[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-leeuwarden-commercial-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":46,"total":16,"page":25,"limit":73},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},70,"Leeuwarden","nl","leeuwarden",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},59,"commercial-law-nl","Commercial Law","NL","2026-07-08T16:54:05.553Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2025-12-23T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,37,40,43],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122313","Burgerlijk Wetboek","art. 6:203",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122342","Verordening","art. 4",{"provisionId":31,"code":23,"article":32,"count":25},"122343","art. 2:9",{"provisionId":34,"code":35,"article":36,"count":25},"122344","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 150",{"provisionId":38,"code":23,"article":39,"count":25},"122348","art. 6:166",{"provisionId":41,"code":35,"article":42,"count":25},"122402","art. 157 lid 2",{"provisionId":44,"code":35,"article":45,"count":25},"122403","art. 151 lid 2",[47,58,65],{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":51,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":52,"summary":51,"language":7,"source":53,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":56,"updatedAt":57},"648","ECLI:NL:GHARL:2026:4229","ecli-nl-gharl-2026-4229","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.221\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577570\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant1] LLC ( [appellant1] )\n\ndie is gevestigd te Koeweit\n\n2. [appellant2] LLC ( [appellant2] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats1] (Verenigde Arabische Emiraten)\n\nadvocaat: mr. R.J.W. Pijls\n\nen\n\n [geïntimeerde] B.V. ( [geïntimeerde] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats2]\n\nadvocaat: mr. S. Booij\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant1] en [appellant2] , hierna gezamenlijk: [appellanten] , hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 12 februari 2025 tussen partijen is uitgesproken door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven\n\n• de memorie van antwoord\n\n• een akte van [appellant1] en [appellant2] met de producties 22 tot en met 26\n\n• een akte van [appellant1] en [appellant2] met productie 27\n\n• een formulier van [geïntimeerde] met productie 7\n\n• het verslag van de mondelinge behandeling die op 14 april 2026 is gehouden (het proces-verbaal). Partijen hebben het hof aan het eind van de zitting gevraagd een arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [appellant2] heeft in maart 2022 voor een partij zogenaamde Pure Ghee Butter die zou moeten worden afgeleverd in Saoedi-Arabië een bestelling geplaatst bij [naam1] . In april 2022 heeft [appellant2] daarvoor € 126.282 betaald op een rekening van [naam1] . De levering is niet verricht. [appellant2] heeft in augustus 2022 een tweede bestelling geplaatst voor een bedrag van € 251.748. Zij heeft toen € 94.303,50 aan [naam1] betaald. Ook die bestelling heeft niet tot levering geleid. [appellant2] heeft daarna in december 2022 bij [geïntimeerde] een partij Ghee Butter besteld, die door [geïntimeerde] is afgeleverd in Koeweit. [appellant1] heeft daarvoor € 195.039 aan [geïntimeerde] betaald.\n\n2.2. \n [appellanten] stellen zich op het standpunt dat de levering door [geïntimeerde] een vervanging was van de niet-uitgevoerde bestellingen van maart en augustus 2022 en dat de door [geïntimeerde] geleverde producten al zijn betaald met wat eerder door [appellant2] aan [naam1] voor die bestellingen is voldaan. Volgens [appellanten] is daarmee de betaling door [appellant1] voor de wel geslaagde levering door [geïntimeerde] onverschuldigd, althans is [geïntimeerde] op grond van wanprestatie of onrechtmatig handelen jegens [appellant2] aansprakelijk voor de schade als gevolg van de niet-uitgevoerde maar wel betaalde bestellingen, althans is [geïntimeerde] ten koste van [appellanten] verrijkt doordat zij van [naam1] een betaling heeft ontvangen.\n\n2.3. \n [appellanten] hebben op deze gronden bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld, primair tot betaling aan [appellant1] van € 195.039, subsidiair tot betaling aan [appellant2] van € 220.585,50, meer subsidiair tot betaling aan [appellant1] of [appellant2] van € 75.524,40 althans door de rechtbank te bepalen bedragen, in alle gevallen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 september 2023 of 4 januari 2024 of de dag van dagvaarding, en met een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 2.725,39, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.\n\n2.4. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen.\n\n2.5. Het hof zal beslissen, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank, dat de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen en licht dat hierna toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n3.1. Het hof moet ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft vanwege de internationale aspecten van de zaak. [appellant1] en [appellant2] zijn immers gevestigd in Koeweit en de Verenigde Arabische Emiraten. Omdat [geïntimeerde] in Nederland is gevestigd is de Nederlandse rechter bevoegd van de tegen [geïntimeerde] ingestelde vorderingen kennis te nemen.3.2. Het hof gaat er met partijen vanuit dat het geschil moet worden beoordeeld met toepassing van het Nederlandse recht, omdat partijen niet hebben gegriefd tegen de toepassing van dat recht door de rechtbank.\n\nDe feiten\n\n3.3. \n [appellant1] en [appellant2] maken deel uit van een groep van vennootschappen. Aan het hoofd van die groep staat [naam2] (Holding), een vennootschap die is opgericht in de Verenigde Arabische Emiraten. Naast [appellant1] en [appellant2] maakt [naam3] . ( [naam3] ), die is gevestigd in Saoedi-Arabië, deel uit van deze groep. De kernactiviteit van deze groep is de productie van en de handel in bakkerij- en banketgrondstoffen en aanverwante machines.\n\n3.4. \n [geïntimeerde] is een in Nederland gevestigde vennootschap die is gespecialiseerd in de levering van zuivelproducten. [naam1] is ook een dergelijke vennootschap. Tussen deze vennootschappen, die niet tot hetzelfde concern of groep behoren, bestond sinds ongeveer begin 2022 een samenwerkingsverband, dat er in voorzag dat [naam1] als agent potentiële klanten aanbracht bij [geïntimeerde] , die vervolgens een overeenkomst met die partij kon sluiten. In een voor deze samenwerking opgesteld intern stuk staat daarover het volgende:\n\n“- Eindklant betaalt 100% verkoopprijs aan [geïntimeerde] [ [geïntimeerde] ; verduidelijking hof], facturatie door [geïntimeerde]\n\n- [naam1] factureert [geïntimeerde] een 'agent-commissie'. Deze commissie is het verschil tussen de\n\nverkoopprijs van [geïntimeerde] aan klant en de Kostprijs\u002Finkoopprijs van [geïntimeerde] van het betreffende product. [geïntimeerde] heeft het recht bij nog resterende openstaande schuld (een deel van) de gefactureerde commissie te verrekenen met deze schuld, e.e.a. in overleg met [naam1] ”.3.5. Vertegenwoordigers van [naam2] \u002F [appellant1] \u002F [appellant2] hebben in februari 2022 kennis gemaakt met [naam1] en [geïntimeerde] tijdens een tentoonstelling in Dubai. [naam1] en [geïntimeerde] hadden op die tentoonstelling een gezamenlijke stand. 3.6 [appellant2] heeft na die kennismaking op de tentoonstelling in Dubai een bestelling geplaatst bij [naam1] voor de levering van een partij Pure Butter Ghee ‘Natour’ voor een bedrag van € 126.282 (te weten 1560 boxes voor € 80,95 per box van 9 kg). Op de (pro forma) factuur van [naam1] voor die bestelling van 22 maart 2022 staan onder meer de bankgegevens van [naam1] , het logo van [naam1] en dat van [geïntimeerde] , en een stempel van [naam1] . [appellant2] heeft het gefactureerde bedrag op 7 april 2022 aan [naam1] betaald.\n\n3.7. De levering van het bestelde product zou moeten plaatsvinden bij [naam3] in Saoedi-Arabië, maar die levering heeft vanwege het ontbreken van een voor import in dat land noodzakelijk ‘halal-certificaat’ niet plaatsgevonden. Het daarvoor betaalde bedrag is niet aan [appellant2] terugbetaald.\n\n3.8. \n [appellant2] heeft in augustus 2022 een tweede bestelling bij [naam1] geplaatst voor hetzelfde product (te weten 25.200 kg voor € 9,99 per kg) en met dezelfde bestemming in Saoedi-Arabië. De prijs voor die bestelling was € 251.748. [appellant2] heeft daarvoor een factuur (‘Quotation’) ontvangen, met daarop onder meer de bankgegevens van [geïntimeerde] en de logo’s van [naam1] en [geïntimeerde] . [appellant2] heeft dit bedrag niet volledig voldaan. Zij heeft 11 oktober 2022 € 94.303,50, niet op de in de Quotation genoemde bankrekening van [geïntimeerde] , maar op een rekening van [naam1] betaald.\n\nAan die betaling gingen e-mails tussen [naam1] aan [naam2] van september\u002Foktober 2022 vooraf. In een e-mail van [naam1] van 27 september 2022 staat het volgende:\n\n“Dear [naam4] ,\n\nPlease to confirm as per below: and attached the Proforma lnvoice.\n\nPARTICULAR AMOUNT ACCOUNTS PAYABLE\n\nFIRST PAYMENT € 126.282,00\n\nFINAL QUOTATION -APPROVED € 251,748.00\n\n50% - DEPOSIT € 63,141.00\n\n505 - TO BE ADJUSTMENT IN FINAL ORDER € 63,141,00\n\nTOTAL PAYABLE € 188,607,00\n\nNOTE: APPROVED PRICE FOR C\u002FF-TO SAUDI ARABIA\n\nFor now, we will be preparing for the Booking schedule and your Product is fresh - production Date is\n\nSeptember 2022.\n\nOnce again, thank you so much”\n\nDoor [naam2] is daarop op diezelfde dag de volgende betaalinstructie gegeven:\n\n“Please proceed with the 50% payment of the remaining balance € 188,607 euro from attached order”.\n\n Ook de levering op basis van deze bestelling heeft, om dezelfde reden als voor de eerste bestelling, niet plaatsgevonden. Het door [appellant2] betaalde bedrag is niet aan haar terugbetaald.\n\n3.9. In oktober 2022 hebben [naam1] en [geïntimeerde] in e-mails over het uitblijven de leveringen contact gehad met elkaar. In een e-mail van 19 oktober 2022 van [geïntimeerde] ( [naam7] ) aan [naam1] staat onder meer, met als bijlagen een aantal contracten:\n\n“Dear [naam5] good evening,\n\nAttached you will find the contracts for the below first order for [naam2] \u002F [appellant2] .\n\nI have put shipment in November to Jeddah (exact date to be confirmed)\n\nFollowing actions to be done now:\n\n> transfer the prepayment of [naam2] \u002F [appellant2] already received by [naam1] to [geïntimeerde] with clear description that this concerns [naam2] \u002F [appellant2] prepayment of order [ordernummer]\n\n(…)\n\nChecking the stock level, I do not think there is enough pure butter ghee with the new label to fulfill this order, so some extra production to be scheduled on short term.\n\n(…) I will check with our QA department for the Halal certification that is also needed for this shipment (was scheduled for last or this week at [naam10] , so should be confirmed and documented soon) (…)”.\n\n3.10. Op 20 oktober 2022 heeft [naam1] op dit verzoek van [geïntimeerde] € 75.524,50 aan [geïntimeerde] doorbetaald. Op het betaalbewijs daarvan is bij de omschrijving verwezen naar ‘ [naam2] \u002F [appellant2] prepayment of order [ordernummer] ’. Dat bedrag correspondeert met 30% van het door [naam1] voor de tweede bestelling ontvangen bedrag.\n\n3.11. In december 2022 is vervolgens overleg geweest tussen [geïntimeerde] en [naam2] \u002F [appellant2] \u002F [appellant1] om alsnog een levering tot stand te brengen. Tussen een vertegenwoordiger van [naam2] ( [naam6] ) en van [geïntimeerde] ( [naam7] ) is daarover in december 2022 in e-mails over en weer gecommuniceerd.\n\n3.12. \n [geïntimeerde] heeft vervolgens een factuur van 4 januari 2023 op naam van [appellant2] verstrekt. Op de factuur is [appellant1] als ontvanger aangemerkt. Daarna is de partij bij [appellant1] in Koeweit afgeleverd. Volgens de factuur gaat het om 25.005 kilogram Ghee regular voor € 7,80 per kg, voor een totaalprijs van € 195.039,-. Als ‘payment terms’ is op de factuur vermeld dat 30% ‘in advance’ betaald moet worden en 70% ‘against copy of documents’. Op de factuur wordt verwezen naar het contractnummer [contractnummer] . [appellant1] heeft deze factuur op 23 januari 2023 aan [geïntimeerde] betaald.\n\n3.13. \n [naam1] is op 4 april 2023 failliet verklaard.\n\n3.14. \n\n [appellant1] en [appellant2] hebben [geïntimeerde] , voor het eerst op 25 september 2023 en daarna op\n\n11 maart 2024 en 14 maart 2024, gesommeerd tot terugbetaling van het aan haar betaalde bedrag.\n\nDe beoordeling\n\nonverschuldigde betaling\u002F wanprestatie\u002F onrechtmatig handelen?\n\n3.15. \n [appellanten] baseren hun vorderingen primair op onverschuldigde betaling: doordat [geïntimeerde] de bestellingen van maart 2022 en augustus 2022 niet had geleverd, is volgens hen de afspraak gemaakt (is overeengekomen) in december 2022 dat de levering van januari 2023 niet (nogmaals) betaald hoefde te worden omdat voor de eerdere niet-uitgevoerde leveringen al € 220.585,50 was betaald. De levering van januari 2023 verving aldus de niet-uitgevoerde maar wel betaalde eerdere bestellingen. Daarom moet [geïntimeerde] € 195.039 terugbetalen, aldus [appellanten]3.16. Op [appellanten] rust de bewijslast van de feiten en omstandigheden die de op deze grondslag ingestelde vordering kunnen dragen. Zij moet de feiten en omstandigheden stellen waaruit kan volgen dat de betaling van het bedrag van € 195.039 zonder rechtsgrondis gedaan. [geïntimeerde] heeft dat gemotiveerd betwist: volgens haar is de door [appellant1] gedane betaling gebaseerd op de overeenkomst die in december 2022 is gesloten.\n\n3.17. Voor het antwoord op de vraag of partijen de door [appellanten] gestelde afspraak hebben gemaakt komt het aan op een uitleg en waardering van de gedragingen en verklaringen van partijen jegens elkaar om vast te stellen wat zij op basis daarvan over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waarbij ook aan de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten van maart en augustus 2022 en aan de rol en positie van [naam1] betekenis kan toekomen.\n\n3.18. Een bouwsteen in het betoog van [appellanten] dat sprake is van onverschuldigde betaling is dat [geïntimeerde] partij bij de niet-uitgevoerde overeenkomsten is (geworden) en op grond daarvan jegens [appellant2] een leveringsverplichting op zich heeft genomen. Ook het antwoord op de vraag of dat zo is vergt uitleg van de verklaringen en gedragingen van partijen conform de genoemde Haviltex-maatstaf, om vast te stellen wat zij op grond daarvan over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. Ook gedragingen en verklaringen van na het sluiten van die overeenkomsten kunnen bijdragen aan de vraag wie partij daarbij is geworden, en wat de inhoud van die overeenkomsten is.\n\n3.19. \n [appellanten] hebben niet gesteld dat zij over de inhoud van de overeenkomst rechtstreeks met [geïntimeerde] hebben onderhandeld of anderszins contact hebben gehad; zij hebben in eerste aanleg verklaard dat zij alleen met [naam1] via e-mail contact hebben gehad. Dat sluit aan bij wat [geïntimeerde] daarover heeft aangevoerd. Volgens haar is zij pas in oktober 2022 door [naam1] over diens leveringsproblemen geïnformeerd en heeft zij voor het eerst in december 2022 contact gehad met de bestuurder van [naam2] , de moedermaatschappij van [appellanten] Van enige rechtstreekse betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de totstandkoming van die overeenkomsten is niet gebleken.\n\n3.20. Ook anderszins zijn noch voor het eerste contract in maart 2022 noch voor het contract van augustus 2022 voldoende concrete en overtuigende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat toen op [geïntimeerde] jegens [appellant2] een leveringsverplichting is komen te rusten, bijvoorbeeld doordat [naam1] van [geïntimeerde] de bevoegdheid had gekregen haar te binden of dat [geïntimeerde] de schijn heeft gewekt dat van een dergelijke bevoegdheid sprake was. [appellanten] hebben in dat verband overigens gesteld dat zij van de interne afspraken van [naam1] en [geïntimeerde] niet op de hoogte waren. Het feit dat [naam1] en [geïntimeerde] een gezamenlijke stand op de tentoonstelling op de beurs hadden en de wijze van facturering van de eerste twee bestellingen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een dergelijke contractuele binding van [geïntimeerde] aan [appellant2] (of [appellant1] ). Dat op beide facturen voor die bestellingen het logo van [geïntimeerde] voorkomt is kennelijk te verklaren uit de samenwerking tussen die partijen, maar los daarvan, op dat logo kan als zodanig geen (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid of binding van [geïntimeerde] worden gebaseerd. Dat geldt ook voor het feit dat op de Quotation de bankgegevens van [geïntimeerde] staan. Dat gegeven is kennelijk voor [appellant2] geen reden geweest om dan ook aan [geïntimeerde] te betalen: zij betaalde het op die Quotation genoemde bedrag, dat door [naam1] en niet door [geïntimeerde] is berekend in de e-mail van 27 september 2022 (zie 3.8), aan [naam1] , net als de betaling voor de eerste bestelling. [appellant2] ging er dus kennelijk steeds vanuit dat [naam1] haar contractspartij was. Voorzover [appellant2] derhalve heeft gesteld dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [naam1] ook [geïntimeerde] tot contractspartij maakte is daarvoor in deze feiten onvoldoende steun te vinden. Dat geldt ook voor de stelling dat [appellant2] voor deze bestellingen bevrijdend aan [geïntimeerde] heeft betaald, althans dat deze betalingen kunnen worden toegerekend aan de derde bestelling.\n\n3.21. Dat wordt niet anders als hierbij de e-mailwisseling in december 2022 tussen [geïntimeerde] en [naam2] wordt betrokken. Daarin leest het hof, anders dan [appellanten] doen, niet dat [geïntimeerde] daarmee te kennen heeft gegeven dat zij (alsnog) partij was bij de eerste twee, niet uitgevoerde, overeenkomsten. [appellanten] hebben daarbij vooral gewezen op de door [naam7] gekozen woorden ‘we have a contract’ en dat sprake was van een ‘closed and prepaid contract’ waaruit dat volgens [appellanten] zou volgen. Het hof legt de e-mails anders uit.\n\nDe relevante inhoud van e-mails is als volgt:\n\nIn een e-mail van 20 december 2022 (van [naam7] namens [geïntimeerde] ):\n\n“Dear [naam8] ,\n\nOnce again thanks for the teams call this morning.\n\nLike we discussed an issue occurred by the fact there is contracted 1 full container of Pure Butter Ghee at a price of € 9.99\u002Fkg CIF Jeddah.\n\nThis container was contracted at the beginning of this year and fully prepaid by [appellant2] but has not been delivered to Saudi Arabia because of missing Halal certification.\n\nMeanwhile this container has been produced and is ready for shipping as soon as Halal certification arrives (the company providing the certificates confirmed already all is ok verbally).\n\nThe situation we (you and me) are facing now is that Ghee is offered at lower levels, and we have a contract and costs price at higher levels. This we need to solve. You informed me already that most likely you will not ship the Ghee to Saudi Arabia anymore but towards Kuwait\u002F Lebanon or UAE, but you need a better price for that.\n\nFrom my side it will be difficult to adjust the price of a closed and prepaid contract.\n\nOn the other hand, 1 want to help you and I have a responsibility for that.\n\nTo solve the situation, 1 would like to propose as follows:\n\n1. container at € 9,99\u002Fkg (the pending order)\n\n2 containers at € 7.50\u002Fkg\n\nOn average the price will be 8.33\u002Fkg CIF tor these 3 containers (Kuwait \u002F Lebanon or UAE)\n\nDelivery shipment January \u002F February (depending on your instructions)\n\nTo prevent prepayments from your side in a way we had them in 2022, 1 would suggest in future prepayments of [appellant2] will be on our account 1 week prior to shipment. In this way we avoid a big part of the issues we have had during this year.\n\n [naam8] , note the above-mentioned solution is a losing operation for us, but I really believe in the fact that we will work together in a good and professional way. Therefore, I will take this loss in order to start building our relationship and do not want to stop it before it is started.\n\nFurthermore, I will inform you as soon as our Halal certification is finished, because than we could also consider shipments to Jeddah again.\n\nI am looking forward to your confirmation (hopefully before x-mas) on the above and hope this will be a start for a fruitful co-operation between us.”\n\n [naam2] is met het voorstel in deze e-mail niet akkoord gegaan, zo blijkt uit een e-mail van 20 december 2022:\n\n“Hi [naam9] ,\n\nThanks for your prompt reply,\n\nKindly note that this order is considered a trial order, hence I can not risk buying 3 containers for a product that I didn't try yet\n\nPlease note that I can not proceed with your offer, if you can amend the offer to somewhere between 7.5-7.8 per kg, I will ship it asap to end this dilemma”\n\nNa enig onderhandelen worden partijen het eens over een prijs van € 7,80 per kg.3.22. In de e-mail van [naam7] niet wordt gerefereerd aan de eerste bestelling, maar kennelijk alleen aan de tweede gezien de verwijzing naar de prijs per kilogram; een binding aan de eerste overeenkomst ligt om die reden al niet zonder meer voor de hand. Los daarvan, de mails zijn geschreven nadat [geïntimeerde] door [naam1] in oktober 2022 was geïnformeerd over de problemen met de levering van de tweede bestelling in Saoedi-Arabië, en [geïntimeerde] dat probleem wilde oplossen in lijn met de afspraken die zij in de samenwerkingsovereenkomst met [naam1] had gemaakt (en waarvan [appellanten] niet op de hoogte waren). [appellanten] hebben ook verder onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] op de hoogte was van de eerste bestelling waarvoor door [naam1] € 126.282 in rekening is gebracht.\n\n [appellant2] had over het op grond van de tweede bestelling te leveren product al prijsafspraken met [naam1] gemaakt en in verband daarmee € 94.303,50 aan [naam1] voldaan. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] van deze tweede bestelling en betaling op de hoogte was toen zij in oktober 2022 is geïnformeerd door [naam1] .\n\n [appellant2] wilde kennelijk een aanpassing van de prijs en daarover zijn onderhandelingen gevoerd. In het kader daarvan heeft [naam7] een aantal voorstellen gedaan, tegen de achtergrond dat sprake was van een contract dat ‘closed and prepaid’ was terwijl inmiddels de kostprijzen zijn veranderd. [naam7] doet daarom een voorstel voor drie verdere leveringen met als gevolg een middeling van de prijs. Het hof leest de woorden ‘we have a contract’ dan ook in het kader van deze onderhandelingen en niet zo letterlijk zoals [appellanten] dat doen en verbindt daaraan niet de conclusie dat [geïntimeerde] als contractspartij al een leveringsverplichting had jegens [appellant2] . Ook het feit dat [naam7] zich verantwoordelijk achtte (‘responsibility’) leidt niet tot die conclusie. De betaling van € 75.524,40 en het sales-contract met als datum 19 oktober 2022- een intern stuk tussen [geïntimeerde] en [naam1] - moeten eveneens worden bezien tegen de achtergrond dat [geïntimeerde] de leveringsproblemen van [naam1] wilde oplossen, en niet als een bevestiging dat [geïntimeerde] een overeenkomst met [appellant2] had. Dat [naam7] schrijft dat hij het verlies wil nemen (‘take this loss’) moet zo worden begrepen dat dit ziet op de het verschil tussen de productiekosten en dalende marktprijzen, waaraan hij in de eerste alinea van zijn e-mail refereert. Ter zitting bij het hof heeft [geïntimeerde] nader toegelicht dat zij de verzendkosten voor de levering in Koeweit voor haar rekening heeft genomen die in het algemeen voor rekening van de afnemer zouden zijn gekomen. Het verlies nemen waarover wordt gesproken moet ook tegen die achtergrond worden bezien. Uit de e-mails blijkt dat het voor [geïntimeerde] ging om het opbouw van een relatie (‘start building our relationship) en dat het voor [appellanten] . ging om een ‘trial order’. Ook dat wijst niet op een eerdere contractuele relatie.\n\n3.23. Het argument van [appellanten] dat sprake is van onverschuldigde betaling voor de uitgevoerde levering vanwege de contractuele binding van [geïntimeerde] aan de eerdere overeenkomsten is dus niet valide.\n\n3.24. Dat laat echter onverlet, althans dat sluit niet uit, dat ook zonder die binding de afspraak kan zijn gemaakt dat [geïntimeerde] voor de levering niet door [appellant2] of [appellant1] betaald kreeg.\n\n3.25. Uit wat door [appellanten] is gesteld en ter onderbouwing daarvan aan schriftelijke stukken is overgelegd valt niet af te leiden dat een afspraak met de door [appellanten] gestelde inhoud is gemaakt. Door [appellanten] wordt ook daarvoor sterk geleund op de e-mail van de zijde van [geïntimeerde] van 20 december 2022, waarvan de inhoud hiervoor in 3.21 is weergegeven en waaraan het hof hiervoor een uitleg heeft gegeven in het kader van de vraag of daaruit volgt dat [geïntimeerde] contractspartij was van [appellant2] bij de eerste overeenkomsten. Die uitleg is ook relevant voor de vraag of de gestelde afspraak is gemaakt. Ook die vraag beantwoordt het hof op basis van die uitleg ontkennend. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.\n\n3.26. In de e-mail wordt niet met zoveel woorden of anderszins specifiek stil gestaan bij de vraag of voor de levering betaald moet worden of niet, omdat die al eerder zou zijn betaald, of dat een beroep werd gedaan op verrekening met wat al eerder door [appellanten] was betaald aan [naam1] , bijvoorbeeld het bedrag van € 94.303,50. Woorden met die concrete inhoud of van die strekking zijn in de e-mails van 20 december 2022 en de reactie daarop van de zijde van [naam2] (optredende namens [appellanten] ) niet te lezen. Dat van de zijde van laatstgenoemde daaraan geen woord wordt gewijd is opvallend, omdat zij daarbij het meeste belang had, gezien de eerdere betalingen. Daarbij komt dat op initiatief van die zijde over een aanpassing van de prijs is onderhandeld, zoals onweersproken door [geïntimeerde] is gesteld, en dat daarover een akkoord is bereikt. Dat roept de – onbeantwoorde – vraag op waarom [naam2] het initiatief tot die onderhandeling om tot een lagere prijs te komen heeft genomen, indien zij ervan uitging dat de levering toch niet betaald hoefde te worden. [geïntimeerde] mocht er gezien die onderhandelingen redelijkerwijs op vertrouwen dat zij conform de uitonderhandelde prijs betaald zou krijgen, althans hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd op grond waarvan [geïntimeerde] heeft moeten begrijpen dat dit niet het geval was.\n\n3.27. \n\nDat wordt niet anders als daarbij acht wordt geslagen op de in verband met de levering in Koeweit opgemaakte stukken en dat geen aanbetaling is gevraagd, welke omstandigheden volgens [appellanten] hun standpunt ondersteunen. Volgens [appellanten] is de factuur van 4 januari 2023 slechts om administratieve redenen opgemaakt in verband met een andere prijs en bestemming en douaneformaliteiten. Dat kan uit de factuur zelf niet worden afgeleid; dat de factuur ook volgens [geïntimeerde] slechts deze functie had is ook verder onvoldoende onderbouwd; niet is gesteld of gebleken op grond waarvan ook [geïntimeerde] hiervan uitging. Dat op 19 januari 2023 in het Supplier Creation Formdat is opgemaakt om te voldoen aan invoerformaliteiten voor de levering in Koeweit als betalingsvoorwaarden ‘Prepayment’ zijn genoemd legt daarbij ook niet voldoende gewicht in de schaal, omdat door [geïntimeerde] onweersproken is gesteld dat dit formulier algemene informatie betreft en niet specifiek ziet op deze transactie. In het formulier wordt ook niet verwezen naar deze transactie.\n\nHet staat op zich vast dat geen aanbetaling is gevraagd, terwijl dat wel op de factuur van januari 2023 staat. Niet gesteld of gebleken is echter dat daarover in december 2022 is gesproken en op grond waarvan [geïntimeerde] bij [appellanten] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij door het niet vragen van een aanbetaling helemaal van betaling af zou zien.\n\n3.28. \n [appellanten] hebben ook nog een beroep gedaan op een verklaring van de bestuurder van [naam1] . Ook met de inhoud van die verklaring heeft [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat de afspraak waarop [appellanten] zich beroept is gemaakt, deze verklaring zowel op zich zelf bezien als in samenhang met de andere gestelde feiten en omstandigheden. De verklaring luidt als volgt:\n\n“(…) In March\u002F April 2022, [appellant2] placed an order with [naam1] for an amount of € 126,282. That amount was prepaid by [appellant2] to [naam1] on April 7, 2022.\n\nDue to circumstances, this order was cancelled. From that moment on, [appellant2] had a credit on [naam1] of € 126,282 that would be settled with the next new order. [geïntimeerde] agreed.\n\nThe next order took a very long time due to [geïntimeerde] 's incorrect working method, but was completed through delivery and invoicing in January 2023. This resulted in an invoice from [geïntimeerde] to [appellant2] of € 195,039. [appellant2] had again paid an amount in advance to [naam1] on that invoice, i.e. € 94,303,50 on October 4, 2022. In accordance with agreement with [geïntimeerde] , € 75,524.40 of the latter advance payment was paid by [naam1] to [geïntimeerde] on 20 October 2022, on condition that delivery by [geïntimeerde] to [appellant2] would take place without [appellant2] having any payment obligation towards [geïntimeerde] .\n\nIn total, [appellant2] has therefore paid € 220,585.50 to [naam1] , [naam1] has settled with [geïntimeerde] in accordance with the agreement. The amount overpaid by [appellant2] , i.e. € 220,585.50 minus €195,039 = € 25,546.50 should have been repaid by [geïntimeerde] to [appellant2] . [naam11] has taken care of that amount without obligation by offsetting with [appellant2] and is trying to recover it from [geïntimeerde] . It now appears that [appellant2] also paid the latter invoice of € 195,039 to [geïntimeerde] , which is completely unjustified. [geïntimeerde] received that amount incorrectly. It would have been morally right for them to have returned that receipt immediately. Now that it appears that this has not happened, I advise [appellant2] to take immediate action against [geïntimeerde] , if necessary using all legal means. Where possible, I would like to support them wholeheartedly. In summary: [appellant2] paid twice, 1 time to [naam1] and 1 time to [geïntimeerde] . The payment to [naam1] has been accepted by [geïntimeerde] as payment of the delivery and has been incorporated into the current account relationship with [naam1] . After receiving that payment to [naam1] , [geïntimeerde] delivered to [appellant2] . After that, [appellant2] paid [geïntimeerde] again by mistake. [geïntimeerde] is therefore obliged to return this wrongful payment to [appellant2] .”\n\n3.29. Volgens [geïntimeerde] is deze bestuurder [geïntimeerde] niet goedgezind omdat [geïntimeerde] het faillissement van [naam1] heeft aangevraagd. Dat kan zo zijn, maar dat maakt de verklaring om die reden niet direct ongeloofwaardig. Belangrijker is dat [appellanten] niet hebben gesteld dat deze bestuurder betrokken is geweest bij de totstandkoming van de afspraken die in december 2022 zijn gemaakt, en welke rol hij daarbij heeft gespeeld en waaraan hij zijn wetenschap ontleent. Daarbij komt dat de verklaring op onderdelen in strijd is met de door [appellanten] zelf gestelde en vaststaande feiten. Zo verklaart de bestuurder dat B& F een aanbetaling op de factuur van [geïntimeerde] van januari 2023 heeft gedaan, terwijl die aanbetaling volgens [appellanten] betrekking heeft op de tweede bestelling. Verder is de verklaring een beschrijving van de gang van zaken, die in grote lijnen overeenstemt met de standpunten van partijen, en wat betreft de betaling van ruim € 75.000,- met het standpunt van [geïntimeerde] dat dat in lijn was met de afspraken tussen [naam1] en [geïntimeerde] . Maar uit de verklaring blijkt niet van enige afspraak tussen [geïntimeerde] en [appellanten] , noch dat [geïntimeerde] contractueel tot levering verplicht was als het gaat om de eerste twee bestellingen. De bestuurder heeft het in dat verband over een morele verplichting.\n\n3.30. Bij gebrek aan toereikende onderbouwing ziet het hof geen grond voor het honoreren van het bewijsaanbod van [appellanten] dat slechts inhoudt dat de bestuurder van [naam1] als getuige gehoord zou moeten worden. Dat aanbod is daarvoor bovendien niet specifiek genoeg. Er is gesteld dat deze bestuurder het nodige kan verklaren, maar niet is aangeboden feiten te bewijzen die, indien juist, tot een ander oordeel zouden leiden, dan wel is het aanbod niet ter zake dienend gelet op wat het hof al heeft geoordeeld over de door [appellanten] gestelde feiten.\n\nTussenconclusie\n\n3.31. Al het voorgaande betekent i) dat niet blijkt dat sprake is van onverschuldigde betaling en ii) dat niet blijkt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die een gevolg is van het niet uitvoeren van de eerste twee bestellingen. De op die grondslagen gebaseerde primaire en subsidiaire vorderingen zijn niet toewijsbaar. De schadevergoedingsvordering is dat ook niet voorzover die is gebaseerd op onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . [appellanten] heeft niet voldoende gesteld om dat onrechtmatig handelen, dat niet zonder meer uit de feiten volgt, aan te nemen. De grievendie er toe strekken dat de vordering op deze grondslagen kunnen worden toegewezen falen.\n\nongerechtvaardigde verrijking\n\n3.32. De meer subsidiaire vordering tot betaling van € 75.524,40 is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Die is toewijsbaar indien [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [appellant1] of [appellant2] (die zijn verarmd) zodat [geïntimeerde] , voorzover dit redelijk is, de schade die zij daardoor lijden moet vergoeden tot het bedrag van haar verrijking.\n\n3.33. \n [appellant2] (en niet [appellant1] ) heeft het genoemde bedrag aan [naam1] betaald zonder dat zij daarvoor een daarmee corresponderende tegenprestatie heeft ontvangen. Zij heeft dit bedrag niet terugontvangen. Aannemelijk is daarom dat [appellant2] door de betaling van het genoemde bedrag is verarmd. [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd dat [appellant2] mogelijk nog een vordering op [naam1] heeft, maar dat gegeven betekent als zodanig niet dat [appellant2] niet kan zijn verarmd ( [naam1] biedt overigens geen verhaal voor die vordering, gezien de stand van zaken in dat faillissement, waarbij geen uitkering aan faillissementscrediteuren is te verwachten).\n\n3.34. \n [geïntimeerde] is er vanwege de samenwerkingsafspraken met [naam1] vanuit gegaan dat [naam1] het bedrag terug moest betalen aan [appellant2] en dat zij gehouden was het bedrag met dat doel aan [naam1] terug te betalen. Zij stelt dat te hebben gedaan doordat zij haar schuld (terugbetaling aan [naam1] ) heeft verrekend met een vordering van haar op [naam1] uit andere hoofde. Indien dat juist is betekent dat dat [geïntimeerde] is verrijkt: zij heeft daarmee immers een verrekeningsmogelijkheid gekregen en benut, die zij niet zou hebben gehad indien zij het bedrag van ruim 75.000, - niet zou hebben ontvangen. Zij heeft dit bedrag ontvangen waar volgens haar eigen stellingen geen tegenprestatie van haarzelf tegenover staat. [geïntimeerde] heeft de ruim € 75.000,- immers aan zichzelf laten overmaken als ‘prepayment’ (zie rov. 3.9), maar heeft vervolgens het volle afgesproken bedrag voor de levering van januari 2023 van [appellant1] ontvangen, zonder dat zij op die factuur het ten titel van aanbetaling van [naam1] ontvangen bedrag daarop in mindering heeft gebracht. Voor de ontvangst van de ruim € 75.000,- is dan ook geen rechtvaardiging te vinden in de met [appellant2] gesloten overeenkomsten. Tussen de verarming van [appellant2] en de verrijking van [geïntimeerde] bestaat daarmee voldoende verband. Het is in de gegeven omstandigheden redelijk dat [geïntimeerde] dit bedrag aan [appellant2] terugbetaalt; niet valt in te zien dat [appellant2] van de gang van zaken en van het faillissement van [naam1] de dupe moet worden.\n\n3.35. Het hof zal daarom de meer subsidiaire vordering toewijzen, met daarover de gevorderde en als zodanig niet bestreden wettelijke rente met ingang van 25 september 2023 tot aan de dag van algehele betaling. Met het oog daarop zal het bestreden vonnis van de rechtbank worden vernietigd.\n\n3.36. Ook de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (de vordering sub VIII in de akte vermeerdering eis van 25 november 2024) is, als zijnde niet weersproken, toewijsbaar. Naar aard en omvang voldoen deze kosten aan de dubbele redelijkheidstoets. Daarbij gaat het hof er, gelet op het vermelde in de inleidende dagvaarding onder 74 en 81, vanuit dat het in de akte genoemde bedrag van € 2.750,39 een verschrijving is en van het bedrag van € 2.725,39 moet worden uitgegaan.\n\nDe conclusie\n\n3.37. Het hoger beroep slaagt deels. Omdat [geïntimeerde] grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten van [appellant2] zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Daarbij gaat het hof wat betreft het salaris van de advocaat uit van het toegewezen bedrag. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.Deze uitspraak brengt mee dat [appellant2] de proceskosten voor de procedure in eerste aanleg niet meer verschuldigd zijn. Het kan zijn dat zij die inmiddels aan [geïntimeerde] heeft betaald, maar een vordering tot terugbetaling heeft zij niet ingesteld, zodat het hof [geïntimeerde] daartoe niet kan veroordelen.\n\n3.38. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 12 februari 2025 voorzover de vorderingen van [appellant2] zijn afgewezen, beslist in zoverre opnieuw, en bekrachtigt het vonnis voor het overige:\n\n4.2. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant2] van € 75.524,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2023 tot de dag van volledige betaling;\n\n4.3. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant2] van € 2.725,39 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten;\n\n4.4. \n\nveroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 6.617 aan griffierecht\n\n€ 115,12 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 2.428 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2 procespunten x het destijds geldende tarief in tariefgroep IV)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] in hoger beroep:\n\n€ 6.803 aan griffierecht\n\n€ 122,25 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 4.704 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2 procespunten x het per 1 februari 2026 geldende tarief in tariefgroep IV)\n\n4.5. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n4.6. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.7. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. M.A.M. Essed en mr. A.L. Goederee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Het vonnis is gepubliceerd onder RBMNE:2025:323.\n\n Artikel 4 Brussel I bis (Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).\n\n Artikel 6:203 BW\n\n Conform de zogenoemde Haviltex-maatstaf\n\n In de woorden [appellanten] : is toegetreden tot die overeenkomsten\n\n Productie 27\n\n Productie 25\n\n Grieven I-III, met subgrieven bij grief II, en grief V\n\n artikel 6:212 BW\n\n Grief IV, VI en VII treffen doel\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4229","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:40.986Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":51,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":62,"summary":51,"language":7,"source":53,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":56,"updatedAt":64},"664","ECLI:NL:GHARL:2026:4226","ecli-nl-gharl-2026-4226","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.340.547\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 513216\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiser\n\nhierna: [appellant]\n\nadvocaat: mr. J.A.I. Verheul te Amsterdam\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde1]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als gedaagde\n\nen2. Wiflo Holding B.V.3. Extreme Tenders Holding B.V.4. Extreme Tenders B.V.5. Xtenders Shipyard B.V.6. Xtenders Custom B.V.7. Xtenders Yard B.V.8. Xtenders Carbon Solutions B.V.9. Extreme Tenders Shipyard B.V.10. Extreme Tenders Yard B.V.11. Xtenders Design B.V.12. Xtenders Production B.V.13. Xtenders Superyacht Solutions B.V.14. Xtenders Services B.V.15. Extreme Electric B.V.\n\ndie allen zaken doen in Almere en die bij de rechtbank optraden als gedaagden\n\nhierna samen: [geïntimeerden]en ieder afzonderlijk[geïntimeerde1]enXtenders c.s.\n\nadvocaat: mr. L.M. Noordzij te Amsterdam\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 11 oktober 2023tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis\n\n• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep\n\n• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep\n\n• de akte overlegging producties van [geïntimeerden]\n\n• de akte overlegging producties van [appellant]\n\n• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 12 mei 2026 is gehouden.\n\nNa de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n [appellant] had een overeenkomst tot de bouw van een schip op maat. Die overeenkomst is ontbonden en zijn vordering tot terugbetaling van het al betaalde bedrag is toegewezen. Omdat de bouwende vennootschap geen verhaal meer bood, is [appellant] een aansprakelijkheidsprocedure gestart tegen [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt treft en hem veroordeeld tot betaling van een deel van het gevorderde bedrag. De rechtbank heeft de vordering tegen Xtenders c.s. afgewezen. [appellant] wil dat zijn vordering alsnog volledig wordt toegewezen, zowel tegen [geïntimeerde1] als tegen Xtenders c.s. [geïntimeerde1] wil dat de tegen hem toegewezen vordering alsnog volledig wordt afgewezen. Dit alles zal hierna worden beoordeeld. Eerst zal worden beschreven wat de relevante feiten zijn en wat bij de rechtbank aan de orde was en door haar is beslist.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.1. Extreme Tenders Custom B.V. (hierna: ETC) richt zich op het (op maat) bouwen en verkopen van vaartuigen, tenders geheten. Deze tenders worden gewoonlijk gebruikt door bezitters van (super)jachten om van en naar hun jacht te komen.\n\n3.2. \n [geïntimeerde1] is (enig) statutair bestuurder van ETC. Enig aandeelhouder van ETC is Extreme Tenders Holding. Enig aandeelhouder van Extreme Tenders Holding is Wiflo Holding. [geïntimeerde1] is enig aandeelhouder van Wiflo Holding en enig bestuurder van zowel Wiflo Holding als Extreme Tenders Holding.\n\n3.3. \n\nDe partijen 4. t\u002Fm 15. zijn zustervennootschappen van ETC. Ook van deze\n\nvennootschappen is [geïntimeerde1] enig bestuurder en, via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding, enig aandeelhouder.\n\n3.4. Op 18 maart 2018 heeft [appellant] met ETC een koopovereenkomst (hierna: ‘de koopovereenkomst’) gesloten. Daarbij heeft [appellant] van ETC gekocht een op maat te bouwen carbon vaartuig, de Custom XTender 12.3M, building [nummer] (hierna ‘het vaartuig’ te noemen). De koopprijs bedroeg € 800.013. ETC had op dat moment geen activiteiten.\n\n3.5. ETC was een ‘special purpose vehicle’ dat wil zeggen dat alleen de bouw van dit vaartuig daarin werd uitgevoerd. Alle betalingen door de klant zijn bestemd voor die bouw en alles wat wordt gebouwd, is bestemd voor de klant.\n\n3.6. In de koopovereenkomst (artikel A-4) is bepaald dat het vaartuig zal worden geleverd twaalf maanden nadat de eerste betaling is ontvangen. In artikel A-7 is een betaalschema opgenomen voor de termijnbetalingen die verschuldigd worden nadat een bepaalde fase in de bouw van het vaartuig is aangevangen of afgerond. De betreffende termijn moet betaald worden tien dagen na ontvangst van de factuur. Als tijdige betaling uitblijft, zo bepaalt dit artikel verder, mag ETC verdere werkzaamheden opschorten.\n\n3.7. \n\nHet eerste bedrag van € 80.000, dat na het tekenen van de koopovereenkomst\n\nverschuldigd werd, is door [appellant] betaald (betaling i.) en op 22 maart 2018 in goede orde door ETC ontvangen. De leverdatum van het vaartuig was daarmee aanvankelijk 22 maart 2019.\n\n3.8. Na de eerste betaling heeft [appellant] in de periode tot en met 11 februari 2019 nog vijf facturen van ETC betaald, in totaal € 520.000, te weten:\n\n 12 oktober 2018 t.b.v. ‘acceptance final design’ ad € 80.000\n\n 30 oktober 2018 t.b.v. ‘start carbon production’ ad € 160.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘order engine’ ad € 80.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘start paintjob hull’ ad € 120.000 en\n\n 11 februari 2019 t.b.v. ‘delivery engine’ ad € 80.000.\n\nIn totaal heeft [appellant] vanaf maart 2018 tot en met februari 2019 € 600.000 betaald.\n\n3.9. ETC heeft de door haar van [appellant] ontvangen bedragen – op € 1.026 na – vrijwel onmiddellijk overgemaakt aan Extreme Tenders Holding (partij 3.) en Extreme Tenders (partij 4.), te weten:\n\n€ 40.000 op 29 maart 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 39.974 op 3 april 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 80.000 op 12 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling ii.)\n\n€ 159.000 op 31 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling iii.)\n\n€ 200.000 op 6 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betalingen iv. en v.)\n\n€ 50.000 op 28 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.) en\n\n€ 30.000 op 1 maart 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.).\n\n3.10. In februari en maart 2019 heeft [appellant] viermaal bij [geïntimeerde1] geïnformeerd naar de voortgang van de bouw van het vaartuig.\n\n3.11. Op 26 april 2019 heeft [appellant] bij [geïntimeerde1] aangedrongen om de huidige situatie toe te lichten. Op 29 april 2019 heeft [geïntimeerde1] aan [appellant] geantwoord dat aflevering in juli 2019 niet mogelijk is, dat de planning is aangepast en dat het vaartuig in december 2019 zal worden geleverd. [geïntimeerde1] stelt vervolgens voor dat [appellant] in het seizoen 2019 een ander vaartuig van hen gaat gebruiken.\n\n3.12. \n [appellant] heeft de koopovereenkomst in een e-mail aan [geïntimeerde1] van 1 mei 2019 ontbonden en aanspraak gemaakt op terugbetaling van het al betaalde bedrag.\n\n3.13. Op 4 juni 2019 heeft [appellant] rechterlijk verlof verkregen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC, waarop [appellant] de termijnbetalingen van in totaal € 600.000 had overgemaakt. Het beslag heeft geen doel getroffen omdat de bankrekening geen saldo had.\n\n3.14. Op 14 juni 2019 heeft [appellant] ETC gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, en onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat hij de koopovereenkomst terecht heeft ontbonden, en daarnaast veroordeling van ETC tot (terug)betaling van € 600.000 alsmede tot vergoeding van de door hem geleden schade.\n\n3.15. \n\nOp 23 januari 2020 heeft [appellant] rechterlijk verlof gekregen voor het (opnieuw) leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC en voor het leggen van conservatoire beslagen op het vaartuig, de daarbij horende bootmotoren en een drietal “pre-owned” vaartuigen. Op 27 januari 2020 is het conservatoir derdenbeslag gelegd op de\n\nbankrekening van ETC. Wederom heeft het beslag geen doel getroffen omdat er geen saldo was. Op 27 januari 2020 heeft de deurwaarder in de werkplaats van ETC conservatoir beslag gelegd op het in aanbouw zijnde vaartuig, type Xtenders 12.3M, waarop [nummer] was geschreven. De deurwaarder is er niet in geslaagd beslag te leggen op twee bootmotoren, omdat het hem niet duidelijk werd (gemaakt) waar deze zich bevonden. Op 29 januari 2020 heeft de deurwaarder in de Jachthaven [plaats1] conservatoir beslag gelegd op twee schepen (hierna: ‘de schepen’) die eerder door ETC op haar website te koop waren aangeboden. Het gaat om twee ‘pre-owned’ tenders, één type Xtenders 12.3m met [registratienummer1] , en één type Xtenders 8.3m, met [registratienummer2] . Op 6 maart 2020 heeft de deurwaarder geconstateerd dat de twee schepen waarop op 29 januari 2020 beslag was gelegd, uit de jachthaven waren verdwenen.\n\n3.16. Het onafgebouwde vaartuig met opschrift ‘ [nummer] ’ is door ETC op enig moment verkocht aan Xtenders Production B.V. (partij 12.) die daarbij een beroep heeft gedaan op verrekening van de koopprijs met een vordering op ETC. Het vaartuig is afgebouwd en vervolgens door Xtenders Yard B.V. (partij 7.) aan een ander verkocht.\n\n3.17. Op 21 juli 2020 heeft [appellant] verlof gekregen voor het leggen van conservatoir beslag onder ETC op roerende zaken. Op 30 juli 2020 heeft de deurwaarder beslag gelegd ten laste van ETC op in het proces-verbaal omschreven roerende zaken, waaronder gereedschappen, een tweetal tenders in aanbouw, drie voltooide tenders en boottrailers.\n\n3.18. Op 3 juli 2020 heeft [appellant] , na daartoe op 2 juli 2020 verkregen rechterlijk verlof, conservatoir derdenbeslag gelegd onder [geïntimeerde1] ten laste van Wiflo Holding.\n\n3.19. In een vonnisvan 23 oktober 2020 heeft de kantonrechter in Amsterdam de in rov. 3.14 weergegeven vorderingen toegewezen, onder veroordeling van ETC in de beslagkosten van € 1.104,46 en de proceskosten van € 5.989,51, te vermeerderen met nakosten van € 131 en € 68. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. ETC biedt geen verhaal.\n\n4. Het geschil en de beslissing van de rechtbank\n\n4.1. \n [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat:\n\ni) [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van schade die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden, primair tot een bedrag van € 600.000, te vermeerderen met rente vanaf de dag der dagvaarding en subsidiair nader op te maken bij staat;\n\nii) [geïntimeerde1] wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\niii) Wiflo Holding wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\nmet hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde1] en Wiflo Holding in de kosten van de procedure, een vergoeding voor nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n4.2. De rechtbank heeft op 11 oktober 2023 de vordering (i) tot een beloop van € 415.619,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2020, tegen [geïntimeerde1] toegewezen. [geïntimeerde1] is verder veroordeeld in de beslagkosten en de proceskosten. De vorderingen zijn voor het overige afgewezen. [geïntimeerde1] heeft op 28 maart 2024 aan dit vonnis voldaan.\n\n4.3. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat wat van zijn vorderingen is afgewezen, alsnog wordt toegewezen. [appellant] heeft daarbij zijn vordering gewijzigd en vermeerderd als het gaat om sub (i) de gevorderde ingangsdatum van de wettelijke rente en daarnaast (iv) gevorderd dat [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de ten laste van ETC toegewezen vergoeding van beslag- en proceskosten van € 1.104,46, € 5.989,51, € 131 en € 68.\n\n4.4. De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde1] is dat de tegen hem toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen en dat [appellant] wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat [geïntimeerde1] op basis van het vonnis van 11 oktober 2023 aan hem heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 maart 2024.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nInleiding\n\n5.1. Het hof zal oordelen dat het hoger beroep van [appellant] grotendeels slaagt en dat het gehele door hem aanbetaalde bedrag moet worden vergoed, maar niet door alle partijen die hij daarvoor aansprakelijk houdt. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) van partijen zullen daarbij thematisch worden behandeld.\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.2. Omdat [appellant] in [land1] woont, heeft deze zaak een internationaal karakter. De internationale bevoegdheidsregels zijn in procesrechtelijke zin van openbare orde. Het hof dient daarom eerst ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. Aangezien de verwerende partijen [geïntimeerden] in een EU-land (Nederland) zijn gevestigd \u002F wonen, moet de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegdheid toekomt, worden beantwoord aan de hand van de Verordening Brussel I-bis.Deze bevoegdheid kan in dit geval (onder meer) worden gebaseerd op artikel 4 Verordening Brussel I-bis. Partijen hebben ook niet iets anders gesteld. De Nederlandse rechter is daarmee bevoegd.\n\n5.3. Tegen de impliciete vaststelling van de rechtbank dat op dit geschil Nederlands recht van toepassing is, hebben de partijen geen bezwaar gericht. Partijen hebben ook zelf Nederlandse wetsartikelen ingeroepen. Het hof is met partijen van oordeel dat het Nederlands recht hier van toepassing isen het zal de zaak dan ook naar Nederlands recht beoordelen.\n\nWijziging van eis\n\n5.4. De in rov. 4.3 bedoelde eisvermeerdering heeft processueel op het juiste moment plaatsgevonden en [geïntimeerden] hebben daartegen als zodanig geen bezwaar gemaakt. Ook ambtshalve ziet het hof geen reden deze eiswijziging buiten beschouwing te laten.\n\nBestuurdersaansprakelijkheid [geïntimeerde1]\n\n5.5. \n [appellant] stelt allereerst dat [geïntimeerde1] als bestuurder van onder meer ETC op grond van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden voor het door de ETC onbetaald laten van de onherroepelijk door de kantonrechter toegewezen terugbetaling van € 600.000.\n\nMaatstaf aansprakelijkheid\n\n5.6. De vordering van [appellant] betreft een vordering jegens [geïntimeerde1] als bestuurder van ETC, omdat [appellant] benadeeld is door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering op ETC.\n\n5.7. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijtkan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.\n\n5.8. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. [appellant] heeft zijn vordering niet gebaseerd op schending van deze zogenoemde ‘Beklamel-norm’, zodat het hof die verder buiten beschouwing zal laten.\n\n5.9. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.In de onder (ii) bedoelde gevallen draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.\n\nStelplicht en bewijslast\n\n5.10. De stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast voor de feiten en omstandigheden waarop het beroep op bestuurdersaansprakelijkheid is gebaseerd, rusten in beginsel op [appellant] als partij die zich op deze grondslag beroept (artikel 150 Rv). In geval als dit, waarin een partij die schade lijdt door wanprestatie van een vennootschap daarom verhaal zoekt op de bestuurder tevens (middellijk) enig aandeelhouder van die vennootschap, geldt niet een bijzondere regel van bewijslastverdeling, die meebrengt dat degene die volledige zeggenschap over de vennootschap heeft, wordt belast met het bewijs.\n\nUitgangspunt\n\n5.11. De betalingsverplichting van ETC staat definitief vast. Die is in een vonnis van 23 oktober 2020 (zie rov. 3.19) vastgesteld en die beslissing is onherroepelijk geworden. Daarmee moet in deze procedure worden uitgegaan van de verschuldigdheid door ETC van het in dat vonnis toegewezen bedrag van € 600.000. [geïntimeerden] . kunnen in deze procedure niet opnieuw discussie voeren over de verschuldigdheid van dat bedrag omdat zij niet worden aangesproken voor dat verschuldigde bedrag als zodanig, maar voor de schade die [appellant] door hun handelen heeft geleden. Tegen dat laatste, op een onrechtmatig handelen gebaseerd verwijt kunnen en mogen zij zich ook ten volle verweren. Voor zover [geïntimeerden] menen dat niet van een betalingsverplichting van ETC kan worden uitgegaan en daarom al het verwijt van [appellant] onjuist is, faalt dat. Dat het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 23 oktober 2020 tegenover [geïntimeerden] geen gezag van gewijsde heeft, maakt een en ander niet anders.\n\nOnrechtmatig handelen van [geïntimeerde1]\n\n5.12. Voorop staat dat het Xtender-concern in wezen een eenpersoonsconcern is. [geïntimeerde1] is van alle vennootschappen de enig bestuurder en via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding de enig aandeelhouder. Uit het navolgende blijkt ook dat de onderneming van [geïntimeerde1] om een ‘custom made’-vaartuig te bouwen, hoewel ingericht over meerdere vennootschappen, feitelijk één geheel is. Al deze vennootschappen treden naar buiten onder dezelfde handelsnaam en zijn gevestigd op hetzelfde adres en zijn bereikbaar via hetzelfde mailadres en telefoonnummer. Naar verklaring van [geïntimeerde1] tijdens de mondelinge behandeling wordt het terrein met bedrijfsgebouwen gehuurd door Extreme Tenders Holding die dat ter beschikking stelt aan de andere vennootschappen. Deze vennootschap heeft naar zeggen van [geïntimeerde1] ook de machines en de gereedschappen van de Xtenders-onderneming in eigendom. Het personeel van de onderneming is per 1 juni 2018 overgeheveld van Extreme Tenders (verwerende partij 4.) naar Xtenders Design (verwerende partij 11.). Via Xtenders Production (verwerende partij 12.) wordt de inkoop van al het benodigde materiaal gedaan en extern personeel ingeleend. De administratie van een en ander wordt op holding-niveau gedaan, waarna periodiek – zo blijkt ook uit de door [geïntimeerde1] overgelegde rapportages van de accountant – de doorbelasting van kosten e.d. via rekening-courantverhoudingen tussen de verschillende vennootschappen plaatsvindt. Alle hier niet-benoemde vennootschappen zijn volgens [geïntimeerde1] dan de ‘special purpose vehicles’, waarbinnen conform specifieke wensen van een klant een vaartuig wordt gebouwd.\n\n5.13. \n [appellant] heeft zijn overeenkomst gesloten met ETC, die is ingezet als zo’n ‘special purpose vehicle’ oftewel een projectvennootschap. In dat verband is overeengekomen dat [appellant] in termijnen de bouw van het vaartuig voorfinanciert. Hoewel geen bankgaranties of zekerheden zijn verstrekt, is, zo staat tussen partijen vast, met deze handelwijze bedoeld [appellant] te beschermen: zijn betalingen zijn alleen bedoeld voor de bouw van het vaartuig en alles wat gebouwd wordt, is voor hem bestemd. Dit betekent dat alles wat door [appellant] wordt betaald, aan de bouw van het vaartuig moet worden besteed. Het gegeven dat ETC een projectvennootschap was met bijhorende specifieke besteding van de ter beschikking gestelde gelden, die afhankelijk waren van de voortgang van de bouw (vgl. rov. 3.6) brengt mee dat verwacht mocht worden dat ETC een projectadministratie zou voeren en dienovereenkomstig verantwoording zou kunnen afleggen.\n\n5.14. In dit geval moet worden vastgesteld dat van meet af aan anders is gehandeld dan met [appellant] is afgesproken en hij redelijkerwijs mocht verwachten. De van [appellant] ontvangen gelden zijn onmiddellijk doorbetaald aan andere vennootschappen van de Xtender-onderneming. Uit de overgelegde rapportages van de accountant blijkt dat dit is gedaan om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van andere onderdelen van de onderneming. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [geïntimeerde1] verklaard dat ETC ten behoeve van de bouw geen projectadministratie bijhield. De administratie van de gehele onderneming werd op holding-niveau gedaan, waarna achteraf via de tussen de vennootschappen bestaande rekening-courantverhoudingen gemaakte kosten e.d. werd toe- en\u002Fof afgerekend. Op basis waarvan dat plaatsvond, is niet duidelijk geworden.\n\n5.15. Immers, niet kenbaar zijn vóóraf met de andere vennootschappen van de Xtender-onderneming die bij de bouw van het vaartuig betrokken werden, afspraken gemaakt over kosten, uren en tarieven e.d. Er is ook niet kenbaar vooraf een kostprijscalculatie van de bouw van het vaartuig gemaakt. Verder is de financiële verantwoording van een en ander zoals die blijkt uit de verkorte balansen van ETC aangaande 2018 en 2019 ondoorzichtig; op de balans 2018 staat in essentie niet meer dan dat ETC (aan actiefzijde) een voorraad had van € 319.211 en (aan passiefzijde) een schuld van € 320.000. Hoe zich dit per einde 2018 verhoudt tot de voortgang van de bouw van het vaartuig (zo werd de romp van carbon op dat moment geproduceerd bij een derde) en tot de omvang van wat [appellant] al had aanbetaald, is onduidelijk gebleven. Uit de balans 2018 blijkt verder dat ETC voorafgaand aan het sluiten met de overeenkomst met [appellant] op 18 maart 2018 een schuld\u002Fnegatief eigen vermogen had van € 13.285. Hoe zich dit verhoudt met de met [appellant] overeengekomen bescherming van alles wat hij zou aanbetalen zoals hiervoor in rov. 5.13 is uiteengezet, is niet door [geïntimeerde1] uitgelegd.\n\n5.16. Het voorgaande verklaart waarom de besteding van de door [appellant] aanbetaalde bedragen niet helder is geworden en dat [geïntimeerde1] (ook) daarover tegenstrijdige stellingen heeft ingenomen. In eerste instantie heeft [geïntimeerde1] met beroep op een op 10 februari 2021 opgestelde proef- en saldibalans betoogd dat (zeker) € 680.990,50 is besteed aan de bouw van het vaartuig, waarna de door hem ingeschakelde accountant heeft gesteld, na onder meer toerekening van uren en kosten – al dan niet op basis van schatting, dat uitgegaan moet worden van € 576.989 in totaal. In dat bedrag zijn begrepen, zo is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd, ook alle uren die volgens [geïntimeerde1] zijn besteed ter wijziging van het ontwerp nadat de overeenkomst met [appellant] was opgesteld. Over die extra uren is [geïntimeerde1] verder weinig helder geweest; eerst is gesteld dat die uren een waarde hadden van tenminste de omvang van de koopsom van € 139.128 voor de romp en de twee motoren, terwijl in zijn memorie van antwoord die extra kosten op € 113.000 worden gesteld. Volgens [geïntimeerde1] gaven die extra kosten\u002Furen hem het recht om bedoelde koopsom te verrekenen in plaats van feitelijk aan ETC te betalen. Volgens de opgaaf van zijn eigen accountant dekten de aanbetalingen van [appellant] van € 600.000 in totaal echter alles al wat aan materiaal, inkoop en uren was besteed aan de bouw van het vaartuig. Hierop komt het hof hierna in rov. 5.19 nog terug. Hoe dan ook zijn de stellingen over wat is besteed aan de bouw van het vaartuig, zo al niet tegenstrijdig, niet sluitend.\n\n5.17. Het onmiddellijk doorbetalen van de van [appellant] ontvangen bedragen maakt – naast de kennelijk ongestructureerde bouw van het vaartuig – in voldoende mate aannemelijk dat daardoor ook onmiddellijk vertraging in de voortgang van de bouw ontstond. Daardoor was van meet af aan voorzienbaar dat ETC niet op het afgesproken moment zou kunnen leveren. [geïntimeerde1] had er dus al vanaf de eerste doorbetaling serieus rekening mee moeten houden dat [appellant] de vertraging in de levering van het vaartuig niet zou accepteren en conform wat daarover in de overeenkomst was afgesproken, de overeenkomst zou ontbinden.\n\n5.18. Anders dan [geïntimeerde1] aanvoert, is de vertraging niet in relevante mate terug te voeren op door hem gestelde en door [appellant] bestreden (substantiële) wijzigingen in het ontwerp van het vaartuig. Allereerst geldt dat in het vonnis van 23 oktober 2020, dat ook op dit aspect het hof tot uitgangspunt dient, is beslist dat ETC nog in mails van 8 en 18 mei 2028 heeft bevestigd dat op 19 maart 2018 zou worden geleverd (rov. 19) en dat als onvoldoende onderbouwd moet worden voorbijgegaan aan de stelling van ETC dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat de levering tot juli 2019 werd uitgesteld (rov. 21). Verder is in dat vonnis vastgesteld dat gesteld noch gebleken is dat ETC naar aanleiding van gestelde wijzigingen in het ontwerp [appellant] (schriftelijk) erop heeft gewezen dat de overeengekomen leverdatum hierdoor zou worden vertraagd en evenmin dat ETC voor de gestelde wijzigingen aan [appellant] extra kosten in rekening heeft gebracht en dat [appellant] in dat verband onbetwist heeft gesteld dat, in het geval ETC naar aanleiding van een verzochte wijziging heeft gezegd dat die wijziging tot extra kosten leidde, hij daarvan heeft afgezien (rov. 32). Het hof heeft, gezien het voorgaande, geen reden om in de aansprakelijkheidsprocedure tegen [geïntimeerde1] van iets anders uit te gaan. Het hof voegt daaraan nog toe dat uit de overeenkomst zelf volgt dat ná het sluiten daarvan per 18 maart 2018 nog ontwerpwerk verricht zou worden. In het in artikel A-7 van de overeenkomst opgenomen betaalschema is immers bepaald dat de tweede termijn van 10% van de koopsom ofwel € 80.000 moet worden betaald bij ‘acceptance final design’. Dat de wijzigingen in – en daarmee het finaliseren van – het ontwerp meer hebben omvat dan waarvan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst werd uitgegaan, is onvoldoende toegelicht. Daaraan gaat het hof dan ook voorbij.\n\n5.19. Ten tijde van de ontbindingsverklaring door [appellant] per 1 mei 2019 behoorden in ieder geval de onafgebouwde, inmiddels wel gespoten romp van het vaartuig (met dekplaat, zwemplatform, achterbankdelen en console) en de twee daarvoor aangeschafte motoren tot het vermogen van ETC, zoals beschreven in het taxatierapport van [naam1] van 5 september 2019. De waarde van een en ander is daarbij getaxeerd op € 95.000 excl. btw voor de romp met componenten en € 44.128 excl. btw voor de zich nog in de originele verpakking bevindende motoren, in totaal € 139.128. Van welk waardebegrip daarbij is uitgegaan, blijkt niet uit het rapport, maar evident is dat een en ander voor [geïntimeerde1] als kort gezegd bouwer van tenders een grotere waarde had dan voor een willekeurige derde. Voor alleen al de productie van de carbon romp en het zwemplatform is door de Zweedse leverancier Marstrom € 180.000 en € 20.000 berekend, terwijl de leverancier voor de motoren kort voordien € 51.486 excl. btw heeft gefactureerd. [geïntimeerde1] heeft genoemde zaken door een andere vennootschap (Xtenders Production) van zijn eenpersoonssconcern laten overnemen voor de hiervoor genoemde lagere taxatiewaarde, en het vaartuig afgebouwd. [geïntimeerde1] heeft geen inzicht gegeven in die verdere afbouw, daaronder begrepen de verdere kosten daarvan en de uiteindelijke daarmee gerealiseerde opbrengst. Gelet op de voor Xtenders Production gehanteerde koopsom moet het er echter voor gehouden worden dat [geïntimeerde1] met deze transactie een aanzienlijke besparing op de bouwkosten van die andere tender heeft gerealiseerd, die hij anders – dus als [appellant] niet om reden van het tekortschieten van ETC de overeenkomst had ontbonden – niet had gerealiseerd. Het laten toevallen van dat voordeel aan een andere vennootschap van zijn onderneming in plaats van aan [appellant] aan wie hij – via ETC – had terug te betalen, maakt dat ook deze handelwijze verwijtbaar onzorgvuldig is geweest tegenover [appellant] . Daarbij komt dat [geïntimeerde1] de tot uitgangspunt genomen koopsom van € 139.128 niet aan ETC heeft betaald maar met een beroep op een tegenvordering door Xtenders Production heeft doen behouden. Die tegenvordering is echter gefingeerd. In rov. 5.16 is immers al vastgesteld dat [appellant] al meer ter voorfinanciering had aanbetaald dan wat door de accountant van [geïntimeerde1] aan kosten van materiaal, inkoop en bestede uren aan de bouw van het vaartuig is toegerekend, zodat geen tegenvordering bestond, nog daargelaten de wisselende bedragen die daarvoor zijn gesteld. Daarbij komt dat ETC een eventuele vergoeding voor meer bestede uren aan design en engineering in beginsel verschuldigd zou zijn aan Xtenders Design omdat naar [geïntimeerde1] zelf heeft verklaard zijn personeel in dienst is bij die vennootschap. Dat Xtenders Production dan toch daarvoor een vordering zou hebben, is van iedere uitleg verstoken gebleven. Een en ander kan naar het oordeel van het hof geen andere conclusie dragen dan dat [geïntimeerde1] welbewust zijn eigen belang voorop heeft gesteld door een andere vennootschap van hem te bevoordelen en ETC ten koste van [appellant] te ontdoen van voor verhaal vatbare goederen en\u002Fof middelen. [geïntimeerde1] heeft ook in dat opzicht hoogst onzorgvuldig en verwijtbaar gehandeld.\n\n5.20. In de gegeven omstandigheden wist [geïntimeerde1] al onmiddellijk na de ontvangst van de (eerste) betaling(en) van [appellant] , dan wel moest hij begrijpen, dat bij een ontbinding van de overeenkomst ETC een verplichting tot terugbetaling van alles wat [appellant] ter voorfinanciering van de bouw van het vaartuig ter beschikking had gesteld, niet zou kunnen nakomen en daarvoor geen verhaal zou bieden. Ook na de ontbindingsverklaring heeft [geïntimeerde1] hoogst onzorgvuldig gehandeld door ETC te ontdoen van haar laatste vermogensbestanddelen en door te handelen zoals hierna wordt omschreven in rov. 5.37 met betrekking tot frustratie van verhaal op hem persoonlijk. [geïntimeerde1] kan daarom in zijn hoedanigheid van bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Hij heeft geen feiten aangevoerd die – indien bewezen – alsnog kunnen leiden tot het oordeel dat het aan hem te maken verwijt niet voldoende ernstig is. [geïntimeerde1] heeft aldus ernstig verwijtbaar onrechtmatig tegenover [appellant] gehandeld en is aansprakelijk voor de schade die [appellant] daardoor heeft geleden.\n\nRelativiteit\u002Fcausaal verband\u002Fschade\n\n5.21. Wat betreft de schade die [appellant] heeft geleden die aan [geïntimeerde1] moet worden toegerekend, geldt het volgende. De norm die door [geïntimeerde1] is geschonden, strekte bij uitstek tot bescherming van de (financiële) belangen van [appellant] . Doordat de voor de bouw van [appellant] ’s vaartuig betaalde bedragen onmiddellijk zijn doorgeleid naar andere vennootschappen om te voorzien in hun liquiditeitsbehoefte, konden die bedragen niet, zoals afgesproken, worden aangewend voor die bouw, zodat vertraging daarin voorzienbaar was en daarmee het niet halen van de afgesproken leverdatum en bijgevolg een ontbinding van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot terugbetaling. Daarmee is voldaan aan het zogeheten relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.\n\n5.22. Het hof verwerpt verder het verweer van [geïntimeerde1] dat geen causaal verband bestaat tussen zijn onrechtmatig handelen en de door [appellant] gestelde schade. Als het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] niet zou hebben plaatsgevonden, zou de bouw van het vaartuig niet zijn vertraagd en had ETC het vaartuig op de afgesproken leverdatum kunnen leveren. [appellant] zou daardoor niet de ontbinding van de overeenkomst hebben kunnen inroepen en dus was dan geen terugbetalingsverplichting ontstaan. Daarmee is het causaal verband aanwezig. [geïntimeerde1] heeft ook geen zodanige feiten of omstandigheden gesteld die dit causale verband zouden doorbreken.\n\n5.23. Doordat ETC – op € 1.026 na – alle van [appellant] ontvangen bedragen onmiddellijk heeft doorbetaald aan andere vennootschappen van de eenpersoons-onderneming van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde1] ETC – na de op goede grond ingeroepen ontbinding van de overeenkomst – de romp van het vaartuig, de twee motoren en de overige onderdelen heeft laten overdragen aan een zustervennootschap, onder verrekening van de bepaalde koopsom met, zoals hiervoor is vastgesteld, een fictieve tegenvordering, was daarmee gegeven dat ETC haar verplichting tot terugbetaling van alles wat ter voorfinanciering door [appellant] was betaald (zie rov. 3.7 en 3.8) niet kon nakomen. Dat uitblijvende bedrag is daarmee de omvang van de door [appellant] geleden schade.\n\nEigen schuld\n\n5.24. \n [geïntimeerden] beroepen zich op ‘eigen schuld’ (in de zin artikel 6:101 BW) van [appellant] , kennelijk met als doel dat de schade van [appellant] voor zijn eigen rekening moet worden gelaten. Op [geïntimeerden] rusten de stelplicht en de bewijslast van de feiten die zo’n beroep kunnen dragen.\n\n5.25. \n [geïntimeerden] beroepen zich daartoe op het niet door [appellant] accepteren van een volwaardig en redelijk alternatief voor de te late levering van het vaartuig in de vorm van een leen van een andere tender voor de zomer van 2019. Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] zelf schuld aan het intreden van zijn schade en heeft hij daarmee bovendien zijn plicht geschonden om zijn schade te beperken.\n\n5.26. [geïntimeerden] miskennen hiermee dat in het vonnis in de procedure tegen ETC onherroepelijk is vastgesteld dat [appellant] het recht had om de ontbinding van de overeenkomst met ETC in te roepen en dat [appellant] redelijkerwijs niet valt te verwijten dat hij niet alsnog is ingegaan op een aanbod tot tijdelijke bruikleen van een ander vaartuig (rov. 38. e.v.). Belangrijker is nog dat het hier gaat om een vanaf begin af aan ten onrechte negeren van de ter bescherming van [appellant] overeengekomen constructie om de bouw van het vaartuig onder te brengen in ETC als een ‘special purpose vehicle’. Van dat negeren is [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Ook bij een aanbod als gesteld, had [geïntimeerde1] , zoals hiervoor is vastgesteld, niet mogen handelen zoals hij heeft gedaan, waarbij niet valt in te zien hoe [appellant] een verwijt van dát handelen valt te maken. Daarmee faalt het beroep op eigen schuld van [appellant] .\n\n5.27. Voor zover [geïntimeerden] met dit verweer ook het oog hebben op de omstandigheid dat [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot voorfinanciering van de bouw van het vaartuig, geen zekerheden heeft bedongen, faalt dat eveneens. [appellant] mocht immers verwachten dat ETC de aanbetaalde bedragen alleen zou gebruiken voor de bouw van het vaartuig. Hij mocht verder verwachten dat [geïntimeerde1] bij zijn onmiddellijk negeren van de overeengekomen specifieke besteding van de aanbetalingen ernstig rekening zou houden met het mogelijk ontstaan van vertraging in de bouw van het vaartuig met als gevolg een ingeroepen ontbinding en het ontstaan van een terugbetalings-verplichting. Dat [appellant] geen zekerheden voor terugbetaling heeft verkregen, doet daarom niets af van wat hij mocht verwachten en wat van [geïntimeerde1] mocht worden gevergd.\n\nBillijkheidscorrectie\n\n5.28. Daar waar geen eigen schuld van [appellant] kan worden aangenomen als bedoeld in artikel 6:101 BW en dus geen vergoedingsplicht wordt verminderd ofwel schade wordt verdeeld tussen [geïntimeerden] en [appellant] , bestaat er evenmin ruimte voor een billijkheidscorrectie op een verdeling van die schade. Ook dat beroep van [geïntimeerden] . faalt.\n\nMatiging\n\n5.29. Wat betreft het beroep van [geïntimeerden] op matiging van de schadevergoeding, geldt dat niet is onderbouwd dat zij hun vermogen zullen kwijtraken en zij hun zakelijke activiteiten zullen hebben te beëindigen bij toewijzing van de gevorderde schadevergoeding. De omstandigheid dat [appellant] vermogend is, acht het hof geen zelfstandige grond voor matiging. Het gevorderde bedrag komt het hof in de gegeven omstandigheden niet bovenmatig of onevenredig voor, in welk verband geldt dat het niet aannemelijk is (geworden) dat er oorzaken zijn voor de non-betaling door ETC die buiten de invloedsfeer van [geïntimeerde1] liggen. Het is wel aannemelijk dat de non-betaling is veroorzaakt door het handelen van [geïntimeerde1] als hiervoor is vastgesteld. Een en ander leidt ertoe dat het beroep op matiging van de schadevergoeding faalt.\n\nGroepsaansprakelijkheid\n\n5.30. \n [appellant] heeft aangevoerd dat naast [geïntimeerde1] ook Wiflo (als grootmoeder-vennootschap), Extreme Tenders Holding (als moedervennootschap) en de sub 4. tot en met 15. genoemde entiteiten als zustervennootschappen aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden schade. In de kern voert [appellant] daartoe onder meer aan dat die vennootschappen hebben meegewerkt aan het onttrekken van alle middelen aan ETC.\n\n5.31. In de rechtspraak is aanvaarddat aansprakelijkheid bestaat voor schade die het gevolg is van in groepsverband verrichte handelingen. Daarvoor bestaat grond als de aangesproken groepsleden zich bewust moeten zijn geweest van de kans op schade als gevolg van het onrechtmatige groepsoptreden, wat hen van verdere deelname daaraan had moeten weerhouden. In dit verband is relevant dat wetenschap van een bestuurder van een rechtspersoon in beginsel wordt toegerekend aan die vennootschap.Voor handelingen van een bestuurder is dit niet anders.\n\n5.32. Zoals hiervoor in rov. 5.12 is vastgesteld, handelt [geïntimeerden] met zijn groep vennootschappen als een eenpersoonsconcern. In dat verband zijn door of op instructie van [geïntimeerde1] de door ETC ontvangen bedragen overgeheveld aan Extreme Tenders Holding en Extreme Tenders; dat gebeurde om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van die en andere vennootschappen van dat eenpersoonsconcern. Die vennootschappen profiteerden daarmee van voormelde schending van de aan [appellant] toegezegde bescherming. Hetzelfde geldt voor de overdracht van de romp van het vaartuig, de motoren en diverse onderdelen, aan Xtenders Production en de daaropvolgende doorlevering van een en ander (al dan niet in (geheel of gedeeltelijk) afgebouwde staat aan Xtenders Yard. Deze ook door [geïntimeerde1] geleide vennootschappen hebben geprofiteerd van het gegeven dat de romp en de motoren met diverse onderdelen tegen een lagere waarde zijn overgedragen dan zij ten behoeve van ETC zijn geproduceerd of ingekocht, waarbij de koopsom daarvoor niet feitelijk is betaald aan ETC maar is verrekend met een niet-bestaande tegenvordering. Ook op die wijze heeft [geïntimeerde1] met de niet anders dan als instrumenteel aan te merken inzet van Xtenders Production en Xtenders Yard, geprofiteerd van de ontstane situatie ter zake waarvan hem, zoals vastgesteld, een ernstig persoonlijk verwijt treft. Ook op die wijze is sprake geweest van een gezamenlijk optreden van genoemde vennootschappen via steeds [geïntimeerde1] , wier kennis en handelen aan hen moet worden toegerekend, dat heeft geresulteerd in het ontstaan en blijven voortbestaan van schade bij [appellant] .\n\n5.33. Met een en ander is er voldoende grond om ook de vennootschappen Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 3., 4., 7. en 12.) aansprakelijk te houden voor de bij [appellant] veroorzaakte schade.\n\n5.34. Behoudens ten aanzien van grootmoedervennootschap Wiflo Holding heeft [appellant] geen steekhoudende reden aangevoerd om de andere zustervennootschappen (verwerende partijen 5., 6., 8 t\u002Fm 11., 13. t\u002Fm 15.) aansprakelijk te houden voor voormelde schade. Gesteld noch gebleken is dat die vennootschappen in enig opzicht hebben geprofiteerd en\u002Fof instrumenteel zijn ingezet als hiervoor is beschreven. In zoverre is de tegen hen gerichte vordering niet toewijsbaar en faalt het hoger beroep van [appellant] .\n\n5.35. Voor zover [appellant] zich richt tegen Wiflo Holding in verband met de onttrekking aan ETC van de door hem ontvangen gelden en\u002Fof van de romp van het vaartuig, de motoren en andere onderdelen, is dat vergeefs. Gesteld noch gebleken is dat deze vennootschap door toedoen van [geïntimeerde1] daarvan heeft geprofiteerd en\u002Fof daarvoor instrumenteel is ingezet.\n\n5.36. Voor zover [appellant] Wiflo Holding aansprakelijk houdt vanwege een schending van een bijzondere zorgplicht, erin bestaande dat zij gehouden was nieuwe opdrachten onder te brengen in ETC en\u002Fof ETC aanvullend had moeten financieren en\u002Fof ten behoeve van ETC kredietruimte had moeten benutten, kan hij daarin niet worden gevolgd. Wiflo Holding is immers (via Extreme Tenders Holding) alleen aandeelhouder en niet ook bestuurder van ETC. Gesteld noch gebleken is dat Wiflo Holding betrokken of ingezet is geweest bij de aan [geïntimeerde1] te verwijten handelwijze, daaronder begrepen de met [appellant] overgekomen inzet van ETC als hem te beschermen ‘special purpose vehicle’. Zonder bijkomende omstandigheden is dan het enkele feit dat Wiflo Holding concernleiding moet worden toegedicht onvoldoende om het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] ook aan haar toe te rekenen. Daarnaast blijkt uit niets dat Wiflo Holding tegenover [appellant] instond voor kredietwaardigheid van ETC en\u002Fof voor terugbetaling van wat ETC eventueel aan hem verschuldigd zou worden. Ook zo bezien is er geen reden om Wiflo Holding (mede) aansprakelijk te houden voor de omstandigheid dat ETC – door verwijtbaar toedoen van [geïntimeerde1] – niet in staat is [appellant] terug te betalen.\n\n5.37. \n\nDat [geïntimeerde1] in verband met het in rov. 3.18 bedoelde conservatoir beslag een hypothecaire vordering van Wiflo Holding op hem, heeft overgedragen aan de oorspronkelijke geldschieter en die vordering, en daarmee ook de hypothecaire zekerheid met terugwerkende kracht uit het vermogen (van de vennootschap) van [geïntimeerde1] verdween – waarvoor [geïntimeerde1] inmiddels wegens valsheid in geschrift en onttrekken aan beslag strafrechtelijk is veroordeeld – moet Wiflo Holding wel worden aangerekend. De strafkamer van de rechtbank van Midden-Nederland heeft in dat verband in een vonnis van 14 november 2025 ( [parketnummer] )overwogen, waarbij voor verdachte [geïntimeerde1] moet worden gelezen:\n\n“De vordering van Wiflo op de verdachte was een vordering binnen het vermogen van de verdachte omdat hijzelf aandeelhouder\u002Fbestuurder van Wiflo was. Doordat aangever beslag had gelegd op het woonhuis ten laste van de verdachte en beslag op vorderingen van Wiflo op de verdachte bestond de kans dat de aangever bij winst van de civiele procedures tegen de verdachte en zijn vennootschappen, verhaal zou kunnen nemen op de woning van de verdachte. Door inschrijving van de akte van cessie later diezelfde dag, werd ervoor gezorgd dat de vordering van Wiflo op de verdachte met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de verdachte verdween, en overging naar CRD; en dat ook de hypothecaire rechten met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de (vennootschappen\n\nvan de) verdachte verdwenen. Beslag op de woning van de verdachte kwam toen dus na het recht van hypotheek, dat zich niet meer in het vermogen van de verdachte bevond.\n\nIn de akte van cessie van 3 juli 2020 staat dat al op 18 april 2019 zou zijn afgesproken om de lening van Wiflo aan CRD te cederen. Dat gelooft de rechtbank niet. Dat staat niet in de driepartijen-lening-overeenkomst, terwijl daarin wel een zogenaamde ‘entire agreement clause’ is opgenomen. Kortom: wat er niet staat, is niet afgesproken. Dat het niet was afgesproken wordt ook ondersteund door de hypothecaire inschrijving in december 2019 ten gunste van Wiflo en de verlenging van de driepartijen-overeenkomst in december 2019. Dat is allemaal totaal onlogisch als al in april 2018, althans uiterlijk in september 2019 cessie van de lening en de hypotheek zou zijn overeengekomen en met de notaris zou zijn gecommuniceerd.\n\nDe gang van zaken op 3 juli 2020 en de tekst van de akte van cessie van 3 juli 2020 vallen niet anders uit te leggen dan dat de notaris opdracht kreeg van de verdachte om het nodige te doen om de lening van Wiflo aan de verdachte en de rechten van hypotheek op de woning van de verdachte aan het beslag te onttrekken. De verdachte heeft daarbij minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het valselijk opmaken van de akte cessie en inschrijving daarvan.\n\nDe verklaring van de verdachte dat hij de notaris geen opdracht zou hebben gegeven en dat hij alleen heeft gebeld om te vragen wat hij in de verklaring derdenbeslag moest opnemen, gelooft de rechtbank niet. (…)”\n\nHet hof heeft, gelet op wat door partijen is aangevoerd, geen reden om er anders over te denken. Dit betekent dat als [geïntimeerde1] (als enig aandeelhouder en bestuurder van Wiflo Holding) die overdracht had nagelaten, [appellant] in dit verband een verhaalsmogelijkheid had gehad. Door (ook) deze verhaalsmogelijkheid te frustreren en Wiflo Holding daarvoor in te zetten, heeft [geïntimeerde1] ook in dat opzicht onzorgvuldig gehandeld. Er is, kortom, sprake van samenwerkende oorzakenvoor de onmogelijkheid bij [appellant] om verhaal te nemen. Een en ander leidt ertoe dat, omdat kennis en handelen van [geïntimeerde1] aan Wiflo Holding wordt toegerekend, ook Wiflo Holding aansprakelijk is.\n\n5.38. Gezien het voorgaande is de vordering van [appellant] ook tegen Wiflo Holding toewijsbaar en slaagt zijn hoger beroep.\n\nWettelijke rente\n\n5.39. De rechtbank heeft de door [appellant] gevorderde wettelijke rente toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding van 7 augustus 2020. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt en gesteld dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de data dat ETC de van [appellant] ontvangen bedragen heeft doorbetaald, dan wel vanaf het moment van ontbinding van de koop\u002Faanneemovereenkomst per vanaf 1 mei 2019.\n\n5.40. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 1 mei 2019. Hoewel het onrechtmatig handelen zich eerder heeft voorgedaan, is de schade daardoor pas ontstaan op het moment dat [appellant] – terecht, zoals onherroepelijk is vastgesteld – de overeenkomst met ETC ontbond en vergeefs aanspraak maakte op terugbetaling van wat hij had aanbetaald.\n\nBeslag- en executiekosten\n\n5.41. De rechtbank heeft aan beslagkosten € 5.790,37, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020, aan [appellant] toegewezen. Dit gaat om kosten die [appellant] heeft gemaakt ter verzekering van zijn vordering op [geïntimeerden] In de formulering van zijn vordering aan het slot van zijn memorie van grieven komt deze vergoeding niet meer voor, maar het hof neemt aan dat dit op een vergissing berust. In die memorie zijn immers geen aanknopingspunten te vinden voor een aanname dat [appellant] geen aanspraak meer maakt of wil maken op deze vergoeding. Integendeel, [appellant] vordert in hoger beroep als vermeerdering van eis (ook) de vergoeding van de in de procedure tegen ETC gemaakte beslag- en proceskosten. Uit de memorie van antwoord is niet af te leiden dat [geïntimeerden] ervan uit zijn gegaan dat [appellant] zijn aanspraak op vergoeding van die kosten heeft laten varen. Tegen de toewijzing van deze kosten is door [geïntimeerden] ook geen afzonderlijk bezwaar gericht. Met deze post zal het hof dan ook rekening houden.\n\n5.42. \n [appellant] heeft in hoger beroep bij wege van vermeerdering van eis een vergoeding gevorderd voor de in de procedure tegen ETC toegewezen beslag- en proceskosten (inclusief nakosten) van € 7.297,97 in totaal. [geïntimeerden] hebben deze vordering in hun memorie van antwoord niet besproken en daarmee niet bestreden. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen, daaronder begrepen de vanaf 4 juni 2019 over de beslagkosten van € 1.104,46 gevorderde wettelijke rente.\n\nHoofdelijke aansprakelijkheid\n\n5.43. Naar het oordeel van het hof zijn [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) ieder hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk voor het aan [appellant] verschuldigde bedrag. Deze (hoofdelijke) aansprakelijkheid is gebaseerd op het volgende. [geïntimeerde1] is aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW wegens onrechtmatig handelen zoals hiervoor omschreven (zie rov. 5.20). Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production hebben dit onrechtmatig handelen mede mogelijk gemaakt. Het hof kwalificeert hun handelen zoals beschreven in rov. 5.32, 5.33 en 5.37 als een bijdrage in de zin van artikel 6:166 BW (groepsaansprake-lijkheid). Zij zijn daarom op die grond aansprakelijk. Omdat het gaat om dezelfde schade worden zij daarom hoofdelijk veroordeeld.\n\nGeen bewijslevering\n\n5.44. \n [geïntimeerden] hebben nog bewijs aangeboden van hun stellingen. Voor zover dat ziet op het alsnog overleggen van stukken uit de administratie van de Xtenders-groep of het (laten) geven van toelichting daarop, wordt dat gepasseerd omdat [geïntimeerden] dat al eerder hadden kunnen en moeten doen. Dat aanbod wordt voor het overige gepasseerd. Enerzijds omdat die stellingen (m.b.t. tot wat aan het vaartuig is besteed en de getaxeerde waarde van de romp van het vaartuig en de motoren) al wegens een onvoldoende gemotiveerde betwisting zijn komen vast te staan. Anderzijds omdat die stellingen (m.b.t. de onbereidwilligheid van een kredietverschaffer om andere afspraken te maken of een aanvullend krediet te verlenen en\u002Fof de bereidheid van andere klanten om aanvullende kosten te betalen of een alternatief te accepteren bij vertraging van de bouw) niet relevant zijn voor de beoordeling.\n\nAndere gronden en verweren\n\n5.45. Wat partijen voor het overige hebben aangevoerd, kan gelet op het voorgaande onbesproken blijven.\n\nDe conclusie\n\n5.46. Het hoger beroep van [appellant] slaagt (deels) wel en dat van [geïntimeerden] niet. De vordering tot volledige vergoeding van de schade wordt toegewezen tegen [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) en afgewezen voor zover het de andere verwerende partijen betreft.5.47. Omdat in hoger beroep meer partijen worden veroordeeld om aan [appellant] een hoger bedrag aan schadevergoeding te betalen, zal voor alle duidelijkheid het bestreden vonnis in haar geheel worden vernietigd en zal het hof zijn beslissing daarvoor in de plaats stellen. Voor zich spreekt dat voor zover aan het bestreden vonnis is voldaan, niet opnieuw hoeft te worden betaald.\n\n5.48. Omdat [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) in het ongelijk worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten veroordelen, zowel in die van beide hoger beroepen als in die bij de rechtbank. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n5.49. Omdat gesteld noch gebleken is dat de andere verwerende partijen meer of andere proceskosten hebben gemaakt dan die partijen waartegen de vordering van [appellant] wordt toegewezen, zal een veroordeling van [appellant] in de proceskosten van die andere verwerende partijen achterwege worden gelaten.\n\n5.50. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 11 oktober 2023 en beslist opnieuw als volgt:\n\n6.2. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van:\n\n€ 600.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2019 tot de dag van betaling;\n\n€ 5.790,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020 tot de dag van betaling;\n\n€ 7.297,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.104,46 vanaf 4 juni 2019 tot de dag van betaling;\n\n6.3. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 1.639,- aan griffierecht\n\n€ 83,38 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 15.358,50 aan salaris van de advocaat van [appellant] (4,5 procespunten × tarief VII à € 3.413)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:\n\n€ 2.053 aan griffierecht\n\n€ 112,37 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 12.880 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2,5 procespunten × appeltarief VII à € 5.152)\n\n6.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n6.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. W.F Boele, M. Aksu en M.L. Lennarts, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351\u002F1 (Verordening Brussel I-bis).\n\n Conform artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II).\n\n Vgl. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ).\n\n Vgl. HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873 (New Holland).\n\n Zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (Hezemans Air).\n\n HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, laatstelijk geduid in genoemd arrest van 5 september 2014.\n\n HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ) en vergelijk laatstelijk de conclusie van de AG van 28 november 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1304).\n\n HR 10 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1393 ( [naam3] \u002F [naam4] ).\n\n Vgl. HR 6 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914 (TVM).\n\n HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413 (HDI\u002FTreston).\n\n HR 6 april 1979, NJ 1980\u002F34( [naam5] ), bevestigd in HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7344 (P&F Project Furniture).\n\n Vgl. HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4033 (Comsys).\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Vgl. HR 24 december 1999, NJ 2000, 351.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4226","2026-07-13T00:28:41.943Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":51,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":69,"summary":51,"language":7,"source":53,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":56,"updatedAt":72},"714","ECLI:NL:GHARL:2025:8616","ecli-nl-gharl-2025-8616","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.345.483\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Noord-Nederland 226421\n\narrest van 23 december 2025\n\nin de zaak van\n\n [appellante] ( [appellante] )\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. H. Veldman\n\nen\n\n [geïntimeerde] ( [geïntimeerde]\n\ndie gevestigd is in [vestigingsplaats1]\n\nadvocaat: mr. E.J. Loos\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, (hierna: de rechtbank) op 19 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven tevens houdende akte vermeerdering van eis\n\nde memorie van antwoord\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 30 juli 2025 is gehouden\n\nNa een aanhouding van de zaak voor minnelijk overleg hebben partijen laten weten dat een regeling niet is bereikt en hebben zij verzocht om arrest. Daarop heeft het hof de zaak bepaald voor arrest.\n\n2. De kern van de zaak\n\nHet gaat in deze zaak om de vraag of er tussen [geïntimeerde] en de heer [naam1] , de inmiddels overleden echtgenoot van [appellante] , een overeenkomst van geldlening is gesloten, waarbij [geïntimeerde] aan [naam1] een bedrag van ruim € 150.000 heeft uitgeleend, of dat sprake was van een risicodragende investering van [geïntimeerde] in een gezamenlijk project van [geïntimeerde] , de DGA van [geïntimeerde] , en [naam1] . Als sprake was van een overeenkomst van geldlening speelt verder nog de vraag of die lening inmiddels ook opeisbaar is geworden.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten\n\n3.1. \n [appellante] was de echtgenote van de inmiddels overleden heer [naam1] (hierna: [naam1] ). [geïntimeerde] en [naam1] waren bevriend.\n\n3.2. \n\nIn 1996 heeft [naam1] samen met zijn ex-echtgenote een boerderij gekocht in Sorbey\n\n(Frankrijk). In 2004 heeft hij de naastgelegen grond erbij gekocht om daar nog twee\n\nwoonhuizen te realiseren voor de verkoop (hierna: het project).\n\n3.3. \n [naam1] is in 2006 gescheiden van zijn ex-echtgenote. [naam1] is daarna getrouwd met [appellante] .\n\n3.4. \n\nOmdat [naam1] onvoldoende financiële middelen had om het project te financieren\n\nheeft [geïntimeerde] in de periode van 28 april 2005 tot en met 8 november 2010 meerdere keren\n\ngeld overgemaakt naar [naam1] ten behoeve van het project in Sorbey. In totaal gaat het om\n\neen bedrag van € 153.365,92.\n\n3.5. \n\nOp 19 juli 2011 hebben [geïntimeerde] en [naam1] de volgende overeenkomst opgesteld\n\nen ondertekend:\n\n‘ [geïntimeerde] heeft aan ( [naam1] een bedrag van € 153365,92 (zegge\n\nhonderddrieenvijftigduizenddriehonderdvijfenzestig Euro en 92 cent) geleend tegen een\n\nrente percentage van 4 % per annum.\n\nHet totale leenbedrag beslaat uit de volgende deelbedragen:\n\n(…)\n\n [naam1] verplicht zich bij deze tot volledige terugbetaling van het geleende bedrag, inclusief de uit hoofde van deze lening verschuldigde rente. De totale aflossing zal niet later plaatshebben dan op de datum van verkoop van voornoemd project.\n\n [naam1] heeft het recht om op ieder moment, het nog verschuldigde deel van de originele\n\nleenbedrag te voldoen. Zulks zonder bijbetaling van verdere kosten.\n\n [geïntimeerde] heeft het recht het nog resterende bedrag van de lening en\n\nverschuldigde rente direct op te eisen.’\n\n3.6. De overeenkomst was opgesteld door [geïntimeerde] . In een begeleidende mail van eveneens 19 juli 2011 heeft [geïntimeerde] het volgende aan [naam1] bericht: “even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”.3.7. \n [naam1] is in juni 2018 overleden. Het project was toen nog niet af. [appellante] is zijn enig erfgename en zij heeft de erfenis zuiver aanvaard.\n\n3.8. \n\nOp 27 september 2018 heeft [geïntimeerde] een brief naar [appellante] gestuurd. In die brief heeft [geïntimeerde] een aantal afspraken vastgelegd die hij met [appellante] zou hebben gemaakt over de geldlening en het project. Die afspraken behelzen dat [geïntimeerde] [appellante] zal assisteren bij de verkoop van het project, “zodat [geïntimeerde] bij een succesvolle transactie uit de gerealiseerde verkoopsom kan worden voldaan”. In de afspraken is in dat verband vastgelegd dat [appellante] aan [geïntimeerde] een onherroepelijke en onvoorwaardelijke volmacht verleent ten behoeve van een verkoop van het project aan een derde. Verder is onder meer vastgelegd:\n\n“5. In geval van een verkooptransactie, zal de Geldlening onmiddellijk geheel of gedeeltelijk worden afgelost uit de opbrengst van de verkoop van het Project. De overeenkomst van geldlening d.d. 19 juli 2011 blijft onverminderd van kracht.\n\n6. Indien en voor zover de opbrengst van het Project hoger is dan het bedrag dat u uit hoofde van de Geldlening aan ons verschuldigd bent, is [geïntimeerde] , bovenop\n\nde uit hoofde van de Geldlening verschuldigde bedragen gerechtigd tot 50% van het surplus.”\n\n De brief is door [appellante] voor akkoord ondertekend.\n\n3.9. \n\nNa de verkoop van de voormalige echtelijke woning heeft [appellante] op 1 juni 2025 aan [geïntimeerde] een bedrag van € 25.000,- voldaan als aflossing op de lening. Na die betaling heeft [geïntimeerde] op dezelfde dag aan [appellante] geschreven dat het openstaande bedrag van de lening inclusief rente € 200.899,20 bedraagt. Verder schrijft hij in die brief onder meer:\n\n“Na onderling overleg besluiten we afspraak 7 van de onderhavige leenovereenkomst. als volgt te wijzigen\n\nIndien en voor zover de opbrengst van de verkoop van het Project lager is dan het bedrag dat u aan ons verschuldigd bent uit hoofde van de Geldlening maar wij schriftelijk akkoord zijn gegaan met de verkoopsom, zal de gehele opbrengst van\n\nde verkoop aan ons toekomen en zal het restant van het nog te vorderen bedrag van de Geldlening (met de daarover verschuldigde rente) worden gekwijt.”\n\nOok die brief is door [appellante] voor akkoord ondertekend.\n\n3.10. Op 6 september 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] een Whatsapp bericht gestuurd dat hij een geïnteresseerde partij heeft gevonden die het project wil afmaken en die de lening wil overnemen voor maximaal € 100.000. Op 13 september 2022 heeft hij hierover telefonisch contact met [appellante] . In dat gesprek verlangt [geïntimeerde] van [appellante] nog een aanvullende betaling van € 25.000. [appellante] weigert in dat gesprek die betaling te doen. Zij bevestigt die weigering in een e-mail van 5 oktober 2022. Volgens haar is een aanvullende betaling in strijd met de gemaakte afspraken\n\n3.11. \n\n [geïntimeerde] is bij brief van 27 oktober 2022 overgegaan tot opeising van de geldlening en heeft [appellante] gesommeerd om over te gaan tot betaling van het openstaande bedrag van de geldlening vermeerderd met rente ad € 211.985,62.\n\nIn deze sommatie schrijft [geïntimeerde] onder meer:\n\n‘Gezien de plotselinge wijziging in uw houding jegens ons, na ons laatste gesprek van 13 september 2022 jl., is bij ons het gerechtvaardigd vermoeden gerezen dat, ondanks piëteit en geduld van onze zijde, geen sprake meer zal zijn van een minnelijke afwikkeling en volledige aflossing van de Geldlening. Om die reden zijn wij genoodzaakt het openstaande bedrag van de Geldlening, in overeenstemming met de overeenkomst van 19 juli 2011, per direct geheel op te eisen.’\n\n3.12. Bij brief van 3 november 2022 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] bericht dat zij pas tot betaling over zal gaan als het project verkocht is.\n\n3.13. Op 28 november 2022 heeft de (toenmalige) advocaat van [geïntimeerde] [appellante] nogmaals gesommeerd om tot betaling over te gaan.\n\n3.14. \n\nBij brief van 9 december 2022 heeft [appellante] op de sommatie gereageerd en laten weten niet tot betaling over te gaan. Ook heeft zij in deze brief de nietigheid van de\n\novereenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 ingeroepen vanwege een wilsgebrek dan wel misbruik van omstandigheden.\n\n3.15. \n [appellante] is niet tot betaling overgegaan, ook niet nadat de advocaat van [geïntimeerde] haar op 16 maart 2023 nogmaals gesommeerd heeft tot betaling van € 218.978,32.\n\n4. 4. De vorderingen bij – en de beslissing van de rechtbank\n\n4.1. \n\n [geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd dat wordt verklaard voor recht dat de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is en dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van € 218.978,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 200.894,64 vanaf de dag van dagvaarding.\n\n [appellante] heeft in reconventie gevorderd dat wordt verklaard voor recht dat de overeenkomst van 19 juli 2011 is verjaard en dat de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 nietig zijn, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van het bedrag van € 25.000.\n\n4.2. De rechtbank heeft in conventie verklaard voor recht dat tussen partijen de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is en heeft [appellante] veroordeeld tot betaling van € 218.978,32 vermeerderd met de wettelijke rente over € 200.894,64 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van betaling, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. In reconventie zijn de vorderingen van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.\n\n4.3. Op 10 juli 2024 is [geïntimeerde] overgegaan tot het leggen van executoriaal beslag op de woning en het loon van [appellante] .5. 5. De vorderingen in hoger beroep\n\n [appellante] vordert in hoger beroep, na vermeerdering van eis, dat het vonnis van de rechtbank in conventie wordt vernietigd, dat de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat onverschuldigd blijkt te zijn betaald.\n\n6. 6. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nInleiding\n\n6.1. Tegen de vermeerdering van eis door [appellante] in hoger beroep – de vordering tot terugbetaling van wat onverschuldigd is betaald - is geen bezwaar gemaakt en het hof heeft daar ook ambtshalve geen bezwaar tegen, zodat ook op die vordering beslist zal worden.\n\n6.2. \n [appellante] heeft geen hoger beroep ingesteld van het vonnis dat in reconventie is gewezen. De afwijzing van haar beroep op verjaring van de vorderingen van [geïntimeerde] uit de overeenkomst van 19 juli 2011 en de afwijzing van haar beroep op de nietigheid van de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 zijn daarmee onherroepelijk. Dat geldt ook voor haar vordering tot terugbetaling van € 25.000.\n\n6.3. \n\nHet hof zal beslissen dat de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 wel van kracht is, maar dat die op sommige punten afwijkt van wat [naam1] en [geïntimeerde] eerder hadden afgesproken. Partijen zijn aan die eerdere afspraken gebonden, in het bijzonder de afspraak dat geen rente is verschuldigd over de hoofdsom. Maar ook aan de afspraak dat het geld uit de verkoop van de woningen moest komen. In lijn met die laatste afspraak heeft [geïntimeerde] op 27 september 2018 en 1 juni 2021 bindende nadere afspraken gemaakt met [appellante] , waaruit volgt dat de leningsovereenkomst nog niet opeisbaar is.\n\nDe grieven van [appellante] tegen het vonnis slagen daarmee ten dele. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en er zal gedeeltelijk anders worden beslist. [geïntimeerde] wordt daarbij veroordeeld tot terugbetaling aan [appellante] van wat onder het beslag door haar is betaald.\n\nHierna zal worden toegelicht hoe het hof tot zijn beslissingen is gekomen.\n\nde motivering van de beslissing\n\n6.4. \n [appellante] heeft drie bezwaren (grieven) naar voren gebracht tegen het bestreden vonnis. In die grieven snijdt zij de volgende kwesties aan:\n\na) is er op 19 juli 2011 een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen tussen [naam1] en [geïntimeerde] , of ging het in werkelijkheid om een risicodragende investering van [geïntimeerde] en zijn Holding in een gezamenlijk project; b) als sprake is van een geldleningsovereenkomst, is die lening dan wel opeisbaar, nu volgens [appellante] in de aanvullende overeenkomst van 27 september 20218 is vastgelegd dat aflossing van de lening alleen aan de orde is bij verkoop van het project; c) als sprake is van een geldlening, is daarover dan wel rente verschuldigd, nu door [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank is verklaard dat de oorspronkelijke afspraak was dat [naam1] alleen terug hoefde te betalen wat hij geleend had?\n\n Daarnaast voert [appellante] aan dat inmiddels al diverse bedragen zijn uitgewonnen onder het executoriale beslag. Volgens [appellante] dienen die nu als onverschuldigd betaald aan haar terugbetaald te worden. Het hof zal hieronder op deze kwesties ingaan.\n\nde geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011 is geldig6.5. \n [appellante] heeft niet betwist dat de overeenkomst door [naam1] is ondertekend. De overeenkomst heeft daarmee te gelden als een onderhandse akte waaraan dwingende bewijskracht toekomt ten aanzien van de in die overeenkomst opgenomen verklaringen van [geïntimeerde] en [naam1] (artikel 157 lid 2 Rv). Tegen dit dwingende bewijs staat tegenbewijs open (artikel 151 lid 2 Rv). Dat tegenbewijs is niet beperkt tot de stelling dat anders is verklaard dan in de overeenkomst is opgenomen, maar kan ook betrekking hebben op de stelling dat de in de overeenkomst opgenomen verklaring niet overeenstemt met de werkelijkheid.\n\n6.6. Volgens [appellante] is dat laatste het geval, want zij stelt dat in werkelijkheid sprake was van een risicodragende investering van [geïntimeerde] en zijn Holding in een gezamenlijk project van [geïntimeerde] en [naam1] . Ter onderbouwing van die stelling beroept [appellante] zich op correspondentie tussen [naam1] en [geïntimeerde] voorafgaand aan, maar ook na die overeenkomst. De overeenkomst betrof volgens [appellante] een schijnhandeling die kennelijk was bedoeld om schulden van [geïntimeerde] aan zijn Holding weg te werken in het zicht van de koop van een woning door [geïntimeerde] .\n\n6.7. \n\n [appellante] kan worden toegegeven dat in correspondentie tussen [naam1] en [geïntimeerde] verschillende malen wordt gesproken over een project waarin zij gezamenlijk deelnemen.\n\nDie correspondentie levert echter nog niet het tegenbewijs op dat [naam1] en [geïntimeerde] niet bedoeld hebben met de overeenkomst van 19 juli 2011 daadwerkelijk een geldleningsovereenkomst te sluiten; een overeenkomst waarbij de geldverstrekking door [geïntimeerde] en zijn Holding is vastgelegd als een lening door [geïntimeerde] aan [naam1] .6.8. \n\nUit die correspondentie komt namelijk ook naar voren dat er tussen [naam1] en [geïntimeerde] onduidelijkheid over bestond hoe de geldverstrekkingen te beschouwen waren: als (risicodragende) investering of als geldlening en dat zij daarover contact hebben gehad met elkaar. Zo schrijft [geïntimeerde] in een mail van 22 juni 2010 aan [naam1] : “Even iets anders [naam1] . Heb jij de bouw in Frankrijk ondergebracht in een apart bedrijfje van ons samen of staat alles nog op jouw persoonlijke naam? De reden dat ik dit vraag is een belastingtechnische. Als de transacties vanuit mijn Holding in een apart investeringsbedrijf ( van jou en mij) komen is het een investering: als jij het daar allemaal nog op jouw persoonlijke naam hebt staan, is het een lening. Daar moeten we op korte termijn naar kijken, zodat e.e a. niet spaak gaat lopen met de belastingen alhier.”\n\nIn antwoord daarop schrijft [naam1] op 15 augustus 2010: “Als we een CSI aangaan in Fr. zijn we voordelig uit in Fr. Boekhoudkundig zitten we voorlopig goed door geld wat niet van mij is als schuld op te nemen.”\n\n6.9. Vast staat dat het project altijd op naam is blijven staan van [naam1] en dat het niet is gekomen van de oprichting van een gezamenlijk (investerings)bedrijf. Tegen die achtergrond is het verklaarbaar dat, hoewel [naam1] en [geïntimeerde] onderling ook hebben gesproken over een gezamenlijk project, zij hebben besloten de geldverstrekkingen te gieten in de vorm van een overeenkomst van geldlening en dat zij daarbij (kennelijk) hebben besloten om die te zetten op naam van [naam1] en [geïntimeerde] . Dat [geïntimeerde] duidelijkheid nodig had over de titel waaronder de gelden aan [naam1] ter beschikking waren gesteld vanwege de door hem voorgenomen koop van een woning, brengt daar geen verandering in.\n\n6.10. De stelling dat [geïntimeerde] het doel van de ter beschikking gestelde gelden heeft veranderd van een risicodragende investering in een lening om in het zicht van de aankoop van die woning zijn schuld aan zijn Holding te verminderen, is door [geïntimeerde] weersproken. [appellante] heeft die stelling verder niet onderbouwd en is ook niet bijzonder aannemelijk in het licht van de correspondentie dat de mogelijkheid bestond om de samenwerking te gieten in een CSI (in welk geval geen sprake zou zijn van een geldlening, maar van een investering). Bovendien, ook als het een (risicodragende) investering zou zijn geweest, had [geïntimeerde] schulden aan zijn Holding kunnen verminderen door de investering op naam van zijn Holding te zetten.\n\n6.11. \n\nDe correspondentie ontzenuwt daarmee niet de dwingende bewijskracht van de overeenkomst van geldlening. [appellante] heeft verder geen andere omstandigheden aangevoerd die dat tegenbewijs wel kunnen opleveren.\n\nIntegendeel, ook [appellante] lijkt er, voordat het in deze zaak tot een procedure kwam, niet aan getwijfeld te hebben dat sprake was van een geldlening. Zij heeft immers ingestemd met het maken van aanvullende afspraken uitgaande van de geldleningsovereenkomst. Dat die aanvullende afspraken tot stand zouden zijn gekomen onder invloed van wilsgebreken is een stelling die zij in hoger beroep niet langer inneemt. Ook heeft zij nog een aflossing op de lening verricht van € 25.000, waar zij in hoger beroep niet langer de terugbetaling van vordert. Kennelijk heeft ook [naam1] bij leven [appellante] er niet over geïnformeerd dat geen sprake zou zijn van een geldlening, maar van een risicodragende investering, wat wel voor de hand had gelegen als van een geldlening in werkelijkheid geen sprake zou zijn geweest.\n\n6.12. Het hof deelt daarmee het oordeel van de rechtbank dat de overeenkomst van 19 juli 2011 een reële overeenkomst van geldlening betreft, welke nu geldt tussen [geïntimeerde] en [appellante] .\n\nhet uitgeleende bedrag volgens de overeenkomst van geldlening is echter niet opeisbaar6.13. Het hof is wel met [appellante] van oordeel dat het bedrag uit de overeenkomst van geldlening van 19 juli 2011 nog niet opeisbaar is.\n\n6.14. \n\nTijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [geïntimeerde] verklaard: “Het geld moest uit de verkoop van de woningen komen. Dat is vanaf het begin af aan altijd de onderliggende afspraak geweest”. De zinssnede in de e-mail van 11 juli 2011:“even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”, doelde daarmee kennelijk ook op de afspraak dat het geld voor het terugbetalen van de lening moest komen uit de verkoop van het project. De aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 behelst in lijn hiermee dat de geleende geldsom zal worden voldaan uit de verkoopopbrengst van het project. Daarbij zijn ook nadere afspraken vastgelegd over wat [geïntimeerde] aanvullend nog toekomt als de gerealiseerde verkoopopbrengst hoger is dan de geleende som. In de nadere aanvullende overeenkomst van 1 juni 2022 is daarnaast vastgelegd welke (verminderde) aanspraken op terugbetaling [geïntimeerde] heeft als de verkoopopbrengst waarmee [geïntimeerde] heeft ingestemd minder bedraagt dan de geleende som. De gerealiseerde verkoopopbrengst is volgens deze nadere afspraken dus mede bepalend voor de betalingsverplichtingen en -aanspraken die kunnen voortvloeien uit de overeenkomst van geldlening.\n\nDe aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 moet daarmee worden begrepen als (ook) een afspraak tussen [geïntimeerde] en [appellante] over het moment waarop de geleende som opeisbaar zal zijn, te weten bij verkoop van het project; zij hield kennelijk in dat de datum van opeisbaarheid van de lening verschoof van “niet later dan uiterlijk op de datum van de verkoop van het project”naar “uit de gerealiseerde verkoopopbrengst”.In ieder geval had [appellante] dat redelijkerwijs zo mogen begrijpen. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat [appellante] dat ook van meet af aan zo begrepen heeft.\n\n6.15. Daar doet niet aan af dat in de aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 is bepaald: “De overeenkomst van geldlening d.d. 19 juli 2011 blijft onverminderd van kracht”en dat in de overeenkomst van 19 juli 2011 is bepaald: “[geïntimeerde] heeft het recht het nog resterende bedrag van de lening en verschuldigde rente direct op te eisen.”Zoals gezegd, heeft [geïntimeerde] in de mail van 11 juli 2011 geschreven dat de schriftelijke overeenkomst niet bedoelde een wijziging aan te brengen in de oorspronkelijke afspraken. En de oorspronkelijke afspraak was dat het geld moest komen uit de verkoop van het project. Bovendien, als [geïntimeerde] het anders bedoelde dan als door [appellante] is opgevat, had het op haar weg als opsteller van de aanvullende bepalingen gelegen om dat voldoende duidelijk te maken. Als zij bedoelde dat lening ook na het maken van die nadere afspraken te allen tijde door haar opgeëist zou kunnen worden, had zij dat expliciet in de nadere afspraken moeten vermelden. Het alleen indirect kenbaar maken van die bedoeling, door te verwijzen naar de overeenkomst van 19 juli 2011, is in het licht van de nader gemaakte afspraken en de e-mail van 11 juli 2011 onvoldoende.6.16. \n\n [geïntimeerde] heeft verder niets aangevoerd waaruit volgt dat de overeenkomst van 27 september 2018 nu niet meer geldt. Van (een geldige buitengerechtelijke) ontbinding van die overeenkomst en de daarin vastgelegde afspraken is niet gebleken en die wordt in deze procedure ook niet gevorderd. [geïntimeerde] heeft wel gesteld dat [appellante] doelbewust haar verplichtingen om medewerking te verlenen aan de verkoop van het project niet nakomt, maar zij heeft daar geen verbintenisrechtelijke gevolgen aan verbonden.\n\nDaarbij wordt opgemerkt dat het [geïntimeerde] zelf is geweest die verdere verkooppogingen heeft gestaakt nadat [appellante] had geweigerd om nog een aanvullend bedrag van € 25.000,- te betalen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde] niet duidelijk kunnen maken uit welke (contractuele) verplichting een gehoudenheid van [appellante] daartoe zou volgen.\n\ngeen rente verschuldigd over de geldlening\n\n6.17. \n [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat partijen in eerste instantie hadden afgesproken dat [naam1] over de door [geïntimeerde] en zijn Holding ter beschikking gestelde bedragen geen rente verschuldigd zou zijn. De zinssnede in de e-mail van 11 juli 2011: “even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”, doelde daar volgens hem op. Zij heeft voor haar rentevordering echter aangevoerd dat [appellante] in de aanvullende overeenkomst van 1 juni 2021 er zelf voor heeft getekend dat de openstaande schuld nog € 200.899,20 bedroeg. Dat bedrag was berekend inclusief rente. Daarmee heeft [appellante] die rente zelf aanvaard, aldus [geïntimeerde] .6.18. De stelling dat [appellante] zelf de verschuldigdheid van rente over de lening heeft aanvaard, wordt verworpen. Uit niets blijkt dat [appellante] toen al de wetenschap had dat [naam1] en [geïntimeerde] , in afwijking van de geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011, waren overeengekomen dat alleen het bedrag in hoofdsom verschuldigd was en dat daarover geen rente berekend zou worden. [geïntimeerde] was vanwege die afspraak niet gerechtigd om aan [appellante] een bedrag voor te leggen waarin wel rente was berekend. In die situatie is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde] [appellante] zou kunnen houden aan haar instemming met het door de holding in strijd met die afspraak berekende bedrag van de openstaande schuld. Zij is dus geen rente verschuldigd over het bedrag in hoofdsom.\n\n [geïntimeerde] dient aan [appellante] terug te betalen van wat onder het beslag uitgewonnen is\n\n6.19. De slotsom uit het vorenstaande is dat de veroordeling van [appellante] om een geldbedrag te betalen aan [geïntimeerde] zal worden vernietigd. Daaruit volgt dat de vordering van [appellante] om [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van geldbedragen die onder het executoriale beslag zijn uitgewonnen, slaagt. Voor de goede orde wordt daarbij opgemerkt dat tot die verplichting tot terugbetaling niet behoort het bedrag van € 25.000 dat [appellante] op 1 juni 2021 aan [geïntimeerde] heeft betaald. De terugbetaling van dat bedrag is al bij de rechtbank gevorderd en afgewezen en daartegen heeft [appellante] geen hoger beroep ingesteld.\n\nbewijsaanbiedingen\n\n6.20. \n\nPartijen hebben over en weer bewijs aangeboden van hun stellingen door het horen van getuigen.\n\n [appellante] heeft aangeboden [geïntimeerde] te horen over de stelling dat geen sprake is van een overeenkomst van geldlening. Aan dat aanbod gaat het hof voorbij. [appellante] heeft in dit verband geen concreet te bewijzen feiten en omstandigheden gesteld waarover [geïntimeerde] als getuige kan verklaren.\n\nVoor het overige hebben de aanbiedingen van partijen geen betrekking op feiten en omstandigheden die, indien zij zouden komen vast te staan, leiden tot een ander oordeel.\n\nslotsom\n\n6.21. Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Het bestreden vonnis in conventie zal om redenen van proceseconomie geheel vernietigd worden.\n\n6.22. Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zowel in de procedure bij de rechtbank in conventie als in hoger beroep, zal het hof bepalen dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten).6.23. De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n7. De beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1. vernietigt het in conventie gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen van 19 juni 2024, en beslist:\n\n7.2. verklaart voor recht dat tussen partijen de geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is, met dien verstande dat: a) over het uitgeleende bedrag geen contractuele rente verschuldigd is; b) de verplichting tot terugbetaling van het geleende bedrag pas opeisbaar is bij verkoop van het project; c) de omvang van die verplichting nader wordt bepaald door wat partijen daarover aanvullend hebben afgesproken in de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021;\n\n7.3. veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellante] van al wat door haar is betaald aan [geïntimeerde] op grond van het door [geïntimeerde] onder haar gelegde executoriale beslag;\n\n7.4. verklaart deze veroordeling tot terugbetaling uitvoerbaar bij voorraad;7.5. wijst af wat meer of anders is gevorderd;7.6. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt, in beide instanties. Voor de procedure bij de rechtbank geldt deze beslissing alleen voor de procedure in conventie.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, M.E.L. Fikkers en A. Elgersma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n23 december 2025.\n\n Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:848","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8616","2025-12-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:44.367Z",20]