[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-haarlem-landlord-tenant-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":39,"total":16,"page":25,"limit":67},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},67,"Haarlem","nl","haarlem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},88,"landlord-tenant-nl","Landlord and Tenant","NL","2026-07-08T16:55:44.370Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-04-24T00:00:00.000Z","2026-06-03T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,36],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123390","Burgerlijk Wetboek","art. 7:248 lid 3",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"124018","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 256",{"provisionId":31,"code":23,"article":32,"count":25},"124035","art. 7:269 lid 1",{"provisionId":34,"code":23,"article":35,"count":25},"124036","art. 3:3 lid 1",{"provisionId":37,"code":23,"article":38,"count":25},"124037","art. 7:233",[40,51,60],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":49,"updatedAt":50},"1223","ECLI:NL:RBNHO:2026:7697","ecli-nl-rbnho-2026-7697","","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12091777 \\ CV EXPL 26-850\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1],\n\nte [plaats 1], 2. [eiser 2],\n\nte [plaats 1],\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers],\n\ngemachtigde: mr. C.A. Gentile Martin,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1],\n\nte [plaats 2], 2. [gedaagde 2],\n\nte [plaats 2],\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden],\n\nprocederend in persoon.\n\nDe zaak in het kortDe vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zijn toewijsbaar. Daarbij wordt een ontruimingstermijn aangehouden van twee maanden, omdat een minderjarig kind in het gehuurde woont. De gevorderde betaling van de huurachterstand van € 21.850,- is ook toewijsbaar. Het meer gevorderde is niet toewijsbaar, omdat de door [eisers] gestelde huurverhoging van € 150,00 per maand vanaf februari 2024 hoger lijkt dan mogelijk is uitgaande van de verhoging die de huurovereenkomst mogelijk maakt (conform de CPI) en die mogelijk is ingevolge artikel 7:248 lid 3 BW.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 februari 2026 - het mondeling antwoord van 11 februari 2026\n\n- het tussenvonnis van 25 maart 2026 - de aanvullende producties die namens [eisers] zijn overgelegd\n\n- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagden] huurt vanaf 1 februari 2023 de woning aan de [adres] te [plaats 2] (hierna: het gehuurde) van [eisers]\n\n2.2.. In de huurovereenkomst staat: 4.5. Per betaalperiode van één maand bedraagt- de huurprijs € 1.850,-Huurprijswijziging(…)5.2. Indien het gehuurde zelfstandige woonruimte met een geliberaliseerde huurprijs voor woonruimte betreft, is het onder 5.1. gestelde niet van toepassing. In dat geval wordt de huurprijs voor het eerst per 1 augustus en vervolgens jaarlijks aangepast overeenkomstig het gestelde in artikel 16 van de algemene bepalingen. Bovenop en gelijktijdig met de jaarlijkse aanpassing overeenkomstig artikel 16 van de algemene bepalingen, heeft de verhuurder het recht om de huurprijs te verhoging met maximaal 1%.\n\n2.3.. Op de huurovereenkomst zijn de “Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ 2017) van toepassing verklaard. In artikel 16 van deze algemene voorwaarden staat dat de huurprijs jaarlijks wordt verhoogd conform het maandprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI) en dat de wijziging ook geldt als daarvan geen mededeling aan de huurder is gedaan.\n\n2.4.. \n [gedaagden] heeft in de maanden maart 2024 tot en met december 2024 zeven keer een bedrag van € 2.000,- aan [eisers] overgemaakt en één keer een bedrag van € 1.850,-. Deze bedragen heeft [eisers] afgeschreven op de huur over maart tot en met oktober 2024. Vanaf februari 2025 heeft op negen momenten een steeds wisselend bedrag aan [eisers] betaald. De laatste betaling vond plaats op 17 oktober 2025. [eisers] heeft deze bedragen afgeschreven op de huur over de maanden november 2024 tot en mei 2025.\n\n2.5.. Bij aangetekende brief van 4 juli 2025 heeft de gemachtigde van [eisers] [gedaagden] gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 11.450,- aan huurachterstand.\n\n2.6.. Bij vonnis van 15 oktober 2025 heeft de kantonrechter een door [eisers] ingestelde vordering tot betaling van huurachterstand en ontruiming van het gehuurde afgewezen. De kantonrechter overwoog daartoe dat de hoogte van de huurachterstand in kort geding niet kon worden vastgesteld omdat [gedaagden] aan de hand van bankafschriften verklaarde meer aan huur te hebben betaald dan hij verschuldigd was en de door [gedaagden] gemaakte kosten voor het opknappen van het gehuurde nog moesten worden verrekend met de huur.\n\n2.7.. Op 31 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [eisers] de (toenmalige) gemachtigde van [gedaagden], die zich na het kort geding had gemeld, aangeschreven omdat volgens [eisers] sprake was van een huurachterstand van € 14.050,-.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eisers] vordert - samengevat - een verklaring voor recht dat [gedaagden] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, ontbinding van die huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en een veroordeling tot betaling van de huurachterstand, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3.2.. \n [gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nDe verweren van [gedaagden] slagen grotendeels niet\n\n4.1.. De vorderingen van [eisers] zijn gegrond op zijn stelling dat [gedaagden] al geruime tijd de huur onbetaald heeft gelaten. [gedaagden] heeft daartegen de volgende verweren gevoerd.\n\n4.2.. Ten eerste heeft [gedaagden] aangevoerd dat de huur contant is betaald aan de heer [betrokkene], een door de verhuurder gestuurde tussenpersoon. Hoewel [eisers] heeft erkend dat [betrokkene] regelmatig als tussenpersoon voor hem is opgetreden omdat partijen wegens taalproblemen anders niet met elkaar konden communiceren, betwist hij dat sprake is geweest van contante betalingen. [eisers] accepteert uitsluitend betalingen per bank.\n\n4.3.. \n [gedaagden] heeft niet toegelicht over welke maanden hij de huur contant heeft betaald en welke bedragen hij op welke momenten heeft voldaan. Hij heeft ook niet uitgelegd waarom hij, nadat hij lange tijd de huur via de bank op een bankrekeningnummer van [eisers] had overgemaakt, tot contante betaling is overgegaan. Hij heeft alleen enkele Whatsapp berichten overgelegd waaruit weliswaar blijkt dat hij contact heeft gehad met [betrokkene] maar niet dat hij aan hem de huur contant heeft betaald. Dit verweer kan daarom niet slagen, ook niet omdat het strijdig lijkt te zijn met zijn verdere verweer.\n\n4.4.. Als tweede verweer heeft [gedaagden] namelijk aangevoerd dat hij de huur onbetaald heeft gelaten omdat hij het gehuurde, dat volgens [gedaagden] min of meer onbewoonbaar was, heeft opgeknapt (keuken, badkamer, schilderwerk) en [eisers] weigert de daarvoor aan hem verstuurde facturen te betalen. [eisers] heeft betwist dat hij toestemming heeft gegeven voor het op zijn kosten uitvoeren van werkzaamheden in het gehuurde.\n\n4.5.. Ook dit verweer kan niet slagen. [gedaagden] heeft niet toegelicht welke werkzaamheden hij wanneer heeft uitgevoerd en waarom die werkzaamheden noodzakelijk waren. Bovendien heeft hij niet onderbouwd dat [eisers] ermee had ingestemd dat [gedaagden] die werkzaamheden voor rekening van [eisers] zou uitvoeren. Als, zoals [gedaagden] stelt, de woning onbewoonbaar was, valt niet in te zien waarom hij pas ruim twee jaar na het ingaan van de huurovereenkomst gestopt is met de betaling van de huur en hij niet eerder heeft geprotesteerd bij [eisers]\n\n4.6.. \n [gedaagden] heeft ten slotte nog aangevoerd dat in de huurovereenkomst staat dat de huurprijs € 1.850,- per maand bedraagt, maar dat hij steeds € 2.000,- heeft betaald en hij dus te veel heeft betaald. Volgens [eisers] is de huurprijs conform de bepalingen in de huurovereenkomst verhoogd van € 1.850,- naar € 2.000,-. Als echter uitgegaan wordt van een huurprijs van € 1.850,- per maand heeft Hristov nog steeds een aanzienlijke huurachterstand, aldus [eisers]\n\n4.7.. \n\n [eisers] heeft niet toegelicht per wanneer de huurprijs is verhoogd van € 1.850,-\n\nnaar € 2.000,-. Een huurverhoging van € 150,- per maand lijkt hoger dan mogelijk is uitgaande van de verhoging die de huurovereenkomst mogelijk maakt (conform de CPI) en die mogelijk is ingevolge artikel 7:248 lid 3 BW. Gelet hierop moet ervan uit worden gegaan dat de huurprijs steeds € 1.850,- is gebleven. Ook in dat geval heeft [gedaagden] een huurachterstand die groter is dan drie maanden huur, te weten € 21.850,- (tot en met mei 2026).\n\nDe ontbinding, ontruiming en betaling van de huurachterstand zijn toewijsbaar.\n\n4.8.. Het voorgaande betekent dat de gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen. [gedaagden] is immers tekort geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Die tekortkoming is zodanig ernstig dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Ook de gevorderde huurachterstand van € 21.850,- tot en met mei 2026 is toewijsbaar, evenals de daarover gevorderde wettelijke rente.\n\n4.9.. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat op grond van de wet alleen de deurwaarder een ontruiming van een woning mag uitvoeren.\n\n4.10.. \n [gedaagden] wordt niet veroordeeld tot betaling van de ontruimingskosten conform de specificatie van de kosten in het proces-verbaal van de deurwaarder. Die vordering is te onbepaald. Het staat nog niet vast of er kosten gemaakt worden voor een ontruiming door een deurwaarder en zo ja, hoe hoog die kosten zijn.\n\n4.11.. \n [gedaagden] heeft aangevoerd dat in het gehuurde tenminste één minderjarig kind woonachtig is. Er wonen nog meer kinderen van [gedaagden] maar deze zijn meerderjarig. Bij de beslissing of de ontruiming moet worden toegewezen, moet de kantonrechter de belangen van de minderjarige betrekken.Dat ontruiming van het gehuurde nadelig is voor het minderjarige kind, is evident. Dat maakt echter niet dat de gevorderde ontruiming zal worden afgewezen. De verantwoordelijkheid voor het welzijn van het minderjarige kind ligt immers primair bij de ouders. De kantonrechter zal evenwel aan de ontruiming een termijn van twee maanden verbinden zodat [gedaagden] meer tijd heeft om alternatieve huisvesting te zoeken.\n\n [gedaagden] wordt veroordeeld in de rente en kosten\n\n4.12.. \n [eisers] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagden] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De overeenkomst bevat een incassokostenbeding, artikel 25.2 van de algemene voorwaarden. Het is een beding dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Omdat [gedaagden] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of dit beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het beding wijkt niet ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling die zonder dat beding zou gelden. Het beding is daarom niet oneerlijk en staat niet aan toewijzing van incassokosten in de weg. De gevorderde vergoeding zal worden berekend op basis van de hoofdsom die in deze procedure wordt toegewezen. Daarom zal een bedrag van € 993,50 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.\n\n4.13.. \n [gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n154,09\n\n- griffierecht\n\n€\n\n753,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n86,00\n\n(2 punten × € 43,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.137,09\n\n4.14.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verklaart voor recht dat [gedaagden] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [eisers] welke voortvloeien uit de tussen partijen gesloten huurovereenkomst,\n\n5.2.. ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagden] om binnen twee maanden na de datum van dit vonnis de woning aan de [adres] te [plaats 2] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagden] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eisers] te stellen,\n\n5.3.. \n\nveroordeelt [gedaagden] om aan [eisers] te betalen € 21.850,- aan\n\nHuurachterstand over de maanden oktober 2025 tot en met mei 2026,\n\n5.4.. veroordeelt [gedaagden] om aan [eisers] te betalen de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 januari 2026 aan huur tot en met mei 2025 en de wettelijke rente over de huurtermijnen die vanaf juni 2026, exclusief kosten, telkens, na elke debetmutatie, heeft uitgestaan, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagden] om aan [eisers] te betalen € 1.850,- per maand met ingang van de maand juni 2026 tot en met de ontruimingsdatum,\n\n5.6.. veroordeelt [gedaagden] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 993,50 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.7.. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.137,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.8.. veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke renteover de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.9.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\n Artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv.\n\n Zie artikel 3 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).\n\n Als bedoeld in artikel 6:119 BW.\n\nAls bedoeld in artikel 6:119 BW.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7697","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:10.861Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":56,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":49,"updatedAt":59},"1599","ECLI:NL:RBNHO:2026:7576","ecli-nl-rbnho-2026-7576","2026-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12183554 \\ VV EXPL 26-51\n\nVonnis in kort geding van 26 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nBOXTOM B.V.,\n\nte Goirle,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Boxtom,\n\ngemachtigde: mr. J.H. A . van den Hoogen en mr. A . van Wanrooij,\n\ntegen\n\n [gedaagde] T.H.O.D.N. [bedrijf],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de mondelinge behandeling van 12 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - het tegen [gedaagde] verleende verstek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. \n\nBostom heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Kort gezegd komt de zaak op het volgende neer. [gedaagde] huurt op grond van huurovereenkomsten van Boxtom voor onbepaalde tijd vier tijdelijke woonunits type Starter (sinds 2019) en een tijdelijke mantelzorgwoning type MA3 (sinds 2023). De objecten zijn rond een centraal gebouw geplaatst op grond die aan [gedaagde] in eigendom toebehoort, plaatselijk bekend als [adres] te [plaats] . [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan en onderhoudt de gehuurde objecten niet. Boxtom krijgt in het geheel geen contact meer met [gedaagde] . Hij heeft zijn telefoonlijn afgesloten, haalt aangetekende post niet op en accepteert de aangetekend verzonden e-mailberichten niet. Boxtom heeft toegelicht dat hij met deze procedure probeert [gedaagde] in beweging te krijgen om tot een oplossing te komen. Daarbij is het uitdrukkelijk niet de bedoeling van Boxtom om de huidige bewoners van de verhuurde units, meer specifiek zorgbehoevende jongvolwassenen met een handicap, uit de units te verwijderen.\n\nDe gevorderde ontruiming en retourname van de objecten zijn niet toewijsbaar\n\n2.2.. Boxtom vordert ontruiming van de objecten, alsook veroordeling van [gedaagde] tot medewerking aan retourname van de objecten, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een dwangsom voor zover hij niet aan deze veroordelingen voldoet. Deze vorderingen zijn niet toewijsbaar. Daartoe is het onderstaande van belang.\n\n2.3.. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar de feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n2.4.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Boxtom als volgt verklaard. De objecten zijn zodanig uitgerust dat zij als zelfstandige woonruimte kunnen worden gebruikt. Zij zijn geplaatst op een met puin of zand en tegels gestabiliseerde ondergrond en aangesloten op elektriciteit, het riool en de waterleiding. Nadat ze zijn afgekoppeld kunnen ze eenvoudig op een vrachtwagen worden getakeld. [gedaagde] gebruikt de objecten voor de huisvesting van zorgbehoevende jongvolwassenen met een handicap. Boxtom heeft geen inzicht in de overeenkomsten die [gedaagde] met (de verzorgers van) deze jongvolwassenen heeft gesloten wat betreft het gebruik van de objecten en (eventueel) het verlenen van zorg. Wel staat Boxtom in contact met (de vertegenwoordigers van) de jongvolwassenen. Zodoende kan Boxtom verklaren dat de jongvolwassenen zelfstandig in de woonunits wonen en daarbij zorgondersteuning krijgen van (voorheen [gedaagde] en thans) een lokale organisatie genaamd Stichting Humblebees.\n\n2.5.. Afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ziet op de huur van woonruimte en bevat verschillende bepalingen waaraan een specifieke beschermingsgedachte ten grondslag ligt. Gelet op het (semi) dwingende karakter van deze bepalingen dient de kantonrechter - ook in het geval van verstek tegen de huurder - bij de beoordeling mee te wegen of de gebruikers van de objecten eventueel een beroep op huurbescherming zou kunnen toekomen.\n\n2.6.. In het onderhavige geval zou daarvan sprake kunnen zijn als het gebruik moet worden gekwalificeerd als onderhuur die betrekking heeft op een zelfstandige woning waar de onderhuurder zijn hoofdverblijf heeft, omdat de onderhuur na beëindiging van de huur tussen verhuurder en huurder van rechtswege wordt voortgezet door de verhuurder (artikel 7:269 lid 1 BW). Gelet op de definities in de artikelen 7:233 BW tot en met 7:236 BW geldt deze bepaling in het onderhavige geval indien de objecten kwalificeren als onroerende zaken. Daarvoor is vereist dat ze duurzaam met de grond zijn verenigd als bedoeld in artikel 3:3 lid 1 BW. In dit verband is niet beslissend of ze in technische zin gemakkelijk verplaatsbaar zijn, maar of ze met de grond zijn verenigd en naar aard en inrichting bedoeld zijn om duurzaam ter plaatse te blijven. Hierbij moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is uit bijzonderheden van aard en inrichting van de objecten. Niet van belang is dat partijen zijn overeengekomen dat de objecten na beëindiging van de huur aan Boxtom moeten worden teruggegeven.\n\n2.7.. Uit hetgeen door Boxtom in de stukken en op de mondelinge behandeling naar voren is gebracht moet het volgende worden afgeleid. De objecten zijn, voorzien van een vorm van fundering en aangesloten op elektriciteit, het riool en de waterleiding, geplaatst om te dienen als zelfstandige woonruimte voor de gebruikers en zijn daarvoor ook volledig toegerust. Ter zitting is met Boxtom besproken dat op een via www.wozwaardeloket.nl te raadplegen kaart bij het adres van de locatie waar de objecten zijn geplaatst is te zien dat onderscheid wordt gemaakt tussen zeven verschillende opstallen waarbij het centrale gebouw is aangeduid als [adres] en de overige opstallen als Kinheim [adres] [1] tot en met [adres] [7] . Voorts is besproken dat in de kadastrale hypotheekinformatie hetzelfde onderscheid wordt gemaakt. Hoewel maar beperkt zicht bestaat op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is, leidt de kantonrechter hieruit af dat thans niet valt uit te sluiten dat de objecten als woonruimte in de zin van artikel 7:233 BW aangemerkt moeten worden.\n\n2.8.. Vervolgens is de vraag aan de orde of er aanwijzingen zijn dat de contractuele relatie tussen [gedaagde] en de gebruikers als onderhuurovereenkomst moet worden gekwalificeerd. De bescherming van artikel 7:269 lid 1 BW komt immers niet toe aan de feitelijk gebruiker van een zelfstandige woning, indien geen sprake is van een contractuele relatie die kwalificeert als een huurovereenkomst tussen de hoofdhuurder ( [gedaagde] ) en de feitelijk gebruiker (de jongvolwassenen). Zoals door Boxtom verklaard, bestaat geen inzicht in de overeenkomsten op grond waarvan de objecten aan de jongvolwassenen ter beschikking zijn gesteld. Bekend is alleen dat betaald wordt voor huisvesting en zorg.\n\n2.9.. Binnen het bestek van dit kort geding is het niet mogelijk nader onderzoek te doen naar de aard van de zorg en\u002Fof begeleiding die door [gedaagde] is verleend aan de jongvolwassenen en die thans door Stichting Humblebees wordt verleend, naar de aard van het gebruik van de objecten en hoe zorg en gebruik zich contractueel tot elkaar verhouden. Gezien het voorgaande en in aanmerking nemende dat het tegendeel niet te snel aangenomen mag worden, gaat de kantonrechter er voorshands vanuit dat de jongvolwassenen aanspraak kunnen maken op huurbescherming. Mede gelet op hun kwetsbare positie kan een veroordeling tot ontruiming en retournering van de objecten daarom niet bij wege van voorlopige voorziening worden toegewezen.\n\nDe toewijsbare vorderingen\n\n2.10.. De vordering tot betaling van de huurachterstand van € 12.705,00 is toewijsbaar, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en Boxtom voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die meebrengen dat toewijzing van de vordering uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden. De wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW daarover is eveneens toewijsbaar.\n\n2.11.. De gevorderde veroordeling tot betaling van € 1.815,00 per maand vanaf 1 mei 2026 is toewijsbaar, met dien verstande dat de kantonrechter dit deel van de vordering voor de duur van 3 maanden - dus tot en met 1 augustus 2026 - toewijst. Daartoe is redengevend dat Boxtom voldoende gemotiveerd heeft aangevoerd en onderbouwd dat zij er niet in slaagt in contact te komen met [gedaagde] , vreest dat [gedaagde] de toekomstige huurpenningen niet zal voldoen en aannemelijk heeft gemaakt dat de personen die gebruik maken van de objecten maandelijks wel bedragen aan [gedaagde] voldoen. De kantonrechter acht het daarom aannemelijk dat niet onmacht maar onwil de oorzaak is van het uitblijven van betalingen en dat [gedaagde] ook de toekomstige huurpenningen niet zal gaan voldoen. In dit specifieke geval wijst hij daarom betaling van de toekomstige huurpenningen voor de duur van drie maanden toe. De wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW daarover is eveneens toewijsbaar.\n\n2.12.. De vordering tot het bevelen van [gedaagde] om zich als een goed huisvader te gedragen en zich ter zake te onthouden van schadeveroorzakende gedragingen, het voorgaande op straffe van een dwangsom, is toewijsbaar, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en Boxtom voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die meebrengen dat toewijzing van de vordering uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden. De dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd zoals vermeld in de beslissing.\n\n [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten\n\n2.13.. Boxtom vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Boxtom heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Boxtom heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 902,05 worden toegewezen. De subsidiair gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen van de dag van dagvaarding, te weten 20 april 2026.\n\n2.14.. \n [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Boxtom worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n129,54\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.504,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.354,54\n\n2.15.. De subsidiair gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Boxtom van € 12.705,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de respectievelijke data van verzuim tot de dag der algehele voldoening,\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Boxtom van € 1.815,00 per maand vanaf 1 mei 2026, voor de duur van drie maanden tot en met 1 augustus 2026, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de respectievelijke data van verzuim tot de dag der algehele voldoening,\n\n3.3.. beveelt [gedaagde] om zich per direct en blijvend als een goed huisvader te gedragen ten aanzien van de objecten en zich ter zake te onthouden van schadeveroorzakende gedragingen, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00,\n\n3.4.. veroordeelt [gedaagde] om aan Boxtom te betalen een bedrag van € 902,05 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf 20 april 2026 tot de dag van volledige betaling,\n\n3.5.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.354,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.6.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n3.7.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7576","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.021Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":64,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":49,"updatedAt":66},"1588","ECLI:NL:RBNHO:2026:7574","ecli-nl-rbnho-2026-7574","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12089716 \\ VV EXPL 26-23\n\nVonnis in kort geding van 24 april 2026\n\nin de zaak van\n\nPTW ADVENTURE B.V.,\n\nte Beverwijk,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: PTW,\n\ngemachtigde: mr. A.G. Moeijes,\n\ntegen\n\n1. POWERGO PUBLIC I B.V.,\n\n2. POWERGO B.V.,\n\nte Wormer,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: Powergo c.s. (tezamen) of Powergo Public (gedaagde 1) en Powergo B.V. (gedaagde 2) afzonderlijk,\n\ngemachtigde: mr. F. Caris.\n\nDe zaak in het kortDeze zaak betreft de huur van onbebouwde grond ten behoeve van de aanleg van elektrische laadstations. Huurder heeft de huurbetalingen gestaakt, stellende dat een opschortende voorwaarde bij het aangaan van de overeenkomst niet was vervuld waardoor deze niet tot stand is gekomen. Verhuurder vordert in kort geding betaling van de huurachterstand. Volgens huurder leent de zaak zich niet voor kort geding. De kantonrechter oordeelt dat de feiten en omstandigheden in deze zaak voldoende duidelijk en aannemelijk zijn en nader onderzoek of bewijslevering is niet nodig. Ook is voldoende gebleken dat PTW een spoedeisend belang heeft bij haar vordering en dat het restitutierisico wordt ondervangen. De vorderingen zijn toewijsbaar. PTW kon en mocht in dit geval uit de gedragingen van Powergo c.s. afleiden dat zij zich niet op de voorwaarde zoals genoemd in artikel 2.2 (en artikel 8.1) van de huurovereenkomst zou beroepen. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Powergo c.s. zich nu alsnog hierop beroept.1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties - de conclusie van antwoord met producties\n\n- aanvullende producties van PTW - de mondelinge behandeling van 2 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van PTW.\n\n1.2.. Op verzoek van partijen is de zaak op de mondelinge behandeling aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. Bij brief van 14 april 2026 hebben partijen alsnog om vonnis gevraagd. Daarna is vonnis bepaald op heden.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. PTW is eigenaar van de onroerende zaken kadastraal bekend Beverwijk A8501 (Noorderweg 15 te Beverwijk) en A9605 (Noorderweg 13A en 15 te Beverwijk).\n\n2.2.. Powergo c.s. exploiteert oplaadstations voor elektrische voertuigen.\n\n2.3.. In augustus 2024 hebben PTW en Powergo Public twee overeenkomsten gesloten, te weten: - locatieovereenkomst perceel A8501, Fase 1, waarbij PTW over de periode 1 september 2024 tot 1 september 2044 aan Powergo Public het gebruik van het perceel aan de Noorderweg 15 heeft verleend tegen betaling van een vaste huurprijs van € 750,- per parkeerplaats met een maximum van € 5.000,- per maand en een variabele huurprijs van € 0,04 per geladen kWh, alles met een minimumhuur van € 3.300,- in het eerste jaar naar € 10.000,- vanaf het achtste jaar. - locatieovereenkomst perceel A9605, Fase 2, waarbij PTW over de periode vanaf ingebruikname van een 2000 kVA netaansluiting tot 1 september 2044 aan Powergo Public het gebruik van het perceel aan de Noorderweg 13A en 15 heeft verleend tegen betaling van een vaste huurprijs van € 750,- per parkeerplaats met een maximum van € 5.000,- per maand en een variabele huurprijs van € 0,04 per geladen kWh, alles met een minimumhuur van € 3.300,- in het eerste jaar naar € 10.000,- vanaf het achtste jaar.\n\n2.4.. Powergo c.s. zou zorgdragen voor een 2000 kVA aansluiting en bij het in gebruik nemen daarvan zou locatieovereenkomst Fase 1 vervallen en locatieovereenkomst Fase 2 van toepassing zijn. Powergo B.V. heeft voor beide contracten een concerngarantie verstrekt. In de algemene voorwaardendie op beide contracten van toepassing zijn, is een incassokostenbedingen een boetebepalingopgenomen.2.5.. In locatieovereenkomst Fase 1 is bepaald: “2.2. (…) Deze Overeenkomst en de Fase 2 Overeenkomst worden aangegaan onder de voorwaarde dat Grondeigenaar binnen 2 maanden na heden van de hypotheekhouder toestemming krijgt voor het vestigen van een huurafhankelijk opstalrecht zoals opgenomen in artikel 8.1. van deze Overeenkomst. (…)8.1. Grondeigenaar verleent op verzoek van PowerGo zijn medewerking om ervoor te zorgen dat PowerGo eigenaar een exploitant blijft van de EV-laadinfrastructuur. Dit kan geschieden door middel van het vestigen van een huurafhankelijk recht van opstal (of een vergelijkbaar recht naar lokaal recht waarbij het eigendom van haar bezittingen zeker gesteld kunnen worden). Grondeigenaar maakt daarbij het voorbehoud dat de hypotheekhouder daarmee dient in te stemmen. Deze Overeenkomst wordt aangegaan onder de voorwaarde dat Grondeigenaar binnen 2 maanden na heden toestemming van de hypotheekhouder ontvangt voor het vestigen van dit recht van opstal. PowerGo draagt de kosten voor het vestigen van een recht van opstal.(…)”.2.6.. De gemachtigde van PTW is bij de onderhandelingen over de contracten betrokken geweest. Hij heeft in een e-mail van 12 juli 2024 aan Powergo c.s. laten weten dat als het opstalrecht essentieel zou zijn, dit een opschortende voorwaarde voor de gehele overeenkomst zou worden.\n\n2.7.. PTW heeft bij haar hypotheekhouder toestemming gevraagd voor de vestiging van een opstalrecht. De hypotheekhouder heeft laten weten dat zij daarvoor het notarisverzoek en de conceptakte van vestiging opstalrecht wilde ontvangen. Dat bericht heeft [betrokkene 1] van PTW naar [betrokkene 2] van Powergo c.s. gestuurd met de mededeling: “Ook geregeld dit.”2.8.. Over de periode augustus 2024 tot en met augustus 2025 heeft Powergo Public de overeengekomen huur betaald. Zij heeft het gehuurde perceel toen niet gebruikt. Vanaf september 2025 heeft Powergo Public de huur onbetaald gelaten.\n\n2.9.. Bij e-mail van 24 december 2024 heeft Powergo c.s., in verband met een opgelopen huurachterstand, aan PTW laten weten dat zij maandelijks een post voor de huurbetalingen in haar budgetten zou opnemen. Verder heeft zij bericht dat de planning voor de aanleg van vier parkeerplaatsen op het gehuurde perceel volledig afhankelijk was van de beschikbaarheid van nieuw budget. Verwacht werd dat dit in het tweede kwartaal van 2025 zou zijn.\n\n2.10.. Naar aanleiding van een vraag van PTW wanneer Powergo c.s. tot ontwikkeling van het gehuurde over zou gaan, heeft Powergo c.s. bij e-mail van 15 mei 2025 laten weten nog bezig te zijn met een investeringsronde, maar dat de plannen verder ongewijzigd waren.\n\n2.11.. Bij e-mail van 17 september 2025 heeft Powergo c.s. aan PTW laten weten dat het haar niet gelukt was om groeikapitaal op te halen bij investeerders. Omdat zij niet op korte of middellange termijn kon starten met de ontwikkeling van het gehuurde heeft zij voorgesteld om in overleg met PTW ofwel een nieuwe uitbater te vinden ofwel het contract op te zeggen.2.12.. Bij e-mail van 1 oktober 2025 heeft Powergo c.s. een afkoopsom van drie maanden huur aangeboden.\n\n2.13.. Bij brief van 1 december 2025 heeft de gemachtigde van PTW Powergo c.s. gesommeerd tot betaling van de achterstallige huur.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. PTW vordert – samengevat – dat de kantonrechter Powergo c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 26.499,-, de maandelijkse huurtermijnen vanaf 1 maart 2026 en de contractuele boete van 1% per maand over de achterstand met een minimum van € 300,00, het voorgaande vermeerderd met de rente en kosten.\n\n3.2.. Het geschil laat zich als volgt samenvatten. Volgens PTW is sprake van een onvoorwaardelijke huurovereenkomst en heeft Powergo Public ondanks aanmaningen nagelaten de verschuldigde huur tijdig en volledig te voldoen, zodat tot 1 maart 2026 sprake is van een huurachterstand van € 26.499,-. Op grond van de overeenkomstenis zij daarom naast de achterstallige huur ook de buitengerechtelijke incassokosten en de contractuele boete verschuldigd. Powergo BV is op grond van de verleende concerngarantie eveneens voormelde bedragen verschuldigd. Volgens Powergo c.s. is de locatieovereenkomst Fase 1 aangegaan onder een opschortende voorwaarde dat PTW binnen twee maanden na ondertekening een schriftelijke toestemming van de hypotheekhouder zou krijgen voor het vestigen van een huurafhankelijk opstalrecht, welke voorwaarde niet is vervuld. Daarom zijn de overeenkomstenuiteindelijk nooit tot stand gekomen en is zij geen huur of verdere kosten verschuldigd.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nHet juridisch kader4.1.. Als uitgangspunt geldt dat degene die een vordering in kort geding instelt, daarbij spoedeisend belang moet hebben.Dat spoedeisend belang ziet enerzijds op de toegang tot de kort geding rechter (bevoegdheids- of ontvankelijkheidsvereiste) en anderzijds op de toewijsbaarheid van de vordering. Aan het eerste worden doorgaans geen hoge eisen gesteld: de enkele mededeling van eiser dat hij spoedeisend belang heeft, is vaak al voldoende. Aan het tweede worden doorgaans zwaardere eisen gesteld: een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als de eiser daarbij een spoedeisend belang heeft. Of de spoedvoorziening ook daadwerkelijk wordt verleend, is afhankelijk van de voorlopige beoordeling van de zaak en van de afweging van de belangen van partijen, (in beginsel) beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Of verder van eiser kan worden gevergd dat hij een bodemprocedure afwacht, hangt af van onder meer het voorlopig karakter van het rechterlijk oordeel en de ingrijpendheid van de gevolgen voor partijen bij af- of toewijzing van de vordering. Het hoge niveau van de ene factor kan het lagere niveau van een andere factor compenseren.Het is aan de eiser om het spoedeisend belang te stellen en te onderbouwen, zeker als daartegen gemotiveerd verweer wordt gevoerd.\n\n4.2.. Een vordering tot betaling van een geldsom kan in kort geding worden toegewezen als: - het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn; - uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en; - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat. Ook hier is sprake van communicerende vaten waarin het hoge niveau van de ene factor het lage niveau van een andere factor kan opheffen: bij een onbestreden of harde vordering kunnen aan de spoedeisendheid minder hoge eisen worden gesteld dan als sprake is van een (gemotiveerd) bestreden vordering.4.3.. De hoofdregel is dat het spoedeisend belang voor alle voorzieningen afzonderlijk moet worden vastgesteld. Maar het spoedeisend belang van de hoofdvordering kan in geval van een nauw verwante nevenvordering in beginsel die nevenvordering ‘meetrekken’ als de nevenvordering niet of onvoldoende wordt betwist.4.4.. Niet elke vordering is geschikt om in kort geding te worden beslist.Dat kan het geval zijn als de feiten binnen het beperkte kader van het kort geding niet voldoende duidelijk worden of als de rechter de gevolgen van een door haar te geven beslissing niet voldoende kan overzien. Vereist is dat de aan de vordering in kort geding ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.\n\nDit geschil leent zich voor kort geding\n\n4.5.. Powergo c.s. heeft als primair verweer aangevoerd dat de zaak zich niet leent voor kort geding. Volgens Powergo c.s. is het bestaan en de omvang van de vordering niet in hoge mate aannemelijk, is geen sprake van enig spoedeisend belang en is sprake van een reëel restitutierisico. PTW heeft aangevoerd dat wel degelijk sprake is van een spoedeisend belang. De lopende huur wordt al geruime tijd niet meer voldaan en bij gebreke van een uitspraak over het juridische geschil dat partijen verdeeld houdt, zal de huurschuld alleen maar oplopen en kunnen partijen niet verder. Het spoedeisend belang is er verder in gelegen dat als niet op afzienbare termijn de geplande stroomaansluiting wordt gerealiseerd, die aansluiting naar een andere locatie gaat en een dergelijke stroomvoorziening voorlopig helemaal niet meer mogelijk is. Voor wat betreft het restitutierisico heeft PTW aangevoerd dat zij eigenaar is van de aan Powergo Public in gebruik gegeven locaties en dat daarop een hypotheek rust die minder is dan de helft van de waarde van die locaties. Verder zijn de bestuurders en aandeelhouders bereid om persoonlijk garant te staan voor enig restitutierisico.\n\n4.6.. \n\nDe kantonrechter oordeelt dat dit geschil zich leent voor een kort gedingprocedure en overweegt daartoe als volgt. Hetgeen PTW als spoedeisend belang heeft aangevoerd, is voldoende voor de toegang tot de kantonrechter. De zaak is verder in die zin ook niet ongeschikt voor behandeling in kort geding omdat de feiten en omstandigheden voldoende duidelijk en aannemelijk zijn en nader onderzoek of bewijslevering niet nodig is. Het gaat in wezen alleen om de vraag hoe de voorwaarde betreffende de benodigde toestemming van de hypotheekhouder voor het vestigen van een opstalrecht moet worden geïnterpreteerd en of Powergo c.s. zich daarop kan beroepen. Als het oordeel is dat de betreffende voorwaarde niet aan de totstandkoming van de locatieovereenkomst Fase 1 in de weg staat, dan staat daarmee het bestaan en de omvang van de vordering vast. Voor wat betreft het restitutierisico geldt dat PTW onbetwist heeft aangevoerd dat zij eigenaar is van slechts deels met hypotheek belaste grond en dat haar bestuurders en aandeelhouders garant willen staan.\n\nDe vordering is toewijsbaar\n\n4.7.. Het gaat dus om de voorwaarde van artikel 8.1. (ook opgenomen in artikel 2.2.) van de huurovereenkomst(en). De achtergrond van het opnemen van deze bepaling was de volgende. De laadapparatuur die Powergo c.s. op de gehuurde locatie zou gaan aanbrengen, vergt een aanzienlijke investering. Om te voorkomen dat die investering bij het einde van de huur verloren zou gaan als de laadpalen door natrekking eigendom van de grondeigenaar zouden worden, had Powergo c.s. een opstalrecht bedongen. Zij zou de notariële vastlegging daarvan regelen. Blijkens de omschrijving in artikel 8.1. was het voor de grondeigenaar (PTW) van belang dat de hypotheekhouder daarmee zou instemmen. Dat ligt ook voor de hand omdat PTW verplichtingen jegens de hypotheekhouder heeft, terwijl Powergo c.s. geen partij is bij de hypotheekovereenkomst. Zou de toestemming van de hypotheekhouder uitblijven dan zou PTW ofwel een probleem met Powergo c.s. hebben (omdat die dan haar laadstations niet zou kunnen bouwen) ofwel een probleem met de hypotheekhouder (omdat zonder haar toestemming een opstalrecht op de grond was gevestigd). De voorwaarde is dus ten behoeve van PTW opgenomen. Powergo c.s. had de notariële vastlegging van het opstalrecht moeten regelen. Dat heeft zij niet gedaan omdat zij de financiering voor het ontwikkelen van het gehuurde niet rond had. Gelet op het in rechtsoverweging 2.7. genoemde bericht van PTW wist zij wel dat de hypotheekhouder het concept van de notariële akte wilde ontvangen om het verzoek tot goedkeuring te kunnen beoordelen. Er waren overigens geen aanwijzingen om te vrezen dat die goedkeuring er niet zou komen.\n\n4.8.. Verder is van belang dat partijen uitvoering aan de huurovereenkomstenhebben gegeven en het niet in vervulling gaan van de voorwaarde als het ware hebben genegeerd. PTW heeft de verhuurde locatie aan Powergo Public ter beschikking gesteld en Powergo Public heeft de huur gedurende een jaar betaald. Dat, zoals Powergo c.s. nu aanvoert, sprake was van een administratieve vergissing, wordt tegengesproken door de in rechtsoverweging 2.9. en 2.10. genoemde e-mailberichten. Uit die berichten blijkt ook dat Powergo c.s. steeds van plan was het laadstation te gaan bouwen. De enige reden dat zij daartoe uiteindelijk niet is overgegaan, is het niet verkrijgen van financiering. Dat is voor Powergo c.s. ook reden geweest om PTW te verzoeken in te stemmen met een regeling ter beëindiging van de overeenkomsten door ofwel een andere uitbater aan te dragen ofwel een afkoopsom te betalen. Op geen enkel moment heeft Powergo c.s. kenbaar gemaakt dat het nog ontbreken van toestemming van de hypotheekhouder voor het vestigen van een opstalrecht, een probleem was. Dat deed zij pas nadat zij al enkele maanden de huur niet meer had betaald en zij op die betaling werd aangesproken. Zou Powergo c.s. daadwerkelijk vrezen voor het niet verkrijgen van toestemming van de hypotheekhouder voor het te vestigen opstalrecht, dan had het op haar weg gelegen om alsnog een concept voor de notariële akte aan te leveren zodat de hypotheekhouder het verzoek zou kunnen beoordelen.\n\n4.9.. Gelet op het voorgaande kon en mocht PTW uit de gedragingen van Powergo c.s. afleiden dat zij zich niet op de voorwaarde zou beroepen, net zoals PTW dat zelf ook niet meer had kunnen doen. Het is dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Powergo c.s. zich nu alsnog beroept op de voorwaarde van artikel 8.1. De overeenkomst moet worden geacht onvoorwaardelijk tot stand gekomen te zijn en beide partijen zijn daaraan gebonden. Dat betekent dat Powergo Public de overeengekomen huur onverkort moet betalen. De vordering zal dan ook worden toegewezen. Gelet op hetgeen PTW over het restitutierisico naar voren heeft gebracht, staat dat aan toewijzing niet in de weg. De kantonrechter gaat er van uit dat de bestuurders en aandeelhouders van PTW op eerste verzoek aan Powergo c.s. zullen bevestigen dat zij persoonlijk garant staan voor het eventueel restitueren van datgene wat PTW op grond van dit vonnis incasseert. Zij zal een dergelijke voorwaarde evenwel niet aan de veroordeling verbinden omdat PTW daar in rechte ook niet om heeft gevraagd.\n\n4.10.. De vordering zal ook tegen Powergo B.V. worden toegewezen omdat zij vanwege de door haar verstrekte concerngarantie hoofdelijk aansprakelijk is voor de nakoming van de overeenkomst. Powergo c.s. heeft dit ook niet weersproken.\n\nPowergo c.s. wordt veroordeeld in de rente en kosten\n\n4.11.. De verschuldigdheid van de gevorderde rente, contractuele boete en buitengerechtelijke incassokosten vloeien voort uit de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomsten. Ook dat is niet weersproken. Ook deze zullen daarom worden toegewezen.\n\n4.12.. Omdat Powergo c.s. in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van PTW worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n131,73\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.504,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n543,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n135,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.313,73\n\n4.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. \n\nveroordeelt Powergo c.s. hoofdelijk tot betaling aan PTW van:\n\na. de huurachterstand per datum dagvaarden ad € 26.499,-, vermeerderd met de wettelijke handelsrenteover de onderscheidenlijke huurtermijnen, telkens te berekenen vanaf de vervaldag van elke termijn tot aan de dag der algehele voldoening, tevens te vermeerderen met de contractuele boete van 1% per maand over de achterstand te berekenen vanaf de vervaldag van elke termijn tot aan de dag der algehele voldoening met een minimum van € 300,-;\n\nb. de maandelijkse huurtermijnen vanaf 1 maart 2026 waarbij de hoogte wordt berekend conform artikel 7 van de huurovereenkomsten totdat de huurovereenkomsten eindigen, vermeerderd met de wettelijke handelsrenteover de onderscheidenlijke huurtermijnen, telkens te berekenen vanaf de vervaldag van elke termijn tot aan de dag der algehele voldoening, tevens te vermeerderen met de contractuele boete van 1% per maand over de achterstand te berekenen vanaf de vervaldag van elke termijn tot aan de dag der algehele voldoening met een minimum van € 300,-;5.2.. veroordeelt Powergo c.s. hoofdelijk tot betaling aan PTW van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.039,99;5.3.. veroordeelt Powergo c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.313,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als RA Bewindvoering niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.2.. veroordeelt Powergo c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke renteover de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.\n\n De ‘Algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW’ van 17 februari 2015, (hierna: de algemene voorwaarden).\n\n Artikel 28 van de algemene voorwaarden.\n\n Artikel 29 van de algemene voorwaarden.\n\n Zoals bedoeld in rechtsoverweging 2.3.\n\n Waarbij PTW een beroep doet op artikel 28 en 29 van de algemene voorwaarden.\n\n Zoals bedoeld in rechtsoverweging 2.3.\n\n Zie artikel 254 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).\n\nHR 15 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1919.\n\n HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522 en HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1036.\n\n Zie artikel 256 Rv.\n\n Zoals bedoeld in rechtsoverweging 2.3. en 2.5.\n\n Zoals bedoeld in rechtsoverweging 2.3.\n\n Als bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Als bedoeld in artikel 6:119a BW.\n\nAls bedoeld in artikel 6:119 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7574","2026-07-13T00:29:28.592Z",20]