[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-haarlem-employment-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":73},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},67,"Haarlem","nl","haarlem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},28,"employment-law-nl","Employment Law","NL","2026-07-08T16:53:14.144Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2026-04-03T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122416","Burgerlijk Wetboek","art. 7:629",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122418","art. 7:626",[30,41,49,57,66],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"1445","ECLI:NL:RBNHO:2026:7438","ecli-nl-rbnho-2026-7438","","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12182256 \\ AO VERZ 26-54\n\nBeschikking van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [plaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster],\n\ngemachtigde: mr. F. Huisman (DAS),\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap,\n\nTRIGION BEVEILIGING B.V.,\n\nte Schiedam,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Trigion,\n\ngemachtigde: mr. H Kayhan (Facilicom Group).\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak gaat het om een alcoholverslaafde werkneemster (een beveiligster) van wie de Schipholpas en grijze pas zijn ingetrokken nadat zij vlak na afloop van haar dienst door de Koninklijke Marechaussee is aangehouden wegens rijden onder invloed. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever (Trigion) in de gegeven omstandigheden geen geslaagd beroep kan doen op het intreden van de ontbindende voorwaarde(n) uit de arbeidsovereenkomst.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding (c.q. het verzoekschrift) van 6 januari 2026 met producties;\n\n- de conclusie van antwoord (c.q. het verweerschrift) van 25 maart 2026 met producties; - de akte wijziging verwerende partij van [verzoekster] van 8 mei 2026;\n\n- de aanvullende productie van [verzoekster] van 12 mei 2026\n\n- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. Feiten2.1.. Trigion is een particuliere beveiligingsorganisatie op wie de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (nader te noemen: Wpbr) van toepassing is.\n\n2.2.. Op grond van de artikelen 7 van de Wpbr en 12 lid 4 van de toepasselijke Cao Particuliere Beveiliging (hierna: de cao) kan Trigion een werknemer alleen tewerkstellen indien de werknemer beschikt over toestemming van de korpschef om beveiligingswerkzaamheden te verrichten (hierna ook wel: de grijze pas).2.3.. \n [verzoekster] is sinds 13 maart 2023 bij Trigion in dienst als beveiliger.\n\n2.4.. \n [verzoekster] voert haar werkzaamheden uit binnen het beveiligde gebied van Schiphol. De beveiligde gebieden op Schiphol zijn uitsluitend toegankelijk voor medewerkers die over een geldige, persoonsgebonden Schipholpas beschikken.\n\n2.5.. In artikel 2 lid 6 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt indien de vereiste toestemming van de Korpschef en\u002Fof de Schiphol pas wordt ingetrokken:\n\n“Werknemer verklaart ervan op de hoogte te zijn dat de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus en de Regeling Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus eisen stelt waaraan werkgever en werknemer moeten voldoen. De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege, zonder dat hier voorafgaande opzegging voor nodig is, zodra werknemer niet (of niet langer) voldoet aan de vereisten gesteld bij of krachtens de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus. Daarvan is in ieder geval sprake indien de vereiste toestemming door de bevoegde instantie (Korpschef\u002FCommandant) niet wordt verleend, wordt ingetrokken of niet wordt verlengd.\n\n(…) Daarnaast wordt de arbeidsovereenkomst aangegaan onder de voorwaarde dat de schriftelijke toestemming voor de AIVD, dan wel de feitelijke Schipholpas is verkregen vanuit SNBV voor het mogen verrichten van werkzaamheden op en\u002Fof rondom de luchthaven Schiphol. De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege zonder dat opzegging is vereist op de dag dat de toestemming voor het verrichten van werkzaamheden op en\u002Fof rondom de luchthaven Schiphol is ingetrokken of niet wordt verlengd.”\n\n2.6.. \n [verzoekster] is sinds 1 augustus 2025 arbeidsongeschikt wegens ziekte (alcoholverslaving).\n\n2.7.. Op 4 november 2025 heeft [verzoekster] re-integratiewerkzaamheden uitgevoerd bij de passenuitgifte van het Badgecenter op Schiphol. Na afloop van haar dienst is zij door de Koninklijke Marechaussee gecontroleerd op het gebruik van verdovende middelen en aangehouden voor rijden onder invloed.2.8.. Op 5 november 2025 is [verzoekster] door Trigion geschorst:\n\n“Reden schorsingJe bent geschorst voor jouw werkzaamheden omdat je op 4 november 2025 omstreeks 18:00 uur bent aangehouden voor rijden onder invloed door De Koninklijke Marechaussee, al rijdend in jouw auto. Je was na Jouw AT dienst van 16:00 uur tot 18:00 uur op weg naar huis.\n\nEen gesprekTijdens jouw dienst van 16:00 en 18:00 uur hadden we een gesprek waarin specifiek gevraagd is of je medicijnen gebruikt had of alcohol genuttigd had, dit ontkende je beiden. Op 4 november om 21:00 uur werd ik gebeld door de Security Officer van dienst van Schiphol dat je Schipholpas is ingenomen na jouw aanhouding door de Kmar.”\n\n2.9.. Op 6 november 2025 heeft Schiphol aan Trigion laten weten dat geen nieuwe Schipholpas zal worden verstrekt voor werkzaamheden voor of namens Schiphol Group: “(…) Van een beveiliger op Schiphol wordt verwacht dat deze integer gedrag vertoont. Door op de vraag van het Trigion-management niet eerlijk te antwoorden, is een duidelijke grens overschreden die niet toelaatbaar is binnen de Schiphol Security-organisatie. De Schipholpas zal daarom niet opnieuw worden uitgegeven voor of namens Schiphol Group.”\n\n2.10.. Trigion heeft [verzoekster] vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 14 en\u002Fof 17 november 2025. [verzoekster] is zonder tegenbericht niet verschenen.\n\n2.11.. Bij brief van 17 november 2025 heeft Trigion zich op het standpunt gesteld dat het dienstverband van [verzoekster] door de intrekking van de Schipholpas per 6 november 2025 van rechtswege is geëindigd.2.12.. Op 18 november 2025 is [verzoekster] gestart met een detoxprogramma.2.13.. Op 25 november 2025 is [verzoekster] naar Zuid-Afrika gevlogen voor een klinische opname en behandeling.\n\n2.14.. Bij brief van 4 december 2025 heeft de korpschef de aan [verzoekster] verleende grijze pas ingetrokken.3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n\n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat de ontbindende voorwaarde(n) zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst nietig is, dan wel om het beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde(n) te vernietigen of de gevolgen van het beroep op de ontbindende voorwaarde(n) te wijzigen.\n\nDaarnaast verzoekt [verzoekster] zowel primair als subsidiair om Trigion te veroordelen haar in staat te stellen de tot haar functie behorende werkzaamheden dan wel andere passende werkzaamheden te laten uitvoeren (op straffe van een dwangsom), doorbetaling van loon vanaf 6 november 2025 (te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente) en afgifte van deugdelijke bruto\u002Fnetto salarisspecificaties (eveneens op straffe van een dwangsom).\n\n3.2.. Trigion voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Volgens Trigion is de arbeidsovereenkomst per 6 november 2025 dan wel 4 december 2025 van rechtswege geëindigd door het intreden van rechtsgeldige ontbindende voorwaarde(n).\n\n4. De beoordeling\n\nSpoorwissel4.1.. De kantonrechter stelt in de eerste plaats vast dat de procedure ten onrechte is ingeleid met een dagvaarding. De kantonrechter zal daarom, met toepassing van art. 69 Rv, bij beschikking uitspraak doen. De dagvaarding zal worden opgevat als een verzoekschrift en de conclusie van antwoord als een verweerschrift, zoals tijdens de zitting met partijen besproken. Verder zal het zaaknummer van de zaak worden gewijzigd van 12058144 \u002F CV 26-137 naar 12182256 \\ AO VERZ 26-54. Deze (procedurele) kwestie heeft geen gevolgen voor de inhoudelijke behandeling en beoordeling van de zaak.\n\nHet geschil\n\n4.2.. Tussen partijen is in geschil of de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst per 6 november 2025 dan wel 4 december 2025 van rechtswege is geëindigd. In deze zaak moet daarom de vraag worden beantwoord of de ontbindende voorwaarde(n) zoals opgenomen in artikel 2 lid 6 van de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is\u002Fzijn, dan wel of Trigion zich rechtsgeldig op deze ontbindende voorwaarde(n) kan beroepen.\n\nRechtsgeldigheid van de ontbindende voorwaarde\n\n4.3.. De voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende bescherming van de werknemer, die onder meer tot uiting komt in het wettelijk stelsel van het ontslagrecht, brengt mee dat de geldigheid van een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst slechts bij uitzondering kan worden aanvaard. Door de Hoge Raad is bepaald dat het opnemen van een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst onder bepaalde omstandigheden mogelijk is, indien is voldaan aan drie elementen. Het opnemen van een ontbindende voorwaarde mag i) geen strijdigheid opleveren met het stelsel van het ontslagrecht, ii) de vervulling van de ontbindende voorwaarde dient objectief te worden bepaald en iii) na de vervulling moet geen invulling meer kunnen worden gegeven aan de arbeidsovereenkomst.\n\n4.4.. De Schipholpas en de grijze pas van [verzoekster] zijn ingetrokken nadat zij op 4 november 2025 na afloop van haar (re-integratie)dienst bij de passenuitgifte van het Badgecenter op Schiphol door de Koninklijke Marechaussee is aangehouden wegens rijden onder invloed. Vaststaat dat Trigion op de bewuste dag een sterk vermoeden had dat [verzoekster] alcohol had gedronken. Dit vermoeden was gebaseerd op waarnemingen van meerdere collega’s, die een alcoholgeur hadden geroken en hadden gezien dat [verzoekster] voorafgaand aan haar dienst moeite had met inparkeren en enige tijd in haar auto bleef zitten voordat zij naar binnen ging. Trigion heeft [verzoekster] hiermee geconfronteerd, maar [verzoekster] heeft daarop ontkend alcohol te hebben genuttigd. Vervolgens heeft Trigion [verzoekster] haar dienst laten afmaken. Kort nadat [verzoekster] het Badgecenter had verlaten, is zij door de Koninklijke Marechaussee onderworpen aan een alcoholtest. Volgens [verzoekster] kan het niet anders dan dat Trigion de Koninklijke Marechaussee heeft ingelicht over haar vermoedelijke alcoholgebruik. Trigion heeft deze stelling bij gebrek aan wetenschap betwist.\n\n4.5.. De hiervoor geschetste gang van zaken is naar het oordeel van de kantonrechter op zijn minst opvallend te noemen. Daarbij weegt in belangrijke mate mee dat de vraag of de Koninklijke Marechaussee door Trigion is ingelicht, een feitelijke omstandigheid betreft die zich bij uitstek binnen de kennissfeer van Trigion bevindt. Onder deze omstandigheden kon van Trigion een meer concrete en gemotiveerde betwisting worden verlangd. De enkele blote ontkenning bij gebrek aan wetenschap is op dit punt daarom onvoldoende. Als het klopt dat Trigion de Koninklijke Marechaussee heeft ingelicht over het (vermoedelijke) alcoholgebruik van [verzoekster], zou dat betekenen dat Trigion actief heeft aangestuurd op het intreden van de ontbindende voorwaarde(n). Onder die omstandigheden wordt niet voldaan aan de hiervoor onder 4.3 beschreven voorwaarde dat de vervulling van de ontbindende voorwaarde objectief dient te worden bepaald.\n\nHet beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde\n\n4.6.. De kantonrechter overweegt verder als volgt. Zelfs als zou blijken dat Trigion niets met de alcoholcontrole door de Koninklijke Marechaussee te maken heeft gehad (en zij dus ook geen directe invloed heeft gehad op het intreden van de ontbindende voorwaarde), neemt dit niet weg dat een op zichzelf (rechts)geldige ontbindende voorwaarde toepassing kan missen, indien de toepassing daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijnen\u002Fof in strijd zou zijn met het goed werkgeverschap.Daarvan is in dit geval sprake.\n\n4.7.. Gelet op de concrete signalen van alcoholgebruik door [verzoekster], had van Trigion als werkgever mogen worden verwacht dat zij het ontkennende antwoord van [verzoekster] op de vraag of zij alcohol had gedronken niet zonder meer zou accepteren. Het had op de weg van Trigion gelegen om nader onderzoek te doen naar de gesteldheid van [verzoekster], hoe zij thuis zou komen en (als zij van plan was om met de auto te gaan) of zij in staat was veilig deel te nemen aan het verkeer. Trigion heeft dit nagelaten. In plaats daarvan heeft zij [verzoekster] (ondanks de ernstige vermoedens van alcoholgebruik) haar dienst laten afmaken en in de auto laten stappen. Dit terwijl zij wist (althans ernstig moest vermoeden) dat [verzoekster] daarmee haar eigen veiligheid, de veiligheid van haar medeweggebruikers en de voor haar functie noodzakelijke Schipholpas en grijze pas op het spel zette. Daarmee heeft Trigion naar het oordeel van de kantonrechter in strijd gehandeld met het beginsel van goed werkgeverschap. De omstandigheid dat Trigion (mogelijk) niet van de verslavingsproblematiek van [verzoekster] op de hoogte was, maakt het voorgaande niet anders. Onder deze omstandigheden kan Trigion naar het oordeel van de kantonrechter geen geslaagd beroep doen op het intreden van de ontbindende voorwaarde(n).\n\n4.8.. In aansluiting op het voorgaande wordt nog opgemerkt dat Trigion op de zitting heeft gesteld dat de situatie mogelijk anders had uitgepakt indien [verzoekster] direct open en eerlijk was geweest over haar alcoholgebruik op 4 november 2025. [verzoekster] heeft hiertegen terecht ingebracht dat liegen een veelvoorkomend kenmerk van een verslaving is. Het kan haar dan ook niet volledig worden tegengeworpen dat zij niet direct open en eerlijk heeft geantwoord op de vraag van haar leidinggevende. Hoewel [verzoekster] verantwoordelijk blijft voor haar eigen handelen en het rijden onder invloed absoluut niet kan worden gerechtvaardigd door haar verslaving, is wel aannemelijk dat deze ziekte heeft bijgedragen aan de omstandigheden waaronder de ontbindende voorwaarde is ingetreden. Ook dit maakt dat Trigion in dit geval geen geslaagd beroep kan doen op de ontbindende voorwaarde(n).4.9.. De conclusie is dat het beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde(n) in de gegeven omstandigheden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid c.q. de norm van goed werkgeverschap. Het verzoek van [verzoekster] om het beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde(n) te vernietigen wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat er in deze procedure van moet worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst voortduurt.\n\nLoondoorbetaling, wedertewerkstelling en salarisspecificaties\n\n4.10.. Het voortduren van de arbeidsovereenkomst heeft tot gevolg dat [verzoekster] recht heeft op loon. Het verzoek tot loonbetaling zal daarom eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat Trigion het loon te laat heeft betaald. De kantonrechter ziet gelet op de feiten van de zaak aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 10%.\n\n4.11.. Ten aanzien van het verzoek tot wedertewerkstelling overweegt de kantonrechter als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] haar eigen functie niet mag uitoefenen, zolang zij niet over een Schipholpas en de vereiste toestemming van de korpschef beschikt. Ook het uitvoeren van beveiligingswerkzaamheden elders is niet mogelijk zonder grijze pas. Het is naar het oordeel van de kantonrechter echter niet gebleken dat de intrekking van deze ‘passen’ iedere mogelijkheid tot werken blokkeert. Trigion heeft haar stelling dat er binnen haar organisatie helemaal geen functies zijn waarvoor geen politietoestemming is vereist, niet onderbouwd. Het valt bovendien niet in te zien waarom [verzoekster] niet, in het kader van haar re-integratie (voor zover er benutbare mogelijkheden zijn), in het kader van het tweede spoor ingezet zou kunnen worden buiten de beveiligingssector, waarvoor geen Schipholpas en\u002Fof toestemming van de korpschef (grijze pas) is vereist. Trigion zal dan ook worden veroordeeld om [verzoekster] in staat te stellen om andere passende werkzaamheden uit te voeren. Aangezien de kantonrechter begrijpt dat het enige tijd kan duren voordat een andere passende functie is gevonden, zal zij hieraan geen dwangsom verbinden.\n\n4.12.. Omdat Trigion wordt veroordeeld tot betaling van loon, is zij ook verplicht bruto\u002Fnetto specificaties van die salarisbetalingen aan [verzoekster] te verstrekken, zodat zij daartoe zal worden veroordeeld. Omdat er naar het oordeel van de kantonrechter geen aanwijzingen zijn dat Trigion niet aan deze veroordeling zal voldoen, zal de gevorderde dwangsom worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.13.. De proceskosten komen voor rekening van Trigion, omdat Trigion overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. vernietigt het beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde(n) zoals bedoeld in artikel 2 lid 6 van de arbeidsovereenkomst,\n\n5.2.. veroordeelt Trigion om [verzoekster] zo snel mogelijk in staat te stellen andere passende werkzaamheden uit te voeren,\n\n5.3.. veroordeelt Trigion tot betaling aan [verzoekster] van het overeengekomen loon (bij ziekte) over de periode van 6 november 2025 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met 10% wettelijke verhoging over het achterstallige salaris vanaf de data van opeisbaarheid van de betreffende loontermijnen tot aan de dag van de gehele betaling, en dat totaal te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de data van opeisbaarheid van de betreffende loontermijnen tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.4.. veroordeelt Trigion om deugdelijke bruto\u002Fnetto salarisspecificaties van de onder 5.1 loonbetalingen aan [verzoekster] te verstrekken,\n\n5.5.. veroordeelt Trigion in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Trigion niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n Artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 7:611 BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7438","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:21.510Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":48},"1415","ECLI:NL:RBNHO:2026:7434","ecli-nl-rbnho-2026-7434","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12108488 \\ CV EXPL 26-1065\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats] (China),\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\ngemachtigde: mr. C.P. Bean,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap, NINA.CARE B.V.,\n\nte Haarlem,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Nina.Care,\n\nverschenen bij haar directeur-eigenaar, mw. [gemachtigde].\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 10 februari 2026 met productie(s); - de conclusie van antwoord van 25 februari 2026 met productie(s);\n\n- het bericht van 17 mei 2026 met productie(s) van [eiser]; - het bericht van 28 mei 2026 met productie(s) van Nina.Care; - de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van [eiser].\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Nina.Care is een platform gericht op au pair-matching.\n\n2.2.. \n [eiser] heeft van oktober 2022 tot september 2023 als au pair in Nederland gewerkt via Nina.Care.\n\n2.3.. \n\n [eiser] is sinds 1 januari 2024 bij Nina.Care in dienst als International Agent. In de arbeidsovereenkomst staat (onder meer):\n\n“5. Working hours and workplaceThe employee works part-time for (26) hours per week. Employee works at the office at least TWO(2) times a week. The other days the employee works from home or where he\u002Fshe can work comfortably.\n\n6. Salary and holiday allowanceThe Employee’s gross monthly salary based on a 40 hour working week is €3.672 and is paid out on a pro-rata basis of (26) hours. The salary is paid on the 26th of every month, net of the statutory and any agreed deductions, by transfer to a bank account specified by the Employee. (…)\n\n7. Holidays\n\nThe Employee is entitled to 25 days paid holiday per calendar year on the basis of a 40-hour working week (…)”\n\n2.4.. Voorafgaand aan het tekenen van de arbeidsovereenkomst heeft [eiser] op 21 december 2023 aan Nina.Care geschreven:\n\n“(…) So in the contract I’m doing 26 hours part time (I understand actually it’s 40 hours) so based that can I still get 25 holidays or it’s less? (…)”\n\n2.5.. \n [gemachtigde] (HR en Finance Manager bij Nina.Care) heeft hier als volgt op gereageerd:\n\n“(…) 1. Office Attendance: I understand the challenges you may face. This is our standard contract, but of course we agree to work remotely full time! If you can come to the office then, super nice!\n\n2. Holidays: Because you will work 40 hours, you also receive 25 days! But I can not put that in the contract!(…)”\n\n2.6.. De arbeidsovereenkomst van [eiser] is per 1 januari 2025 verlengd voor de duur van 12 maanden, waarbij de contracturen zijn gewijzigd van 26 uur naar 25,5 uur per week en het salaris van € 2.386,00 naar € 2.491,98 (gebaseerd op een bruto maandsalaris van € 3.909,00 voor 40 uur per week).\n\n2.7.. In juli 2025 heeft [eiser] op verzoek van Nina.Care drie weken onbetaald verlof opgenomen, omdat het financieel slecht ging met het bedrijf.\n\n2.8.. \n [eiser] heeft over de maand juli 2025 een bedrag van € 404,44 aan salaris ontvangen.2.9.. De arbeidsovereenkomst is per 1 september 2025 op initiatief van [eiser] beëindigd.2.10.. Bij e-mail van 27 augustus 2025 heeft [eiser] Nina.Care verzocht om tot betaling van het achterstallige loon over juli 2025 over te gaan. Nina.Care heeft op 13 oktober 2025 aan [eiser] laten weten dat zij geen loon meer verschuldigd is over juli 2025.\n\n2.11.. Bij brief van 20 november 2025 heeft (de gemachtigde van) [eiser] Nina.Care gesommeerd tot betaling van het achterstallige salaris over juli 2025 én overige achterstallige loon over de periode dat [eiser] bij Nina.Care in dienst was.\n\n2.12.. Op 4 december 2025 is [eiser] akkoord gegaan met een aanbod van Nina.Care tot betaling van € 1.731,31, onder de voorwaarde dat Nina.Care al het beeldmateriaal van [eiser] op de sociale media, brochures en website van Nina.Care zou verwijderen. Omdat betaling uitbleef en het beeldmateriaal online bleef staan, heeft [eiser] de schikking ontbonden.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Nina.Care tot betaling van het achterstallig loon over juli 2025 (€ 1.731,31 netto) en over de periode van januari 2024 tot en met juni 2025 (€ 27.368,78 bruto), te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Daarnaast vordert [eiser] dat Nina.Care veroordeeld wordt om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis al het beeldmateriaal van [eiser] op de website, brochures en\u002Fof sociale media van Nina.Care te verwijderen, op straffe van een dwangsom. Dit alles met veroordeling van Nina.Care in de buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en de nakosten.\n\n3.2.. Nina.Care voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nLoonvordering juli 2025\n\n4.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] in juli 2025 op verzoek van Nina.Care drie weken (van maandag 7 juli 2025 tot en met vrijdag 25 juli 2025) onbetaald verlof heeft opgenomen. Volgens [eiser] zijn partijen daarbij overeengekomen dat [eiser] per week onbetaald verlof, één dag betaald zou krijgen (in totaal dus drie dagen). Nina.Care heeft het bestaan van deze afspraak niet betwist, zodat dit als vaststaand zal worden aangenomen. Ook staat als onbetwist vast dat [eiser] voorafgaand aan het onbetaalde verlof vier dagen heeft gewerkt (van dinsdag 1 juli tot en met vrijdag 4 juli 2025).\n\n4.2.. Ter discussie staat de vakantie die [eiser] na afloop van het onbetaalde verlof heeft opgenomen (van maandag 28 juli tot en met donderdag 31 juli 2025). Nina.Care heeft in dit verband gesteld dat drie van de vier vakantiedagen als TOIL (‘time off in lieu’, ook wel: compensatieverlof) moeten worden aangemerkt. [eiser] heeft volgens Nina.Care echter niet aangetoond op welke momenten zij extra (over)uren zou hebben gewerkt, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een positief compensatieverlofsaldo. Het ontbreken van een positief compensatieverlofsaldo heeft tot gevolg dat de opgenomen vrije dagen moeten worden aangemerkt als onbetaald verlof. [eiser] heeft hiertegen aangevoerd dat zij (op verzoek van Nina.Care) wel eens extra zaterdagen heeft gewerkt, in ruil waarvoor zij vrije dagen (TOIL) zou krijgen. De gewerkte (over)uren gaf zij door aan de HR-afdeling van Nina.Care, die de uren vervolgens in het HR-systeem ‘HiBob’ registreerde.\n\n4.3.. De kantonrechter overweegt als volgt. Het is aan Nina.Care als werkgever om een deugdelijke urenregistratie bij te houden. Nu Nina.Care geen urenoverzicht of andere administratie heeft overgelegd waaruit blijkt welke uren zijn opgebouwd, opgenomen of nog openstonden, kan haar stelling dat geen compensatieverlofsaldo bestond niet zonder meer worden gevolgd. Het door Nina.Care overgelegde overzicht van geaccordeerde vakantieaanvragen is in dit verband onvoldoende, omdat hieruit geen urensaldo blijkt. De gevolgen van het ontbreken van een deugdelijke registratie van het verlofsaldo komen voor rekening van Nina.Care.\n\n4.4.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] over de maand juli 2025 recht heeft op een salaris gelijk aan 11 werkdagen. Dit komt volgens [eiser] neer op een bedrag van € 2.135,55 bruto (naar rato berekend). [eiser] heeft echter slechts een bedrag van € 404,44 netto uitbetaald gekregen. Dat betekent dat [eiser] nog recht heeft op uitbetaling van het netto equivalent van € 2.135,55 bruto minus € 404,44 netto. [eiser] vordert het verschil tussen deze bedragen, zonder het bruto bedrag eerst naar een netto bedrag te herleiden. De vordering berust daarmee op een onjuiste vermenging van bruto- en nettobedragen. De vordering wordt daarom in zoverre toegewezen dat het bruto bedrag van € 2.135,55 wordt toegewezen, onder inhouding van de wettelijk verplichte loonheffingen en onder verrekening van het reeds betaalde bedrag van € 404,44 netto.\n\n4.5.. Omdat Nina.Care zich bereid heeft getoond om het achterstallig salaris over juli 2025 te voldoen, maar zij door financiële redenen de uiterste betaaldatum heeft gemist en er dus geen sprake is van betalingsonwil, ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 15%.\n\n4.6.. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals gevorderd.\n\nOmvang dienstverband\n\n4.7.. De volgende vraag die voorligt is of partijen een fulltime dienstverband van 40 uur per week zijn overeengekomen en of [eiser] gedurende haar dienstverband feitelijk structureel 40 uur per week heeft gewerkt. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Daartoe wordt als volgt overwogen.\n\n4.8.. \n [eiser] heeft ter zitting verklaard dat [gemachtigde] (medeoprichtster van Nina.Care) haar tijdens een gesprek op het kantoor van Nina.Care in Amsterdam heeft verteld dat de functie waarvoor [eiser] in aanmerking kwam een fulltime functie van 40 uur per week betrof. Omdat voor kennismigranten echter een minimumsalaris geldt en Nina.Care dat salaris niet kon bieden, zou in de arbeidsovereenkomst een kleinere arbeidsomvang (namelijk 26 uur) worden opgenomen. Op die manier zou [eiser] alsnog in aanmerking komen voor een visum en verblijfsvergunning als kennismigrant in Nederland. [eiser] heeft met deze constructie ingestemd, omdat dit volgens Nina.Care ook zo bij andere werknemers werd toegepast. Na ontvangst van de arbeidsovereenkomst heeft [eiser] nog wel een aantal vragen gesteld aan (de HR afdeling van) Nina.Care over (onder meer) de verwachte (fysieke) aanwezigheid op kantoor en het aantal vakantiedagen bij de arbeidsomvang. In reactie daarop heeft Nina.Care bij e-mail van 21 december 2023 aan [eiser] laten weten dat zij, omdat zij 40 uur per week zou gaan werken, recht had op 25 vakantiedagen, maar dat dit niet in het contract kon worden opgenomen. Daarnaast heeft zij bevestigd dat [eiser] fulltime vanuit huis mocht werken (zie 2.5).\n\n4.9.. De stelling van Nina.Care dat zij met de opmerking “Because you will work 40 hours, you also receive 25 days” (slechts) heeft bedoeld dat er in bepaalde periodes (rondom evenementen en in piekperiodes) een grote mate van flexibiliteit en beschikbaarheid van [eiser] werd verwacht, maar dat zij nooit van [eiser] heeft gevraagd om structureel 40 uur per week te werken, acht de kantonrechter tegenover het gemotiveerde betoog van [eiser] onaannemelijk. De kantonrechter gaat daarom aan dit verweer voorbij.\n\n4.10.. Ook de stelling van Nina.Care dat [eiser] feitelijk onmogelijk 40 uur per week voor Nina.Care kan hebben gewerkt omdat zij het grootste deel van de tijd in het buitenland verbleef, treft geen doel. Het was [eiser] immers expliciet door Nina.Care toegestaan om fulltime op afstand (en dus ook vanuit het buitenland) te werken. De door Nina.Care overgelegde verklaringen van [betrokkene 1] (leidinggevende van [eiser]), [betrokkene 2] (data-analist bij Nina.Care), [betrokkene 3] (medeoprichtster van Nina.Care) en [betrokkene 4] (HR medewerker bij Nina.Care) kunnen haar evenmin baten. Deze verklaringen zijn namelijk uitsluitend gebaseerd op persoonlijke observaties met betrekking tot de flexibiliteit waarmee [eiser] haar werkzaamheden en werktijden inrichtte, en haar (regelmatige) verblijf in het buitenland. Deze omstandigheden sluiten een 40-urige werkweek echter niet uit en zeggen niets over de feitelijke omvang van de verrichte arbeid. Bovendien heeft [eiser] op haar beurt óók verklaringen van (oud-)collega’s overgelegd, die hebben verklaard dat [eiser] juist wél 40 uur per week heeft gewerkt.\n\n4.11.. Het had op de weg van Nina.Care gelegen om haar verweer met nadere bewijsstukken (zoals timesheets, login-data, urenregistraties of werkroosters) te onderbouwen. Dat heeft zij nagelaten. De conclusie is dan ook dat Nina.Care de stelling(en) van [eiser] inhoudende dat de in de arbeidsovereenkomst opgenomen arbeidsomvang van 26 uur dan wel 25,5 uur per week slechts een administratieve formaliteit betrof, onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. De kantonrechter zal daarom uitgaan van een arbeidsomvang van 40 uur per week.\n\nKlachtplicht\n\n4.12.. \n [eiser] heeft gedurende haar dienstverband een salaris ontvangen op basis van 26 uur (2024) dan wel 25,5 uur (2025) per week, berekend naar rato van een 40-urige werkweek. Omdat hiervoor is geoordeeld dat moet worden uitgegaan van een arbeidsomvang van 40 uur per week, heeft [eiser] in beginsel nog recht op nabetaling van de overige 14 c.q. 15,5 uur per week.\n\n4.13.. Nina.Care heeft gewezen op het geruime tijdsverloop tussen het einde van het dienstverband en het instellen van de vorderingen door [eiser]. De kantonrechter begrijpt dat Nina.Care hiermee een beroep doet op de klachtplicht.De ratio van de klachtplicht is het behoeden van de schuldenaar tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, en tegen vorderingen waarop hij zich, gezien het tijdsverloop niet meer behoefde in te stellen. Gelet op de gedachte van ongelijkheidscompensatie en bescherming van de werknemer die ten grondslag ligt aan het dwingendrechtelijk karakter van titel 10 van boek 7 Burgerlijk Wetboek, dient een beroep van de werkgever op schending van de klachtplicht door de werknemer terughoudend te worden getoetst.\n\n4.14.. \n [eiser] heeft op de zitting aangegeven dat zij pas na het inwinnen van juridisch advies over haar rechtspositie ten aanzien van haar vordering met betrekking tot juli 2025 heeft begrepen dat de door Nina.Care gehanteerde constructie niet was toegestaan en dat zij recht had op loon over haar volledige arbeidsomvang. [eiser] komt uit China en heeft geen kennis van het Nederlandse arbeidsrecht. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de kantonrechter dat in redelijkheid niet van [eiser] kon worden verwacht dat zij hierover eerder bij Nina.Care had geklaagd. Het beroep op de klachtplicht wordt daarom verworpen.\n\nLoonvordering januari 2024 tot en met juni 2025\n\n4.15.. Het voorgaande brengt mee dat [eiser] over 2024 (januari tot en met december) nog recht heeft op € 1.388,02 bruto per maand (inclusief vakantiegeld), en over 2025 (januari tot en met juni) op € 1.530,37 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). Dit is het verschil tussen het in de arbeidsovereenkomst opgenomen voltijdsalaris minus het daadwerkelijk betaalde maandsalaris, vermeerderd met de vakantietoeslag.\n\n4.16.. De conclusie is dat de kantonrechter over de periode vanaf januari 2024 tot en met juni 2025 een bedrag van € 27.368,78 bruto aan achterstallig salaris zal toewijzen.\n\n4.17.. Hoewel het beroep op de klachtplicht niet slaagt, ziet de kantonrechter het lange tijdsverloop in deze zaak wel als een aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 15%.\n\n4.18.. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals gevorderd.\n\nVerwijderen beeldmateriaal\n\n4.19.. Tussen partijen is niet in geschil dat Nina.Care al het beeldmateriaal waarop [eiser] te zien is van haar website, van haar sociale media en uit haar brochures moet verwijderen. Nina.Care heeft zich daartoe ook bereid verklaard. Tijdens de zitting is gebleken dat er (ondanks de poging(en) van Nina.Care om al het materiaal waarop [eiser] te zien is te verwijderen) toch nog een aantal foto’s op Instagram stond. Nina.Care heeft toegezegd dat zij die foto’s nog diezelfde dag zou verwijderen. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit inmiddels is gebeurd.\n\n4.20.. Indien er toch nog beeldmateriaal van [eiser] openbaar toegankelijk blijkt te zijn, ligt het op de weg van [eiser] om Nina.Care daar concreet op te wijzen, bijvoorbeeld door toezending van een link. Nina.Care wordt veroordeeld om het betreffende beeldmateriaal vervolgens binnen drie dagen na de hiervoor bedoelde melding te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 5.000,00.\n\nBuitengerechtelijke kosten\n\n4.21.. \n [eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n4.22.. Nina.Care is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Nina.Care niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n1.154,00\n\n(2 punten × € 577,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.391,00\n\n4.23.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Nina.Care om een bedrag van € 2.135,55 bruto aan achterstallig loon over juli 2025 aan [eiser] te betalen, onder inhouding van de wettelijk verplichte loonheffingen en onder verrekening van het reeds betaalde bedrag van € 404,44 netto, vervolgens te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 15% en de wettelijke rente over het totaalbedrag vanaf 10 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.2.. veroordeelt Nina.Care om een bedrag van € 27.368,78 bruto aan achterstallig loon over januari 2024 tot en met juni 2025 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 15% en de wettelijke rente over het totaalbedrag vanaf 10 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.3.. veroordeelt Nina.Care om beeldmateriaal waarop [eiser] herkenbaar voorkomt van haar website, brochures en sociale media te verwijderen, binnen drie dagen nadat zij door [eiser] op dat concrete beeldmateriaal is gewezen (bijvoorbeeld onder verwijzing van een link),\n\n5.4.. veroordeelt Nina.Care om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 5.3 voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,\n\n5.5.. veroordeelt Nina.Care om een bedrag van € 1.294,85 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] te betalen,\n\n5.6.. veroordeelt Nina.Care in de proceskosten van € 1.391,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.7.. veroordeelt Nina.Care tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.8.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.9.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7434","2026-07-13T00:29:20.155Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":53,"fullText":54,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":39,"updatedAt":56},"720","ECLI:NL:RBNHO:2026:7040","ecli-nl-rbnho-2026-7040","2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12201017 \\ VV EXPL 26-55\n\nVonnis in kort geding van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. O. Sahin,\n\ntegen\n\nBROMBEE B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Brombee,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde betekende dagvaarding van 7 mei 2026 met 8 producties;\n\nhet verweerschrift van 31 mei 2026 met 10 producties;\n\nde mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Het vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] (geboren op [geboortedatum] 1995) is sinds 9 oktober 2025 in dienst bij Brombee als medewerker klantenservice op basis van een arbeidsovereenkomst voor één jaar. Haar uurloon is € 19,36 bruto all-in. De overeengekomen arbeidsomvang is 32 uur per week.\n\n2.2.. Brombee is een online rijschool. De heer [betrokkene] is de directeur\u002Feigenaar. [eiser] is de enige werknemer in loondienst.\n\n2.3.. Op 1 februari 2026 heeft [eiser] zich ziekgemeld.\n\n2.4.. Vanaf de ziekmelding heeft Brombee geen loon meer voldaan aan [eiser] . [eiser] is sinds de ziekmelding niet opgeroepen door een bedrijfsarts.\n\n2.5.. Ondanks diverse verzoeken van [eiser] , bijvoorbeeld op 6 maart 2026, en van haar gemachtigde, waaronder op 3 april 2026, heeft Brombee de loonbetalingen niet hervat en evenmin een bedrijfsarts ingeschakeld.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert - samengevat - achterstallig loon vanaf 1 februari 2026, verhoogd met de maximale wettelijke verhoging, overlegging van loonstroken op straffe van een dwangsom, toekomstig loon tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst, nakoming van de re-integratieverplichtingen op straffe van een dwangsom en de proceskosten.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 7:629 BW heeft zij recht op loondoorbetaling tijdens ziekte. Uit artikel 7.2 van de arbeidsovereenkomst volgt dat zij tijdens ziekte recht heeft op in ieder geval 70% van het overeengekomen loon over de contractuele arbeidsomvang van 32 uur per week. Ook is Brombee op grond van artikel 7:658a BW verplicht om deugdelijk en zorgvuldig invulling te geven aan haar re-integratieverplichtingen.\n\n3.3.. Brombee voert het volgende aan. [eiser] is de eerste en enige werknemer van Brombee. De onderneming was ten tijde van de ziekmelding en de daaropvolgende maanden niet op de hoogte van de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte. De onderneming had wegens ontbrekende kennis en beperkte middelen ook (nog) geen bedrijfsarts ingeschakeld. Brombee verkeert thans in een slechte financiële positie.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.2.. Gelet op de aard van de vordering, te weten een loonvordering, is sprake van spoedeisendheid. [eiser] heeft sinds 1 februari 2026 geen inkomsten meer ontvangen terwijl zij daarvan afhankelijk is voor haar levensonderhoud.\n\nLoonvordering\n\n4.3.. Vast staat dat [eiser] sinds 9 oktober 2025 in dienst is van Brombee. [eiser] heeft zich op 1 februari 2026 ziek gemeld en Brombee betaalt sindsdien geen loon meer aan [eiser] . Het is voldoende aannemelijk dat op grond van artikel 7:629 BW in een bodemprocedure de loonvordering tijdens ziekte van [eiser] zal worden toegewezen, met dien verstande dat aannemelijk is dat 70% van het door [eiser] gevorderde loon zal worden toegewezen.\n\n4.4.. Tijdens de mondelinge behandeling is door Brombee erkend dat zij loon moet doorbetalen tijdens ziekte. De kantonrechter zal Brombee daarom veroordelen tot betaling van het gevorderde loon, met dien verstande dat conform artikel 7:629 BW 70% van het overeengekomen loon zal worden toegewezen, vermeerderd met een wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, welke zal worden gematigd tot 30%. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, zoals hierna vermeld.\n\n4.5.. De kantonrechter zal de loonvordering tot het einde van de arbeidsovereenkomst ook toewijzen, met dien verstande dat in geval van arbeidsongeschiktheid van [eiser] die nog geen 104 weken heeft geduurd, Brombee zal worden veroordeeld tot betaling van 70% van het overeengekomen salaris.\n\nLoonstroken\n\n4.6.. \n [eiser] vordert Brombee te veroordelen tot overlegging van alle loonstroken over de periode van het gehele dienstverband op straffe van een dwangsom. Op grond van artikel 7:626 BW is Brombee verplicht [eiser] maandelijks een salarisspecificaties te verstrekken. Brombee heeft tijdens de zitting – onweersproken - verklaard dat [eiser] te allen tijde online beschikking heeft gehad tot deze stukken in het platform mijnloondossier.nl. Om deze reden ziet de kantonrechter geen aanleiding deze vordering toe te wijzen.\n\nBrombee moet [eiser] laten oproepen voor de bedrijfsarts\n\n4.7.. \n [eiser] vordert tot slot Brombee te verplichten tot het inschakelen van een bedrijfsarts. Brombee zal in afstemming met de bedrijfsarts invulling moeten geven aan de re-integratieverplichtingen (artikel 7:658a BW). Tijdens de mondelinge behandeling heeft Brombee meegedeeld hieraan gehoor te zullen geven. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding tot het opleggen van een dwangsom.\n\nProceskosten\n\n4.8.. Brombee is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,67\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n969,67\n\n4.9.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Brombee, binnen één week na het wijzen van dit vonnis, aan [eiser] te betalen 70% van het overeengekomen loon over de periode 1 februari 2026 tot en met 1 juni 2026 vermeerderd met 30% wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de dag van opeisbaarheid van iedere salarisbetaling telkens tot de dag dat volledig is betaald;\n\n5.2.. veroordeelt Brombee aan [eiser] vanaf 1 juni 2026 het overeengekomen loon te betalen, en in geval van arbeidsongeschiktheid van Maudro die nog geen 104 weken heeft geduurd 70% daarvan, tot de dag dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;\n\n5.3.. veroordeelt Brombee tot het nakomen van haar re-integratieverplichtingen jegens [eiser] ;\n\n5.4.. veroordeelt Brombee in de proceskosten van € 969,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Brombee niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.5.. veroordeelt Brombee tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.7.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7040","2026-07-13T00:28:44.704Z",{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":61,"fullText":62,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":39,"updatedAt":65},"1029","ECLI:NL:RBNHO:2026:4152","ecli-nl-rbnho-2026-4152","2026-04-14T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11954049 \\ AO VERZ 25-146\n\nBeschikking van 14 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [plaats 1],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker],\n\ngemachtigde: mr. S. Nowjo,\n\ntegen\n\nde maatschap [verweerder],\n\ngevestigd te [plaats 2],\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder],\n\ngemachtigde: mr. M.C. Zaal.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt een werknemer om toekenning van een billijke vergoeding na een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever tijdens de proeftijd. De werknemer heeft het vermoeden dat de opzegging is gedaan vanwege haar chronische ziekte (borstkanker). De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat de opzegging (rechts)geldig is.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift;\n\n- het verweerschrift;\n\n- aanvullende stukken van [verzoeker] van 23 december 2025, 29 december 2025 en 8 januari 2026;\n\n- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnotitie van [verzoeker].\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Op 12 augustus 2025 hebben partijen een arbeidsovereenkomst gesloten, inhoudende dat [verzoeker] per 1 september 2025 bij [verweerder] in dienst zou treden als Praktijk Ondersteuner Huisarts (POH) GGZ Jeugdzorg. Partijen zijn een arbeidsomvang van twintig uur per week overeengekomen.\n\n2.2.. \n [verzoeker] is daarnaast sinds 2005 werkzaam bij het Regionaal Instituut Dyslexie (RID). [verzoeker] heeft haar werkuren bij RID per september 2025 teruggebracht van 26 uur per week naar 18 uur per week, teneinde haar werkzaamheden bij RID met haar nieuwe functie bij [verweerder] te kunnen combineren.\n\n2.3.. Kort voor haar indiensttreding bij [verweerder] constateerde [verzoeker] een knobbel in haar borst. Op 26 augustus 2025 heeft zij een bezoek gebracht aan de huisarts en op 29 augustus 2025 heeft sneldiagnostiek plaatsgevonden in het ziekenhuis. De radioloog gaf aan dat vermoedelijk behandeling nodig zou zijn. [verzoeker] heeft deze voorlopige uitkomst direct gedeeld met [verweerder].2.4.. Op 1 september 2025 hebben partijen telefonisch contact gehad over de planning van de eerste (werk)week. Omdat op 3 september 2025 de uitslag van de diagnostiek zou volgen, is besloten dat [verzoeker] die dag niet zou werken. [verweerder] heeft in dit gesprek aangeboden om de startdatum op te schuiven naar 1 oktober 2025. [verzoeker] heeft dit aanbod afgeslagen.\n\n2.5.. Op 3 september 2025 is [verzoeker] gediagnosticeerd met borstkanker.\n\n2.6.. Op 4 september 2025 heeft [verzoeker] de diagnose met [verweerder] gedeeld. Daarnaast heeft zij laten weten dat er op 5 september 2025 aanvullend onderzoek zou plaatsvinden en dat zij daarom op die datum niet zou kunnen werken. [verweerder] heeft vervolgens nogmaals aangeboden om de start van de arbeidsovereenkomst met één maand uit te stellen. [verzoeker] heeft dit aanbod wederom afgeslagen.\n\n2.7.. Op 5 september 2025 heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd beëindigd\n\n2.8.. \n [verzoeker] heeft nog diezelfde dag bezwaar gemaakt tegen het besluit om de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd te beëindigen en verzocht om een inhoudelijke toelichting.\n\n2.9.. Op 12 september 2025 heeft [verweerder] het proeftijdontslag schriftelijk toegelicht:\n\n“(…) De eerste twee werkdagen, de woensdag en de vrijdag in de eerste werkweek, kon je helaas niet aanwezig zijn.\n\nVoor je tweede werkweek gaf je aan er hopelijk de woensdag wel te zijn. De onzekerheid die daarin doorklonk maakte dat we je agenda nog niet met afspraken durfden te vullen.\n\nOmdat je uit een heel andere functie komt, is de proeftijd een belangrijke periode voor ons om te toetsen of je op je plek zit bij. Zowel qua invulling van de functie, als qua persoon in ons toch kleine team.\n\nZonder gevulde agenda (die nooit ad hoc gevuld kan worden gezien de aard van de functie van POH Jeugd), valt niet te toetsen of het werk jou bevalt en of je de functie naar behoren kunt vervullen. Daar komt bij dat deze functie is gesubsidieerd door de gemeente en dat geeft ons een zware verantwoordingsplicht en rapportageplicht m.b.t. de inzet van subsidiegelden.\n\nWij hebben meerdere keren aangeboden je startdatum op te schuiven naar 1 oktober, waarop jij zelf aan gaf daar niet voor te kiezen.\n\nDat maakte dat wij helaas hebben moeten concluderen dat wij in de proeftijd te weinig van je te zien krijgen om een oordeel te kunnen vellen over de geschiktheid van jou als onze nieuwe POH Jeugd en als lid van ons team.”\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen. Zij legt daaraan – kort gezegd – ten grondslag dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd vanwege haar borstkankerdiagnose. Dit is volgens [verzoeker] in strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna: Wgbh\u002Fcz) waarin onder meer is bepaald dat onderscheid vanwege een handicap of chronische ziekte verboden is bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.\n\n3.2.. \n [verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van [verzoeker]. [verweerder] voert ‑ samengevat ‑ aan dat zij de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd omdat het niet mogelijk was om in de resterende proeftijd te beoordelen of [verzoeker] geschikt zou zijn voor de functie en of zij in het team zou passen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kantonrechter stelt voorop dat partijen een geldige proeftijd van één maand zijn overeengekomen.Het gaat in deze zaak om de vraag of [verweerder] in strijd heeft gehandeld met de Wgbh\u002Fcz door de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] tijdens de proeftijd op te zeggen. De kantonrechter is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.\n\n4.2.. Het staat een werkgever in beginsel vrij om een werknemer gedurende de proeftijd te ontslaan. Dat is anders indien sprake is van een verboden onderscheid wegens een handicap of een chronische ziekte als bedoeld in artikel 4 Wgbh\u002Fcz.Tussen partijen is niet in geschil dat borstkanker moet worden aangemerkt als een chronische ziekte. Het is aan degene die meent dat er een onderscheid wordt gemaakt (in dit geval [verzoeker]) om feiten aan te voeren die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, waarna de wederpartij ([verweerder]) dient te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.4.3.. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] voldoende feiten heeft aangevoerd die aanleiding geven voor het vermoeden dat haar chronische ziekte een rol heeft gespeeld bij de beslissing van [verweerder] om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. Van belang is onder meer dat [verzoeker] één dag nadat zij de formele diagnose aan [verweerder] had gemeld, telefonisch is ontslagen. In het telefoongesprek heeft [verweerder] aangegeven dat het beter zou zijn voor [verzoeker] om zich in de komende periode op haar ziekte en herstel te richten. Het ontslag vond plaats in de eerste week van de proeftijd, terwijl er nog drie weken proeftijd resteerden. Anders dan het bekend worden van de formele diagnose zijn er geen relevante wijzigingen of omstandigheden aan de orde geweest. [verweerder] heeft zelf ingevuld dat [verzoeker] in de tweede week van de proeftijd niet zou kunnen werken en vervolgens (zonder overleg met [verzoeker]) voor haar de keuze gemaakt dat zij de proeftijd niet mocht voltooien om zichzelf (alsnog) te bewijzen. De kantonrechter vindt het begrijpelijk dat [verzoeker] deze gang van zaken als zeer pijnlijk heeft ervaren.\n\n4.4.. Doordat [verzoeker] het vermoeden dat in strijd met de Wgbh\u002Fcz is gehandeld voldoende aannemelijk heeft gemaakt, is het aan [verweerder] om te bewijzen dat nietin strijd met de Wgbh\u002Fcz is gehandeld.[verweerder] is in het leveren van dit tegenbewijs geslaagd. Daartoe wordt als volgt overwogen.\n\n4.5.. De bedoeling van een proeftijd is om werkgever en werknemer de gelegenheid te geven te ontdekken of het werk, de samenwerking en de organisatie goed bij elkaar passen. [verweerder] heeft aangevoerd dat de proeftijd in het geval van [verzoeker] extra belangrijk was, omdat zij nog geen ervaring had als POH GGZ Jeugdzorg of in een soortgelijke functie. Als psycholoog bij RID houdt [verzoeker] zich uitsluitend bezig met kinderen met dyslexie, terwijl een POH GGZ Jeugdzorg te maken krijgt met uiteenlopende casuïstiek. De vacature bij [verweerder] betrof een functie voor 24 uur per week, verdeeld over drie werkdagen. Omdat [verzoeker] tijdens haar sollicitatie had aangegeven dat zij (in verband met haar baan bij RID) slechts twee dagen per week bij [verweerder] wilde werken, hebben partijen afgesproken dat [verzoeker] op vaste dagen (woensdagen en vrijdagen) negen uur per dag zou gaan werken en dat zij daarnaast twee uur per week zou besteden aan het volgen van (noodzakelijke) bijscholing. De eerste werkdag zou op woensdag 3 september 2025 zijn.\n\n4.6.. Tussen partijen is de navolgende gang van zaken niet in geschil. Op 29 augustus 2025 heeft [verzoeker] contact opgenomen met [verweerder] over de mogelijke medische aandoening aan haar borst. Op maandag 1 september 2025 hebben partijen in overleg besloten dat [verzoeker] op woensdag 3 september 2025 niet zou starten, omdat op die dag de uitslag van de diagnostiek zou volgen. [verweerder] heeft in dit gesprek aangeboden om de arbeidsovereenkomst op 1 oktober 2025 in te laten gaan. Op 4 september 2025 (nadat [verzoeker] [verweerder] van de formele diagnose op de hoogte had gesteld en had laten weten dat zij op vrijdag 5 september 2025 niet zou kunnen werken) heeft [verweerder] nogmaals aangeboden om de startdatum met één maand op te schuiven. [verweerder] heeft daarbij aangegeven dat [verzoeker] dan naar verwachting beter weet waar ze aan toe is en beter kan starten met de werkzaamheden. [verzoeker] heeft dit aanbod om haar moverende redenen afgeslagen.\n\n4.7.. Tussen partijen is verder niet in geschil dat [verzoeker] in de proeftijd zelfstandig met eigen patiënten aan de slag zou gaan. Daarbij zou in de planning wel ruimte worden gelaten om tussendoor met collega’s te overleggen. [verweerder] voert aan dat doordat [verzoeker] in de eerste week van het dienstverband logischerwijze niet kon werken, zij genoodzaakt was om de patiënten van [verzoeker] af te zeggen. Hoewel [verzoeker] had aangegeven dat zij in de tweede week van het dienstverband graag wilde komen werken, was onzeker of dit praktisch gezien haalbaar zou zijn. Na een kankerdiagnose volgen doorgaans meerdere onderzoeken die vaak op korte termijn door het ziekenhuis eenzijdig worden ingepland, aldus [verweerder]. Om te voorkomen dat [verweerder] wéér patiënten moest afbellen, kon zij de agenda van [verzoeker] voor woensdag 10 en vrijdag 12 september 2025 niet vullen. Dat betekent dat zelfs als [verzoeker] wél was komen werken, zij slechts een handjevol patiënten had kunnen zien. Op grond van die feiten heeft [verweerder] geconcludeerd dat er van de proeftijd feitelijk nog slechts vier werkdagen resteerden. Dat was, mede gelet op het (specifieke) belang van de proeftijd en het feit dat deze door de beperkte(re) urenomvang toch al aan de krappe kant was, voor [verweerder] onvoldoende tijd om te beoordelen of [verzoeker] geschikt was voor de functie (en of zij binnen het team zou passen). Daarom heeft [verweerder] besloten om het dienstverband te beëindigen.\n\n4.8.. De kantonrechter is van oordeel dat uit het verweer van [verweerder], met name uit het herhaalde aanbod van [verweerder] om de startdatum uit te stellen, voldoende blijkt dat het [verweerder] om de duur van de beoordelingsperiode in de proeftijd ging en niet om het chronische karakter van de ziekte van [verzoeker]. [verweerder] heeft ter zitting toegelicht dat als het om een werknemer met een niet-chronische ziekte was gegaan, zij ook had aangeboden om de startdatum van de arbeidsovereenkomst uit te stellen. [verweerder] heeft verder toegelicht dat het haar bekend is dat er tijdens de eerste weken na een kankerdiagnose veel scans en onderzoeken in het ziekenhuis noodzakelijk zijn, terwijl er na vaststelling van het behandelplan meer ruimte is om om behandelingen heen te plannen. Tijdens de zitting hebben twee maten van [verweerder] (dhr. [betrokkene 1] en dhr. [betrokkene 2]) toegelicht dat zij het als zeer zwaar ervaren dat zij als huisarts beschuldigd worden van medische discriminatie. Zij hebben meegedeeld juist geprobeerd te hebben het beste te doen in een lastige situatie. Volgens de maten zou het kwalijker zijn geweest om [verzoeker] de proeftijd te laten afmaken, terwijl al duidelijk was dat er te weinig tijd resteerde om haar geschiktheid adequaat te beoordelen. De kantonrechter vindt deze verklaringen geloofwaardig. De conclusie is dan ook dat [verweerder] het vermoeden dat de reden voor het proeftijdontslag gelegen was in de chronische karakter van de ziekte van [verzoeker] voldoende heeft ontkracht.\n\n4.9.. Daarbij merkt de kantonrechter nog wel op dat [verweerder] onzorgvuldig heeft gehandeld door [verzoeker] niet ondubbelzinnig mee te nemen in haar gedachtegang achter het voorstel tot het opschuiven van de startdatum. [verweerder] had [verzoeker] moeten waarschuwen voor de mogelijke consequenties van het afslaan van dit voorstel. Indien [verweerder] aan [verzoeker] expliciet duidelijk had gemaakt dat zij zorgen had over het feit dat de resterende proeftijd te kort was om haar geschiktheid te beoordelen en dat het [verweerder] daarombeter leek om de startdatum op te schuiven, had [verzoeker] wellicht andere keuzes gemaakt. Dat [verweerder] dit niet heeft gedaan, maar maakt het ontslag niet discriminatoir in de zin van de Wgbh\u002Fcz.\n\n4.10.. De slotsom is dat van een verboden onderscheid als bedoeld in de Wgbh\u002Fcz geen sprake is. Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat het proeftijdontslag rechtsgeldig is.\n\n4.11.. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. wijst het verzoek af,5.2.. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Artikel 7:652 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 4 jo. artikel 1 Wgbh\u002Fcz.\n\n Artikel 10 Wgbh\u002Fcz.\n\n Artikel 10 Wgbh\u002Fcz.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4152","2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:00.103Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":70,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":39,"updatedAt":72},"1303","ECLI:NL:RBNHO:2026:4153","ecli-nl-rbnho-2026-4153","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12037174 \\ AO VERZ 25-167\n\nBeschikking van 3 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [plaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker],\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap, SCHIPHOL AIRPORT RETAIL B.V.,\n\ngevestigd te Hoofddorp,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: SAR, gemachtigde: mr. N.P.B. Schmeitz.\n\nDe zaak in het kort\n\n [verzoeker] was op basis van een contract voor bepaalde tijd werkzaam als verkoopmedewerker op Schiphol. De arbeidsovereenkomst is niet verlengd. Volgens [verzoeker] is het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van SAR. [verzoeker] verzoekt daarom in deze procedure om (onder meer) een billijke vergoeding en schadevergoeding. De verzoeken worden (grotendeels) afgewezen. Wel heeft [verzoeker] recht op de transitievergoeding.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift;\n\n- het verweerschrift; - de brief van [verzoeker] van 1 maart 2026;\n\n- de mondelinge behandeling van 6 maart 2026; - de pleitaantekeningen van [verzoeker]; - de pleitaantekeningen van SAR.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. SAR exploiteert ‘See Buy Fly’taxfree-winkels op Schiphol.\n\n2.2.. \n [verzoeker] is op 1 augustus 2024 bij SAR in dienst getreden als Sales Assistant.\n\n2.3.. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd met een looptijd (na verlenging) tot 28 februari 2026.2.4.. Op 7 februari 2025 heeft in een van de zonnebrilwinkels van SAR in de E-Zone een incident plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de storemanager [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]).2.5.. Op 14 februari 2025 heeft [verzoeker] een klacht ingediend bij de HR afdeling van SAR over het voorval:\n\n“(…) Tijdens mijn werk op vrijdagmiddag, toen ik samen met C[de kantonrechter begrijpt: ‘coördinator’, zijnde [betrokkene 1]] werkte, voelde ik me voortdurend geïntimideerd en niet veilig. Ik werd meerdere keren onderbroken terwijl ik sprak en werd luid toegesproken. C vroeg me op een agressieve manier wat er met me aan de hand was, waarop ik antwoordde dat ik geschrokken was van haar gedrag. Daarna greep ze mijn hand en dwong me letterlijk om achteruit te lopen, terwijl ze zei: “Oh, sorry.” “Ik wilde je alleen maar sterker maken.” Op dat moment stonden we al in de hoek van de winkel.\n\nDe situatie ging verder toen C zich op een onvoorspelbare manier gedroeg. Ze schreeuwde tegen me en gooide met een bril doos, wat me ernstig in de war bracht. Ik voelde me volledig onveilig en had geen controle over de situatie. Toen ik haar vroeg om me met rust te laten, bleef ze doorgaan met haar manipulatieve en ongepaste gedrag. Dit gedrag leidde uiteindelijk tot een situatie waarin ik niet in staat was om normaal te functioneren op de werkvloer.(…)”\n\n2.6.. SAR heeft nog dezelfde dag bevestigd dat de klachtenprocedure zou worden gevolgd en [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 18 of 20 februari 2025.\n\n2.7.. Op 19 februari 2025 heeft [verzoeker] aan SAR geschreven:\n\n“(…) De manier waarop mijn klacht is afgehandeld, heeft mij het gevoel gegeven dat ik onterecht ben behandeld. De angst die ik die dag voelde, was echt. Werk draait niet alleen om salaris, maar ook om mijn gevoel van veiligheid, een vertrouwde omgeving en goede werkrelaties. Na het incident is mijn werkomgeving plotseling onzeker geworden, wat mij veel stress en angst bezorgt.\n\nDaarnaast maken de interne machtsverhoudingen binnen het bedrijf mij bezorgd. Ik wil mijn rechten verdedigen, maar ik ben bang om als een ruziezoeker te worden gezien. Dit gevoel maakt mij nog onzekerder. Na zorgvuldige overweging heb ik daarom besloten mijn klacht voorlopig niet oor te zetten, deels uit angst voor mogelijke vergelding.\n\nHoewel ik ervoor kies om mijn klacht niet verder door te zetten, betekent dit niet dat het probleem is opgelost. Ik hoop dat het management dit incident serieus neemt en passende maatregelen treft om ervoor te zorgen dat alle medewerkers in een veilige en stabiele omgeving kunnen werken. Daarnaast sta ik open voor verdere communicatie met het bedrijf om samen tot een passende oplossing te komen.(…)”2.8.. SAR heeft [verzoeker] vervolgens telefonisch uitgenodigd voor een (informeel) gesprek op 20 februari 2025. Dit gesprek is meermaals verplaatst en heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 18 maart 2025. [verzoeker] heeft vervolgens laten weten haar klacht toch formeel te willen doorzetten.\n\n2.9.. Op 27 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden waarbij de klacht van [verzoeker] uitvoerig is besproken en de klachtenprocedure aan haar is uitgelegd.\n\n2.10.. Na de hoorzitting is discussie ontstaan over de verslaglegging daarvan.2.11.. Op 25 april 2025 heeft [verzoeker] haar eigen versie van het gespreksverslag met [betrokkene 2] (interne bedrijfsmanager bij SAR) gedeeld.2.12.. Op 12 mei 2025 is [verzoeker] heeft SAR voorgesteld om onder begeleiding van een onafhankelijk mediator in gesprek te gaan en heeft zij [verzoeker] tijdelijk (met behoud van loon) vrijgesteld van werkzaamheden:\n\n“(…) Wij nemen jouw bericht(en) uiterst serieus en willen deze situatie tot op zijn best oplossen. (…)\n\nGebrek aan vertrouwen\n\nWij zien dat jouw vertrouwen in SAR ontbreekt. Dit volgt uit het feit dat je herhaaldelijk hebt aangegeven dat:\n\nontevreden bent over hoe HR dit alles behandeld;\n\nwij jouw vertrouwen hebben geschaad;\n\nwij jouw veiligheid niet waarborgen;\n\nwij onze verantwoordelijkheid ontwijken\n\nwij geen maatregelen nemen;\n\njouw vertrouwen in ‘het systeem’ is geschaad en;\n\nde eerlijkheid van het bedrijf ernstig wordt ondermijnd.\n\nOok heb je aangegeven dat HR informatie zou hebben gelekt (over jouw klacht).Dit alles nemen wij zeer hoog op. Hierdoor is ook ons vertrouwen in jou beschadigd. Dit wordt versterkt door het feit dat je jouw gebrek aan vertrouwen ook met anderen binnen SAR deelt.Dit alles staat aan een goede voortzetting van het dienstverband bij SAR in de weg. Dit moet eerst opgelost. Daarvoor willen wij ons inzetten. Dat willen we doen door het voeren van een gesprek met jou. Daarbij willen we ons laten begeleiden door een onafhankelijke derde: een mediator. (…) Intussen geldt dat zolang dit probleem niet is opgelost, je zolang geen werkzaamheden mag verrichten (je staat zolang op non-actief).”2.13.. Op 14 mei 2025 heeft [verzoeker] per e-mail een uitgebreide (kritische) reactie gegeven op de non-actiefstelling.2.14.. Op 21 mei 2025 heeft [verzoeker] aangegeven dat zij graag haar werkzaamheden zou hervatten en heeft zij haar klacht ingetrokken:\n\n“(…) Wat betreft deze klachtprocedure: er is nooit officieel een traject gestart, en daarom heb ik het recht om te beslissen om het niet meer te voortzetten. Gezien mijn huidige situatie kies ik ervoor om mijn eerdere klacht – inclusief de per post verzonden documenten – in te trekken. Ik wil niet dat dit verder wordt opgevolgd. Ik verzoek hierbij om het volledig stop te zetten. (…)”\n\n2.15.. Op 27 mei 2025 heeft SAR de intrekking van de klacht bevestigd. Daarnaast heeft zij laten weten dat [betrokkene 1] per 1 juni 2025 uit dienst zou treden.\n\n2.16.. Op 3 juni 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden over de voorgestelde mediation en de non-actiefstelling, waarbij namens [verzoeker] ook een juridisch adviseur aanwezig was.2.17.. Op 12 juni 2025 heeft SAR een gespreksverslag aan [verzoeker] verstuurd en benadrukt dat mediation noodzakelijk werd geacht om onder begeleiding van een onafhankelijke derde te bezien of herstel van de arbeidsrelatie nog mogelijk was.\n\n2.18.. Op 7 juli 2025 heeft [verzoeker] aan de mediator laten weten bij de huidige stand van zaken niet open te staan voor mediation.\n\n2.19.. Op diezelfde dag heeft [verzoeker] formeel bezwaar gemaakt tegen de non-actiefstelling.2.20.. Op 11 juli 2025 heeft op verzoek van [verzoeker] een gesprek plaatsgevonden met [betrokkene 3] en [betrokkene 4], twee directieleden van SAR. SAR heeft hiervan een gespreksverslag opgemaakt.\n\n2.21.. Op 18 juli 2025 heeft [verzoeker] kritisch op het gespreksverslag gereageerd.\n\n2.22.. Op 6 augustus 2025 heeft [verzoeker] een reminder aan (de directie van) SAR verstuurd.\n\n2.23.. Op 13 augustus 2025 heeft SAR de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 28 februari 2026:\n\n“In onze e-mail van 14 juli 2025 hebben wij u verzocht ons schriftelijk te informeren over uw visie op het vervolg met betrekking tot een eventueel herstel van de verstoorde arbeidsrelatie, aangezien u tijdens het gesprek van 11 juli 2025 had aangegeven hierover te willen nadenken. Wij hebben daarbij tevens aangegeven dat wij, naast uw reactie, ook het wederhoor van de betrokken medewerkers van HR wilden betrekken alvorens een formele reactie te geven op uw tweede bezwaarschrift van 7 juli 2025. Tot op heden hebben wij geen inhoudelijke reactie van u ontvangen op dit verzoek.\n\nDaarnaast is zowel tijdens het gesprek van 11 juli 2025 als in onze e-mail van 14 juli 2025 duidelijk vermeld dat onze formele reactie op uw tweede bezwaarschrift, mede vanwege vakanties en het wachten op uw volledige terugkoppeling, in geen geval vóór 7 augustus 2025 zou plaatsvinden. Gedurende deze periode bleef de bestaande situatie van non-actiefstelling ongewijzigd, met volledige doorbetaling van salaris en de mogelijkheid tot het opnemen van vakantie (na voorafgaande melding).\n\nUw e-mail van 6 augustus 2025 is verzonden vóór de datum waarop u redelijkerwijs een reactie van ons had kunnen ontvangen, en wordt daarom als prematuur beschouwd. Zoals hiervoor vermeld, ontbreekt bovendien nog steeds de door ons gevraagde inhoudelijke terugkoppeling.\n\nMet betrekking tot uw e-mail van 17 juli 2025 merken wij op dat wij ons niet herkennen in de daarin weergegeven versie van het gesprek van 11 juli 2025. Wij constateren feitelijke onjuistheden over hetgeen is besproken en over onze kennis van de situatie. Tijdens het gesprek hebben wij expliciet aangegeven dat dit in openheid en objectiviteit zou plaatsvinden, waarbij u volledig in de gelegenheid bent gesteld uw standpunt uiteen te zetten.\n\nWij constateren voorts dat – gelet op uw e-mails van 17 juli 2025 en 6 augustus 2025, de daarbij gevoegde bijlagen, de gevoerde gesprekken, gespreksverslagen en eerdere formele reacties van onze kant (vanuit directie en\u002Fof HR) – onze inspanningen en standpunten van uw zijde onvoldoende zijn erkend. In onze reactie op uw eerste bezwaarschrift hebben wij de redenen voor uw non-actiefstelling uitgebreid gemotiveerd. Deze gronden – het bestaan van een verstoorde arbeidsrelatie en het ontbreken van vertrouwen – zijn onverminderd van toepassing. Ondanks meerdere pogingen en voorstellen van onze zijde in de afgelopen weken en maanden, is geen vooruitgang geboekt in het herstel van de arbeidsrelatie. Wij hebben daarom geconcludeerd dat er geen basis meer is voor een duurzaam herstel of voortzetting van het dienstverband.\n\nBesluit en gevolgen\n\nWij hebben besloten de arbeidsovereenkomst te laten eindigen per de reeds overeengekomen einddatum, teneinde de situatie op een duidelijke en correcte wijze af te ronden.(…)”\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om:\n\nte oordelen dat sprake is van een constructief ontslag veroorzaakt door ernstig verwijtbaar handelen van SAR;\n\nte oordelen dat SAR het verbod op benadeling na melding heeft geschonden;\n\nSAR te veroordelen tot betaling van € 35.000 bruto, bestaande uit de transitievergoeding, een billijke vergoeding, schadevergoeding wegens psychisch letsel, vergoeding voor misgelopen inkomsten en overige schade;\n\nSAR te veroordelen tot betaling van de proceskosten;\n\nSAR te verplichten tot het verstrekken van correcte documentatie en alle relevante gegevens die betrekking hebben op de klacht en de arbeidsrelatie.\n\n3.2.. \n [verzoeker] legt – kort samengevat – aan haar verzoeken ten grondslag dat sprake is van een ‘constructief ontslag’. SAR heeft zich na indienen van de klacht door [verzoeker] niet gedragen zoals van haar verwacht mocht worden en daarbij ernstig verwijtbaar gehandeld. Dit heeft ertoe geleid dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] ten onrechte niet is verlengd en [verzoeker] schade heeft geleden. [verzoeker] heeft daarom recht op vergoedingen.\n\n3.3.. SAR voert verweer en stelt – kort samengevat – dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst is gebaseerd op de duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. SAR betwist dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.3.4.. Op de stellingen van partijen wordt bij de beoordeling nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nHet einde van de arbeidsovereenkomst: ernstig verwijtbaar handelen?\n\n4.1.. \n [verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een ‘constructief ontslag’ en daarbij verwezen naar artikel 7:671 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dat wetsartikel is echter niet van toepassing, omdat geen sprake is van een ‘opzegging’ door SAR (maar van een einde van rechtswege). De kantonrechter begrijpt de stellingen van [verzoeker] zo dat zij in feite een beroep doet op artikel 7:673 lid 9 sub a BW. Op grond van dat wetsartikel kan de kantonrechter aan de werknemer naast de transitievergoeding ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen indien, na een einde van rechtswege, het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen. Voor toekenning van de billijke vergoeding is verder vereist dat een causaal verband bestaat tussen het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst.\n\n4.2.. \n [verzoeker] kleurt de ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van SAR in door te stellen dat SAR haar klacht over het incident (zie 2.5) onvoldoende serieus heeft genomen en heeft nagelaten om adequaat in te grijpen, waardoor [verzoeker] zich onveilig heeft gevoeld op de werkvloer. Daarnaast verwijt zij SAR dat de camerabeelden van het incident niet zijn bewaard en dat de vertrouwelijkheid van de klacht is geschonden. Ten slotte heeft SAR [verzoeker] (in strijd met de interne meldregeling) naar aanleiding van de klacht benadeeld door haar op non-actief te stellen en haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen.\n\n4.3.. De kantonrechter volgt het betoog van [verzoeker] niet. [verzoeker] heeft haar klacht op 14 februari 2025 ingediend. SAR heeft nog diezelfde dag een gesprek met [verzoeker] ingepland. Dat SAR de betrokken collega ([betrokkene 1]) niet direct heeft geschorst, is naar het oordeel van de kantonrechter begrijpelijk en vormt eerder een aanwijzing voor een zorgvuldige handelwijze van SAR. Op 19 februari 2025 heeft [verzoeker] aan HR laten weten dat zij haar klacht voorlopig niet wenste door te zetten. SAR heeft daarop telefonisch contact opgenomen met [verzoeker] om te benadrukken dat signalen van pestgedrag op de werkvloer serieus worden genomen en dat er ook zonder formele klacht ruimte bestaat voor een gesprek. Partijen hebben vervolgens afgesproken dat het (reeds ingeplande) gesprek van 20 februari 2025 in informele setting zou plaatsvinden. Dit (informele) gesprek is vervolgens een aantal keer verplaatst vanwege ziekte van verschillende gesprekpartners. Dat SAR in die periode geen verdere actie heeft ondernomen, is naar het oordeel van de kantonrechter begrijpelijk. Op het moment dat duidelijk werd dat [verzoeker] de klacht wél formeel wilde doorzetten, heeft SAR een hoorzitting georganiseerd. Op de hoorzitting van 27 maart 2025 is de klacht van [verzoeker] uitgebreid besproken. SAR heeft hiervan een gespreksverslag opgemaakt. [verzoeker] heeft in reactie daarop aangegeven teleurgesteld en geschokt te zijn over de inhoud van het verslag en het vertrouwen in een eerlijk proces te zijn verloren. Ook heeft zij SAR dringend verzocht om de camerabeelden van het incident voor de duur van de klachtenprocedure te bewaren. SAR heeft uitgebreid inhoudelijk op het commentaar van [verzoeker] gereageerd en uitgelegd dat camerabeelden automatisch na tien dagen verwijderd worden en daarom helaas niet meer beschikbaar zijn.\n\n4.4.. De kantonrechter is van oordeel dat hoewel SAR de roosters van [verzoeker] en [betrokkene 1] beter had kunnen afstemmen om verdere confrontaties op de werkvloer te voorkomen en het voor de hand had gelegen dat SAR de camerabeelden had bewaard, het nalaten daarvan niet als ernstig verwijtbaar kan worden aangemerkt. Ook kan hieruit niet de conclusie worden getrokken dat SAR de klacht niet serieus heeft genomen en\u002Fof de aanzet of de oorzaak heeft gegeven voor de verdere gebeurtenissen die uiteindelijk tot het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst hebben geleid. Integendeel, de manier waarop [verzoeker] vervolgens met de situatie is omgesprongen lijkt eerder de kern te zijn van de verstoring van de arbeidsverhouding die vervolgens is ontstaan. [verzoeker] heeft herhaaldelijk aangegeven geen vertrouwen (meer) te hebben in SAR. Ook is zij SAR steeds meer verwijten gaan maken, zoals het verwijt dat vertrouwelijke informatie over de klacht met derden (waaronder [betrokkene 1]) zou zijn gedeeld. Deze beschuldiging heeft [verzoeker] echter (ook in deze procedure) op geen enkele wijze onderbouwd. Wel staat vast dat [verzoeker] zélf (buiten de klachtenprocedure om) contact heeft gezocht met een manager van SAR die niet haar eigen leidinggevende was, met wie zij haar eigen versie van het gespreksverslag heeft gedeeld.\n\n4.5.. De hiervoor geschetste gang van zaken heeft ertoe geleid dat het wederzijds vertrouwen tussen partijen ernstig onder druk is komen te staan. SAR heeft daarom op 12 mei 2025 voorgesteld om onder begeleiding van een onafhankelijke mediator in gesprek te gaan. Dit voorstel was gericht op herstel van de arbeidsrelatie en een zorgvuldige voortzetting van het dienstverband. Onder die omstandigheden heeft SAR besloten om [verzoeker] in de tussentijd vrij te stellen van werkzaamheden met behoud van loon. SAR heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat deze maatregel niet was bedoeld als sanctie of benadeling, maar juist als doel had om rust en ruimte te creëren.\n\n4.6.. De kantonrechter stelt vast dat de verhoudingen tussen partijen na de vrijstelling van werkzaamheden alleen maar zijn verslechterd. Hoewel [verzoeker] (na een eerste zeer kritische reactie op 14 mei 2025) op 21 mei 2025 een meer constructieve houding leek aan te nemen, is tijdens het gesprek van 3 juni 2025 de (spreekwoordelijke) bom gebarsten. Beide partijen hebben dit gesprek als zeer onprettig ervaren en aangegeven dat het gesprek absoluut niet heeft bijgedragen aan de-escalatie of het herstel van vertrouwen. In de nasleep van dit gesprek is [verzoeker] steeds meer verwijten en beschuldigingen richting SAR gaan uiten, waarbij haar toon steeds scherper werd. Ook heeft [verzoeker] bij de voorgestelde mediator aangegeven op dat moment geen heil in mediation in te zien, omdat SAR volgens haar de basisbeginselen van het arbeidsrecht (waaronder hoor- en wederhoor) zou schenden. In een poging de ontstane impasse te doorbreken, heeft SAR vervolgens ingestemd met het verzoek van [verzoeker] om een gesprek met de directie te voeren. Dit gesprek heeft op 11 juli 2025 plaatsgevonden. Ook in dit gesprek heeft [verzoeker] meermaals aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in de organisatie. Afgesproken werd dat [verzoeker] aan de directie zou terugkoppelen welke vervolgstappen zij zelf voor ogen had om de situatie te verbeteren. Een inhoudelijke reactie daarop is uitgebleven. In plaats daarvan heeft [verzoeker] opnieuw verwijtende e-mails aan SAR verstuurd. SAR is vervolgens tot de conclusie gekomen dat het vertrouwen niet meer kon worden hersteld.\n\n4.7.. De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat het besluit van SAR om de tijdelijke arbeidsovereenkomst van [verzoeker] niet te verlengen is gebaseerd op het feit dat de arbeidsrelatie inmiddels duurzaam was vastgelopen (en dus niet op het feit dat [verzoeker] een klacht had ingediend). Een verslechterde verhouding tussen werknemer en werkgever is in beginsel een legitieme reden om een dienstverband niet te verlengen. Niet is gebleken dat de verslechterde verhouding SAR ernstig valt aan te rekenen. In tegendeel, de kantonrechter is (al het voorgaande in overweging nemende) van oordeel dat SAR zich aantoonbaar heeft ingespannen om de verhoudingen tussen partijen te verbeteren. Mogelijk heeft de taalbarrière bijgedragen aan de communicatieproblemen tussen partijen, maar dit neemt niet weg dat [verzoeker] alle redelijke voorstellen van SAR om met elkaar in gesprek te gaan en tot een constructieve oplossing te komen heeft afgewezen. De slotsom is dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet. Dat heeft tot gevolg dat [verzoeker] geen recht heeft op een billijke vergoeding en dat ook haar verzoek om voor recht te verklaren dat de SAR ernstig verwijtbaar heeft gehandeld wordt afgewezen.\n\nHet verbod op benadeling na melding\n\n4.8.. Omdat een direct causaal verband tussen de klacht en het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst ontbreekt, kan van een benadeling na melding geen sprake zijn. Het antwoord op de vraag of de klacht als een ‘melding van een misstand’ in de zin van de interne klachtenprocedure en\u002Fof de klokkenluiderswetgeving kan worden aangemerkt, kan daarom in het midden blijven. Het verzoek van [verzoeker] om voor recht te verklaren dat SAR het verbod op benadeling na melding heeft geschonden wordt afgewezen.\n\nTransitievergoeding\n\n4.9.. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding.SAR heeft toegezegd dat de transitievergoeding in maart 2026 zal worden uitbetaald. Aangezien niet is gebleken dat die betaling inmiddels heeft plaatsgevonden, zal het verzoek tot betaling van de wettelijke transitievergoeding (voor zover deze nog niet is voldaan) worden toegewezen.\n\nSchadevergoeding wegens psychisch letsel, misgelopen inkomsten en overige schade\n\n4.10.. \n [verzoeker] heeft daarnaast om immateriële en materiële schadevergoeding verzocht. De kantonrechter wijst dit verzoek af. Daarover wordt als volgt overwogen.\n\n4.11.. Het enkele feit dat binnen de arbeidsrelatie spanningen zijn ontstaan en [verzoeker] als gevolg daarvan (veel) stress heeft ervaren, is onvoldoende voor toekenning van immateriële schadevergoeding. Voor zover [verzoeker] een beroep doet op ‘PDF document 2’ zoals opgenomen in Annex 1 bij het verzoekschrift, geldt dat niet duidelijk is van wie dat document afkomstig is en of sprake is van een objectief vastgestelde stoornis of beperkingen die in causaal verband staan met het werk of met enig onrechtmatig handelen van SAR. [verzoeker] heeft haar verzoek tot immateriële schadevergoeding dan ook onvoldoende onderbouwd.\n\n4.12.. De verzochte vergoeding wegens ‘misgelopen inkomsten en overige schade’ mist eveneens grondslag. [verzoeker] heeft niet toegelicht welke inkomsten zij zou zijn misgelopen. Tussen partijen is niet in geschil dat SAR het salaris van [verzoeker] tot het einde van de arbeidsovereenkomst (inclusief openstaande vakantiedagen) heeft uitgekeerd. Voor zover het gaat om inkomensschade na de einddatum van het contract, geldt dat deze schadepost verband houdt met het einde van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen daarvan. Dergelijke schade wordt exclusief gedekt door de billijke vergoeding, in die zin dat er naast deze (specifieke) vergoeding geen ruimte is voor een andere (generieke) vergoeding. Als een billijke vergoeding wordt afgewezen, is er dus geen ruimte om vervolgens op een andere grondslag een vergoeding voor deze vorm van schade toe te wijzen.\n\n4.13.. Voor zover [verzoeker] daarnaast vergoeding van ‘overige schade’ heeft verzocht, geldt dat zij dit verzoek op geen enkele wijze heeft gespecificeerd of onderbouwd, zodat ook dit onderdeel wordt afgewezen.\n\nHet verzoek tot afgifte van documentatie en gegevens\n\n4.14.. Ten slotte verzoekt [verzoeker] om SAR te verplichten tot het verstrekken van ‘correcte documentatie en alle relevante gegevens met betrekking tot haar klacht en arbeidsrelatie’. Het is de kantonrechter niet duidelijk welke concrete documenten [verzoeker] daarmee bedoelt en welk belang zij daarbij heeft. De kantonrechter heeft hier op de zitting naar gevraagd, maar [verzoeker] kon daar geen antwoord op geven. Het verzoek wordt daarom afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.15.. De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker], omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van SAR worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt SAR om – voor zover deze betaling nog niet heeft plaatsgevonden – de wettelijke transitievergoeding aan [verzoeker] te betalen;\n\n5.2.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n5.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Artikel 7:673 lid 1 onderdeel a onder 3 BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4153","2026-07-13T00:29:14.893Z",20]