[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-leeuwarden-recusal-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":86},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},70,"Leeuwarden","nl","leeuwarden",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},154,"recusal-nl","Recusal","NL","2026-07-08T17:00:27.680Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2025-05-22T00:00:00.000Z","2026-03-06T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122594","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 36",1,[27,37,44,53,62,71,79],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"825","ECLI:NL:GHARL:2026:1385","ecli-nl-gharl-2026-1385","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer gerechtshof 200.350.840\u002F02\n\nbeslissing van 6 maart 2026\n\nop het (schriftelijke) verzoek van:\n\n [verzoeker 1]en[verzoeker 2] ,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\nverzoekers in het wrakingsincident,\n\nhierna: verzoekers,\n\nzonder advocaat,\n\ndat strekt tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:\n\nmr. M.M.A. Wind,\n\nraadsheer in dit hof, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. Bij de afdeling civiel recht van het hof is onder zaaknummer 200.350.840\u002F01 een procedure aanhangig tussen verzoekers en de publiekrechtelijke rechtspersoon [naam 1] (advocaat mr. J. Hagelaars).1.2. Verzoekers hebben per e-mail een verzoekschrift van 22 januari 2026 ingediend bij de griffie van dit hof, dat op 22 januari 2026 is ontvangen. Zij hebben daarbij een schriftelijk verzoek gedaan dat strekt tot wraking van de rolraadsheer die de afwijzende beslissingen van 15, 16 en 21 januari 2026 heeft gegeven, zijnde de hiervoor genoemde raadsheer.\n\n1.3. Mr. Hagelaars heeft bij e-mail van 3 februari 2026 verzocht het wrakingsverzoek zonder zitting af te doen, zodat de voor 4 februari 2026 geplande behandeling van de hoofdzaak zou kunnen doorgaan. De wrakingskamer heeft dit verzoek afgewezen om verzoekers in de gelegenheid te stellen hun verzoek tijdens de zitting nader toe te lichten.\n\n1.4. De gewraakte raadsheer heeft niet in de wraking berust en heeft per e-mail een toelichting gegeven die op 10 februari 2026 bij het hof is binnengekomen.\n\n1.5. \n\nDe wrakingskamer heeft besloten het wrakingsverzoek op de zitting van 20 februari 2026 te behandelen. Verzoekers zijn bij deze behandeling verschenen. De gewraakte raadsheer is niet verschenen.\n\nVerzoekers hebben het verzoek mondeling, mede aan de hand van hun spreekaantekeningen, toegelicht.\n\n2. De beoordeling van het verzoek De ontvankelijkheid van het verzoek2.1. De wrakingskamer stelt vast dat de zaak waarin het wrakingsverzoek is gedaan een civielrechtelijke zaak betreft waarvoor verplichte procesvertegenwoordiging geldt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat in zaken waarin verplichte procesvertegenwoordiging geldt, bij een schriftelijk verzoek ondertekening door een advocaat verplicht is. Een verzoeker kan zijn stukken - in dit geval zijn schriftelijke wrakingsverzoek - aldus alleen met bijstand van een advocaat indienen. De verzoeker die zonder bijstand van een verplichte advocaat een verzoek indient, wordt hierop gewezen. Hij krijgt de gelegenheid zijn verzuim te herstellen.\n\n2.2. Het onderhavige verzoek van verzoekers is niet ingediend door een advocaat. Bij brief van 26 januari 2026 zijn verzoekers erop gewezen dat een wrakingsverzoek uitsluitend door tussenkomst van een advocaat kan worden ingediend. Zij zijn daarbij in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen. Verzoekers hebben daarop niet binnen de door de wrakingskamer gestelde termijn, noch daarbuiten met bijstand van een advocaat een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend. Verzoekers hebben ter zitting toegelicht, welke handelingen ze inmiddels verricht hebben om rechtsbijstand te verkrijgen en tegen welke problemen ze daarbij oplopen. Ook hebben ze toegelicht dat zij inmiddels recht hebben op gesubsidieerde rechtsbijstand. Vast staat echter dat zij ook ter zitting van de wrakingskamer nog geen advocaat hebben.\n\n2.3. Omdat het wrakingsverzoek niet door een advocaat is ingediend, kan de wrakingskamer verzoekers niet ontvangen in hun verzoek tot wraking. Daarom kan de wrakingskamer het wrakingsverzoek niet inhoudelijk beoordelen. De beslissing\n\nHet gerechtshof (wrakingskamer):\n\nverklaart verzoekers niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.\n\nDeze beslissing is gegeven door mrs. L.J. Hofstra, R.F.C. Spek en C. Coster, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.L.K. Bijma, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1385","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:49.911Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":42,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":43},"822","ECLI:NL:GHARL:2026:1384","ecli-nl-gharl-2026-1384","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer gerechtshof 200.351.689\u002F02\n\nbeslissing van 6 maart 2026\n\nop het verzoek van:\n\n [verzoekster] ,\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nverzoekster in het wrakingsincident\n\nhierna: verzoekster,\n\nadvocaat: mr. Chr. Nome, die kantoor houdt in Groningen,\n\ndat strekt tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:\n\nmrs. J.H. Kuiper, J. Smit en L.A. de Vries,\n\nraadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. Bij de afdeling civiel recht van het hof is onder zaaknummer 200.351.689\u002F01 een procedure aanhangig tussen verzoekster en [naam1] (de wederpartij).1.2. \n\nOp 4 december 2025 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden voor de civiele kamer van dit hof. Aanwezig waren verzoekster en haar advocaat, de wederpartij en haar advocaat mr. H. Vorsselman, voornoemde raadsheren en de griffier. Verzoekster heeft tijdens deze mondelinge behandeling mrs. Kuiper, Smit en De Vries gewraakt. De voorzitter heeft hierop de behandeling van de zaak geschorst. Het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.\n\nOp 16 december 2025 heeft verzoekster een schriftelijke (nadere) toelichting op de wraking ingediend.\n\n1.3. Mrs. Kuiper, Smit en De Vries hebben niet in de wraking berust. Deze raadsheren hebben op 6 januari 2026 afzonderlijk van elkaar schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd.1.4. Op verzoek van mr. Nome is de geplande behandeling door de wrakingskamer op 20 januari 2026 aangehouden.\n\n1.5. Het wrakingsverzoek is op 20 februari 2026 ter zitting behandeld door de wrakingskamer. Verzoekster is bij deze behandeling verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De gewraakte raadsheren zijn niet verschenen. Namens de wederpartij is haar advocaat verschenen als toehoorder. Verzoekster en haar advocaat hebben het verzoek mondeling toegelicht.2. De beoordeling van het verzoek De ontvankelijkheid van het verzoek2.1. Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek moet schriftelijk worden gedaan. Het verzoek kan tijdens een zitting ook mondeling worden gedaan.\n\n2.2. Het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de bedoelde feiten en omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden en voordat in de hoofdzaak een aanvang is gemaakt met het doen van de einduitspraak. Het wrakingsverzoek vermeldt de feiten of omstandigheden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden; alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat het schrijven van 16 december 2025 geen uitbreiding van de wrakingsgronden is, maar een nadere toelichting op de wrakingsgronden van 4 december 2025.\n\n2.3. De wrakingskamer acht het verzoek ter zitting op 4 december 2025 tijdig ingediend en acht verzoekster in het daar gedane wrakingsverzoek ook overigens ontvankelijk.\n\nDe gronden van het wrakingsverzoek\n\n2.4. Namens verzoekster zijn volgens het proces-verbaal van 4 december 2025 de volgende wrakingsgronden gesteld:\n\nVerzoekster wraakt het college, omdat zij niet langer het gevoel heeft dat het college onbevooroordeeld en onafhankelijk is. Ze geeft aan te ervaren dat zij met een aanzienlijk aantal kritische vragen wordt geconfronteerd en dat haar diverse verwijten worden gemaakt. Hierdoor heeft verzoekster het gevoel dat het college het oordeel al klaar heeft en daardoor de wederpartij wordt bevoordeeld.\n\nDaar komt nog bij dat zij net als haar advocaat onderbroken wordt, terwijl zij meent een belangrijk verhaal te vertellen. Zij heeft daar een opmerking over gemaakt, maar dat heeft niet geholpen. Dit leidt ertoe dat zij de indruk heeft haar belangen niet goed te kunnen behartigen.\n\nHet standpunt van de gewraakte raadsheren\n\n2.5. De gewraakte raadsheren hebben ieder afzonderlijk te kennen gegeven niet te berusten in de wraking. Samengevat geven zij het volgende aan. Zij hebben vragen gesteld, weliswaar met name aan verzoekster en haar advocaat, maar nog niet alle vragen waren gesteld. Ze hebben geïnterrumpeerd om vragen te preciseren en uitleg gegeven over de procedure. De voorzitter geeft aan dat hij kritisch is geweest bij de ondervraging op de onderbouwing van de stellingen namens verzoekster, maar de gewraakte raadsheren herkennen niet dat de toon verwijtend, onbeleefd of beledigend is geweest.\n\nDe inhoudelijke beoordeling van het verzoek2.6. Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 36 Rv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.\n\n2.7. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.\n\n2.8. \n\nDe verzoekster en haar advocaat hebben duidelijk gemaakt dat de zitting van 4 december 2025 niet goed liep. Verzoekster meent op onbehoorlijke wijze te zijn ondervraagd, zonder dat de wederpartij op eenzelfde wijze werd ondervraagd, en haar advocaat is steeds onderbroken. Duidelijk is dat zij de zitting als heel naar en onprettig hebben ervaren. De klachten van verzoekster betreffen in wezen de manier waarop zij en haar advocaat door de rechter is bejegend, maar de bejegening door een rechter is in beginsel geen grond voor wraking.\n\nDe toon waarop de voorzitter zich op de mondelinge behandeling heeft geuit, kan het hof niet uit het proces-verbaal opmaken en de gewraakte voorzitter en andere raadsheren hebben ontkend verzoekster op verwijtende of uiterst onvriendelijke of beledigende toon te hebben bejegend. Hoewel de bejegening ter zitting door verzoekster als onprettig is ervaren en zij daaraan wellicht haar gevoel heeft ontleend dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt, rechtvaardigt dit, ook wanneer de voorzitter daarbij een scherpe toon zou hebben gebezigd, objectief bezien niet de conclusie dat sprake was van vooringenomenheid of de gerechtvaardigde vrees daarvoor.\n\n2.9. Verzoekster kan overigens over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. Ter zitting van de wrakingskamer is duidelijk geworden dat zij dit ook al heeft gedaan.\n\n2.10. De advocaat van verzoekster heeft gesteld dat hij meermalen onderbroken is in zijn beantwoording van vragen van het hof en dat hij daardoor de belangen van verzoekster niet goed kon behartigen. Het is aan de voorzitter om een procedure te leiden. Hij bepaalt het verloop en de voortgang van de zitting en de wijze van behandeling. Het staat de rechter daarbij vrij om partijen wel of niet te onderbreken of aan partijen en hun advocaten kritische vragen te stellen. Hij beslist welke vragen worden gesteld en aan wie en op welke punten eventueel moet worden doorgevraagd. De rechter is vrij partijen voor te houden wat hij tot dan toe uit de processtukken en hetgeen hierover ter zitting is toegelicht, voorlopig heeft afgeleid en hen daarop te laten reageren. Het sturen van de zitting is een \"procesbeslissing\", en uit vaste jurisprudentie volgt dat een procesbeslissing geen gegronde reden voor wraking vormt. Dat geldt ook voor een – mogelijke – voorlopige visie op de zaak. De vraag of een dergelijke (proces)beslissing juist is of niet, staat niet ter beoordeling voor de wrakingskamer. Wraking is namelijk niet bedoeld als middel om een beslissing aan te vechten waar men het niet mee eens is. Dat is alleen anders als die beslissing zo onbegrijpelijk of gebrekkig gemotiveerd is dat er redelijkerwijs geen andere verklaring voor te vinden is dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. Daarvoor heeft de wrakingskamer onvoldoende aanwijzingen. Uit het proces-verbaal volgt namelijk dat partijen beiden hun standpunten nader mochten toelichten en dat zij dat gedaan hebben aan de hand van hun spreekaantekeningen, die deel uitmaken van het proces-verbaal.\n\n2.11. Verzoekster heeft aangevoerd dat de wederpartij geen vragen kreeg, maar daarin ziet de wrakingskamer evenmin een aanwijzing voor vooringenomenheid. Anders dan verzoekster stelt, zijn niet alleen aan haar vragen gesteld maar – zo blijkt uit het proces-verbaal – ook aan de wederpartij.\n\n2.12. Verzoekster klaagt erover dat de wrakingsgronden ter zitting geformuleerd moesten worden. Zoals reeds is overwogen, dienen alle wrakingsgronden tegelijk te worden voorgedragen zodra de feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan verzoeker bekend zijn geworden. Voor zover de voorzitter daarop heeft gewezen ter zitting, ziet de wrakingskamer – anders dan verzoekster – daarin geen aanwijzing voor vooringenomenheid. Dat geldt overigens ook voor de omstandigheid dat de voorzitter vervolgens spijt heeft geuit dat de het zo is gelopen, dat de zaak op dat moment verder niet behandeld kan worden en dat de wraking en het opnieuw plannen van de hoofdzaak leidt tot vertraging van de zaak.\n\n2.13. Verzoekster heeft nog geklaagd dat het proces-verbaal niet volledig is en daarbij voorbeelden gegeven. Een proces-verbaal is een zakelijke, verkorte en dus niet een letterlijke en volledige - weergave van wat op de zitting is voorgevallen. Partijen kunnen hun op- en aanmerkingen op het proces-verbaal aan het hof doen toekomen met het verzoek deze aan het dossier toe te voegen. Ter zitting van de wrakingskamer is gebleken dat verzoekster dat heeft gedaan. De wrakingskamer dient in beginsel uit te gaan van de juistheid van het proces-verbaal. Indien het al zo is dat het proces-verbaal bij de weergave van de partijverklaringen op onderdelen niet helemaal juist en\u002Fof volledig is, betekent dat niet dat de raadsheren vooringenomen of niet onpartijdig zijn.\n\n2.14. Weliswaar is de zitting van 4 december 2025 kennelijk stroef verlopen en als heel onprettig ervaren, maar zowel afzonderlijk als in samenhang bezien leveren de door verzoekster aangevoerde wrakingsgronden geen zwaarwegende aanwijzingen op voor het aannemen van partijdigheid van de gewraakte raadsheren. Omdat van enige (schijn van) partijdigheid niet is gebleken, wordt het wrakingsverzoek tegen de gewraakte raadsheren afgewezen.\n\n3. De beslissing\n\nHet gerechtshof (wrakingskamer):\n\nwijst het verzoek tot wraking van mrs. Kuiper, Smit en De Vries af.\n\nDeze beslissing is gegeven door mrs. L.J. Hofstra, R.F.C. Spek en C. Coster, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.L.K. Bijma, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1384","2026-07-13T00:28:49.775Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":49,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":35,"updatedAt":52},"838","ECLI:NL:GHARL:2026:588","ecli-nl-gharl-2026-588","2026-01-15T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.769\u002F01\n\nbeslissing van 15 januari 2026\n\nop het verzoek van:\n\n [naam 1] ,\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nverzoeker in het wrakingsincident,\n\nhierna: verzoeker,\n\ndat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\nmrs. L.T. Wemes, F. van der Maden en R. Godthelp\n\nraadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden,\n\nverweerders in het wrakingsincident,\n\nhierna: verweerders.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. \n\nBij de afdeling strafrecht van dit hof is onder parketnummer 21-005292-22 een\n\nstrafzaak aanhangig waarin verzoeker verdachte is.\n\n1.2. Op 15 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling in die zaak plaatsgevonden voor de meervoudige strafkamer (hierna: de strafzitting). Op de strafzitting waren aanwezig verzoeker, een advocaat-generaal, verweerders en een griffier.\n\n1.3. Na de inleiding van de strafzitting door de voorzitter heeft verzoeker te kennen gegeven een verweer te willen voeren strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. De voorzitter heeft daarop meegedeeld dat dit verweer, gelet op het stadium waarin de procedure zich bevond, bij pleidooi kon worden gevoerd. Nadat de strafkamer dit standpunt na een korte schorsing heeft gehandhaafd, heeft verzoeker de behandelende raadsheren gewraakt.\n\n1.4. De voorzitter heeft daarop de behandeling van de strafzaak geschorst. Het van de strafzitting opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.\n\n1.5. Verweerders hebben niet in de wraking berust.\n\n1.6. Het wrakingsverzoek is ter zitting van 15 januari 2026 behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker is bij deze mondelinge behandeling verschenen. Namens verweerders is mr. L.T. Wemes verschenen. Ook de advocaat-generaal is verschenen.\n\n1.7. Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoeker zijn verzoek mondeling toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen. Deze spreekaantekeningen maken deel uit van het dossier.\n\n1.8. Na de behandeling ter zitting heeft de wrakingskamer mondeling uitspraak gedaan. De schriftelijke motivering van deze beslissing wordt hierna weergegeven.\n\n2. De beoordeling van het verzoek\n\nDe ontvankelijkheid van het verzoek\n\n2.1. De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en ook overigens ontvankelijk, met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen.\n\nDe gronden van het wrakingsverzoek\n\n2.2. Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek gebaseerd op wat hij zelf aanduidt als een cumulatie van schendingen van zijn fundamentele verdedigingsrechten, waardoor volgens hem sprake is van een objectieve schijn van partijdigheid en geen sprake (meer) kan zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Verzoeker heeft daarbij benadrukt dat hij het wrakingsverzoek niet baseert op één enkele beslissing, maar op de opeenstapeling daarvan.\n\n2.3. Kort samengevat en zakelijk weergegeven heeft verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van een opeenstapeling van ingrepen in zijn verdediging, bestaande uit:\n\nhet niet mogen voeren van een preliminair verweer over de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, terwijl dit volgens verzoeker was gebaseerd op nieuwe feiten;\n\nhet volgens verzoeker structureel uithollen van zijn verdediging in een digitale zaak, doordat hij zijn verweer niet digitaal of visueel mocht voeren;\n\nhet kunstmatig samenvoegen van strafzaken en feitencomplexen;\n\nhet afwijzen van getuigenverzoeken;\n\nhet laat verstrekken van processtukken;\n\nde toepassing van de persrichtlijn, die volgens verzoeker leidt tot ongelijkheid en censuur;\n\nde context van zijn positie als klokkenluider, waardoor volgens hem sprake is van politieke vervolging.\n\nVolgens verzoeker heeft deze cumulatie tot gevolg dat de objectieve schijn van partijdigheid is ontstaan.\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\n2.4. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek. De aangevoerde omstandigheden zien volgens hem op procedurele beslissingen, die binnen de wettelijke kaders en geldende richtlijnen zijn genomen en waaruit geen vooringenomenheid blijkt. Voor zover het verzoek ziet op eerdere beslissingen, waaronder de afwijzing van getuigenverzoeken, is het bovendien niet tijdig gedaan.\n\nHet standpunt van de verweerders\n\n2.5. Verweerders hebben geconcludeerd tot afwijzing. Mr. L.T. Wemes heeft namens hen toegelicht dat het door verzoeker gewenste verweer bij pleidooi kon worden gevoerd en dat verzoeker vooraf in de gelegenheid is gesteld digitaal materiaal aan te leveren. Het gebruik van eigen apparatuur voor het tonen van dat digitale materiaal is om veiligheidsredenen niet toegestaan. Volgens verweerders volgt uit geen van de aangevoerde omstandigheden dat sprake is van partijdigheid.\n\nDe inhoudelijke beoordeling van het verzoek\n\n2.6. Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft eenieder – voor zover hier van belang – recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.\n\n2.7. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat dit het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.\n\n2.8. De wrakingskamer stelt voorop dat het wrakingsverzoek zijn directe aanleiding vindt in de beslissing van de strafkamer om het door verzoeker gewenste verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie niet als preliminair verweer toe te staan.\n\n2.9. Deze beslissing betreft een procedurele beslissing die is genomen in het licht van het stadium waarin de strafzaak zich bevond. Verzoeker is er daarbij op gewezen dat hij het verweer wél naar voren kan brengen, zij het niet aan het begin van de mondelinge behandeling, maar bij pleidooi. Uit deze beslissing of de bewoordingen waarin zij is vervat, blijkt geen oordeel over de schuld of onschuld van verzoeker en geen gesloten houding ten aanzien van zijn verweren. De wrakingskamer ziet hierin geen aanwijzing voor (de schijn van) partijdigheid. Evenmin is sprake van een beperking van het recht van verzoeker om dit verweer aan de orde te stellen.\n\n2.10. De wrakingskamer overweegt verder dat wraking niet kan dienen als verkapt rechtsmiddel tegen een onwelgevallige procedurele beslissing. De wrakingskamer beoordeelt niet de juistheid van dergelijke beslissingen. Dit is slechts anders indien de beslissing of de motivering daarvan, naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid.\n\n2.11. Voor zover verzoeker zijn wrakingsverzoek mede baseert op eerdere beslissingen of een eerdere wrakingsprocedure, overweegt de wrakingskamer dat deze procedure niet is bedoeld om eerdere beslissingen of eerdere wrakingsuitspraken opnieuw ter discussie te stellen. Wraking kan daarvoor niet worden gebruikt.\n\n2.12. De door verzoeker aangevoerde punten over de wijze waarop hij zijn verweer digitaal of audiovisueel wilde presenteren en over het oproepen van getuigen betreffen eveneens procedurele beslissingen die tot de bevoegdheid van de zittingsrechter behoren. Dat verzoeker deze beslissingen ervaart als ingrijpend of als een beperking van zijn verdediging, is onvoldoende om daaruit objectief de schijn van partijdigheid af te leiden.\n\n2.13. Voor zover verzoeker zijn wrakingsverzoek mede baseert op de afwijzing van getuigenverzoeken en andere procedurele beslissingen die reeds in een eerder stadium van de strafzaak zijn genomen, geldt bovendien dat deze wrakingsgronden niet onverwijld naar voren zijn gebracht. Wrakingsgronden moeten worden aangevoerd zodra zij bekend zijn. In zoverre is het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk.\n\n2.14. Ten aanzien van de gelijktijdige behandeling van strafzaken geldt dat het gelijktijdig behandelen van zaken als zodanig geen aanwijzing oplevert voor (de schijn van) partijdigheid. De wrakingskamer ziet geen grond om aan te nemen dat deze keuze verband houdt met een vooringenomen opstelling jegens verzoeker.\n\n2.15. Wat verzoeker heeft aangevoerd over de toepassing van de persrichtlijn en de voorwaarden voor audiovisuele verslaggeving, levert evenmin een aanwijzing op voor (de schijn van) partijdigheid. Deze richtlijnen zijn langdurig voorbereid en gelden algemeen. Dat in dit geval uitsluitend geaccrediteerde journalisten audiovisuele opnamen mogen maken, treft verzoeker niet vanwege zijn persoon. De behandelende zittingscombinatie heeft daarop geen doorslaggevende invloed.\n\n2.16. Voor het overige, mede gelet op hetgeen door verzoeker is aangevoerd, ziet de wrakingskamer evenmin aanleiding om te oordelen dat sprake is van feiten of omstandigheden die duiden op enige vooringenomenheid of objectief gezien die schijn wekken. Het verzoek tot wraking moet dan ook worden afgewezen.\n\n2.17. De wrakingskamer ziet in het voorgaande en gelet op een eerder door verzoeker gedaan wrakingsverzoek aanleiding te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak dat berust op dezelfde gronden niet in behandeling zal worden genomen.\n\n3. De beslissing\n\nHet gerechtshof (wrakingskamer):\n\nverklaart het wrakingsverzoek gedeeltelijk niet-ontvankelijk;\n\nwijst voor het overige het verzoek tot wraking van mrs. L.T. Wemes, F. van der Maden en R. Godthelp af;\n\nbepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van verzoeker in deze strafzaak dat berust op dezelfde gronden als in deze wrakingsprocedure aan de orde zijn, niet in behandeling zal worden genomen;\n\nDeze beslissing is gegeven door mrs. J.J. Beswerda, W.F. Boele en C. Coster, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026;\n\nTegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 515 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering).\n\nVoorzitter Griffier\n\nmr. J.J. Beswerda mr. I.E. van Zalen","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:588","2026-02-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.488Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":35,"updatedAt":61},"1206","ECLI:NL:GHARL:2025:7260","ecli-nl-gharl-2025-7260","2025-11-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer gerechtshof W 200.360.123\u002F01\n\nbeslissing van 17 november 2025\n\nop het verzoek van:\n\n [wraker]\n\npostadres te Hengelo,\n\nverzoeker in het wrakingsincident\n\nhierna: verzoeker,\n\ndat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\nmrs. G.A. Versteeg, Z.J. Oosting en F. van der Maden,\n\nraadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. Bij de afdeling strafrecht van het hof is onder parketnummer 21-001730-25 een strafzaak aanhangig tegen verzoeker.1.2. Op 3 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden voor de strafkamer van dit hof. Aanwezig waren mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mrs. Z.J. Oosting en F. van der Maden, raadsheren en mr. L. Kiemel, griffier. Het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door mr. I.A.H.M. Schepers, advocaat-generaal. Ook verzoeker was aanwezig, vergezeld door de heer [naam] Namens de benadeelde partij [naam 1] was mr. J. Bouwhuis verschenen. Verzoeker heeft tijdens deze mondelinge behandeling de voorzitter en raadsheren gewraakt. De voorzitter heeft hierop de behandeling van de zaak geschorst. Het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.1.3. De raadsheren hebben niet in de wraking berust. Mrs. G.A. Versteeg, Z.J. Oosting en F. van der Maden hebben bij verweerschrift van respectievelijk 16 oktober 2025, 14 oktober 2025 en 20 oktober 2025 op het wrakingsverzoek gereageerd.1.4. Verder is ter griffie op 14 oktober 2025 een reactie van de advocaat-generaal op het wrakingsverzoek binnengekomen. Daarnaast is op 29 oktober 2025 een e-mail van verzoeker ontvangen met daarbij verschillende bijlagen, waaronder een nadere motivering van het wrakingsverzoek en een reactie op de verweerschriften van de raadsheren.1.5. Het wrakingsverzoek is ter zitting van 3 november 2025 behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker is bij deze behandeling verschenen. Zoals van tevoren in hun verweerschriften aangeven waren de gewraakte raadsheren niet bij de zitting aanwezig. Verzoeker heeft het verzoek mondeling toegelicht.2. De beoordeling van het verzoek De ontvankelijkheid van het verzoek2.1. De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en ontvankelijk. De gronden van het wrakingsverzoek2.2. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 3 oktober 2025 heeft verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat het hof weigerde om ter zitting een beslissing te nemen op het verzoek om door verzoeker genoemde stukken uit het dossier te schrappen. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker toegelicht dat hij nog meer gronden wilde aanvoeren maar daar geen gelegenheid voor heeft gekregen omdat werd gezegd dat de griffier alles al had genoteerd. Verzoeker heeft voorafgaand aan de strafzitting een e-mail gestuurd met daarin meerdere punten die hij van belang vindt voor zijn zaak, namelijk het verzoek een getuige te horen, onderzoek te doen naar ambtsmisbruik van een agent, het opvragen van de rittenstaat van de ambulance en ten slotte op te vragen hoeveel meldingen zijn gedaan over de benadeelde partij. Verzoeker wilde de kans om ter terechtzitting alles te bespreken en wil kunnen anticiperen op de beslissing op zijn verzoeken. Verzoeker heeft verder nog aangevoerd dat, bij het bekijken van de filmbeelden, een van de raadsheren benoemde wat zij zag. Volgens verzoeker kon die waarneming niet kloppen. Het standpunt van verweerders2.3. \n\nDe raadsheren hebben geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek. Daartoe hebben zij aangegeven dat de beslissing om bij arrest op het verzoek tot schrappen van stukken uit het dossier te beslissen, een procedurele beslissing is. Het getuigt van zorgvuldigheid om de zaak eerst volledig te bespreken, voordat het hof zich uitspreekt over het verzoek. Niet duidelijk is waarom verzoeker hieruit kan afleiden dat het hof partijdig is, of met deze beslissing die schijn heeft gewekt.\n\nHet standpunt van de belanghebbende2.4. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. Niet is gebleken van een persoonlijke overtuiging of gedraging van een raadsheer. Evenmin is gebleken van een objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid van raadsheren ontbreekt. De inhoudelijke beoordeling van het verzoek2.5. Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.2.6. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.2.7. Vrees voor vooringenomenheid kan ontleend worden aan de inhoud van een rechterlijke beslissing, maar is in een dergelijk geval slechts objectief gerechtvaardigd indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval een beslissing is genomen die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is aan te wijzen dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.2.8. \n\nDe strafkamer van het hof moet nog beslissen over de onderzoekswensen van verzoeker en over de vraag of bepaalde stukken van het bewijs moeten worden uitgesloten. De weigering om hier ter zitting een beslissing over te nemen, geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de bij verzoeker bestaande vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Dat verzoeker graag had gezien dat reeds ter zitting was beslist, zodat hij daarop had kunnen anticiperen, maakt dit niet anders. Het hof moet een beslissing nemen als onderzoekswensen zijn ingediend. Dat daar tijd voor wordt genomen en daar niet al tijdens een zitting op wordt beslist, is niet zo onbegrijpelijk dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is aan te wijzen dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. Dat een van de raadsheren benoemde iets op beeldopnamen te zien wat volgens verzoeker niet klopte, is dat evenmin. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek daarom afwijzen.\n\nDe beslissing\n\nHet gerechtshof (wrakingskamer):\n\nwijst het verzoek tot wraking van mrs. G.A. Versteeg, Z.J. Oosting en F. van der Maden af.\n\nDeze beslissing is gegeven door mrs. L.G. Wijma, J.H. Kuiper en L. van Dijk, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025. Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:7260","2025-11-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:09.912Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":35,"updatedAt":70},"713","ECLI:NL:GHARL:2025:8761","ecli-nl-gharl-2025-8761","2025-10-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer gerechtshof W200.359.527\u002F01\n\nbeslissing van 8 oktober 2025\n\nop het verzoek van:\n\n [naam] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoeker in het wrakingsincident\n\nhierna: verzoeker,\n\nadvocaat: mr. B.J. de Pree, kantoorhoudend te Utrecht,\n\ndat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\nmr. L.G. Wijma,\n\nraadsheer in dit hof, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. Bij de afdeling strafrecht van het hof is onder parketnummer 21-002526024 een strafzaak aanhangig tegen verzoeker.1.2. Op 24 september 2025 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden voor de strafkamer van dit hof. Aanwezig waren mr. E. de Witt, voorzitter, en mrs. L.G. Wijma en M.J.F. van der Wolf, raadsheren. Het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door mr. M. Klappe, advocaat-generaal. Verder waren aanwezig verzoeker en diens raadsman, mr. B.J. de Pree. Verzoeker heeft tijdens deze mondelinge behandeling mr. L.G. Wijma gewraakt. De voorzitter heeft hierop de behandeling van de zaak geschorst. Het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.1.3. Mr. L.G. Wijma heeft per e-mailbericht van 1 oktober 2025 de griffier van de wrakingskamer te kennen gegeven dat hij berust in de wraking.\n\n2. De beoordeling van het verzoek2.1. \n\nNu mr. L.G. Wijma heeft berust in de wraking, heeft verzoeker bereikt wat met een wrakingsverzoek wordt beoogd, namelijk dat de gewraakte raadsheer de zaak niet meer behandelt. De wrakingskamer komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek. Verzoeker is kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Een mondelinge behandeling kan daarom achterwege blijven.\n\nDe beslissing\n\nHet gerechtshof (wrakingskamer):\n\nverklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.\n\nDeze beslissing is gegeven door mr. J.H. Kuiper, voorzitter van de wrakingskamer, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8761","2026-04-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:44.328Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":35,"updatedAt":78},"1234","ECLI:NL:GHARL:2025:4980","ecli-nl-gharl-2025-4980","2025-08-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nLocatie Leeuwarden\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.346\u002F01\n\nbeslissing van 12 augustus 2025\n\nop het verzoek van:\n\n [wraker] ,\n\nwonende te [woonplaats]\n\nverzoeker in het wrakingsincident\n\nhierna: de verzoeker,\n\ndat strekt tot wraking ingevolge artikel 17 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) juncto artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\nmr. L. Willems-Keekstra,\n\nraadsheer in dit hof, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. Bij de afdeling strafrecht (Mulderzaken) van het hof is onder zaaknummer Wahv 200.350.121\u002F01 een procedure aanhangig van de verzoeker, waarin hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Gravenhage, van 2 december 2024.\n\n1.2. Op 20 juni 2025 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden voor de enkelvoudige strafkamer (Mulderzaken) van dit hof. Op de strafzitting was de verzoeker aanwezig. Namens de advocaat-generaal was mr. P.A. Veenstra aanwezig. Nadat het onderzoek ter terechtzitting werd gesloten, heeft de verzoeker mr. Willems-Keekstra gewraakt. Het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.1.3. Mr. Willems-Keekstra heeft niet in de wraking berust. Mr. Willems-Keekstra heeft bij verweerschrift van 17 juli 2025 op het wrakingsverzoek gereageerd.1.4. Het wrakingsverzoek is ter zitting van 1 augustus 2025 behandeld door de wrakingskamer. De verzoeker is bij deze behandeling verschenen en heeft zijn wrakingsverzoek mondeling toegelicht. Mr. Willems-Keekstra is niet verschenen.\n\n2. 2 De beoordeling van het verzoek De ontvankelijkheid van het verzoek\n\n2.1. De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en acht de verzoeker ook overigens ontvankelijk. De gronden van het wrakingsverzoek2.2. \n\nDe verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat mr. Willems-Keekstra voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek om de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM op te roepen om ter zitting als getuige te worden gehoord. Volgens de verzoeker had de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM gehoord moeten worden over de vraag of sprake is van gebrek aan juridische kennis bij de medewerkers van het parket CVOM over de Algemene termijnenwet dan wel of de Algemene termijnenwet opzettelijk onjuist wordt toegepast.\n\nDe inhoudelijke beoordeling van het verzoek2.3. Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 17 Wahv in samenhang met artikel 512 Sv de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.2.4. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor het bevooroordeeld zijn van de rechter, is het uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.\n\n2.5. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 juni 2025 blijkt dat de verzoeker ter zitting heeft verklaard van mening te zijn dat de officier van justitie zijn beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens de verzoeker is namelijk geen rekening gehouden met de Algemene termijnenwet. De verzoeker heeft daarom tijdens de mondelinge behandeling van de zaak bij het hof dit punt aan de orde willen stellen en verzocht om de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM te horen over de juridische kennis van de medewerkers van het parket CVOM over de Algemene termijnenwet. Na schorsing van de mondelinge behandeling voor beraad heeft mr. Willems-Keekstra meegedeeld dat op het verzoek om de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM te horen zal worden beslist in de uitspraak en dat het verzoek zal worden ‘meegenomen in raadkamer’. Indien het verzoek wordt toegewezen, zal het onderzoek worden heropend voor het oproepen van de getuige en volgt eerst nog geen uitspraak. Daarop heeft de verzoeker mr. Willems-Keekstra gewraakt.\n\n2.6. De wrakingskamer overweegt ten aanzien van het voorgaande als volgt. Het is voor de wrakingskamer duidelijk dat de verzoeker veel zorgen heeft over de werkwijze bij het CVOM en dat hij van mening is dat hij deze zorgen bij de mondelinge behandeling ten overstaan van mr. Willems-Keekstra onvoldoende heeft kunnen uiten. De enkele omstandigheid dat, anders dan verzoeker wenste, toen niet direct door laatstgenoemde is beslist op het hiervoor in rov. 2.5 genoemde verzoek, maakt naar het oordeel van de wrakingskamer echter niet dat sprake is van (een objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid van mr. Willems-Keekstra. Ook de overige gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling geeft daar geen blijk van. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.\n\nDe beslissing\n\nHet gerechtshof (wrakingskamer):\n\nwijst het verzoek tot wraking van mr. Willems-Keekstra af.\n\nDeze beslissing is gegeven door mrs. P.S. Bakker, R.F.C. Spek en L. Pieters, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:4980","2026-07-13T00:29:11.388Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":83,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":35,"updatedAt":85},"712","ECLI:NL:GHARL:2025:8760","ecli-nl-gharl-2025-8760","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer gerechtshof 200.334.640\u002F02\n\nbeslissing van 2 juli 2025\n\nop het (schriftelijke) verzoek van:\n\n [naam] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoeker in het wrakingsincident\n\nhierna: verzoeker,\n\ndat strekt tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:\n\nmrs. O.E. Mulder, H. de Hek en M.A.F. Veenstra,\n\nraadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. Bij de afdeling civiel recht van het hof is onder zaaknummer 200.334.640\u002F01 een procedure aanhangig geweest tussen verzoeker en [naam 1] en belanghebbende [naam 2] (vereffenaar).1.2. Verzoeker heeft bij verzoekschrift van 4 juni 2025, ingekomen ter griffie van de rechtbank Noord-Nederland op 4 juni 2025 en, na doorzending daarvan, ter griffie van het hof op 5 juni 2025, een schriftelijk verzoek gedaan dat strekt tot wraking van bovengenoemde raadsheren.2. De beoordeling van het verzoek De ontvankelijkheid van het verzoek2.1. De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Een verzoek tot wraking kan in beginsel in elke stand van de procedure worden gedaan, maar moet worden ingediend vóórdat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigd. Nadat de einduitspraak is gedaan, is de zaak immers niet meer bij de rechter in behandeling. Een na een einduitspraak gedaan verzoek tot wraking dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.\n\n2.2. Op 5 juni 2024 heeft de civiele kamer van het hof het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 augustus 2023 behandeld. Ter zitting zijn afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting. Partijen hebben de afspraken bevestigd door hun handtekening te zetten. Gelet op het gemaakte compromis heeft verzoeker ter zitting van 5 juni 2024 het hoger beroep ingetrokken.\n\n2.3. Vervolgens is door verzoeker bijna een jaar later, bij verzoekschrift van 4 juni 2025 om wraking verzocht van de leden van de civiele kamer. Op dat moment was de behandeling van de door verzoeker aanhangig gemaakte procedure echter reeds door de intrekking van het hoger beroep geëindigd. De wrakingskamer stelt dit gelijk aan de situatie waarin de zaak is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak, nu de zaak niet meer bij een rechter in behandeling is. Het verzoek is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dan ook niet tijdig ingediend.2.4. \n\nReeds op grond van het vorenstaande is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker niet kan worden ontvangen in zijn verzoek tot wraking. Gelet hierop komt de wrakingskamer niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek. Een mondelinge behandeling kan daarom achterwege blijven. De beslissing\n\nHet gerechtshof (wrakingskamer):\n\nverklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.\n\nDeze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, L.G. Wijma en L. van Dijk, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Wijmenga, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025. Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8760","2026-07-13T00:28:44.295Z",20]