[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-insolvency-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":72,"limit":73},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},32,"insolvency-law-nl","Insolvency Law","NL","2026-07-08T16:53:14.213Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},6,{"min":18,"max":19},"2026-04-20T00:00:00.000Z","2026-06-15T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,48,56,65],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"853","ECLI:NL:RBNNE:2026:2686","ecli-nl-rbnne-2026-2686","","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Groningen\n\nzaaknummer: NL:TZ:2608415:R-RK\n\nvonnis van 15 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], wonende te [adres],\n\nhierna te noemen: verzoeker,\n\ntegen\n\n [verweerster] B.V., vertegenwoordigd door Levelink Gerechtsdeurwaarders en Incasso, gevestigd te [adres], hierna te noemen: verweerster.\n\nPROCESGANG\n\nOp 2 april 2026 heeft de griffie van deze rechtbank een verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw). Het verzoek is ingediend door de Kredietbank Midden-Groningen (hierna te noemen: de Kredietbank). In het verzoekschrift wordt verwezen naar het Wsnp-verzoekschrift dat op 16 september 2025 is ingediend.\n\nOp 2 april 2026 heeft de rechtbank een verweerschrift van verweerster ontvangen.\n\nHet verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van 28 mei 2026. Hierbij zijn verschenen:\n\n- verzoeker, voornoemd, tezamen met zijn vader;\n\n- de heer [schuldhulpverlener], schuldhulpverlener bij de Kredietbank;\n\n- mevrouw [directrice], directrice van [verweerster] B.V.;\n\n- mr. [juriste], juriste bij [verweerster] B.V.\n\nOp 1 juni 2026 heeft de Kredietbank de rechtbank de bankafschriften van verzoeker toegezonden.\n\nTen slotte is vonnis bepaald op heden.\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nVerzoeker heeft op 16 december 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers dat gebaseerd is op de JPF-aanpak van de Kredietbank. Het akkoord houdt in dat de Kredietbank een saneringskrediet van € 1.231,98 ter beschikking stelt, waarmee de (concurrente) schuldeisers 3,38% van hun vordering ineens tegemoet kunnen zien tegen finale kwijting voor het restant. De JPF-aanpak is bedoeld om schulden zo snel mogelijk op te lossen om jongeren tussen de 18 en 27 jaar met problematische schulden direct te kunnen ondersteunen bij het opbouwen van een schuldenvrije zelfstandige toekomst. De jongere in kwestie volgt een intensief begeleidingstraject en betaalt de schuld aan de gemeente terug door een maatschappelijke tegenprestatie te leveren.\n\nDe schuldregeling is door alle schuldeisers behalve verweerster aanvaard. Verweerster heeft geweigerd om met het aanbod in te stemmen, omdat het aanbod niet in verhouding staat tot de hoogte van haar vordering. De schuld van verweerster vertegenwoordigt ruim 30% van de totale schuldenlast. Verder betaalt verzoeker de huurtermijnen sinds het toegewezen moratoriumvonnis nog steeds niet tijdig en vervuilt hij de huurwoning. Verweerster heeft verzocht om het verzoek daarom af te wijzen.\n\nVerzoeker heeft de rechtbank verzocht verweerster te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat verzoeker uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. Op basis van deze inkomenssituatie heeft verzoeker geen afdrachtplicht.\n\nBEOORDELING\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Daarbij zal mede in aanmerking worden genomen de (on)evenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.\n\nBlijkens de wetsgeschiedenis (MvT Kamerstukken II 2004\u002F05, 29 942, nr. 3 p. 18) bij de totstandkoming van art. 287a Fw kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de desbetreffende weigerende schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.\n\nZo is onder meer van belang:\n\nof het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd;\n\nof voldoende duidelijk is dat het bod dat is gedaan het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht;\n\nof het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht biedt voor de schuldeisers en hoe groot de kans is dat zij in dat geval dan evenveel of meer zullen ontvangen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het voorstel gebaseerd is op een nieuw project van de Kredietbank dat bedoeld is om jongeren met schuldenproblematiek te helpen. Hoewel de rechtbank het doel en de intenties van dit project kan begrijpen, blijft ook in die gevallen maatwerk van toepassing. Nu een saneringskrediet wordt aangeboden, waarbij schuldeisers genoegen moeten nemen met een gering percentage van hun vordering, dient verzoeker te onderbouwen waarom er de komende 18 maanden geen zicht is op betaald werk. In onderhavig verzoek ontbreekt die (medische) onderbouwing, terwijl uit het Wsnp-verzoekschrift juist blijkt dat verzoeker in juni 2025 nog loon ontving. Ter zitting is namens verzoeker aangegeven dat hij nog geen behandeling krijgt voor zijn trauma. Nu een nadere toelichting op de arbeidssituatie ontbreekt, kan de rechtbank niet beoordelen of het aanbod het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht en ook niet of een alternatief traject evenveel of meer zal opleveren voor de schuldeisers.\n\nGelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerster in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Het verzoek zal dus worden afgewezen. De rechtbank weegt ook mee dat op de bankafschriften die in het Wsnp-verzoekschrift zijn opgenomen alsmede de bankafschriften die na de zitting van 28 mei 2026 zijn overgelegd tot op heden uitgaven staan die zich moeilijk laten rijmen met het aanbod dat voorligt. De rechtbank vraagt zich dan ook af of de situatie van verzoeker voldoende gestabiliseerd is en of budgetbeheer afdoende is.\n\nVerzoeker dient binnen twee weken na de datum van dit vonnis bij de rechtbank aan te geven of hij zijn verzoek tot toelating tot de Wsnp handhaaft. Wanneer de rechtbank na ommekomst van deze termijn geen reactie heeft ontvangen, zal dit verzoek als ingetrokken worden beschouwd. Wanneer het Wsnp-verzoek wordt gehandhaafd, zal op dit verzoek bij afzonderlijk vonnis worden beslist.\n\nBESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDit vonnis is gewezen door M.C. Groenewegen, en in het openbaar uitgesproken op\n\n15 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2686","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:51.331Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"854","ECLI:NL:RBNNE:2026:2687","ecli-nl-rbnne-2026-2687","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Assen\n\nzaaknummer: NL:TZ:2607580:R-RK\n\nvonnis van 15 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats], wonende op een geheim adres,\n\nverzoekster, hierna te noemen: [verzoekster],\n\ntegen\n\nBelastingdienst, Postbus 100, 6400 AC te Heerlen,\n\nverweerster, hierna te noemen: de Belastingdienst,\n\nen\n\nIB-Krediet B.V., vertegenwoordigd door Vesting Finance, [adres],\n\nverweerster, hierna te noemen: IB-Krediet.\n\nPROCESGANG\n\nOp 25 maart 2026 heeft de griffie van deze rechtbank een verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw)en tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) ontvangen. Beide verzoeken zijn ingediend door Bresz.\n\nOp 30 april 2026 heeft de rechtbank een verweerschrift van IB-Krediet ontvangen.\n\nOp 6 mei 2026 heeft de rechtbank een verweerschrift met bijlagen van de Belastingdienst ontvangen.\n\nDe schuldhulpverlener heeft op 7 mei 2026 correspondentie met de Belastingdienst en betaalbewijzen van betalingen aan de Belastingdienst nagezonden.\n\nHet verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van\n\n7 mei 2026. Hierbij is verzoekster tezamen met de heer [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] (hierna te noemen: de schuldhulpverlener) verschenen. Namens de Belastingdienst zijn verschenen, mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2].\n\nDe behandeling is vervolgens aangehouden om [verzoekster] de gelegenheid te geven om nadere stukken aan de Belastingdienst te verstrekken en de Belastingdienst in de gelegenheid te stellen om aan de hand van die stukken haar definitieve standpunt te bepalen.\n\nOp 19 mei 2026 heeft [verzoekster] de rechtbank de nadere stukken gestuurd en verzocht om op het verzoek te beslissen.\n\nDe Belastingdienst heeft op 22 mei 2026 haar definitieve standpunt aan de rechtbank doorgegeven.\n\nTen slotte is vonnis bepaald op heden.\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nHet aanbod en de toelichting daarop\n\n [verzoekster] heeft op 19 september 2025 een schuldregeling aan haar schuldeisers aangeboden. Dit akkoord houdt – samengevat – in: [verzoekster] zal gedurende 18 maanden haar afloscapaciteit van € 1.125,94 per maand ten behoeve van haar schuldeisers sparen tegen finale kwijting voor het restant. Op basis van de huidige inkomenssituatie is prognose dat er 65,70% aan de preferente schuldeiser en 32,85% aan de concurrente schuldeisers kan worden uitgekeerd.\n\nUit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat [verzoekster] inkomsten uit een eigen onderneming verkrijgt. [verzoekster] werkt gemiddeld 35 uur per week. Op de zitting heeft [verzoekster] nader toegelicht dat zij soms 35 uur en soms 40 uur per week werkt. Verder is [verzoekster] alleenstaand moeder van twee kinderen van twee en vijf jaar oud. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde vergelijkingstool blijkt dat de schuldeisers in de Wsnp een lagere uitkering zullen ontvangen. Omdat [verzoekster] een onderneming heeft, zijn de kosten die aan het Wsnp-traject zijn verbonden veel hoger dan de kosten van het minnelijk traject. Volgens [verzoekster] is het aanbod dan ook het maximaal haalbare.\n\nDe weigerachtige schuldeisers\n\nDe schuldregeling is door alle schuldeisers behalve de Belastingdienst en IB-Krediet aanvaard.\n\nHet verweer van IB-KredietIB-Krediet heeft aan haar weigering ten grondslag gelegd dat het aanbod niet in verhouding staat tot de hoogte van de vordering. Daarbij voert IB-Krediet aan dat een dwangakkoord niet is bedoeld voor situaties waarin de weigerachtige schuldeiser het grootste deel van de schuldenlast vertegenwoordigt. Daarnaast is IB-Krediet van mening dat de schuldenlast niet problematisch is. Gelet op de leeftijd, het aantal arbeidsjaren dat in het verschiet ligt en de huidige afloscapaciteit, zou [verzoekster] de totale schuldenlast in 5 jaar kunnen afbetalen.\n\nHet verweer van de Belastingdienst\n\nDe Belastingdienst gaat niet akkoord, omdat zij van mening is dat zij over onvoldoende stukken en informatie beschikt om te kunnen beoordelen of de onderneming van [verzoekster] levensvatbaar is of niet. Zo is er geen liquiditeitsprognose van de komende twee jaren verstrekt. Verder ontbreekt de jaarrekening van 2023, waardoor de Belastingdienst de cijfers van 2023 niet kan vergelijken met die van 2024. Ook komen volgens de Belastingdienst de jaarstukken van 2024 en 2025 niet overeen met de gegevens die in de vtlb-berekening zijn opgenomen. In de vtlb-berekening wordt namelijk uitgegaan van een maandinkomen inclusief vakantiegeld van € 3.078,00, wat neerkomt op circa € 36.936,00 per jaar, terwijl uit de jaarstukken een lager jaarinkomen blijkt. De Belastingdienst vindt verder de onderbouwing van de verwachte omzet voor 2026 onvoldoende inzichtelijk. Gelet op de al ingediende aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2026 is de verwachte omzet volgens de Belastingdienst niet aannemelijk. Daarbij komt [verzoekster] tot op heden de lopende verplichtingen niet na, want [verzoekster] betaalt de openstaande belastingschulden niet of niet tijdig. Ook heeft [verzoekster] voor het jaar 2026 nog geen voorlopige aanslag Inkomstenbelasting\u002FPremie Volksverzekeringen aangevraagd. Hierdoor voldoet [verzoekster] niet aan de lopende verplichtingen wat volgens de Belastingdienst een indicatie is dat de onderneming niet levensvatbaar is.\n\nDaarnaast stelt de Belastingdienst zich op het standpunt dat het aanbod niet het maximaal haalbare is, omdat [verzoekster] op peildatum 31 december 2025 over een spaarvermogen beschikte dat niet in het aanbod van de schuldeisers is meegenomen. In het voorstel wordt niet vermeld hoe de schulden zijn ontstaan. Ook heeft de Belastingdienst geconstateerd dat [verzoekster] tijdens het minnelijk traject een auto van het merk Ford Focus heeft ingeruild tegen een auto (Opel Mervia) met een hogere dagwaarde, terwijl een toelichting hierop ontbreekt.\n\nNa de zitting van 7 mei 2026 heeft de Belastingdienst na ontvangst van nadere informatie van [verzoekster] aan de rechtbank laten weten dat zij haar weigering om in te stemmen handhaaft. De Belastingdienst is van mening dat er tot op heden stukken ontbreken om akkoord te kunnen gaan alsmede dat de omzet uit 2025 niet correspondeert met de aangeleverde gegevens en de aangifte omzetbelasting van het eerste kwartaal van 2026.\n\nDe reactie van [verzoekster] op het verweer van de Belastingdienst\n\n [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij voldoende stukken c.q. informatie heeft verstrekt aan de Belastingdienst om het aanbod te kunnen beoordelen. [verzoekster] verwijst daarbij naar de jaarrekening van 2024, waarin een vergelijking met 2023 is opgenomen. Hieruit blijkt dat de omzet van [verzoekster] in 2024 serieus is gestegen en ook dat deze stijgende lijn zich voortzet in 2025. De omzet voor 2026 wordt geschat op € 40.000,00. Onder verwijzing naar de al ingediende en opgelegde aanslag omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2026 stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat zij op schema ligt. Ten aanzien van de geschatte omzet voor 2026 van € 40.000,00 heeft de schuldhulpverlener op de zitting verklaard dat [verzoekster] door een fout van hun kantoor niet met btw belaste omzet heeft gehad, waardoor de aanslag op 0 is uitgekomen. Ter onderbouwing van de geschatte omzet heeft [verzoekster] gegevens van de boekhouder overgelegd, waaruit blijkt dat de omzet over het eerste kwartaal een ruime € 15.000,00 euro was. Op verzoek van de Belastingdienst heeft [verzoekster] na de zitting nog de liquiditeitsprognoses van 2026 en 2027 overgelegd. De kosten uit de onderneming bedragen maximaal € 3.000,00 op jaarbasis. [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij in staat is om rond te blijven komen met de inkomsten uit haar onderneming. Zij heeft inmiddels 12 maanden afgedragen boven het vrij te laten bedrag. Daarbij heeft [verzoekster] binnen het vtlb zelfs nog extra voor de schuldeisers gespaard, doordat het vtlb te laag is vastgesteld. Het lukt [verzoekster] om maandelijks van dit vtlb rond te komen.\n\n [verzoekster] betwist dat zij de lopende verplichtingen niet kan nakomen. Zij heeft betalingsbewijzen overgelegd, waaruit betalingen uit 2025 en 2026 blijken aangaande de aanslagen Zorgverzekeringswet 2025 en de Kinderopvangtoeslag 2025. Daarbij heeft [verzoekster] opgemerkt dat de Kinderopvangtoeslag 2025 bijna is afbetaald en dat de aanslag Zorgverzekeringswet 2025 uiterlijk op 31 december 2026 moet zijn betaald. Op beide aanslagen wordt maandelijks afbetaald. Ook heeft [verzoekster] een betalingsbewijs overgelegd, waaruit blijkt dat zij de voorlopige aanslag inkomstenbelasting van 2026 betaalt.\n\n [verzoekster] heeft over het spaarsaldo op 31 december 2025 verklaard dat zij op dat moment nog samen was met haar ex-partner met wie zij toen nog fiscaal partner was. Het deel van het spaarsaldo dat aan [verzoekster] toebehoorde is volgens [verzoekster] meegenomen in de schuldregeling.\n\n [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat het minnelijk traject gunstiger is voor de schuldeisers vanwege haar inkomen uit ondernemerschap, omdat zij daarmee maandelijks een aanzienlijke afdracht voor haar schuldeisers kan sparen. Wanneer [verzoekster] tot de Wsnp zou worden toegelaten, zal zij moeten stoppen met haar onderneming en in loondienst moeten gaan werken. [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij door haar ondernemerschap flexibele werktijden heeft, waarmee zij de zorg voor haar jonge kinderen goed kan combineren met haar werk. Het aanbod is volgens [verzoekster] dan ook het maximaal haalbare.\n\n [verzoekster] heeft de rechtbank verzocht om het verzoek toe te wijzen. Dat zij een levensvatbare onderneming heeft blijkt volgens [verzoekster] niet alleen uit de liquiditeitsprognoses van 2026 en 2027, maar ook uit het feit dat [verzoekster] al lange tijd conform de vastgestelde vtlb-berekening afdraagt.\n\n DE BEOORDELING\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Daarbij zal mede in aanmerking worden genomen de (on)evenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.\n\nBlijkens de wetsgeschiedenis (MvT Kamerstukken II 2004\u002F05, 29 942, nr. 3 p. 18) bij de totstandkoming van art. 287a Fw kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de desbetreffende weigerende schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.\n\nZo is onder meer van belang:\n\nof het voorstel is getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij (bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);\n\nof het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd;\n\nof voldoende duidelijk is dat het bod dat is gedaan het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht;\n\nof het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht biedt voor de schuldeisers en hoe groot de kans is dat zij in dat geval dan evenveel of meer zullen ontvangen;\n\nhoe groot het aandeel van de weigerachtige schuldeiser(s) in de totale schuldenlast is.\n\nAllereerst stelt de rechtbank vast dat het voorstel is getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij, te weten Brezs.\n\nDaarnaast is de rechtbank van oordeel dat het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd. In het aanbod aan de schuldeisers van 19 september 2025 is namelijk informatie gegeven over de hoogte van de schuldenlast, het aantal schuldeisers, het ontstaan van de schulden, de ondernemingsactiviteiten en de persoonlijke situatie van [verzoekster]. Daarbij is een berekening van het vrij te laten bedrag bij het voorstel gevoegd. Na de zitting heeft [verzoekster] nadere informatie over haar onderneming toegezonden, waaronder de liquiditeitsprognoses van 2026 en 2027 en een verklaring van haar boekhouder. Hieruit volgt dat de onderneming van [verzoekster] positieve resultaten behaalt en dat er vanaf 2024 sprake is van een stijgende lijn die zich tot op heden voortzet. De rechtbank concludeert hieruit dat [verzoekster] gedurende 18 maanden in staat zal zijn om voor haar schuldeisers te sparen. Het verweer van de Belastingdienst dat [verzoekster] niet aan haar lopende verplichtingen kan voldoen, is door [verzoekster] onderbouwd weersproken, zodat de rechtbank aan dit verweer voorbij zal gaan.\n\nDe rechtbank stelt verder vast dat [verzoekster] nu al ruim 12 maanden maandelijks fors aflost voor de schuldeisers. Ter zitting heeft de schuldhulpverlener hierover verklaard dat het vtlb voor de zekerheid iets lager is vastgesteld, zodat er extra voor de schuldeisers kan worden gespaard. Het lukt [verzoekster] om van dit lager vastgestelde vtlb rond te komen. Ook heeft de schuldhulpverlener nader toegelicht dat de vtlb-berekening uitgaat van een gemiddeld bedrag. [verzoekster] heeft een prognoseakkoord aangeboden wat betekent dat de schuldhulpverlener om de zoveel maanden het inkomen controleert en narekent wat er precies voor de schuldeisers had moeten worden afgedragen. De rechtbank acht de kans dat de schuldeisers een hogere uitkering tegemoet zullen zien wanneer op [verzoekster] de Wsnp van toepassing is uiterst gering. Niet alleen vanwege de hogere kosten die aan het Wsnp-traject zijn verbonden, maar ook doordat in de Wsnp ondernemerschap slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt toegestaan. [verzoekster] is in de huidige situatie in staat om als alleenstaande moeder van twee jonge kinderen gemiddeld genomen 35 uur per week te werken, omdat zij flexibele werktijden heeft. Gelet op de gezinssituatie en de hulpverlening die bij verzoekster betrokken is, acht de rechtbank niet aannemelijk dat [verzoekster] hetzelfde aantal uren zal maken wanneer zij in loondienst werkt, omdat zij in die situatie aan vaste werktijden gebonden zal zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het aanbod dan ook het maximaal haalbare.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de Belastingdienst en IB-Krediet het merendeel van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, te weten 58,5%. Zoals hierboven uiteengezet is het totale aandeel van de weigerachtige schuldeisers in de totale schuldenlast één van de punten is die rechtbank in haar oordeel betrekt. Dat betekent echter niet dat dit punt altijd doorslaggevend hoeft te zijn. De rechtbank vindt in dit geval doorslaggevend dat de schuldeisers een veel hogere uitkering tegemoet kunnen zien in het minnelijk traject door het inkomen dat [verzoekster] als ondernemer verkrijgt.\n\nOok voor het overige ziet de rechtbank geen feiten of omstandigheden die tot afwijzing van het verzoek zouden moeten leiden. Wat betreft het verweer van Vesting Finance over de problematische schuldenlast merkt de rechtbank op dat er sinds de wetswijziging van juli 2023 van moet worden uitgegaan dat een schuldenlast als problematisch wordt beschouwd wanneer deze niet binnen 18 maanden kan worden afbetaald. Aan dat criterium is in dit geval voldaan, zodat dit verweer geen stand kan houden.\n\nOver het spaarsaldo is ter zitting verklaard dat dit grotendeels toebehoorde aan de ex-partner van [verzoekster] en dat het deel dat aan [verzoekster] toebehoorde is meegenomen in de schuldregeling. Ook hierin ziet de rechtbank geen reden voor afwijzing van het verzoek. Evenmin ziet de rechtbank reden om het verzoek af te wijzen, omdat [verzoekster] haar auto zou hebben ingeruild tegen een auto met een dagwaarde die € 1.500,00 hoger is, al dient de schuldhulpverlener dit punt wel nader te onderzoeken en te betrekken in het minnelijk traject.\n\nGelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek toewijzen.\n\nAangezien het primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, kan behandeling van het subsidiaire verzoek tot toelating tot de Wsnp achterwege blijven. De rechtbank beschouwt dit verzoek tot toelating tot de Wsnp als zijnde ingetrokken.\n BESLISSING\n\nDe rechtbank\n\n- beveelt de Belastingdienst en IB-Krediet in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2687","2026-07-13T00:28:51.379Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":47},"848","ECLI:NL:RBNNE:2026:2685","ecli-nl-rbnne-2026-2685","2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Groningen\n\nzaaknummers: C\u002F18\u002F25\u002F230-231 F en C\u002F18\u002F26\u002F1187-1188 R\n\nvonnis van 11 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [schuldenaar 1], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , en\n\n [schuldenaar 2], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,\n\n beiden wonende te [adres] , voormalig vennoten van [bedrijf] V.O.F.,\n\nvoorheen gevestigd te [adres] ,\n\nmet als correspondentieadres [adres] ,\n\ningeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,\n\nhierna te noemen: de schuldenaren.\n\nPROCESGANG\n\nBij vonnis van deze rechtbank van 5 augustus 2025 zijn de schuldenaren in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. H.J. Idzenga tot rechter-commissaris en aanstelling van mr. G.W. Breuker tot curator.\n\nDe schuldenaren hebben een verzoekschrift ingediend tot opheffing van hun op 5 augustus 2026uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\nIn de faillissementen is op grond van artikel 15b Fw geen verificatievergadering gehouden.\n\nDe rechter-commissaris heeft bovenvermelde faillissementen voorgedragen voor opheffing.\n\nDe rechtbank heeft het verzoekschrift en de voordracht behandeld op de zitting van\n\n28 mei 2026, alwaar zijn verschenen de schuldenaren voornoemd tezamen met hun [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] . Namens de curator is verschenen,\n\nmr. T. van Dijken, advocaat te Groningen.\n\nTenslotte is vonnis bepaald op heden.\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nDe rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaren in Nederland ligt.\n\nHet verzoekschrift van de schuldenaren voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Er is geen grond gebleken voor afwijzing van het verzoek. De rechtbank zal het faillissement opheffen onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaren.\n\nDe schuldenaren hebben de rechtbank verzocht om de schuldsaneringsreling te laten aanvangen op 1 oktober 2025, omdat er sinds die datum is afgedragen in het faillissement. De curator heeft aangegeven dat de schuldenaren sinds 1 oktober 2025 ononderbroken een maandelijkse boedelbijdrage ex artikel 21 Fw. hebben gedaan. De schuldenaar heeft vanaf die datum fulltime gewerkt. Ten aanzien van de schuldenares is een uitgebreide medische documentatie ontvangen, waaruit blijkt dat zij in die periode niet kon werken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaren te bepalen op 1 oktober 2025.\n\nDe rechtbank zal het bedrag van de faillissementskosten en het salaris van de curator vaststellen. Voor zover de kosten van de in het faillissement bevolen publicaties niet uit de boedel kunnen worden voldaan, komen deze ten laste van de Staat.\n\nBESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- beveelt de opheffing van bovenvermelde faillissementen;\n\n- stelt het salaris en de verschotten van de curator, mr. G.W. Breuker, in bovenvermelde faillissementen vast op € 8.484,23 exclusief omzetbelasting, te vermeerderen met eventueel terug te ontvangen rente;\n\n- spreekt de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van\n\n [schuldenaar 1], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , en[schuldenaar 2], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , beiden wonende te [adres] ;\n\n- bepaalt de duur van de schuldsaneringsregelingen op 18 maanden, te rekenen vanaf 1 oktober 2025;\n\n- benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga en tot bewindvoerder [bewindvoerder] , correspondentieadres [adres] , tel.nr. [telefoonnummer] ;\n\n- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaren gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2685","2026-07-13T00:28:51.037Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":55},"845","ECLI:NL:RBNNE:2026:2684","ecli-nl-rbnne-2026-2684","2026-06-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Groningen\n\nRekestnummer: NL:TZ:2609501:R-RK\n\nUitspraak van 8 juni 2026\n\nIn de zaak van\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,\n\nwonende te [adres] ,\n\nverzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,\n\ntegen\n\nNijestee,\n\ngevestigd en kantoorhoudende te Groningen,\n\ngemachtigde: Flanderijn,\n\nhierna te noemen Nijestee,\n\ntot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet (Fw).\n\nSamenvatting\n\n [verzoeker] heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. De procedure1.1. \n\nDe procedure bestaat uit:\n\n- het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Fw inclusief bijlagen, waaronder het ontruimingsvonnis van 17 maart 2026 en het exploot van waarin de ontruiming is aangezegd tegen 31 maart 2026, ingediend samen met een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling;\n\n- het tussenvonnis van de rechtbank van 22 april 2026, waarbij de aangezegde ontruiming (voorlopig) is verboden onder de voorwaarde dat de lopende verplichtingen door [verzoeker] worden nagekomen;\n\n- de zitting van donderdag 28 mei 2026, waarbij aanwezig waren:\n\n- de heer [verzoeker] , voornoemd;\n\n- de heer [naam 1] , namens de Groningse Kredietbank;\n\n- mevrouw [naam 2] , namens Nijestee;\n\n- de heer [naam 3] , namens Nijestee.\n\n1.2. De uitspraak is bepaald op vandaag.\n\n2. Het verzoek\n\n2.1. \n [verzoeker] verzoekt de rechtbank om te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 17 maart 2026. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij probeert tot een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers te komen.\n\n2.2. Uit het tussentijds verslag van de Groningse Kredietbank is gebleken dat de huur van mei 2026 tijdig en volledig is voldaan. Op de zitting is hieraan toegevoegd dat verzoeker inmiddels budgetbeheer heeft en dat er beschermingsbewind is aangevraagd.\n\n3. Het verweer\n\n3.1. Nijestee stelt zich op het standpunt dat het verzoek van [verzoeker] dient te worden afgewezen, omdat [verzoeker] overlast veroorzaakt. Daarnaast wil Nijestee de huurovereenkomst niet voortzetten vanwege dreigende taal door [verzoeker] richting medewerkers van Nijestee. Desgevraagd is namens Nijestee op de zitting bevestigd dat de huur sinds het tussenvonnis tijdig en volledig is betaald.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is om [verzoeker] in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers over een minnelijke schuldregeling. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling, gelet op de aard en de omvang van de schulden, tot stand komt zo klein is dat een moratorium niet gerechtvaardigd is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank stelt weliswaar vast dat er een huurachterstand is ontstaan, maar constateert op basis van het verslag van de Groningse Kredietbank dat de huur tijdig en volledig is voldaan. Daarbij heeft [verzoeker] nu budgetbeheer en heeft hij beschermingsbewind aangevraagd, zodat betaling van de toekomstige huur lijkt te zijn gewaarborgd. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de discussie of al dan niet sprake is van overlast door [verzoeker] in een andere procedure moet worden gevoerd.\n\n4.2. Door de toewijzing van het verzoek is Nijestee de komende zes maanden niet bevoegd om de door [verzoeker] gehuurde woning vanwege de huidige huurachterstand te ontruimen. Wel geldt de uitdrukkelijke voorwaarde dat de huur [verzoeker] de huur vanaf nu steeds tijdig en volledig voldoet. Als [verzoeker] hier niet aan voldoet, kan Nijestee de ontruiming opnieuw aanzeggen.\n\n4.3. Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal nu nog niet worden beslist. De mondelinge behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum en tijdstip.\n\n4.4. Als [verzoeker] tijdens de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers tot stand brengt, moet hij dit uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling intrekken. Indien er geen minnelijke schuldregeling tot stand wordt gebracht en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling vervolgens behandeling behoeft, dient dit ook uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank te worden gemeld.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. schorst de tenuitvoerlegging van het op 17 maart 2026 door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland gewezen vonnis tot ontruiming van de woning aan het adres [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;\n\n5.2. \n\nbepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat de periodiek\n\nverschuldigde huurtermijnen tijdig en volledig zullen worden voldaan;\n\n5.3. bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van maximaal zes maanden met ingang van 22 april 2026;5.4. bepaalt dat de voorziening in elk geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel dat een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;5.5. bepaalt dat de Groningse Kredietbank, die namens [verzoeker] de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b lid 6 Fw.\n\nDit is de beslissing van mr. M.C. Groenewegen, rechter, bijgestaan door de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2684","2026-07-13T00:28:50.853Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":60,"fullText":61,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":31,"updatedAt":64},"1052","ECLI:NL:RBNNE:2026:2633","ecli-nl-rbnne-2026-2633","2026-04-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Groningen\n\nzaaknummer: C\u002F18\u002F25\u002F93 R\n\nvonnis van 24 april 2026\n\nin de schuldsaneringsregeling van:\n\n [schuldenaar], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,\n\nwonende te [adres] ,\n\nhierna te noemen de schuldenaar,\n\nbewindvoerder [bewindvoerder]\n\nPROCESGANG\n\nBij vonnis van deze rechtbank van 19 maart 2025 is ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.\n\nDe bewindvoerder heeft op 16 januari 2025 verzocht om de schuldenaar op te roepen voor een verhoor wegens het niet nakomen van de informatieplicht.\n\nOp 2 maart 2026 is de schuldenaar niet verschenen tijdens het geplande verhoor en heeft de rechter-commissaris de rechtbank voorgedragen de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.\n\nDoor de bewindvoerder is op 14 april 2026 schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.\n\nDe zaak is behandeld ter zitting van 17 april 2026, alwaar de schuldenaar en de bewindvoerder zijn verschenen. Tevens is verschenen de heer [naam] namens het [organisatie] .\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nDe rechtbank dient te beoordelen of de schuldenaar één of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en of op die grond de regeling tussentijds moet worden beëindigd.\n\nUit het verslag van de bewindvoerder, de voordracht van de rechter-commissaris en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.\n\nNa de zomer, medio oktober 2025, ging het bergafwaarts met de schuldenaar en is hij waarschijnlijk door zijn werkgever ziekgemeld. Het UWV heeft vervolgens in februari 2026 verzocht om informatie aan te leveren. De schuldenaar is door de huisarts doorverwezen naar [instelling] , echter is deze aanvraag afgewezen omdat ze geen passende zorg konden bieden.\n\nIn maart 2026 is de heer [naam] in beeld gekomen, omdat de gemeente geen contact meer kon krijgen met de schuldenaar. Op 17 maart 2026 heeft de heer [naam] alle ontbrekende stukken bij de bewindvoerder aangeleverd. De schuldenaar kampt met veel problemen waardoor fulltime werken mentaal niet haalbaar is. Vanaf mei 2026 start de behandeling bij Terwille.\n\nOp grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de schuldenaar weliswaar is tekortgeschoten in zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, maar dat hieraan vooralsnog geen gevolgen verbonden worden. De rechtbank zal echter, op grond van het feit dat de schuldenaar zich geruime tijd niet goed aan zijn verplichtingen heeft gehouden, de termijn waarop de schuldsaneringsregeling van toepassing is verlengen met 6 maanden. De rechtbank gaat er van uit dat de schuldenaar zich in de verlengingsperiode van de schuldsaneringsregeling tot het uiterste zal inspannen om aan zijn verplichtingen te voldoen. De schuldenaar zal in ieder geval de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd dienen te informeren en voorts te voldoen aan zijn sollicitatieverplichting.\n\nGelet op het vorenstaande zal de rechtbank de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling dan ook afwijzen.\n\nBESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling af;\n\n- stelt de termijn waarop de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar van toepassing is vast op 24 maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, die dag daaronder begrepen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2633","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:01.747Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":69,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":31,"updatedAt":71},"1042","ECLI:NL:RBNNE:2026:2632","ecli-nl-rbnne-2026-2632","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Groningen\n\nRekestnummer: C\u002F18\u002F255587 FT RK 26.163\n\nZaaknummer C\u002F18\u002F20\u002F175 R\n\nbeschikking van 20 april 2026\n\nmet betrekking tot het verzoek nagekomen bate in de schuldsaneringsregeling van:\n\n [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] ,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] .\n\nPROCESVERLOOP\n\nDe rechtbank heeft bij vonnis van 22 juli 2020 de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van [verzoeker] , met benoeming van mr. C.H.J. van der Maas tot bewindvoerder (hierna: de bewindvoerder).\n\nDe schulden van [verzoeker] zijn op 8 juni 2023 geverifieerd.\n\nBij vonnis van 4 augustus 2023 heeft de rechtbank aan [verzoeker] de “schone lei” verleend, waarbij de rechtbank heeft vastgesteld dat tot de boedel behoort een vordering van [verzoeker] op haar voormalige partner (hierna te noemen: [naam] ). Door het verbindend worden van de uitdelingslijst is de schuldsaneringsregeling geëindigd op 8 september 2023.\n\nBij schrijven van 15 april 2026 heeft de bewindvoerder bericht dat ten tijde van het uitspreken van het vonnis van de rechtbank op 4 augustus 2023 de tot de boedel behorende vordering op [naam] pro resto € 38.640,00 bedroeg. Deze vordering is bij beschikking van de rechtbank Groningen, sector Civielrecht, van 2 februari 2010 vastgesteld. Door middel van een betalings-regeling zou jaarlijks € 3.000,00 worden afgelost.\n\nOp enig moment is [naam] gestopt met betalen.\n\nDe bewindvoerder heeft de deurwaarder verzocht om de beschikking van 2 februari 2010 aan [naam] te betekenen. De bewindvoerder verwijst verder naar het vonnis van de rechtbank van 4 augustus 2023 waarin de rechtbank heeft bepaald dat de bewindvoerder kan overgaan tot het opmaken van de slotuitdelingslijst en dat de resterende vordering op [naam] daar niet bij betrokken hoeft te worden. Indien na het verbindend worden van de slotuitdelingslijst alsnog betalingen op de vordering op [naam] worden gedaan kunnen deze als nagekomen bate in de zin van artikel 356, vierde lid, j⁰ 194 van de Faillissementswet (Fw) worden beschouwd.\n\nDe bewindvoerder heeft de rechtbank verzocht om te bevelen over te gaan tot vereffening en verdeling van de nagekomen bate.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt.\n\nNu de schuldsaneringsregeling is geëindigd door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst dient met inachtneming van het bepaalde in artikel 356, vierde lid, j⁰ artikel 194 Fw en hetgeen daartoe in het vonnis van 4 augustus 2023 is overwogen, de bewindvoerder te worden bevolen over te gaan tot vereffening en verdeling van de nagekomen baten, op de grondslag van de op 8 september 2023 verbindend geworden uitdelingslijst.\n\nBESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- beveelt de bewindvoerder over te gaan tot de vereffening en verdeling van de nagekomen bate, te weten de resterende vordering op [naam] , zulks op de grondslag van de op 8 september 2023 verbindend geworden uitdelingslijst.\n\nDeze beschikking is gegeven op 20 april 2026 door mr. C.H. Beuker, rechter, in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2632","2026-07-13T00:29:00.874Z",1,20]