[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-leeuwarden-family-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":96},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},70,"Leeuwarden","nl","leeuwarden",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2025-12-04T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,39,42,45,48,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122588","Burgerlijk Wetboek","art. 1:401",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122590","art. 3:59",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122591","art. 1:400 lid 2",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122592","art. 1:401 lid 5",{"provisionId":36,"code":37,"article":38,"count":25},"122613","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 802",{"provisionId":40,"code":23,"article":41,"count":25},"122614","art. 1:431 lid 1",{"provisionId":43,"code":23,"article":44,"count":25},"122615","art. 1:450 lid 1",{"provisionId":46,"code":37,"article":47,"count":25},"122404","art. 4 lid 3",{"provisionId":49,"code":23,"article":50,"count":25},"122405","art. 10:8",{"provisionId":52,"code":23,"article":53,"count":25},"122406","art. 10:127 lid 1",[55,65,73,81,89],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":63,"updatedAt":64},"369","ECLI:NL:GHARL:2026:4258","ecli-nl-gharl-2026-4258","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.360.780\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 190548)\n\nbeschikking van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker](de vader),\n\nwonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep,\n\nverweerder in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,\n\nen\n\n [verweerster](de moeder),\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerster in het principaal hoger beroep,\n\nverzoekster in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J. Robben te Leeuwarden.\n\nIn zijn toetsende en\u002Fof adviserende taak is gekend:\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad),\n\nregio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 20 november 2023, 26 november 2024 en 23 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 22 oktober 2025;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 17 november 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 3 december 2025 met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;\n\n- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlage(n);\n\n- een brief van de raad van 6 maart 2026, waarin de raad laat weten aanwezig te zullen zijn bij de zitting;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 18 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 25 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 28 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 29 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 1 juni 2026 met bijlage(n).\n\n2.2. De minderjarige [de minderjarige] heeft bij brief van 24 april 2026 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de verzoeken.\n\n2.3. De mondelinge behandeling heeft op 3 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en een vertegenwoordiger namens de raad.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\n3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen, afgewezen en, voor zover hier van belang, een (definitieve) zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] eens per twee weken van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft en in de andere week van woensdag uit school tot donderdag naar school. De rechtbank heeft tevens een vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld.\n\n3.3. \n\nBlijkens het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 7 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [de minderjarige] :\n\n• in de ene week -de oneven weken- van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij de vader verblijft en\n\n• in de andere week -de even weken- van woensdagmiddag na school tot donderdagmorgen naar school bij de vader verblijft;\n\n• op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per overtreding met een\n\nmaximum van € 2.500,-.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. Tussen partijen is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] .\n\n4.2. \n\nDe vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 juli 2025. Deze grief ziet op de vastgestelde (reguliere) zorgregeling.\n\nDe vader verzoekt het hof om de bestreden beschikking te wijzigen, in die zin dat als structurele zorgregeling heeft te gelden dat [de minderjarige] om de week van maandag uit school tot maandag naar school en op de vrije dagen tot 14.00 uur bij de moeder en de vader verblijft, althans een zodanig beslissing te nemen als door het hof in goede orde te bepalen.\n\n4.3. De moeder is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof om, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek in hoger beroep van de vader af te wijzen en haar verzoek in hoger beroep toe te wijzen door de bestreden beschikking waar het gaat om de beslissing ter zake van de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader in de andere week van woensdag na school tot donderdag voor school te vernietigen en de beslissing ter zake van de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader van eens per twee weken van woensdag uit school tot maandag naar school te bekrachtigen.\n\n4.4. De vader verzoekt het hof om de moeder in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken ongegrond te verklaren.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.\n\n5.2. Het hof stelt voorop dat het hoger beroep van de ouders zich richt tegen de door de rechtbank vastgestelde reguliere zorgregeling. De vakantie- en feestdagenregeling is niet in geschil. De ouders zijn het erover eens dat de huidige reguliere zorgregeling onrustig is voor [de minderjarige] . De vader stelt zich op het standpunt dat er, overeenkomstig het advies van de raad aan de rechtbank, een co-ouderschapsregeling moet worden vastgesteld. Dit betekent volgens de vader dat er minder wisselmomenten zullen zijn en er meer rust voor [de minderjarige] zal ontstaan. De moeder heeft aangevoerd dat het verblijf van [de minderjarige] bij de vader in de andere week, van woensdag uit school tot donderdag naar school, te onrustig is en verstorend werkt in de schoolweek. Gelet op de slechte verstandhouding en communicatie tussen de ouders, is volgens de moeder een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [de minderjarige] . De moeder kan zich vinden in een zorgregeling waarbij [de minderjarige] eens per twee weken (in de oneven weken) van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft.\n\n5.3. \n\nDe raad heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, anders dan bij de rechtbank, op het standpunt gesteld dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang is\n\nvan [de minderjarige] . De raad heeft hierbij gewezen op de verstoorde verstandhouding en het ontbreken van overleg tussen de ouders. De raad adviseert om een zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] om de week bij de vader verblijft van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school. De omgang in de andere week van woensdag op donderdag is volgens de raad te veel voor [de minderjarige] .\n\n5.4. \n\nNet als de raad vindt het hof dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [de minderjarige] is. Voor een co-ouderschapsregeling is vereist dat ouders met elkaar kunnen communiceren en samenwerken om te voorkomen dat het kind door een dergelijke regeling onnodig (extra) wordt belast. De ouders zijn in de afgelopen jaren niet in staat gebleken om op een constructieve wijze en in goed overleg invulling te geven aan het ouderschap.\n\nDe raad had de ouders bij de rechtbank geadviseerd om het traject solo parallel ouderschap in te zetten, zodat zij ieder op hun eigen manier het ouderschap kunnen invullen.\n\nDit traject is niet van de grond gekomen. De verstandhouding tussen de ouders is inmiddels langdurig verstoord en er bestaan grote zorgen over het effect daarvan op [de minderjarige] .\n\nEen co-ouderschapsregeling is onder deze omstandigheden niet reëel. Het hof zal het verzoek van de vader daartoe afwijzen.5.5. \n\nGelet op het voorgaande, ziet het hof, conform het door de raad ter zitting gegeven advies en het verzoek van de moeder, aanleiding om te bepalen dat [de minderjarige] om de week bij de vader zal verblijven van woensdag uit school tot maandag naar school.\n\nDeze zorgregeling bevat minder wisselmomenten dan de door de rechtbank vastgestelde regeling en is daardoor rustiger voor [de minderjarige] . Het hof acht dit, gelet op de ernstig verstoorde verstandverhouding tussen de ouders en de gevolgen daarvan voor [de minderjarige] ,\n\nhet meest in haar belang. Het hof zal, in navolging van de beslissing van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2025, bepalen dat de omgang bij de vader in de oneven weken zal plaatsvinden, zodat de zorgregeling aansluit bij de regeling van de jongste dochter van de vader.\n\n6. De slotsom\n\nOp grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de in de bestreden beschikking vastgestelde reguliere zorgregeling om doelmatigheidsredenen in zijn geheel vernietigen en in zoverre beslissen als volgt.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 23 juli 2025, wat betreft de vastgestelde reguliere zorgregeling, en in zoverre opnieuw beschikkende:\n\nverdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder aldus dat [de minderjarige] eens per twee weken -in de oneven weken- van woensdag uit school tot maandag naar school\n\nbij de vader verblijft;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, J.G. Knot en E. Leentjes, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 30 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4258","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.417Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":69,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":63,"updatedAt":72},"1125","ECLI:NL:GHARL:2026:4230","ecli-nl-gharl-2026-4230","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht, handel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.860\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10929498)\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellante] ,\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld,\n\nhierna: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. I. Mercanoglu, die kantoor houdt te Almelo,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\ndie woont in [woonplaats2] ,\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld,\n\nhierna: de man,\n\nadvocaat: mr. A. Harmanci, die kantoor houdt te Amsterdam.\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nNaar aanleiding van het arrest van 28 oktober 2025 heeft op 28 mei 2026 een enkelvoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.2. De kern van de zaak\n\n Het gaat in deze zaak om de vraag of de man gehouden is tot afgifte van een bruidsgave van 100 gram goud aan de vrouw. Het hof zal beslissen dat de man daartoe niet gehouden is, omdat aan de afspraak van partijen over de bruidsgave (‘mehir’) geen rechtsgevolg toekomt. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.3. De feiten3.1. Beide partijen hebben zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit.3.2. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. [in] 2023 hebben zij tegenover de imam een religieuze (huwelijks)ceremonie gehouden in [plaats1] en hebben zij een akte ondertekend met als titel ‘Nikah akti’. De man heeft in de procedure een versie (met vertaling) van de ‘Nikah akti’ overgelegd, die afwijkt van de versie (met vertaling) die de vrouw heeft overgelegd, in die zin dat daaraan op de regel die over de ‘mehir’gaat, het woord‘verilmiştir’is toegevoegd.3.3. Van 29 april 2023 tot en met 16 juli 2023 hebben partijen samengewoond. De vrouw is op 17 juli 2023 ingetrokken bij haar moeder en woont daar nog steeds.3.4. Op 18 augustus 2023 heeft de advocaat van de vrouw de man aangeschreven over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de samenwoning tussen partijen. Aan de man is onder meer verzocht om 100 gram goud aan de vrouw af te geven. De man heeft daaraan geen gehoor gegeven.4. De vorderingen4.1. De vrouw heeft bij de rechtbank, voor zover van belang, in conventie gevorderd om de man te veroordelen om haar 100 gram goud te geven ten overstaan van een juwelier naar keuze van de vrouw in [plaats2] .4.2. De man heeft daartegen verweer gevoerd.4.3. In het bestreden vonnis van 14 mei 2025 heeft de rechtbank, voor zover van belang, de vorderingen van de vrouw afgewezen en de proceskosten in conventie tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.4.4. De vrouw heeft in hoger beroep vier grieven naar voren gebracht tegen het bestreden vonnis, die ertoe moeten leiden dat haar vordering in conventie alsnog wordt toegewezen, waarbij (zo nodig) een deskundigenonderzoek wordt gelast naar de echtheid van het woord ‘verilmiştir’ in de door de man overgelegde huwelijksakte en waarbij de partij, die door het hof in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties, inclusief de kosten van het deskundigenbericht, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en – bij gebreke van tijdige betaling – te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.4.5. De man heeft hiertegen verweer gevoerd en gevorderd om het hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren en al haar eisen af te wijzen. De man heeft op zijn beurt incidenteel hoger beroep ingesteld en gevorderd om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.5. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nDe rechtsmacht5.1. De zaak heeft een internationaal karakter. Daarom moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over de vordering. Hierbij zal het hof uitgaan van de kwalificatie van de in de ‘nikah akti’ overeengekomen ‘mehir’ als een rechtsverhoudingsui generis. Dit brengt mee dat de door het hof toe te passen regels van internationaal privaatrecht op de vordering tot afgifte van een bruidsgave van 100 gram goud niet voortvloeien uit een verdrag of verordening, maar uit het commune Nederlandse internationaal privaatrecht.5.2. \n\nDe vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot afgifte van de in de ‘nikah akti’ overeengekomen ‘mehir’ betreft een zelfstandige dagvaardingsprocedure. Op grond van artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om hierover te oordelen, omdat de man als de gedaagde partij woonplaats heeft in Nederland.\n\nHet toepasselijke recht5.3. \n\nHet hof stelt vast dat de rechtbank (impliciet) het Nederlandse recht heeft toegepast op de vordering van de vrouw tot afgifte van het goud. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat er geen grief is gericht tegen de toepassing door de rechtbank van het Nederlandse recht, zodat ook het hof het Nederlandse recht zal toepassen.\n\nGeen rechtsgeldig huwelijk5.4. Tussen partijen staat vast dat zij [in] 2023 in [plaats1] een religieuze ceremonie hebben gehouden, begeleid door een imam, en dat zij daarmee beoogden een religieus huwelijk naar islamitisch recht met elkaar aan te gaan.5.5. In Nederland kan een huwelijk echter alleen tot stand komen als aan de voorwaarden van artikel 1:63 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan. Op grond van dit artikel geldt (onder meer) dat het huwelijk moet worden gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Tussen partijen is niet in geschil dat dat dat niet is gebeurd en dat betekent dat tussen partijen geen rechtsgeldig huwelijk naar Nederlands recht tot stand is gekomen. De afspraak over de bruidsgave (de ‘mehir’)5.6. Naar het oordeel van het hof is op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting vast komen te staan dat de afspraak die partijen in de ‘nikah akti’ met elkaar hebben gemaakt – los van de vraag hoe die exact luidt, want dat is tussen partijen in geschil – door partijen werd beschouwd als integraal onderdeel van het religieuze huwelijk dat zij wilden sluiten. Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij het religieuze huwelijk hebben gesloten, omdat zij dan mochten samenwonen voor het islamitische geloof. Onderdeel van het religieuze huwelijk vormde het ondertekenen van de ‘nikah akti’ (in beide vertalingen vertaald als ‘huwelijksakte’) en de daarin opgenomen ‘mehir’. Partijen verschillen van mening over de wijze van totstandkoming daarvan en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen. De vrouw stelt kort gezegd dat de afspraak werd gemaakt op verzoek van de vader van de man en dat hij haar had toegezegd het goud later te geven maar dat nooit heeft gedaan. De man stelt, kort gezegd, dat de afspraak werd gemaakt op verzoek van de moeder van de vrouw, omdat dat verplicht was bij een islamitisch huwelijk en dat het goud ook op dat moment aan de vrouw is voldaan. Wat er van de wijze van totstandkoming, de inhoud en de rechtsgevolgen van de ‘nikah akti’ ook zij, op grond van de beantwoording van de vragen ter zitting door partijen is naar het oordeel van het hof voldoende vast komen te staan dat partijen de overeenkomst hebben gesloten, omdat zij een religieus huwelijk aangingen en dat de overeenkomst daar niet los van kan worden gezien. Het hof acht het niet aannemelijk dat partijen deze afspraak ook zonder religieus huwelijk zouden hebben gemaakt. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat aan de afspraak over de bruidsgave geen rechtsgevolg toekomt. Toewijzing van de vordering van de vrouw tot voldoening van de ‘mehir’ – als integraal onderdeel van het door partijen beoogde religieuze huwelijk – zou leiden tot het toekennen van een rechtsgevolg aan een in Nederland niet als rechtsgeldig aan te merken huwelijk en daarmee indruisen tegen de bedoeling van de wetgever. De wetgever heeft de praktijk van de sluiting van religieuze huwelijken zonder voorafgaand Nederlands burgerlijk huwelijk willen uitbannen en heeft dat ten aanzien van de bedieners van de eredienst zelfs uitdrukkelijk strafrechtelijk verboden. Dat is in overeenstemming met fundamentele Nederlandse beginselen zoals de scheiding tussen kerk en staat, de betrouwbaarheid van de Nederlandse openbare registers (waaronder die van de burgerlijke stand) en de bescherming van (met name) de gehuwde vrouw tegen een onzekere en ongelijke juridische positie. De vrouw heeft daarom geen recht op afgifte van enige bruidsgave.5.7. Aan uitleg van de afspraak die partijen met betrekking tot de ‘mehir’in de huwelijksakte hebben gemaakt, komt het hof gelet op het vorenstaande niet toe. De grieven I en II van de vrouw blijven daarom onbesproken. Aan het bewijsaanbod om de echtheid van de akte aan te tonen waar grief III op ziet, komt het hof gelet op het voorgaande ook niet toe. Voor zover de vrouw in grief IV klaagt over de processuele gang van zaken in eerste aanleg, is het hof van oordeel dat zij bij zelfstandige behandeling van die klacht geen belang heeft. Het rechtsmiddel van hoger beroep dient er immers mede toe om eventuele omissies of misslagen die zich hebben voorgedaan in eerste aanleg te herstellen en partijen zijn in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om al hun inhoudelijk bezwaren tegen het bestreden vonnis aan het hof kenbaar te maken.5.8. Het hof zal het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen, onder verbetering van de gronden.5.9. Partijen hebben over en weer gevorderd om de andere partij te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. Het hof ziet daarvoor gelet op de aard van de procedure – die de afwikkeling van de affectieve relatie van partijen betreft – geen aanleiding. Het hof zal de beslissing over de proceskosten in eerste aanleg in conventie bekrachtigen en bepalen dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt – onder verbetering van de gronden – het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 14 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in hoger beroep.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E. Leentjes, mr. J.G. Knot en mr. C. Coster en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n Artikel 1:68 BW en artikel 449 van het Wetboek van Strafrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4230","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.382Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":63,"updatedAt":80},"835","ECLI:NL:GHARL:2026:212","ecli-nl-gharl-2026-212","2026-01-15T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.355.634\u002F01\n\n(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 11504206 (bewind) en 11504211 (mentorschap))\n\nbeschikking van 15 januari 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster](de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nverzoekster in hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. C.J.H. Anker te Rotterdam.\n\nAls overige belanghebbenden zijn aangemerkt:\n\n1. Stichting Vivium Zorggroep(Vivium Zorggroep) ,\n\ngevestigd in [plaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. M.F. Mooibroek te Utrecht,\n\n2. [bewindvoerder] (de bewindvoerder),\n\nhandelend onder de naam [naam 2], gevestigd te [plaats 2] ,\n\n3. [mentor] (de mentor),\n\nhandelend onder de naam [naam 3],\n\ngevestigd te [plaats 3] ,\n\n4. [naam 4] (de zoon),\n\ndie woont in [plaats 4] .\n\n1. De procedure in eerste aanleg\n\n Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 4 maart 2025, uitgesproken onder zaaknummers 11504206 en 11504211.2. De procedure in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 4 juni 2025;\n\n- een brief van de bewindvoerder van 5 augustus 2025 met bijlage(n);\n\n- een brief van de mentor van 10 augustus 2025;\n\n- het verweerschrift van Vivium Zorggroep met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens Vivium Zorggroep van 27 november 2025;\n\n- een journaalbericht namens de betrokkene van 28 november 2025;\n\n- twee e-mailberichten namens de betrokkene van 5 december 2025;\n\n- een journaalbericht namens de betrokkene van 9 december 2025;\n\n- een journaalbericht namens Vivium Zorggroep van 10 december 2025 met bijlage(n).2.2. De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2025 plaatsgevonden. De betrokkene en haar advocaat hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen vanuit de zorginstelling waar de betrokkene verblijft. Fysiek ter zitting waren aanwezig:\n\n- [naam 5] , directeur van Vivium Zorggroep , bijgestaan door mr. Mooibroek;\n\n- de bewindvoerder;\n\n- de mentor.3. De feiten3.1. De betrokkene is geboren op [geboortedag] 1938. Zij verblijft sinds 8 juli 2025 op grond van een rechterlijke machtiging in het kader van de Wet zorg en dwang (Wzd) in [plaats 2] in verpleeghuis [naam 6] van Vivium Zorggroep .3.2. Vivium Zorggroep heeft – als de instelling die de betrokkene op dat moment ambulante begeleiding bood – de kantonrechter op 22 januari 2025 verzocht een bewind in te stellen over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan de betrokkene, met benoeming van [plaats 1] tot bewindvoerder, en een mentorschap in te stellen over de betrokkene, met benoeming van [mentor] tot mentor.3.3. Bij de bestreden beschikking, van 4 maart 2025 (zaaknummer 11504206), zijn de goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan de betrokkene onder bewind gesteld wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand en is [plaats 1] , handelend onder de naam [naam 2] , tot bewindvoerder benoemd. Bepaald is, conform artikel 1:436 derde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat het bewind wordt ingeschreven in het openbare Centrale Curatele- en bewindregister.3.4. Bij de bestreden beschikking van 4 maart 2025 (zaaknummer 11504211) is een mentorschap ingesteld ten behoeve van de betrokkene en is [mentor] , handelend onder de naam [naam 3] , tot mentor benoemd.4. De omvang van het geschil4.1. De betrokkene is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikkingen. De betrokkene stelt dat het beginsel van wederhoor is geschonden en dat er geen gronden zijn voor het instellen van bewind en mentorschap. De betrokkene verzoekt het hof beide beschikkingen te vernietigen en opnieuw beschikkende de verzoeken tot het instellen van een bewind en een mentorschap alsnog af te wijzen.4.2. Vivium Zorggroep voert verweer en verzoekt het hof om het hoger beroep van de betrokkene af te wijzen. De bewindvoerder en de mentor sluiten zich daarbij aan.5. De motivering van de beslissing Schending van het recht van hoor en wederhoor in eerste aanleg5.1. De betrokkene stelt dat de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, omdat het bewind en het mentorschap zijn ingesteld zonder de betrokkene en overige belanghebbenden daarover te horen.5.2. Uit de bestreden beschikking blijkt dat de kantonrechter de verzoeken heeft toegewezen en dat er geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat uit de stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de rechthebbende als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat zal zijn ten volle haar belangen van vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.5.3. Op grond van het bepaalde in artikel 800 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt aan de belanghebbenden een afschrift van het verzoekschrift en van de daarbij behorende bescheiden toegezonden en worden de belanghebbenden opgeroepen voor een mondelinge behandeling, tenzij de rechter aanstonds een beschikking geeft waarbij hij zich onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst. Het toewijzen van een verzoek zonder mondelinge behandeling kan plaatsvinden bij verzoeken van eenvoudige aard, waar geen verweer te verwachten valt.5.4. Naar het oordeel van het hof zijn verzoeken tot het instellen van bewind of mentorschap in beginsel geen verzoeken die zonder mondelinge behandeling door een rechter kunnen worden toegewezen. Uitgangspunt is dat een belanghebbende op een dergelijk verzoek wordt gehoord. Het gaat immers om ingrijpende maatregelen, waarbij behoedzaamheid op zijn plaats is. Om te kunnen beoordelen of aan de gronden voor het instellen van een bewind of mentorschap is voldaan, moet de rechter zich een oordeel vormen over de lichamelijke en geestelijke toestand van de betrokkene. Daarbij moet de rechter op grond van artikel 802 en 809 lid 1 en 2 Rv de betrokkene in de gelegenheid stellen zijn mening kenbaar te maken. Dit is in eerste aanleg niet gebeurd en daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van een schending van het recht van hoor en wederhoor van (onder andere) de betrokkene. De eerste grief is in zoverre terecht voorgesteld. Herstel van de schending van het recht van hoor en wederhoor in hoger beroep5.5. Het hoger beroep heeft een herstellende functie en dit betekent dat de schending van het recht op hoor en wederhoor in hoger beroep kan worden hersteld.5.6. De betrokkene heeft zich echter op het standpunt gesteld dat zij ook in hoger beroep haar mening niet naar voren heeft kunnen brengen op de wijze die de artikelen 802 en 809 Rv voorschrijft, omdat zij met haar advocaat via een videoverbinding aan de zitting heeft deelgenomen, terwijl de overige belanghebbenden fysiek op de zitting aanwezig waren. De betrokkene verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 juni 2025, waaruit volgt dat de rechter de betrokkene in beginsel in fysieke aanwezigheid hoort en dat slechts in bijzondere omstandigheden deelname aan de mondelinge behandeling via een videoverbinding toelaatbaar is. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is volgens de betrokkene geen sprake.* De feitelijke gang van zaken rondom de digitale deelname van de betrokkene aan de zitting5.7. Het hof heeft op 27 november 2025 een journaalbericht ontvangen van Vivium Zorggroep met het verzoek de zitting digitaal te laten plaatsvinden, dan wel op de locatie waar de betrokkene woont, dit omdat de behandelaren van de betrokkene hebben aangegeven dat de betrokkene vanuit medisch perspectief niet in staat is om naar Leeuwarden af te reizen en de mentor is het daar mee eens. Vivium Zorggroep gaf aan dat dit verzoek in overleg met de advocaat van de betrokkene is gedaan.5.8. Het hof heeft vervolgens de betrokkene, via haar advocaat, in de gelegenheid gesteld om haar mening over dit verzoek naar voren te brengen en heeft de advocaat van de betrokkene verzocht om ook bij de overige belanghebbenden na te gaan wat hun mening is over dit verzoek.5.9. \n\nDe advocaat van de betrokkene heeft het hof bij journaalbericht van 28 november 2025 het volgende bericht:\n\n“ Dezerzijds akkoord met een digitale oproep voor cliënte. Uiteraard is dat voor de bewindvoerder ook akkoord, zij hebben tenslotte het verzoek daartoe ingediend.”5.10. Bij e-mail van 5 december 2025 in de ochtend heeft de secretaresse van de advocaat van de betrokkene het hof bericht dat de bewindvoerder en de mentor akkoord zijn met het digitaal horen van de betrokkene en dat van de zoon geen contactgegevens beschikbaar zijn, zodat hij niet kan worden benaderd.5.11. De griffier van het hof heeft op 5 december 2025 in de ochtend telefonisch aan alle belanghebbenden doorgegeven dat de betrokkene aan de zitting mag deelnemen via een videoverbinding, onder de voorwaarde dat haar advocaat bij de betrokkene op locatie aanwezig is. De secretaresse van de advocaat van de betrokkene heeft aangegeven dat zij bij de advocaat van de betrokkene zal navragen of dat akkoord is.5.12. Bij e-mail van 5 december 2025 in de middag heeft de secretaresse van de advocaat van de betrokkene het volgende bericht: “ Mr. Anker is ermee akkoord om zelf de zitting bij cliënte bij te wonen. (…)”5.13. \n\nOp 9 december 2025 in de middag heeft het hof vervolgens een journaalbericht met bijlage van de advocaat van de betrokkene ontvangen, waarin wordt aangegeven dat de betrokkene toch niet akkoord is met de gang van zaken waarbij enkel de betrokkene en haar advocaat digitaal deelnemen aan de zitting.\n\n* Legitimiteit van de digitale deelname5.14. De rechter die van een partij een verzoek ontvangt om via een videoverbinding aan de mondelinge behandeling te mogen deelnemen, dient steeds na te gaan of dat verzoek een legitiem doel dient en of deelname op afstand van die partij op zodanige wijze kan worden georganiseerd dat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd. Hierbij kunnen ook de aard van de procedure en de hoedanigheid van de verzoekende partij van belang zijn. De rechter dient een eventueel bezwaar van een andere partij in zijn beoordeling te betrekken en daarop gemotiveerd te beslissen.5.15. In procedures over de instelling van een bewind en\u002Fof mentorschap hoort de rechter de betrokkene in beginsel in fysieke aanwezigheid. In een geval waarin ervan moet worden uitgegaan dat de betrokkene in staat is zijn mening kenbaar te maken, is slechts in bijzondere omstandigheden toelaatbaar dat de betrokkene via een videoverbinding aan de mondelinge behandeling deelneemt, ongeacht of die wijze van deelname op bezwaren stuit bij de andere partij(en).5.16. Het hof stelt voorop dat door de behandelaren van de betrokkene is aangegeven dat de betrokkene vanuit medisch perspectief niet in staat was om naar Leeuwarden af te reizen om de zitting fysiek bij te wonen. Naar het oordeel van het hof diende het verzoek dat Vivium Zorggroep op 27 november 2025 bij het hof heeft ingediend daarom een legitiem doel, namelijk het bewerkstelligen dat de betrokkene ondanks haar medische beperkingen toch aan de mondelinge behandeling van haar hoger beroep zou kunnen deelnemen, door die zitting digitaal te laten plaatsvinden, dan wel fysiek op de locatie waar de betrokkene woont. In dat kader heeft het hof aan partijen voorgesteld om de betrokkene met haar advocaat via een videoverbinding digitaal te laten deelnemen aan de mondelinge behandeling, waar de overige belanghebbenden fysiek aanwezig zouden kunnen zijn (een zogenaamde hybride zitting). Het hof achtte de aanwezigheid van de advocaat van de betrokkene op de locatie bij de betrokkene een vereiste, onder meer om daarmee te waarborgen dat er geen sprake was van ongeziene beïnvloeding van de betrokkene door anderen. Uit de feitelijke gang van zaken zoals hiervoor vermeld, blijkt dat de advocaat van de betrokkene daar aanvankelijk ook mee heeft ingestemd en pas op 9 december 2025 bezwaren hiertegen naar voren heeft gebracht. Ter zitting heeft de advocaat van de betrokkene toegelicht dat hij niet had begrepen dat de zitting hybride zou zijn; hij was ervan uitgegaan dat de zitting volledig digitaal zou plaatsvinden. Daarmee had hij wel akkoord kunnen gaan. Wat daar verder ook van zij, het hof heeft de bezwaren die namens de betrokkene op 9 december 2025 naar voren zijn gebracht beoordeeld en is van oordeel dat de bijzondere omstandigheden van dit geval het toelaatbaar maken dat de betrokkene via een videoverbinding aan de mondelinge behandeling deelneemt. Artikel 802 Rv brengt weliswaar mee dat als de betrokkene in staat is haar mening kenbaar te maken, maar niet in staat is zich naar het gerechtsgebouw te begeven, zoals hier het geval is, zij in beginsel op haar verblijfplaats wordt ondervraagd, maar bij die manier van ondervragen is de betrokkene niet in de gelegenheid om te reageren op wat er op de zitting door de overige belanghebbenden naar voren wordt gebracht. Het hof is van oordeel dat met de wijze waarop de betrokkene nu is gehoord, voor deze betrokkene beter tegemoet is gekomen aan haar recht van hoor en wederhoor dan als zij voorafgaand aan de zitting fysiek zou zijn gehoord op de locatie waar zij woont, met een terugkoppeling daarvan op de zitting. De wijze waarop de zitting is verlopen maakt dat het hof vindt dat de betrokkene haar mening over de voorliggende verzoeken voldoende naar voren heeft kunnen brengen. De videoverbinding was goed, de betrokkene heeft de vragen van het hof kunnen beantwoorden en zij heeft kunnen reageren op wat ter zitting naar voren is gebracht. De advocaat van de betrokkene heeft in zijn slotwoord ter zitting ook zelf betoogd dat de betrokkene haar standpunt coherent naar voren heeft gebracht. De deelname op afstand is gelet op het vorenstaande op zodanige wijze georganiseerd dat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd. Het hof vindt het dan ook niet nodig om de betrokkene alsnog fysiek op haar woonlocatie te horen. De schending van het recht van hoor en wederhoor in eerste aanleg is op deze wijze in hoger beroep voldoende hersteld. Het hof zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Het bewind en het mentorschap5.17. Op grond van artikel 1:431 lid 1 BW kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren\n\na. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel\n\nb. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.\n\n5.18. Ingevolge artikel 1:450 lid 1 BW kan de kantonrechter indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, een mentorschap instellen.5.19. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat zij in staat is haar eigen vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen en dat daarom de verzoeken tot het instellen van een bewind over haar goederen en tot het instellen van een mentorschap moeten worden afgewezen. Uit de stukken blijkt echter dat bij de betrokkene in 2022 door een geriater beginnende dementie als gevolg van alzheimer is vastgesteld, met mogelijk onderliggend een psychiatrische component, en dat zij ook arteritis temporalis heeft. In mei 2025 heeft Vivium Zorggroep verzocht om een rechterlijke machtiging te verlenen voor onvrijwillige opname en verblijf van de betrokkene in verpleeghuis [naam 6] in [plaats 2] . De betrokkene vertoonde ongeremd gedrag en leek de consequenties van haar gedrag niet te overzien. Ondanks begeleiding door een casemanager in de thuissituatie, en inzet van het intensieve thuiszorgteam, verbeterde dit gedrag niet. De betrokkene had waangedachten, vergat regelmatig te eten, had voedsel dat over datum was in huis, nam haar medicatie niet op tijd in, en vertoonde hinderlijk gedrag in winkels en door meerdere keren per dag naar hulpverleners en instanties te bellen. Ook was sprake van onbetaalde rekeningen en werd ongeopende post in haar huis aangetroffen. Op 10 juni 2025 is de gevraagde rechterlijke machtiging voor onvrijwillige opname en verblijf verleend en Vivium Zorggroep heeft inmiddels verlenging van die machtiging verzocht. De betrokkene is in verband hiermee op 13 mei 2025 en op 7 november 2025 onderzocht door aan Vivium Zorggroep verbonden specialisten ouderengeneeskunde. Deze hebben geconcludeerd dat de betrokkene niet in staat is haar belangen voldoende te behartigen en dat zij met haar gedrag ernstig nadeel voor zichzelf en anderen veroorzaakt. Het hof heeft de zorgen zoals hiervoor vermeld ter zitting aan de betrokkene voorgehouden. De betrokkene ontkent de feiten zoals door Vivium Zorggroep , de bewindvoerder en de mentor naar voren gebracht grotendeels en zij vindt dat zij in staat is om voor zichzelf te zorgen en terug te keren naar haar woning in [plaats 5] . Hieruit blijkt dat de betrokkene, zoals de specialisten ouderengeneeskunde ook naar voren hebben gebracht, onvoldoende probleembesef en ziektebesef heeft. Naar het oordeel van het hof is, alles in aanmerking nemend, voldoende vast komen te staan dat de betrokkene als gevolg van haar lichamelijke en geestelijke toestand niet in staat is om ten volle haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Dat maakt dat aan de gronden voor het instellen van een bewind over de goederen die haar (zullen) toebehoren en het instellen van een mentorschap is voldaan. Het hof zal beide bestreden beschikkingen daarom bekrachtigen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 4 maart 2025, uitgesproken onder zaaknummer 11504206;\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 4 maart 2025, uitgesproken onder zaaknummer 11504211.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. J.G. Knot en mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 15 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n HR 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:902.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:212","2026-07-13T00:28:50.312Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":85,"fullText":86,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":63,"updatedAt":88},"716","ECLI:NL:GHARL:2026:81","ecli-nl-gharl-2026-81","2026-01-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.349.155\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 562863)\n\nbeschikking van 8 januari 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker](de man),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nverzoeker in het principaal hoger beroep,\n\nverweerder in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam,\n\nen\n\n [verweerster](de vrouw),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nverweerster in het principaal hoger beroep,\n\nverzoekster in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. I.M.G. Maste te Almere.\n\n1. De procedure in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 11 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n)*, ingekomen op 10 december 2024;\n\n- een journaalbericht namens de man van 26 januari 2025 net bijlage(n);\n\n- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;\n\n- een journaalbericht namens de man van 8 oktober 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vrouw van 28 oktober 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de man van 3 november 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de man van 10 november 2025 met bijlage(n).\n\n2.2.. De mondelinge behandeling heeft op 11 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn de man met zijn advocaat en een tolk in de taal Farsi en de vrouw met haar advocaat. De advocaat van de vrouw heeft mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n\nPartijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd in [plaats] ( Iran ). In de (vertaalde) huwelijksakte is onder andere het volgende opgenomen:\n\n“MARRIAGE PORTION : One volume of Holy Koran for Rls. 10,000 and one set of mirror and a candle holder for Rls.200,000 which are recieved and 100 gold coins which are indebted by the husband and payable on demand.signed.”\n\n3.2.. De man is in 1994 naar Nederland gekomen. De vrouw is in 1998 met de oudste dochter van partijen in het kader van gezinshereniging in Nederland bij de man komen wonen. In 2000 hebben de man en de vrouw samen nog een dochter gekregen.\n\n3.3.. Partijen hebben sinds ongeveer 2008 de Nederlandse nationaliteit.\n\n3.4.. De man en de vrouw waren eigenaar van een woning aan de [adres] te [woonplaats] . Voor de aankoop van die woning hadden zij een hypothecaire lening afgesloten bij NIBC.\n\n3.5.. De vrouw heeft op 29 augustus 2023 een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking van 11 september 2024 de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 22 januari 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is ontbonden.\n\n3.6.. \n\nBij beschikking van 2 december 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland in aanvulling op de bestreden beschikking als volgt beslist:\n\n“4.1. gelast, in aanvulling op de beschikking van 11 september 2024, de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] in [woonplaats] als volgt:e. in beide situaties, bij overname door de vrouw of bij verkoop van de woning aan een derde, dient de over- dan wel onderwaarde tussen partijen bij helfte te worden verdeeld, dan wel te worden gedragen. De over- of onderwaarde wordt als volgt berekend = taxatiewaarde of verkoopprijs -\u002F- hypotheekschuld op 26 november 2023;4.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;4.3. bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten betalen;4.4. wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.”3.7.. De voorzieningenrechter in kort geding in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 22 april 2025, in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat dat vonnis ex artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in de plaats treedt van de medewerking van de man en alle daarmee verband houdende stukken benodigd voor de juridische levering van de eigendom van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] aan de vrouw, de man veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders verzochte afgewezen. In reconventie heeft hij de vorderingen van de man afgewezen.\n\n3.8.. \n\nDe akte van verdeling van de bovenvermelde woning is op 17 juli 2025 gepasseerd. Hierbij is de woning toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 415.000,- en onder de verplichting voor de vrouw om: a. met ingang van de overnamedatum alle verplichtingen voortvloeiend uit de hypotheekschuld bij NIBC ter hoogte van (afgerond) € 256.870,- voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen;\n\nb. wegens overbedeling aan de man een bedrag van € 79.065,- te voldoen.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1.. Bij de bestreden beschikking van 11 september 2024 heeft de rechtbank, voor zover in dit hoger beroep van belang, als volgt beslist:\n\n“4.3. gelast de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] in [woonplaats] als volgt:\n\na. de woning zal worden toegedeeld aan de vrouw tegen een nog te taxeren waarde, onder de ontbindende voorwaarden dat de vrouw binnen drie maanden na datum inschrijving echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand aan de man aantoont dat zij in staat is de woning over te nemen en hem te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nb. de woning wordt getaxeerd door [makelaardij] waartoe partijen binnen een week na vandaag gezamenlijk opdracht tot taxatie geven. Beide partijen behoren hun medewerking aan de taxatie te verlenen en geen van hen (ook geen derde) zal aanwezig zijn bij de taxatie. Partijen dienen de kosten van de taxatie bij helfte te dragen;\n\nc. indien aan de hiervoor onder a. genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de man zijn aandeel in de woning overdragen aan de vrouw, onder de voorwaarde dat hij uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening wordt ontslagen;\n\nd. indien en voor zover niet aan de hiervoor onder a genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de woning worden verkocht en geleverd aan een derde, waartoe partijen gezamenlijk een verkoopopdracht zullen verstrekken aan de hiervoor bedoelde makelaar, die partijen, indien zij geen overeenstemming bereiken, bindend zal adviseren ten aanzien van de vraag- en laatprijs. Bij verkoop en levering van de woning dient uit de verkoopopbrengst de op de woning rustende hypothecaire geldlening te worden afgelost en dienen de kosten verbonden aan de verkoop te\n\nworden voldaan;4.4.. bepaalt dat de man aan de vrouw dient te voldoen de bruidsgave, zijne het equivalent van 100 gouden munten, zijnde een bedrag van€ 49.820,-;\n\n4.5.. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;”.\n\n4.2.. De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\n- de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de beslissingen betreft met betrekking tot de bruidsgave en de toedeling van de woning aan de vrouw tegen een nog te taxeren waarde,\n\nen opnieuw beschikkende, te bepalen dat:\n\nde woning tegen een waarde van € 427.261,- aan de vrouw zal worden toegedeeld;\n\nde inboedelgoederen van de echtelijke woning onder verrekening van een bedrag van € 10.000,- door de vrouw aan de man, aan de vrouw worden toegescheiden,\n\nde sieraden van partijen onder verrekening van een bedrag van € 25.000,- door de vrouw aan de man, aan de vrouw worden toegescheiden.\n\n4.3.. \n\nDe vrouw voert verweer en is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. Haar grief ziet op de waarde van de bruidsgave. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep: primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep en subsidiair de verzoeken van de man in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.in het incidenteel hoger beroep:1. A. de bestreden beschikking onder 4.4 van het dictum op het punt van de waarde van de\n\n100 gouden munten te vernietigen en\n\n B. te bepalen dat de man binnen één week na de door het hof uit te spreken beschikking aan de vrouw moet voldoen: 100 (honderd) Bahar Azadi gouden munten met de volgende specifieke informatie: maat 1 met een gewicht van 8,13598 (gram), met nettogewicht van puur goud 7.32238 (gram), 22 mm met de puurheid van 0.9000 en bij het uitblijven van deze betaling: het equivalent daarvan te bepalen aan de hand van de wisselkoers primair per datum beschikking, subsidiair per datum zitting.\n\n2. Te bepalen dat de man het onder 1 toegekende equivalent binnen één week en één dag na de beschikking dient te voldoen.\n\n3. Te bepalen dat het onder 1 vermelde bedrag na het verstrijken van de termijn van één week zal worden vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nIn het principaal en incidenteel hoger beroep:\n\n4. onder veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.\n\n4.4.. De man voert verweer en hij verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in het incidenteel hoger beroep, dan wel die verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking op de punten waarop het incidenteel hoger beroep betrekking heeft te bekrachtigen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1.. De kern van het geschil betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling ten gevolge van de ontbinding van het huwelijk van partijen en meer in het bijzonder de waarde van de voormalige echtelijke woning, de vraag of de man de bruidsgave aan de vrouw dient te voldoen en zo ja, welke waarde aan de bruidsgave moet worden toegekend. Daarnaast ligt de vraag voor of de inboedel, de sieraden en het goud moeten worden verdeeld en zo ja, tegen welke waarde.\n\nRechtsmacht5.2.. \n\nDe zaak kent internationale elementen. Daarom zal het hof beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is de hiervoor vermelde nevenverzoeken in de echtscheidingsprocedure te beoordelen.\n\nOmdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de echtscheiding, komt de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht toe om beslissingen te nemen over zaken betreffende de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.Op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk is Iraans recht van toepassing (zie 5.7). Volgens Iraans recht ontstaat er geen gemeenschappelijk vermogen door het huwelijk, maar is er een strikte scheiding van vermogen gedurende het huwelijk. De voorliggende verzoeken betreffen, met uitzondering van het verzoek over de bruidsgave, dan ook verzoeken die hun grondslag vinden in het algemene vermogensrecht.\n\n5.3.. Volgens de in Nederland geldende heersende leer is de bruidsgave een rechtsfiguur met een geheel eigen karakter (sui generis). De rechtsmacht ten aanzien van het verzoek dat betrekking heeft op de bruidsgave wordt niet bestreken door internationale verdragen of verordeningen. Het betreft een nevenvoorziening bij het echtscheidingsverzoek. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzoek over de bruidsgave.\n\n5.4.. De eenvoudige gemeenschap van woning vindt zijn oorsprong niet in het relatievermogensrecht. Het verzoek heeft betrekking op de toedeling van de woning en de waarde van de woning in het kader van de verdeling van die woning en betreft dus een zakelijk recht. Omdat de ligging van de woning in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.\n\n5.5.. Ook de verzoeken ten aanzien van de inboedel, de sieraden en het goud vinden hun als gezegd hun grondslag in het algemene vermogensrecht. Omdat de man, verweerder in eerste aanleg, in Nederland woonplaats heeft, komt de Nederlandse rechter ook ten aanzien van deze verzoeken rechtsmacht toe.\n\nToepasselijk recht5.6. Partijen verschillen van mening over het van toepassing zijnde recht op de verzoeken die betrekking hebben op de bruidsgave en op de (verdeling van de) inboedel, de sieraden en het goud. Het hof dient daarom te beoordelen welk recht van toepassing is op de genoemde verzoeken.\n\n5.7.. Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] in Iran . Zij hebben geen rechtskeuze uitgebracht. Partijen hadden ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de [nationaliteit] . Gelet op het arrest Chelouche\u002FVan Leerdient – bij gebreke van een rechtskeuze – te worden aangesloten bij het recht van het land waarvan de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de nationaliteit hadden. Dat betekent dat het Iraans huwelijksvermogensrecht dient te worden toegepast. Partijen zijn het erover eens dat de woning, de inboedel, de sieraden en het goud op grond van het toepasselijke huwelijksvermogensrecht niet gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn geworden.\n\n5.8.. De rechtsfiguur van de bruidsgave, die is gekwalificeerd als sui generis, wordt volgens de heersende leer onderworpen aan het recht dat het huwelijk beheerst, omdat de bruidsgave onlosmakelijk is verbonden met het huwelijk. Omdat op het huwelijk Iraans recht wordt toegepast, leidt dat ertoe dat de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave moet worden beoordeeld naar het Iraans recht. Dat kennelijk slechts in zeer geringe mate een nauwe band met Iran bestaat en een veel nauwere band met Nederland bestaat, zoals door de man aangevoerd, is door hem slechts ten dele en daarmee onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet gebleken.\n\n5.9.. Bij de mondelinge behandeling bij het hof is duidelijk geworden dat geen van partijen beoogd heeft een grief te richten tegen de toepassing van Nederlands recht op het verzoek van de man met betrekking tot de woning. Daarom zal ook het hof van de toepasselijkheid van het Nederlandse recht op dit verzoek uit gaan.\n\n5.10.. \n\nDe verzoeken van de man met betrekking tot de (verdeling van de) inboedel, de sieraden en het goud betreffen het goederenrechtelijke regime van deze zaken. Omdat deze zaken zich op het grondgebied van Nederland bevinden, is hierop Nederlands recht van toepassing.\n\nBespreking van de geschilpunten\n\nDe bruidsgave5.11.. Aan de orde is de vraag of de man de bruidsgave aan de vrouw is verschuldigd en zo ja, wat het equivalent van de waarde van de gouden munten in euro’s is.\n\n5.12.. Het staat vast dat partijen bij de huwelijksvoltrekking in Iran een bruidsgave zijn overeengekomen van 100 gouden munten. Deze bruidsgave is naar Iraans recht opeisbaar. Ook staat vast dat de vrouw geen afstand heeft gedaan van de bruidsgave. Dit heeft ze ter zitting expliciet verklaard. De man is dan ook de 100 gouden munten aan de vrouw verschuldigd.\n\n5.13.. Het hof moet vervolgens nagaan of de hiervoor vermelde uitkomst naar Iraans recht mogelijk in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De man voert aan dat er sprake is van een khul-echtscheiding op grond waarvan hij de bruidsgave in Iran niet zou zijn verschuldigd. De vrouw betwist dit. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van schending van de Nederlandse openbare orde. In Nederland is een echtscheidingsprocedure gevoerd waarbij Nederlands recht op de beslissing tot echtscheiding is toegepast. Dit echtscheidingsverzoek is tegelijk met het verzoek tot voldoening van de bruidsgave ingediend en tegen de echtscheidingsbeslissing is geen grief ingesteld, waardoor de beslissing met betrekking tot de naar Nederlands recht uitgesproken echtscheiding onherroepelijk is geworden. De aldus in Nederland gevoerde echtscheidingsprocedure kan niet worden gekwalificeerd als een khul-scheiding. Dat de vrouw in het kader van een kuhl-scheiding in Iran mogelijk afstand had moeten doen van de bruidsgave, maakt niet dat veroordeling van de man tot betaling van de bruidsgave in strijd komt met de Nederlandse openbare orde. Vaststaat immers dat de vrouw van de bruidsgave geen afstand heeft gedaan, zodat deze opeisbaar is. Ook in de hoogte van de bruidsgave ziet het hof geen reden om veroordeling van de man tot betaling daarvan in strijd te achten met de Nederlandse openbare orde. Wat er ook zij van het argument als zodanig, uit het dossier is voldoende gebleken dat de man geacht kan worden de bruidsgave te kunnen voldoen. Het hof zal het verzoek van de vrouw tot voldoening van de bruidsgave in gouden munten daarom toewijzen.\n\nDe waarde van de gouden munten5.14.. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het hof toekomt aan de beoordeling van de vraag hoe de waarde van de gouden munten moet worden vastgesteld. Niet in geschil is dat met de gouden munten waar de bruidsgave op ziet, gedoeld wordt op de Iraanse Bahar Azadi munt, die als volgt is gespecificeerd: een diameter van 22 millimeter en een gewicht van 8,13598 gram waarvan 7,32238 gram puur goud met een fijnheid van 0.900.\n\n5.15.. In hoger beroep wenst de vrouw, anders dan in eerste aanleg, uit te gaan van een waarde in euro’s ter hoogte van de waarde op primair de datum van de uitspraak van het hof en subsidiair van de datum van de zitting bij het hof (11 november 2025).\n\n5.16.. Het hof constateert dat het Iraanse recht geen rechtsregel kent die iets bepaalt over de waarde van het equivalent van de gouden munten in andere (buitenlandse) valuta. Wel kent het Iraanse recht regels met betrekking tot de waarde van de bruidsgave als het bedrag daarvan is overeengekomen in Rial . Deze regels zijn opgenomen in de uitvoeringswetgeving bij artikel 1082 van het Iraans Burgerlijk Wetboek. Hierin is bepaald dat het moment waarop uitbetaling wordt gevraagd, beslissend is voor de bepaling van de waarde van de bruidsgave. Hierbij zal het hof naar analogie aansluiten. Dat betekent dat de waarde van de gouden munten moet worden bepaald tegen de koers op de dag dat de vrouw voor het eerst de bruidsgave in rechte heeft opgeëist. In dit geval is dat de dag van indiening van het echtscheidingsverzoek (29 augustus 2023).\n\n5.17.. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de vrouw wenst, op grond van de (Nederlandse) redelijkheid en billijkheid een andere waarde vast te stellen dan € 49.820,-, zijnde het bedrag dat de vrouw in eerste aanleg heeft verzocht en welk bedrag door de man niet wordt weersproken. Het Iraanse recht is van toepassing op de bruidsgave en dit recht biedt verder geen aanknopingspunten voor de vaststelling van de waarde per een andere datum. Dat geldt ook voor de door de vrouw verzochte toepassing van de wettelijke rente bij te late voldoening (volgens Nederlands recht).\n\n5.18.. \n\nUit rechtsoverweging 5.13 in combinatie met rechtsoverweging 5.17 en 5.18 volgt dat de man een bruidsgave van 100 gouden munten is verschuldigd aan de vrouw of een bedrag van € 49.820,- als equivalent voor de waarde van die munten per datum waarop de vrouw de bruidsgave voor het eerst in rechte heeft opgeëist. Omdat de vrouw in hoger beroep haar verzoek met betrekking tot de bruidsgave heeft aangepast, zal het hof de man veroordelen tot betaling van de gouden munten of de vervangende waarde daarvan in euro’s van € 49.820,-. Hieruit volgt dat grief I van de man faalt en grief A van de vrouw deels faalt en deels slaagt.\n\nDe woning in [woonplaats]5.19.. Partijen verschillen van mening over de waarde van de woning. De man wil uitgaan van een waarde van € 427.261,- (het gemiddelde van de op pagina 29 van het taxatierapport van 24 september 2024 vermelde modelwaardes van € 429.318,- (Calcasa) en € 425.203,- (Ortax)). De vrouw vindt dat van de getaxeerde waarde van € 415.000,- moet worden uitgegaan.\n\n5.20.. \n\nPartijen hebben gezamenlijk een taxatierapport laten opmaken door [makelaardij] . Deze heeft de waarde van de woning getaxeerd op € 415.000,-.\n\nIn het taxatierapport wordt de afwijking van de door de man aangehaalde modelwaardes toegelicht: de kwaliteit van de verbouwing is matig uitgevoerd, de hal is weggehaald, waardoor het toilet grenst aan de woonkamer en ook de trap naar de verdieping is open, waardoor er warmteverlies is. Naar het oordeel van het hof heeft de makelaar hiermee de getaxeerde waarde van € 415.000,- onderbouwd. De man heeft op geen enkele wijze, bijvoorbeeld door een andere rapportage, onderbouwd dat de waarde van € 415.000,- niet klopt of dat de deskundige zijn werk niet goed heeft gedaan. Daarom faalt grief II van de man\n\nDe inboedel, de sieraden en het goud5.21.. De man vindt dat de inboedel, de sieraden en het goud moet worden verdeeld en dat alles aan de vrouw moet worden toegescheiden, waarbij zij aan hem dan voor de inboedel een bedrag van € 10.000,- is verschuldigd en een bedrag van € 25.000,- voor de sieraden en het goud. De vrouw stelt zich op het standpunt dat er niets hoeft te worden verdeeld, omdat het Iraanse recht geen huwelijksgemeenschap kent en de zaken ook overigens geen gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn geworden.\n\n5.22.. Het hof stelt voorop dat het toepasselijke Iraanse huwelijksvermogensrecht geen gemeenschap van goederen kent. Ter zitting heeft de man aangevoerd dat de inboedel, de sieraden en het goud in Nederland zijn aangeschaft van gemeenschappelijke gelden, te weten de PGB-gelden die werden ontvangen ten behoeve van de dochter van partijen. Niet gebleken is echter dat de PGB-gelden gemeenschappelijke inkomsten van partijen waren. De vrouw nam de zorg voor de dochter van partijen voor haar rekening, wat de man niet heeft betwist. Het daarvoor ontvangen PGB behoort daarom tot het inkomen van de vrouw en is op basis van het toepasselijke Iraanse huwelijksvermogensrecht niet in enige gemeenschap gevallen. Overigens is niet komen vast te staan dat de vrouw de ontvangen PGB-gelden anders heeft besteed, dan waarvoor deze waren bedoeld. Ook verder is niet komen vast te staan dat de inboedel, de sieraden en het goud van (andere) gemeenschappelijke gelden zijn aangeschaft of anderszins gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn. Hieruit volgt dat de grieven III en IV van de man falen.\n\n6. De slotsom\n\n6.1.. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven van de man in het principaal hoger beroep en faalt grief A van de vrouw in het incidenteel hoger beroep voor zover het de waarde van de gouden munten betreft. Het hof zal vanwege het aanvullende verzoek van de vrouw in hoger beroep en ter voorkoming van misverstanden punt 4.4 van het dictum van de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna onder 7 vermeld.\n\n6.2.. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat het verzoek om een proceskostenveroordeling door de vrouw niet is gemotiveerd, partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de vermogensrechtelijke gevolgen van de ontbinding van hun huwelijk betreft.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:7.1.. vernietigt punt 4.4 van het dictum van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere , van 11 september 2024, en in zoverre opnieuw beschikkende:7.2.. bepaalt dat de man binnen één week van de datum van deze beschikking aan de vrouw dient te voldoen de bruidsgave van 100 gouden Bahar Azadi munten met de volgende specifieke informatie: een diameter van 22 millimeter en een gewicht van 8,13598 gram waarvan 7,32238 gram puur goud met een fijnheid van 0.900, althans het equivalent daarvan in euro’s, zijnde een bedrag van € 49.820,-;7.3.. bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere , van 11 september 2024 voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;7.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n7.5.. compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;7.6.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Knot, M.A.F. Veenstra en M. Kemmers, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier, en is op 8 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n Artikel 5 lid 1 Huwelijksvermogensrechtverordening.\n\n Artikel 4 lid 3 Rv.\n\n Artikel 24, aanhef en sub 1, Brussel I-bis.\n\n Artikel 4 lid 1 Brussel I-bis.\n\n HR 10 december 1976, NJ 1977, 275.\n\n Een en ander in de zin van artikel 10:8 BW.\n\n Artikel 10:127 lid 1 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:81","2026-07-13T00:28:44.473Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":93,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":63,"updatedAt":95},"820","ECLI:NL:GHARL:2025:7718","ecli-nl-gharl-2025-7718","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.351.665\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 195082)\n\nbeschikking van 4 december 2025\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster](de moeder),\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\nverzoekster in het principaal hoger beroep,\n\nverweerster in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. I. Bergsma te Sneek,\n\nen\n\n [verweerder](de vader),\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\nverweerder in het principaal hoger beroep,\n\nverzoeker in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J. Oosterhof te Heerenveen.\n\n1. De procedure in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 25 februari 2025;\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 17 april 2025 met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 23 oktober 2025 met bijlage(n).\n\n2.2.. De mondelinge behandeling heeft op 5 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn de partijen met hun advocaten. De advocaat van de moeder heeft ter zitting het woord gevoerd mede aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.\n\n2.3.. Na de mondelinge behandeling heeft het hof nog een journaalbericht met bijlage namens de moeder ontvangen van 9 november 2025. Op 11 november 2025 heeft het hof een journaalbericht namens de vader ontvangen alsmede, in reactie hierop, op diezelfde datum een journaalbericht namens de moeder.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Deze is in 2016 beëindigd.\n\n3.2.. De vader en de moeder zijn de ouders van:\n\n [naam1] ([naam1]), geboren [in] 2005, die meerderjarig is; en\n\n [naam2] ([naam2]), geboren [in] 2011.\n\nDe vader heeft de kinderen erkend. Partijen hebben samen het ouderlijk gezag over [naam2] .\n\n3.3.. Partijen hebben afspraken gemaakt over de kinderen in een ouderschapsplan, ondertekend [in] 2016. Daarin zijn partijen, voor zover in deze procedure van belang, het volgende overeengekomen.\n\n“Artikel 2- Hoofdverblijfplaats \u002F verhuizing \u002F paspoort\n\nDe kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] hebben hun hoofdverblijfplaats op [adres1] , aldaar staan zij ingeschreven. Dit zal zo blijven behoudens het feit dat het financieel beter uitkomt voor de moeder [verzoekster] om de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] op haar nieuwe nog te bepalen adres in [woonplaats1] in te schrijven.\n\nDe kinderbijslag wordt op dit moment geïnd door de vader [verweerder] , dit zal zo blijven zolang de beide kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] recht hebben op kinderbijslag. Er is in onderling goed overleg afgesproken dat de vader [verweerder] de kinderbijslag int. De vader spaart deze kinderbijslag structureel op een speciaal op naam gestelde spaarrekening van [naam1] en [naam2] [achternaam] . De vader [verweerder] spaart deze bedragen zolang zij kinderbijslag genieten om ervoor te zorgen dat er op later leeftijd van de kinderen er een spaarbedrag ligt ten behoeve van een eventuele studie of ander doel ten behoeve van de ontwikkeling en toekomstbestendigheid van de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] . (…)\n\nArtikel 7- kosten levensonderhoud \u002F kinderalimentatie\n\nDe kosten van de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] betreffende het levensonderhoud zijnde, schoolkosten, sport, schoolreisjes, kleding, uiterlijke verzorging en zorgverzekering komen in zijn geheel ten laste van de vader [verweerder] behoudens het feit dat de vader ontslag zou krijgen of zijn baan kwijtraakt en daardoor financieel dusdanig zou worden geraakt dat deze kosten zullen moeten worden heroverwogen. Indien deze omstandigheid zich zou voordoen, gaan ouders opnieuw om tafel om te kijken hoe bovenstaande kosten op dat moment over beide zouden kunnen worden verdeeld.\n\nAangezien de vader [verweerder] van de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] alle bovenstaande kosten van levensonderhoud voor zijn rekening neemt behoeft er geen en\u002Fof rekening te worden geopend en beheerd en behoeven de ouders daarmee ook niet maandelijks of periodiek overleg te voeren omtrent de verdeling van de kosten. Een verdeling in de kosten van levensonderhoud naar rato van inkomen is dan ook niet aan de orde, hiermee vervalt dan ook een maandelijks betaling in de kosten van levensonderhoud van zowel de vader als de moeder ieders aan elkaar. De kinderalimentatie zal dus worden gedragen door de vader in zijn geheel zonder hiervoor maandelijks verplichtingen over en weer aan te gaan en daarbij te kijken naar ieders inkomen en rato verdeling van deze kosten.\n\nPartijen dragen ieder de eigen kosten van inwoning van de kinderen [naam1] en [naam2] [achternaam] wanneer zij bij hen zijn. Vaste lasten van de kinderen worden zoals gezegd gedragen en betaald door de vader.”\n\n3.4.. De partijen zijn in het ouderschapsplan een zorgregeling overeengekomen waarbij de kinderen in een periode van twee weken ongeveer evenveel tijd bij iedere ouder doorbrachten. Deze regeling hebben zij gewijzigd in een verdeling waarbij de kinderen de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader verbleven.\n\n3.5.. \n\nIn 2018 zijn partijen overeengekomen dat de vader een bijdrage zou betalen van\n\n€ 200,- in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam2] en [naam1] . In februari 2023 is dit bedrag verhoogd naar € 250,-. [in] 2023 is [naam1] meerderjarig is geworden. Vanaf oktober 2023 betaalt de vader € 125,- aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam2] .\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. Bij de bestreden beschikking is, voor zover hiervan belang, bepaald dat [naam2] in de BRP wordt ingeschreven op het adres van de moeder en zijn de partijen over en weer niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken tot het wijzigen van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam2] . De uitspraak is onmiddellijk uitvoerbaar verklaard en het anders of meer verzochte is afgewezen.\n\n4.2.. \n\nDe moeder is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank.\n\nDe moeder verzoekt de beschikking te vernietigen en, zo begrijpt het hof, primair:\n\n- de aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam1] en [naam2] per 3 juli 2016 vast te stellen op € 445,- per maand;\n\n- te bepalen dat dit bedrag wordt geïndexeerd tot 1 januari 2025;\n\n- te bepalen dat de vader de achterstand binnen 30 dagen na de beschikking moet voldoen;\n\n- de bijdrage voor [naam2] vanaf 15 september 2023 vast te stellen op € 261,63 per maand.\n\nSubsidiair verzoekt de moeder de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam2] met ingang van 28 november 2023 vast te stellen op € 298,- per maand.\n\nUit het beroepschrift komt naar voren - en namens de moeder is ter zitting bevestigd - dat het hoger beroep uitsluitend bedoeld is ter vaststelling van een gewijzigde bijdrage in de kosten van levensonderhoud en opvoeding van [naam2] .\n\n4.3.. \n\nDe vader voert verweer en is op zijn beurt met één grief zelfstandig in beroep gekomen (incidenteel hoger beroep). De grief ziet op inschrijving van [naam2] in de BRP bij de moeder.\n\nDe vader verzoekt in het hoger beroep van de moeder:\n\n- primair de verzoeken af te wijzen;\n\n- subsidiair de verzoeken van de moeder af te wijzen voor zover zij betrekking hebben op het verleden en te bepalen dat de bedragen die over en weer voldaan zijn, zijn voldaan zonder dat er nog een verrekening tussen partijen dient plaats te vinden;\n\n- voorwaardelijk, voor het geval de alimentatie met terugwerkende kracht wordt gewijzigd, meer subsidiair te bepalen dat de vader een vordering heeft op de moeder vanwege de door hem betaalde verblijfsoverstijgende kosten ten behoeve van de kinderen en deze vordering gelijk te stellen aan de verschuldigde achterstallige alimentatie.\n\nIn incidenteel hoger beroep verzoekt de vader, zo begrijpt het hof, te bepalen dat de beschikking van de rechtbank van 27 november 2024 wordt vernietigd en het verzoek van de moeder dat [naam2] bij haar ingeschreven wordt in de BRP, wordt afgewezen.\n\nEen en ander met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure van het zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep.\n\n4.4.. De moeder voert verweer. Zij vraagt het verzoek in het incidenteel hoger beroep af te wijzen.\n\n4.5.. Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.\n\n5. De overwegingen voor de beslissing\n\nIn principaal hoger beroep\n\n5.1.. Het hof is van oordeel dat de grieven van de moeder ongegrond zijn. Het hof zal daarom de verzoeken van de moeder afwijzen en de beschikking van de rechtbank op dit onderdeel bekrachtigen. Het hof legt deze beslissing hieronder uit.\n\nWettelijk kader\n\n5.2.. Op grond van artikel 1:404 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Artikel 1:247a BW bepaalt dat ouders die samen het gezag uitoefenen over hun kinderen bij het einde van de samenleving een ouderschapsplan moeten maken waarin onder meer afspraken tussen de ouders zijn opgenomen over de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. De contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. De rechter oordeelt over de afspraken tussen de ouders zelfstandig met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over kinderalimentatie zijn overeengekomen.\n\n5.3.. Wijziging of intrekking van die overeenkomst is op grond van artikel 1:401 BW mogelijk als zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1), of als de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5). Met grove miskenning van de wettelijke maatstaven wordt bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat dan om gevallen waarin partijen zich op de wettelijke maatstaven hebben willen richten, maar als gevolg van een onjuist inzicht in de betekenis van de maatstaven, of omdat partijen uitgingen van onjuiste en onvolledige gegevens, tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe toepassing van die maatstaven zou hebben geleid. Nadat de rechter bij de beoordeling van een wijzigingsverzoek heeft vastgesteld dat een van de hiervoor vermelde wijzigings- of intrekkingsgronden zich voordoet, geldt dat hij zelfstandig oordeelt over de kinderalimentatie met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over die alimentatie zijn overeengekomen.\n\nDe beoordeling\n\nNietigheid op grond van artikel 3:40 jo. 3:59 BW\n\n5.4.. In de eerste plaats is aan de orde of de overeenkomst tussen partijen nietig is in de zin van artikel 3:40 BW, zoals door de moeder is bepleit. Op grond van deze bepaling is een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of openbare orde nietig. Op grond van lid 2 van artikel 3:40 BW is een rechtshandeling nietig indien deze in strijd is met een dwingende rechtsbepaling. Via artikel 3:59 BW is deze bepaling ook van toepassing buiten het vermogensrecht. Uit de toelichting op dit wetsartikel blijkt dat de wetgever met name het oog heeft op het personen- en familierecht.\n\n5.5.. De moeder stelt dat de afspraken tussen partijen over de kinderalimentatie nietig zijn omdat de behoefte van de kinderen niet is vastgesteld en de draagkracht van partijen niet is berekend. De afspraken tussen partijen voldoen daarom niet aan de wettelijke maatstaven, aldus de moeder. De moeder miskent daarmee naar het oordeel van het hof dat het partijen vrij staat om af te wijken van de wettelijke maatstaven zolang dit niet in het nadeel van de kinderen is. Het staat partijen vrij een verdeling van de kosten van de kinderen te maken zonder dat daaraan een behoefte- of draagkrachtberekening ten grondslag ligt. De enige beperking die partijen hebben bij het maken van hun afspraken is dat deze niet in het nadeel van de kinderen mogen zijn. De afspraken moeten ten minsteaan de wettelijke maatstaven voldoen. Er mag dus wel ten gunste van de kinderen worden afgeweken van de wettelijke maatstaven.\n\n5.6.. De moeder heeft niet aangetoond dat partijen ten nadele van de kinderen zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De moeder onderbouwt haar standpunt door te verwijzen naar een draagkrachtberekening op basis van de situatie van partijen in 2016, toen zij uit elkaar gingen. Uit haar berekening zou blijken dat de behoefte van de kinderen tezamen € 954,- bedroeg en de vader aan de moeder een bijdrage in de kosten van de kinderen zou moeten betalen van € 445,-. Het hof begrijpt het standpunt van de moeder aldus dat, omdat deze bijdrage niet is vastgesteld of overeengekomen, de in het ouderschapsplan gemaakte afspraak nietig is. De moeder gaat er in deze gedachtegang echter aan voorbij dat zij van deze bijdrage dan echter alle kosten van de kinderen had moeten voldoen, terwijl partijen hebben afgesproken dat de vader alle verblijfsoverstijgende kosten voor zijn rekening zou nemen en de moeder alleen de verblijfskosten hoefde te betalen voor de dagen dat de kinderen bij haar waren. De vader heeft door middel van bankafschriften aangetoond dat hij de verblijfsoverstijgende kosten voor zijn rekening heeft genomen. De moeder heeft niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze deze afspraak in het nadeel van de kinderen was en dat met deze verdeling van de kosten niet ten minste in de behoefte van de kinderen werd voorzien. De moeder ontving de helft van de kinderbijslag en het volledige kindgebonden budget als aanvulling op haar inkomen om de verblijfskosten van de kinderen te voldoen. De moeder heeft niet aangetoond dat dit onvoldoende was om in de kosten van de kinderen te voorzien, terwijl dit wel op haar weg lag.\n\n5.7.. Daar komt bij dat partijen in 2018 nieuwe afspraken hebben gemaakt en dat de moeder vanaf dat moment € 200,- per maand ontving als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De overige afspraken bleven in stand. Dat wil zeggen dat de vader de verblijfsoverstijgende kosten bleef betalen en de moeder het kindgebonden budget en de helft van de kinderbijslag ontving waarvan zij uitsluitend de verblijfskosten voor de dagen dat de kinderen bij haar waren hoefde te voldoen. Vanaf februari 2023 werd die bijdrage € 250,- voor beide kinderen. Als de afspraken in 2016 niet zouden voldoen aan de wettelijke maatstaven, zijn deze achterhaald door de gewijzigde afspraken. Ook voor deze afspraken geldt dat de moeder niet heeft aangetoond dat deze niet ten minste aan de wettelijke maatstaven voldeden. Zij heeft daar geen berekening aan ten grondslag gelegd.\n\n5.8.. Uit het dossier leidt het hof overigens af dat wel ten minste is voldaan aan de wettelijke maatstaven. De vader heeft gesteld dat de behoefte van [naam2] € 594,- is. De moeder heeft niet betwist dat zij € 498,- kindgebonden budget, € 75,- kinderbijslag en € 125,- kinderalimentatie ontvangt voor [naam2] . Dat is volgens de vader ruim voldoende om de verblijfskosten te voldoen die voor rekening van de moeder komen. De moeder heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vader onvoldoende gesteld en niet aangetoond dat niet ten minste is voldaan aan de wettelijke maatstaven.\n\nNietigheid op grond van artikel 1:400 lid 2 BW\n\n5.9.. Voor zover de moeder heeft betoogd dat de afspraken over de kinderalimentatie nietig zijn omdat in strijd met artikel 1:400 lid 2 BW is afgezien van het verschuldigde levensonderhoud, faalt deze grief. Dat partijen geen kinderalimentatie zijn overeengekomen, betekent niet dat is afgezien van het verschuldigde levensonderhoud. Partijen hebben afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten van de kinderen en over de verdeling van de beschikbare middelen daarvoor. Zij hebben geen afstand gedaan van de wettelijke verplichting tot betaling van levensonderhoud.\n\nWijziging op grond van artikel 1:401 lid 5 BW\n\n5.10.. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de overeenkomst tussen partijen is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven in de zin van artikel 1:401 lid 5 BW. Waar de moeder niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de afspraken tussen partijen niet ten minste voldoen aan de wettelijke maatstaven, heeft zij ook niet aangetoond dat de afspraken zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De moeder heeft tegenover de gemotiveerde stellingen en berekeningen van de vader geen berekeningen overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken.\n\n5.11.. Omdat niet is komen vast te staan dat de afspraken tussen partijen niet ten minste voldoen aan de wettelijke maatstaven en evenmin sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven, komt het hof niet toe aan een zelfstandige berekening van de kinderalimentatie met in achtneming van die wettelijke maatstaven. De moeder heeft ook geen recente financiële gegevens in het geding gebracht waarop een berekening zou kunnen worden gebaseerd.\n\nIn incidenteel hoger beroep\n\n5.12.. Na de mondelinge behandeling heeft de moeder met toestemming van het hof een specificatie van haar WIA-uitkering in het geding gebracht. Naar aanleiding daarvan heeft de vader zijn incidenteel hoger beroep ingetrokken, met uitzondering van zijn verzoek om de moeder te veroordelen in de proceskosten. Het hof zal de vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn incidenteel hoger beroep voor zover dit ziet op de inschrijving van [naam2] in de BRP en een beslissing nemen over de proceskosten.\n\n6. De slotsom\n\nIn het principaal hoger beroep\n\n6.1.. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.\n\nIn het incidenteel hoger beroep\n\n6.2.. Omdat de vader het incidenteel hoger beroep heeft ingetrokken, zal het hof hem niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek in incidenteel hoger beroep over de inschrijving van [naam2] in de BRP.\n\nProceskosten\n\n6.3.. Met betrekking tot het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in de proceskosten overweegt het hof dat er onvoldoende gronden zijn om af te wijken van het uitgangspunt in familiezaken dat iedere partij de eigen kosten draagt (compensatie van proceskosten). Het hof bepaalt dan ook dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen een relatie hebben gehad en de procedure het kind van partijen betreft.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:\n\nverklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 november 2024, voor zover het betreft de beslissing dat [naam2] wordt ingeschreven in de BRP bij de moeder;\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 november 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;\n\ncompenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Leentjes, mr. J.G. Knot en mr. L. van Dijk, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 4 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1689 en HR 19 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:422.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:7718","2026-07-13T00:28:49.685Z",20]