[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-immigration-detention-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":109},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},45,"immigration-detention-nl","Immigration Detention","NL","2026-07-08T16:53:39.887Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},11,{"min":18,"max":19},"2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124426","Vreemdelingenwet","art. 64",1,[27,37,44,52,59,66,73,80,88,95,102],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"458","ECLI:NL:RBDHA:2026:18728","ecli-nl-rbdha-2026-18728","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.30898\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum] ,\n\nvan Marokkaanse nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.W.M. Weerman).\n\nProcesverloop\n\n1. Bij besluit van 10 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw(de vrijheidsbeperkende maatregel).\n\n1.1.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nOverwegingen\n\n2. De rechtbank overweegt dat de minister door middel van de vrijheidsbeperkende maatregel aan eiser heeft verplicht om met ingang van 10 mei 2026 te verblijven in de HTLin Hoogeveen. Daarmee hangt samen het plaatsingsbesluit van het COavan 10 mei 2026. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het plaatsingsbesluit en dat de termijn daarvoor inmiddels is verstreken. Daarom staat het plaatsingsbesluit in rechte vast en dient de rechtbank uit te gaan van de rechtmatigheid daarvan.\n\n3. De oplegging van de onderhavige vrijheidsbeperkende maatregel houdt verband met het in rechte onaantastbaar geworden COa-plaatsingsbesluit. Nu de rechtbank moet uitgaan van de rechtmatigheid van het plaatsingsbesluit, kan niet geoordeeld worden dat de vrijheidsbeperkende maatregel, waaraan het plaatsingsbesluit ten grondslag ligt, ten onrechte of op onjuiste grondslag is genomen. De beroepsgronden die zien op de HTL-plaatsing en de gevolgen\u002Fbeperkingen die eiser hierdoor ondervindt liggen in onderhavige procedure niet ter toetsing voor, nu deze betrekking hebben op het in rechte onaantastbaar geworden plaatsingsbesluit en\u002Fof geen verband houden met de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel bij het bestreden besluit.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van\n\nR. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Handhaving- en Toezichtlocatie.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18728","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:31.329Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":42,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":43},"464","ECLI:NL:RBDHA:2026:18729","ecli-nl-rbdha-2026-18729","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36442\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum] ,\n\nvan (gestelde) Libische nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. F. Boone),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.W.M. Weerman).\n\nProcesverloop\n\n1. De minister heeft op 24 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\n1.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\n1.2.. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Hierop heeft eiser gereageerd.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nOverwegingen\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 8 mei 2026.\n\n3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\nStandpunten eiser\n\n4. Eiser voert aan dat hij gemotiveerd is om terug te keren naar Marokko. Zo heeft hij tijdens het vertrekgesprek van 28 april 2026 zijn juiste personalia gegeven en tijdens het vertrekgesprek van 4 juni 2026 aangegeven dat hij terug wil keren naar zijn moeder die op leeftijd is. Niet is gebleken dat inmiddels een reisdocument is afgegeven en staat ook geen presentatie of telefonische afspraak gepland. Daarnaast is niet op zaaksniveau gerappelleerd, maar zijn enkel algemene schriftelijke rappellen verstuurd. Eiser heeft een kopie van zijn paspoort, een identiteitskaart en een vrijwilligersbrief overgelegd. Deze documenten zijn weliswaar doorgestuurd naar de Marokkaanse vertegenwoordiging, maar de minister neemt verder een afwachtende houding aan. De minister handelt dan ook onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.\n\nBeoordeling rechtbank\n\n5. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt.De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Uit zowel de stukken in het dossier als de daarop door de minister ter zitting gegeven toelichting blijkt dat op 10 juli 2026 een telefonische presentatie met de Marokkaanse autoriteiten staat gepland. Naar het oordeel van de rechtbank dient de minister in de gelegenheid te worden gesteld om de resultaten hiervan af te wachten.\n\n5.1.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Zo heeft de minister driemaal schriftelijk gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten, laatstelijk op 26 juni 2026. Daarnaast heeft op 1 juni 2026 en 6 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.\n\n5.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.\n\n5.3.. \n\nDe rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van\n\nR. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219).\n\n Zie het arrest Adrar van het Hof van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en het arrest Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18729","2026-07-13T00:28:31.707Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":49,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":35,"updatedAt":51},"1645","ECLI:NL:RBDHA:2026:18535","ecli-nl-rbdha-2026-18535","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35577\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam] eiser\n\nV-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft op 14 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nDeze maatregel duurt nog voort.\n\n1.1.. \n\nEiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring op 26 juni 2026\n\nberoep ingesteld en daarbij verzocht om schadevergoeding. Op 1 juli 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend.\n\n1.2.. De minister heeft op 1 juli 2026 een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld.\n\nHieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser via beeldverbinding (Teams) en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De minister betoogt dat het beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat\n\nuit het pro forma beroep en de beroepsgronden van eiser duidelijk blijkt dat het is gericht tegen de maatregel van bewaring van 14 juni 2026 en de maatregel al door de rechtbank in haar uitspraak van 25 juni 2026 is beoordeeld.\n\n2.1.. \n\nDit betoog slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat uit het format van het pro\n\nforma beroepschrift blijkt dat het gaat om een vervolgberoep en dat uit de nadere gronden kan worden afgeleid dat het vervolgberoep in verband staat met de al eerder opgelegde bewaringsmaatregel van 14 juni 2026. Verder vergt de vraag of de beroepsgronden kans van slagen hebben, een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank en staat deze vraag los van de ontvankelijkheid. De rechtbank zal derhalve het beroep verder inhoudelijk beoordelen.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij de maatregel van bewaring al eerder heeft beoordeeld. Uit de uitspraak van 25 juni 2026volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was.\n\n3.1.. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden die eiser op 1 juli 2026 heeft ingediend, al naar voren hadden moeten worden gebracht in de procedure over de bewaringsmaatregel van 14 juni 2026 dan wel al zijn beoordeeld door de rechtbank in de uitspraak van 25 juni 2026 en ongegrond zijn verklaard. Als eiser het met die uitspraak niet eens is, waaronder zijn betoog dat verband houdt met het overgangsrecht, dient eiser in hoger beroep tegen die uitspraak aan de orde te stellen. De minister heeft op zitting meegedeeld dat uit zijn systeem niet blijkt dat er hoger beroep is ingesteld. Dat er geen hoger beroep is ingesteld komt voor rekening en risico van eiser.\n\n4. Gezien het voorgaande staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring\n\nrechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 19 juni 2026.\n\n4.1.. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n4.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de voortduring van de bewaring niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\n5. De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond die verband houdt met het overgangsrecht, geen doel treft, omdat deze in deze procedure over het volgberoep en de daarmee verband houdende beoordelingsperiode van 19 juni tot 3 juli 2026, niet meer naar voren kan worden gebracht.\n\n6. De rechtbank stelt verder vast dat er gedurende de onderhavige beoordelingsperiode nog steeds sprake is van zicht op uitzetting en dat de minister voortvarend handelt. De minister heeft op 24 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd.\n\n7. In haar uitspraak van 25 juni 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. De enkele stelling van eiser op zitting dat hij last heeft van depressieve en andere mentale klachten en verzoekt om clementie, is niet onderbouwd respectievelijk faalt en maakt niet dat thans wel een lichter middel moet worden opgelegd. De rechtbank overweegt verder dat eiser zich voor zijn medische en psychische klachten kan wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum. Ook thans is niet gesteld noch gebleken, dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum voor eiser ontoereikend zijn.\n\n8. De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geworden. Eisers stelling dat eiser op dit moment procedureel rechtmatig verblijf heeft en (mede) als gevolg daarvan ten onrechte in bewaring wordt gehouden, is niet aannemelijk gemaakt en door de minister, op deugdelijke wijze betwist. Uit de stukken blijkt dat bij besluit van 13 juni 2026, eisers opvolgende aanvraag om asiel niet ontvankelijk is verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Hierop zijn nog geen beslissingen genomen. Uit de stukken blijkt niet dat eiser gedurende de hier te beoordelen periode van 19 juni tot en met 3 juli 2026 rechtmatig verblijf zou hebben en op een verkeerde grondslag in bewaring zou worden gehouden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep mogelijk.\n\n NL26.33312.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18535","2026-07-13T00:29:31.316Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":56,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":35,"updatedAt":58},"1732","ECLI:NL:RBDHA:2026:18552","ecli-nl-rbdha-2026-18552","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35191\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum],\n\nvan Marokkaanse nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: L. Ploeger).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaringdie aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn op het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde op de rechtbank in Groningen. Hier is ook een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen.De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van bewaring\n\n4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\n4.1.. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nb. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\nc. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\nd. onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt in verband met zijn aanvraag om toelating met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend.\n\nh. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;\n\nj. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vbheeft gehouden;\n\nq. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\nVoortraject\n\n5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de bewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.\n\nGrondslag\n\n6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op\n\n4 juni 2021 een terugkeerbesluit en op 22 oktober 2024 een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd gekregen. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.\n\nGronden\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen van de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang gezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een onderduikrisico bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\nLichter middel\n\n8. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring voor hem onevenredig bezwarend is, omdat hij medicijnen gebruikt voor zijn psychische gesteldheid. Hij ervaart veel stress in detentie.\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het risico op onttrekking is gegeven.\n\n9.1.. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiser gewezen op de beschikbare medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum, alsmede op de mogelijkheid van overplaatsing naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten zorginstelling indien de benodigde zorg niet binnen die voorzieningen kan worden geboden. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen deze centra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij zijn medicatie niet krijgt, overweegt de rechtbank dat eiser zich hiervoor kan melden bij de medische dienst in het detentiecentrum.\n\n9.2.. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.\n\nVoortvarendheid\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 23 juni 2026 heeft de minister een LP-aanvraag verstuurd naar de autoriteiten van Marokko. De minister heeft hierop op 26 juni 2026 gerappelleerd. Ook heeft de minister op 25 juni 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.\n\nZicht op uitzetting\n\n10. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn Marokko niet ontbreekt.De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in het concrete geval van eiser het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken.\n\nConclusie en gevolgen.\n\n11. De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel, gelet op de 6 maanden-termijn en de beoordeling van het non-refoulementbeginsel, onrechtmatig is.\n\n12. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Hierna: bewaring.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.\n\n Vreemdelingebesluit 2000.\n\n Laissez-passer.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.\n\n Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18552","2026-07-13T00:29:36.235Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":63,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":35,"updatedAt":65},"1733","ECLI:NL:RBDHA:2026:18553","ecli-nl-rbdha-2026-18553","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35210\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: L. Ploeger).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaringdie aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser heeft op 2 juli 2026 schriftelijk laten weten dat zowel gemachtigde als eiser niet zullen verschijnen ter zitting, en dat eiser hiermee afstand doet van zijn recht om te worden gehoord. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde op de rechtbank in Groningen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen.De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van bewaring\n\n4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\n4.1.. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\nb. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\nc. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\nd. onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt in verband met zijn aanvraag om toelating met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend.\n\nf. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vbheeft gehouden;\n\nq. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\nt. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.\n\nVoortraject\n\n5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de bewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.\n\nGrondslag\n\n6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op\n\n13 augustus 2021 een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd gekregen. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.\n\nGronden\n\n7. De minister heeft ter zitting de gronden f en t laten vallen.\n\n8. Eiser stelt zich op het standpunt dat grond c hem niet kan worden tegengeworpen, omdat hij een origineel en echt paspoort heeft overhandigd waarmee een vlucht is geboekt. Daarom kan hem niet worden verweten dat hij onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Ook betwist eiser dat hij onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit of nationaliteit en dat het eerder aan hem verstrekte visum door hem voor een ander doel is gebruikt dan waarvoor het is verleend (grond d).\n\n9. De rechtbank stelt vast dat zowel uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling als uit de beschikking van 13 augustus 2021 en het besluit op bezwaar van 13 januari 2022 volgt dat eiser gebruik heeft gemaakt van meerdere aliassen. Eiser heeft gebruik gemaakt van een rijbewijs met een andere naam dan op zijn paspoort. Eiser verschaft hiermee en ook anderszins geen duidelijkheid over de juiste persoonsgegevens. Hiermee zijn gronden c en d feitelijk juist. Ook de overige gronden, met uitzondering van de gronden f en t, zijn terecht aan eiser tegengeworpen en onderbouwen het risico op onttrekking.\n\nLichter middel\n\n10. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het risico op onttrekking is gegeven.\n\n10.1.. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.\n\nVoortvarendheid\n\n11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 26 juni 2026 is voor eiser een vlucht aangevraagd. Op dezelfde dag is met eiser een vertrekgesprek gevoerd. Op 29 juni 2026 is de vlucht geboekt voor 3 juli 2026. De minister heeft eiser hierover op 30 juni 2026 geïnformeerd in een vertrekgesprek. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.\n\nZicht op uitzetting\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Albanië bestaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Hierbij is van belang dat eiser beschikt over een geldig reisdocument, en dat er een vlucht voor hem is geboekt voor 3 juli 2026.\n\nConclusie en gevolgen.\n\n13. De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel, gelet op de 6 maanden-termijn en de beoordeling van het non-refoulementbeginsel, onrechtmatig is.\n\n14. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Hierna: bewaring.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.\n\n Vreemdelingebesluit 2000.\n\n Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18553","2026-07-13T00:29:36.268Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":70,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":35,"updatedAt":72},"1695","ECLI:NL:RBDHA:2026:18548","ecli-nl-rbdha-2026-18548","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35373\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker,\n\ngeboren op [geboortedatum],\n\nvan Algerijnse nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. T. Esen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: L. Ploeger).\n\nInleiding\n\n1. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten. Hij heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen de bewaringsmaatregel van 25 juni 2026. Verzoeker heeft zijn beroep ingetrokken, omdat de minister de maatregel op 1 juli 2026 heeft opgeheven en aan verzoeker schadevergoeding heeft aangeboden.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.Overwegingen\n\n2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.De rechtbank komt alleen aan een proceskostenveroordeling toe als de intrekking van het beroep plaatsvond wegens (gedeeltelijke) tegemoetkoming door het bestuursorgaan aan de betrokkene.\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat verzoeker geen recht heeft op vergoeding van zijn proceskosten. De maatregel van bewaring van 25 juni 2026 is door middel van een kennisgeving vanuit de minister aan de rechtbank ter toetsing voorgelegd, en niet door middel van een door verzoeker ingesteld beroep. Ook zijn er door verzoeker geen gronden ingediend. Dit maakt dat verzoeker geen proceshandelingen heeft verricht die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in aanmerking komen voor vergoeding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Dit volgt uit artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18548","2026-07-13T00:29:34.053Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":77,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":35,"updatedAt":79},"1520","ECLI:NL:RBDHA:2026:18513","ecli-nl-rbdha-2026-18513","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.29972 en NL26.30215\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam 1], eiseres,\n\nV-nummer: [nummer 1],\n\n(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),\n\nmede namens haar minderjarige kind:\n\n [naam 2]\n\nV-nummer: [nummer 2]\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\nProcesverloop\n\n1. Bij besluit van 28 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van beperking van de vrijheid opgelegd,zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 29 mei 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\n1.2.. De minister heeft de vrijheidsbeperkende maatregel per 1 juni 2026 beëindigd, vanwege continuering van opvang op het AZC.\n\n1.3.. Eiseres heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 juni 2026 ingetrokken en de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres.\n\n1.4.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.\n\nOverwegingen\n\n2. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten veroordelen.\n\n3. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816, en van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487) is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit wegens nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel nadien verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een kostenveroordeling.\n\n4. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het instellen van beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, deze maatregel nog heeft voortbestaan en pas na het indienen van beroep is beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank is er gelet op de mededeling van de minister dat er sprake is van continuering van de opvang op het AZC, sprake van tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Voornoemde tegemoetkoming vormt naar het oordeel van de rechtbank grond voor een proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst het verzoek daarom toe.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De rechtbank wijst het verzoek om verzoek om vergoeding van de proceskosten toe.\n\n6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten verband houdend met het indienen van een beroepschrift en een verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1868,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tigglaar, griffier.\n\nDe uitspraak is bekend gemaakt en openbaar gemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18513","2026-07-13T00:29:25.207Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":35,"updatedAt":87},"1877","ECLI:NL:RBDHA:2026:18270","ecli-nl-rbdha-2026-18270","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34986\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft op 27 mei 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.\n\n1.1.. De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld op 24 juni 2026. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft schriftelijk verklaard afstand te doen van het recht om op zitting te verschijnen en was om die reden niet aanwezig. Uit het dossier blijkt verder dat eiseres geen advocaat wenst om haar bij te staan. De gemachtigde van de minister heeft wel aan de zitting deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:\n\n(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;\n\n(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vbheeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.\n\n2.1.. De minister heeft op de zitting de zware grond 3d laten vallen.\n\n2.2.. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.\n\n2.3.. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.\n\nVoortraject\n\n3. De rechtbank stelt vast dat eiseres de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.\n\nGrondslag\n\n4. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft. Eiseres heeft op\n\n11 januari 2024 een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd gekregen. Eiseres valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.\n\nGronden\n\n5. De rechtbank stelt vast dat deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 2 april 2026de zware gronden en de lichte gronden 3a, 3b, 3c, 3i, 4c en 4d reeds rechtmatig heeft bevonden. Nu niet is gebleken dat hoger beroep tegen deze uitspraak is ingesteld, staat de rechtmatigheid van deze gronden in rechte vast. De rechtbank is mede gelet daarop van oordeel dat deze zware en lichte gronden in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, nog steeds voldoende zijn om ook de onderhavige maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat en dat eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de gronden 4a, 4b en 4f daarom onbesproken.\n\nLichter middel\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiseres een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het risico op onttrekking is gegeven.\n\n6.1.. Verder is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiseres die de bewaring voor haar onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiseres een lichter middel dan bewaring op te leggen. Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiseres heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg beschikbaar is en dat eiseres, indien deze zorg niet voldoende kan worden geboden, kan worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De rechtbank is verder gebleken dat eiseres ten tijde van de zitting nog verbleef in het psychiatrisch centrum Veldzicht, waar zij dwangmedicatie ontvangt. De rechtbank is van oordeel dat de medische zorg voor eiseres hiermee voldoende is geborgd.\n\nVoortvarendheid\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiseres. De minister heeft op de derde dag van de inbewaringstelling, te weten op 29 mei 2026, een vertrekgesprek met eiseres willen voeren. Dit gesprek heeft geen doorgang kunnen vinden omdat een psycholoog negatief advies had gegeven om dit gesprek met eiseres te voeren. Vervolgens heeft de minister op 3 juni 2026 een vertrekgesprek met eiseres gevoerd. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat op 1 juli 2026 opnieuw een vertrekgesprek met eiseres zal worden gevoerd en dat op 8 juli 2026 een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten staat gepland. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.\n\nZicht op uitzetting\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdelingvan 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt.De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiseres anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiseres te zullen verstrekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.\n\n10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Vreemdelingebesluit 2000.\n\n Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 2 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7602.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ECLI:NL:RVS:2024:2842.\n\n Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18270","2026-07-13T00:29:43.302Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":84,"fullText":92,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":35,"updatedAt":94},"1876","ECLI:NL:RBDHA:2026:18269","ecli-nl-rbdha-2026-18269","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34970\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).\n\nInleiding\n\n1. Bij besluit van 23 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vween vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De minister heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n1.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft op 29 juni 2026 een bericht in het dossier geüpload, waarin hij heeft meegedeeld dat eiser afziet van het recht om te worden gehoord en dat de gemachtigde zelf niet op de zitting zal verschijnen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het opleggen en voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Het beroep is ongegrond. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n3. Eiser is op 23 juni 2026 op Schiphol aangekomen en heeft daar een asielaanvraag ingediend. De minister heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.\n\n4. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vbwordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.\n\nHad de minister een lichter middel moeten opleggen?\n\n5. Eiser voert aan dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is omdat de minister niet heeft beoordeeld of het feit dat zijn vrouw en kinderen in een AZC in Nederland verblijven een bijzondere omstandigheid vormt die op grond van artikel 8 EVRMaanleiding geeft tot het toepassen van een lichter middel.\n\n5.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Uit vaste rechtspraakvolgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.\n\n5.2.. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord. Daarbij heeft hij verklaard dat zijn vrouw en kinderen in Nederland verblijven, dat zij een asielaanvraag hebben lopen en dat zij in een AZC verblijven. De minister heeft deze verklaring betrokken bij de beoordeling of aanleiding bestond een lichter middel toe te passen. Daarbij is overwogen dat het enkele feit dat familieleden in Nederland verblijven niet meebrengt dat eiser feitelijk toegang tot het grondgebied dient te worden verleend of dat van de grensprocedure moet worden afgezien. Verder is overwogen dat eiser als meerderjarige zonder zijn gezinsleden is gereisd, zodat niet is gebleken van een zodanige afhankelijkheidsrelatie met de in Nederland verblijvende familieleden dat de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend is.\n\n5.3.. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, toereikend heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om een lichter middel toe te passen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser niet nader heeft onderbouwd waarom hij vanwege zijn gestelde familie- en gezinsleven al tot Nederland zou moeten worden toegelaten en niet in bewaring zou kunnen blijven. Daarmee zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die maken dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De maatregel kan in het licht van het grensbewakingsbelang in stand blijven.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.\n\n7. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18269","2026-07-13T00:29:43.250Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":84,"fullText":99,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":35,"updatedAt":101},"1875","ECLI:NL:RBDHA:2026:18268","ecli-nl-rbdha-2026-18268","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34631\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft op 4 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\n1.1.. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\n1.2.. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op 26 juni 2026 schriftelijk gereageerd, waarna de minister op 30 juni 2026 een verweerschrift heeft ingediend.\n\n1.3.. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijften het onderzoek op 2 juli 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 mei 2026volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 8 mei 2026.\n\n3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\nWat vindt eiser?\n\n4. Eiser betoogt dat de voortduring van de bewaring onrechtmatig is. Daartoe stelt eiser te lijden aan medische en psychische klachten waarvoor hij onder medische behandeling staat. Gelet hierop is volgens eiser de voortduring van de bewaring voor hem onevenredig zwaar geworden en kan worden volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht, waaraan hij bereid is zich te houden. Daarnaast stelt eiser beroep te hebben ingesteld tegen de negatieve beslissing op zijn artikel 64-aanvraag, welk beroep volgens eiser schorsende werking heeft.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n5. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 26 februari 2026geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. Zoals reeds is overwogen in de eerdere uitspraak, kan eiser zich voor zijn medische en psychische klachten wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum. Niet is gesteld noch is gebleken dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum voor eiser ontoereikend zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n5.1.. Ten aanzien van eisers betoog dat hij beroep heeft ingesteld tegen de negatieve beschikking op zijn artikel 64 Vw-aanvraag, overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is gemaakt dat een dergelijk beroep is ingesteld. De minister heeft dit bovendien op zitting uitdrukkelijk betwist. Verder overweegt de rechtbank dat, indien een dergelijk beroep al zou zijn ingesteld, het louter indienen daarvan geen schorsende werking heeft ten aanzien van de uitzetting van eiser. Deze beroepsgrond faalt ook.\n\n5.2.. De rechtbank is verder van oordeel dat zicht op uitzetting naar Nigeria bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraken is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet.Niet is gebleken dat de Nigeriaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken. De minister heeft in zijn reactie op de beroepsgronden toegelicht dat de afdeling DIAheeft aangegeven dat de Nigeriaanse autoriteiten de nationaliteit van eiser hebben bevestigd en dat de ambassade nog wacht op de foto die behoort bij het paspoortnummer dat uit het identiteitsonderzoek naar voren is gekomen. De verwachting is dat daarna, zonder dat een presentatie nodig is, een laissez-passer door de Nigeriaanse autoriteiten zal worden afgegeven.\n\n5.3.. De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 8 mei 2026 op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.\n\n Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2026:11983.\n\n Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2026:3840.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2707) en 27 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2418).\n\n Directie Internationale Aangelegenheden.\n\n Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18268","2026-07-13T00:29:43.205Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":106,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":35,"updatedAt":108},"945","ECLI:NL:RBDHA:2026:9242","ecli-nl-rbdha-2026-9242","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.18135\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft op 10 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\n1.1.. Eiser heeft op 1 april 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n1.2.. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.\n\n1.3.. De minister heeft de maatregel van bewaring op 9 april 2026, na een belangenafweging, opgeheven.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen via een telefoonverbinding. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 februari 2026volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 23 februari 2026, de maatregel van bewaring rechtmatig is.\n\n3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de bewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\nWat vindt eiser?\n\n4. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig was. Hiertoe voert eiser aan dat er na de meest recente uitspraak van 24 februari 2026 geen sprake meer was van zicht op uitzetting, omdat nog steeds geen reactie van de Algerijnse autoriteiten was ontvangen op lp-aanvraag. Eiser heeft bovendien aangegeven dat hij bereid is terug te keren en dat hij wil meewerken. Eiser stelt dat het argument dat de minister afhankelijk is van de medewerking van Algerije niet valide is. Daarnaast voert eiser aan dat de minister in de afgelopen maanden volstrekt onvoldoende heeft gedaan om de uitzetting te bevorderen. De minister had eerder op dossierniveau moeten informeren naar de stand van zaken en aandacht moeten vragen voor deze zaak. Tot slot voert eiser aan dat, gelet op het voorgaande, de minister al eerder de belangenafweging in het voordeel van eiser had moeten laten uitvallen.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdelingvan 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt.De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lpvoor eiser te zullen verstrekken. Het lp-traject liep bovendien niet dusdanig lang dat dit de conclusie rechtvaardigt dat er alleen daarom al geen sprake meer was van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.\n\n5.1.. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat op 9 maart 2026 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd en dat op 12 maart 2026 is gerappelleerd ten aanzien van de lp-aanvraag. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om te concluderen dat de minister op dossierniveau had moeten rappelleren.\n\n5.2.. In het kader van de verzwaarde belangenafweging heeft de minister op de zitting toegelicht dat op 9 april 2026 een belangenafweging is gemaakt en deze in het voordeel van eiser heeft laten uitvallen, waarna de maatregel is opgeheven. De rechtbank is niet gebleken van feiten en omstandigheden die voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om de bewaring bij een afweging van de belangen eerder op te heffen.\n\n5.3.. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 23 februari 2026 op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n NL26.8870, ECLI:NL:RBDHA:2026:3697.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ECLI:NL:RVS:2024:2842.\n\n Laissez-passer.\n\n Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9242","2026-07-13T00:28:56.138Z",20]