, hetgeen eveneens als expliciet criterium in het besluit wordt genoemd.\n\n3.33.. Het besluit bevat geen bepaling die expliciet voorziet in het achterwege laten van publicatie op grond van wensen of belangen van procesdeelnemers, het Openbaar Ministerie of andere “ketenpartners”. De in het besluit genoemde criteria zijn gericht op de inhoud en betekenis van de uitspraak en niet op (institutionele) belangen van bij de zaak betrokken partijen of instanties.\n\n3.34.. De criteria die tot publicatie van uitspraken leiden, zijn in overwegende mate objectief geformuleerd en hebben betrekking op factoren als juridische relevantie, maatschappelijk belang en (eventuele) mediabelangstelling. Dit sluit aan bij de openbaarheidsfunctie van de rechtspraak: het publiekelijk toegankelijk maken van uitspraken die richtinggevend zijn, de rechtsontwikkeling verduidelijken of anderszins van belang zijn voor de samenleving.\n\n3.35.. De openbaarheid van rechtspraak is een fundamenteel beginsel van de rechtsstaat, dat zijn basis vindt in onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en in nationale rechtspraak en regelgeving. Op de website van de Rechtspraak wordt vermeld dat de selectiecriteria voor publicatie zijn gebaseerd op Aanbeveling R (95) 11 van de Raad van Europa over “de selectie, verwerking, presentatie en archivering van rechterlijke uitspraken in zoeksystemen voor juridische informatie”. Deze aanbeveling benadrukt dat selectie en publicatie primair moeten worden gestuurd door juridische en maatschappelijke relevantie, niet door de belangen van uitvoerende instanties of andere actoren buiten de rechterlijke macht.\n\n3.36.. De kinderrechter neemt gelet op alles wat is overwogen de volgende beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n4.1.. beëindigt het gezag van de moeder over [de minderjarige] ;\n\n4.2.. benoemt de GI tot voogd over [de minderjarige] ;\n\n4.3.. gelast de administratie van deze rechtbank om die beslissingen over het gezag in te schrijven in het gezagsregister;\n\n4.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5.. wijst af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. R.C. Bernard, griffier.\n\nAls u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.\n\n“AOL” staat voor Afspraak Op Locatie: een veiligheidsstatus waarbij op een specifiek adres extra maatregelen gelden en de politie bij een melding direct en zonder extra verificatie kan worden ingeschakeld.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2630","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:08.124Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":51,"summary":35,"language":7,"source":42,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":44,"updatedAt":53},"887","ECLI:NL:RBNNE:2026:2653","ecli-nl-rbnne-2026-2653","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie Groningen\n\nzaak-\u002Frekestnummer: C\u002F18\u002F258592 \u002F FA RK 26-4412\n\nbeschikking van 2 juli 2026 naar aanleiding van de informele rechtsingang\n\nin de zaak van\n\n [Naam minderjarige],\n\ndie is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2011 in [geboorteplaats] ,\n\nen die hierna \"de minderjarige\" wordt genoemd,\n\nadvocaat: mr. [naam advocaat] , die kantoor houdt in [plaats 1] .\n\nDe rechter merkt als belanghebbende aan:\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,\n\ndie gevestigd is in Groningen,\n\nen die hierna \"de voorlopige voogd\" wordt genoemd.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. Deze procedure is ingeleid met schriftelijk verzoek van de (de advocaat van de) minderjarige, dat de rechtbank heeft ontvangen op 2 juli 2026.\n\n1.2.. De rechtbank heeft met uitdrukkelijke instemming van (de advocaat van) de minderjarige telefonisch de voogd gehoord op 2 juli 2026.\n\n1.3.. De rechtbank heeft vervolgens met instemming van de belanghebbenden zonder verdere mondelinge behandeling direct uitspraak gedaan en aangekondigd dat de uitspraak schriftelijk wordt uitgewerkt in deze beschikking.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De rechtbank kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten.\n\n2.2.. De minderjarige staat onder voorlopige voogdij, nadat de met het gezag belaste ouders zijn overleden en daardoor onverwijld in het gezag over de minderjarige moest worden voorzien.\n\n2.3.. De minderjarige en de voogd hebben schriftelijk en telefonisch feiten en omstandigheden aangevoerd die het noodzakelijk maken dat onverwijld een bijzondere curator wordt benoemd.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Het verzoek heeft een uitzonderlijke en ingrijpende achtergrond, omdat sprake is van parenticide: het (vermoedelijk) opzettelijk doden van de ouders door een eigen kind. Dit feit heeft niet alleen strafrechtelijke consequenties, maar werkt ook door in de civielrechtelijke verhoudingen, in het bijzonder waar het de positie en belangen van de minderjarige betreft. In een dergelijk krachtenveld van rouw, loyaliteitsconflicten, mogelijke stigmatisering en complexe familierechtelijke en erfrechtelijke kwesties, bestaat een reëel risico dat de belangen van de minderjarige niet, niet voldoende of niet onbevangen tot hun recht komen.\n\n3.2.. Uit de ter onderbouwing van het verzoek gestelde feiten, bezien in samenhang met de achtergrond van parenticide, volgt dat de minderjarige zich in een uitermate kwetsbare positie bevindt. Enerzijds is sprake van het verlies van de ouders door een gewelddadige dood, anderzijds van ingrijpende erfrechtelijke gevolgen die moeten worden geregeld. Deze combinatie maakt dat het voor de minderjarige feitelijk onmogelijk is om eigen belangen kenbaar te maken, laat staan daarover zelfstandig een standpunt in te nemen.\n\n3.3.. De voorlopige voogd heeft toegelicht dat er bovendien bijzondere feiten en omstandigheden zijn die meebrengen dat het noodzakelijk is dat een bijzondere curator wordt benoemd met ter zake dienende kennis van het erfrecht, mede gelet op de rechtsvragen die rijzen over bijvoorbeeld de onwaardigheid om te erven en wat dit betekent voor de wijze van afwikkeling van de nalatenschap. In samenhang hiermee spelen er urgente contractuele kwesties die nu niet of niet voortvarend genoeg kunnen worden geadresseerd. De rechtsvragen overstijgen de mogelijkheden van de voorlopige voogd om zelfstandig te beoordelen wat in het belang van de minderjarige is aangewezen en welke stappen moeten worden gezet.\n\n3.4.. De rechtbank stelt vast dat hiermee sprake is van een vermogensrechtelijk spanningsveld dat de objectieve en onafhankelijke behartiging van de belangen van de minderjarige door de voorlopige voogd onder druk kan zetten. Onder deze omstandigheden is sprake van een zodanig risico dat de belangen van de minderjarige onvoldoende tot hun recht komen, dat benoeming van een bijzondere curator aangewezen is voor zover het de erfrechtelijke positie van de minderjarige betreft. De bijzondere curator zal de vermogensrechtelijke belangen van de minderjarige in en buiten rechte behartigen, de voorlopige voogd daarover adviseren en daarover aan de rechtbank rapporteren.\n\n3.5.. De rechtbank geeft hierbij een aantal gezichtspunten ten aanzien van de taak van de bijzondere curator en daarmee responderend op wat schriftelijk en mondeling is aangevoerd:\n\nEr lijkt sprake te zijn van wat wel een onbeheerde boedel wordt genoemd;\n\nHet laat zich aanzien er niet bij testament een executeur of afwikkelingsbewindvoerder is benoemd;\n\nDe nalatenschap door of namens de minderjarige kan slechts beneficiair worden aanvaard, hetgeen meebrengt dat de nalatenschap overeenkomstig de wettelijke regels moet worden vereffend;\n\nIn beginsel rust de taak tot vereffening op de erfgenamen en, voor zover het de minderjarige betreft, op diens wettelijk vertegenwoordiger, thans de voorlopige voogd;\n\nDe voorlopige voogdij geldt in beginsel voor een duur van maximaal drie maanden; binnen die periode moet door de Raad voor de Kinderbescherming worden verzocht een definitieve gezagsvoorziening, anders vervalt de maatregel;\n\nGezien de complexiteit en ontwrichting van de situatie lijkt het niet reëel dat de voorlopige voogd de nalatenschap zelf afwikkelt, noch dat een eventueel later in tijd uit het netwerk van de minderjarige te benoemen voogd met deze taak wordt belast.\n\nDe wet biedt de mogelijkheid om op verzoek van een belanghebbende een professionele vereffenaar te laten benoemen;\n\nNu hiervan tot op heden geen gebruik is gemaakt, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige dat de bijzondere curator de taak heeft te signaleren of benoeming van een vereffenaar geboden is en, indien dat het geval is, een daartoe strekkend verzoek te (doen) initiëren;\n\nEr zijn contractuele verplichtingen van de boedel die onverwijld moeten worden geadresseerd om financieel nadeel te voorkomen;\n\nIemand is in het Nederlandse recht alleen onwaardig is om te erven als hij onder één van de in artikel 4:3 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) limitatief opgesomde gevallen valt. De wet vereist onder meer een onherroepelijke rechterlijke veroordeling voor de in het artikel genoemde misdrijven; zolang hoger beroep of cassatie nog openstaat, is er nog geen wettelijke onwaardigheid. De mogelijke onwaardigheid speelt daarom ten aanzien van de minderjarige vooralsnog geen rol.\n\n3.6.. Mede gelet op de beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan de regeling omtrent minderjarige erfgenamen en beneficiaire aanvaarding, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige dat de bijzondere curator deze actieve rol vervult. Van de bijzondere curator mag in een situatie als de onderhavige worden verwacht dat zij niet afwacht totdat andere betrokkenen het initiatief nemen, maar dat zij zelfstandig beoordeelt of een formele vereffening onder leiding van een door de rechtbank te benoemen vereffenaar noodzakelijk of wenselijk is om de vermogensrechtelijke positie van de minderjarige veilig te stellen, en dat hij daaraan vervolgens de geëigende juridische stappen verbindt.\n\n3.7.. Op grond van de voorgaande overwegingen zal de rechtbank mr. [achternaam bijzondere curator] benoemen tot bijzondere curator, die zich bereid heeft verklaard deze benoeming te aanvaarden.\n\n3.8.. Deze bijzondere curator kan vanwege inschrijvingsvereisten bij de Raad voor de Rechtsbijstand niet door de rechtbank worden toegevoegd. Dit doet echter niet af aan de wettelijke bevoegdheid van de rechtbank om mr. [achternaam bijzondere curator] te benoemen als bijzondere curator. Voor de benoeming van een advocaat die niet aan de inschrijvingsvereisten voldoet is redengevend dat de wel op de lijst beschikbare advocaten niet de erfrechtelijke expertise nodig hebben om de hier voorliggende taak te kunnen vervullen. De rechtbank is van oordeel dat de te benoemen bijzondere curator ervaren en deskundig is in het familie- en jeugdrecht en ter zake het erfrecht voldoende gespecialiseerd is om haar taak naar behoren te vervullen.\n\n3.9.. Betaling gaat om bovenstaande reden op basis van het uurtarief. De rechtbank begroot de kosten van de bijzondere curator vooreerst op een tiental uren tegen het opgegeven uurtarief ter grootte van € 305,- exclusief BTW. De rechtbank zal het aldus begrote voorschot ter grootte van € 3.690 inclusief21% BTW voorlopig ten laste van ’s Rijkskas brengen. De rechtbank verzoekt de bijzondere curator wanneer het voorschot niet toereikend is om zo spoedig mogelijk een begroting te maken van de kosten van haar bijstand.\n\n3.10.. De rechtbank is voornemens te bepalen dat de kosten van de bijzondere curator ten laste van de boedel behoren te komen en zal te zijner tijd verlangen dat de boedelbeschrijving wordt overgelegd ter beoordeling van de mogelijkheden om de kosten ten laste van de boedel te brengen.\n\n3.11.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. benoemt met ingang van 2 juli 2026 tot bijzondere curator over de minderjarige, mr. [voorletter en achternaam bijzondere curator] , die kantoor houdt in [plaats 2] , ten einde de minderjarige te vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 1:250 BW;\n\n4.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.3.. gelast de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking onverwijld aan de (advocaat van de) minderjarige, de voorlopige voogd en de bijzondere curator te zenden;\n\n4.4.. verzoekt de bijzondere curator uiterlijk op de rolzitting van vrijdag 2 oktober 2026, of zoveel eerder als mogelijk, het verslag van bevindingen aan de rechtbank, de voorlopige voogd en (de advocaat van) de minderjarige uit te brengen;\n\n4.5.. begroot de kosten van de deskundige voorlopig op € 3.690 inclusief 21% BTW en bepaalt dat de kosten van de bijzondere curator voorlopigten laste komen van 's-Rijks kas.\n\nDeze beslissing is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026. De beschikking is schriftelijk uitgewerkt in deze beschikking en ondertekend op 3 juli 2026.\n\nAls u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2653","2026-07-13T00:28:53.026Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":35,"language":7,"source":42,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":44,"updatedAt":61},"1463","ECLI:NL:RBNNE:2026:2420","ecli-nl-rbnne-2026-2420","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie Groningen\n\nZaaknummers: C\u002F18\u002F239726 \u002F FA RK 24-6000 (gezagsbeëindiging)\n\nC\u002F18\u002F235781 \u002F JE RK 24-382 (ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing)\n\nC\u002F18\u002F248721 \u002F JE RK 25-557 (wijziging verblijfplaats)\n\nC\u002F18\u002F255823 \u002F JE RK 26-783 (ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing)\n\nBeschikking van 19 juni 2026 over het gezag, de ondertoezichtstelling, de machtiging tot uithuisplaatsing en de wijziging van de verblijfsplaats van\n\n [naam kind],\n\ndie is geboren op [datum] 2021 in [geboorteplaats] ,\n\nen die hierna “ [naam kind] ” wordt genoemd,\n\nop verzoek van\n\nde gecertificeerde instelling\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,\n\ndie gevestigd is in Amsterdam,\n\nen die hierna “de GI” wordt genoemd,\n\nen\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\nregio Noord-Nederland, locatie Groningen,\n\nen die hierna “de Raad” wordt genoemd.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [naam ouder 1]en[naam ouder 2],\n\ndie wonen in [plaatsnaam] ,\n\nen die hierna “de ouders” worden genoemd,\n\nadvocaat: mr. J.S. Özsaran, die kantoor houdt in Groningen,\n\n [naam pleegmoeder],\n\nwonende in [plaatsnaam] ,\n\nhierna te noemen “de pleegmoeder”,\n\nadvocaat: mr. N. Groeneveld, die kantoor houdt in Groningen.\n\n1. Het (verdere) procesverloop\n\nIn de zaken C\u002F18\u002F239726 \u002F FA RK 24-6000 en C\u002F18\u002F235781 \u002F JE RK 24-3821.1.. Bij beschikking van 6 december 2024 heeft de kinderrechter iedere beslissing aangehouden en de Hoge Raad der Nederlanden (hierna “de Hoge Raad”) verzocht om bij wijze van prejudiciële beslissing de omschreven rechtsvragen te beantwoorden.\n\n1.2.. Op 19 december 2026 heeft de Hoge Raad zijn prejudiciële beslissing genomen.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft de ouders, de oma, de GI en de Raad bij brief van 10 maart 2026 de gelegenheid gegeven om zich schriftelijk uit te laten over de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad.\n\n1.4.. Op 11 maart 2026 heeft de rechtbank de schriftelijke reactie van de oma ontvangen.\n\nIn de zaak C\u002F18\u002F248721 \u002F JE RK 25-5571.5.. Bij beschikking van 18 december 2025 heeft de kinderrechter zijn beslissing aangehouden. In die beschikking is overwogen dat het van belang is dat er onderzoek wordt gedaan om de oorzaak van [naam kind] gedragsproblemen beter te begrijpen en te bepalen wat hij nodig heeft voor een voor hem zo gezond en optimaal mogelijke ontwikkeling. De GI heeft een deskundige gevonden die bereid en in staat is het onderzoek uit te voeren. De kinderrechter is ervan uitgegaan dat de GI aan de deskundige de onderzoeksopdracht zou verstrekken en heeft de GI verzocht het definitieve rapport van de deskundige en de daarop gegeven reacties van alle betrokken aan de rechtbank toe te sturen.\n\n1.6.. Op 11 juni 2026 heeft de rechtbank van de GI het rapport van het onderzoek ontvangen.\n\nIn de zaak C\u002F18\u002F255823 \u002F JE RK 26-7831.7.. Bij beschikking van 22 mei 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] bij de oma verlengd tot 22 juni 2026. Hij heeft de betrokkenen opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 16 juni 2026 en heeft iedere verdere beslissing aangehouden.\n\nIn alle zaken1.8.. Op 16 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaken gevoegd en mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met de moeder, de oma, hun advocaten, [naam vertegenwoordiger] , die de GI vertegenwoordigt en [naam vertegenwoordiger] , die de Raad vertegenwoordigt.\n\n1.9.. Ten slotte is bepaald dat deze beschikking vandaag wordt gegeven.\n\n1.10.. De rechter wijst erop dat wanneer hij in deze beschikking “de kinderrechter” schrijft, dit moet worden gelezen als de kinderrechter voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing of de rechtbank voor de gezagsbeëindiging, afhankelijk van de zaak die wordt behandeld.\n\n2. De (verdere) beoordeling\n\nWaar gaat het (nog) om in deze zaken?2.1.. Het gaat in de gevoegd behandelde zaken om de nu vierjarige [naam kind] . [naam kind] verblijft vrijwel zijn gehele leven bij zijn oma, omdat de ouders onvoldoende in staat zijn gebleken in zijn opvoedingsbehoeften te voorzien. Er bestaan zorgen over de opvoedsituatie bij de oma en over haar draagkracht. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming hebben verzoeken ingediend met betrekking tot de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] , alsmede ten aanzien van het gezag van de ouders. De kinderrechter heeft de beslissing op deze verzoeken aangehouden en prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. De Hoge Raad heeft deze vragen inmiddels beantwoord.\n\n2.2.. De kinderrechter dient nu te beoordelen of een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de ouders noodzakelijk is, dan wel of de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] dienen te worden verlengd, en zo ja, op welke wijze uitvoering aan deze maatregelen dient te worden gegeven.\n\n2.3.. Gelet op de feiten, de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad en het uitgebrachte deskundigenrapport komt de kinderrechter tot de conclusie dat voor [naam kind] dient te worden toegewerkt naar een plaatsing in een pleegzorgvoorziening die kan voorzien in zijn blijvend intensieve zorg- en begeleidingsbehoefte, mede nu reële en juridisch aanvaardbare alternatieven ontbreken.\n\n2.4.. Hierna zal de kinderrechter uiteenzetten waarom hij tot deze conclusie komt en welke gevolgen dit heeft voor de te nemen beslissingen op de verschillende verzoeken.\n\nSamenvattende terugblik op de feiten en de huidige situatie van [naam kind]2.5.. is een vierjarige jongen die sinds hij ongeveer twaalf weken oud was bij zijn oma woont, omdat de ouders mede door middelengebruik, huiselijk geweld en beperkte opvoedvaardigheden, niet in staat waren in zijn (verzwaarde) opvoedbehoeften te voorzien. Bij [naam kind] is FASD vastgesteld, een verzamelnaam voor blijvende lichamelijke, cognitieve en gedragsproblemen die ontstaan door alcoholgebruik van de moeder tijdens de zwangerschap, met een blijvende ontwikkelingsachterstand en een structureel beperkingspatroon, waardoor hij niet zonder toezicht kan zijn, maar aangewezen is op voortdurende nabijheid van volwassenen, voorspelbaarheid en strakke structuur.\n\n2.6.. Uit het rapport van deskundigenrapport blijkt dat [naam kind] snel overprikkeld raakt, de omgeving kan ontregelen, andere personen pijn doet (bijten, knijpen, spugen) en de oma sterk opeist, zodat haar draagkracht en sociale steun ernstig onder druk staan. Tegelijkertijd laat het rapport zien dat hij, mits er sprake is van vaste routines, consequente begeleiding en positieve communicatie in een voldoende bemenste en deskundige omgeving, wel tot enige ontwikkeling en “successen” kan komen.\n\n2.7.. De oma biedt [naam kind] feitelijk al jarenlang de dagelijkse verzorging en opvoeding en hij ervaart haar woning als zijn vertrouwde leefomgeving. De begeleiding aan huis signaleert op dit moment geen acute, directe onveiligheid, maar wel dat de zorgvraag van [naam kind] toeneemt en de belasting voor oma nu al de grenzen van haar draagkracht nadert. Inmiddels is een logeerplek bij het [naam logeerplek] gerealiseerd, maar de GI heeft juist moeten constateren dat een duurzame, passende “ontlasting” in het vrijwillige en\u002Fof beperkte logeer­kader onvoldoende van de grond komt.\n\nDe positie van de ouders en oma en de rol van de GI2.8.. De ouders hebben een belast verleden met middelengebruik en huiselijk geweld; bij de moeder is een ernstige cognitieve beperking vastgesteld. Volgens de GI zijn de verslavingsproblemen thans weliswaar gestabiliseerd en staan de ouders meer open voor hulp, maar blijven er wezenlijke zorgen over hun psychische gesteldheid, medicatiegebruik en beperkte opvoedvaardigheden, in het bijzonder in relatie tot de verzwaarde opvoedvraag van [naam kind] .\n\n2.9.. De Raad en de GI achten het, mede in het licht van de aanvaardbare termijn, niet reëel dat de ouders binnen een voor [naam kind] verantwoorde termijn in staat zullen zijn de volledige opvoeding van hem op zich te nemen. Daarbij weegt mee dat de ouders het specifieke karakter van zijn beperkingen en de daaruit voortvloeiende opvoedvraag onvoldoende onderkennen en geneigd zijn hun opvoedcapaciteiten af te meten aan de zorg voor zijn zusje, terwijl dat, gezien zijn andere profiel, geen valide referentie is.\n\n2.10.. Wat de oma betreft, is gebleken dat de pleegzorgplaatsing via het Leger des Heils is beëindigd omdat niet meer aan de pleegzorgcriteria werd voldaan, onder meer wegens het niet naleven van afspraken, een wisselende en conflictueuze relatie met de moeder en beschuldigingen over en weer, waaronder mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag door de partner van oma.\n\n2.11.. Hoewel hierop geen strafrechtelijk of anderszins hard bewijs ligt, heeft deze voorgeschiedenis geleid tot het oordeel van de GI en eerder ook van de pleegzorgaanbieder dat de situatie bij oma, mede door haar beperkte draagkracht, onvoldoende bestendig en onvoldoende transparant is om de verzwaarde zorgvraag van [naam kind] op lange termijn te kunnen dragen.\n\n2.12.. De GI blijft, tegen deze achtergrond, actieve regievoering noodzakelijk achten en heeft de rechtbank om toestemming gevraagd om [naam kind] – zo nodig – op een andere plek dan bij oma te laten wonen, in een setting die beter kan voorzien in zijn complexe zorgbehoeften.\n\nRichtinggevend kader van de Hoge Raad2.13.. In de door de kinderrechter gestarte prejudiciële procedure heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de (rechts)bescherming van het kind en de ouders in situaties waarin een minderjarige in een pleeggezin wordt geplaatst, de pleegzorgaanbieder of GI de plaatsing niet (meer) wil continueren, en tevens een gezagsbeëindiging aan de orde is. De Hoge Raad heeft in het beantwoorden van de vragen vooropgesteld dat het recht van het kind op veiligheid en bescherming meebrengt dat wanneer de GI een pleeggezin als onvoldoende veilig acht, zij van (voortzetting van) die plaatsing moet afzien en de kinderrechter dienovereenkomstig moet beslissen als hij dat oordeel deelt.\n\n2.14.. Daarbij heeft de Hoge Raad benadrukt dat beslissingen over ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging steeds moeten worden beoordeeld in het licht van artikel 8 EVRM: de inmenging in het gezinsleven moet bij wet zijn voorzien, een legitiem doel dienen én noodzakelijk zijn in een democratische samenleving, hetgeen mede inhoudt dat het doel niet met een minder ingrijpende maatregel kan worden bereikt en dat een zorgvuldige “fair balance” tussen de betrokken belangen wordt gemaakt. Ook heeft de Hoge Raad, in aansluiting op de jurisprudentie van het EHRM, nogmaals benadrukt dat het doel van gezinshereniging niet te snel mag worden losgelaten en dat beslissingen over gezagsbeëindiging moeten worden gebaseerd op een actuele, grondige beoordeling van de oudercapaciteiten en de concrete ontwikkelingsbehoeften van het kind binnen diens aanvaardbare termijn.\n\n2.15.. Voor pleegzorg specifiek volgt uit de prejudiciële beslissing dat de kinderrechter, ondanks een (negatieve) screening of het beëindigen van pleegzorg door de aanbieder, de plaatsing in een pleeggezin niet uitsluitend op basis daarvan mag beëindigen, maar dat hij alle beschikbare informatie, waaronder rapportages van de Raad en recente deskundigenonderzoeken, integraal moet meewegen. In het bijzonder geldt dat, als de kinderrechter tot het oordeel komt dat de veiligheid in het pleeggezin structureel onvoldoende kan worden gewaarborgd, hij zodanig moet beslissen dat (verdere) plaatsing in dat pleeggezin wordt voorkomen of beëindigd en dat wordt toegewerkt naar een setting die wél in staat is de minderjarige de benodigde bescherming en ontwikkelingskansen te bieden.\n\nNoodzaak van gezagsbeëindiging en verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing2.16.. In het licht van dit kader en de beschikbare informatie moet worden beoordeeld of voortzetting van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, dan wel een gezagsbeëindiging, noodzakelijk en proportioneel zijn. Gegeven de ernst en het permanente karakter van de beperkingen van [naam kind] , zijn behoefte aan intensieve en deskundige begeleiding, en de beperkte opvoedcapaciteiten van de ouders, is niet te verwachten dat de bedreiging van zijn ontwikkeling binnen een voor hem aanvaardbare termijn onder hun gezag zal worden weggenomen.\n\n2.17.. Tegelijkertijd is duidelijk geworden dat de huidige plaatsing bij de oma, ondanks haar inzet en de gehechtheid van [naam kind] , op termijn niet in staat is de toenemende zorgvraag en de noodzakelijke continuïteit en voorspelbaarheid te waarborgen, mede gezien de draagkracht van de oma, de voorgeschiedenis met de pleegzorginstantie en de voortdurende noodzaak van intensieve professionele ondersteuning.\n\n2.18.. Het zijn de feiten en omstandigheden die het begrijpelijk maken dat de Raad het verzoek heeft gedaan om het gezag van de ouders te beëindigen. De rechter gaat hierin op de vraag of een beëindiging van het gezag in het belang van [naam kind] , op dit moment, noodzakelijk is of kan worden volstaan met het verlengen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing.\n\n2.19.. De verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing volstaat, in deze overgangsfase, om de juridische basis te bieden voor het zoeken naar en realiseren van een passende voorziening van pleegzorg of een daarmee vergelijkbare residentiële voorziening die specifiek toegesneden is op kinderen met FASD en een blijvend hoge begeleidingsbehoefte. Daarbij geldt dat met het oog op de positieve verplichtingen onder artikel 8 EVRM, de GI gehouden blijft de band tussen [naam kind] , de ouders en de oma, waar mogelijk en verantwoord, in stand te houden en contact te faciliteren, zonder hem bloot te stellen aan onevenredige hardheid. De kinderrechter zal daarom aan de GI een algemene machtiging tot uithuisplaatsing verlenen.\n\nNaar welke voorziening moet worden toegewerkt en waarom ontbreken alternatieven?2.20.. Alles afwegend, komt de kinderrechter tot het oordeel dat het in het zwaarwegende belang van [naam kind] is dat doelgericht wordt toegewerkt naar een plaatsing in een voorziening van pleegzorg of een kleinschalige, pleegzorg-achtige voorziening die:\n\n specifieke deskundigheid heeft op het gebied van FASD en vergelijkbare neurobiologische ontwikkelingsstoornissen;\n\n24-uurs toezicht en begeleiding kan bieden, met vaste, op elkaar ingespeelde opvoeders;\n\n in staat is [naam kind] ’s agressie, impulsiviteit en behoefte aan nabijheid binnen duidelijke grenzen en voorspelbare routines te hanteren;\n\n voldoende bemensing heeft om de zorgbelasting te dragen en de opvoeding niet op één (ouder wordende) pleegverzorger neer te laten komen.\n\n2.21.. De alternatieven worden in deze zaak als onvoldoende of onrealistisch beoordeeld. Een terugplaatsing bij de ouders is, gelet op hun structureel beperkte capaciteiten, de ernst van [naam kind] ’s problematiek en de aanvaardbare termijn, geen reële optie. Voortzetting van de plaatsing bij oma in het huidige format is, mede in het licht van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad, niet verantwoord nu de pleegzorgaanbieder heeft afgehaakt, de GI de emotionele veiligheid en de draagkracht van oma op langere termijn betwijfelt, en geen effectieve, minder ingrijpende maatregel is gebleken die deze bezwaren kan ondervangen.\n\n2.22.. Ook een constructie waarin de plaatsing bij de oma wordt voortgezet met enkel intensivering van ambulante hulp wordt als onvoldoende gezien, omdat daarmee de kernproblemen, de structureel te hoge zorgbelasting en de kwetsbare veiligheid en voorspelbaarheid op lange termijn, niet worden weggenomen. In dat licht resteert als enig passend en juridisch aanvaardbaar perspectief dat [naam kind] op termijn wordt geplaatst in een voor hem geschikte voorziening van pleegzorg, waarbij de GI verantwoordelijk wordt voor het zorgvuldig voorbereiden van deze overgang en het borgen van passende contactregelingen met de ouders en de oma.\n\n2.23.. Gelet op de uitzonderlijke complexiteit van de problematiek van [naam kind] en de hiervoor uiteengezette onder artikel 8 EVRM beschermde rechten, betekent als het voorgaande dat er vooralsnog onvoldoende noodzaak is om het gezag van de ouders te beëindigen. Het daarop gerichte verzoek van de Raad wordt daarom afgewezen. De kinderrechter vindt dat een verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing volstaat en een juridisch kader biedt om de regie te voeren op het doelgericht toewerken naar een plaatsing in een voorziening van pleegzorg of een kleinschalige, pleegzorg-achtige voorziening die beantwoordt aan de hiervoor gestelde eisen. Gelet op de richting die met deze uitspraak is gegeven en de machtiging zoals die hierna wordt verleend, rest geen belang meer bij een afzonderlijke beslissing op het verzoek voor toestemming tot het wijzigen van de verblijfplaats van [naam kind] .\n\n2.24.. Dit betekent dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verlengd en wat meer of anders is verzocht zal afwijzen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n3.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind] tot 25 mei 2027;\n\n3.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] tot 25 mei 2027;\n\n3.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.4.. wijst af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Oostra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\nAls u het niet eens bent met de beslissing die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2420","2026-07-13T00:29:22.270Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":66,"summary":35,"language":7,"source":42,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":44,"updatedAt":69},"1402","ECLI:NL:RBNNE:2026:2355","ecli-nl-rbnne-2026-2355","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie Groningen\n\nZaak-\u002Frekestnummer: C\u002F18\u002F249514 \u002F FA RK 25-5227\n\nEchtscheidingsbeschikking van 12 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam vrouw],\n\ndie woont op een, bij de rechtbank bekend, geheim adres,\n\nen die hierna ''de vrouw'' wordt genoemd,\n\nadvocaat: mr. J. Sinnema, die kantoor houdt in Heerenveen,\n\nen\n\n [naam man] ,\n\ndie woont in [plaatsnaam] ,\n\nen die hierna ''de man'' wordt genoemd.\n\nIn zijn adviserende taak is in deze procedure gekend:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\nregio Noord-Nederland, locatie Groningen,\n\nen die hierna ''de Raad'' wordt genoemd.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. De procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de vrouw, dat de rechtbank heeft ontvangen op 27 oktober 2025. Daarin verzoekt de vrouw de rechtbank om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoer bij voorraad, tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw te bepalen en geen omgang tussen de man en de kinderen vast te leggen.\n\n1.2.. Op 24 november 2025 heeft de rechtbank van de vrouw een F9-formulier met als bijlage het betekeningsexploot ontvangen.\n\n1.3.. Op 18 mei 2026 heeft de vrouw een aanvullend verzoekschrift ingediend. Daarin verzoekt de vrouw als nevenvoorziening aan haar vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een paspoort voor de minderjarige kinderen van partijen.\n\n1.4.. Op 4 juni 2026 heeft de rechtbank de zaak mondeling behandeld. De rechtbank heeft de zaak gevoegd behandeld met de zaak bekend onder zaaknummer C\u002F18\u002F257065 \u002F FA RK 26-3517 over de vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort. De rechter heeft gesproken met de vrouw die werd bijgestaan door de tolk [naam tolk] met tolknummer [tolknummer] , haar advocaat, de man, en [naam vertegenwoordiger] , die de Raad vertegenwoordigt.\n\n1.5.. De minderjarige zoon van partijen, [naam kind] , is gelet op zijn leeftijd in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Op 29 mei 2026 heeft de (kinder)rechter met [naam kind] gesproken.\n\n1.6.. Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De rechtbank kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten.\n\n2.2.. De vrouw heeft op 27 oktober 2025 een procedure bij deze rechtbank ingeleid met een verzoek tot echtscheiding. Zij heeft daartoe gesteld dat zij op [datum] 2014 in [plaatsnaam] , Eritrea, met de man is gehuwd, dat uit dit huwelijk zijn geboren [naam kind] , die is geboren op [datum] 2015 te [plaatsnaam] (Soedan), en [naam kind] , die is geboren op [datum] 2019 te [plaatsnaam] en dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.3.. De vrouw heeft eerder ook een procedure bij de rechtbank ingeleid met een verzoek tot echtscheiding. Bij beschikking van 17 februari 2023 heeft de rechtbank overwogen, voor zover hier van belang:\n\n''Op grond van artikel 10:31 BW moet de rechter beoordelen of partijen in Eritrea\u002FSoedan zijn gehuwd en als dat komt vast te staan, of dit in Eritrea\u002FSoedan gesloten huwelijk in Nederland erkend kan worden.\n\nOp basis van de thans overgelegde stukken acht de rechter zich echter onvoldoende geïnformeerd om daarover een oordeel te geven. Daarvoor is het navolgende redengevend.\n\nIn het verzoekschrift en het aanmeldgehoor van 15 augustus 2022 geeft de vrouw aan in [plaatsnaam] Soedan te zijn gehuwd, maar in de verklaring onder ede of belofte van 7 juli 2018 heeft ze verklaard in Eritrea te zijn gehuwd. Er zijn geen aanvullende bewijsstukken, zoals een huwelijksakte, van het gesloten huwelijk. Een verklaring waarom de vrouw niet consequent maar tegenstrijdig verklaart over de sluiting van huwelijk, is niet gegeven. Voorshands komt de rechtbank tot het oordeel dat op grond van het tot zover bijgebrachte bewijs, niet kan komen vast te staan dat de vrouw is gehuwd.\n\nDe rechter ziet hierin aanleiding om de vrouw in de gelegenheid te stellen om bewijs van het door haar gestelde huwelijk bij te brengen. De vrouw wordt in de gelegenheid gesteld om bij akte zich uit te laten over de vraag of zij dat bewijs wil leveren en hoe zij dat bewijs wil bijbrengen. Voor zover zij schriftelijk bewijs wil leveren, dient de vrouw dat bewijs bij akte in het geding te brengen. Voor zover de vrouw bewijs wil leveren door getuigen voor te brengen, zal zij bij akte een opgave moeten geven over de persoenen die zij als getuige wil voorbrengen.''\n\n2.4.. Bij beschikking van 21 april 2023 heeft de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. In die beschikking is daartoe overwogen, voor zover van belang:\n\n''De rechter heeft in de tussenbeschikking overwogen, voor zover hier van belang, dat op basis van de overlegde stukken niet kan worden beoordeeld of partijen zijn gehuwd, in Eritrea of Soedan en, als dat komt vast te staan, of het gaat om een huwelijk dat in Nederland kan worden erkend.\n\nDe rechter heeft daarom de vrouw die verzoekt om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, in de gelegenheid gesteld om bewijs van het door haar gestelde huwelijk bij te brengen. De zaak is daartoe naar de rol verwezen om de vrouw in de gelegenheid te stellen aan akte te nemen.\n\nDie akte heeft de vrouw niet genomen. In plaats daarvan heeft haar advocaat bij brief van 5 april 2023 de rechtbank bericht, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, dat\n\nzij niet kan aantonen dat zij niet in Eritrea is gehuwd, maar ook niet dat zij in Soedan is gehuwd.\n\nDe rechter stelt vast dat de vrouw geen bewijs heeft bijgebracht van het bestaan van het door haar gestelde huwelijk. De rechtbank kan daarom niet nagaan of er in Eritrea of Soedan een huwelijk tussen partijen is gesloten en, als dat zo is, of dit buitenlandse huwelijk in Nederland kan worden erkend. De vrouw kan daarom niet in haar verzoek tot echtscheiding worden ontvangen.\n\nDe rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. Indien de vrouw wil bewerkstelligen dat de BRP wordt aangepast, in die zin dat de vrouw niet meer als gehuwd geregistreerd staat, dan is niet de rechter maar het College van Burgemeesters en Wethouders verantwoordelijk voor het bijhouden van de persoonsgegevens in de BRP (artikel 1.4 van de Wet basisregistratie personen). Op grond van de Wet basisregistratie personen kan de vrouw zelf een met stukken onderbouwd verzoek tot doorhaling van de registratie van haar huwelijk indienen bij de burgerlijke stand van de gemeente Groningen. Gelet op artikel 2.8 lid 2 van de Wet basisregistratie personen is het raadzaam bij het verzoek een afschrift van de onderhavige beschikking te voegen.''\n\n3. De beoordeling\n\nDe bevoegdheid van de rechtbank en het toepasselijke recht3.1.. De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat zij, ondanks de gestelde Eritrese nationaliteit van partijen en hun kinderen, bevoegd is kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding en de daarop gegronde nevenvoorzieningen. Deze bevoegdheid volgt uit de (duur van de) gewone verblijfplaats van partijen in Nederland, binnen het arrondissement van deze rechtbank. Laatstgenoemde omstandigheid brengt met zich dat op de verzoeken het Nederlandse recht van toepassing is.\n\n3.2.. De rechtbank kan het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor de afgifte van een paspoort en\u002Fof identiteitskaart echter niet als nevenvoorziening in deze procedure behandelen. Daartoe is redengevend dat de wet in artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een limitatieve opsomming bevat van nevenvoorzieningen die in het kader van een echtscheidingsprocedure kunnen worden verzocht. Het verzoek van de vrouw valt niet onder deze opsomming.\n\n3.3.. Omdat de belangen van de kinderen steeds als overweging van de eerste orde moeten worden betrokken, en zij er recht en belang bij hebben dat over het verzoek tot afgifte van een paspoort en identiteitskaart wordt beslist, heeft de rechtbank dit verzoek afgesplitst van de onderhavige echtscheidingsprocedure. Hierop zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist.\n\nDe ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoek3.4.. In deze zaak speelt dat de rechtbank eerder op een gelijkluidend verzoek van de vrouw een beslissing heeft genomen, tegen welke beslissing inmiddels geen hoger beroep meer kan worden ingesteld: de beschikking van 21 april 2023 is in kracht van gewijsde gegaan.\n\n3.5.. Een beroep op het in kracht van gewijsde zijn gegaan van een rechterlijke uitspraak is naar Nederlands procesrecht in beginsel voorbehouden aan partijen en wordt dus niet ambtshalve door de rechter toegepast. Dat uitgangspunt brengt mee dat de rechter een eerder afgewezen verzoek niet zonder meer uit eigen beweging buiten behandeling laat op de enkele grond dat daarover al eerder onherroepelijk is beslist. Tegelijk geldt dat in zaken waarin de rechtsverhouding niet geheel ter vrije bepaling van partijen staat en waarin belangen van openbare orde een rol spelen, kan worden betwijfeld of dit uitgangspunt onverkort behoort te gelden. Daarbij is een gezichtspunt dat de vraag of een huwelijk rechtsgeldig tot stand is gekomen en hier te lande kan worden erkend (niet in strijd is met onze openbare orde), gelet op onder meer de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.10 Wet BRP, een toetsing van openbare orde.\n\n3.6.. Juist in dergelijke zaken is het immers moeilijk te aanvaarden dat de bindende kracht van een eerdere uitspraak, die zelf raakt aan de openbare orde, geheel afhankelijk zou zijn van de processuele keuze van partijen om daarop al dan niet een beroep te doen. Onder bijzondere omstandigheden kan daarom aanleiding bestaan om het gezag van gewijsde niet ongemerkt te passeren. In dat geval dient de rechter partijen evenwel eerst uitdrukkelijk met die mogelijke betekenis van de eerdere beslissing te confronteren en hen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten, overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor. Die gelegenheid is tijdens de mondelinge behandeling van het echtscheidingsverzoek op 4 juni 2026 geboden.\n\n3.7.. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank in het onderhavige geval geen aanleiding om het eerder afgewezen verzoek tot echtscheiding opnieuw inhoudelijk te beoordelen. Daarbij weegt mee dat de vrouw op geen enkele wijze heeft toegelicht hoe het mogelijk is dat zij niet weet in welk land zij is gehuwd, dan wel waarom zij daarover tegenstrijdig heeft verklaard tijdens haar aanmeldgehoor en nadien.\n\n3.8.. De rechtbank acht bovendien ongeloofwaardig dat de vrouw niet weet in welk land haar huwelijk is gesloten.\n\n3.9.. In de eerdere procedure heeft de rechtbank de vrouw voldoende gelegenheid geboden om bewijs van het gestelde huwelijk te leveren, hetzij schriftelijk, hetzij door het doen horen van getuigen. Uit de brief van haar advocaat van 5 april 2023 blijkt dat zij daarvan welbewust heeft afgezien, onder de mededeling aan de rechtbank dat zij niet kan bewijzen in welk van de door haar genoemde landen het huwelijk is gesloten.\n\n3.10.. Onder deze omstandigheden kon en kan de rechtbank toen en nu, niet anders dan tot de slotsom komen dat het bestaan van het door de vrouw gestelde huwelijk niet is komen vast te staan. Dit leidt ertoe dat de vrouw opnieuw niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek tot echtscheiding.\n\n3.11.. Voor zover door de vrouw een beroep wordt gedaan op het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna ''het college''), neergelegd in de brief van 14 februari 2025, die weigert om de huwelijksgegevens zoals die zijn geregistreerd in de BRP te rectificeren, wordt als volgt overwogen.\n\n3.12.. Het college meent dat de rechtbank het echtscheidingsverzoek ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard door uitsluitend te verlangen dat een huwelijksakte wordt overgelegd en voorbij te gaan aan de verklaring onder ede en de daarop gebaseerde BRP-registratie van het huwelijk. Daarmee heeft de rechtbank volgens het college miskend dat de rechtsgeldigheid van het gestelde huwelijk al eerder is beoordeeld in het kader van de inschrijving in de BRP, waarbij op grond van artikel 10:31 BW en de artikelen 2.8 en 2.10 Wet BRP is geverifieerd of het huwelijk kon worden opgenomen. Het college vindt dat de rechtbank bij de ontvankelijkheidstoets had moeten betrekken dat de vrouw als erkend vluchteling in de praktijk redelijkerwijs geen huwelijksakte kan overleggen en dat artikel 815 lid 6 Rv juist voorziet in de mogelijkheid om in zulke gevallen met andere stukken – waaronder de verklaring onder ede – te volstaan.\n\n3.13.. Daarnaast acht het college het onjuist dat de rechtbank de BRP-registratie van het huwelijk en de daaraan ten grondslag liggende verklaring onder ede feitelijk terzijde heeft geschoven. Volgens het college volgt uit wetssystematiek en rechtspraak dat, nu de wetgever bewust heeft toegestaan dat een buitenlands huwelijk op basis van een enkele verklaring onder ede in de BRP wordt ingeschreven, deze verklaring ook in een echtscheidingsprocedure als voldoende basis moet worden aanvaard om het bestaan van het huwelijk aan te nemen, zolang de vrouw consistent blijft bij haar stelling dat zij gehuwd is. Door toch niet-ontvankelijk te verklaren louter wegens het ontbreken van een huwelijksakte, frustreert de rechtbank aldus de mogelijkheid om ooit van dit in de BRP geregistreerde huwelijk te scheiden, aldus het college.\n\n3.14.. Het college meent dat de rechtbank dit nu dient te herstellen door de beschikking van 21 april 2023 te verbeteren of aan te vullen, met expliciete toepassing van artikel 815 lid 6 Rv en erkenning dat de verklaring onder ede en de daarop gebaseerde BRP-registratie voldoende zijn om het huwelijk als vaststaand aan te nemen en het echtscheidingsverzoek ontvankelijk te verklaren. Mocht verbetering of aanvulling niet mogelijk blijken, dan dient de rechtbank in een nieuw echtscheidingsverzoek wél uit te gaan van het geregistreerde huwelijk en, onder verwijzing naar artikel 815 lid 6 Rv, het ontbreken van een huwelijksakte te ondervangen door de verklaring onder ede en de overige beschikbare stukken als toereikend bewijs te aanvaarden.\n\n3.15.. De rechtbank komt tot de slotsom dat het oordeel van het college berust op een onjuiste rechtsopvatting en bovendien is gebaseerd op onvolledige informatie.\n\n3.16.. Als het gaat om de onjuiste rechtsopvatting wordt als volgt overwogen. De bevoegdheid om vast te stellen of sprake is van een (voor erkenning vatbaar) huwelijk ligt uiteindelijk bij de rechter, niet bij het college of (een door het college gemandateerde) gemeentelijk ambtenaar, omdat het hier gaat om de toepassing van materieel recht op een concreet geschil – en dat is naar stelsel van de wet een rechterlijke taak.\n\n3.17.. Uit het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat vragen over het bestaan, de geldigheid en de erkenning van huwelijken (ook buitenlandse) worden beheerst door Boek 1 en Boek 10 BW; bepalend is dus of in het concrete geval aan de wettelijke voorwaarden en erkenningsregels is voldaan. De gemeentelijke ambtenaar registreert rechtsfeiten aan de hand van akten en brondocumenten, maar neemt daarmee geen bindend materieelrechtelijk oordeel over de geldigheid of erkenning van het huwelijk in de zin van het familierecht. De BRP is een basisregistratie met \"authentieke gegevens\", geen constitutief register: de vermelding van een huwelijk in de BRP is een zwaarwegende administratieve aanwijzing, maar geen rechterlijk oordeel over het bestaan of de rechtsgeldigheid van dat huwelijk.\n\n3.18.. In procedures waarin het huwelijk rechtsgevolgen heeft (echtscheiding, afstamming, gezag, verblijfsrecht, sociale zekerheids- of belastingrechtelijke vragen) is het daarom de rechter die zelfstandig moet beoordelen of van een rechtsgeldig en voor erkenning vatbaar huwelijk sprake is. Dat blijkt ook uit rechtspraak waarin hogere rechters oordelen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld het huwelijk niet te kunnen vaststellen; de rechter mag zich niet verschuilen achter het ontbreken of de inhoud van administratieve registratie, maar moet zelf, op basis van alle beschikbare gegevens, een oordeel vormen over het bestaan van het huwelijk.\n\n3.19.. Daarbij speelt de BRP-registratie wel een rol: de rechter kan die als belangrijk bewijsmiddel meewegen, zeker als het huwelijk op basis van een verklaring onder ede is ingeschreven, maar blijft vrij om tot een andere conclusie te komen als de feiten daartoe aanleiding geven. Omgekeerd mag de gemeentelijke ambtenaar ook niet \"in de plaats van de rechter\" treden door het bestaan van een huwelijk materieel te ontkennen zodra twijfel ontstaat of zodra een procedure misloopt; de ambtenaar kan slechts toetsen of de registratievoorwaarden zijn nageleefd en of er voldoende brondocumenten zijn voor de BRP, maar geen definitieve beslissing nemen over het al dan niet bestaan van een rechtsgeldig huwelijk in de zin van het BW.\n\n3.20.. De opvatting van het college is bovendien gebaseerd op onvolledige gegevens. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw desgevraagd bevestigd dat uitsluitend de eindbeschikking, waarin de vrouw niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek, aan de gemeente is toegezonden.\n\n3.21.. Uit kennisneming van het volledige dossier blijkt evenwel dat de rechtbank haar beslissing weloverwogen heeft genomen, met inachtneming van zowel de verklaring van de vrouw tijdens haar eerste aanmeldgehoor als haar latere, onder ede afgelegde verklaring. Deze verklaringen zijn onderling tegenstrijdig en naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig.\n\n3.22.. Juist deze omstandigheden hebben de rechtbank ertoe gebracht de vrouw de gelegenheid te bieden bewijs te leveren van het gestelde huwelijk. Van die gelegenheid heeft de vrouw echter afgezien.\n\n3.23.. Van een op grond van artikel 31 Rv voor herstel vatbare vergissing die zich leent voor eenvoudig herstel, is gelet op het voorgaande zeker geen sprake.\n\n3.24.. Voor zover de Raad heeft gewezen op de gevolgen van de voortdurende onduidelijkheid voor de kinderen, in het bijzonder problematiek rond het niet optimaal kunnen verkrijgen van toeslagen, vertaalt hetgeen de Raad heeft aangevoerd zich niet in een relevant juridisch argument om anders te beslissen.\n\n3.25.. Het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat de vrouw opnieuw in haar verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk moet worden verklaard.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om de echtscheiding uit te spreken en nevenvoorzieningen te geven.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.\n\nAls u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.\n\nfn: RV\n\nPartijen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland, de man woont sinds 23 december 2016 in Nederland en de vrouw sinds 7 juli 2018. Gelet daarop is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek (artikel 3 sub a onder i van de Verordening (EU) 2019\u002F1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter)). Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing (artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2355","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:19.726Z",20]